Ga direct naar de content

De ontketende mediasector

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 5 1995

De ontketende mediasector
J. van den Beukel*

D

e media- en telecommunicatiesector maakt een periode door van sterke groei,
schaalvergroting en concentratie, nu de overheid zich steeds verder terugtrekt.
De ontwikkelingen zijn grotendeels te verklaren uit de enorme schaaleffecten: bet
is voor een bedrijf zeer aantrekkelijk hetzelfde informatieprodukt in verschillende
presentatievormen en in verschillende landen aan te bieden. Adequate mededingingswetgeving helpt te voorkomen dat bij verdere concentratie van aanbieders
betproduktaanbod verschraalt.

De media- en telecommunicatiesector is ontketend.
De sector raakt meer en meer bevrijd van overheidbemoeienis en maakt een periode van sterke groei
door. De dynamiek van de markt trekt nieuwe aanbieders aan en bestaande aanbieders gaan nieuwe
verbanden aan. De Amerikaanse telecommunicatieonderneming Bell South heeft bij voorbeeld aangekondigd zich op de Nederlandse telefoniemarkt te
willen begeven en zoekt samenwerking met Enertel,
een organisatie van energiebedrijven. Een nieuw verband van bestaande marktpartijen is de deal tussen
Veronica, VNU, net Luxemburgse CLT en televisieproducent Endemol. Er lijkt zich een proces van schaalvergroting voor te doen.
Volgens sommigen vormen de marktontwikkelingen een bedreiging voor de pluriformiteit van het
media-aanbod. Dit artikel gaat over de vraag welke
ontwikkelingen plaatsvinden op de media- en telecommunicatiemarkt, waarom zij plaatsvinden en
welke maatregelen de overheid, juist nu zij meer en
meer terugtreedt uit de media- en telecommunicatiesector, moet nemen om ongewenste effecten van de
marktontwikkelingen te beteugelen1. Eerst volgt een
beschrijving van de huidige terugtred van de overheid uit de media- en telecommunicatiesector. Daarna wordt betoogd dat de huidige ontwikkelingen,
waarvan schaalvergroting de meest kenmerkende is,
een onvermijdelijk gevolg zijn van de kenmerken
van informatieprodukten. Hierop volgt een korte beschrijving van in Amerika ontwikkelde theoretische
modellen, waarmee voorspellingen worden gedaan
over de diversiteit van het aanbod van televisiestations in een marktsituatie. Aan het einde volgt een beschouwing over de maatregelen die, na liberalisering
en privatisering, moeten worden genomen in reactie
op de marktontwikkelingen.

Deregulering en privatisering
Telecommunicatie
Tot voor enkele jaren geleden was telecommunicatie
strikt gereguleerd en bevond deze sector zich voor-

324

namelijk in het publieke domein . Telecommunicatie,
zoals telex en telefonie, was een monopolie van het
staatsbedrijf der PTT. Een uitzondering op het monopolie vormde de netten voor kabeltelevisie. Voor
kabeltelevisie werden machtigingen verstrekt aan de
gemeentebesturen. De ‘kabel’ heeft tot op heden
gefunctioneerd als een lokale nutsvoorziening, waarvoor de abonnementstarieven door de gemeente laag
werden gehouden. Een andere uitzondering gold
voor de omroepzenders voor landelijke omroep.
Het beheer daarvan viel onder het monopolie van de
Nozema, een vennootschap die in 1935 is opgericht
en waarin de publieke omroepverenigingen en de
staat deelnemen. De laatste uitzondering op het PTTmonopolie betrof telecommunicatieverbindingen
voor intern gebruik binnen ondernemingen. Ter bescherming van de positie van de PTT werden deze
drie categorieen van uitzonderingen op het monopolie van de PTT zeer eng omschreven. De uitzonderingen werden gekoppeld aan een bepaald soort
gebruik: kabelnetten voor omroepprogramma’s;
zenders voor omroepprogramma’s; en bedrijfsnetten
voor de specifieke bedrijfsdoeleinden (bij voorbeeld
taxicentrales, de spoorwegen of energiebedrijven).
De deregulering van de telecommunicatiewetgeving, die in Nederland in 1988 is begonnen en
deels wordt geinitieerd door de EG, heeft ten eerste

* De auteur is secretaris omroep van de Mediaraad. Hij
promoveert op 14 juni as. op het onderwerp Toegang tot
de Televisiemarkt’.
1. De Mediaraad heeft erop gewezen dat de huidige regelgeving nog steeds veel nieuwe initiatieven belemmert.
Mediaraad, Advies inzake herstructurering beleid informatievoorziening. In bewerkte vorm uitgegeven als Nieuw
informatiebeleid, Amsterdam, Otto Cramwinckel, 1994.
Zie ook J. Smits, Roodkapje, Assepoester en de Zeven
geitjes, Telecommagazine, 1994, nr. 9, biz. 45
2. De relevante wetgeving staat in de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, Staatsblad. 1988, nr. 520 en de radioOmroep-Zenderwet 1935. Staatsblad, 1935, nr. 403. Beide
wetten zijn te vinden in de wetseditie Schuurman & Jordens, nr. 67.

teweeg gebracht dat randapparatuur (telefoons,

den geconsumeerd in de vrije tijd, zoals speelfilms

faxen enzovoorts) vrij verhandeld kon worden. Ten

en televisieprogramma’s, vertegenwoordigt de

tweede is bewerkstelligd dat PTT Telecom moet toe-

exclusiviteit een bepaalde waarde.

staan dat andere ondernemingen allerlei telecommunicatiediensten verrichten over haar infrastructuur.

Ten derde wordt voorzichtig begonnen met het toestaan van concurrence door de andere exploitanten

van telecommunicatienetten. Via kabelnetten mogen
naast omroepprogramma’s enkele andere kleinschali-

ge diensten worden verricht. maar telefonie is nog
steeds niet toegestaan. Voor 1998 zal dit niet verande-

ren. De concurrentie van andere telecommunicatienetten wordt stapsgewijs geliberaliseerd: een tweede
aanbieder van mobiele telefonie wordt toegestaan,
semafonie (piepers) mag door anderen worden aangeboden, en er wordt gedacht aan een tweede lande-

lijke aanbieder van draadgebonden spraaktelefonie.
Naast deregulering is de privatisering van de PTT
aangevangen in 1988. Ook de exploitatie van kabelnetten zal meer het karakter van een ondernemersactiviteit krijgen. Veel gemeenten denken na over de
verkoop van hun kabelnet. Daarnaast zullen de ei-

gendomsverhoudingen van de Nozema naar alle
waarschijnlijkheid door de wetgever worden geher-

Omdat informatie in beginsel non-rivaliserend is,
is er een ratio om een eenmaal geproduceerd informatieprodukt op een zo groot mogelijke schaal te
exploiteren. Immers, een extra consument van een

informatieprodukt brengt relatief weinig extra kosten
met zich. Ten einde de opbrengst van een informatieprodukt te optimaliseren (en transactiekosten te
internaliseren) is er alle reden voor een ‘informatieconcern’ om het produkt aan te bieden in zoveel mo-

gelijk presentatievormen. Een verhaal of concept kan
bij voorbeeld worden aangeboden als roman, stripverhaal, speelfilm, videoband of televisieprogramma.
Informatieprodukten worden op gefragmenteerde

wijze geexploiteerd. De fragmentatie geschiedt naar
geografische of sociaal-culturele eenheid en naar tijd.
De exclusiviteit van het gebodene neemt per tijdvak
af omdat steeds grotere groepen consumenten tot

consumptie overgaan. De prijs, die een consument
betaalt, wordt lager naarmate de tijd verstrijkt en naar
mate de exclusiviteit van het informatieprodukt afneemt. De exploitatie van een speelfilm is een goed

structureerd.

voorbeeld. Voor het vertonen van een speelfilm in de
bioscoop betaalt de consument het meest. De prijs

Media

voor het huren van dezelfde film op video is lager
dan de prijs voor bioscoopbezoek. Voor de ontvangst

De pers en de uitgeverij kennen traditioneel weinig
overheidsbemoeienis. De omroep wel. Lange tijd was
omroep voorbehouden aan de publieke omroepinstellingen . Hun monopolie op het uitzenden van

van de film via abonnnee-tv betaalt de consument
weer minder. En voor de ontvangst via een openaccess televisiekanaal betaalt de consument niets.

omroepreclame is jaren lang beschermd door te ver-

Deze manier van exploiteren, prijsdiscriminatie naar

bieden dat kabelexploitanten zouden overgaan tot

tijd, wordt windowing genoemd.

het verspreiden van buitenlandse programma’s met

Bepaalde informatieprodukten worden geexploiteerd als duaal produkt. Kranten en tijdschriften zijn
voorbeelden. Kranten bieden informatie aan de lezer
op de lezersmarkt en zij bieden publiek aan de adverteerder op de reclamemarkt. Omroep is ook een
duaal produkt.
In wezen is elk informatieprodukt uniek. Het
verhaal, het beeld, de compositie enzovoorts is bij
elk informatieprodukt altijd weer anders. Toch zijn
de meeste informatieprodukten niet zo uniek dat zij
niet door andere produkten kunnen worden vervangen. De mate van onderlinge verwisselbaarheid
neemt toe naar mate de produkten meer van hetzelfde genre, of thema, zijn. Een detective-verhaal is
voor de lezer beter verwisselbaar door een ander
detective-verhaal dan door een doktersromannetje.
Sommige informatieprodukten zijn zo uniek dat zij
nauwelijks verwisselbaar zijn. Bij voorbeeld, livevoetbalwedstrijden van Ajax zijn verregaand uniek.
De prijs van de uitzendrechten van deze evenementen kan daarom behoorlijk oplopen. ‘Klassiekers’ in
de filmindustrie hebben een in hoge mate een uniek
karakter. Tekenfilms van Disney zijn bekende klassie-

op Nederland gerichte reclameboodschappen. Onder

druk van het EG-recht is daaraan een einde gekomen. Tegenwoordig is ook binnenlandse commer-

ciele omroep toegestaan. Lokale en regionale omroep is nog voorbehouden aan publieke instellingen,
maar zal ook worden geliberaliseerd, zo heeft staatssecretaris Nuis onlangs laten weten. Overigens is

abonnee-tv al sinds 1984 toegestaan. Dat is te verklaren uit het feit dat van abonnee-tv weinig concurren-

tie voor de publieke omroep werd verwacht. De huidige beleidsmakers staan voor de vraag in hoeverre

de publieke omroepinstellingen moet worden toegestaan commerciele activiteiten te ontwikkelen en
nieuwe exploitatievormen, zoals abonnee-tv aan te

gaan.

Kenmerken van informatieprodukten
Mediaprodukten, zoals een krant, een boek of een
televisieprogramma, hebben gemeen dat zij informatie bevatten. In theorie is de consumptie van informatieprodukten non-rivaliserend . Dat wil zeggen dat

wanneer een informatieprodukt door de een tot zich
wordt genomen, de informatie voor de ander niet ver-

loren gaat. In de praktijk wil dit niet zeggen dat informatieprodukten een eeuwigdurende waarde hebben.
De marktprijs van informatieprodukten daalt naar
mate de exclusiviteit minder wordt. Gevoelige koersinformatie is het meest waardevol voor degene die er
als enige over beschikt. Ook voor produkten die wor-

ESB 5-4-1995

3. Omroepwetgeving staat in de Mediawet, Staatsblad,
1987, nr. 249 (Schuurman & Jordens, nr. 164).
4. Zie over de economische eigenschappen van informatieprodukten als publieke goederen B.M. Owen en S.S. Wildman, Video Economics, Harvard University Press, Cambridge (Mass.), 1992, biz. 23-24.

325

kers die een unieke waarde hebben die door windowing naar tijd wordt geexploiteerd.
De presentatievorm van informatieprodukten kan

zeer verschillen. Informatieprodukten kunnen elektronisch worden getransporteerd of op een stoffelijke
drager worden overgebracht. De keuze voor een

De ontketende sector
De deregulering en privatisering hebben bijgedragen
aan de expansie en produktdifferentiatie in de media
en telecommunicatie. Er zijn nieuwe, waaronder internationale, aanbieders op de markt gekomen en

bepaalde vorm van overdracht wordt gemaakt op
grond van een combinatie van doelstelling (hoeveel
mensen wil ik bereiken), kostenaspecten en technische overwegingen, zowel door de aanbieder als de

bestaande aanbieders gaan op in nieuwe conglomeraten.

gebruiker. Er zijn vele stoffelijke dragers, die ieder
een bepaald gebruik vereisen. Papier is een traditio-

Produkten

nele drager, waarvan de consumptie geen extra appa-

De elektronische media hebben een sterke ontwikkeling van produktdifferentiatie doorgemaakt. Technische ontwikkelingen zorgen dat vele produkten op

ratuur vereist. Bij andere dragers hoort wel afspeelap-

verschillende dragers worden aangeboden. Met

paratuur. Sommige apparatuur is zo duur dat alleen
een gedeeld gebruik rendabel is. Film op een groot
tisch leesbare dragers op de markt. CD-Rom is compatibel met computers, en wordt veelal gebruikt voor

name wetenschappelijke vakbladen worden niet alleen op papier, maar ook op cd-ROM en on-line via
databanken aangeboden5. Deze vormen van produktdifferentiatie zijn niet te danken aan liberalisering of
privatisering. Dat was altijd al vrij. De liberalisering

gegevensopslag. CD-i is compatibel met televisietoe-

van omroep heeft in Nederland geleid tot een begin

stellen en is gericht op de consumentenmarkt en
wordt voor bij voorbeeld het afspelen van films gebruikt. Elektronisch transport bestaat uit geschakelde
verbindingen enerzijds en omroep anderzijds. Bij geschakelde verbindingen zoals telefoon wordt alleen
een signaal geleverd na een individueel verzoek.

van produktdifferentiatie van radio. Traditioneel be-

dock is een voorbeeld. De laatste jaren komen op-

Omroep is een techniek waarbij continu een signaal

voor iedereen wordt geleverd.
De kenmerken van informatieprodukten leiden

stonden radio- en televisieprogramma’s uit generalinterest programmering, dat wil zeggen een program-

ma, dat voor ieder wat wils bevat. Op radiogebied
begint de differentiatie ofwel segmentering langzaam
te komen. Zo zijn er radioprogramma’s, die alleen
klassieke muziek of jazz uitzenden. De segmentatie
heeft ook geleid tot expansie: de gemiddelde luistertijd en de reclamebestedingen op de radio zijn de

als vanzelf tot grootschaligheid van de marktdeel-

afgelopen jaren sterk gestegen. Ook de televisie is

nemers waarin allerlei activiteiten zijn ge’integreerd.

geexpandeerd. De reclamebestedingen voor televisie

Allereerst is schaalvergroting en internationalisering
van mediaconcerns een logische consequentie van
het non-rivaliserende karakter van informatieprodukten. Een produkt dat door een concern in het ene
land is geexploiteerd, kan later in een ander land
ook worden geexploiteerd. Daarnaast is van belang
dat de exploiteerbaarheid van informatieprodukten

zijn sterk gestegen. En hoewel de Nederlanders gemiddeld nog steeds relatief weinig televisiekijken,

stijgt de kijktijd gestaag . De segmentatie vindt ook
op televisiegebied plaats. In Nederland zijn er naast

de general-interest programma’s van RTL4 en 5 en de
publieke omroep, onder andere het sportkanaal Eurosport, de filmkanalen van Filmnet en TNT, het mu-

afhangt van de exclusiviteit ervan. Dat geeft een ratio

ziekkanaal MTV en Kindernet.

voor het beheersen van alle ‘windows’. Daardoor
kan een optimale strategie worden uitgezet om een

De telecommunicatiesector heeft de afgelopen jaren een sterke expansie gekend. De omzet van PTT
Telecom is gestegen van / 8,9 mrd in 1989 naar
/ 11,8 mrd in 19937. De produktvernieuwing heeft
iedereen kunnen constateren, zowel van de randapparatuur als van de diensten. Mobiele telefonie, door-

informatieprodukt te exploiteren.

Verder zorgt het duale karakter van informatieprodukten voor een ratio om ondernemingen te integreren. Omdat een dagbladuitgever niet alleen op de
lezersmarkt actief is maar ook op de reclamemarkt, is
hij geneigd om ook informatieprodukten te gaan aanbieden, die de reclame-inkomsten van zijn bladen
(in zijn perceptie) bedreigen. Nog een belangrijk
element is het unieke, niet-substitueerbare, karakter
van informatieprodukten. Daarin schuilt een stimulans om ondernemingen, die beschikken over grote
hoeveelheden eigendomsrechten van informatieprodukten, binnen een conglomeraat te hebben. Als laatste is nog te noemen dat er een belangrijke reden is
voor een mediaconcern om transportmiddelen te
beheersen. Wie transportmiddelen beheerst, beheerst
de weg naar de gebruiker. Andersom is er reden
voor telecommunicatiebedrijven om belangen te hebben in aanbieders van omroepprogramma’s en andere elektronische media. Zij willen immers volume
draaien met hun transportcapaciteit en zijn erbij
gebaat dat er zoveel mogelijk diensten worden aangeboden via hun telecommunicatie-infrastructuur.

326

schakelfaciliteiten, flexibele transportcapaciteit van

lijnen, huurlijnen, grootverbruikerstarieven enzovoorts zijn allemaal mogelijk.

Marktstructuur
De bedrijfskolom van de media bestaat grofweg uit
de toeleveranciers van informatie, de vervaardiging

van het informatieprodukt en de distribute ervan.
5. Er wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de ontwikkelingen in deze bedrijfstak in: Verslag over de voornaamste gebeurtenissen en ontwikkelingen op de markt
voor elektronische informatiediensten van de Commissie
van de EG, DG XIII/E (juli 1993).

6. De hoeveelheid kijktijd, die Nederlanders gemiddeld besteden aan televisie bedroeg 146 minuten in 1992. Het Ver-

enigd Koninkrijk is koploper met 223 minuten. In Duitsland
is dat 160 minuten. De trend is dat er steeds meer wordt gekeken. Zie de Jaarverslagen 1992 en 1993 van de STER.

7. Zie het jaarverslag van KPN 1993.

De aanwezigheid van buitenlandse concerns op

de omroepmarkt is inmiddels gewoon geworden.

Figuur 1. Bedrijfskolommen in de media

Het Luxemburgse CLT heeft succes geboekt met de

introductie van RTL4. Daarnaast zijn bijna alle in
Nederland verkrijgbare doelgroepkanalen afkomstig

Gebmlker

van buitenlandse concerns. Ook buitenlandse telecommunicatie-ondernemingen treden op op de Ne-

multi-channel •
Distribute

derlandse groeiende telecommunicatiemarkt. British
Telecom snoept vele zakelijke klanten af van PTT
Telecom. Amerikaanse bedrijven tonen interesse
voor de aankoop van Nederlandse kabelnetten.

Kenmerk van deze telecommunicatiebedrijven is hun
omvang en kapitaalkracht. De aanwezigheid van internationale marktdeelnemers gaat sarnen met integratie van bestaande marktdeelnemers in Nederland.
In de pers heeft zich de eerste concentratiegolf voorgedaan8. De concentratie was horizontaal van karakter en leidde tot een aantal grote uitgeefconcerns van
nieuwsbladen en tijdschriften. In vergelijking tot

fibnvernuur

packaging
|
(Multi Choice)

(UIP)

Vervaardging

Toetevwing

andere landen kennen wij nog maar korte tijd het

verschijnsel van de kruislingse integratie van pers en
omroep. Dit komt omdat Nederland relatief laat commerciele omroep heeft geintroduceerd. Kruislingse

staat. Naarmate het aantal aanbieders groter wordt,
wordt deze neiging minder. De modellen over televisie-aanbod van de economen Beebe, Noam en Owen

verbanden zijn er tussen uitgever VNU en RTL4 en

hebben grofweg dezelfde uitkomsten10. Televisiesta-

RTL5 waarin VNU voor 38% deelneemt. Daarnaast
exploiteert VNU ook vele zogenaamde kabelkranten.
Uitgeverij Strengholt heeft een belang in Radio
Noordzee Nationaal.
Van recente jaren is de verticale integratie binnen
de media- en telecommunicatiesector. Telecommunicatiebedrijven, zoals PTT Telecom en de kabelexploitanten gaan banden aan met filmmaatschappijen, uitgevers en omroepstations. Zo hebben Multichoice,
de distributeur van FilmNet, en EDON, een kabelex-

tions, die worden gefinancierd uit reclame-inkomsten, hebben de neiging elkaars programma te imiteren. De modellen hebben genieen dat de neiging tot
imitatie minder wordt naarmate het aantal aanbieders
van een programma toeneemt. Een monopolist zal
in deze modellen neigen naar programma’s die voor

ploitant in het oosten en noorden van Nederland met

abonnementsgelden, hebben weliswaar ook de neiging tot imitatie, maar minder. Het verschil is gelegen
in de omstandigheid dat kijkers in het geval van reclametelevisie hun voorkeuren alleen tot uitdrukking
kunnen brengen door te kijken of niet te kijken,
terwijl in het geval van abonnee-tv de intensiteit van
een voorkeur tot uitdrukking komt in de hoogte van
het abonnementsgeld.

500.000 abonnees, een joint-venture opgericht om
samen abonneetv te gaan aanbieden. Ook Casema,

Philips, KPN en Graff zijn een soortgelijk samenwerkingsverband aangegaan. Casema, een dochter van

KPN, is de grootste kabelexploitant van Nederland
met een marktaandeel van ruim 20% van de kabelabonnee’s. Graff is een Amerikaanse aanbieder van
abonnee-tv.
In een ander deel van de bedrijfskolom vindt ook
verticale integratie plaats: toeleveranciers van omroepstations gaan nauwe banden aan of fuseren met
omroepstations. Endemol, ontstaan uit een horizontale concentratie van twee vrije producenten, wil meer

zijn dan alleen een toeleverancier en wil een deelname in een commercieel televisiestation. Een ander
voorbeeld is platenmaatschappij Arcade die eigenaar
is van diverse radiostations uit de Radio 10 Groep en

ook een televisiestation gaat exploiteren.

zoveel mogelijk kijkers acceptabel zijn. Een program-

mering voor kleine doelgroepen levert hem namelijk
slechts een marginale hoeveelheid extra inkomsten
op. Televisiestations, die worden gefinancierd uit

Beleid
De bevrijding uit de overheidsketenen is de expansie
van de Nederlandse telecommunicatie- en media-

markt ten goede gekomen. De expansie gaat gepaard
met nieuwe marktdeelnemers, die veelal uit het buitenland komen, en een herschikking van de bestaande marktdeelnemers. Uitgevers en toeleveranciers
breiden hun activiteiten kruislings en verticaal uit. De
ontwikkelingen wat de structuur van de media- en telecommunicatiemarkt betreft kunnen met een term

Pluriformiteit en markt
In de VS hebben economen modellen ontwikkeld
waaruit zij de pluriformiteit van het aanbod van televisiestations wilden afleiden. In wezen zijn deze modellen een toepassing van theorieen over produktdifferentiatie in oligopolistische markten, waarover
Harold Hotelling in 1929 een bekend artikel schreef9.
Het komt erop neer dat in een markt met weinig aanbieders er een sterke neiging tot produktimitatie be-

ESB 5-4-1995

8. Zie over dit onderwerp bij voorbeeld P. Bakker en P. Hendriks, Dagbladen: Nederland monopolieland?, I&I, 1994/12,
biz. 59.
9. H. Hotelling, Stability in competition, Economic Journal,

1929, biz. 41-57.
10. Zie J.H. Beebe, Institutional structure and program choices in television markets, Quarterly Journal of Economics,
1977, biz. 15-37; Noam, A public and private-choice model
of broadcasting, Public Choice 1987/55, biz. 163-187; B.M.
Owen en S.S. Wildman, 1992, op.cit., biz. 65-69.

I 327

worden geduid, en dat is schaalvergroting. Schaalver-

aanbod bij een oligopolisering of monopolisering

groting van de media wordt mede veroorzaakt door-

van de mediamarkt. De huidige Nederlandse mede-

dat telecommunicatie-ondernemingen verticaal inte-

dingingswetgeving is weliswaar vernieuwd, maar het

greren met de aanbieders van, wat zij met een Engels
woord noemen, de content. De expansie gaat samen
met produktdifferentiatie. Dat wil zeggen, dat de ma-

schort aan een regeling voor fusies en dergelijke. Dat
is een gebrek, zeker voor de informatievoorziening

nieren van presentatie, vorm en financiering gevari-

eerder worden. Het is de vraag of de pluriformiteit,
dat wil zeggen de variatie van de inhoud, ook toeneemt in de huidige ontwikkelingen. Produktdifferentiatie hoeft nog niet te betekenen dat de inhoud van
mediaprodukten gevarieerder wordt.
In het licht van de geschetste ontwikkelingen is
zeker nog plaats voor overheidsmaatregelen. De
privatisering en liberalisering moeten niet worden
teruggedraaid, maar de overheid dient voorwaarden
te scheppen voor het in goede banen leiden van de
nieuw verworven vrijheid van de media- en teiecommunicatiesector. Op drieerlei gebied kunnen maatregelen worden genomen. Als de samenleving van
mening is dat het aanbod van mediaprodukten een
onvoldoende pluriform karakter heeft, kan het instrument van de collectieve financiering worden ingezet
voor de ondersteuning van een gevarieerd aanbod.
Het weren van aanbod (en aanbieders) uit het buitenland, voor zover dat iiberhaupt mogelijk is in het
licht van de WTO en de EG, is zeker niet de aangewezen weg. Daarnaast is het voor de telecommunicatiesector van belang dat de overheid door middel van
maatregelen de toegang tot telecommunicatieverbindingen openhoudt. De derde categoric van maatregelen moet bestaan uit een adequate mededingingswetgeving en een krachtdadig mededingingsbeleid.
Bij het mededingingsbeleid moet het volgende
worden bedacht. Grootschaligheid is op zich zelf
geen onwenselijke ontwikkeling. De kenmerken van
informatieprodukten leiden onvermijdelijk tot grootschaligheid van multimediale conglomeraten. Dit is
een spontaan proces dat ontstaat uit synergie-effecten. Daarom zou het op voorhand verbieden van
grootschaligheid van mediaconcerns een verstoring
zijn van een normale economische ontwikkeling.
Bovendien behoeft grootschaligheid op zich zelf niet
schadelijk te zijn voor de pluriformiteit van het aanbod. De overheid moet dus geen regelingen uitvaardigen die concerns verbieden om hun marktaandeel
te verhogen, of een beperking bevatten van het aantal presentatievormen dat zij mogen bezitten enzovoorts. Op dit moment heeft Nederland een aantal
van deze regelingen. De zogenaamde cross-ownership bepalingen verbieden dat een uitgever, die meer
dan 25% van de dagbladmarkt in handen heeft, niet
meer dan 50% van een radio- of televisiestation in
handen heeft. Ook verticale integratie van kabelexploitanten en omroepstations is verboden. Dergelijke
regelingen zijn bij een goede algemene mededingingswetgeving niet noodzakelijk en vormen zelfs
een beperking van de ontwikkelingen.
De angst voor schaalvergroting is wel terecht als
dat wordt veroorzaakt door concentratie van marktdeelnemers. Bij een toenemende concentratie van de
markt neemt het aantal aanbieders af en daarmee de
concurrentie. De Amerikaanse theoretische modellen
voorspellen een afname van de pluriformiteit van het

328

waar fusies en overnames een belangrijke rol spelen.
De dagbladsector heeft weliswaar een zelfreguleringscode opgesteld die in beginsel verbiedt dat een fusie
of overname plaatsvindt waarmee een marktaandeel

van meer dan 33% op de dagbladmarkt wordt behaald, maar uitzonderingen zijn mogelijk en bovendien is de code alleen van toepassing op de dagbladsector. De wetgever zou daarom een algemene
concentratiecontroleregeling moeten opstellen. Daar-

mee moet niet op voorhand concentratiebewegingen
worden verboden. Maar zo’n regeling moet de kartel-

autoriteiten in staat stellen om concrete fusies en
overnames te toetsen op het mededingingsbeperken-

de karakter ervan en om eventueel over te gaan tot
een verbod. De invoering van een algemene concentratiecontroleregeling laat waarschijnlijk nog lang op
zich wachten, onder andere door politieke bezwa-

ren. Tijdelijke oplossingen kunnen dan gerechtvaardigd zijn. Een ding is zeker, adequate mededingingswetgeving is geen garantie voor een pluriform
media-aanbod, maar het helpt wel.
Jilles van den Beukel

Auteur