Ga direct naar de content

De ijzeren loonwet van Naomi Wolf

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 26 1992

trekkelijk ze worden geacht. De ratio van deze attitude is dat het reele
loon structured beneden de arbeidsproduktiviteit kan worden gebracht.’
Ik zal laten zien dat dit inderdaad
het geval is door de economische
theorie op een eenvoudige wijze toe
te passen.

De ijzeren loonwet van
Naomi Wolf

De arbeidsmarkt

Het stellen van schoonheidseisen aan vrouwen op de arbeidsmarkt
drukt het reele loon van vrouwen onder hun arbeidsproduktiviteit.
Vrouwen versterken ditproces door te investeren in de verfraaiing
van hun uiterlijk.

Onlangs is in Nederland de vertaling
verschenen van het boek van Naomi
Wolf, The beauty myth, onder de titel
De zoete leugenofde mythe van de
schoonheid . De schrijfster legt in
een levendige stijl bloot op welke
wijze vrouwen in onze dynamische
samenleving worden uitgebuit. Ik beperk mij tot het hanteren van de
schoonheid als beroepskwalificatie
en de consequenties daarvan voor
de arbeidsmarkt. Wolf stelt vast dat
hoe dichter vrouwen bij de macht
komen, hoe meer ze zich om hun uiterlijk moeten bekommeren. Het
boek werpt in het bijzonder de hypothese op dat de schoonheidseisen,
die aan vrouwen in het arbeidsproces worden gesteld, een ordinaire

marxistische achtergrond hebben.
Het gaat er slechts om blijvend te bewerkstelligen dat vrouwen belangrijk beneden hun produktiviteit worden beloond. Deze gedachte is de
moeite van een nadere analyse
waard, niet alleen omdat feitelijk
nog steeds sprake is van onderbetaling, maar ook omdat het blootleggen van dit mechanisme wellicht tot
correctie leidt. Daartoe dient uiteraard eerst duidelijk te worden gemaakt dat het idee tenminste een
kern van juistheid bevat.
Gemakshalve zal ik ervan uitgaan
dat vrouwen voor wat betreft hun
fysieke schoonheid vooral op hun
gewicht worden beoordeeld. Hoe
zwaarder ze zijn, hoe minder aan-

Figuur 1. Vraag en aanbod van (mooie) vrouwen op de arbeidsmarkt

LoonCW)

Laten we uitgaan van de situatie dat
op de arbeidsmarkt voor vrouwen
op globale wijze het loon tot stand
komt door vraag en aanbod, zonder
dat de werkgevers letten op het gewicht van de werkneemsters. Neem
aan dat het loon tot stand komt op
een niveau dat overeenkomt met de
grensproduktiviteit_van de arbeid.
Het loon bedraagt W en de werkgelegenheid OB . Thans voeren we de
veronderstelling in dat de vraag naar
arbeid niet alleen afhangt van het
loon, maar ook van het gewicht van
de werkneemsters. Hoe hoger het gewicht van de vrouwen, hoe geringer
de vraag naar hun arbeid. De keuze
van een bepaald gewicht impliceert
een verschuiving van de collectievevraagcurve voor arbeid naar links.
Neem aan dat de werkgevers in de
positie zijn het aanvaardbare gewicht G te kiezen, zodat iedere
vrouw met een gewicht groter dan G
van insider op de markt, outsider_
wordt. Het reele loon daalt van W
tot WG en de werkgelegenheid van
OB tot OA. De vrouwen worden niet
langer beloond overeenkomstig hun
produktiviteit, maar op basis van
hun gewicht dat geacht wordt te corresponderen met hun uiterlijk
schoon. In figuur 1 is deze situatie
weergegeven, voor het geval van
een Cobb-Douglas vraagfunctie en
een aanbodfunctie met constante
elasticiteit gelijk aan 1. Het fysieke
grensprodukt van de arbeid van de
vrouwen ligt boven het reele loon
WG, zodat de werkgevers een voor
hen voordelig verdelingseffect hebben bewerkstelligd.
Maar hier blijft het niet bij. De vrouwen die bij de keuze G van het aanvaardbare gewicht nog aan het werk
zijn, hebben de neiging extra aandacht aan hun uiterlijk en derhalve
aan hun gewicht te schenken vanwe-

1. Naomi Wolf, De zoete leugen of de myArbeid

the van de schoonheid, Amber, Amsterdam, 1991.
2. Met het oog op de flexibiliteit van het
betoog, laat ik in het midden of er volledige werkgelegenheid op de arbeidsmarkt
voor vrouwen is.

ge de dreiging de volgende keer aan
de beurt te zijn. Zij besteden een
deel van het inkomen aan het voorkomen van hun uitstoting en in deze
zin betalen zij een prijs voor werkgelegenheid. De vrouwen die reeds
zijn uitgeschakeld gaan zich in allerlei bochten wringen om weer op het
aanvaardbare gewicht G te komen.

Van belang is slechts de vraag of het
feitelijk handelen en de uitkomst
daarvan verenigbaar zijn met de hypothese dat de werkgevers de reele
lonen van de werkneemsters sturen
door de optimale keuze van het lichaamsgewicht van de vrouwen.
Volgens het eenvoudige neoklassieke schema wordt de individuele

Naomi Wolf heeft meer gelijk dan ze
denkt. Vrouwen worden op de arbeidsmarkt bij de neus genomen
door ze min of meer te dwingen veel
geld uit te geven aan hun uiterlijk.
Er wordt een leger van outsiders gecreeerd, waardoor het reele loon
naar beneden wordt gedrukt. De re-

Zij investeren daartoe een fractie A,

vraag naar arbeid bepaald door de

actie van vrouwen versterkt dit pro-

van hun inkomen of uitkering. Daardoor wordt bereikt dat de collectieve aanbodcurve naar rechts ver-

waarde van het fysieke grensprodukt. De gelijkstelling van loon en
grensopbrengst in het evenwicht impliceert een situatie van volkomen
concurrentie, zodat de individuele
werkgever geen machtspositie in-

ces, ook al kopen zij daardoor hun
werkgelegenheid. Mijn naam vormt
een handicap, anders zou ik het
boek van Naomi Wolf ter lezing aan-

neemt.

A. Heertje

schuift totdat deze de collectieve
vraagcurve LV2 snijdt, zodat de werkgelegenheid is hersteld tot OB. Het
reele loon voor alle vrouwen is door
dit mechanisme nog verder omlaag
gedrukt.
Als we vervolgens aannemen dat er
nog meer vrouwen kunnen en wil-

len toetreden tot de arbeidsmarkt,
dan bewerkstelligen vrouwen die
kans zien hun gewicht op het juiste
peil te brengen een verdere verschui-

ving van de collectieve aanbodcurve
naar rechts. De werkgelegenheid
neemt toe en het reele loon daalt verder. De werkgevers zitten volgens

deze redenering in een comfortabele
positie. Zelfs indien sprake is van

een groeiende economic, zodat de
vraag naar arbeid autonoom stijgt,

blijft het reele loon laag, zolang de
ondernemers hun eisen met betrekking tot het gewicht van de werkneemsters op het juiste moment aan-

passen. Denkbaar is ook dat de
dynamiek een zo sterke vraag naar
arbeid van vrouwen oproept, dat bij
de vigerende gewichtseisen niet voldoende vrouwen de noodzakelijke

investeringen kunnen of willen opbrengen. In dat geval behoeven de
ondernemers hun gewichtseisen

slechts lets te versoepelen, zodat de
schoonheidskosten voor de vrouwen lager zijn, maar ook het reele
loon voor alle vrouwen onder druk

komt. Deze uitwerking van de gedachte van Naomi Wolf levert een
uitbuitingsschema a la Marx op dat
nog dieper insnijdt dan zij voor mo-

gelijk houdt.

Verfijningen
Tot zover is een globaal, macro-eco-

nomisch betoog gehouden. Als thans
naar het micro-economisch gedrag
wordt gekeken, is niet zozeer de
vraag of de ondernemers bewust een
gewicht van zestig kilo per dame kie-

zen om het reele loon omlaag te
brengen. Evenmin is de vraag of de
dames bewust aan de lijn doen en ingrijpende operaties ondergaan om

aan de slag te blijven of te komen.

ESB 26-2-1992

De situatie dat de werkgever zich
mede laat leiden door het gewicht
van het vrouwelijke personeel houdt
in dat sprake is van een machtspositie. Hierdoor wordt ook op microniveau het loon beneden de arbeidsproduktiviteit gedrukt. Uit een
oogpunt van informatie doet zich

nog het voordeel voor dat het gewicht beter kan worden gesignaleerd dan de arbeidsprestatie. De ondernemer is in de positie om of een
afwijkend gewicht te ‘straffen’ met
een lager loon dan met de produktiviteit overeenkomt of om de •werkgelegenheid te weigeren en deze aan
te bieden aan iemand met het juiste
gewicht. Voor de individuele werkneemster wordt de eenvoudige afweging van vrije tijd en reeel inkomen
bij het aanbieden van arbeid, gecompliceerd door de investering in het
handhaven of bewerkstelligen van
het juiste gewicht. De besteding
wordt voortgezet totdat het grensnut
van de arbeid gelijk is aan de grenskosten ervan. Daar vrouwen erg veel
investeren in hun uiterlijk en hun gewicht, lijkt te moeten worden geconcludeerd dat blijkbaar aan het deelnemen aan het arbeidsproces een
hoog nut wordt toegekend. Deze
conclusie kan alleen worden vermeden, indien het verfraaien van het uiterlijk ook rechtstreeks nut afwerpt
en derhalve de welvaart van het subject, dat de bestedingen doet, verhoogt. Hier gaat het om de gedaante
van de nutsfunctie en de econometrische specificatie ervan. De veronderstelling lijkt gerechtvaardigd dat
althans een deel van het schoonheidsbudget wordt besteed met het
oog op een plaats op de arbeidsmarkt en het verwerven van een suboptimaal loon. De paradox is dat het
collectieve effect van het individuele
gedrag bestaat uit een lager reeel
loon, naarmate de individuele bestedingen voor schoonheid toenemen.

Conlusie

bevelen.

De auteur is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Auteur