Ga direct naar de content

De Europese flop?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 4 1984

De Europese flop?
De twee bekendste landen uit de economic zijn de landen A
en B van David Ricardo, die zowel wol als wijn produceren.
Deze landen veroverden zich een blijvende plaats in de economische wetenschap door zich op basis van comparatieve
kostenverschillen te specialiseren en handel te drijven, waardoor de welvaart in de twee staten op een blijvend hoger niveau werd gebracht. Dit leidde tot de conclusie dat uit economisch gezichtspunt de grenzen tussen de landen in de wereld
het beste kunnen worden geslecht. Erg realistisch was deze
theorie van de internationale handel niet. In de praktijk
maakten vooral politieke scheidslijnen economische samenwerking tussen staten op voorhand onmogelijk. De theorie
won daarom aan realisme toen land C werd ontdekt, dat de
rest van de wereld representeert en buiten het door de landen
A en B gevormde blok valt. In deze situatie bleken de voordelen minder duidelijk dan bij vrijhandel. Het is immers mogelijk dat de potentieel efficientere produktie van land C door
produktie in A of B wordt verdrongen doordat binnen het
blok weliswaar handelsbarrieres wegvallen maar het buitentarief blijft bestaan (z.g. ,,trade diversion”). Er treedt dan
slechts handelsverschuiving op. Daar staan grote voordelen
tegenover: binnen de unie verschuift de produktie naar de efficientst producerende lidstaat (,,trade creation”), kan de
handel door het prijsverlagende effect van het wegvallen van
tarieven worden verruimd (,,trade expansion”), en zijn
..economies of scale” te behalen. De voordelen zijn zo overvloedig dat er bijna geen land is te vinden dat zich niet in een
economisch blok heeft georganiseerd. Het belangrijkste blok
is dat van de Westeuropese staten: de EG. Met de Europese
top in Brussel juist achter de rug en de Europese Parlementsverkiezingen voor de deur is het interessant om te kijken hoe
de Westeuropese integratie er voor staat aan de hand van drie
factoren die de eenwording bedreigen: het protectionisme,
het uiteenlopen van de economische ontwikkeling van de
lidstaten en de tekortschietende besluitvorming.
Het verleden heeft laten zien dat in een economische crisis
landen aan de verleiding bloot staan om protectionistische
maatregelen te nemen. Zo werd in de jaren twintig en dertig
een netwerk van steunmaatregelen en subsidies gevlochten en
trachtten landen door wisselkoersaanpassingen hun problemen op andere af te wentelen. Heeft de EG — en daarbinnen
het EMS – dit soort beleid kunnen voorkomen? Hoewel de
huidige crisis zeker niet vrij is van (veelal verkapte) steunmaatregelen, lijkt het crop dat de vloed van protectionistische maatregelen is ingedamd. Dat is voor een deel ongetwijfeld aan de EG te danken die in het kader van het mededingingsbeleid nationale steunmaatregelen aan ondernemingen
bestrijdt. Ook bleek het EMS, ondanks de tweede oliecrisis
en scherpe fluctuatie van de dollarkoers, in staat frequente
wisselkoersaanpassingen te voorkomen. Er is echter een
nieuw gevaar opgedoken: nationale bescherming wordt ingeruild voor protectie op Gemeenschappelijk niveau door middel van de buitentarieven van het blok. Deze vorm van bescherming is hardnekkiger dan de nationale pendant omdat
de leden er zelf geen belang bij hebben deze uitwas aan te
pakken. Integendeel, het kan zelfs een drijfveer van integratie zijn 1). Tegen deze vorm van protectie heeft de EG zich
niet kunnen verzetten: een onevenredig groot deel (70%) van
het Gemeenschappelijke budget gaat op aan subsidies aan de
beschermde landbouwsector. Het entameren van nieuw,
vooral industrieel beleid dreigt daardoor te worden verdrongen.
Een tweede bedreiging voor de Europese eenwording is de
divergentie van de economische ontwikkeling van de lidstaten, die er toe kan leiden dat de landen tegengestelde belangen krijgen die niet binnen hetzelfde economische blok kunnen worden verwezenlijkt. Dit gevaar is voor Europa ree’el;
er wordt gesproken over het Europa van de twee (of zelfs
drie) snelheden. Niet alleen zijn er landen met een relatief
sterke economic zoals Duitsland en – in mindere mate Nederland, maar er zijn ook belangrijke verschillen in de ma-

ESB 11-4-1984

te van integratie in de EG-markten. Naar schatting leidt een
vraagtoename van 1 % op de EG-markt ertoe dat Duitsland
zijn inkomen met 0,53% ziet toenemen, Nederland met
0,51% en Belgie met 0,68%. Landen als het Verenigd Koninkrijk (met een stijging van 0,28%), Frankrijk (0,39%) en
Denemarken (0,29%) profiteren daarentegen in veel geringere mate van een opleving van de EG-markt 2). Het gevolg is
dat van een soort patstelling sprake is. De sterke, ge’integreerde economieen zullen er weinig voor voelen om een stimulerend beleid te voeren en tekorten op hun lopende rekening te
kweken om hun al relatief geringe werkloosheid te verlagen.
Hun politick zal eerder gericht zijn op het voorkomen van
oververhitting van de economic als de EG-markt aantrekt en
de ,,spill-over” hiervan op hun economic voelbaar wordt.
Deze naar binnen gerichte politick van de sterkere landen zal
de interesse van de toch al minder geintegreerde zwakkere
economieen in de EG-markt echter verminderen, en kan er
op den duur zelfs toe leiden dat het blok in tweee’n uiteenvalt.
Om dit gevaar het hoofd te bieden, zullen de sterke landen
het accent van hun economische politick, dat op kostenmatiging en exportbevordering ligt, omwille van de Europese integratie, wat moeten verleggen.
Ten slotte kan een bestuurlijke crisis de eenwording van
Europa doorkruisen. Van een besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid, waarin het oprichtingsverdrag voorzag,
bleek in de praktijk van de EG weinig terecht te komen. Met
een beroep op een ,,vitaal belang” kan een lidstaat besluiten
van de meerderheid van de Raad van Ministers blokkeren.
Van een overdracht van nationale bevoegdheden aan een
supra-nationale instantie is geen sprake. Dit feitelijke vetorecht van de leden kan verlammend op de effectiviteit van de
Gemeenschap werken. Is het niet de lerse melk, dan blokkeren wel Griekse krenten, Italiaanse tomaten, Engels rundvlees of de Franse wijn de besluitvorming in de EG. Niet duidelijk is dan hoe met al deze nationale belangen een sanering
en herorientatie van het budget tot stand kan komen.
Het zal duidelijk zijn dat het pad naar de eenwording van
Europa niet over rozen gaat, maar voor een overtrokken pessimisme, zoals na de Europese top in Brussel, is toch geen reden. Het nationaal protectionisme werd daar verder bestreden door de verfijning en harmonisatie van het mededingingsbeleid en vervoerbeleid. Ook het communautair protectionisme werd niet vergeten, nu de landbouwuitgaven op
korte termijn (een a twee jaar) pas op de plaats moeten maken. Zo dalen voor het eerst in de geschiedenis van de EG de
interventieprijzen van de zuivel. Minder duidelijk is of de
kloof tussen de sterke en de zwakke lidstaten wat is gedicht.
In ieder geval is de contributieregeling beter afgestemd op het
profijt dat de contribuanten van de EG hebben en op het relatieve welvaartspeil van de lidstaten. Belangrijker is nog dat
een begin is gemaakt met een communautair industrieel programma (onder andere het ESPRIT-programma, dat is gericht op Gemeenschappelijke research en informatietechnologie), waarvan vooral de landen met een verouderde industriele structuur kunnen profiteren. De Europese top is alleen een flop geworden op het gebied van de besluitvorming.
De opstelling van lerland met betrekking tot de produktiequota van melk, bracht duidelijk aan het licht dat nationale
belangen fraaie Gemeenschappelijke doelstellingen kunnen
doorkruisen. Uiteindelijk werd de landbouwbegroting dit
jaar toch weer ruim (met f. 2,2 mrd.) overschreden. Toch is
een zeker optimisme over de kansen van de EG gerechtvaardigd. Eindelijk is er een serieuze poging ondernomen om het
beleid van subsidies een halt toe te roepen en de structuur van
het budget te verbeteren.
H. Kamps
1) P. Robson, The economics of international integration. Alien &
Unwin, Londen, 1980, biz. 52.
2) I. Begg, F. Cripps en T. Ward, The European Community; problems and prospects, Cambridge Economic Policy Review, december!981,nr.2, blz.43.

341

Auteur