Ga direct naar de content

De effectiviteit van het milieubeleid in de bouwnijverheid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 30 2007

beleid

De effectiviteit van het milieu­
beleid in de bouwnijverheid
In de bouw is een convenant afgesloten om de productie
milieuvriendelijker te maken. Het blijkt dat het beleid voor
bouwmaterialen, zoals zand, grind, verf, hout en bitumen,
niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd.

M

et de geprognosticeerde temperatuurstijging en het smelten van de
Noordpool staat het milieu midden
in de aandacht. Veel beleid is dan
ook gericht op het verminderen van de emissie van
broeikasgassen. Het milieubeleid omvat echter veel
meer dan alleen het klimaat. Ook de productie van
goederen en diensten moet duurzamer worden en
de hoeveelheid afval moet verminderen. Om dergelijke resultaten te behalen moet er veel gebeuren.
Een van de sectoren waar nog veel milieuwinst is
te boeken, is de bouwnijverheid, want die legt een
groot beslag op natuurlijke grondstoffen. Bovendien
produceert de bouwnijverheid circa veertig procent
van het niet-gevaarlijke afval en twee procent van
het gevaarlijke afval (CBS, 2005).

Milieubeleid in de bouw
Duurzaam bouwen had tot midden jaren negentig nog
een experimenteel en kleinschalig karakter. Vanuit het
Ministerie van VROM werd er daarom op aangestuurd
om duurzaam bouwen de standaard te laten worden.
Om een gestructureerde aanpak van het milieubeleid
in de bouwnijverheid van de grond te krijgen, werd in
1995 tussen rijksoverheid en de brancheorganisaties
een milieuconvenant gesloten. In dit convenant is
afgesproken om minder bouwmaterialen te gebruiken, meer bouwmaterialen op basis van afvalstoffen
(secundaire bouwmaterialen) te gebruiken, bouw- en
sloopafval te verminderen en gescheiden in te zamelen, meer vernieuwbare grondstoffen te gebruiken en
sterk milieuvervuilende bouwmaterialen te vervangen.
Duurzaam bouwen werd daarnaast gestimuleerd door
betere informatie, het initiëren van voorbeeldprojecten, verankering in regelgeving en het opnemen
van duurzaam bouwen in opleidingen (Bekker en
Nijman, 1999). Verder werden de algemene uitgangspunten omgezet in concrete aanbevelingen. Wat
bouwmaterialen betreft hebben deze aanbevelingen
met name betrekking op grind, vluchtige organische
stoffen, zware metalen, hout, kunststof en gips
(Crommentuijn en Verbeek, 1999).
Alex Lammertsma
Senior statistisch onderzoeker bij het Centraal Bureau
voor de Statistiek

718

ESB

Effectiviteit beleid
Aan de hand van de nationale rekeningen van het
CBS kan inzicht worden verkregen in de ontwikkeling

30 november 2007

van het gebruik van bouwmaterialen. Als het beleid
erop gericht is om het gebruik van een bouwmateriaal af te remmen, kan op grond daarvan verwacht
worden dat het volume van het gebruik ten opzichte
van de productie afneemt. In de analyse is het gebruik van bouwmaterialen voor zowel de burgerlijke
en utiliteitsbouw als de grond-, weg- en waterbouw
afgezet tegen het aanbod van bouwproducten exclusief onderaanneming. Meer onderaanneming betekent namelijk niet dat er meer gebouwd wordt, maar
alleen een andere organisatie van het bouwproces.
Voor de periode 1995–2004 laat de analyse zien
dat in burgerlijke en utiliteitsbouw en in de grond-,
weg- en waterbouw het gebruik van zand en grind en
betonproducten harder is gestegen dan de productie, zie tabel 1 en 2. De relatieve toename van het
gebruik van zand, grind en beton betekent meer gebruik van primaire grondstoffen en is dus niet in lijn
met het beleid. De ontgrondingen en de afgravingen
die nodig zijn om het te winnen, leggen namelijk een
beslag op de schaarse ruimte en vormen een bedreiging voor waterkeringen, de grondwaterkwaliteit,
de natuur en de landbouw. Hoewel grind in beton
vervangen kan worden door gerecycled grind, vindt
dit nog maar op zeer beperkte schaal plaats (Hofstra
et al., 2006). Het produceren van hoogwaardig
beton vergt namelijk granulaat van constante kwaliteit. Om de kwaliteit van het granulaat te garanderen
zijn investeringen nodig in scheidingsinstallaties. Die
investeringen moeten rendabel zijn.
Wat het gebruik van hout betreft wisselt de ontwikkeling in de burgerlijke en utiliteitsbouw per product. Het gebruik van houten deuren is meer dan
evenredig toegenomen, evenals producten met een
relatief klein verbruik zoals fineer en prefabhout. Aan
de andere kant is het gebruik van houten ramen en
kozijnen en overig timmerwerk juist relatief gedaald.
In de grond-, weg- en waterbouw is het gebruik van
de meeste houtproducten relatief gestegen. Het
gebruik van niet-tropisch hout werd vanuit het beleid
juist gestimuleerd (Noordhuis, 2003). Die toename
moest onder andere gerealiseerd worden door meer
woningen op houten palen, meer houten kozijnen,
meer houtskeletbouw en meer hout toe te passen bij
renovatie van woningen en gebouwen. Een mogelijke
verklaring voor het achterblijven van het gebruik van
houten ramen en kozijnen is dat zacht hout gevoelig
is voor houtrot en veel onderhoud vergt waardoor het
minder wordt toegepast.
Een ander opvallend resultaat is dat zowel in de
burgerlijke en utiliteitsbouw als in de grond-, weg- en
waterbouw het gebruik van kunststofbouwmaterialen

aanzienlijk is toegenomen, maar dat dit het gebruik
van bitumineuze bouwmaterialen niet heeft verminderd. De relatieve toename van het gebruik van
bitumineuze bouwmaterialen is juist in strijd met het
beleid. Bitumen bevat namelijk polycyclische aromatische koolwaterstoffen die zeer milieuonvriendelijk
zijn. Ze komen vrij bij de aanleg van wegen en het
aanbrengen van bitumineuze dakbedekkingen. Het
gebruik van bitumen kan verminderd worden door
kunststofdakbedekkingen toe te passen en door het
vervangen van bitumen in asfalt door koolzaadolie.
Met het gebruik van koolzaadolie wordt niet alleen
een bijdrage geleverd aan een lagere CO2-uitstoot,
maar veroudert het asfalt ook minder snel waardoor
er minder onderhoud nodig is. Bovendien vermindert
asfalt met koolzaadolie als bindmiddel de geluidshinder en ontstaan er bij de verwerking geen schadelijke
dampen. Het is wel duurder dan het normale asfalt.
Ten slotte is het opmerkelijk dat in de burgerlijke en
utiliteitsbouw het gebruik van verf op waterbasis relatief is gedaald terwijl de verf die niet op waterbasis
is, juist meer is toegepast. Verven op niet-waterbasis
bevatten veelal organische oplosmiddelen. Uit deze
oplosmiddelen komen vluchtige organische stoffen vrij die ernstige gezondheidseffecten hebben
(Gezondheidsraad, 2000). Verf op waterbasis wordt
daarom gestimuleerd. Een mogelijke verklaring voor
het achterblijven van het gebruik van verf op waterbasis is dat het schilderwerk kwalitatief minder goed
is (Houtwereld, 2006; Zwaga, 2007).

Conclusie
De analyse geeft aan dat het resultaat van het
beleid op het gebied van bouwmaterialen tegenvalt.
Daarvoor zijn een aantal mogelijke redenen. Zo zijn
milieuvriendelijke alternatieven soms moeilijker te
verwerken, hebben ze slechtere producteigenschappen of zijn ze duurder dan primaire grondstoffen
door de additionele bewerkingen om de secundaire
grondstoffen als bouwstof te mogen gebruiken. Daar
komt bij dat de prijs van bouwmaterialen in hoge
mate bepaalt of een bouwmateriaal wordt gebruikt of
niet (Dolmans et al., 2003). Verder blijkt de bereidheid van afnemers van bouwproducten om meer
te betalen voor milieuvriendelijke bouwproducten,
gering. Daarnaast heeft de bouwnijverheid maar
in beperkte mate invloed op het materiaalgebruik.
De materiaalkeuze wordt namelijk grotendeels door
de architect bepaald. Op basis van zijn kennis en
ervaringen schrijft hij voor welke materialen gebruikt
moeten worden. Ook kan het aanbod van secundaire
grondstoffen te klein zijn om de vraag naar primaire
grondstoffen te kunnen remmen zoals bij zand en
grind. Ten slotte dwingen convenanten individuele
bedrijven niet om de gemaakte afspraken na te
komen. Als er daadwerkelijk resultaten geboekt moeten worden, moet het beleid veel stringenter worden.

tabel 1

Ontwikkeling van het relatieve verbruik van bouwmaterialen tussen 1995 en
2004 in de burgerlijke en utiliteitsbouw (procenten)

Omschrijving goederengroep

Gebruik in 2004
(mln. euro)

Zand
Grind
Klei
Naaldhout gezaagd
Triplex e.d.
Fineer/plaat
Verf en vernis op waterbasis
Verf en vernis niet op waterbasis
Bouwartikelen kunststof
Keramische tegels
Keramische bouwmaterialen
Stenen beton
Overige betonwaar
Bouwelementen beton
Beton/mortel
Bewerkte natuursteen
Bitumineuze bouwmaterialen
Staalconstructiewerk

Relatievevolume ontw. (%)

211
78
51
21
43
19
21
72
107
112
344
248
350
976
544
206
78
1.349

Relatieve prijsontw. (%)

2
13
-18
-21
-4
13
-6
10
21
0
16
23
-3
0
12
22
20
15

6
-5
-5
-26
-17
-35
-17
-24
-23
-21
-19
-34
-11
-19
-8
-28
-16
-21

Bron: CBS, nationale rekeningen
tabel 2

Ontwikkeling van het relatieve verbruik van bouwmaterialen tussen 1995 en
2004 in de grond-, weg- en waterbouw (procenten)

Omschrijving
goederengroep
Zand
Grind
Klei
Naaldhout gezaagd
Triplex e.d.
Fineer/plaat
Bouwartikelen kunststof
Keramische tegels
Keramische bouwmaterialen
Stenen beton
Overige betonwaar
Bouwelementen beton
Beton/mortel
Bewerkte natuursteen
Bitumineuze bouwmaterialen
Staalconstructiewerk

Gebruik in 2004
(mln. euro)
82
167
41
30
21
18
24
95
29
15
339
195
84
74
188
543

Relatieve
volume­ ntw. (%)
o
7
40
-5
8
-4
82
105
6
-3
45
26
1
30
78
47
-3

Relatieve prijsontw. (%)
19
1
3
-20
5
-31
-13
-7
-9
-36
0
-2
0
-21
3
-11

Bron: CBS, nationale rekeningen

Literatuur
Bekker, P.J.G.M. de en A.J.N. Nijman (1999) Milieu en bouwproductie. Amsterdam: EIB.
CBS (2005) Milieurekeningen. Voorbug/Heerlen: CBS.
Crommentuijn, L.E.M. en E.D.M. Verbeek (1999) Prognose
milieu-effecten duurzaam bouwen: kabinetsbeleid tot eind 1997 in
woning- en utiliteitsbouw. RIVM, rapport 771404002.
Dolmans, G., F.J. Jansen en A.P. Buur (2003) Innovatie en bouwbedrijf. Amsterdam: EIB.
Gezondheidsraad (2000) Vluchtige organische stoffen uit bouwmaterialen in verblijfsruimten, publicatienummer 2000/10.
Hofstra, U., B. van Bree, R. de Wildt, J. Neele en L. van Ruiten
(2006) Scenariostudie BSA-granulaten: aanbod en afzet van 2005 tot
2025. Sittard: INTRON.
Houtwereld (2006) Schilders houden vast aan VOS. Houtwereld,
59(19), 13.
Noordhuis, M. (2003) Implementatieplan ‘Meer hout in de Bouw’:
een plan om het gebruik van hout in de bouw te vergroten. Den
Haag: Ministerie van V en W.
Zwaga, J. (2007). Schilders wantrouwen kwaliteit winterverf.
Cobouw, 151(22), 1.

ESB

30 november 2007

719

Auteur