Ga direct naar de content

Column: Het raadsel van de gesubsidieerde kinderopvang

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 3 2014

Kijken we niet naar de hoop maar naar de feiten dan is de vraag: hoe kan het dat moeders zo beperkt reageren op de bezuiniging?

ESB Input / output

Input //output
Financiering

afhankelijk van hun prestaties geld ontvangen.
Het blijkt dat landen die relatief veel onderzoek via ex-post financieren gemiddeld minder
publieke middelen per publicatie en citatie besteden. Vaste financiering gaat samen met een
hogere productiviteit in termen van aantallen
publicaties en citaties. Dit suggereert volgens dat
auteurs dat het ontbreken van financiële prikkels
niet per se tot een lagere productiviteit hoeft te
leiden.

Is er een relatie tussen de wijze waarop overheden wetenschappelijk onderzoek financieren en
onderzoeksprestaties? Op basis van empirisch
onderzoek naar de financieringsmethoden in
Nederland, België, Duitsland, Zwitserland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en de VS
constateren Van Dalen et al. van wel. Drie manieren om als overheid wetenschappelijk onderzoek
te financieren zijn ex-post financiering, waarbij
achteraf op basis van prestaties geld wordt uitgekeerd, ex-ante financiering, waarbij voorafgaand
aan onderzoek geld wordt verstrekt en vaste financiering, waarbij onderzoeksinstellingen on-

Kartelvorming

Dijkstra et al. onderzoeken de stabiliteit van kartels
in verschillende vormen van markten met maatstafconcurrentie. Dit is een vorm van concurrentie waarbij bedrijven worden gefinancierd door te
kijken naar de gemiddelde kosten van vergelijkbare
bedrijven, zoals bijvoorbeeld gebruikelijk is in de
Nederlandse energiesector. Uit hun theoretisch
model blijkt dat fusies die leiden tot meer verscheidenheid van bedrijven, bijvoorbeeld in grootte,
kartelvorming bemoeilijken en de stabiliteit van
bestaande kartels verlaagt. Het aantal bedrijven in
de markt heeft een veel kleiner effect op de kans op
kartelvorming. Een laboratoriumexperiment bevestigt dat heterogeniteit in bedrijfsgrootte de samenwerking van verschillende deelnemers van het
experiment inderdaad bemoeilijkt. Daarnaast volgt
uit het experiment dat drie gelijkwaardige spelers
sneller een kartel vormen dan twee gelijkwaardige
spelers.

Dalen, R. van, S. Mehmood, P. Verstraten en K. van der
Wiel (2014) Public funding of science: an international
comparison. CPB Achtergronddocument, maart.

Loonverschil

Het loonverschil in de VS tussen
blanke en niet-blanke vrouwen
is sinds 1990 toegenomen. Het
verschil is nog sterker wanneer
rekening wordt gehouden met selectie-effecten. Niet-blanke vrouwen werken vaker niet omdat ze
laag­ pgeleid zijn en daardoor geen
o
werk kunnen vinden, terwijl blanke
vrouwen vaker niet werken omdat
ze een hoogopgeleide partner hebben en zo thuis voor kinderen kunnen zorgen, waardoor het geschatte verschil wanneer deze vrouwen
wel zouden werken nog groter is.
Dit concluderen Albrecht et al. op
basis van analyse van gegevens
over 2172 vrouwen over de periode
1997–2011.
Albrecht, J., A. van Vuuren en S. Vro-

Klasgrootte

Fredriksson et al. onderzoeken mogelijke oorzaken
van het bekende feit dat negatieve effecten van het
vergroten van het aantal leerlingen in een klas het
grootst zijn bij leerlingen van wie de ouders een laag
inkomen hebben. Hiervoor maken de auteurs gebruik van gegevens van Zweedse leerlingen over de
periode 1967–1982 – ofwel de jaren rond een wettelijke maximering van het aantal leerlingen in een
klas in Zweden. Bij vergroting van het leerlingen­
aantal blijken docenten meer verantwoordelijkheid aan de leerlingen over te laten. Daarbij hebben kinderen van ouders met lage inkomens meer
moeite om goed te presteren. Daarnaast vinden
zulke kinderen de docent in een grotere klas ook
moeilijker te begrijpen in de les. Ook helpen ouders
met een hoger inkomen in een grotere klas hun kinderen meer met huiswerk dan ouders met een lager
inkomen. Ten slotte zijn alle ouders bij een hoger
leerlingaantal meer geneigd hun kinderen naar een
andere school te sturen.

Dijkstra, P.T., M.A. Haan en M. Mulder (2014) Industry struc-

man (2014) Selection and the measured

ture and collusion with uniform yardstick competition: the-

black-white wage gap among young

Fredriksson P., B. Öckert en H. Oosterbeek (2014) Inside the

ory and experiments. SOM Research Report, 010.

women revisited. IZA Discussion Paper,

black box of class size: mechanisms, behavioral responses,

8005.

and social background. IZA Discussion Paper, 8019.

Dienstverlening

De prijzen van commerciële dienstverleners lagen in het
vierde kwartaal van 2013 0,7 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal van 2012. In de IT-dienstverlening daalden de prijzen in het vierde kwartaal van 2013 met 2,1
procent ten opzicht van 2012. Opvallend is verder dat de

196

0,7%

prijzen van architecten met ongeveer drie procent daalden, terwijl ingenieursdiensten juist 1,5 procent duurder
werden.
CBS (2014) Monitor prijzen commerciële dienstverlening vierde
kwartaal 2013. CBS Webartikel, 20 maart.
Jaargang 99 (4682) 4 april 2014

Input / output ESB

Testosteron

Mannen die vóór de geboorte zijn blootgesteld
aan meer testosteron blijken later in hun leven te
veel zelfvertrouwen te hebben waardoor ze hun
prestaties vaak overschatten. Dalton en Ghosal
concluderen dit aan de hand van een laboratoriumexperiment met 255 deelnemers. Om de testosteronblootstelling te bepalen maten de auteurs de
verhouding tussen de wijs- en ringvinger, waarvan
biologisch onderzoek heeft uitgewezen dat dit
gecorreleerd is met de prenatale blootstelling aan
testosteron. Het zelfvertrouwen van mannen maten de onderzoekers door tijdens het experiment
te kijken naar de prestaties van deelnemers bij het
uitvoeren van een bepaalde taak, ten opzichte van
hun eigen prestatievoorspelling. Bij de vrouwelijke
deelnemers vonden de auteurs geen verband.
Dalton, P.S. en S. Ghosal (2014) Self-confidence, overconfidence and prenatal testosterone exposure: evidence from

Statisch

Begrotingsregels

Budgettaire regels die overheden
beperken in hun uitgaven, zoals
bijvoorbeeld een wettelijk vastgelegd maximumbegrotingstekort,
gaan samen met significant lagere
overheidsuitgaven. Het effect is
kleiner naarmate meer ministers
betrokken zijn bij het vaststellen
van de overheidsbegroting. Dit
concluderen Mierau en Andreu aan
de hand van empirisch onderzoek
met gegevens over 27 EU-lidstaten
over de periode 1990–2011.

the lab. CentER Discussion Paper, 014.

Dynamische organisaties die taken en processen
voortdurend verbeteren, kunnen efficiënter zijn dan
meer statische organisaties, doordat ze sneller nieuwe technieken en processen in gebruik nemen. Aan
de hand van een theoretisch model laten Delfgaauw
en Swank echter zien dat statisch zijn ook juist optimaal kan zijn. Werknemers worden vaardiger in het
uitvoeren van een bepaalde taak naarmate ze hierin
meer ervaring hebben. Als werknemers weten dat
ze in de toekomst andere taken zullen krijgen als
gevolg van vernieuwde organisatieprocessen, dan
zullen ze minder investeren in hun taak-specifieke
vaardigheden. Het netto-effect van het creëren van
een dynamische organisatie hangt dus af van enerzijds de voordelen van het snel implementeren van
nieuwe technieken en anderzijds de verminderde
investeringen van werknemers in hun taak-specifieke vaardigheden.
Delfgaauw, J. en O. Swank (2014) Task-specific human capi-

Mierau, J. en E.S. Andreu (2014) Fiscal

Inflatieverwachtingen

tal and organizational inertia. Tinbergen Institute Discussion

rules and government size in the Euro-

Paper, 034.

pean Union. SOM Research Report, 009.

Tevreden

Heeft de balansverlenging van de ECB als gevolg
van het ruime monetaire beleid in de eurocrisis
de geloofwaardigheid van de inflatiebestrijdingsdoelstelling van de centrale bank ondermijnd?
Moessner­onderzoekt deze vraag met gegevens over
de prijzen van inflatieverzekeringen voor de lange
termijn in de eurozone over de periode 2008–2012.
Het blijkt dat aankondigingen van nieuwe monetaire beleidsmaatregelen, zoals het opkopen van
staatsobligaties en financieringsprogramma’s voor
banken, de inflatieverwachtingen slechts marginaal
verhoogden, wat erop duidt dat de geloofwaardigheid van de ECB als bestrijder van inflatie niet is
aangetast.

Ambtenaren van wie de partij van
hun politieke voorkeur in de regering zit, zijn gemiddeld tevredener
met hun werk dan ambtenaren
van wie hun voorkeurspartij niet
regeert. Dit concludeert Zoutenbier aan de hand van gegevens uit
enquêtes onder 1714 Nederlandse
ambtenaren over de periode 2008–
2011. Ambtenaren die alle politieke
partijen in het algemeen als positief beoordelen, zijn gemiddeld
ook tevredener met hun werk. Er
is geen significant verschil in werk­
tevredenheid doordat iemands
voorkeurspartij in de regering zit
voor werknemers buiten de publieke sector.

Duurzaam

Van alle duurzame beleggingen in Europa wordt 97
procent gedaan door institutionele beleggers, zoals
pensioenfondsen, en slechts 3 procent door private
investeerders. Aan de hand van enquêtes met 22
mensen met een vermogen van meer dan 1 miljoen
dollar vinden Paetzold en Busch drie verklaringen
voor dit fenomeen. Ten eerste zijn de vermogensadviseurs van de rijken soms niet op de hoogte van
de potentiële interesse van hun cliënten voor duurzaam beleggen, zodat het onderwerp onderbelicht
blijft. Ten tweede zien private beleggers duurzame
beleggingen regelmatig als volatieler dan gewone
beleggingen, wat als onwenselijk wordt ervaren.
Ten derde willen beleggers soms niet duurzaam beleggen omdat hun vermoedens dat duurzame beleggingen volatieler zijn, worden bevestigd doordat ze
recent verlies geleden hebben op duurzame beleggingen.
Paetzold, F. en T. Busch (2014) Cognitive barriers to sustai-

Zoutenbier, R. (2014) The impact of

nable investing: unleashing the power of wealthy private

Moessner, R. (2014) Effects of ECB balance sheet policy

matching mission preferences on well-

investors. DSF Policy Paper, 041.

announcements on inflation expectations. DNB Working

being at work. Tinbergen Institute Discus-

Paper, 416.

sion Paper, 036.

Grondstoffen

Het aandeel grondstofkosten in de totale productiekosten van de Nederlandse economie bedraagt ruim veertien
procent. Hiermee is de Nederlandse economie grondstofintensiever dan die van landen als Duitsland en Denemarken. De Nederlandse export is door sectoren als
Jaargang 99 (4682) 4 april 2014

14%

de voedsel-, chemie- en metaalproductie relatief grondstofintensief. De grondstofkosten van de binnenlandse
vraag bedragen 6,5 procent.
Wilting, H. en A. Hanemaaier (2014) Aandeel grondstofkosten in
de totale productiekosten van bedrijven. PBL Notitie, 19 maart.

197

Auteur

  • Barbara Baarsma

    Directeur Kennisontwikkeling Rabobank en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA)