Ga direct naar de content

Belastingplan 1986

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 25 1985

Fisconomie
Tabel 2. Marginale belastingdruk
Minimumloon
Modaal
1,5 x modaal
2 x modaal
3 x modaal
4 x modaal

Belastingplan 1986
DR. L.G.M. STEVENS

Inleiding
De Miljoenennota 1986 staat in het teken van de verkiezingen. Bijzonder interessant is de toonzetting van de inleiding van
de Hoofdpunten van het financieel beleid
1986. De lezer zal de berichtgeving apprecie’ren als betrof het een goed-weersverwachting van het KNMI aan vakantiegangers in de zomer van 1985 in een soppig
Hollands weiland: de opklaringen zetten
door en worden breder! Bijna triomfantelijk wordt opgemerkt dat het doel, een
evenwichtige, krachtige economic en gezonde overheidsfinancien, in zicht is gekomen. Maar, zo wordt ook onmiddellijk
gewaarschuwd: de enige weg naar het geschetste doel ligt in een krachtige voortzetting van de tot nu toe gevolgde aanpak van
stimulering van de private sector, terugdringen van de collectieve sector en verlaging van het financieringstekort.
Ik vraag mij echter af of het leger werklozen dat nauwelijks kleiner geworden is
(1983: 800.000 personen; 1986:765.00 personen) dit optimisme zal delen; te meer
omdat het terugdringen van de collectieve
sector voornamelijk zal moeten worden
bereikt door beperking van de socialezekerheidsuitkeringen. Uitkeringsrechten
zijn behoorlijk onder druk komen te staan,
het leger meerjarige echte minima groeit en
het ziet er naar uit dat de bovenminimale
uitkeringsgerechtigden het einde van de inleveroperatie nog niet hebben bereikt.
Het is duidelijk dat en verlaging van de
collectieve-lastendruk en de noodzaak tot
verkleining van het financieringstekort ter
voorkoming van een onverantwoord zware
rentelast, gegeven de verwachte verlaging
van de aardgasbaten, de marges voor een
sociaal gericht inkomensbeleid zeer smal
maken. Daarom stoort mij in eerste instantie niet de inhoud van de boodschap, maar
de presentatie.
Collectieve-lastendruk
Beheersing van de collectieve uitgaven
was een van de doelstellingen van het
kabinet-Lubbers. De cijfers tonen aan dat
dit beleid — althans kwantitatief en in
macro-termen uitgedrukt — succesvol is
geweest. De collectieve druk die in 1983
nog 55,5% bedroeg zal in 1986 gedaald
zijn tot 51,8%.
Het besef groeit dat dergelijke macroeconomische gegevens weinig zeggen over
de drukbeleving bij de individuele burger.
Daarom is Jan Modaal als maatman geESB 2-10-1985

Tabel 1. Collectieve-lastendruk
.

Waarvar
Collectievelastendruk
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983

1984
1985
1986

belasting- premiedruk
druk

45,9

28,2

47,5

28,6
29,0

17,4
18,5
19,3

0,3
0,4
,0

29,0
29,8

18,7
18,7

,4

29,8
30,6
30,8
29,7
29,2
28,6

19,0
19,7
20,2
20,9

49,3
49,1

49,9
50,1
51,7
52,7
52,8

53,7
55,5
54,4
53,2

51,8

28,3
27,6
27,4

22,1
24,6

23,5
22,8
22,0

druk niet
belastingmiddelen

,4
,3
,4
,7
2,2
2,4
2,3
2,6
2,8
2,4

creeerd. Koopkrachtplaatjes wijzen uit
wat minimaal, modaal en veelvouden van
modaal aan voor- of achteruitgang mogen
verwachten. Ook deze macro-economische
data hebben echter maar een beperkte gelding. Voor de berekening van de koopkrachtontwikkeling van huishoudens is
niet alleen de ontwikkeling van een individueel inkomen relevant, doch ook de aanwezigheid van andere inkomens in de huishoudens, de ontwikkeling van het partnerinkomen, alsmede de omvang en samenstelling van de huishoudens. Het kabinet
heeft daarom al eerder aangekondigd te
willen komen tot een standaardisatie van
de beschikbare huishoudinkomens 1). Op
die wijze kan een beter inzicht worden verkregen in de inkomensef f ecten voor de verschillende typen huishoudens. Zo zal de
voorgenomen bevriezing van de kinderbijslag en de sociale uitkeringen op microniveau geheel verschillend voor verschillende typen huishoudens uitwerken. Het is
evenwel moeilijk deze consequenties tegelijkertijd overzichtelijk en gedifferentieerd
in beeld te brengen. Het is echter voor 1986
duidelijk dat het aangekondigde herstel in
de portemonnee van de minima nog niet
merkbaar zal zijn; de zonnige perspectieven liggen (voorlopig?) nog achter de horizon.
In de Miljoenennota 1986 wordt relatief
ruime aandacht besteed aan het zeer hoge
niveau van de marginale collectieve-lastendruk. Nadrukkelijk wordt onder ogen gezien dat door samenloop met andere inkomensafhankelijke regelingen de marginale
druk de 100%-grens kan overschrijden.
Deze hoge marginale tarieven zijn het
kabinet wellicht het meest geprononceerd
onder ogen gekomen door de weglekeffec-

50%
61%
55%
53%
63%
72%

ten in de bezuinigingsoperaties. Verlaging
van het bruto inkomen gaat dan gepaard
met verhoogde aanspraken op inkomensafhankelijke regelingen, zoals individuele
huursubsidie, studiefinanciering, retributieregeling voor de gezinszorg enz. Per saldo is het bezuinigingseffect dan veel minder groot dan men op basis van het eersteorde-effect zou verwachten. Keerzijde van
de medaille is dat loonsverhogingen in sterke mate worden afgeroomd, waardoor het
arbeidsmarktmechanisme veel minder soepel verloopt dan wenselijk is. Terecht
wordt dit fenomeen thans als beleidspunt
naar voren geschoven. Te lang hebben we
al voortgesukkeld op de heilloze weg van
introductie van inkomensafhankelijke regelingen, daar waar dat in een specifieke
beleidssector wenselijk werd geoordeeld
zonder te letten op het eindeffect.
Zoals gebruikelijk wordt de collectievelastendruk opgesplitst in: belastingdruk,
premiedruk en druk van de niet-belastingmiddelen. Met name de term premiedruk
zegt in dit opzicht weinig. De premiedruk is
immers de verzamelnaam voor de premiedruk inzake de volksverzekeringen en inzake de werknemersverzekeringen. Beide
heffingen hebben echter een volstrekt verschillende karakteristiek. De premieheffing inzake de werknemersverzekeringen is
gebaseerd op de verzekeringsgedachte. Dit
impliceert een equivalentie tussen de premies en uitkeringen. De premieheffing
volksverzekeringen is in wezen een solidariteitsheffing die naar het inkomen geheven wordt en onafhankelijk is van de individuele Uitkeringsrechten. Daarom is deze
heffing in beginsel nauwelijks te onderscheiden van de loon- en inkomstenbelasting 2). Het zou daarom beter zijn de collectieve-lastendruk te splitsen in: kostprijsverhogende-belastingdruk, druk van belastingen geheven naar het inkomen of de
winst (inclusief volksverzekeringspremies), premielast werknemerspremies en
druk wegens niet-belastingmiddelen.
Het onderscheid tussen volksverzekeringen en werknemersverzekeringen kennende zal een premieverlaging in een van beide
verzekeringssectoren ook verschillend
worden ervaren. Vindt een premieverlaging binnen de werknemersverzekeringen
plaats, dan dient men zich te realiseren dat
hier waarschijnlijk verlaging van de uitkeringsaanspraken tegenover staat. Premieverlaging van de volksverzekeringen is vergelijkbaar met een belastingverlaging.
De in het vooruitzicht gestelde verlaging

1) Nota Inkomensontwikkeling en -verdeling,
Tweede Kamer, vergaderjaar 1983-1984,18 189,
nrs. 1-2, biz. 26-27.
2) Deze stelling heb ik eerder nader uitgewerkt
in: Premieheffing volksverzekeringen: wat is dat
voor een belasting?, De Naamlooze Vennoot-

schap, 62/5, september/oktober 1984.
993

van de premielast behoeft daarom niet in
een hoera-stemming te worden ge’incasseerd. Het leeuwedeel van de besparingen
op de sociale zekerheid in 1986 moet immers worden verkregen door bevriezing
van de uitkeringen en de kinderbijslag.
Ook worden de uitkeringspercentages bij
de ziektewet verlaagd van 75 naar 70.
Voorts wordt de minimumdagloonbepaling in deze wet afgeschaft. Er wordt bovendien een reeks maatregelen genomen
om misbruik en oneigenlijk gebruik op het

terrein van de sociale zekerheid tegen te
gaan. Tabel 3 vat de ombuigingen bij de
sociale zekerheid samen.

Tabel 3. Ombuigingen bij de sociale zekerheid, bedragen in mrd. gld.
Geen index-aanpassing uitkeringen en
kinderbijslag per 1-1-1986 en 1-7-1986:
Ziektewet
– uitkeringspercentage naar 70
– afschaffmg minimumdagloonbepaling

1,0

0,3
0,3

Stelstelherziening per 1-5-1986
Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik

0,6
0,05
0,1

Totaal

1,75

Voor zover de ziektewetuitkeringen
door de werkgever weer tot 100% (moeten)
worden aangevuld is het daarop betrekking hebbende deel van de premieverlaging
dus puur een kosmetische operatic (biz. 16
van de Miljoenennota: ,,Een dergelijke bovenwettelijke aanvulling op de ziektewetuitkering behoort tot de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven zelf. Het zou onjuist zijn deze als een toeneming van de collectieve lasten aan te merken”). Voorts
dient men zich te realiseren dat de premieverlaging voor 1986 mede mogelijk wordt
gemaakt doordat het in 1985 in de sociale
fondsen bereikte overschot boven het
normvermogen is aangewend ter financiering van de geraamde uitgavenstijging.

Het is dus niet geheel ten onrechte dat de
premiedrukverlaging door de sociale partners met enige argwaan wordt bezien en
dat zij vrezen een sigaar uit eigen doos te
krijgen gepresenteerd.
Een meer doorzichtige financieringsstructuur van de sociale verzekeringen zal
in het kader van stelselherziening sociale
zekerheid zeker nog nadere aandacht krijgen. Stroomlijning van de heffingsmethoden is zeker gewenst. Dit zal, naast vereenvoudiging van de beleidsvorming, ook in
het voordeel kunnen zijn van de ondernemers die thans steeds zwaarder gebukt
gaan onder de toenemende last van administratieve verplichtingen. Het onlangs
verschenen rapport van de commissieGrapperhaus geeft enige voorzetten in die
richting 3). Ook begint de toenemende
roep om vereenvoudiging door middel van
integratie van loon- en inkomstenbelasting
en premieheffing volksverzekeringen gehoor te vinden bij de bewindslieden. Onlangs decide de staatssecretaris van Financien mede dat reeds een studie gaande is
naar de integratie van heffingen van loonen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betreffende de voor- en nadelen van de diverse alternatieve integratiemogelijkheden 4).
994

Een belangrijk voordeel van een dergelijke integratie is dat er bestuurlijk meer
ordening komt in de verantwoordelijkheid

ten aanzien van de sociale verzekeringen.
Integratie maakt duidelijk dat de voor de
premieheffing volksverzekeringen in de

plaats komende belastingheffing een aangelegenheid is van de fiscale wetgever; de
sociale partners spelen daarbij in beginsel
geen rol. Ten aanzien van de werknemersverzekeringen zal uiteraard moeten worden vastgehouden aan de tripartite formule. Op die wijze wordt voorkomen dat het
parlement slechts indirect invloed kan
uitoefenen op de koopkrachteffecten die
door de premies volksverzekeringen worden opgeroepen en dat telkens strijd moet
worden geleverd over de vraag of een premieverlaging volksverzekering betrekking
moet hebben op de opslagpremies (en dus
de werkgevers tot voordeel moet strekken)
of op de AOW/AWW-premies (en dus de
koopkracht van de werknemer moet verhogen).
Deze rubriek wordt verzorgd door het
Fiscaal-Economisch Instituut van de
Erasmus Universiteit Rotterdam
Lastenverlichting bedrijfsleven

Anders dan in het verleden het geval was
legt het kabinet thans niet meer de voile nadruk op de lastenverlichting voor het bedrijfsleven. De burgers en het bedrijfsleven
moeten de ruimte voor lastenverlichting
samen delen. De economic wordt dus niet
langer uitsluitend aan de aanbodzijde,
maar thans ook aan de vraagzijde geprikkeld.
Het pakket lastenverlichting voor de bedrijven bevat drie componenten (zie label
4).

Tabel 4. Lastenverlichting voor de bedrijven, kasbasis, mln. gld.
Verlaging tarief vennootschapsbelasting
inclusief flankerende maatregelen
Verlaging werkgeverslasten sociale
verzekeringen

:

165

: 275

Totaal lastenverlichtende maatregelen
Minus: lastenverhoging wegens afschaffing negatieve aanslag in de WIR

: 440
:

50

Saldo lastenverlichting

:

390

De afschaffing van de negatieve aanslag
in de WIR zal niet alleen in 1986, maar ook
voor 1987 en volgende jaren een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven tot gevolg
hebben. Voor 1987 is hiermee een bedrag
gemoeid van f. 1,4 mrd. Daar staat echter
tegenover dat de werknemerslasten door
premieverlaging van de opslagpremie
AKW wegens invoering van een nieuw stelsel van studiefinanciering zal dalen. De

lastenverlichting uit dien hoofde bedraagt
ongeveer f. 1 mrd. Daarmee is de lastenverlichting in de tariefssfeer tot een eenmalige aangelegenheid voor 1986 teruggebracht, aangezien de lastenverlichting voor
1987 en volgende jaren kennelijk wordt opgesoupeerd door het saldo van de AKW- en
WIR-operatie. Per onderneming behoeven

deze posten elkaar uiteraard niet te compenseren. De AKW-premieverlaging komt
vooral de loonintensieve bedrijven ten goede; de afschaffing van de negatieve aanslag
in de WIR treft investerende ondernemin-

gen met relatief geringe (in Nederland belaste) winst.

Afschaffing

negatieve aanslag in de WIR

De WIR heeft een boeiende historic
doorgemaakt. Het instrument is door het
kabinet-Den Uyl in 1978 gepresenteerd als
een maatschappijhervormend wetsontwerp. Het werd ingevoerd ter vervanging
van het systeem van vervroegde afschrijving en investeringsaftrek dat te globaal
werd geacht en te weinig effectief voor verlieslijdende ondernemingen.
De WIR moest voorzien in een meer specifiek gericht investeringsinstrument dat
tevens effectief zou moeten zijn voor verlieslijdende ondernemingen. Daartoe werd
gekozen voor een systeem van belastingvrije subsidising die via de belastingheffing zou moeten worden geeffectueerd. De
WIR-premietoekenning werd om die reden
in de belastingheffing ge’integreerd als negatieve component in de aanslag inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
Wanneer de verschuldigde belasting kleiner was dan de belastingvrije subsidie werd
een negatieve aanslag opgelegd. Ter versterking van de liquiditeitspositie kon zelfs
een negatieve voorlopige aanslag worden
opgelegd. Op die wijze werd de WIR
dienstbaar gemaakt aan de belangen van
verlieslijdende ondernemingen.
De WIR als specifiek sturingsinstrument
werd opgesierd met allerlei bijzondere-re-

gelingen die de maatschappelijke relevantie van de investering moesten honoreren.
Daartoe werden gedifferentieerde basispremies ge’introduceerd en een arsenaal
van toeslagen, in omvang afhankelijk van
de aard van de investering. Tevens werd zo
goed mogelijk elke misbruikmogelijkheid
afgestopt.
Door dit alles is de WIR dermate ingewikkeld geworden dat alleen al vanwege
haar complexiteit een deel van haar effectiviteit verloren ging. In het kader van de
vereenvoudiging van de WIR is ingaande
1984 het sturingsinstrument weer globaler
van opzet gemaakt. De basispremies werden geimiformeerd (alsmede de desinvesteringstermijnen), de anti-misbruikbepalingen vereenvoudigd, het aantal toeslagmogelijkheden gehalveerd (de ruimtelijkeordeningstoeslag, bijzondere regionale
toeslag en grote-projectentoeslag verdwenen; de kleinschaligheidstoeslag, milieutoeslag en energietoeslag zijn blijven bestaan).
Nu thans een einde wordt gemaakt aan
de negatieve aanslag loopt dus ook de bijzondere stimulans ten gunste van verlieslijdende ondernemingen ten einde. Voorts
zal het niet langer zo gemakkelijk mogelijk
zijn op oneigenlijke wijze van de WIR te

3) W.M.M. van der Beek, Administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven, ESB, 21 augustus 1985.
4) Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18
600, hoofdstuk IXB, nr. 70.

profiteren door rechtspersonen die door
middel van uitgekiende winstallocatie niet
of nauwelijks in Nederland winst maken

lijkblijvende Vpb-tarief (42%) en het
progressieve inkomstenbelasting-tarief
(oplopend tot 72%) wordt geheel

maar hier wel WIR-premies in de wacht

scheef getrokken, waardoor de vlucht

hun beleggingsactiviteiten in een BV onder

kunnen slepen. Daarom betreur ik de afschaffing van de negatieve WIR niet.
Structured verliesgevende ondernemingen
moeten niet worden gesubsidieerd. Dat is
goed geld naar kwaad geld gooien. Het nadeel is natuurlijk wel dat het bedrijven die

in de BV wordt gestimuleerd.

te brengen. Als men afziet van de status
van beleggingsinstelling (deze zijn aan het
z.g. 0% tarief onderworpen) is dividenduitdeling niet verplicht en kan het beleggingsresultaat wdrden omgezet in onbelaste koerswinst en krijgt men 4% vermogensaftrek op de koop toe.’Soms kan door een
handig opgezette constructie zelfs nog de
betaling van vermogensbelasting worden
ontgaan 5).
Uiteraard kan de wetgever niet in deze
onwenselijke situatie berusten. Daarom
wordt voorgesteld, evenals dat thans voor
de beleggingsinstellingen het geval is, tevens van de vermogensaftrek uit te sluiten
de lichamen die zich feitelijk bezighouden,
middellijk of onmiddellijk, met beleggingsactiviteiten. Voorts worden van
vermogensaftrek uitgesloten ,,de bezittingen die niet dienstbaar zijn aan een door de
belastingplichtige gedreven onderneming,
indien de bezittingen van die belastingplichtige grotendeels beslaan uit zodanige
bezittingen”. Voorwaar, een omschrijving
die omzet zal opleveren aan belastingadviseurs, want de enige duidelijkheid die deze
omschrijving levert is dat deze afbakening
in de praktijk de nodige conflictstof zal
opleveren.

tijdelijk in een verliessituatie verkeren

moeilijker wordt gemaakt er met behulp
van nieuwe investeringen weer bovenop te
komen.
De WIR-premie kan in een verliesjaar
niet worden geeffectueerd, maar zal analoog aan de verliescompensatieregels kunnen worden vergolden in winstjaren door
achterwaartse of voorwaartse compensatie. Het is wel zaak in het wetsvoorstel tot
afschaffing van de negatieve aanslag een
goede ovefgangsregeling te treffen. Het is
immers mogelijk dat in 1985 reeds verplichtingen zijn aangegaan die pas in 1986
kunnen leiden tot een WIR-bijdrage, bij
voorbeeld omdat in 1985 het bedrijfsmiddel noch is betaald, noch in gebruik is genomen. Het lijkt dat voor deze situatie ook
in 1986 nog negatieve aanslagen tot de mogelijkheden dienen te behoren.
De na effectuering van de beleidsvoornemens resterende WIR heeft dus in feite
alle kenmerken die haar onderscheidden
van de investeringsaftrek weer verloren.
Eigenlijk zijn we wat de werking van de
WIR betreft dus weer terug bij ,,af”.

Verlaging Vennootschapsbelastingtarief
en flankerende maatregelen
De verlaging van het Vennoolschapsbe-

lasting (Vpb)-tarief van 43 naar 42% was

Het wetsvoorstel tot verlaging van het
Vpb-tarief wijdt geen letter aan dergelijke
bezwaren tegen de tariefsverlaging. Als
motivatie beperkt de bewindsman zich tot
de opmerking: ,,Ook het bedrijfsleven zelf
blijkt sterk aan een verlaging van het tarief
van de vennootschapsbelasting te hechten.
De eenvoud en herkenbaarheid van de tarief maatregel van 1984 (…) dragen naar
ons oordeel dan ook in belangrijke mate
bij tot het scheppen van een gunstig klimaat voor een hernieuwde expansie van
het Nederlandse bedrijfsleven. Daarbij is
tevens van betekenis dat de tariefsverlagingen niet alleen de positie van het hier te
lande werkzame bedrijfsleven ten goede
komen, doch eveneens aantrekkingskracht
zullen uitoefenen op buitenlandse inves-

teerders”. Daar moeten we het dan maar
mee doen.
Verhoging van de zelfstandigenaftrek is
eveneens een herhaling van eerdere zetten.
Om ook het niet-vennootschappelijke deel
van het bedrijfsleven te doen delen in de
middelen die zijn uitgetrokken voor het
rendementsherstel wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd, zoals weergegeven in label 5.

Tabel 5. De zelfstandigenaftrek in 1985 en
1986, in gld.
Winst
van – tot
0-72.715
72.715-75.790
75.790-78.865
78.865-81.940

1985

1986 a)

Verhoging

5.275
4.750
4.225
3.700
3.175

5.625
5.125
4.625
4.125

350
375

ondernemingsvermogen kunnen hebben.
Het is derhalve ook voor particuliere beleggers uitermate aantrekkelijk geworden

Lastenverlaging voor de burgers

Voor 1986 zal de lastenvermindering
voor de burgers f. 3,85 mrd. bedragen.
Verreweg het grootste deel van deze lastenverlaging komt voort uit premieverlagin-

In het wetsvoorstel wordt geen argumentatie gegeven voor de stijging in de verhogingsbedragen. Belicht tegen de achtergrond dat deze zelfstandigenaftrek moet

gen inzake de sociale verzekeringen, te weten f. 3,1 mrd. Het ongewogen totale premiepercentage voor werknemers, uitgedrukt in procenten van het premieplichtige
loon, zal dalen van 28,1 in 1985 naar 26,65
in 1986 6).
De inflatiecorrectie wordt voor het jaar
1986 voor 100% toegepast. Van de wettelijke bevoegdheid de bijstelling te beperken
tot 80% heeft de minister dus geen gebruik

(transactiebasis: f. 40 mln,; kasbasis:

worden gezien als een flankerende maatre-

f. 20 mln.);

gel die de vlucht in de BV-vorm moet indammen, is dit stijgende verloop begrijpelijk. Een dergelijke neiging doet zich immers slechts aan de bovenkant van de ondernemerswinsten gevoelen. Vanuit een inkomenspolitiek gezichtspunt kan men
evenwel moeite hebben met deze logica.
Toen de vermogensaftrek als ondernemersfaciliteit werd ge’introduceerd, werd
in de fiscale vakpers reeds gewaarschuwd
tegen de mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik. Elke ondernemer zal vanwege deze
fictieve aftrekpost ter grootte van 4% van
het fiscale beginvermogen immers trachten
zijn ondernemingsvermogen zo hoog mogelijk op te schroeven. Bij de inkomensbelastingplichtige ondernemers heeft dit
reeds geleid tot vele procedures rond de

gemaakt. Op deze wijze wordt de z.g. slui-

reeds in het Belastingplan 1985 in het voor-

uitzicht gesteld. Inmiddels is ook het daartoe strekkende wetsvoorstel ingediend. Dit
wetsvoorstel bevat drie compohenlen:
1. verlaging van het Vpb-tarief van 43
naar 42% (transactiebasis: f. 150 mln.;
kasbasis: f. 145 mln.;
2. verruiming zelfstandigenaftrek voor
ondernemers/natuurlijke

personen

3. wijziging vermogensaftrek (meeropbrengst transactiebasis + f. 10 mln.;
kasbasis + f. 5 mln.).

De tariefsverlaging van de Vpb heeft
niet mijn warme sympathie. Mijn bezwaren heb ik bij de bespreking van het Belastingplan 1985 toegelicht. Thans wil ik er
mij toe beperken mijn bezwaren tegen deze
vorm van lastenverlichting beknopt in drie
punten van kritiek samen te vatten:
a. in bepaalde gevallen heeft de Vpb het
karakler van een ,,bronheffing” op
Nederlandse winst. In een systeem van
Internationale
belastingverrekening
geeft Nederland door tariefsverlaging
slechts heffingsmogelijkheden prijs ten
gunste van een buitenlandse fiscus;
b. de effectieve belastingdruk van de Nederlandse vennootschapsbelasting is
bepaald gunstig te noemen; verdere
verlaging kan gezonde Internationale
verhoudingen schaden;
c. de verhouding tussen het marginaal geESB 2-10-1985

81.940-meer

3.625

400
425
450

a) Ongecorrigeerd voor inflatie.

vraag of bepaalde vermogensbestanddelen
tot het prive-vermogen of het ondernemingsvermogen moeten worden gerekend.
De Vpb-ondernemers hebben het in dit opzicht center veel gemakkelijker, omdat de
vennootschapsbelastingwetgeving bepaalt
dat BV’s, NV’s en cooperaties alleen maar

pende progressie uitgebannen. De gederfde opbrengst door toepassing van een volledige inflatiecorrectie is dan ook geen
lastenverlichting in de juiste zin van het
woord.
Een kwantitatief minder belangrijke,
maar politick uitermate beladen problematiek is de lastenverlichting voor de kleine
tweeverdieners. Op basis van de Nota (kleine) tweeverdieners wordt een tweetal maatregelen voorgesteld. In de eerste plaats
wordt een regeling gecreeerd die beoogt het

5) Als wordt voorkomen dat er inkomen in fis-

cale zin ontstaat wordt alle vermogensbelasting
terugbetaald omdat de vermogensbelasting een
bepaling kent die stelt dat de inkomstenbelasting
en vermogensbelasting te zamen niet hoger mogen worden dan 80% van het belastbare inkomen, 80% van nihil is nihil, en dus wordt in dat

geval per saldo geen vermogensbelasting geheven.

6) Centraal Planbureau, Macro Economische
Verkenning 1986, label IV.1.

995

liquiditeitsnadeel ten gevolge van de voetoverheveling te voorkomen door daarmee
maandelijks bij de loonbelasting rekening

te houden. In de tweede plaats zal een tege-

Tabel 6. Gevolgen van invoering van een
uniform btw-tarief van 15% voor de betaalde btw op belaste consumptieve beste-

dingen, in gld.

buurt van de huidige 19%, zodat de vrees
van Cnossen bewaarheid zal worden dat de
kans wordt aangegrepen een substantiate
belastingverhoging door te voeren. Of zal
de verhoging van de indirecte belastingen
de druk in de vorm van de directe belastingen moeten gaan verlagen? Een interessan-

moetkornende ma’atregel voor een inkomensverbetering van kleine tweeverdieners
worden voorgesteld. Deze laatste tegemoetkomende maatregel houdt in dat met
ingang van 1 januari 1986 bij de bepaling
van het bedrag aan voetoverheveling in de
gevallen waarin de minst verdienende partner in een tweeverdienerssituatie wel recht
heeft op de arbeidstoeslag maar niet op de
aanvullende arbeidstoeslag, 15% van
diens (belastbare) inkomen buiten beschouwing wordt gelaten. Het bedrag van
de voetoverheveling wordt in deze situaties
dus bepaald op basis van het verschil tussen de belastingvrije som van de minstverdienende partner en 85% van diens (belastbare) inkomen. Deze maatregelen zullen
op kasbasis een lastenverlichting van f. 45
mln. (transactiebasis f. 60 mln.) inhouden.
De toch al ingewikkelde tweeverdienersregeling wordt door deze verfijningsbepaling ten gunste van de kleine tweeverdieners dus nog gecompliceerder. In mijn bespreking van het Belastingplan 1985 heb ik
mij in minder vleiende bewoordingen over
de tweeverdienersregeling uitgelaten. Ik
heb er geen behoefte aan op dit punt thans
in herhaling te vallen. Ik moet helaas mijn
eerdere kritiek op de regeling ten voile
overeind houden.
Het enige positieve dat de tweeverdienersregeling ons heeft gebracht is het besef
bij de volksvertegenwoordiging dat de
grenzen van het maatschappelijke incasseringsvermogen (letterlijk en figuurlijk)

levingskosten. Zijn zorg was slechts dat de
tariefsuniformering zou kunnen worden
aangegrepen om een belastingverhoging
met een structureel karakter door te voeren.
In de Nota herziening tariefstructuur
omzetbelasting, die tegelijk met de Miljoenennota is ingediend, worden de voor- en
nadelen van een uniform tarief van 15%,
het gewogen gemiddelde van de btw-tarieven, besproken. De conclusie van de nota,
inhoudende dat het wegvallen van de tweetarievenproblematiek een belangrijke vereenvoudiging betekent van wetgeving en
uitvoering op het vlak van de omzetbelasting, is, gezien de eerdere publikaties, niet

De Miljoenennota 1986 is inhoudelijk
nauwelijks verschillend van haar voorgangsters; slechts de toon is triomfantelijker. Het belastingplan bevat niets nieuws.
Slechts de verdeling van de belastingverlichtende maatregelen is iets gewijzigd,
omdat thans niet meer uitsluitend aan lastenverlaging voor het bedrijfsleven wordt
gedacht. Het is trouwens maar de vraag of
het bedrijfsleven de beleidsvoornemens als
een echte lastenverlichting zal ervaren.
Met de voorgenomen afschaffing van de
negatieve aanslag in de WIR gaat het
laatste wezenskenmerk van de WIR als
maatschappij her vormend
wetsvoorstel
verloren. Wat resteert is een op de vroegere
investeringsaftrek lijkend instrument dat
alleen vanwege zijn gecompliceerde toepassingen ervan verschilt. Ik betreur deze
onttakeling niet; voor mij heeft de vervroegde of vrije afschrijving als investeringsinstrument grotere charme.
Aanvullende regelingen in de tweeverdienerswetgeving en anti-misbruikbepalingen in de vermogensaftrek maken de fiscale wetgeving er niet eenvoudiger op. Wel

zijn bereikt en dat zij ernst moet maken

verrassend. Voorts wordt in de nota als

is ook in beleidskringen de overtuiging

met het streven tot vereenvoudiging van de

voordeel genoemd dat een uniform lager
tarief een gunstige uitwerking kan hebben
voor bepaalde sectoren die goederen en
diensten leveren die thans aan het algemene tarief van 19% zijn onderworpen. Met
name wordt daarbij gewezen op sectoren
die een hoge arbeidsintensiteit hebben
(bouwsector en dienstensector). Tariefsverlaging naar een uniform, lager tarief
zou daarom een stimulans voor (officiele)

aanwezig dat vereenvoudiging noodzakelijk is. Integratie van de premieheffing
volksverzekeringen en de loon- en inkomstenbelasting lijkt in dat kader zeer te overwegen. Inmiddels is een ministeriele commissie benoemd die tot taak heeft vereenvoudigingsvoorstellen te doen. De haar
toegemeten tijd is echter uitermate krap.
De Nota herziening tariefstructuur omzetbelasting levert beleidsmatig be-

fiscale wetgeving. De belastingwet kan niet
langer tot pakezel dienen van allerlei kortetermijnverlangens van politiek invloedrijke pressiegroepen. Wanneer een kabinetscrisis kan ontstaan rond een arbeidstoeslag
van (toen) f. 425, heeft het parlement bewezen oog voor hoofd- en bijzaken te hebben verloren. Het parlement heeft echter
lering uit dat voorval getrokken. Een ministeriele vereenvoudigingscommissie is
ge’installeerd die op zeer korte termijn
(mijns inziens te korte) vereenvoudigingsvoorstellen zal moeten doen. De wens tot
vereenvoudiging van het belastingstelsel is
inmiddels in het parlement gedemonstreerd door een wetsvoorstel tot aftrekbaarstelling van verhuiskosten te laten intrekken. Ook wordt de tijdelijke regeling
voor aftrek van groot onderhoud en schilderwerk niet verlengd, zodat deze per 1 januari 1986 afloopt.

Netto inkomen

Gemiddeld
netto
inkomen

Minder dan f. 12.000 8.500
f. 12.000 – f . 17.000 14.500
f. 17.000 – f . 22.000 19.500
f. 22.000 – f . 25.000 23.700
f. 25.000 – f. 28.500 26.800
f. 28.500 – f . 31.000 29.800

Meer
Idem, in
betaal- % van gedebtw middeld
netto
inkomen
126

2,9
0,9

169
183

0,9
0,8

209
209
201
142

0,8

248

f. 64.500 en meer

33.500
37.500
41.400
46.100
54.100
79.300

225
194
191
242

0,7
0,6
0,4
0,5
0,4
0,4
0,3

Alle huishoudens

35.200

192

0,55

f. 3 1.000 – f . 36.000

f . 36.000 – f. 39.000
f. 39.000 – f. 44.500
f. 44.500 – f. 47.500
f. 47.500 – f. 64.500

te problematiek, maar u leest er niets over

in het Belastingplan 1986.
Conclusie

werkgelegenheid in die sectoren impliceren

schouwd de meest interessante informatie.
Hindernissen om te komen tot tariefsuniformering worden geslecht. Het maatschappelijke krach ten veld moet kennelijk
door middel van deze nota worden afgetast. De vraag is in hoeverre deze operatic
tot wijziging van of binnen de collectievelastendruk zal leiden.

Op het terrein van de drukverdeling tus-

en de fraudeneiging kunnen afzwakken.
Als mogelijk bezwaar van deze tariefsuniformering is steeds gewezen op de inkomenspolitieke consequenties. De vrees bestond immers dat de lage-inkomensgroepen, die geacht worden in verhouding meer
5%-goederen te consumeren, door de tariefsuniformering zwaarder zullen worden
belast. Op basis van CBS-budgetonderzoek kan thans echter worden geconcludeerd dat de inkomenseffecten van tariefsuniformering gering zullen zijn.
Terecht wordt in de nota dan ook de
conclusie getrokken dat de inkomensef fecten de tariefsuniformering niet langer in de
weg behoeven te staan. Dit geldt te meer,

sen directe en indirecte belastingen is geen

omdat de daardoor optredende inkomens-

beleidswijziging aangekondigd. Wel is de
reeds lang in het vooruitzicht gestelde Nota
herziening tariefstructuur omzetbelasting

effecten niet gei’soleerd mogen worden bezien van andere mutaties in de inkomensverhoudingen die worden opgeroepen
door fiscale of niet-fiscale maatregelen.

Directe versus indirecte belastingen

nu eindelijk verschenen.

L.G.M. Stevens

Vier jaar geleden heeft S. Snossen in

Het lijkt crop dat de nota het pad gee’f-

ESB gewezen op de grote voordelen van tariefsuniformering 7). Als voordelen noemde hij de verbetering van de concurrentie-

fend heeft voor doorvoering van – een
eventueel gefaseerde – tariefsuniformering. Het is echter de vraag of deze exerci-

7) S. Cnossen, Wat doen we met de btw-tarie-

verhoudingen en de verlichting van de na-

tie niet zal leiden tot uniformering in de

ven?, ESB, 18 november 1981.

996

Auteur