Ga direct naar de content

Accounting-onderzoek: een rigoreuze aanpak

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 6 1999

Accounting-onderzoek: een rigoreuze aanpak
Aute ur(s ):
Maijoor, S. (auteur)
Groot, T.L.C.M. (auteur)
Resp. hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en aan de Universiteit Maastricht.
Ve rs che ne n in:
ESB, 84e jaargang, nr. 4184, pagina D10, 7 januari 1999 (datum)
Rubrie k :
Dossier Bedrijfseconomie
Tre fw oord(e n):
accounting

Van alle disciplines in de bedrijfseconomie staat het accounting-onderzoek waarschijnlijk het meest ter discussie. Men heeft het oor
teveel laten hangen naar de praktijk en daardoor is de onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekscultuur verloren gegaan, zo
luidt het verwijt. De auteurs ontkennen dit niet, maar pleiten onmiddellijk voor een eerherstel voor het wetenschappelijk onderzoek.
Er moet een rigoureuze aanpak komen.
Het vakgebied accounting (zie kader) heeft een bijzondere plaats binnen het ESB initiatief van een sterkte-zwakte analyse van het
Nederlands bedrijfseconomisch onderzoek. In de kritische beschouwing van Boot en Cools over de Nederlandse bedrijfseconomie gaan
zij ervan uit dat de volgens hen magere onderzoeksprestaties vooral het gevolg zouden zijn van de sterke invloed van de accountancy op
de Nederlandse bedrijfseconomie 1. In historisch perspectief is de opmerking over de sterke invloed van de accountancy juist.
Jarenlang heeft de accountancy zijn stempel op de Nederlandse bedrijfseconomie gedrukt en de accountant Limperg is daarbij van
groot belang geweest. Echter, er is de afgelopen zeventig jaar sinds Limperg zijn ideeën openbaarde veel veranderd. Vanzelfsprekend
hebben ook andere paradigma’s en wetenschapsgebieden de bedrijfseconomie en de accountancy in v
érgaande mate beïnvloed. Een
evenwichtige analyse van de positie van het Nederlandse bedrijfseconomische onderzoek, en die van de accounting in het bijzonder,
doet zichzelf tekort als aan deze invloeden met eveneens aandacht wordt geschonken.
Onze analyse start met de prestaties van het Nederlands accounting-onderzoek. Vervolgens zullen zwakten van het Nederlandse
accounting-onderzoek worden belicht. Daarna richten we het vizier op de toekomst en doen we voorstellen voor structurele
veranderingen ter bevordering van het Nederlandse accounting-onderzoek. Deze voorstellen zijn, gezien de prestaties in het afgelopen
decennium, hard nodig en kunnen leiden tot substantiële verbeteringen van het Nederlandse accounting-onderzoek. Wel eisen zij een
rigoureuze verandering van de wijze waarop accounting-onderzoek in Nederland is georganiseerd. Alleen dan kan het Nederlandse
onderzoek een zichtbare rol spelen in het internationale veld van accounting-onderzoek
De prestaties
In het algemeen zijn de door Nederlandse accounting-groepen geleverde onderzoeksprestaties in het afgelopen decennium zwak. Hoe
deze prestaties ook worden gemeten, de uitkomst levert een constant en niet al te vrolijk stemmend beeld op. Twee recente VSNUvisitaties leveren hiervoor de meest betrouwbare en complete informatie. De VSNU visitatiecommissie economie-onderzoek heeft onder
andere zes accounting-onderzoeksprogramma’s beoordeeld. De commissie komt op basis van haar werkzaamheden tot de volgende niet
mis te verstane conclusie 2: The overall picture of accounting research in the Netherlands is gloomy. There are some good ideas for
future work but there are enormous obstacles to be overcome before these can be expected to be seen as productive at the
international level. ” Van de zes beoordeelde onderzoeksprogramma’s behaalt slechts één onderzoeksgroep, de Universiteit Maastricht,
voldoendes op alle vier de onderdelen (quality, productivity, relevance, viability).
Bij de vorig jaar gehouden VSNU visitatie bedrijfskunde-onderzoek werden slechts twee accounting programma’s ter beoordeling
aangeboden. Eén programma, wederom de Universiteit Maastricht, scoorde goed met een zesde plaats op de lijst van gemiddelde scores
van in totaal 26 programma’s 3.
Ook ad hoc metingen laten zien dat de prestaties van het Nederlandse accounting-onderzoek zwak zijn. Op de bekende hitlijsten van
beste (bedrijfs)economen, zoals gepubliceerd door Intermediair en ESB, komen geen accounting-onderzoekers voor. De tellingen van
publicaties in SCI (‘Science Citation Index’) en SSCI (Social Science Citation Index’) tijdschriften door Van Witteloostuijn en Boone
wekken de indruk dat Nederlandse accounting-onderzoekers nauwelijks een rol spelen op het internationale veld van onderzoek 4.
Door veel accounting-onderzoekers wordt geklaagd over de gebruikte maatstaven in de genoemde metingen. Op een gangbare maatstaf,
het aantal publicaties in SSCI tijdschriften, is inderdaad veel kritiek mogelijk. Zo zijn slechts zeven van de 120 internationale accounting
tijdschriften in de SCI en SSCI indexen opgenomen en is slechts één van deze zeven tijdschriften Europees. Echter, de deels terechte
kritiek op de gehanteerde maatstaven helpt de Nederlandse accountingonderzoekers weinig. De reden is simpel. Op geen enkele maatstaf
die de internationale betekenis van het Nederlandse accounting-onderzoek tracht te meten zou het Nederlandse accounting-onderzoek
goed hebben gepresteerd.

De zwakten
De kritische VSNU-visitaties genereerden naar onze indruk twee reacties: een reactie van instemming en een reactie waarin ongeloof en
gekwetstheid om voorrang streden. Deze laatste reactie geeft aan dat de door de commissie gehanteerde norm van internationaal
wetenschappelijk publiceren niet breed werd gedragen onder onze Nederlandse collega’s, in de veronderstelling dat onderzoek en
onderwijs in accounting vooral gericht hoort te zijn op de eisen die de beroepspraktijk stelt. Daarbij hoorde een sterk normatieve,
adviserende invalshoek. Wetenschappelijk-theoretisch en empirisch onderzoek heeft in deze kringen nooit op grote populariteit mogen
rekenen. Deze oriëntatie werpt onoverkomelijke hindernissen voor internationaal publiceren op. Deze hindernissen hebben een
hardnekkig leven, omdat zij in stand worden gehouden en zelfs worden versterkt door andere factoren, zoals de inhoud van het
curriculum, de samenstelling van het wetenschappelijk personeel en de invloed van nationale instituties op onderwijs en onderzoek. Elk
van deze factoren zal in het navolgende kort worden toegelicht.
Inhoud van het curriculum
De eisen van de beroepsopleiding tot accountant hebben een sterke invloed op het accountingonderwijs. Deze invloed varieert van het
specificeren van de onderwerpen die aan bod dienen te komen tot het de facto vóórschrijven van specifieke boeken en les- en
examenmethoden. Deze invloed is om twee redenen nadelig voor de bevordering van de wetenschap. Ten eerste maken strikte,
inhoudelijke eisen aan het onderwijsprogramma het doceren minder aantrekkelijk. Enthousiaste medewerkers willen graag de ruimte om
onderzoek te behandelen, te experimenteren met nieuwe onderwijsvormen en ruimte om hun eigen gedachten over het vak voor het
voetlicht te brengen. Dichtgetimmerde onderwijsprogramma’s maken het leven van full-time academici minder aantrekkelijk. Ten tweede
leidt een sterke beroepsgerichte opleiding tot een zwakke ontwikkeling van de academische attitude van studenten, terwijl juist uit deze
groep van studenten nieuwe promovendi moeten voortkomen. De beperkte belangstelling van afgestudeerde accountants voor de
wetenschap hangt zeker samen met de bescheiden plaats die wetenschapsbeoefening in het onderwijsprogramma inneemt.
De nadelige effecten van strikte inhoudelijke eisen aan het onderwijsprogramma kunnen goed worden geïllustreerd binnen de deeldisciplines van de accounting. Op dit moment gelden de minste beperkingen voor de vakgebieden interne en externe verslaggeving. De
meeste beperkingen gelden voor de gebieden controleleer, administratieve organisatie en bestuurlijke informatieverzorging. juist de
eerste gebieden hebben zich in Nederland wetenschappelijk beter kunnen ontwikkelen.
Het ontbreken van een onderzoekersopleiding
Zoals reeds is betoogd zijn de huidige curricula in accounting met gericht op de ontwikkeling van een wetenschappelijke attitude en het
bespreken van wetenschappelijk onderzoek. Dit ontneemt de universiteiten de mogelijkheid om in een vroegtijdig stadium
wetenschappelijk talent onder studenten te signaleren en deze tot een academische carrière te bewegen. Desondanks melden zich
telkenjare nieuwe enthousiaste onderzoekers aan. Deze promovendi kunnen in Nederland met een gestructureerde
onderzoekersopleiding volgen, zoals aangeboden door de Amerikaanse universiteiten. Daarmee heeft de Nederlandse onderzoeker ten
opzichte van zijn Angelsaksische collega’s een groot en vaak blijvend nadeel op het terrein van onderzoeksmethoden, statistiek en
analytische vaardigheden. Dit nadeel uit zich in de sterk beperkte keuze van onderwerpen en onderzoeksmethoden door Nederlandse
accounting-onderzoekers in vergelijking met internationale (meest Angelsaksische) collega ‘s 5. Het ontbreken van een gedegen
onderzoekersopleiding leidt op korte termijn tot een inefficiënt promotie-traject en geeft op de langere termijn de promovendus een
blijvend nadeel bij het internationaal publiceren van zijn onderzoek.

Accounting-onderzoek vindt plaats in de gebieden externe verslaggeving, interne verslaggeving, management control,
controleleer, adiministratieve organisatie en bestuurlijke informatieverzorging. In de internationale literatuur worden deze
gebieden in grote lijnen afgedekt met de termen financial accounting, management accounting, auditing en accounting
information systems. Het vak informatiemanagement valt buiten deze indeling omdat het in Nederlandse universiteiten veelal
onder het vakgebied Bestuurlijke Informatiekunde is ondergebracht.
In de periode 1994 tot en met 1996 zijn in de vijf meest gelezen Nederlandse tijdschriften 6 op het gebied van de
bedrijfseconomie 773 arrikelen gepubliceerd (de navolgende informatie is gebaseerd op Groot, 1997). Naast financiering wordt
het meeste gepubliceerd in management accounting (met inbegrip van management control), administratieve organisatie (met
inbegrip van de inrichting van geautomatiseerde informatiesystemen), financial accounting en auditing (controteleer). De
publicatie-output in Nederlandse bedrijfseconomische tijdschriften is derhalve behoorlijk hoog. (zie tabel 1)

Tabel 1.
Vakgebieden
Management Accounting
Financial Accounting
Auditing
Administratie Organisatie
Financiering
Marketing
Logistiek
Overig
Totaal

aantal artikelen

in percentages

125
99
83
115
124
30

16%
13%
11%
15%
16%
4%

15
182
773

2%
23%
100%

Niet alle artikelen bevatten oorspronkelijk wetenschappelijk onderzoek. Als we naar het onderzoek in accounting kijken vallen
enkele thema’s op waarover Nederlandse onderzoekers regelmatig schrijven (het is niet onze pretentie om hier een uitputtend

overzicht te produceren). Op het gebied van audit research vallen audit market research op (ontwikkelingen op het gebied van
vraag naar en aanbod van diensten door accountantskantoren). Op het gebied van financial accounting houden veel studies
zich bezig met de verklaring van stelselkeuzen (het gebruik van accountingmethoden bij de jaarverslaggeving) en de effecten
van verslaggeving op het gedrag van vermogensverschaffers. Een aanzienlijk deel van het Nederlandse management
accounting-onderzoek richt zich op de effecten van methoden van kostenberekening, kostenanalyse en prestatiemering op
gedragingen van organisatiegenoten. Als we alleen de ‘management accounting’ artikelen bekijken die authentieke
onderzoeksresultaten rapporteren en we vergelijken ze op de gebruikte onderzoeksmethoden met publicaties in zeven
toonaangevende internationale management accounting tijdschriften 7, dan ontstaat het volgende beeld.
Nederlandse management accounting-onderzoekers blijken in vergelijking met hun buitenlandse collega’s een duidelijke
voorkeur te hebben voor het uitvoeren van case studies en het doen van onderzoek met behulp van vragenlijsten. We vonden
geen Nederlandse artikelen met analytisch onderzoek. (zie ook tabel 2)

Tabel 2
Onderzoeksmethode

Analytisch
Laboratorium
Tijdreeksen
Vragenlijsten
Case studies
Totaal

In percentage van totaal
Internationaal
Nederland
36%
5%
10%
22%
27%
100%

0%
5%
11%
37%
47%
100%

Nationale instituties
De mate waarin een vakgebied in de internationale wetenschappelijke literatuur is ondervertegenwoordigd wordt mede bepaald door de
nationale instituties binnen een vakgebied. Onder nationale instituties wordt in dit verband bijvoorbeeld verstaan nationale gewoonten,
wet- en regelgeving en taal. Wetenschapsgebieden waarin nationale instituties een belangrijke rol spelen lenen zich minder voor
internationale wetenschapsbeoefening. Bijvoorbeeld het aantal Nederlandse historici dat een SSCI publicatie op zijn naam heeft staan zal
klein zijn in vergelijking met het aantal Nederlandse wiskundigen. Wiskunde leent zich nu eenmaal beter voor internationale uitwisseling
dan de historische wetenschap. Ook binnen de economische wetenschap kan dit mechanisme worden geïlllustreerd. Volgens Portes
doen de Europese theoretische economen het internationaal beter dan de meer empirisch georiënteerde economen 8 . De reden is dat de
waarde van empirisch werk beperkt wordt door het land waar de gegevens vandaan komen. Portes zegt hierover “Most empirical work
has been American, and it does not travel well. Theoretical models and concepts are more easily transferable.” Nationale instituties
spelen een grote rol binnen het accounting-onderzoek en dit heeft de internationale ontwikkeling van het vakgebied geremd 9.
Ontbreken van full-time onderzoekers
Eén van de belangrijkste onderscheidende kenmerken van de Nederlandse accountinggroepen is het grote aantal part-timers en het
kleine aantal full-timers. Hoewel ook de andere bedrijfseconomische vakgebieden de inzet van part-timers kennen, is hun aantal het
grootst binnen de accounting. De te grote inzet van part-timers heeft het Nederlands accounting-onderzoek op twee manieren geschaad.
Ten eerste is het huidige internationale onderzoek zodanig omvangrijk en geavanceerd, dat het onmogelijk erbij’ gedaan kan worden. Ten
tweede heeft de grote inzet van part-timers, en de beperkte inzet van full-timers, de bestuurlijke positie van accountants binnen
faculteiten verzwakt. Accountants hebben in de afgelopen jaren grote aantallen studenten opgeleid. Veelal hebben ze verzuimd de
daarbij behorende onderzoeksgelden te bemachtigen. Accountants hebben nauwelijks deelgenomen aan de facultaire gremia die
beslissen over de meting van de kwaliteit van onderzoek en de toewijzing van onderzoeksmiddelen.
De toekomst
Eerder in dit artikel hebben wij gewezen op een aantal nadelige effecten van een te sterke invloed van de praktijk op de kwaliteit van het
accounting-onderzoek. Toch kan de sterke band tussen wetenschap en praktijk, zoals wij die in Nederland kennen, ook ten voordele van
het accounting-onderzoek worden gebruikt. Eén van de mogelijke voordelen is de relatief gemakkelijke beschikbaarheid van empirische
gegevens. Veel buitenlandse studies zijn door de beperkte beschikbaarheid van empirische gegevens gebaseerd op publieke gegevens,
of op gegevens verkregen in experimenten met studenten. Nederlandse accounting-onderzoekers zouden goed kunnen presteren door
gebruik te maken van gegevens uit de praktijk maar met toepassing van de onderzoeksmethoden die nu internationaal gangbaar zijn. Dan
is het tevens wél van belang om de praktijk te overtuigen van de waarde van het type onderzoek dat nu in de internationale tijdschriften
wordt gepubliceerd. Gezien het voorgaande zijn we ervan overtuigd dat er ook goede mogelijkheden bestaan om het Nederlandse
accounting-onderzoek internationaal te laten aansluiten. Daarvoor moeten op korte termijn wél de nodige maatregelen worden genomen,
waarvan de belangrijkste hier in het kort worden genoemd.
Bundelen van accounting-onderzoek en onderwijs binnen faculteiten
Binnen de Nederlandse faculteiten economie en bedrijfskunde zijn veel middelen beschikbaar voor accountinggroepen. Deze middelen
worden gegenereerd door het, zowel doctoraal als postdoctoraal, bedienen van stevige aantallen studenten. De beschikbare middelen
worden echter vaak niet effectief ingezet tengevolge van interne versnippering. Binnen enkele Nederlandse faculteiten zijn aparte
accountinggroepen gecreëerd op basis van deeldiscipline (bijvoorbeeld verslaggeving versus controleleer en administratieve
organisaties), plaats in het curriculum (doctoraal versus post-doctoraal) of activiteit (onderzoek versus onderwijs). Het opheffen van

deze versnippering, door alle groepen bij elkaar te voegen die binnen een faculteit actief zijn op het vakgebied accounting, zal de weg
vrijmaken voor de vorming van een groep fulltimers die zich intensief bezighoudt met het vakgebied (zie verder over de wenselijkheid van
meer fulltimers).
Inrichten van een onderzoekersopleiding op het gebied van accounting
Eén van de meest dringende voorzieningen die op korte termijn moet worden vervuld is een hoogwaardige en samenhangende
onderzoekersopleiding in accounting. Zoals reeds is opgemerkt wordt hier aan al het nodige gedaan, maar de activitciten zijn nog ad hoc
waardoor ze niet altijd goed op elkaar aansluiten. Deze activiteit kan niet door één universiteit alleen worden gerealiseerd, maar zal door
intensieve samenwerking tussen onderzoeksgroepen tot stand moeten komen. Daarvoor zijn twee zaken van belang: coördinatie tussen
instellingen en fondsen om senior onderzoekers voor deze opleiding vrij te maken. Beide zaken ontbreken momenteel en dit werkt
belemmerend op een snelle en doeltreffende totstandkoming van deze opleiding.
Verduidelijken van de academische carrière in accounting
Zoals in andere disciplines zou een academische carrière in accounting aan duidelijke academische kwaliteitseisen moeten voldoen. We
pleiten in concreto voor een aparte aanduiding van de part-time hoogleraren die niet gepromoveerd zijn en die in de beroepsopleidingen
werkzaam zijn. Zij doen immers ander werk en dit zou in hun titulatuur tot uitdrukking moeten komen. Enkele Amerikaanse accounting
groepen hebben practici aan zich gebonden onder de titel clinical professor. Wij stellen voor een nieuwe Nederlandse titel in te voeren,
bijvoorbeeld die van praktijk-hoogleraar. Deze hoogleraar verzorgt onderwijs, is soms betrokken bij onderzoek, maar geeft geen leiding
aan onderzoeksgroepen en heeft niet het promotierecht. Dit een duidelijk signaal aan hen die een academische carrière ambiëren: er is
slechts één route naar het hoogleraarschap, namelijk die van promoveren en het publiceren van kwalitatief hoogwaardig onderzoek. De
route via de praktijk, zonder promotie, leidt naar een andere positie in de universitaire wereld.
Verminderen van de invloed van de beroepsopleiding
De beroepsopleiding zou zich moeten beperken tot de postdoctorale fase, zodat structuur, inhoud en vormgeving van het onderwijs in
de eerste fase volgens wetenschappelijke normen plaats kan vinden. Het vrijwaart het eerste fase onderwijs van de
concurrentieverhoudingen op de markt voor beroepsopleidingen waardoor beter kan worden voldaan aan de academische eisen die bij
een doctoraalopleiding horen.
Vergroten van de betrokkenheid van beroepsgroepen bij onderzoek
Onderzoek is er in verschillende soorten en maten. Zo kan men een onderscheid maken in fundamenteel-wetenschappelijk of toegepast
onderzoek. Dit onderscheid geeft aan in hoeverre wetenschappelijke resultaten direct bruikbaar zijn voor de praktijk. Elk van deze twee
soorten onderzoek is nodig om de kennisvoorraad op peil te houden en te vergroten. Elk is ook, mits uitgevoerd volgens de academische
regelen der kunst, geschikt voor internationale publicatie. Naar onze stellige overtuiging is de praktijkbeoefening en het
beroepsonderwijs gebaat bij kwalitatief hoogwaardig en productief onderzoek in accounting. Bedrijven, accountantskantoren en
postdoctorale opleidingen moeten derhalve geïnteresseerd worden in het financieren van onderzoek en in het geven van mogelijkheden
aan accountingonderzoekers tot het doen van onderzoek in hun beroepspraktijk. Onderzoekers hebben hierbij de taak helder aan te
geven wat de meerwaarde van hun onderzoek voor de praktijk is 10.
Verhogen van de wetenschappelijke kwaliteit van Nederlandse tijdschriften
Eén van de belangrijke redenen om internationaal te publicercn is de hoge eisen die internationale tijdschriften aan de wetenschappelijke
kwaliteit stellen en die ze met behulp van review procedures handhaven. We zien eigenlijk geen reden waarom een strikte
kwaliteitshandhaving alleen in internationale tijdschriften zou moeten plaatsvinden. In de Nederlandse context kennen we pas zeer recent
review procedures. Naar onze mening zouden de kwaliteitseisen voor de beoordeling van bijdragen aan Nederlandse wetenschappelijke
tijdschriften moeten worden verhoogd. De beoordelingsprocedures moeten strikter, waarbij het invoeren van ‘blinde’ reviews een goede
eerste stap is.
Conclusies
Hoewel wij geen systematische tellingen hebben verricht lijkt het aantal Nederlandse accountingonderzoekers dat tracht aan te sluiten bij
het internationale onderzoek momenteel te groeien. Het besef lijkt doorgedrongen dat accountingonderzoek gedaan dient te worden in
een internationale context. Ook betrekken de meeste onderzoeksgroepen momenteel buitenlandse top-onderzoekers bij hun
accountingonderzoek. Dit helpt om in korte tijd de achterstand op het peloton van internationale onderzoekers in te lopen.
De recente opmars biedt enige hoop voor de toekomst. De mogelijkheden om in Nederland accounting-onderzoek te doen dat aansluit bij
het internationale veld zijn duidelijk verbeterd. Deze opmars is echter op twee onderdelen kwetsbaar. Ten eerste wordt de opmars door
een zeer kleine groep van senior onderzoekers gedragen en versterking van deze gelederen is noodzakelijk. Tevens is de oogst nog
steeds mager te noemen: slechts enkele onderzoekers lukt het met een zekere regelmaat in echt goede tijdschriften te publiceren.
Het is te verwachten dat metingen van prestaties een regulier onderdeel zullen blijven van het Nederlandse bedrijfseconomische
onderzoek. De bui voor het Nederlands accounting-onderzoek waait dus niet over. De vraag kan gesteld worden wat een goede prestatie
van de Nederlandse accountingonderzoekers zou zijn in de komende jaren. Gezien het eerder besproken belang van nationale instituties
voor het vakgebied, en de gevolgen daarvan voor de ‘objectieve’ maatstaven van wetenschappelijke productiviteit zoals het aantal
publicaties in SSCI tijdschriften, zullen de Nederlandse accounting-onderzoekers waarschijnlijk altijd een bescheiden rol b1ijven spelen
in de vakgebied overschrijdende ranglijsten. De waarde van deze ranglijsten moet echter niet worden overschat. Waar het vooral om gaat
is het oordeel over onze prestaties door vakgenoten in het buitenland en het oordeel van onze collega’s in de andere
bedrijfseconomische vakgebieden. Deze oordelen zijn de basis van de VSNU visitaties zoals die zijn uitgevoerd in de afgelopen jaren. De
uitdaging voor de huidige generatie accounting-onderzoekers is derhalve om in de eerstvolgende internationale visitatie van het

onderzoek goed voor de dag te komen. De lat ligt hoog maar is zeker niet onbereikbaar.
Zie ook het artikel van L. van der Tas, Zoeken op raakvlakken, ESB-Dossier, 7 januari 1999, blz D1

1 A. Boot en K. Cools, Bedrijfseconomisch onderzoek in Nederland: een illusie?, ESB, 9 april, bIz. 284 – 288.
2 VSNU, Quality Assessment of Research/Onderzoeksbeoordeling:.Economics, Utrecht, december 1995.
3 VSNU, Quality Assessment of ResearchlOnderzoeksbeoordeling:.management Management Science and Business Administration,
Utrecht, september 1997.
4 A. van Witteloostuijn en C. Boone, Een meting van de productiviteit van Nederlandse bedrijfswetenschappers in 1990-1993, MAB,
december 1996, bIz. 665 – 668.
5 T.L.C.M. Groot, De noodzaak van Wetenschappelijke Bedrijvigheid in Management Accounting Onderzoek. In: Bulte (red.), fMA
Kroniek 1997, Samsom; S. Maijoor, R. Meuwissen en L. Quadackers, The effects of national institutions on audit research: evidence
from Europe and North-Americo, paper gepresenteerd op het eerste International Symposium on Audit Research, Los Angeles, 1996.
6 Dit zijn TFM (Tijdschrift voor Financieel Management), TBA (Tijdschrift voor Bedrijfsadministratie), CM (Controllers Magazine), TAC
(Tijdschrift voor Accountants en Controllers) en MAB (Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie).
7 AOS (Accounting, Organizations and Society), CAR (Contemporary accounting Research), JAE Journal of Accounting and
Economics), JAR Journal of Accounting Research), TAR (The Accounting Review), MAR (Management Accounting Research – VK),
JMAR Journal of Management Accounting Research – VS).
8 R. Portes, Economics in Europe, European Economic Review, 1987, bIz. 1329-40.
9 G. Whittington, The 1992 research asessment exercise, British Accounting Review, 1993, bIz. 383-95.
10 Zie voor enkele concrete ideeën op het gebied van management accounting-onderzoek Groot, op.cit. 1997 en A. Atkinson e.a. New
directions in management accounting research, Journal of Management Accounting Research, 1995, b1z. 79-108; en op het terrein van
financial accounting: W. Buijink, Some remarks on the production of accountancy research in the Netherlands, in: M. Bonnet e.a. (red.),
fMA Kroniek 1997, Samson, 1997, bIz. 17-36.

Copyright © 1999 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteurs