Ga direct naar de content

Zevenmijlslaarzen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 15 1995

Zevenmijlslaarzen
Met het uitkomen van het rapport van de commissieVan Dijk is een nieuwe episode aangebroken in het
vorig jaar losgebarsten debat over de organisatie van
de arbeidsvoorziening. De commissie heeft onder
hoge druk gewerkt en, op verzoek van de minister,
nogal wat van het onderzoeksplan opgeofferd aan
een tijdwinst van een half jaar. Het rapport draagt de
sporen van het opgevoerde tempo, zij het dat het resultaat zich helder laat samenvatten in een zin: met
het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) is het goed mis, de Regionale Besturen voor
de Arbeidsvoorziening (RBA’s) kunnen er mee door.
Het CBA is weinig slagvaardig, besluit moeizaam en
traag en vertoont ernstige tekortkomingen in zijn optreden. De commissie ziet de tripartiete bestuursvorm
op centraal niveau met vertegenwoordigers van het
ministerie, werkgevers- en werknemersorganisaties
als de grote boosdoener voor de slechte gang van zaken. Daarom stelt zij voor het CBA louter te doen bestaan uit onafhankelijken die een zeker vertrouwen
hebben bij de nu deelnemende organisaties. Voorts
beveelt de commissie aan de taken van Arbeidsvoorziening te beperken tot een aanvulling op dat wat de
vrije markt laat liggen.
De commissie is erin geslaagd organisatorische
helderheid te verschaffen, doch is daarvoor wel met
Zevenmijlslaarzen door arbeidsvoorzieningsland gestapt. Zet men kleinere stappen dan komt men de
volgende hobbels en kruispunten tegen.
1. Het rapport maakt niet duidelijk welke taak
men voor een vernieuwd CBA ziet. Wil men alleen
een ‘planning and control’-functie voor het CBA terwijl het beleid wordt gemaakt per RBA of wenst men
het CBA (enige) beleidsvormende taken te laten? In
het eerste geval is een college van onafhankelijken
passend (de vergelijking met de raad van commissarissen in de structuurvennootschap dringt zich op), in
het laatste geval valt te denken aan een SER-model
(ongebonden personen benoemd namens de minister naast organisatievertegenwoordigers namens
werkgevers en werknemers) of aan een federatief model (elk RBA vaardigt iemand af naar het CBA). Taak
en samenstelling van het landelijke bestuur zijn onvoldoende met elkaar in verband gebracht.
2. Voordeel van het tripartiete bestuursmodel is
de verknoping. Door deelname van werkgevers- en
werknemersorganisaties in het bestuur is arbeidsvoorzieningsbeleid beter tot zijn recht gekomen in cao’s
en in convenanten met bedrijfstakken. Het eindrapport is op dit punt opvallend negatiever dan het onderliggende onderzoek van BEA. De gegroeide verknoping is volgens de commissie niet uitsluitend een
gevolg van deelname’ van de sociale partners in het
bestuur. Naar mijn oordeel maakt de commissie te gemakkelijk het goed van de verknoping los van het
kwaad van de huidige samenstelling, uit een behoefte de laatste legitimering voor het tripartiete CBA te
slechten. Het is veel twijfelachtiger dan de commissie

ESB 15-3-1995

meent of de dwarsverbanden met
andere sectoren behouden blijven
met een ander bestuursmodel.
3. Het vernietigende oordeel berust op een negatief beeld van het
functioneren van het CBA. Is hier
nu sprake van een stabiele situatie
of geeft de evaluatie een momentopname in een verbeteringstraject
dat sinds de tripartisering is ingezet?
Natuurlijk, het duurt allemaal erg
lang, het kost veel geld en er is veel
ruzie maar cruciaal voor de toekomst is of het de goede kant op
gaat of niet. Is er wel voldoende
(historisch) oog voor hoe het bij arbeidsvoorziening toeging als onderW. van Voorden
deel van het departement voor 1991 en is bij de
evaluatie wel voldoende de financiele druk ingecalculeerd die op het geheel is gelegd? Financieel afknijpen veroorzaakt nu eenmaal krakende instituties, dat
is zo bij de universiteiten, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid enz. Arbeidsvoorziening is daarop
geen uitzondering. Elk bestuur van welke samenstelling dan ook zal daar moeite mee hebben.
4. Hoewel het gevoerde beleid en de wijze van
uitvoering niet zijn onderzocht spreekt de commissie
wel haar voorkeuren uit. “Full service dienstverlening
staat op gespannen voet met de vrije marktwerking;
arbeidsvoorziening moet niet zelf doen wat particuliere bureaus kunnen”. Aldus kiest de commissie voor
een louter aanvullende taak. Daartegenover wordt
onderkend dat de draaggolfgedachte (met het bemiddelen van sterkeren verhoogt men de kans dat men
weinig kansrijke werklozen kan plaatsen) zo gek nog
niet is en dat de contacten met de vraagkant van de
arbeidsmarkt van grote betekenis zijn. Maar hoe kan
je nu de draaggolfidee en goede contacten met werkgevers combineren met een marktaanvullende taak?
Dit doet denken aan de kwadratuur van de cirkel.
De kritiek op arbeidsvoorziening is dermate krachtig
en de escalatie in de verhoudingen zo groot dat er
wat moet gebeuren. In dat veranderingsstreven vervult het evaluatierapport zijn rol. Met grote passen
stevent het af op een ministelsel voor arbeidsvoorziening. Het patroon past in het tijdsbeeld van nu en
doet sterk denken aan wat al in de sociale zekerheid
is gerealiseerd: sociale partners niet langer in het centrale bestuur, publieke middelen slechts als een bodemvoorziening onder de vrije marktwerking, uitvoering in hoge mate los van de beleidsbepalende
organen en de centrale taken beperkt tot toezicht en
controle. Inrichting langs deze lijnen betekent wel
dat een verknoping van beleidssectoren moeilijker is,
samenwerking met andere instanties wordt beperkt
en er minder sturingsmogelijkheden op nationaal niveau zijn. Maar het is wel goedkoop.

Auteur