Ga direct naar de content

Werkloosheid Europa blijft hoog

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 13 1994

Werkloosheid
Europa bliift
hoog
IMF adviseert rentestijging

VS

De groei in de VS over het vierde
kwartaal van vorig jaar is uitgekomen
op 7%. De recente cijfers duiden op
een verder aantrekken van de groei
in het eerste kwartaal. Veel beroering
bracht het bericht dat in maart het
aantal banen in de VS met maar liefst
456.000 is toegenomen, na 100.000
tot 200.000 in de maanden ervoor.
De werkloosheid bleef echter onveranderd op 6,5%, doordat meer personen zich hebben laten inschrijven als
werkzoekende. Bezorgdheid over
een veel te sterke groei leefde weer
op. Het ministerie van werkgelegenheid trachtte de gemoederen te bedaren door erop te wijzen dat de cijfers
voor circa 250.000 waren vertekend
door het slechte weer in januari en februari.
Het IMF heeft naar aanleiding van
de sterke economische cijfers geadviseerd de korte rente in de Verenigde
Staten verder te verhogen, nadat de
Fed al twee maal de rente met 25 basispunten verhoogde. Laura Tyson,
de economische adviseur van Clinton, waarschuwt echter dat een lange
rente van boven de 7% (hetgeen nu
het geval is), de economische groei
zal vertragen.
De Amerikaanse dollar stond de afgelopen weken aanvankelijk nog onder druk, maar naar aanleiding van
de nieuwe werkgelegenheidscijfers
steeg de dollar tot voorbij del 1,92.

Premier Japan neemt ontslag
De japanse economie is in het laatste
kwartaal van 1993 met 0,6% gekrompen; minder dan werd gevreesd.
Over het gehele jaar was sprake van
een stijging met 0,1 %; het laagste
groeipercentage sedert 1974. Voor dit
jaar verwacht de OESO een groei met
0,5%. Het ziet er naar uit dat de binnenlandse consumptie deze keer de

ESB 13-4-1994

aanzet totherstel moet geven en niet,
zoals in het verleden gebruikelijk, de
export. De japanse concurrentiepositie is door de stijging van de yen verslechterd. De consumptie neemt al
weer enkele maanden toe. De japanse index of leading indicators kwam
voor het eerst in negen maanden
weer boven de vijftig uit, hetgeen
zou kunnen betekenen dat het economisch herstel voor de deur staat. Een
gebeurtenis die het herstel in ernstige
mate zou kunnen vertragen is evenwel het verrassende ontslag van premier Hosokawa. Aanleiding vormde
een aantal persoonlijke financiële
transacties begin jaren tachtig, die
blijkbaar niet geheel zuiver op de
graad waren. Dit betekent dat er binnen één jaar weer nieuwe verkiezingen zouden moeten worden gehouden, overigens nog steeds volgens

!
Fvan Lanschot
Bankiers nv
SINDS 1737

het oude kiesstelsel. Economische
consequentie is dat dit een ernstige
vertraging op zou kunnen leveren
voor de uitvoering van het stimuleringspakket, aangezien dit nog niet
door het parlement was goedgekeurd. Men onderneemt evenwel pogingen om uit de huidige regering
een nieuwe premier te kiezen. Echter, de politieke onzekerheid zal vooralsnog groot blijven.

Werkloosheid structureel
Europees probleem
De Europese Commissie voorziet
voor dit jaar een groei in de EG van
1,3%, na een terugval met 0,3% in
1993. Na de scherpe stijging van de
werkloosheid wordt voor het lopende jaar gerekend op een verder banenverlies met 650.000 om dan volgend jaar om te slaan in een herstel
met 320.000 nieuwe banen. Dit
neemt niet weg dat gerekend wordt
op 18 miljoen werklozen in 1995, ofwel 11,3% van de beroepsbevolking.
Frankrijk scoort op dit gebied uiter-

mate slecht. Al drie maanden ligt de
werkloosheid op een percentage van
12,2%, hetgeen overeenkomt met een
aantal van 3,3 miljoen werkzoekenden in februari. In Duitsland is de
werkloosheid in maart gedaald tot
onder de 4 miljoen. Als percentage
van de beroepsbevolking betekent
dit een daling van 8,8% tot 8,5%. De
daling van de werkloosheid werd
echter voor het grootste deel veroorzaakt door seizoenfactoren.
De werkloosheid vormt een sociaal
probleem van de eerste orde, maar
ook een financieel probleem voor de
overheden. De EG staat voor de niet
geringe opgave om tot de jaarwisseling een gemiddelde economische
groei met 3 tot 4% te realiseren, wil
de werkloosheid voldoende terug
worden gedrongen tot niveaus rond
de 6%. Dit lijkt evenwel iets teveel
van het goede. In de tussentijd dienen de overheidstekorten ook nog
eens te worden gereduceerd richting
de 3% volgens het Verdrag van Maastricht. Ondanks het ingezette economisch herstel zijn er dus nog zware
structurele problemen op te lossen.
De signalen over de Duitse economie
blijven verbeteren. Het IFO rekent
voor dit jaar op een produktiegroei
van 2%, na een daling van 7,7% in
1993. In februari lieten zowel de binnenlandse als de buitenlandse orders
een stijging zien met totaal 3,1%.
Keerzijde van de relatief sterke groei
van de Britse economie in het voorgaande jaar is dat de stimuleringspogingen van de overheid tevens een
opwaartse druk op het overheidstekort heeft veroorzaakt. Na een tekort
(als percentage van het bbp) van
6,2% in 1992, is het tekort in 1993
opgelopen tot 7,7%. Hierdoor is de
staatsschuld in 1993 uitgekomen op
48,2%, na 41,7% in 1992. Belastingverhogingen per april moeten hierin verandering brengen.
Het Britse pond lag er afgelopen
weken zwak bij; rond de I 2,83, na
12,93 in het eerste kwartaal. Dit was
een direct gevolg van de zwakke positie van john Major. Major is onder
sterke indruk van de andere EG-lidstaten akkoord gegaan met een verandering in de stemverhoudingen wanneer de nieuwe landen toetreden. In
het Verenigd Koninkrijk viel dit in
slechte aarde, aangezien hiermee wederom een deel van de Britse soevereiniteit werd weggegeven.

Rentemarkten komen tot rust
De maand maart stond internationaal
in het teken van een scherpe stijging
van de kapitaalmarktrente,
met als gevolg een scherpe daling van obligatiekoersen. Speculatieve hausse posities
op de obligatiemarkt werden hierop
afgebouwd, niet alleen door de hedgefunds, maar ook door financiële instellingen die hadden geanticipeerd
op koersstijgingen. Nadat opmerkelijk gunstige Amerikaanse werkgelegenheidscijfers over de maand maart
nog een verkoopgolf op de Amerikaanse obligatiemarkt teweeg brachten, zette vervolgens een herstel in.

Loskoppeling rentemarkten

Europa

Ondanks het lichte herstel van de
Amerikaanse obligatiekoersen begin
april, is het afgelopen jaar toch sprake van een rentestijging in de Verenigde Staten. De Duitse rente bevindt zich inmiddels royaal onder de
Amerikaanse. Nu de rentemarkten
weer iets tot rust komen, lijken de Europese rentemarkten weer meer een
onafhankelijke koers te varen. Dit
past ook geheel in het beeld dat het
onderliggende economische klimaat
schetst. In Duitsland zal de inflatie in
de loop van het jaar een verdere daling laten zien, terwijl in de Verenigde Staten de inflatie juist een stijging
zal laten zien.
De Nederlandse obligatiemarkt heeft
de afgelopen weken eveneens een
herstel laten zien, echter ten opzichte
van de Duitse obligatiemarkt moest
een klein verlies worden geïncasseerd. Enerzijds waren er de naweëen van de overgang naar een nieuw
en hoger inflatiecijfer, en anderzijds
de stijgende onzekerheid over de uitkomst van de verkiezingen begin volgende maand. Inmiddels is het verschil tussen de Nederlandse en de
Duitse lange rente opgelopen tot 10
basispunten. Tegelijkertijd is ook de
voorsprong van Nederland in de korte rente verder teruggelopen. De Nederlandse Bank heeft in tegenstelling
tot de Duitse Bundesbank de afgelopen maanden het beleningstarief onveranderd op 5,50% gehouden. De
Bundesbank daarentegen heeft de reporente vanaf het begin van het jaar
met ongeveer 25 basispunten verlaagd tot 5,73%.
Deze bijdrage is ontleend aan de tweewekelijkse publikatie Beleggen met Van

Lanschot