Ga direct naar de content

Werk in Europa

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 9 1993

Werk in Europa
De werkloosheid kan niet warden opgelost met loonmatiging en bezuinigingen op de sociale zekerheid. Nodig is vooral een minder eenzijdige
belastingdruk op arbeid, bet opvoeren van scholing, en een flexibeler
verdeling van de arbeidstijd.
In het op de Europese top te bespreken Witboek schetst de Europese
Commissie niet alleen een somber
beeld van de toenemende werkloosheid, zij stelt ook een ambitieus plan
voor om de structurele werkloosheid
tegen het jaar 2000 terug te dringen
tot de helft van het huidige niveau.
Met een te verwachten toename in
arbeidsparticipatie en immigratie in

Figuur 1. Gemiddelde jaarlijkse
groei van de produktie, werkgelegenbeid en produktiviteit, %

VS

Japan

EG

EFTA Z-OAzie

Werkgelegenheid

VS

Japan

EG

EFTA Z-OAzie

Produktiviteit

llh
VS

Japan

EG

EFTA Z-OAzie

Bron: C. Freeman en L. Soete, Information technology and employment, rapport
voor IBM, 1993

‘mm-

Europa van zo’n 5 miljoen, betekent
dit de creatie van 15 miljoen nieuwe
arbeidsplaatsen over de volgende
zeven jaar: een groei in werkgelegenheid van zo’n 1,5 a 2% per jaar . Ter
vergelijking: over de laatste 30 jaar
bedroeg de groei van de werkgelegenheid in Europa amper 0,2 %.
In Figuur 1 worden de trends in
produktie, werkgelegenheid en produktiviteit over de afgelopen 20 jaar
in de VS, Japan, de EG, de EVA en de
Zuid- en Oostaziatische landen weergegeven . Zowel de EG als de EVA
vallen op door de uitzonderlijk lage
groei in werkgelegenheid. Opmerkelijk is ook dat de produktiviteitsgroei
(produktie per man-uur) in Europa
over de periode 1982-92 niet bepaald
hoog lag. De povere werkgelegenheidsgroei in Europa lijkt dan ook in
de eerste plaats het resultaat van de
relatief lage produktiegroei.
Om de door de Commissie voorgestelde groei in werkgelegenheid te
realiseren, zou bij de huidige produktiviteitsgroei in Europa, een produktiegroei gerealiseerd moeten worden
van zo’n 3,5 a 4% per jaar. Met groeiverwachtingen voor het komende en
daarop volgende jaar van 0 tot 1%,
bestaat de enige mogelijkheid om
bijkomende banen te creeren uit een
toename van de zogenaamde arbeidsintensiteit van de groei; met elk %
bijkomende groei meer nieuwe banen creeren dan tot op heden het
geval is geweest . Hierbij wordt met
name gedacht aan groei van laaggeschoolde, laagbetaalde banen. Europa op weg naar de hamburgereconomie, zoals Flip de Kam het onlangs
met betrekking tot Nederland stelde .

Witboek overambitieus
Toenemende arbeidsproduktiviteit
Dat het Europese plan overambitieus
is, hoeft weinig betoog. Een aantal

trends wijzen er immers op dat ook
in de toekomst nog veel arbeidsuitstoot zal plaatsvinden onder druk
van internationale concurrentie en
technologische ontwikkelingen.
Recent nog voorspelde een Arnerikaans adviesbureau dat meer dan de
helft van de banen bij de Europese
toeleveranciers voor de auto-industrie op de tocht zouden staan. Een
ander adviesbureau voorspelde een
arbeidsuitstoot van 10% in de Europese banksector. Er lijken met andere
woorden weinig gegronde redenen
om te veronderstellen dat een vertraging zou optreden in de groei van de
arbeidsproduktiviteit in de Europese
industrie of dienstensector. Deze ligt,
op enkele uitzonderingen na, nog
steeds op een lager absoluut niveau
dan in de VS of Japan. De groei in arbeidsproduktiviteit in Europa in de jaren negentig zal dan ook ingegeven
blijven door verbeteringen in het produktieproces als gevolg van technologische vernieuwingen, internationale
concurrentie en convergentie naar internationale ‘best practice’-niveaus.

Delocalisatie
Meer nog, in een reeks dienstensectoren die tot op heden de grootste
scheppers van nieuwe banen zijn
geweest, zal de internationale verhandelbaarheid van een aantal verrichtingen sterk toenemen. Men denke hierbij aan routinematige en
administratieve functies die dank zij
moderne telecommunicatietechnologie met relatief beperkte kosten overgebracht kunnen worden naar goedkopere locaties. Deze potentiele
delocalisatie-mogelijkheden beperken zich niet tot specifieke dienstensectoren zoals het bank- en verzekeringswezen, maar hebben betrekking
op alle administratieve werkzaarnheden die niet sterk aangewezen zijn
op persoonlijk contact.

1. Het aantal werklozen bedraagt op dit
ogenblik in Europa zo’n 18 miljoen. Verwacht wordt dat het volgend jaar 20 miljoen zal bedragen.
2. Dit zijn: Zuid-Korea, Taiwan, Singapo-

re, Hong Kong, Maleisie, de Filippijnen
en Indonesie.
3. De arbeidsintensiteit van de groei van
een economic wordt veelal gemeten aan
de hand van de zogenaamde ’employment threshold’, het percentage bbp-groei
dat tot arbeidscreatie leidt.
4. Flip de Kam, Wie werk wil, kiest voor
goedkope banen, NRC, 21 September
1993.

druk’, Z-O-Azte, 1975 = 100
300

1 Z-OAzie

250

‘ EG

VS

200
150
100
50
0

Bron: zie figuur 1.

venheden zullen zich immers niet tot
de ‘beschermde’, niet-verhandelbare

ven van een flexibelere verdeling van
arbeid, vertrekkend van een gelijkblij-

goederen en diensten beperken.

Figuur 2. Index voor ‘delocalisatie-

vend bruto-uurloon. Om pensioen-

Het evenwichtsloon neerwaarts
aanpassen kan op termijn in het rijke
Westen slechts leiden tot de invoer
van onderontwikkeling en armoede:
het inderdaad negatief aanpassen
naar een meer laterale internationale
arbeidsverdeling. Vanuit deze optiek
hebben de rijke, hoge-loon landen in
feite geen keuze: steeds verder zullen
ze moeten innoveren, de scholing

kosten en andere sociale kosten onder controle te houden, zou atv
gekoppeld kunnen worden aan verlenging van de arbeidsloopbaan tot
bij voorbeeld 67 jaar.
Ten vierde, zou de aldus vrijgekomen tijd systematischer gekoppeld
kunnen worden aan training en bijscholing: tijd voor het ‘permanente
leren’. Met de snelle technologische
verandering is het een steeds grotere
illusie te denken dat de scholing ein-

van hun arbeidskrachten opvoeren

en de efficientie van hun produktie
verhogen. Zoals de hartekoningin in
Alice in Wonderland moet het rijke
land blijven lopen om op dezelfde
pick te blijven.

digt met de school. Leren wordt een

Tenslotte is de ‘delocalisatie-druk’
in de industrie zelf over de afgelopen
tien jaar sterk toegenomen. Dit niet
alleen omwille van de enorme verschillen in arbeidkosten met ZuidOost Azie en Oost-Europa, maar
vooral omwille van de hoge scholingsgraad in deze landen, waardoor
hun produktiviteitsachterstand ten
opzichte van West-Europa steeds kleiner is geworden. Dit geldt in veel
mindere mate voor de VS en Japan.
In Figuur 2 wordt deze delocalisatiedruk in de industrie voorgesteld
als de ratio tussen de relatieve arbeidskosten in de EG, de VS en Japan en Zuid- en Oost-Azie. Deze
druk lijkt vooral met betrekking tot

Hoe dan toch volledige werkgelegenheid te behouden? Vooraleerst door
te erkennen dat het technologische
veranderingsproces is vertekend door
de relatieve groei van de arbeidskosten ten opzichte van de andere produktiefactoren. Niet zozeer door een
toename van het netto-loon, alswel
van de bruto-arbeidskosten, doordat
allerhande sociale kosten en belastingen op de produktiefactor arbeid
werden verhaald. Hier is een radicale

komensalternatief bieden7.
Ten zesde lijkt nu toch ook bij de
meest fervente monetaristen het
besef doorgedrongen dat een gecoordineerd Europees Keynesiaans vraagbeleid, of het nu gaat in de vorm van
infrastructurele investeringen (met of

de EG sterk gestegen, veel minder

ommezwaai nodig. Het ligt voor de

zonder Schumpeteriaans sausje) of

met betrekking tot Japan of de VS.

hand om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar bij voorbeeld natuurlijke grondstoffen,
inclusief energie.
Een tweede vertekening heeft zich
voorgedaan ten voordele van voltijdwerk, en wel onder invloed van regelgeving op gebieden als pensioenen
en carriere. Het werk van de toekomst zal, opnieuw omwille van technologische verandering, veel flexibeler moeten kunnen worden ingericht
waarbij deeltijdwerk in alle mogelijke
combinaties wellicht de regel zal zijn.
Ten derde roept dit ook de vraag
op naar de mogelijkheid om met een

als belastingsverlaging op Europees
niveau, nodig is om de kwakkelende
Europese vraag aan te zwengelen .
Deze lijst is verre van volledig. Zij
wil echter alleen maar aangeven dat
het werkgelegenheidsvraagst.uk meer
vereist dan wat geaggregeerde macrosommetjes en arbeidsmarktderegulering. Hopelijk zal het debat naar aanleiding van het Witboek er toe
bijdragen dat het vraagstuk in een
breder en vruchtbaarder beleidskader
wordt geplaatst.

vrij abrupte arbeidstijdverkorting

De auteur is hoogleraar internationale economische betrekkingen en directeur van
MERIT aan de Faculteit der Economische
Wetenschappen, Rijksuniversiteit Limburg.

Gevaar negatieve aanpassingen
Tegenover dit zwartgallige toekomstscenario van de Europese werkgelegenheid, lijken de Europese en
Nederlandse voorstellen tot het wegwerken van arbeidsmarktrigiditeiten,
en dan met name aan de onderkant
van de arbeidmarkt, wel erg mager.
Natuurlijk zal afschaffing van het
minimumloon, vermindering van
sociale uitkeringen en werkloosheidsvergoedingen, etc., wat werkgelegenheid creeren. In plaats van de 20 miljoen “out of work”, zullen er wellicht
enkele honderduizenden “work in
poverty” vinden. Volgens de OESO
moeten deze voorstellen in de eerste
plaats gezien worden als tijdelijke en
beperkte maatregelen die vooral
jongeren de kans moeten geven om
werkervaring op te doen, en zo snel
mogelijk door training en bijscholing
beter betaalde banen vinden5. Zo
niet, dan valt het onherroepelijk onder de categoric van negatieve aanpassingen. Neerwaartse aanpassingen
van lonen of andere sociale verwor-

ESB 8-12-1993

Positieve aanpassingen

(atv) de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen een nieuwe impuls te geven . Opmerkelijk is dat in tegenstelling tot Frankrijk en Duitsland, dit
debat in Nede’rland helemaal niet van
de grond lijkt te komen. De pogingen van begin jaren tachtig om atv in
te voeren met behoud van inkomen
via een algemene en vrij inflexibele
regeling, zijn hier wellicht niet
vreemd aan. Anno 1993 is de discussie rond atv echter een van het nastre-

continu proces, waarvoor dus ook
tijd moet vrijkomen.
Ten vijfde kan de vraag gesteld
worden waarom niet veel systematischer onderzocht wordt in hoeverre
de talrijke voorstellen voor inkomen
uit andere produktiefactoren dan
arbeid zoals vermogensaanwasdeling
anno 1993 Gage inflatie en hoge
reele intrestvoeten) niet een interessant en mogelijk veralgemeenbaar in-

Luc Soete

5. OESO, Employment and unemployment, interim rapport, juni 1993.
6. Uiteraard met vermindering van het voltijdse arbeidsinkomen.
7. Wie herinnert zich nog de briljante
ideeen van Weitzman begin jaren tachtig
rond Volledige werkgelegenheid’ en inkomensdeling?
8. Zie S. Brittan in de Financial Times, 4
november 1993.

Auteur