Ga direct naar de content

Vijf jaar economische eenwording van Duitsland

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 30 1994

“”I

Viif iaar economische
eenwording van Duitsland
C.W.A.M. van Paridon*
iifiaar na de hereniging van de beide Duitslanden gaat het met de economie in
het oostelijk deel nog niet goed, maar wel steeds beter. Dat de economische
prestaties van de ‘nieuwe Länder’ de eerste jaren zeer slecht zijn geweest, ligt voor
een belangrijk deel aan de uitgangssituatie: de erfenis van de DDR was een
economie die er veel slechter voor stond dan men dacht. Mede dankzij het beleid van
de Bondsregering lijkt de economische ontwikkeling nu de goede kant op te gaan.

V

Op 9 november 1989, viel de Berlijnse muur. Daarmee wèrd een keten van vaak onverwachte en onverwacht verstrekkende gebeurtenissen in gang gezet,
die ook na ruim vijf jaar nog lang niet is uitgewerkt.
Dit artikel poogt een evaluatie te geven van de economische aspecten van een uniek beleidsexperiment,
namelijk de overgang van een socialistische planeconomie naar een sociale markteconomie.

De uitgangssituatie
Ooit had de Bondsrepubliek draaiboeken gereed liggen hoe te handelen bij een hereniging van beide
Duitslanden. Maar met het verloop der jaren leek die
hereniging uit het zicht te verdwijnen; de draaiboeken waren niet bijgewerkt en in november 1989
moest men zonder veel voorbereiding van start gaan.
Ook kon men niet terugvallen op eerdere ervaringen
of theoretische inzichten: de overgang van een socialistische planeconomie naar een markteconomie had
zich nog niet eerder voorgedaan. Natuurlijk hadden
Polen en Hongarije voorzichtige stappen in deze richting gezet, maar dat bleek al snel in het niet te vallen
bij-de dramatische veranderingen die in Duitsland begonnen waren.
Die dramatiek, naar snelheid en intensiteit, was
in belangrijke mate terug te voeren op de staat van
de DDR-economie, die veel slechter was dan in het
Westen bekend wasl. Men wist dat particulier eigendom van produktiemiddelen
in de DDR niet meer
voorkwam, dat het juridisch kader afweek van dat in
een markteconomie, dat het prijsmechanisme buiten
werking was gesteld, dat de SED ook bij de economische planning een dominante positie innam, dat de
infrastructuur slechter was dan in de Bondsrepubliek,
dat de DDR-Mark niet convertibel was, dat managers
vooral bedreven waren in het voorkomen van risico’s, en daJ de arbeidsmarkt oververhit was. Het was
ook bekend dat de DDR schulden in het Westen had.

Toch was het oordeel dat de DDR voldoende kredietwaardig was. Al met al werd de DDR beschouwd als
de bestpresterende
economie van het Oostblok, en
soms werd de DDR zelfs tot de tien sterkste industriële naties gerekend.
De DDR-economie stond er in 1989 echter zeer
slecht voor. Vanaf het aantreden van Honecker in
1971 had het land boven zijn stand geleefd. Om te
voorkomen dat tekorten in het aanbod van consumptiegoederen tot sociale onrust zouden leiden, zoals
onder Ulbricht, verhoogde Honecker het aanbod van
consumptiegoederen.
Ook werd de woningnood aangepakt. Tegelijkertijd kon bij de investeringen niet bezuinigd worden. Het gevolg was een sterke stijging
van de uitgaven, waartegenover onvoldoende eigen
inkomsten stonden. Het verschil werd overbrugd
door buitenlandse leningen. De schuldenlast liep
snel op. In 1978 en in 1982 was de economische toestand van de DDR al kritiek geweest, maar telkens
had men het hoofd boven water weten te houden.
Aan het einde van de jaren tachtig lukte dat niet
meer. Tussen 1978 en 1985 waren de investeringen
in bedrijven, in woningbouw en in de infrastructuur
dramatisch teruggelopen. Daarna verbeterde de situatie iets, maar nu gingen de consumptieve mogelijkheden sterk achteruit. Het exportpakket van de DDR
bleek steeds moeilijker te verkopen in het Westen.
Omdat men dringend harde valuta nodig had, was
men gedwongen steeds meer produkten tegen dump-

• De auteur is bijzonder hoogleraar Duitse economie en Nederlands-Duitse economische betrekkingen aan de VU en
stafmedewerker
bij de WRR. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.
1. C.W.A.M. van Paridon, Wie een muur bouwt voor een an-

der, …. Hoe de DDR-economie zichzelf ten grande richtte,
Voordracht voor de studiedag ‘Vijf jaar l1a de Wende’, gehouden op 23 november 1994 aan de VU te Amsterdam, te
publiceren in de conferentiebundel.

Tabell. Economische indicatoren nieuwe Länder,
in % van de waarden voor de oude Länder

prijzen te verkopen. Toch kon men niet voorkomen
dat de schuldenlast nu dramatisch snel opliep.
Na november 1989 werd pas geleidelijk duidelijk
hoe ‘marode’ de DDR-economie was. Doordat er een
veel te positief beeld over de DDR-economie bestond, kon men zeker in het begin de gevolgen van
allerlei maatregelen en ontwikkelingen niet goed inschatten. Min of meer betrouwbare cijfers zijn er pas
vanaf 1 juli 19902. Uit tabel 1 blijkt duidelijk de achterstand van de nieuwe op de oude Länder. Tegelijkertijd kan een inhaalbeweging worden waargenomen, die zich ook in 1994 heeft voortgezet.

Economische politiek in de nieuwe Länder
Vanuit economisch oogpunt bezien het belangrijkste
was de invoering per 1 juli 1990 van een Monetaire,
Economische en Sociale Unie (MESU) tussen beide
Duitslanden3. Tegen de adviezen van politici, Bundesbank, economen en adviesorganen in besloot
Kohl hiertoe in februari 1990, om aan de DDR-burgers duidelijk te maken dat zij op korte termijn toegang zouden krijgen tot de Westduitse markt. Alle
adviseurs voorzagen dat de overgang van de DDReconomie van planning naar markt met aanzienlijke
problemen gepaard zou gaan. Dat betekende dat
men gefaseerd de noodzakelijke veranderingen zou
moeten doorvoeren, met de monetaire eenwording
als bekroning. Aanvankelijk ging men nog uit van
een proces van jaren, al snel werden dat maanden.
Kohl wilde daar niet op wachten. Wellicht was hem
intussen duidelijk geworden hoe slecht de DDR-economie er werkelijk voor stond, wellicht wilde hij de
vier geallieerden voor het blok zetten om Duitsland
haar volledige soevereiniteit terug te geven, wellicht
wilde Kohl door dit voorstel bereiken dat de CDU bij
de eerste vrije verkiezingen op 18 maart 1990 een
goed resultaat zou behalen. Aannemelijk is wel dat
Kohl zich niet bewust is geweest van alle consequenties van dit voorstel.

juridisch en bestuurlijk kader
Om de DDR zo snel mogelijk om te vormen tot een
sociale markteconomie, was invoering nodig van een
daarop geënt juridisch kader. Door de MESU kreeg
de DDR in één klap de beschikking over een juridisch en bestuurlijk kader dat zijn waarde in de
Bondsrepubliek allang bewezen had. Ontegenzeggelijk betekende de introductie van dit kader een belangrijke mijlpaal, maar er waren ook problemen.
Het gebrek aan kennis en aan praktische ervaring veroorzaakte een enorme achterstand in de verwerking

ESB 21/28-12-1994

van allerlei beschikkingen en vergunningen. Ook
bleek dat men in de nieuwe Länder bevreesd was om
op lagère niveaus belangrijke beslissingen zelf te nemen. Er bestond de neiging om besluiten voor zich
uit te schuiven dan wel voor te leggen aan hogere
gremia. Dat zorgde soms voor belangrijke vertragingen. Door omvangrijke scholingsprogramma’s
en
door uitgebreide hulp uit de oude Länder is geppogd
deze achterstand ongedaan te maken. Daarnaast
moest men constateren dat de Westduitse wet- en regelgeving wel erg complex en tijdrovend was geworden, juist waar snelheid en initiatief geboden was.
Die observatie heeft geresulteerd in aanpassing van
een aantal wetten in de nieuwe Länder, met name op
het terrein van ruimtelijke ordening, infrastructuttr en
bedrijfsvergunningen 4.

Wisselkoers
De discussie over de MESU heeft zich in eerste instantie geconcentreerd op de omwisselkoers tussen DDRMark en DM. Veel economen pleitten voor een koers
van 3:1, 4:1 of zelfs 10:1, waarbij gewezen werd op
de waarde van de DDR-Valutamark (0,23 DM) en op
de zwarte-markt koers. Slechts bij een dergelijke wisselkoers zouden Oostduitse bedrijven hun produkten
kunnen blijven afzetten. Ook de Bundesbank was
voor een dergelijke omwisselkoers, maar dan uit
vrees voor inflatie. De redenering was dat in de DDR
omvangrijke spaartegoeden bestonden, omdat het beschikbare aanbod van goederen en diensten achterbleef bij het verdiende inkomen. Als dat geld zou
worden omgezet in DM en gebruikt zou worden om
nu wel beschikbare goederen en diensten te kopen,
zou dat een inflatoire druk geven. Daartegenover
pleitten anderen juist voor een 1:1 koers. DDR-politici wezen op sociaal-economische
en inkomenspolitieke overwegingen. In de Bondsrepubliek werd voor
een 1:lomwisselkoers
gepleit uit vrees dat anders de
migratie vanuit Oost-Duitsland een nieuwe impuls
zou krijgen, met alle problemen vandien (arbeidsmarkt, woningen). Uiteindelijk kwam er een compromis uit, waarbij een gedifferentieerde wisselkoers
werd toegepast, met een gemiddelde van ongeveer
1,8:1. Inkomens en prijzen werden omgerekend tegen een 1:1 koers. De gevreesde omvangrijke migratiestromen hebben zich niet voorgedaan, en ook de
inflatie is nooit ontspoord. De eerste jaren lag de inflatie in de nieuwe Länder nog wel beduidend boven
die van West-Duitsland, maar dat had veel meer te
maken met het gelijktrekken van prijzen in West en
Oost (huren, energie). De verwachting is dat in 1995
er geen inflatieverschil meer zal zijn.
Natuurlijk heeft de 1:1 wisselkoers de concurrentiepositie van ondernemingen uit de nieuwe Länder
2. Een uitgebreid statistisch overzicht van de stand van zaken in de nadagen van de DDR-economie is terug te vinden in: G. Sinn en H.-W. Sinn Kaltstart. Volkswirtschaftliche
Aspekte der Deutschen Vereinigung, J .C.B. Mohr (Paul Siebeek), Tübingen, 1992.
3. Zie verder C.W.A.M. van Paridon, De Duitse eenwording:
uitgangspunten,
gevolgen en lessen, Internationale Spectator, jg. 46, 1992, blz. 78-84.
4. Momenteel wordt bezien of deze herzieningen ook in de
oude Länder zouden kunnen worden toegepast.

Tllbel2. Toe- en uittreding van
llieuwe ondernemingen in de nieuwe Lilnder

nadelig beïnvloed. Bij een
koers van bij voorbeeld 4:1 zouden de perspectieven ongetwijfeld beter zijn geweest, maar
het lijkt aannemelijk dat zelfs
bij een 10:1 wisselkoers de
meeste DDR-bedrijven op termijn niet levensvatbaar zouden
zijn gebleken. Daarvoor was
hun situatie te slecht. Op basis
van verkeerde plannen, verkeerde prijzen, gebrekkige innovatie en risicomijdend gedrag fabriceerde men de verkeerde
produkten op de verkeerde wijze, met een oneconomische inzet aan grondstoffen, arbeid en kapitaal en
met oneconomisch grote reservevoorraden om planfouten te kunnen opvangen. Daarenboven had men
in de DDR de laatste tien jaar veel te weinig geïnvesteerd5. Toen deze bedrijven dan ook blootgesteld
werden aan de scherpe wind van de buitenlandse
concurrentie, waren de gevolgen meteen zichtbaar.
De afzet daalde scherp, de produktie stortte ineen en
veel ondernemingen gingen failliet of werden dramatisch ingekrompen.
Privatisering

Het was vanaf het begin duidelijk dat Oostduitse bedrijven het moeilijk zouden krijgen. Ook de Bondsregering zag dit in. Zij besloot om niet lijdzaam af te
wachten, maar een offensieve strategie te hanteren.
Uitgangspunt voor de Bondsregering was dat zo snel
mogelijk de produktie zou moeten plaastvinden in
geprivatiseerde ondernemingen. De Treuhand moest
streven naar een snelle privatisering van alle overheidsbedrijven, niet alleen omdat volgens de Bondsregering een markteconomie alleen dan optimaal zou
kunnen functioneren, maar ook omdat men hoopte
zo de belangrijkste deficiënties bij de DDR-ondernemingen op de meest optimale wijze te kunnen wegwerken. Die tekorten betroffen het niveau van technologische ontwikkeling, de interne organisatie, de
verhouding tot toeleveranciers en afnemers, de financiële situatie en de marketing-kennis, kortom al die
kennis die noodzakelijk is om als onderneming op
een concurrerende markt het hoofd boven water te
houden. Die kennis konden de nog aanwezige DDRmanagers zich via opleiding en praktijkervaring alsnog.eigen maken, maar dat zou veel tijd gaan kosten.
En die tijd was er niet. Die kennis was aanwezig bij
Westerse ondernemingen. Door de DDR-bedrijven
aan hen te verkopen, zou de zo noodzakelijke transfer van kennis en financiële middelen sneller en gemakkelijker kunnen verlopen. In veel gevallen heeft
dat zeker ook zo gewerkt. Voor zover dat nu al te
constateren valt, blijkt dat geprivatiseerde ondernemingen beter opereren dan de bedrijven die nog onder de Treuhand vallen. De groei van produktie en
werkgelegenheid is hoger, de rentabiliteit beter en de
vooruitzichten worden gunstiger ingeschaë.
Hoe is de privatiseringsoperatie verlopen? Doel
was om alle ‘volkseigene Betriebe’ te privatiseren,
waar nodig t~ saneren en waar onvermijdelijk te liquideren. In nauwelijks vier jaar tijd heeft de Treuhand

dit karwei geklaard. Van de ruim 12.300 ondernemingen zijn er sinds 1990 ongeveer 8000 geprivatiseerd
en bijna 3700 geliquideerd7. Op dit moment zijn er
nog 350 bedrijven in bezit van de Treuhand, met nog
100.000werknemers. Aanvankelijk dacht men dat de
Treuhand met de verkopen ruim winst zou maken,
nu het einde nadert zal het verlies van de Treuhand
rond de 260 miljard gulden uitkomen. De meeste bedrijven waren er veel slechter aan toe dan men aanvankelijk had ingeschat. Daarnaast bleken potentiële
investeerders uit het Westen terughoudend te zijn.
Waarom investeren in de nieuwe Länder, als men al
overcapaciteit had, als men ook in Oosteuropese landen zou kunnen investeren (met veel lagere loonkosten), als men rekening moest houden met vervuilde
grond en onduidelijke eigendomsverhoudingen, en
als er al snelloonafspraken gemaakt waren die niet
echt uitzicht op een rendabele produktie boden? Om
die terughoudendheid te overwinnen moest de Treuhand de verkoopprijs verlagen. Ook zag zij zich gedwongen om veel meer zelf te beginnen met saneren. Tegelijkertijd moest de Treuhand de gemaakte
loonafspraken bij de nog niet geprivatiseerde bedrijven nakomen.
Zoals te verwachten viel, heeft de Treuhand veel
kritiek gekregen8. Zeker in het begin zijn door onervarenheid en misbruik bedrijven te goedkoop verkocht. Ook waren de motieven van Westerse ondernemingen om bedrijven te kopen soms anders dan
de Treuhand gewenst had, zoals het wegkopen van
een mogelijke concurrent. Om misbruik tegen te
gaan, ging de Treuhand er al snel toe over om investerings- en werkgelegenheidsgaranties te bedingen
bij dergelijke verkopen. Meest prangend bij de beoordeling van de Treuhand is de vraag hoe de economische structuur in de nieuwe Länder veranderd is.
Waar de Bondsregering hoopte dat er een sterke,
evenwichtige economische sectorstructuur zou ontstaan, spreken critici van een ware kaalslag waardoor
in bepaalde regio’s de werkloosheid kon oplopen tot
soms vijftig procent en de vooruitzichten op economisch herstel zo goed als verdwenen.
Duidelijk is dat de hoop van de Bondsregering
niet is uitgekomen, maar de vraag mag gesteld worden of een zinvol èn betaalbaar alternatief voor de
Treuhand-strategie wel bestond. Natuurlijk kan de
overheid, al dan niet met een beroep op het behoud
van ‘industrielle Kerne’, werkgelegenheid in stand
houden, maar daarmee worden nog geen betere
vooruitzichten geschapen. Op termijn lijkt aan sluiting toch niet te ontkomen. Dit punt is momenteel
van belang bij de vraag wat te doen met de bedrijven
5. Zie C.W.A.M. van Paridon, op.cit., 1994.
6. Zie DlW, Gesamtwirtschaftliche
und untemehmerische
Anpassungsfortschritte
in Ostdeutschland,
Wochenbericht
DIW, jg. 61, 1994, nummer 15/94, blz. 209-227.
7. Stand per 30 september 1994. Zie Sachverständigenrat
zur Begutachrung der gesamtwirtschaftlichen
Entwicklung,
Den Aufschwung sichern – Arheitsplätze schaffen, Jahresgutachten 1994/95, Wiesbaden, 1994, paragraaf 92.
8. Een goed overzicht van uiteenlopende
oordelen over de
activiteiten van de Treuhand is te vinden in een bundel artikelen in Aus Politik und Zeitgeschichte, bijlage bij het weekblad Das Parlament, 28 oktober 1994.

die nu nog onder de Treuhand vallen. Terwijl een bedrijfseconomische afweging in veel gevallen tot sluiting zou leiden, is het duidelijk dat de politiek een
dergelijk nieuw verlies aan arbeidsplaatsen moeilijk
of niet kan accepteren. Op alle niveaus – Bund, Länder, regio en gemeenten – ziet men dan ook initiatieven om dergelijke bedrijven op de been te houden.
Naast de privatiseringsoperatie
zijn er in de nieuwe Länder ook veel nieuwe ondernemingen
ontstaan. De Bondsregering heeft tal van fondsen geschapen om investeringen in de nieuwe Länder te
stimuleren. De resultaten zijn positief te noemen.
Niet alleen is het investeringsniveau
per inwoner in
de nieuwe Länder nu beduidend hoger dan in de
oude9, ook het grote aantal nieuwe ondernemingen
in de nieuwe Länder is hoopgevend. Tabel 2 geeft
een beeld van de dynamiek vanaf 1990. Na de eerste
onstuimige jaren is er sprake van een zekere afvlakking. Desondanks is de dynamiek nog steeds hoog.
In 1993 was de netto-groei in de nieuwe Länder drie
keer zo groot als in de qua bevolkingsomvang
vergelijkbare regio Nord-Rhein WestfalenlO. Natuurlijk
moet men verschillen in niveau verdisconteren, maar
desondanks is dit een hoopvol gegeven. Wel blijken
die nieuwe ondernemingen
nauwelijks in de industrie te ontstaan.

Werkgelegenheid
De ineenstorting van de industrie in de nieuwe Länder werkte met enige vertraging ook door in de werkgelegenheid, en daarmee in de werkloosheid. In het
land waar bij wet veertig jaar lang geen werkloosheid
had bestaan, liep deze snel naar ongekende niveaus
op, zoals figuur 1 laat zien. Overigens is er juist de
laatste maanden sprake van een duidelijke daling. Tegelijkertijd werden cao-afspraken gemaakt, waarin de
lonen binnen een beperkt aantal jaren zouden worden opgetrokken naar min of meer het Westduitse niveau. Ook hier geldt dat sociaal-economische
overwegingen doorslaggevend zijn geweest. Westduitse
politici vreesden nieuwe migratiegolven, Westduitse
werknemers de loondruk die lagere lonen in de nieuwe Länder zouden kunnen uitoefenen en Westduitse
ondernemers waren bang voor mogelijke concurrentie uit de nieuwe Länder. Oostduitse managers, vaak
nog diegenen die er in de DDR-tijd al zaten, vreesden voor hun positie en hadden overigens weinig
zicht op de gevolgen. Oostduitse werknemers ten
slotte gingen uit van binnenkort ‘blühende Landschaften’ . Zelfs als ze werkloos zouden worden, betekende loonstijging ook een hogere uitkering. De deal
was snel gemaakt. Dat betekende forse loonstijgingen, die de werkgelegenheidssituatie
nog verder verslechterde.
Tabel 1 laat zien dat het brutoloon in de nieuwe
Länder in 1993 ongeveer 70 procent bedroeg van dat
in de oude Länder, terwijl de produktiviteit slechts op
46 procent uitkwam. Toen begin 1993 duidelijk werd
dat met deze cao-afspraken de vooruitzichten van
veel bedrijven wel erg somber bleven, brak het besef
door dat een meer gematigde loonstijging uiteindelijk
voor alle partijen beter zouden zijn. De einddatum
waarop de lonen in Oost en West min of meer overeenkomstig zouden zijn, verschoof naar achteren. De

ESB 21/28-12-1994

kloof tussen loon- en produktiviteitsniveau wordt
kleiner.

Figuur 1. “Werkloosbeidspercentages
in de nieuwe Lander, 1991-1994

Overdrachten
De kosten van de Duitse
hereniging zijn zeer aanzienlijk geweestll. De financiële transfers van
West naar Oost – ten tijde
van de DDR jaarlijks 5 à
7 miljard DM – liepen al
snel op naar meer dan
100 mrd DM. Dit jaar zal
de netto-transferstroom
uitkomen op ongeveer LW
mrd. DM, ongeveer 10% van de totale overheidsuitgavenl2. Voor een belangrijk deel werden die middelen
consumptief besteed, via de uitgaven van Länder en
gemeenten en via de sociale zekerheidsuitgaven.
In
beide gevallen was de belasting- en premie-opbrengst in de nieuwe Länder volstrekt onvoldoende
om die uitgaven mogelijk te maken13. Ook hier waren de al eerder gememoreerde loonafspraken van
belang. Door de koppeling tussen lonen en uitkeringen, liepen deze laatste ook snel op. Daarenboven
werden vooral de pensioenen nog eens extra sterk
verhoogd. Voor iedereen, of men nu werkt of een uitkering ontvangt, geldt dat het reële inkomen na 1990
belangrijk is verbeterd.
Naast deze consumptieve uitgaven, was er ook
veel geld beschikbaar voor investeringsstimulansen
voor ondernemingen
en voor overheidsinvesteringen. Iedere bezoeker aan de nieuwe Länder komt terug met verhalen over nieuwe wegen, spoorwegen,
telefoonaansluitingen,
overheidsgebouwen
en de laatstetijd ook woningbouw. Daarmee is de Bondsregering er in geslaagd om een aantal belangrijke randvoorwaarden te verbeteren. Natuurlijk moet er nog
veel gebeuren – bij voorbeeld bij de energievoorziening, de drinkwatervoorziening,
de riolering, en het
milieu – maar de vooruitzichten zijn hier tamelijk positief te noemen.

Had het beter gekund?
Had de Bondsregering anders kunnen en moeten
opereren? Zou de economische ontwikkeling van de
nieuwe Länder na 1 juli 1990 anders, gunstiger heb-

9. Terwijl in 1991 het investeringsniveau per inwoner in de
nieuwe Länder t.o.v dat in de oude Länder nog op 62 lag,
lag dat in 1993 al op 103 en wordt voor 1994 zelfs 119 verwacht. Zie Bundesministerium für Wirtschaft, Bilanz
Aufschwung Ost. Wirtschajtspolitik jür die neuen Bundesländer, Dokumentation nr. 354, Bonn, 1994, tabel 4.
10. Zie Sachverständigenrat op.cit., 1994, paragraaf 96.
11. Hier ontbreekt de ruimte om nader in te gaan op de totale begrotingsproblematiek. Duidelijk is wel dat de gevolgen daarva;n binnen en buiten Duitsland merkbaar zijn geweest.
.
12. Zie Bundesministerium rur Wirtschaft op.cit., 1994.
13. In dat verband is van belang dat vanaf 1995 de nieuwe
Länder in het systeem van de Finanzausgleich worden opgeno- men, waardoor ze extra middelen van de oude Länder
krijgen.

…. _IlIJIIIIII–

ben kunnen zijn dan nu het geval is? Het antwoord
luidt ja en nee. Ja, omdat de Bondsregering bij het begin haar eigen beleidsruimte onnodig verkleind
heeft, waardoor denkbare opties zoals een solidariteitsbijdrage in de oude Länder niet of veel moeilijker
te realiseren waren. Nee, omdat de Bondsregering
binnen de ruimte die overbleef een efficiënt en consistent beleid jegens de nieuwe Länder heeft gevoerd.
De Bondsregering heeft de belangrijkste fout aan
het begin gemaakt, namelijk bij de publieke meningsvorming. Door te spreken over ‘blühende Landschaften’ op korte termijn, door te beweren dat niemand
in Oost en West erop achteruit zou hoeven te gaan,
door Lafontaine’s beweringen over de hoge kosten
van de Duitse hereniging belachelijk te maken, heeft
de Bondsregering nodeloos weerstanden tegen verandering en offers gekweekt, juist op een moment dat
men, onder de indruk van de gebeurtenissen, daartoe bereid leek. Natuurlijk was het zinvol om de inwoners in de nieuwe Länder een gunstig perspectief
te schetsen, maar men had veel duidelijker moeten
maken dat dat perspectief pas op langere termijn gerealiseerd zou kunnen worden. Op kortere termijn
zou het veel meer om offers en aanpassingen moeten
gaan, in de nieuwe èn in de oude Länder. Vanuit een
dergelijke zienswijze zou het nu doorbrekend economisch herstel ook heel anders gepercipieerd worden.
In de praktijk moest de Bondsregering ook overstag
gaan. Men had de verkiezingen van 2 december 1990
nog niet gewonnen, of men introduceerde een tijdelijke solidariteitstoeslag.
Afgezien van deze belangrijke fout, heeft de
Bondsrepubliek naar mijn mening een effectieve en
consistente economische politiek jegens de nieuwe
Länder gevoerd. De economische toestand van de
DDR en van de DDR-bedrijven was zo verrot dat de
opgetreden crisis ook bij enig ander beleid niet te
voorkomen zou zijn geweest. Gelet op de toenemend positieve signalen, bestaat er de gerechtvaardigde hoop dat de economie van de nieuwe Länder
het dieptepunt van de crisis heeft doorlopen en nu
op weg naar fundamenteel herstel is. De Bondsregering heeft via haar zeer omvangrijke investeringen
daarvoor ook gunstige basisvoorwaarden
geschapen.
Daarenboven geldt dat de inkomensontwikkeling
voor alle burgers ruimschoots positief is geweest.
Toch is duidelijk dat niet iedereen tevreden is.
Men had meer verwacht, ofte wel de offers zijn groter ~weest. Die offers hebben vooral betrekking op
het verlies aan werkgelegenheid.
Had men hier geen
andere keuze kunnen maken: bij voorbeeld minder
snel privatiseren en saneren, meer overbruggingssubsidies, meer tijd en ruimte om bedrijven in staat te
stellen om met behoud van werkgelegenheid
zich
aan te passen aan de nieuwe omstandigheden? Ik
denk dat het antwoord negatief moet luiden. In haar
veertigjarig bestaan heeft de DDR-economie niet het
normale aanpassingsproces
doorgemaakt, wat kenmerkend is voor een economie in ontwikkeling. De
normale op- en neergang van bedrijven en van sectoren, in produktie en in werkgelegenheid,
kwam in
de steeds meer verstarde DDR-economie niet voor.
Na de hereniging koos men voor gelijke levensomstandigheden in Oost en West. Het onvermijdelijke

Figuur 2. Groei bruto binnenlands produkt in oude
(donker) en nieuwe (licht) Länder, %, 1993-1995

gevolg is geweest dat ook de economische structuur
versneld en geforceerd zich heeft aan moeten passen14. Inwoners in markteconomieën
hebben geleerd
dat vooruitgang in de zin van nieuwe produkten, bedrijven of sectoren en daarmee nieuwe, andere banen, gelijk op loopt met aanpassing, met het verdwijnen van bedrijven en van werkgelegenheid.
De
burgers van de DDR hadden die les nooit gehad. Met
vallen en opstaan gebeurt dat nu.

Vooruitzichten
De kans op verder doorzettend economisch herstel
lijkt aanwezig, zoals figuur 2 laat zien15. De industriele produktie vertoont een duidelijke toename, en
Oostduitse bedrijven maken voor het eerst in meerderheid weer winst. Uit enquêtes blijkt dat ondernemers veel minder klagen over verouderde machines,
gebrekkige infrastructuur of inadequaat gemeentelijk
beleid. Natuurlijk, ook Oostduitse bedrijven ondervinden de invloed van de recessie in West-Duitsland en
West-Europa, de stagnerende vraag in Oost-Europa
en de opkomst in diezelfde regio van nieuwe concurrenten, maar de gerealiseerde veranderingen, binnen
bedrijven en daarbuiten (infrastructuur, beschikbaarheid bouwgrond), worden zodanig positief beoordeeld dat hun vertrouwen is toegenomen. Terwijl de
bouwnijverheid onverminderd krachtig blijft groeien,
neemt ook de bedrijvigheid in de diensten sterk toe.
De verwachtingen voor de werkgelegenheid
zijn
licht positief. De inflatie is nagenoeg gelijk aan die in
West-Duitsland. Ook de groei van het bnp zet zich
krachtig voort. Duidelijk is dat er nog veel moet gebeuren, maar het laatste jaar lijkt de economische ontwikkeling in de nieuwe Länder de keer ten goede te
hebben gemaakt.
C.W.A.M. van Paridon

14. Zie H. Kladt, Wieviel Industrie braucht Ostdeutschland?,
in: Die Weltwirtschaft, 1994, nr. 3, blz. 320-333.
IS. Zie Sachverständigenrat,
op.cit., 1994, hoofdstuk 1.V.,
en Arbeitsgemeinschaft
deutscher wirtschaftswissenschaftlicher Forschungsinstitute,
Die Lage der Weltwirtschaft und
der deutschen Wirtschaft im Herbst 1994, Wochenbericht
DIW, jg. 61, 1994, blz. 7iS-749.

Auteur