Ga direct naar de content

Terug van nooit weggeweest: de loondoorbetaling bij ziekte (deel 2)

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 4 2019

Ongeveer een half jaar geleden schreef ik een blog over een beleidsdossier dat in een impasse was geraakt: de loondoorbetaling bij ziekte. Kleine werkgevers stelden dat zij door de loondoorbetaling een te groot financieel risico lopen. Aldus schreef het Regeerakkoord van Rutte III voor de periode van loondoorbetaling bij ziekte te verkorten van twee naar één jaar voor bedrijven van minder van 25 werknemers. Toen de wittebroodsweken- (of maanden) van het nieuwe kabinet echter eenmaal voorbij waren, kwamen werkgevers er echter achter dat UWV de rol van private verzekeraars zouden overnemen, dat UWV, private verzekeraars en werkgevers daar weinig trek in hadden en dat zo’n verschuiving zou leiden tot hogere verzuimpremies. Hiermee kwam de minister klem te zitten: er was iets beloofd om kleine werkgevers tegemoet te komen, maar hoe dan?

In dit licht bezien is het een knap staaltje werk dat de minister heeft geleverd met de kamerbrief over ‘maatregelen bij loondoorbetaling bij ziekte’ die eind vorig jaar verscheen. Want wat blijkt: de loondoorbetaling voor kleine werkgevers blijft in tact, terwijl alle betrokken partijen hiermee instemmen. Hoe is dit mogelijk gemaakt? Het bedrag 450 miljoen euro dat eerst was ingeboekt voor kostenverhogingen door het wegvallen van het tweede ziektejaar, is nu ingezet voor een premiekorting voor kleine werkgevers. Ik citeer de minister:

“Ik wil werkgevers financieel tegemoetkomen voor de kosten van het tweede loondoorbetalingsjaar. Op korte termijn is er geen uitvoerbaar instrument voorhanden om specifiek kleine werkgevers financieel tegemoet te komen. Werkgevers ontvangen met ingang van 2021 via een ‘loondoorbetalingskorting’ op de premieheffing van in totaal 450 miljoen euro. Deze korting bestaat uit een vast bedrag per (inhoudingsplichtige) werkgever. Aangezien ruim 90% van werkgevers minder dan 25 werknemers in dienst heeft, zal deze korting voornamelijk neerslaan bij kleine werkgevers.”

Na enig overdenken kan ik niet anders concluderen dat de loondoorbetalingskorting die de minister voorstelt eigenlijk niet zoveel met loondoorbetaling te maken heeft. De belangrijkste reden is dat het geen verband houdt met de daadwerkelijk gerealiseerde loondoorbetalingskosten per bedrijf. Bovendien: het leeuwendeel van werkgevers is al privaat verzekerd, dus van een vermindering van financieel risico kan voor hen sowieso geen sprake zijn.

De maatregel van de minister is dus een lastenverlichting die vooral neerslaat bij kleine werkgevers. Om daarbij een inschatting van de omvang te maken: uit UWV (2018) blijkt dat kleine werkgevers 10% van de loonsom in Nederland beslaan en (inderdaad) 90% van het totaal aantal bedrijven zijn. Op een totale loonsom van 351 miljard euro voor Nederland als geheel komt de korting van circa 400 miljoen dan neer op een gemiddelde lastenverlichting voor kleine werkgevers van circa 1,2%. Best substantieel dus.

Toch is dit niet het hele verhaal van de minister. Hij vervolgt zijn kamerbrief namelijk met deze regels:

“..Kleine werkgevers kunnen ervoor kiezen deze korting aan te wenden om zich goed te verzekeren via bijvoorbeeld een MKB verzuim-ontzorg-verzekering. “

Zoals al eerder gezegd is dit merkwaardig: kleine werkgevers hebben meestal nu al een loondoorbetalingsverzekering. Je zou dus denken dat ze aangespoord worden om zich zwaarder te gaan verzekeren of meer ondersteunende diensten van verzekeraars af te nemen. Dat is erg knap uit onderhandeld door private verzekeraars, die eerst nog bang waren dat hun markt juist zou worden overgenomen door UWV.

De zin met daarin de oproep een goede verzekering af te sluiten roept ook de vraag op hoe de loondoorbetalingskorting zich verhoudt tot echte kosten die kleine werkgevers momenteel maken voor het tweede ziektejaar – want daar was het immers allemaal om te doen, nietwaar? Voor het antwoord op deze vraag zouden we uit kunnen gaan van van de schatting van het CPB (2015) van 1,3 miljard euro aan totale kosten van loondoorbetaling in het tweede ziektejaar. Als van dit bedrag 10% toevalt aan werkgevers met minder dan 25 werknemers (zoals dit ook geldt voor de loonkosten), komen we uit op een bedrag van jaarlijks 130 miljoen euro. Dit is waarschijnlijk een overschatting, aangezien kosten van verzuim per werknemer bij kleine werkgevers gemiddeld lager zijn dan bij grote werkgevers (CBS, 2018). Maar hoe dan ook, we kunnen niet anders concluderen dat de korting neerkomt op een financiële tegemoetkoming voor kleine werkgevers van meer dan 300% van de kosten van loondoorbetaling in het tweede ziektejaar!

De moraal van dit verhaal is dus dat de minister voorlopig het loondoorbetalingsdossier kan sluiten en een aardige lastenverlichting voor kleine bedrijven heeft gerealiseerd. Op zich had dat laatste misschien wat meer marketing verdiend, zeker na alle commotie rond de dividendbelasting. Tegelijkertijd zou ik – als ik de minister was – iedere associatie met loondoorbetaling echter zo snel mogelijk willen vergeten, want hij betaalt wel een erg hoge prijs om kleine werkgevers tegemoet te komen in het tweede ziektejaar.

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën