Ga direct naar de content

Statistiek

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 1 2006

statistiek
Economie en Samenleving
Stadsjongeren vaak slachtoffer van een delict
Ruim een kwart van de Nederlandse inwoners gaf in 2006 aan slachtoffer
geweest te zijn van één of meer delicten, zoals een gewelds- of vermogensdelict.
De kans om slachtoffer te worden neemt af met de leeftijd en neemt toe met de
mate van stedelijkheid. Andere kenmerken als geslacht, herkomst en opleidingsniveau van de persoon of de sociaaleconomische status van de buurt vertonen
minder samenhang met slachtofferschap.
Niet iedereen loopt evenveel risico om slachtoffer te worden. Jongeren (15–24
jaar) zijn iets vaker slachtoffer dan ouderen, mannen vaker dan vrouwen en
hoogopgeleiden vaker dan laagopgeleiden. Ook worden niet-westerse allochtonen vaker slachtoffer dan autochtonen. Maar binnen dezelfde leeftijdsgroep en
dezelfde stedelijkheidsgraad van de buurt zijn niet-westerse allochtonen even
vaak of zelfs minder vaak slachtoffer dan autochtonen. Dat het totaalcijfer voor
niet-westerse allochtonen hoger ligt, komt doordat onder hen relatief veel jongeren en bewoners van sterk stedelijke buurten voorkomen, groepen met een hoger
slachtofferrisico.
Inwoners van stedelijke buurten worden vaker slachtoffer dan inwoners uit een
meer landelijke omgeving. Bewoners van sociaaleconomisch zwakkere buurten
(buurten met een hoog aandeel lage inkomens, uitkeringsontvangers en/of nietwesterse allochtonen) worden ook vaker slachtoffer. Maar deze buurtkenmerken
spelen in combinatie met andere kenmerken slechts een beperkte rol. Dit komt
omdat deze buurten vooral in de grote stad liggen, en deze stedelijkheid van de
buurt verklaart een groot deel van de kans op slachtofferschap. Mogelijk dat de
invloed van de stedelijkheid van de buurt op zichzelf (concentratie van daders

Monetaire Zaken
Winstgevendheid van banken ook in 2006 gunstig
De winstgevendheid van banken in Nederland, met inbegrip van hun buitenlandse bedrijf, heeft zich ook in 2006 gunstig ontwikkeld. Dit blijkt uit een
analyse – op basis van voorlopige cijfers – van de verdeling van de winstgevendheid van het bankwezen in Nederland. De gegevens hebben betrekking
op banken met het hoofdkantoor in Nederland en de juridisch zelfstandige
dochters (subsidiaries) en bijkantoren (branches) van banken met hoofdkantoor
buiten de Europese Unie.
Sinds het dieptepunt in 2002, dat samenhing met de hapering in de economische conjunctuur, heeft de winstgevendheid – gemeten als rendement van
het aandelenvermogen (return on equity) – van het bankwezen zich van jaar
tot jaar verbeterd. Zo is het aantal banken met een winstgevendheid groter
dan tien procent, dat in 2002 was teruggevallen tot minder dan een kwart van
de populatie, geleidelijk opgelopen tot bijna de helft in 2006 (zie grafiek).
Daarbinnen nam het aandeel van banken met een rendement boven twintig procent toe. Het aantal verlieslatende banken nam sterk af. Overigens gold
voor alle banken, ook voor die in 2006 een verlies boekten, dat hun solvabiliteit ruimschoots boven de norm lag.
In het kader van de beoordeling van financiële stabiliteit is ook de verdeling
van de winstgevendheid naar grootte van de banken, gemeten naar hun balanstotaal, van belang. Zo gemeten blijkt het aandeel van de verlieslatende banken
ook in 2006 miniem. Met andere woorden: het zijn alleen (zeer) kleine banken
die een negatief rendement boeken. Wel nam in vergelijking met 2005 het
aandeel van banken met een rendement onder tien procent toe ten koste van
het aandeel van banken met een rendement boven tien procent. De verkrapping van de rentemarge in de loop van het jaar kan hierop van invloed zijn

336

ESB 1

juni 2007

Harry Huys (CBS)

en slachtoffers, sociale controle) groter is dan van
de sociaaleconomische status (aantrekkelijkheid van
doelwitten, mogelijkheden tot fysieke bescherming).
Wel zijn inwoners van buurten waar de bewoners in
hoog tempo komen en gaan (een hoge verhuismobiliteit) vaker slachtoffer dan personen in buurten met
een meer stabiele bevolking.
Slachtofferschap naar herkomst, leeftijd en stedelijkheid, 2006
%
60
|—| 95%-betrouwbaarheidsinterval

50
40
30
20
10
0

(Zeer)sterk Minder (Zeer)sterk Minder (Zeer)sterk Minder
stedelijke stedelijke stedelijke stedelijke stedelijke stedelijke
buurt
buurt
buurt
buurt
buurt
buurt
15-24 jaar

25-44 jaar

Autochtoon

45 jaar en ouder

Niet-westers allochtoon

Bron: Veiligheidsmonitor Rijk

Henk Lub (Divisie Statistiek & Informatie DNB)

Winstgevendheid van banken naar aantal
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0

1998

>20%

1999

2000

15-<20%

2001

2002

10-<15%

2003
5-<10%

2004 2005
0-<5%

2006
<0%

Bron: DNB

geweest. Vergeleken met de jaren 2001–2003 was
echter zowel in 2005 als 2006 sprake van een
opbloeiend rendement.

Financiële Markten

Abigail Lierens (AFM)

Aflossingsvrije hypotheek meest gekozen
Begin 2007 heeft de AFM aan 1.142 huishoudens,
(hypotheek afgesloten tussen oktober 2005 en oktober
2006) vragen voorgelegd met betrekking tot het proces
van het zoeken en kiezen van een hypotheek. Deze
steekproef is representatief voor de doelgroep van alle
huishoudens die in deze periode een hypotheek hebben
afgesloten. Het blijkt dat de aflossingsvrije hypotheek
veruit de populairste hypotheekvorm is. 36 procent
van de nieuwe hypotheken zijn volledig aflossingsvrij.
Populaire hypotheekvormen
Aflossingsvrije
hypotheek 37%

Overig 17%
Weet niet
4%
Annuïteiten en lineaire
hypotheek
2%
Belegginghypotheek
3%
Levenhypotheek
3%
Aflossingvrijlevenhypotheek
5%
Spaarhypotheek
7%

Aflossingsvrijbeleggingshypotheek 8%

Aflossingsvrijspaarhypotheek 14%

Bron: AFM

Nog eens 34 procent is voor een deel aflossingsvrij. Beleggings- en spaarhypotheken
vormen meestal de aanvulling op een aflossingsvrije hypotheek. De figuur geeft een
overzicht van de populariteit van een aantal hypotheekvormen. In de figuur zijn de
zeven populairste hypotheekvormen opgenomen, een groep van hypotheekvormen
waarbij de aflossing tijdens de looptijd plaatsvindt, een categorie ‘weet niet’ en een
categorie ‘overig’. De meest afgesloten hypotheekvormen zijn vormen waarbij de
aflossing niet of pas aan het einde van de looptijd plaatsvindt. Annuïteiten- en lineaire
hypotheken vormen samen maar twee procent van de in deze periode afgesloten
hypotheken. Vier procent van de consumenten blijkt niet te weten welke hypotheekvorm hij heeft afgesloten (‘weet niet’). Er zijn in deze periode meer spaarhypotheken
dan beleggingshypotheken afgesloten. Het aantal aflossingsvrije hypotheken is de
afgelopen tien jaar sterk gestegen, van 10,3 procent in 1996 naar 32,9 procent in
2002 en 36 procent in 2006. De belangrijkste reden voor de keuze van een aflossingsvrije component in de hypotheek is de fiscale aantrekkelijkheid. Andere reden
voor het afsluiten van een (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheek is het advies van
de adviseur. Ook veiligheid wordt als reden genoemd om een aflossingsvrije hypotheek af te sluiten. Ongeveer 40 procent van de huishoudens die een (gedeeltelijk)
aflossingsvrije hypotheek hebben afgesloten wordt door de financieel adviseur op de
financiële risico’s gewezen. Een kwart van de huishoudens zegt geen financieel risico
te lopen bij hun (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheek. Bijna 60 procent van deze
huishoudens heeft hun hypotheek via een adviseur afgesloten, de overige 40 procent
direct bij de financiële instelling. Van de huishoudens die een volledig aflossingsvrije
hypotheek hebben afgesloten geeft 42 procent aan dat het risico bestaat dat bij een
aflossingsvrije hypotheek niet het volledige hypotheekbedrag wordt opgebouwd.

Arbeidsmarkt

Sue Westerman en Roel Schaart (CBS)

Informatici naar hoogste opleiding

x 1000
200
150
100
50
0

2000
Hoger

2005
Middelbaar

Lager

Bron: CBS

Veel meer mensen met
informaticaopleiding
Het aantal 15–64-jarigen met informatica als
hoogste opleiding is in de periode 2000–2005 toegenomen van 94.000 naar 158.000. De groei was
relatief sterk bij multidisciplinaire opleidingen die
informatica met een andere richting combineren.
Met de toename van het maatschappelijke belang
van informatica is ook de behoefte gestegen aan
mensen die in die richting geschoold zijn. Het aanbod van opleidingen op het terrein van informatica is

dan ook toegenomen en is steeds meer gedifferentieerd. De zogeheten multidisciplinaire opleidingen zijn populairder dan de pure informatica-opleidingen.
Het aandeel personen van wie de opleiding is gericht op informatica én op een
andere sector is toegenomen met 29.000 personen, een verdubbeling ten opzichte van 2000. Voor de opleidingen die alleen op informatica zijn gericht, is dit
aandeel met de helft toegenomen.
Het merendeel van de informatici is opgeleid op het gebied van algemene informatietechnologie (41 procent). Ook waren er in 2005 relatief veel personen die
zijn opgeleid op het gebied van beheer van informatiesystemen en de combinatie
van management met informatica (beide richtingen twaalf procent).
In 2000 had bijna zestig procent van de mensen met informatica als hoogstbehaalde opleiding minimaal hbo-niveau. Tussen 2000 en 2005 is juist de groep
met een opleiding op mbo-niveau het sterkst toegenomen.
Het aantal personen met een informaticaopleiding was in 2005 veel lager dan
het aantal werkzame ICT’ers (254.000 personen). Dit heeft te maken met het
feit dat veel van de huidige ICT’ers niet in de informatica is opgeleid, maar later
via zelfstudie of omscholing wel zijn geschoold in het vak. Dit soort omscholingscursussen zijn meestal niet bepalend voor het hoogstbehaalde opleidingsniveau,
omdat ze vaak lager zijn dan de opleiding die deze mensen oorspronkelijk gevolgd hebben.

ESB 1

juni 2007

337

Auteurs

Categorieën