Ga direct naar de content

Regionaal sociaal-economisch beleid

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: mei 22 1985

Toets op taak

Regionaal sociaal-economisch
beleid
DRS. P.J.M. HOFHUIS – DRS. J. HOFLAND

Inleiding
Voor degenen die de wijze waarop het
regionaal
sociaal-conomisch
beleid
(RSEB) wordt vorm egeven de laatste decennia volgen, zijn momenteel de ontwikkelingen in Den Haag daaromtrent van belang. Sinds het midden van de jaren zeventig stelt het kabinet eenmaal in de vier a vijf
jaar een nota over het RSEB samen waarin
de plannen voor het te voeren RSEB voor
de komende periode worden ontvouwd.
Ook in 1985 zal dit gebeuren, in een nota
die waarschijnlijk de titel zal meekrijgen
Nota Regionaal sociaal-economisch beleid
1986-1990. Op basis van de voortgang in
het beleid in de afgelopen jaren en tegen de
achtergrond van de nationale economische
situatie zal de richting waarin het RSEB
zich zal dienen te ontwikkelen in deze nota
worden geschetst.
In dit kader dient dit artikel te worden
geplaatst. Wij zullen ons beperken tot de
hoofddoelstellingen van het RSEB. Eerst
wordt een korte schets gegeven van de accenten in het RSEB in het verleden en de
gehanteerde doelstellingen en instrumenten. Vervolgens wordt een inventarisatie
gemaakt van de verschillende meningen die
momenteel over het voortzetten van het
RSEB worden geventileerd. Ten slotte
wordt een aantal mogelijke scenario’s
weergegeven op basis waarvan de hoofddoelstellingen van het beleid kunnen worden nagestreefd.
Doelstellingen en instrumenten
Het RSEB kent – hoewel niet altijd expliciet als zodanig aangeduid – een historic van enkele decennia 1). In de jaren
zestig en zeventig was het beleid vooral gericht op het stimuleren van de economische
ontwikkeling in achtergebleven regie’s.
Dit betrof vooral het terugdringen van de
regionale werkloosheidscomponent. Sinds
het begin van de jaren tachtig heeft zich een
accentverschuiving gemanifesteerd. Naast
een stimuleringsbeleid dat specifiek was
gericht op de zwakke regie’s werd tevens
•een beleid gei’troduceerd dat als doel had de
bijdrage van de regie’s aan de ontwikkeling van de nationale economie te vergroten. De uitdrukking van dit ,,twee-sporen
beleid” is het eerst naar voren gekomen in
de laatste overheidsnota over het RSEB.
528

In deze Nota Regionaal sociaal-economisch beleid 1981-1985 – die in februari
1981 door de minister van Economische
Zaken aan het parlement werd aangeboden
– is een tweetal doelstellingen van het
RSEB geformuleerd 2). Op de eerste plaats
zou het beleid moeten worden gericht op
een grotere gelijkwaardigheid van regionale welvaartssituaties. Daarnaast zou de inbreng van de regie’s aan de nationale welvaart moeten worden vergroot. Beide doelstellingen zijn in de nota in twee vormen
van beleid uitgewerkt. Het regionale
stimuleringsbeleid werd daarbij omschreven als het geheel van maatregelen dat ten
gunste van sociaal-economisch zwakke gebieden wordt toegepast om de welvaartsen werkloosheidsverschillen tussen regie’s
te verkleinen. Het zogenoemde regionaal
ontwikkelingsbeleid zou zich daarnaast
richten op het creeren van gunstiger voorwaarden voor een toename van de regionaal economische inbreng aan de ontwikkeling van de nationale welvaart. Beide
vormen van het RSEB geven aan dat zij
niet alleen onderling in nauwe samenhang
tot elkaar staan, maar tevens een verwevenheid vertonen met ander beleidsonderdelen zoals het industriebeleid,
het werkgelegenheidsbeleid enz.
Het RSEB vormde een van de onderwerpen van de tweede zogenoemde heroverwegingsronde 3). In dat kader is gewezen op
de overeenkomst tussen de doelstellingen
c.q. beleidsopties van het RSEB, namelijk
een evenwichtige inpassing van het produktiepotentieel binnen en tussen regie’s.
In de heroverwegingsexercitie wordt uitgegaan van de visie dat het uiteindelijk streven van het RSEB gericht is op een structurele verbetering op lange termijn van de
sociaal-economische posities van de regio’s. Dit zowel in termen van rechtvaardigheid als van doelmatigheid. Hoewel
beide aspecten elkaar geenszins behoeven
uit te sluiten kan vanuit die optiek worden
gesteld dat in tijden van economische
teruggang en op de korte termijn bij het regionaal stimuleringsbeleid het primaat ligt
bij een rechtvaardige verdeling van de welvaart over de regie’s, terwijl in het regionaal ontwikkelingsbeleid veeleer het accent
ligt op een doelmatige economische inrichting van de afzonderlijke regie’s.
Het beleidsinstrumentarium dat werd
gehanteerd ten behoeve van het RSEB,
werd – waarschijnlijk vooral uit analyti-

sche overwegingen — eenduidig aan het
stimuleringsbeleid respectievelijk het ontwikkelingsbeleid gekoppeld. Als gehanteerde instrumenten voor het stimuleringsbeleid kunnen onder meer worden genoemd:
— Investeringspremieregeling (IPR): doel
van deze regeling is het stimuleren van
een samenhangend geheel van investeringen in grond, gebouwen en machines in aangewezen stimuleringsgebieden en ontwikkelingskernen ten einde
de werkgelegenheids- en industriele
structuur te verbeteren. Deze regeling is
een aantal malen gewijzigd;
— Bijzondere Regionale Toeslag (BRT):
deze beoogde binnen het kader van de
Wet op de Investeringsrekening (WIR)
een fiscale stimulans te geven aan investeringsactiviteiten in gebouwen en
vaste installaties in zwakke regie’s. Inmiddels is dit instrument afgeschaft;
— Europese Fonds voor de Regionale
Ontwikkeling (EFRO): dit fonds is ingesteld met het oog op het corrigeren
van regionale onevenwichtigheden binnen de Europese Gemeenschap. Medio
1984 is over een andere opzet van dit
fonds overeenstemming bereik 4);
— Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s): deze zijn ingesteld om
in algemene zin een bijdrage te leveren
aan de versterking van de regionale
economische structuur en het verbeteren van de werkgelegenheidssituatie.
Het ,,imago” van de ROM’s is in 1984
nader onderzocht 5).
Ten behoeve van het ontwikkelingsbeleid kunnen de volgende instrumenten
worden genoemd:
— voorwaardenscheppend beleid: dit is in
het bijzonder gericht op de opheffing
van regionale knelpunten in de infrastructuur. Bind vorig jaar heeft een
evaluatie van dit beleid plaatsgevonden

6);
— Selectieve Investeringsregeling (SIR):
dit instrument is gebaseerd op de wens
de concentratie van activiteiten en be-

1) Zie voor een historische analyse P. v. Hoogstraten, Elan in het regionaal beleid, Tijdschrift
voor Politieke Ekonomie, jg. 8 (1984), nr. 1, biz.
59-85.
2) Vgl. Nota Regionaal sociaal economisch beleid 1981-1985, Tweede Kamer, zitting
1980-1981, 16633,nrs. 1-2, biz. 8e.v.
3) Heroverweging Regionaal sociaal-economisch beleid, deelrapport nr. 43, Tweede Kamer,
zitting 1981-1982, 16625, nr. 52.
4) Zie hieromtrent de begroting voor 1985 van
het Ministerie van Economische Zaken, Tweede
Kamer, zitting 1984-1985, 18 600, hoofdstuk
XIII, nr. 2, biz. 58 en 59.
5) Verslag over de resultaten van een onderzoek
naar het imago van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, in het bijzonder de NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij, Twijnstra
Gudde NV, Deventer, 1984. Zie voor een reactie
van de minister van Economische Zaken op dit
rapport diens brief aan het parlement d.d. ? September 1984, Tweede Kamer, zitting 1983-1984,
18 100, hoofdstuk XIII, nr. 131.
6) Evaluatie van het voorwaardenscheppend beleid, Euro Bartels, 1984.

volking in het Westen van het land te

beheersen om in dat gebied een evenwichtige ontwikkeling van economische structuur en arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Dit instrument is in 1984
opgeheven.

voorstanders van het benadrukken van de
sterke punten in regie’s. Zij pleiten voor
het verrichten van een regionale sterkte-

hanteerd en zelfs elkaar kunnen versterken.

zwakte-analyse om voor de concrete uit-

werking van het beleid bruikbare aanknopingspunten te hebben. Deze analyse is inmiddels door het NEI verricht 9).
De standpunten die in het preadvies zijn
ingenomen betekenen naar de mening van
de preadviseurs niet dat het rechtvaardigheidsstreven geheel uit het RSEB zal dienen te verdwijnen. Het streven naar gelijke

Een drietal scenario’s

tuurplan Noorden des Lands (ISP) en de

kansen op werk en inkomen, naar een ge-

maatregelen in het kader van de Perspec-

lijkmatige spreiding van welvaart, krijgt
weliswaar minder aandacht dan in het ver-

Er kan worden gesteld dat over de
hoofdlijnen van het RSEB (nog) geen gemeenschappelijke visie bestaat. Mede op
basis van het voorafgaande kan een drietal
scenario’s worden onderscheiden:
– het accent leggen op de stimuleringsdoelstelling;
– het accent leggen op de ontwikkelingsdoelstelling;

beleidsonderdelen zijn gericht op het tot
stand brengen van een ge’integreerde beleidsvoering in het Noorden en in ZuidLimburg, waarvoor rijk en provincies een
gezamelijke verantwoordelijkheid dragen.
Daarnaast kunnen de Meerjarige Investeringsprogramma’s Noord-Brabant, Twente en Nijmegen worden genoemd. Deze
programma’s zijn bedoeld om een ge’integreerde inzet van regionale middelen mogelijk te maken. Ten slotte kan in dit verband worden gewezen op het beleid ten
aanzien van de vier grote steden.

leden, maar blijft onderdeel van het beleid.

– uitsluitend de stimuleringsdoelstelling

termijnkarakter en zijn gericht op het

RSEB als zodanig. Om deze reden wordt

Meningen gcinvenlariseerd

voorkomen van verdere afbrokkeling van
bestaande structuren. In het preadvies
wordt voorts gesteld dat het regionale
spreidingsbeleid alleen goede mogelijkheden heeft in tijden van welvaartsgroei. In
tijden van economische neergang zou het
accent meer moeten liggen, althans in de
visie van de preadviseurs, op het nationale
beleid en dienen juist de mogelijkheden

het vierde scenario verder buiten beschouwing gelaten. De drie overgebleven scenario’s zullen wij nader belichten.
Het eerste scenario is in wezen de uitdrukking van het tot de eerste helft van de
jaren tachtig gevoerde beleid. Onder invloed van de economische teruggang die in
alle regie’s – en dus niet alleen de traditioneel zwakke regio’s – ongunstige (soci-

Naast genoemde instrumenten is er in

het kader van het RSEB ook een beleid ontwikkeld dat gericht is op specifieke regie’s
en steden. In dit verband kan allereerst
worden gewezen op het Integraal Structievennota Zuid-Limburg (PNL). Beide

Momenteel wordt een discussie ten principale gevoerd over de hoofdlijnen van het
RSEB voor de eerstkomende vier jaar. Ge-

zien het veranderde economische klimaat
van nu ten opzichte van de jaren
1979-1980, dat wil zeggen ten tijde van het
formuleren van het RSEB 1981-1985, lijkt

er alle aanleiding het beleid bij te stellen.
Met name de accenten in het voortzetten
van het ,,twee-sporen”-beleid dat een
evenwicht nastreeft tussen ontwikkeling en

nastreven.
Deze rubriek wordt verzorgd door het
Institunt voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven

In beginsel kan nog een vierde scenario
worden genoemd waarin uitsluitend de
ontwikkelingsdoelstelling wordt nagestreefd. Het uitgangspunt in het navolgen-

In gebieden met de hoogste werkloosheid
dienen volgens de SER-economen naast de
nationaal werkende instrumenten, compenserende, regionaal werkende instrumenten te worden ingezet. Deze laatste instrumenten dragen echter meer een korte-

geval altijd ruimte dient te bieden voor positieve discriminatie van specifieke regie’s.

de zal evenwel zijn dat het RSEB in ieder

van het regionale beleid om bij te dragen

aal)-economische effecten veroorzaakte,

aan de nationale groei, uitgebuit te

werd weliswaar de ontwikkelingsdoelstelling expliciet geintroduceerd, maar dit Het
het primaat dat in het beleid bij de stimuleringsdoelstelling werd gelegd onverlet. De
aandacht van het beleid bleef vooral geconcentreerd op de zwakke regio’s. In de
Nota Regionaal sociaal-economisch beleid
1981-1985 werd gewezen op het spanningsveld tussen beide doelstellingen en de daar-

worden.

op dit moment onderwerp van een
discussie.
In het kader van de werkzaamheden van
de Sociaal-Economische Raad is door Van

In de discussie in SER/RARO-verband
naar aanleiding van het preadvies is gesteld
dat, tegen de achtergrond van het gegeven
dat in economisch moeilijke tijden juist
zwakke regie’s het hardst worden getroffen, de opvatting van het preadvies niet in

Duijn, Lambooy en Paelinck een preadvies

al haar consequenties kan worden doorge-

samengesteld over het RSEB 7). De analyse
en standpuntbepaling van het preadvies
beweegt zich voor een deel langs de lijnen
van de thema’s doelmatigheid en rechtvaardigheid 8). De auteurs hebben getracht
de verschillen in opvatting die daarover
bestaan, te vangen door introductie van
twee nieuwe begrippen: de economische
optiek en de sociale optiek.
De SER-economen pleiten in hun nota
voor het versterken van het economische
aspect in het RSEB. Dit betekent dat het
beleid zich vooral zou moeten richten op
het scheppen van voorwaarden waaronder
structuurvernieuwing van de Nederlandse
economic tot stand kan worden gebracht.
De auteurs betitelen dit beleid als een offensief RSEB. In hun visie wordt daarin
het zwaartepunt gelegd bij het streven naar
volledige benutting van de verschillende regionale mogelijkheden ten einde bij te dragen aan de nationale welvaart. Bij dit beleidsaspect behoren termen als structuurvernieuwing,
voorwaardenscheppende
overheidsbemoeienis, deregulering enz. De
SER-hoogleraren zijn met andere woorden

voerd. Integendeel, zo is de redenering,
men zou op grond daarvan juist voor een
versterking van de herverdelingsdoelstelling willen pleiten. De fundamentele vraag

stimulering van de regionale gebieden, zijn

ESB 29-5-1985

Dit houdt ook in dat in een situatie waarin

geen substantiele verschillen in welvaartsniveau tussen regie’s bestaan er in feite
geen aanleiding is voor het voeren van een

die het preadvies oproept is of de feitelijke

ontwikkeling in het RSEB waarbij een iets
grotere ruimte is gelaten voor doelmatigheid, moet worden teruggebogen dan wel
versterkt, of dat nog een andere richting
moet worden gekozen. Het gaat om een
juiste dosering van doelmatigheid en rechtvaardigheid, zo is gesteld.
De SER/RARO-discussie heeft duidelijk gemaakt dat er fundamentele verschillen van opvatting bestaan over de accenten
die in de nabije toekomst in het RSEB zullen moeten worden gelegd. Het onder-

scheid tussen sociale en economische optiek wordt wel als waardevol gezien, maar
daarbij wordt naar voren gebracht dat het
nog onvoldoende rijp is voor een praktische toepassing. Tevens is benadrukt dat,
met dit onderscheid een enigszins kunstmatige tegenstelling is opgeroepen tussen
twee aspecten van het beleid die heel wel in
onderlinge samenhang kunnen worden ge-

van afgeleide instrumenten. Het RSEB

werd geacht primair te zijn gericht op de
gebieden met een achterblijvende sociaal-

economische ontwikkeling. Dit zou de traditionele grondslag van het RSEB kunnen
worden genoemd. De spanning in het beleid wordt onder andere veroorzaakt doordat het verbeteren van de sociaal-economi7) J.J. van Duijn, J.G. Lambooy en J.H.P.

Paelinck, Rapport intake het regionaal sociaaleconomisch beleid en het ruimlelijk beleid,
Preadvies SER-RARO, 1983.
8) Opvallend is dat de SER-economen weinig
expliciet aansluiting hebben gezocht bij de heroverwegingswerkgroep die in het kader van de
tweede heroverwegingsronde een nota over het
RSEB heeft geproduceerd. Daarin wordt onder
meer gepleit voor een investerings- en effectiviteitsscenario en meer aansluiting van het RSEB
bij het algemeen economisch beleid. Zie: Heroverweging Regionaal sociaal-economisch beleid,
deelrapport nr. 43, Tweede Kamer, zitting
1981-1982, 16 625, nr. 52.
9) Nederands Economisch Instituut, Technologische vernieuwing en regionale ontwikkeling in
Nederland (TRANSFER), Rotterdam, 1984.

529

sche ontwikkeling in alle regie’s (ontwikkelingsdoelstelling) de regionale wel-

wettigd in het geval dat een dergelijk
beleid uiteindelijk ook een toename

subjectieve voorkeuren hieromtrent — zijn

vaartsverschillen (ten gunste van de sterke

van de regionale welvaartsverschillen

terrein van de traditionele grondslag van

regie’s) juist zou kunnen vergroten in

tot gevolg heeft, ondanks een stijgend
welvaartsniveau;
— het spanningsveld tussen het aandacht
schenken aan de sociaal-economische

het RSEB, het spanningsveld tussen beleidsvormen en de doorwerking in het budgettair besluitvormingsproces. Als horizontale doorkruising van deze terreinen
kan ten slotte de (macro-)economische situatie worden genoemd. Als sprekend
voorbeeld kan in dit verband worden gewezen op de vraag of in tijden van economische tegenspoed in het RSEB het accent
moet worden gelegd op een herstel van de
nationale economie of dat veeleer het mitigeren van de negatieve effecten in specifie-

plaats van verkleinen. Ook een omgekeer-

de redenering geeft het bestaan van dit
spanningsveld aan. Een te sterke toespitsing op het stimuleren van zwakke regie’s

zonder oog te hebben voor een evenwichtige ontwikkeling van de overige regie’s —
hetzij via het ontwikkelingsbeleid als onderdeel van het RSEB, hetzij via de overige

situatie van zwakke regie’s en het vergroten van de regionale bijdrage aan de
nationale economie blijft aanwezig.
Ook hier bestaat de mogelijkheid dat
vormen van RSEB elkaar tegenwerken.

vorrnen van nationaal economisch beleid
– zou er toe kunnen leiden dat het aantal

Het derde scenario is dat waarbij uitslui-

zwakke regie’s juist toeneemt. Het RSEB

tend de stimuleringsdoelstelling wordt na-

schiet in dat geval haar doel voorbij.

gestreefd. Vanuit die optiek is het RSEB

pro’s en centra’s heeft. Deze liggen op het

Ten aanzien van de bantering van een

gericht op het wegwerken van de wel-

ke regie’s voorop dient te staan. In het
laatste geval zou ten behoeve van het ver-

scenario dat overwegend is gebaseerd op de
stimuleringsdoelstelling, kunnen de vol-

vaarts- en werkloosheidsverschillen tussen
regie’s. De economische inbreng van de regie’s aan de nationale economie is in dit
scenario niet meer de hoofddoelstelling
van het beleid (scenario twee), noch krijgt
dit aspect het primaat binnen het beleid
(scenario een). Een aantal karakteristieken

snellen van het economische herstel de nadruk moeten komen te liggen op andere
onderdelen van economisch beleid.
De uiteindelijke keuze voor een scenario
zal voor sommigen mede afhangen van de
visie die men heeft over de grondslag van
het RSEB. Wordt de opvatting gehuldigd

van dit derde scenario is:

dat welke vorm van economisch beleid dan

ook – en dus ook het RSEB – primair

zwakke regie’s en ontwikkeling van al-

— er wordt teruggekeerd naar de traditionele grondslag van het RSEB: het zoveel mogelijk wegwerken van regionale

le regie’s. Dit spanningsveld onder-

welvaarts- en werkloosheidsverschillen

voorkeur worden uitgesproken voor het

streept aan de ene kant de noodzaak
van een wisselwerking tussen beide vor-

op basis van sociale overwegingen. De
bijdrage vanuit de regie’s aan een beleid gericht op het versterken van de nationale economie zou dan ,,overgeheveld” kunnen worden naar andere
onderdelen van nationaal economisch
beleid. Het verlies aan impulsen voor
de landelijke economische ontwikkeling kan daarmee geheel of ten dele

tweede scenario. Vindt men evenwel de
grondslag van het RSEB in sociale overwegingen, dan kan men niet anders kiezen
dan voor een scenario waarbij de stimuleringsdoelstelling of een benadering vanuit
een sociale optiek op ondubbelzinnige wijze op de voorgrond treedt. In extremis be-

gende opmerkingen worden gemaakt:

– het vertoont een duidelijke relatie met
de traditionele grondslag van het
RSEB. Uit dien hoofde is het een beleid
waarbij sociale overwegingen de belangrijkste basis vormen;

– het laat een spanningsveld bestaan binnen het RSEB tussen stimulering van

men van RSEB: indien goed gedoseerd

kan hieruit tevens een extra impuls
voor de nationale economie ontstaan.
Aan de andere kant kunnen cumulatieve effecten een neerwaartse spiraal veroorzaken die het aantal zwakke regie’s
eerder doet toenemen dan afnemen. De

dient bij te dragen aan het bevorderen van

de nationale economie, dan kan alleen een

beleidsvormen kunnen elkaar dus ook

worden gecompenseerd. Dit zal echter

tekent dit dat een voorkeur wordt uitgesproken voor het derde scenario.
Het is in de huidige discussie opvallend

tegenwerken.

mede afhangen van de beslissing of de

te noemen dat dit scenario waarbij het

budgettaire middelen die vrij kunnen

Het tweede scenario ligt meer in de lijn
van overwegingen die in het SER-preadvies

komen in dit scenario (de middelen

RSEB uitsluitend is gericht op de stimulering van zwakke regie’s (scenario drie) on-

voor

worden

derbelicht is gebleven. Om redenen die eer-

zijn geformuleerd. Het accent op de ont-

toegewezen aan het nationaal economisch beleidsinstrumentarium of onderdeel worden gemaakt van het om-

der zijn geschetst mag het realiteitsgehalte

ontwikkelingsbeleid),

van dit scenario evenwel niet worden onderschat. Het zou interessant zijn dit scenario mede te betrekken in de discussies

wikkelingsdoelstelling is daarbij vertaald
naar de begrippen economische optiek en
sociale optiek. Kern van deze voorstellen
voor mogelijke nieuwe uitgangspunten van
het RSEB is dat de aandacht meer naar de
economische optiek wordt verschoven,

— het spanningsveld tussen ontwikkeling
versus stimulering doet zich binnen het
RSEB niet meer voor. Het kan worden

over het RSEB in de komende jaren. Niet
in de laatste plaats omdat de sterker wor-

zonder overigens daarbij de sociale optiek

beschouwd als een in sociaal opzicht

van collectieve middelen aan expliciete be-

uit het oog te verliezen. Bij deze benade-

aanvullend dan wel corrigerend beleid.

leidsdoelstellingen en de politieke besluit-

buigingsbeleid;

ring ligt het primaat veeleer bij het stimule-

dende roep om helderheid bij de toedeling
vorming daarover gebaat zouden kunnen
zijn bij dit derde scenario.

ren van die regie’s waar reeds potentiele
voorwaarden aanwezig zijn voor een goede

Het bij uitstek nastreven van de stimuleringsdoelstelling impliceert niet automa-

economische ontwikkeling. Dit kunnen

tisch een vrijbrief voor het ontstaan van

Paul Hofhuis

ook traditioneel zwakke regie’s zijn met
tot nu toe niet altijd onderkende mogelijkheden. Waar het in dit scenario vooral om
gaat is dat het instrumentarium van het

wat door tegenstanders van het stimuleringsbeleid wel wordt aangeduid met ,,bodemloze putten”. Het financieel ondersteunen van specifieke regie’s op basis van

John Hofland

RSEB in het bijzonder dient te worden ge-

sociale overwegingen kan immers in begin-

richt op de versterking van de marktsector

sel vooraf worden begrensd. Een financieel
regime dat daartoe zou kunnen worden gehanteerd is bij voorbeeld budgetfinanciering. De diepte van de bodem van de put
dient in dat geval vooraf ingeschat te worden. Of er zicht op de bodem ontstaat is

en een versteviging van de economische

structuur van kansrijk geachte regie’s voor
de langetermijn. Een aanvullende component vormt het streven naar een rechtvaar-

dige verdeling van de welvaart over de regio’s, maar dit neemt niet die prominente
plaats in zoals in het verleden het geval is
geweest.
Het tweede scenario leidt tot de volgende
opmerkingen:
– de relatie met de traditionele grondslag
van het RSEB is minder sterk aanwezig. Overigens is deze stelling alleen ge530

vooral afhankelijk van de politieke wil

daartoe.
Slot

Een evaluatie van de geschetste scenario’s leert dat elk — afhankelijk van de

Auteurs