Ga direct naar de content

Prikkels ­accountants om fraude aan te kaarten nog onvoldoende effectief

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 9 2020

Zelden is het de accountant die bij grote affaires applaus krijgt voor het ontdekken van fraude. Sterker nog: juist na het openbaar worden van dergelijke affaires – bijvoorbeeld de grootschalige fraudes bij Vestia en Steinhoff, de corruptie-affaires bij Ballast Nedam en Airbus, het faillissement van Imtech en de witwaskwestie bij ING – rijst er vanuit de media, politiek, aandeelhouders en andere belanghebbenden telkens weer de vraag of de betrokken accountants hun werk wel goed gedaan hebben.

Marcel Pheijffer: Hoogleraar aan Nyenrode Business ­Universiteit en aan de Universiteit Leiden en lid van de Monitoring Commissie Accountancy

Na onderzoek door toezichthouders, curatoren en/of andere belanghebbenden blijkt niet zelden dat de accountant steken heeft laten vallen. Dat is opvallend. Het accountantsberoep is namelijk ontstaan naar aanleiding van een fraudeschandaal – de zogeheten Pincoffs-affaire – dat speelde in 1879. Anno 2020 lijkt fraude echter verworden te zijn tot de angstgegner van de accountant.

Prikkels

Op het eerste gezicht lijken accountants veel prikkels te hebben om fraude op te sporen en aan te kaarten. Ik behandel de belangrijkste.

Beroepstrots

Allereerst is er de beroepstrots van de accountant. Iedere accountant wordt opgeleid vanuit de gedachte dat fraude dient te worden voorkomen en moet worden bestreden, wat deel is van de poortwachtersfunctie van de accountant.

Reputatieschade

Mogelijke reputatieschade vormt eveneens een belangrijke prikkel. Accountants(organisaties) die hun werk niet goed hebben gedaan, verliezen het vertrouwen van degenen die van de accountantsdiensten gebruikmaken of daarvan afhankelijk zijn. Hun vertrouwen is het grootste goed dat accountants kunnen verliezen.

Publiek belang

Fraude veroorzaakt maatschappelijke schade, en daarom is het in het publieke belang dat de accountant, als financieel deskundige én geweten, een adequate bijdrage levert aan het voorkomen en bestrijden van fraude. Dit is wat belanghebbenden in het maatschappelijk verkeer – in feite de niet-betalende opdrachtgevers van de accountant – ook van de accountant verwachten. Indien de accountant het publieke belang niet langer dient, ontbreekt er een belangrijke legitimiteit voor diens wettelijke status, zo niet de raison d’être daarvan. Het handelen in het publieke belang inzake fraude is derhalve belangrijk voor het behoud van de wettelijke status van de accountant.

Cliëntenbelang

Het is – zeker in geval van werknemersfraude of fraude van buiten de organisatie – ook in het belang van de betalende opdrachtgever dat de accountant adequaat omgaat met risico’s inzake signalen van fraude. Dit cliëntenbelang vormt dus eveneens een prikkel: indien de accountant op dit punt voor de cliënt niet van toegevoegde waarde is, vervalt voor de cliënt een belangrijke reden om een accountant in te schakelen.

Vergoeding

De vergoeding van de accountant vormt eveneens een belangrijke prikkel. Deze kan echter twee kanten op werken: de prikkel kan positief zijn, indien de cliënt graag wil betalen voor het onderzoeken, oplossen en in de toekomst voorkómen van fraude (preventie). Maar er kan ook sprake zijn van een negatieve prikkel, bijvoorbeeld indien het afgesproken budget niet voorziet in werkzaamheden wat betreft vermoedens van fraude, en de cliënt daar ook niet voor wenst te betalen. Accountants met een rechte rug geven in een dergelijk geval hun opdracht terug, iets wat echter niet altijd staande praktijk is.

Wettelijke meldplichten en publiek toezicht

Een belangrijke prikkel vormt voorts het feit dat de accountant een wettelijke meldplicht inzake fraude en witwassen heeft. En daarnaast dat er sprake is van publiek toezicht (door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het Bureau Financieel Toezicht (BFT)) op onder meer de naleving van deze meldplichten. Deze toezichthouders schromen niet om publiekrechtelijke maatregelen te treffen, zoals het opleggen van een boete, indien er sprake is van non-compliance door accountants(organisaties). Ernstige vormen van niet-naleving kunnen zelfs leiden tot doorhaling van de accountant in het accountantsregister of het intrekken van de AFM-vergunning van de betrokken accountantsorganisatie.

Aansprakelijkstelling

Dat brengt mij tot het laatste punt: de mogelijkheden van tuchtrechtelijke, strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkstelling. Zo’n aansprakelijkstelling heeft niet zelden zowel financiële als reputationele gevolgen. Met name aandeelhouders (vaak via belangenbehartigers, zoals de Vereniging van Effectenbezitters, Deminor of een claimstichting) en curatoren zijn succesvol bij het indienen van claims tegen accountants(organisaties).

Onvoldoende effectief

De accountant heeft dus veel prikkels om fraude aan te kaarten. Maar deze lijken thans nog onvoldoende effectief. De laatste decennia komt de accountant eerder na fraude negatief in beeld, dan wegens het vervullen van een heldenrol. Te vaak treft de accountant terecht het verwijt dat hij of zij heeft zitten slapen terwijl de fraude zich onder zijn of haar ogen voltrok.

Diverse onderzoekscommissies in binnen- en buitenland hebben, in relatie tot fraude, de afgelopen jaren hun zorg uitgesproken over de accountant (Brydon, 2019; CTA, 2020; MCA, 2016; 2018; 2020; Senate, 1977; Treadway Commission, 1987). Zij constateerden dat het cliëntenbelang om fraude niet openbaar te maken, doorgaans sterker woog dan het publieke belang. Zij stelden vast dat commerciële belangen regelmatig zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang. Zij oordeelden tevens dat meldplichten accountants kennelijk nog onvoldoende stimuleren om fraude te melden, en voorts dat het toezicht hun onvoldoende gezag inboezemt en/of dat de pakkans te klein is. Bovendien zijn de gevolgen van reputatieschade – mede door de vrijwel onaantastbare positie van de grootste accountantskantoren – kennelijk nog te gering en/of zijn de sancties te laag.

Beroepstrots en anders harde hand toezichthouder

Kortom: prikkels te over, maar de effectiviteit daarvan moet omhoog. Hoe dan? Primair door het accountantsberoep, dat is ontstaan naar aanleiding van een fraudekwestie, te laten terug­keren naar zijn roots. Het beroep moet zelf weer de wil en attitude tonen om fraude aan te pakken. Tijd dus om de beroepstrots – de eerstgenoemde prikkel – te laten herleven. De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en de grote accountantskantoren nemen daartoe inmiddels diverse initiatieven, bijvoorbeeld via specifieke publicaties over fraude en door actiever deel te nemen aan het maatschappelijk debat over dit onderwerp.

Indien het beroep er echter niet in slaagt om zijn rol en verantwoordelijkheid inzake fraude adequaat in te vullen, resteert de harde hand: als vergunningverstrekker en toezichthouder zou de AFM bijvoorbeeld, al dan niet tijdelijk, vergunningen moeten kunnen intrekken van accountantsorganisaties die een scheve schaats rijden. Daarmee zou dan immers door de toezichthouder een duidelijk en krachtig signaal worden afgegeven inzake het belang van effectieve fraudebestrijding door accountants.

Literatuur

Brydon, D. (2019) Assess, assure and inform. Report of the independent review into the quality and effectiveness of audit, 18 december. Te vinden op assets.publishing.service.gov.uk.

CTA (2020) Vertrouwen op controle. Rapport van de Commissie toekomst accountancysector, 30 januari. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

MCA (2016) Veranderen in het publiek belang. Monitoring Commissie Accountancy, 20 oktober. Te vinden op www.monitoringaccountancy.nl.

MCA (2018) Doorpakken! Monitoring Commissie Accountancy, 31 mei. Te vinden op www.monitoringaccountancy.nl.

MCA (2020) Spiegel voor de accountancysector. Monitoring Commissie ­Accountancy, 14 januari. Te vinden op www.monitoringaccountancy.nl.

Senate (1977) The accounting establishment. Washington: U.S. Government ­Printing Office. Te vinden op openlibrary.org.

Treadway Commission (1987) Report of the National Commission on Fraudulent Financial Reporting, oktober. Te vinden op www.coso.org.

Auteur

  • Marcel Pheijffer

    Hoogleraar aan Nyenrode Business ­Universiteit en aan de Universiteit Leiden en lid van de Monitoring Commissie Accountancy

Categorieën