Ga direct naar de content

Orgaandonatie hangt samen met inkomen en arbeid

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: november 19 2015

Nederlanders staan internationaal bekend om hun geefgedrag maar toch heerst er in Nederland een tekort aan orgaandonoren. Het blijkt dat de bereidheid tot orgaandonatie vooral leeft onder personen met een hogere opleiding, maar ook inkomen en geloofsovertuiging spelen een rol.

 

680Jaargang 100 (4722) 19 november 2015
Orgaandonatie
hangt samen met
inkomen en arbeid
GEDRAG
N
ederland kampt met een tekort aan
orgaandonoren (Nederlandse Trans-
plantatie Stichting , 2014). In 2014
stonden 1044 transplantabele personen
op een donorwachtlijst. Elk jaar is er
een donorweek, meestal in oktober, waarin veel vrijwilli-
gers proberen mensen over te halen om zich te registreren.
Ondanks de matige belangstelling lijkt er in Nederland
een goede voedingsbodem te zijn voor geefgedrag. Zo
onderscheidt de Nederlandse samenleving zich door een
sterke participatie en een hoog vertrouwen. Krap de helft
van de bevolking doet vrijwilligerswerk en daarmee staat
Nederland bovenaan in Europa. Ook zijn er in Nederland
veel sociale contacten, en is er veel onderling vertrouwen
en vertrouwen in de politiek, in rechters, politie en leger.
Nederland doet het, samen met de Scandinavische lan –
den, dus goed in het meedoen met en het vertrouwen in
de samenleving (Schmeets, 2015). De onderlinge sociale
binding en het vertrouwen in de medemens en instituties
zijn belangrijke voorwaarden voor de wil om te geven aan
de samenleving. De bouwstenen waarmee het sociaal kapitaal in de sa –
menleving is opgebouwd, zijn participatie en vertrouwen
(Van Beuningen en Schmeets, 2013). Dit sociaal kapitaal
wordt van belang geacht voor zowel de economische pro -ductiviteit en groei (Knack en Keefer, 1997; Woolcock,
1998) als het welzijn van mensen (Stiglitz et al., 2009). Te

gen deze achtergrond vatten we het geefgedrag in de vorm
van orgaandonatie op als een indicator van het sociaal
kapitaal (Peters en Schmeets, 2015). Bevolkingsgroepen
verschillen in sociaal kapitaal (Schmeets, 2015) en vooral
de opleiding is daarbij onderscheidend: hoe hoger de op –
leiding , hoe meer participatie en vertrouwen. Opleiding
vormt een hulpbron in de vorm van kennis, en is daardoor
een indicator van het menselijk kapitaal die sociaal kapitaal
genereert (Coleman, 1998). Ook inkomen is een hulp –
bron: geld kan nodig zijn om bijvoorbeeld deel te nemen
aan activiteiten binnen verenigingen zoals de sport- en
hobbyclub. Bovendien kan geld het vergaren van kennis
makkelijker maken, zoals door de aanschaf van moderne
ICT-middelen. Verder is te verwachten dat de arbeids-
marktpositie een relevante factor is: een hogere positie
gaat gepaard met meer hulpbronnen die nodig zijn voor
de participatie. Mensen die niet actief op de arbeidsmarkt
zijn, zoals werklozen, blijven verstoken van netwerken die
op de werkvloer ontstaan. Dit resulteert in de verwachting
dat het menselijk kapitaal in de vorm van opleiding , inko –
men en arbeidsmarktpositie ook van belang is bij orgaan –
donatie: hogere sociaal-economische groepen zullen meer
op de hoogte zijn van het bestaan van het donorregister,
meer bekend zijn met de achtergronden van het gebrek en
de noodzaak aan orgaandonoren, en meer weten over de
procedures rondom een transplantatie.
Vanuit deze gedachte dat hulpbronnen, zoals kennis en
financiële middelen, relevant zijn voor orgaandonatie,
wordt in dit artikel de relatie met opleiding , inkomen en
arbeidsmarktpositie onderzocht. Hogeropgeleiden, men –
sen met een hoger inkomen en met een hogere positie op
de arbeidsmarkt zouden dan vaker orgaandonor zijn dan
lageropgeleiden en mensen met minder inkomen en lagere
posities. FLORIS
PETERS
Promovendus aan
de Universiteit
Maastricht en
onderzoeker bij het
Centraal Bureau
voor de Statistiek
HANS
SCHMEETS
Senior onderzoeker
bij het Centraal
Bureau voor de
Statistiek en
bijzonder hoogleraar
aan de Universiteit
Maastricht
Personen die actief op de arbeidsmarkt zijn en een hoger inkomen
hebben, zijn meer bereid om organen te doneren. Dit wordt deels
verklaard door het hogere opleidingsniveau en de hogere leeftijd
die gerelateerd zijn aan meer inkomen. Als hiervoor wordt gecorri-
geerd, blijken studenten het voortouw in orgaandonatie te nemen.
Daarnaast zijn vooral herkomst en religie belangrijke kenmerken
om de bereidheid tot orgaandonatie te duiden.
ESB Gedrag

Gedrag ESB
681Jaargang 100 (4722) 19 november 2015
DATA EN METHODE
Sinds 2014 beschikt het Centraal Bureau voor de Statis-
tiek (CBS) over gegevens omtrent donor registratie in
Nederland. De data zijn afkomstig van het donorregister
gevestigd in Kerkrade, waar sinds 1998 uitvoering wordt
gegeven aan de Wet op de orgaandonatie (Wod). In deze
wet is geregeld dat iedereen van twaalf jaar of ouder die is
ingeschreven bij een Nederlandse gemeente zijn of haar
keuze op het gebied van orgaan- en weefseldonatie kan
laten registreren. De dataset bevat individuele informatie
over de Nederlandse bevolking van twaalf jaar en ouder
( N = 14.610.125), en heeft betrekking op het jaar 2014.
Deze dataset is gekoppeld aan gegevens uit de Enquête
Beroepsbevolking (EBB) van 2010–2014. Registratie in
het donorregister kent vier keuzemogelijkheden: (1) “Ik
stel mijn organen en weefsels na mijn overlijden wel be –
schikbaar voor transplantatie”, (2) “Ik stel mijn organen
en weefsels na mijn overlijden niet beschikbaar voor trans-
plantatie”, (3) “Ik laat de beslissing over aan mijn familie
en eventuele partner. Mijn nabestaanden beslissen of mijn
organen en weefsels beschikbaar zijn voor transplantatie”,
en (4) “Ik laat de beslissing over aan een specifieke per –
soon. Hij of zij beslist na mijn overlijden of mijn organen
en weefsels wel of niet beschikbaar zijn voor transplantatie.
Als de specifieke persoon onbereikbaar is op het moment
van overlijden, dan wordt de beslissing overgelaten aan de
nabestaanden.” Wanneer een persoon niet geregistreerd
staat bij overlijden, bepalen de nabestaanden of hij/zij do –
nor is of niet. Met logistische regressieanalyse is nagegaan
welke determinanten van belang zijn voor (wel/geen)
orgaandonatie. Daarmee wordt zichtbaar wat de unieke
bijdrage is van de sociaal-economische kenmerken, indien
gecontroleerd wordt voor andere kenmerken die gerela –
teerd zijn aan orgaandonatie.
RESULTATEN
In 2014 is 40 procent van de Nederlandse bevolking van
twaalf jaar en ouder geregistreerd in het donorregister, en
24 procent geeft toestemming tot orgaandonatie. Na een
selectie van de personen die hebben meegedaan aan de
Enquête Beroepsbevolking in de periode 2010–2014,
neemt de proportie die geregistreerd is toe tot 45 procent
van de Nederlandse bevolking van vijftien jaar of ouder.
Van deze groep heeft 29 procent toestemming gegeven
voor orgaandonatie, van wie 6 procent bepaalde organen of
weefsels van donatie uitsluit. Verder heeft 10 procent expli-
ciet geen toestemming gegeven, en 6 procent laat deze be –
slissing over aan nabestaanden of een aangewezen persoon. De arbeidsmarktpositie is duidelijk gerelateerd aan do –
norregistratie. Ambtenaren zijn met 57 procent het vaakst
geregistreerd, gevolgd door pensioenontvangers tot 65
jaar (51 procent), directeuren-grootaandeelhouders (50
procent), werknemers bij een particulier bedrijf en zelf-
standigen (47 procent) en overige actieve personen (48
procent). Daarentegen onderscheiden met name perso –
nen in de bijstand en zonder inkomen (27 en 28 procent),
en in mindere mate studenten en ontvangers van overige
sociale voorzieningen (38 en 39 procent) zich door een lage
proportie geregistreerden. De registratie vertaalt zich ook in
de proportie orgaandonoren. Vooral personen die actief zijn op de arbeidsmarkt hebben zich geregistreerd, en geven toe

stemming tot orgaan- en weefseltransplantatie. Ook inkomen
is onderscheidend: personen met een hoger inkomen staan
vaker geregistreerd en zijn vaker donor. Dit varieert van 36
procent geregistreerden en 22 procent donoren onder perso –
nen met de laagste inkomens (eerste kwintiel), tot 51 procent
geregistreerden en 36 procent donoren binnen de hoogste
inkomensgroep (vijfde kwintiel). Verder is 17 procent van de
laagst-, 30 procent van de middelbaar- en 41 procent van de
hoogstopgeleiden bereid om orgaandonor te zijn. Bekend is dat ook andere bevolkingskenmerken
gerelateerd zijn aan orgaandonatie. Onder vrouwen, mid –
delbare-leeftijdsgroepen en autochtonen is de proportie
geregistreerde orgaandonoren groter dan onder mannen,
jongeren en ouderen, en (vooral niet-westerse) allochto –
nen. Ook religie doet ertoe. Meer donoren vinden we on –
der onkerkelijken en katholieken dan onder protestanten
en vooral moslims en hindoes. En personen die minstens
een keer per week een religieuze dienst bijwonen, zijn min –
der vaak orgaandonor dan personen die minder vaak of he –
lemaal niet naar een gebedshuis gaan (Peters en Schmeets,
2015; Schmeets en Peters, 2015). Onderstaande resultaten wijzen op, soms grote, scheids –
lijnen in de samenleving in het geefgedrag. Om meer zicht
te krijgen op de unieke effecten van de bevolkingskenmer –
ken, zijn logistische regressieanalyses uitgevoerd waarbij ge –
controleerd wordt voor geslacht, leeftijd, herkomst, geloof
en bezoek aan religieuze diensten (tabel 1). De odds ratio
Bron: CBS
Kans op donorschap naar achtergrondkenmerkenTABEL 1
CoëfficiëntOdds
ratio
Sociaal-economische
categorie Werknemer particulier bedrijf
ref.ref.
Ambtenaar 0,0591,061***
Directeur-groot aandeelhouder -0,1180,888***
Zelfstandige -0,1340,875***
Overig actief -0,2350,790***
Ontvanger werkloosheidsuitkering -0,1110,895***
Bijstandsontvanger -0,5370,585***
Ontvanger van overige sociale
voorziening -0,2090,812***
Arbeidsongeschikte -0,0920,912***
Pensioenontvanger tot 65 jaar -0,0150,985***
Pensioenontvanger 65 jaar en
ouder 0,0061,006
Student 0,4401,553***
Overig niet actief -0,1020,903***
Zonder inkomen -0,3270,721***
Gestandaardiseerd
huishoudinkomen Eerste kwintiel (laag inkomen)
ref.ref.
Tweedekwintiel -0,0430,958***
Derde kwintiel 0,0581,060***
Vierde kwintiel 0,1221,130***
Vijfde kwintiel (hoog inkomen) 0,1351,114***
Opleidingsniveau Laag ref.ref.
Middelbaar 0,4561,578***
Hoog 0,8282,288***
***: Significant op eenprocentsniveau

ESB Gedrag
682Jaargang 100 (4722) 19 november 2015
betreft het verschil in de kans om donor te zijn ten opzichte
van de referentiecategorie, waarbij een score hoger dan 1 een
hogere, en een score lager dan 1 een lagere kans vertegen –
woordigt. Daarbij zijn eerst de arbeidsmarktpositie en het in –
komen opgenomen (model 1), waaraan vervolgens geslacht,
leeftijd, herkomst en opleidingsniveau (model 2) en religio –
siteit (model 3) zijn toegevoegd. De antwoordopties bij do –
norregistratie zijn geaggregeerd in de categorie (1) ‘donor’,
waar personen die gehele toestemming en toestemming met
donatiebeperking verlenen onder vallen, en (2) ‘niet-donor’,
waar alle overige categorieën – inclusief niet-geregistreerden
– ondergebracht zijn. Indien bepaalde determinanten onder –
ling sterk correleren, neemt de kans toe dat de effecten niet
betrouwbaar zijn. Deze zogenoemde multicollineariteit was
echter niet aanwezig (variance inflation factor < 5,0), en der –
halve zijn alle kenmerken opgenomen waarvan verwacht kan
worden dat ze de relatie tussen de sociaal-economische ken –
merken en donorschap kunnen beïnvloeden. De resultaten in model 1 bieden ondersteuning voor de
bivariate analyses. In model 2 zien we een verdere reduc tie
van de verschillen tussen de sociaal-economische bevolkings-
groepen, met name door de toevoeging van opleidingsniveau
en leeftijd. De relatief lage proportie geregistreerden en don-
oren onder studenten wordt volledig verklaard door de gem –
iddeld lage leeftijd onder deze groep. Daarnaast resulteert de
controle voor herkomst en met name opleidingsniveau in een
stijging van de kans op donorschap onder de personen zonder
inkomen en in de bij stand. De additionele controle voor reli-
giositeit in model 3 verandert weinig aan de relevantie van de
sociaal-economische groepen. Na controle voor alle persoon –
skenmerken hebben studenten de grootste kans om orgaan –
donor te zijn (ruim 55 procent hoger dan werknemers bij een
particulier bedrijf ). Daarnaast etaleren vooral personen die
actief op de arbeidsmarkt zijn, en meer specifiek werknemers
bij een particulier bedrijf en ambtenaren, de grootste kans op
donor schap. Daarentegen hebben met name personen zonder
inkomen en bijstandsontvangers een lage kans om donor te
zijn (respectievelijk 28 en 41 procent lager dan werknemers
bij een particulier bedrijf ). Bovendien etaleert inkomen een
afzonderlijk effect, waarbij personen met een lager inkomen
(eerste en tweede kwintiel) ongeveer 10 procent minder kans
hebben om donor te zijn dan personen met hogere inkomens
(derde tot en met vijfde kwintiel). Verder hebben met name
vrouwen, personen tussen de 35 en 65 jaar, autochtonen en
westerse allochtonen, hoogopgeleiden en niet-religieuzen een
hoge kans om donor te zijn.
TOT BESLUIT
De bevindingen laten zien dat de verwachting op basis van
de bivariate samenhangen wordt bevestigd. Na correctie voor
andere kenmerken die met orgaandonatie samenhangen,
blijkt evenwel dat opleiding nog steeds een sterk bepalende
factor is, maar dat dit voor inkomen en arbeidsmarktpositie
in mindere mate geldt. Zo wordt het oorspronkelijke effect
van inkomen sterk gereduceerd, waarbij zich een tweedeling
aftekent tussen het eerste en tweede kwintiel met een iets la –
gere bereidheid, en het derde, vierde en vijfde kwintiel met
een iets hogere bereidheid. Studenten nemen het voortouw
in de orgaandonatie. Degenen die actief zijn op de arbeids-
markt tonen meer bereidheid om hun organen ter beschik -king te stellen – en dan vooral werknemers in particuliere
bedrijven en ambtenaren – in tegenstelling tot vooral perso

nen zonder inkomen en bijstandsontvangers. Blijkbaar is een
dergelijke detaillering aanvullend op de inkomensindeling. Naast de vermelde hulpbronnen bieden vooral herkomst
en religie een handvat om de verschillen in orgaandonatie
te kunnen duiden. Institutionele of levensbeschouwelijke
bezwaren bij diverse godsdienstige groepen wegen wellicht
zwaarder dan religieuze beginselen als naastenliefde en sol –
idariteit (Sanders, 2003). Wat kunnen we verwachten voor
de toekomst? De WRR (2014) heeft zich gebogen over al –
ternatieven voor het huidige ‘nee, tenzij’-systeem, zoals het
opt-out- of forced-choice-systeem. In een opt-outsysteem is
iedereen donor tenzij men aangeeft dat niet te willen. In
een forced-choicesysteem wordt onder bepaalde omstan –
digheden, bijvoorbeeld bij het behalen van het rijbewijs, als
voorwaarde gesteld dat men een keuze maakt al dan niet do –
nor te worden. Dat zal waarschijnlijk het aantal orgaandon –
oren doen toenemen. Bij een ongewij zigd systeem zal vooral
een stijging van het opleidingsniveau en de afname van reli-
gieuze betrokkenheid (Schmeets en Van Mensvoort, 2015)
een impuls kunnen geven aan de bereidheid om organen ter
beschikking te stellen aan anderen.
LITERATUUR
Beuningen, J. van, en H. Schmeets (2013) Developing a social capital
index for the Netherlands. Social Indicators Research, 113(3), 859–886.
Coleman, J.S. (1988) Social capital in the creation of human capital.
American Journal of Sociology , 94(supplement), 95–120.
Knack S. en P. Keefer (1997) Does social capital have an economic
pay-off? A cross country investigation. Quarterly Journal of Economics,
112(4), 1251–1288.
Nederlandse Transplantatie Stichting (2014) Ontwikkelingen
in wachtlijst, donatie en transplantatie. In: H. van Leiden, M.
Heemskerk, R. Severens et al. (red.) Jaarverslag 2014: vertrouwen in
elkaar. Leiden: Nederlandse Transplantatie Stichting, 8–21.
Peters, F. en H. Schmeets (2015) Het donorregister: wie doet mee en
wie niet? Bevolkingstrends , 2, 1–9.
Sanders, J. (2003) Leven door geven: religieuze en levensbeschouwelijke
standpunten over orgaan- en weefseldonatie. Zoetermeer: Meinema.
Schmeets, H. (red.) (2015) Sociale samenhang: wat ons bindt en ver-
deelt. Den Haag/Heerlen: CBS.
Schmeets, H. en C. van Mensvoort (2015) Religieuze betrokkenheid
van bevolkingsgroepen, 2010–2014. Bevolkingstrends, 11, 1–13.
Schmeets, H. en F. Peters (2015) Orgaandonorschap en religieuze
betrokkenheid in gemeenten. Artikel op www.cbs.nl.
Stiglitz, J.E., A. Sen en J.P. Fitoussi (2009) Report by the commissions
on the measurement of economic performance and social progress. Artikel
op www.stiglitz-sen-fittoussi.fr.
WRR (2014) Met kennis van gedrag beleid maken. Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid. Amsterdam: Amsterdam University
Press.
Woolcock, M. (1998) Social capital and economic development. The-
ory and Society, 27(2), 151–208.

Auteurs

  • Hans Schmeets

    Senior onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht (UM)

  • Floris Peters

    Promovendus aan de Universiteit Maastricht (UM) en onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)