Ga direct naar de content

Onbekend maakt onbemind

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 24 2016

Tien jaar geleden kwam de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam (2007) met een alarmerende boodschap: grotere etnische diversiteit in een samenleving leidt tot minder solidariteit en minder onderling vertrouwen. Dit komt volgens Putnam niet alleen door een gebrek aan solidariteit met en vertrouwen in mensen van een andere etniciteit. Ook het vertrouwen en de solidariteit binnen de eigen etnische groep komt onder druk te staan als de diversiteit toeneemt. Putnams onderzoeksresultaten vonden veel gehoor in de politiek, ook in Nederland.

In de jaren erna volgden tientallen studies die met andere gegevens de hypothese van Putnam opnieuw toetsten. Economen droegen ook bij – nee, waren zelfs voorlopers – met studies, zoals Knack en Keefer (1997) en Alesina en La Ferrara (2000). Recent gaven Van der Meer en Tolsma (2014) een overzicht van maar liefst negentig studies. Conclusie: er is een stortvloed van tegengestelde empirische bevindingen. Putnams hypothese vindt enige ondersteuning in de VS, maar nauwelijks erbuiten. Nederland is daarop geen uitzondering (Gijsberts et al., 2012). Het enige robuuste resultaat dat gevonden wordt voor Nederland is een negatieve relatie tussen etnische diversiteit en de mate van sociaal contact in de buurt. Maar, zo waarschuwen de auteurs, het is niet zeker dat de causaliteit loopt van diversiteit naar contact. De gevonden correlatie kan ook een andere oorsprong hebben, zoals selectie-effecten.

Ondertussen ontwikkelt zich een nieuwe generatie studies. Mede geïnspireerd door de recente migratieproblematiek, hebben verschillende micro-economen het onderwerp opgepakt. Ze doen twee zaken anders dan eerdere studies. Ten eerste nemen ze geen genoegen met een correlatie, maar proberen ze een oorzakelijk verband te schatten. Ten tweede meten ze solidariteit en vertrouwen niet alleen door middel van enquêtevragen, maar ook aan de hand van echte keuzes, waarbij werkelijk iets op het spel staat. Een voorbeeld van zo’n recente studie hoorde ik begin juni tijdens een workshop in Stavanger. Finseraas et al. (2016) bestuderen 600 nieuwe rekruten van het Noorse leger die twee maanden op trainingskamp gaan. Verreweg de meeste rekruten zijn van oorsprong Noors, een minderheid heeft een andere achtergrond. Tijdens het trainingskamp delen rekruten een kamer met vier anderen. De toewijzing van kamers aan rekruten vindt willekeurig plaats. Het gevolg is dat twintig procent van de rekruten met Noorse etniciteit gedurende twee maanden in nauw contact komt met iemand behorend tot een etnische minderheid. De onderzoeksvraag is wat dit doet met het vertrouwen in mensen, zowel van de eigen etnische groep als van de andere etniciteit.

De onderzoekers meten dit door alle rekruten na afloop van het trainingskamp een zogeheten trust game te laten spelen, met als tegenspeler Morten of Ali. De trust game is een veelgebruikte manier om vertrouwen te meten, waarbij spelers echt geld in de waagschaal leggen (Berg et al., 1995). De resultaten laten zien dat rekruten die twee maanden lang een kamer deelden met iemand van een etnische minderheid significant meer vertrouwen stellen in Ali, terwijl het vertrouwen in Morten intact blijft. De toename in het vertrouwen in Ali is met name groot onder rekruten die afkomstig zijn uit gemeenten waar immigranten een klein deel van de bevolking uitmaken. Blijkbaar geldt ‘onbekend maakt onbemind’ – hetgeen in lijn is met de ‘contacthypothese’ van Allport (1954). Vergelijkbare resultaten zijn recent gevonden door Carrell et al. (2015) met gegevens van de Amerikaanse luchtmacht en – in de context van de huidige vluchtelingencrisis – door Steinmayr (2016) met Oostenrijkse gegevens.

De nieuwe generatie studies is nog beperkt in aantal en reikwijdte. Maar er schuilt een belangrijke boodschap in, die tegen de sombere geluiden van Putnam ingaat. Er is geen goede reden om bang te zijn dat etnische diversiteit de solidariteit en het onderlinge vertrouwen schaadt. Diversiteit lijkt juist een voorwaarde om wantrouwen tegenover en gebrek aan solidariteit met minderheden weg te nemen.
 

LITERATUUR

Alesina, A. en E. La Ferrara (2000) Participation in heterogeneous communities. Quarterly Journal of Economics, 115, 847–904.

Allport, G.W. (1954) The Nature of prejudice. Boston: Addison-Wesley.

Berg, J., J. Dickhaut en K. McCabe (1995) Trust, reciprocity, and social history. Games and Economic Behavior, 10, 122–142.

Carrell, S.E., M. Hoekstra en J.E. West (2015) The impact of intergroup contact on racial attitudes and revealed preferences. NBER Working Paper, 20940.

Finseraas, H., T. Hansen, Å. Johnsen et al. (2016) Trust, ethnic diversity, and personal contact: Experimental field evidence. Ongepubliceerd manuscript, Universiteit Oslo.

Gijsberts, M., T. van der Meer en J. Dagevos (2012) ‘Hunkering down’ in multi-ethnic neighbourhoods? The effects of ethnic diversity on dimensions of social cohesion. European Sociological Review, 28, 527–537.

Knack, S. en P. Keefer (1997) Does social capital have an economic payoff? A cross-country investigation. Quarterly Journal of Economics, 112, 1251–1288.

Meer, T. van der, en J. Tolsma (2014) Ethnic diversity and its effects on social cohesion. Annual Review of Sociology, 40, 459–478.

Putnam, R.D. (2007) E pluribus unum. Diversity and community in the twenty-first century. Scandinavian Political Studies, 30, 137–174.

Steinmayr, A. (2016) Exposure to refugees and voting for the far-right: (unexpected) results from Austria. IZA Discussion Paper, 9790.

Auteur

  • Robert Dur

    Hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR)

Categorieën