Ga direct naar de content

Numerus fixus en de arbeidsmarkt

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 5 1997

Numerus fixus en de arbeidsmarkt
Aute ur(s ):
Borghans, L. (auteur)
Grip, A. de (auteur)
De auteurs zijn verb onden aan het Researchcentrum voor Onderwijs en Arb eidsmarkt (ROA), Universiteit Maastricht.
Ve rs che ne n in:
ESB, 82e jaargang, nr. 4092, pagina 111, 5 februari 1997 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
arbeidsmarkt, onderw ijs, scholing

Voor sommige studies geldt een beperkte instroom: een numerus fixus. Deze is bedoeld om onevenwichtigheden te voorkomen, maar
heeft daarbij een verstarrend effect op de arbeidsmarkt. Beperking van de studenteninstroom moet daarom voorzichtig gebeuren, en
altijd voor een beperkte tijd.
De afgelopen zomer is uitvoerig gediscussieerd over de selectiecriteria bij opleidingen met een numerus fixus. De rol van de numerus
fixus als zodanig stond hierbij echter niet ter discussie. Met name de studie geneeskunde kent al sinds mensenheugenis een
instroombeperking die aanmerkelijk lager ligt dan de belangstelling voor scholieren voor deze opleiding.
In dit artikel zal de invloed van een numerus fixus op het functioneren van de arbeidsmarkt worden geanalyseerd. De arbeidsmarktfixus
zoals die nu wordt toegepast, sluit verschuivingen in de marktpositie van een opleiding uit en maakt daarmee zichzelf onmisbaar. Alleen
voor het opvangen van sterke schommelingen in vraag en aanbod kan een arbeidsmarktfixus een goed instrument zijn.
Flexibiliteit
Hoe werkt een arbeidsmarktfixus? Bij het vaststellen van de toekomstige behoefte aan bijvoorbeeld artsen, wordt een inventarisatie
gemaakt van het aantal arbeidsplaatsen dat de komende tijd voor medici beschikbaar komt. In artikel 7.56 van de Wet op het Hoger
Onderwijs staat dat de minister kan besluiten tot een beperking van de inschrijving bij universiteiten en hogescholen ‘indien het aanbod
van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate overtreft en dit naar
verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn’. Daarbij wordt dus verondersteld dat vast staat welke banen geschikt zijn
voor artsen en impliciet ook tegen welke beloning een dergelijke aanstelling kan geschieden. Dit leidt tot marktfalen, zoals geïllustreerd
wordt in figuur 1.

Figuur 1. Fixus vermindert de flexibiliteit … Beperking van de studenteninstroom gaat uit van de vraag naar afgestudeerden in het
meest ‘passende’ beroep, hier baansoort A. De instroombeperking houdt vervolgens de loonvoet op het (hoge) peil L1. Daardoor blijft
de studie voor veel studenten aantrekkelijk, terwijl er geen vraag kan ontstaan vanuit de alternatieve baansoort B die een lager
inkomen biedt. Zo maakt een permanente arbeidsmarktfixus zichzelf onmisbaar.
Veel opleidingen leiden tot een grote diversiteit aan beroepen. In figuur 1 bestaat de vraagcurve links van de fixus F uit baansoort A; de
baansoort waarin afgestudeerde artsen de hoogste productiviteit en daarmee de hoogste beloning realiseren. Als er nu een fixus wordt
ingesteld op basis van de vraag vanuit baansoort A, dan wordt niet de afweging gemaakt of het ook nuttig zou kunnen zijn als

basisartsen elders werk vinden. Gegeven de hoogte van het loon (l1) die ontstaat bij de numerus fixus, is er ook geen vraag vanuit
beroep B. Die ontstaat pas bij een lagere beloning. Door het uitschakelen van de marktwerking komt niet aan het licht dat de
afgestudeerden bij minder gunstige arbeidsmarktomstandigheden ook emplooi zouden kunnen vinden in baansoort B. Rekening
houdend met de vraag vanuit baansoort A, lijkt de markt verzadigd.
Door het instellen van de arbeidsmarktfixus zal het arbeidsinkomen permanent boven het evenwichtsniveau komen te liggen. Het
marktmechanisme, waarmee het aanbod van studenten verlaagd en de vraag naar hun beroep verhoogd wordt, functioneert niet meer. De
arbeidsmarktfixus ontneemt de arbeidsmarkt haar flexibiliteit om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen. De eenmaal
gecreëerde marktrigiditeit reproduceert zijn eigen bestaansrecht.
Vanuit het Ministerie van VWS wordt de idee van de noodzaak van een arbeidsmarktfixus waarschijnlijk ook mede ingegeven door de
angst dat in de gezondheidszorg het aanbod van medische zorg in belangrijke mate ook de vraag bepaalt. Wat dit betreft kunnen de
arbeidsmarktfixi voor de medische opleidingen gezien worden als een onderdeel van het cluster van marktrigiditeiten binnen de
gezondheidszorg. Minder instroombeperkingen bij de medische opleidingen vormen een wezenlijk onderdeel van het streven binnen de
gezondheidszorg de marktwerking te versterken 1.
Stabiliteit
Gezien vanuit het hier geschetste evenwichtsmodel is er dus weinig reden om een arbeidsmarktfixus in te stellen. In werkelijkheid is de
aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt echter niet zo evenwichtig als figuur 1 doet vermoeden. Een van de voornaamste oorzaken
voor deze onevenwichtigheid is het feit dat een opleiding enkele jaren in beslag neemt en studenten daardoor hun studiekeuze niet
moeten baseren op de feitelijke arbeidsmarktsituatie op het moment dat ze voor hun keuze staan, maar moeten anticiperen op toekomstige
ontwikkelingen. Hierbij kunnen grote marktverstoringen optreden. Met name als een opleiding relatief duur is en een vergroot aanbod
leidt tot een sterke terugval in de marginale productiviteit kunnen deze onevenwichtigheden tot hoge maatschappelijke kosten leiden.
figuur 2 laat zien wat er gebeurt als de vraag sterk is toegenomen (van V0 naar V1) zonder dat studenten op deze vraagverschuiving
hebben geanticipeerd. Door de te lage instroom zal in eerste instantie de beloning van het schaarse aanbod (A0) sterk stijgen van L*0
naar L1. Deze beloningsstijging is echter groter dan alleen op grond van de nieuwe vraag-aanbod-verhoudingen te rechtvaardigen is.
Voor een deel is er een tijdelijk verhoogde beloning als gevolg van de tijdelijke schaarsteverhoudingen. Als studenten die voor hun
studiekeuze staan uitgaan van deze op dat moment geldende tijdelijk hogere beloningen, zal een te grote groep de opleiding willen
volgen, waardoor het aanbod toeneemt tot A1. Deze instroom overcompenseert dan de toegenomen vraag. Als gevolg hiervan zal op het
moment dat deze studenten de arbeidsmarkt betreden de vraag-aanbod-verhouding juist weer kunnen omslaan, waardoor de beloning
sterk zal afnemen. Dit leidt tot de zogenaamde varkenscyclus.

Figuur 2. … maar bevordert de stabiliteit Toename van de vraag in een beroep leidt op korte termijn, wanneer het aanbod zich niet kan
aanpasssen, tot een loonstijging van L0 tot L1. Dat lokt veel studenten aan, zodat, wanneer zij zich jaren later op de arbeidsmarkt
melden, er een aanbodoverschot ontstaat en het loon weer daalt. Vanwege de tijdsduur van een studie zorgt het prijsmechanisme op
de arbeidsmarkt met horten en storen voor evenwicht. Een tijdelijke arbeidsmarktfixus beperkt het aanbodoverschot, en zorgt er zo
voor dat het nieuwe evenwicht sneller bereikt wordt.
Een manier om dit te voorkomen, zou een goede voorlichting aan studenten kunnen zijn, waardoor hun anticipaties op de te verwachte
arbeidsmarktontwikkelingen adequater zouden zijn 2. Vooral bij sterke marktverschuivingen is dit voorlichtingsinstrument echter mogelijk
een onvoldoende effectief beleidsinstrument. Beperking van de instroom van studenten door een arbeidsmarktfixus zou hier eenvoudiger
voor stabiliteit kunnen zorgen. Tevens kan vermeden worden dat er hoge investering- en in onderwijscapaciteit moeten worden gedaan
die maar voor een korte tijd gebruikt zullen worden. Cruciaal in deze gedachtegang is dat niet gezocht wordt naar een absoluut niveau
van de vraag, maar dat de numerus fixus gebruikt wordt om plotselinge grote verschuivingen in vraag of aanbod op te vangen.

Een beperkte arbeidsmarktfixus
In een situatie van sterk veranderende vraag-aanbod-verhoudingen kan een numerus fixus derhalve nuttig zijn. Een voorwaarde is echter
wel dat deze niet ten koste gaat van de flexibiliteit. Het mag dan niet zo zijn dat de arbeidsmarktfixus, zoals de huidige wet aangeeft,
ingesteld wordt op grond van de huidige werkloosheid; een fixus moet juist voorkomen dat er in de toekomst een onevenwichtige
situatie op de arbeidsmarkt ontstaat. Dit kan gewaarborgd worden door:
» een numerus fixus alleen in te stellen bij verwachte grote toekomstige verschuiving in de vraag op de arbeidsmarkt of de belangstelling
van studenten voor de betreffende opleiding 3;
» in principe de hoeveelheidsbeperking zodanig in te stellen dat het nieuwe evenwicht niet wordt belemmerd. Doorgaans betekent dit een
veel ruimere toelatingsnorm dan gebruikelijk;
» omdat het nooit goed mogelijk is de toekomstige marktverhoudingen exact te voorzien, moet een numerus fixus altijd een tijdelijk
karakter hebben en op zijn minst tweejaarlijks opnieuw worden onderbouwd met nieuwe prognoses van de toekomstige
arbeidsmarktssituatie.
Om al te grote fluctuaties in de arbeidsmarktfixus te vermijden kan gedacht worden een norm waarbij de arbeidsmarktfixus ieder jaar
bijvoorbeeld minimaal 10% hoger moet liggen dan de toegelaten studenteninstroom in het voorgaande jaar, zolang zich geen nieuwe
aanleiding voor een fixus voordoet. Hiermee is de tijdelijkheid van de situatie verzekerd. Een dergelijk mechanisme verzekert dat het
aanbod van afgestudeerden met een bepaalde opleiding toegroeit naar het marktevenwicht.
Dit marktevenwicht wordt overigens bepaald door de subjectieve waarderingen van vraag (werkgevers) en aanbod (de studenten). Als
een grote groep studenten ongeacht hun arbeidsmarktperspectief volhardt in een bepaalde opleidingskeuze, kan dit betekenen dat er een
stabiele situatie op een relatief laag beloningsniveau ontstaat. Op zichzelf is dit niet bezwaarlijk, zolang de studenten bij hun
opleidingskeuze doordrongen zijn van de consequenties van hun gedrag op een bepaald arbeidsmarktsegment.
Van de drie genoemde criteria is de tweede – die stelt dat de fixus de nieuwe evenwichtpositie niet mag belemmeren – het moeilijkste te
operationaliseren. De implementatie zal immers sterk afhangen van prognoses. In de praktijk blijkt overigens zelden een dramatische
afname van de vraag voorzien te worden. In specifieke situaties – bijvoorbeeld inkrimping van het leger of een substantiële toename van
klassegrootte – zijn er mogelijk wel voldoende concrete aanwijzingen voor een verandering. Zoals de recente discussie over kleinere
klassen in het basisonderwijs laat zien, komen echter zelfs dergelijke institutionele veranderingen dermate onverwacht dat een tijdige
aanpassing van de onderwijsinstroom niet mogelijk is 4. Doorgaans blijken verschuivingen in het keuzegedrag van studenten een
belangrijkere oorzaak te zijn voor een plotselinge verslechtering van het arbeidsmarktperspectief. Een dergelijke situatie heeft zich
bijvoorbeeld voorgedaan bij heao commerciële economie. Vanwege de goede perspectieven die afgestudeerden met deze opleiding
hadden is de instroom hier de afgelopen jaren fors toegenomen. De omvang van de toename in de instroom staat echter in geen
verhouding tot de vraagontwikkelingen zodat overschotten makkelijk te voorzien zijn. Wellicht zou in een dergelijk geval een geleidelijke
toename van de capaciteit de verwachte schokeffecten van deze varkenscyclus hebben kunnen opvangen.
Conclusies
Concluderend kan gesteld worden dat bij het hanteren van een arbeidsmarktfixus een evenwicht gezocht moet worden tussen stabiliteit
en flexibiliteit. Een strikte afstemming van het aanbod op de vraag op basis van oordelen over de relatie tussen opleiding en beroep leidt
tot een verstarring van de arbeidsmarkt waarbij werkgevers niet meer zelf kunnen bepalen welke kwalificaties het meest gepast zijn in hun
functies en studenten niet meer zelf de afweging kunnen maken tussen hun onderwijs- investering en de ‘opbrengsten’ daarvan op de
arbeidsmarkt. Aan de andere kant kan een numerus fixus een nuttig instrument zijn om grote schokken op een specifieke deelmarkt op te
vangen. Op deze wijze kan een varkenscyclus worden voorkomen of op zijn minst worden afgevlakt.
Een consequentie van deze redenering is overigens dat niet de actuele arbeidsmarktsituatie, maar de verwachte ontwikkelingen op een
bepaald arbeidsmarktsegment centraal dienen te staan bij de vaststelling van een numerus fixus. Om te voorkomen dat
arbeidsmarktverwachtingen en feitelijke ontwikkelingen structureel uit elkaar lopen dient de regel- geving rond de arbeidsmarktfixus de
tijdelijkheid ervan te waarborgen. Vraag en aanbod dienen geleidelijk naar een nieuw evenwicht toe te groeien. Naast ingrepen van
buitenaf, zoals een numerus fixus, zal ook een adequate voorlichting bij de studie- en beroepskeuze over de arbeidsmarktperspectieven
van opleidingen een bijdrage kunnen leveren aan het tot stand brengen van een evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt

1 Zie Centraal Planbureau, Nederland in Drievoud, SDU-uitgeverij, Den Haag, 1993 en A. de Grip cs., Toekomstverkenning
arbeidsmarkt zorgsector, ROA-R-1994/6, Maastricht, 1994.
2 Zie L. Borghans, Educational choice and labor market information, proefschrift Maastricht, 1993.
3 Het voorbeeld in figuur 2 liet al zien dat zowel toe- als afnames van vraag of aanbod tot stabiliteitsproblemen kunnen leiden die een
numerus fixus zinvol kunnen maken. Het gaat hierbij niet alleen om een voorspelde toekomstige afname van de vraag of toename van het
aanbod, maar paradoxaal genoeg ook om een reeds gerealiseerde toename van de vraag of afname van het aanbod. Gunstige
arbeidsmarktomstandigheden kunnen immers leiden tot een overreactie van het arbeidsaanbod.
4 L. Borghans, De arbeidsmarkt en de invloed van voorspellingen, ESB, 6 november 1991, blz. 1113-1116, liet zien dat juist het beleid van
de overheid de grootste bron van instabiliteit op de markt van onderwijzers is.

Copyright © 1997 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl )

Auteur