Ga direct naar de content

Minder werken gaat samen met meer huishoudproductie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 7 2019

In hoeverre kan het vervangen van consumptie door huishoudproductie een verzekering bieden tegen inkomensschokken? We onderzoeken dit aan de hand van data voor Nederlandse huishoudens.

In het kort

– Huishoudproductie biedt een verzekering tegen negatieve inkomens­schokken door substitutie van consumptieve uitgaven.
– Huishoudens die minder werken doen meer aan huishoud­productie dan huishoudens die meer werken.

Als gevolg van meer flexibele arbeidsrelaties en de versobering van de verzorgingsstaat, dragen Nederlandse huishoudens steeds meer risico. Daarmee neemt ook het belang van de financiële zelfredzaamheid van huishoudens toe. Een van de mogelijkheden van huishoudens om inkomensschokken op te vangen is door middel van ‘huishoudproductie’ ofwel home production, gedefinieerd als ‘niet-gespecificeerde productie van goederen door particuliere huishoudens voor eigen gebruik’.

Huishoudenswelzijn volgens Becker

De invloedrijke theorie van Becker (1965) over huishoudproductie is belangrijk om te begrijpen hoe huishoudens reageren op inkomensveranderingen. Deze theorie impliceert dat consumptie niet alleen gekocht wordt door inkomen, maar ook geproduceerd wordt door in tijd te investeren, ‘huishoudproductie’ genoemd. Kinderopvang is een goed voorbeeld omdat het gekocht kan worden op een markt, maar ook zelf ’geproduceerd. Er zijn talloze andere voorbeelden denkbaar waarbij de ‘marktvariant’ en de ‘huishoudproductievariant’ al dan niet perfecte substituten zijn, zoals schoonmaken, koken en klussen.

Huishoudens kunnen zichzelf geheel of gedeeltelijk verzekeren tegen schokken door consumptieve uitgaven te substitueren voor huishoudproductie. Statisch impliceert de theorie dat huishoudens met lagere tijds­kosten, bijvoorbeeld een uurloon, een consumptiebundel kiezen die relatief gezien voor een groter deel uit huishoud­productie bestaat dan huishoudens met hogere tijdskosten. Dynamisch impliceert deze theorie dat een schok in de prijs van tijd, door bijvoorbeeld ontslag, ziekte of pensionering, leidt tot een verschuiving van consumptieve uitgaven naar huishoudproductie.

HH / Tom van Limpt

Verschillen met de Verenigde Staten

De ‘smoothing’-functie van huishoudproductie wordt in studies naar Amerikaanse huishoudens breed empirisch ondersteund (Aguiar en Hurst, 2005; Krueger en Mueller, 2012). Voor Nederland is de rol van huishoudproductie in het opvangen van inkomensverliezen vooralsnog onduidelijk. Meer dan in de Verenigde Staten wordt in Nederland een deel van het inkomensverlies bij ontslag, ziekte of pensionering opgevangen door het socialezekerheidsstelsel. De noodzaak tot huishoudproductie om inkomensschokken op te vangen lijkt daarmee kleiner dan in de VS.

Naast het feit dat Nederlandse huishoudens zich minder genoodzaakt lijken te zien om middels huishoudproductie hun welzijn op peil te houden, hebben zij ook minder mogelijkheden om te substitueren. Lagere btw en belasting op arbeid en de culturele verschillen in uit eten gaan en het gemak waarmee huishoudens iemand in dienst nemen zorgen ervoor dat Amerikaanse huishoudens traditioneel meer consumeren.

Gedrag van Nederlandse huishoudens

Om onderzoek naar het belang van huishoudproductie voor het welzijn van de Nederlandse huishoudens te bestuderen, zijn we grotendeels afhankelijk van de data van de Longitudinal Internet Studies for the Social ­sciences (LISS) van CentERdata. LISS bestaat uit maandelijkse interviews onder een internetpanel van 4.500 huishoudens (7.000 personen) die representatief zijn voor de Nederlandse bevolking. Met deze data kan men consumptiegedrag en tijdsbesteding van individuen binnen een huishouden over de tijd volgen. De tijdsbesteding aan huishoudproductie is voor een beperkt aantal jaren (2009, 2010, 2012) voorhanden, niet gespecificeerd naar soorten taken.

In figuur 1 en tabel 1 doen we een eerste beschrijvende poging om het belang van huishoudproductie voor Nederlandse huishoudens in kaart te brengen. Figuur 1 presenteert de data voor eenpersoonshuishoudens. Tabel 1 presenteert de gegevens over meerpersoonshuishoudens. Voor meerpersoonshuishoudens onderscheiden we of er bij de man of vrouw in het huishouden sprake is van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of pensionering. Consumptieve uitgaven zijn gemeten op huishoudniveau, tijdsgebruik is gemeten op individueel niveau.

Figuur 1ESB
Tabel 1ESB

Werkloze, arbeidsongeschikte en gepensioneerde huishoudens besteden relatief meer tijd aan huishoudproductie. Door een lager aantal gewerkte uren dan werkende huishoudens hebben de werkloze, arbeidsongeschikte en gepensioneerde huishoudens gemiddeld een lager inkomen en meer niet-werktijd tot hun beschikking. Ten opzichte van werkende huishoudens geven werkloze, arbeids­ongeschikte en gepensioneerde huishoudens ook minder uit aan consumptie. Met name in huishoudens waar de man niet werkt is er sprake van veel huishoudproductie. Ook is dat het geval als er geen partner is die werkt.

Een hoger niveau van huishoudproductie gaat in veel gevallen dus gepaard met een lager welvaartsniveau. Dat geldt met name voor eenpersoonshuishoudens en huishoudens waarbij een van de personen arbeidsongeschikt is. Interessant is dat de mate van de huishoudproductie bij meerpersoonshuishoudens met een werkloze man gelijk is aan het verschil in consumptie van huishoudens meer een werkende man. Dat is bij andere huishoudenstypen niet het geval.

De waarde van huishoudproductie kan worden gemeten door de waarde ervan gelijk te waarderen met het minimumloon. Zo besteedt een meerpersoonshuishouden met een werkloze man besteedt, gemiddeld genomen, 12 (man) plus 1,5 (vrouw) is zo’n 13,5 (totaal) uur per week meer aan huishoudproductie dan werkzame meerpersoonshuishoudens. Op basis van een minimumloon van 10 euro is deze huishoudproductie 540 euro per maand waard. Het verschil in consumptie is zo’n 420 euro per maand, en daarmee min of meer gelijkwaardig aan de waarde van de toename in huishoudproductie.

Huishoudproductie en beleid

Het is uit de gegevens niet op te maken in welke mate Nederlandse huishoudens daadwerkelijk consumptie substitueren. Been en Knoef (2019) tonen middels een decompositie van consumptieve uitgaven bij werkloosheid aan dat – in lijn met Been et al. (2018) – niet alle consumptieve uitgaven aangepast of vervangen kunnen worden door huishoudproductie op de korte termijn. De mate van zelfredzaamheid door huishoudproductie lijkt wel af te hangen van het type huishouden.

In de vormgeving van de sociale zekerheid kan meer rekening kunnen worden gehouden met verschillen in type huishoudens en de mogelijkheden die deze huishoudens hebben om de effecten van inkomens- en consumptiedalingen op te kunnen vangen door middel van huishoudproductie. Met name moet worden voorkomen dat versobering zich voordoet bij huishoudens met een beperkte zelfredzaamheid. Verder onderzoek moet zich daarom richten op de causale relatie tussen inkomensschokken en de substitutie van consumptieve uitgaven door huishoudproductie.

Literatuur

Aguiar, M. en E. Hurst (2005) Consumption versus expenditure. Journal of Political Economy, 113(5), 919–948.

Becker, G. (1965) A theory of the allocation of time. The Economic Journal, 75(299), 493–517.

Been, J., S. Rohwedder en M.D. Hurd (2018) Does home production replace consumption spending? Evidence from shocks in housing wealth in the Great Recession. The Review of Economics and Statistics, te verschijnen. Te vinden op www.mitpressjournals.org.

Been, J. en M.G. Knoef (2019) Household consumption and unemployment shocks: the importance of unexpectancy, permanency, and home production in smoothing consumption. Nog te verschijnen

Krueger, A. en A. Mueller (2012) Time use, emotional well-being, and unemployment: evidence from longitudinal data. American Economic Review: Papers & Proceedings, 102(3), 594–599.

Schwerdt, G. (2005) Why does consumption fall at retirement? Evidence from Germany. Economics Letters, 89(3), 300–305.

Auteurs

  • Jim Been

    Universitair docent aan de Universiteit Leiden en onderzoeker bij Netspar

  • Susann Rohwedder

    Senior econoom bij RAND Corporation en vicedirecteur van het RAND Center for the Study of Aging

  • Michael Hurd

    Senior onderzoeker bij RAND Corporation en directeur van het RAND Center for the Study of Aging