Ga direct naar de content

Media-economen zijn waardevol in het debat

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 7 2013

Vorig weekend confronteerde een freelance journalist in de Volkskrant bekende economen met het falen van hun ‘voorspellingen’ over de economie. Hij bleek verrast toen deze economen niet direct het schaamrood op de kaken kregen maar –naar hun eigen zeggen– hele goede argumenten leverden voor hun misschattingen. Voor de journalist was dit het teken dat economen en hun theorieën niets waard zijn. Later twitterde hij ook nog dat hij eigenlijk vond dat hun modellen gewoon niet klopten.

Voor veel wetenschappelijk economen die zich, relatief ver van de media, in ivoren torens bewegen was het smullen dat de karaktermoord op de mediaeconoom nu eindelijk begonnen was. Het is al jaren een doorn in het oog van sommige economen dat mediaeconomen zich zonder al te veel nuance uitlaten over wat zij verwachten dat er in de toekomst gebeurt en hoe zij economische verschijnselen interpreteren. Sprekend vanuit de autoriteit van wetenschappelijkheid laat de mediaeconoom  zich in stevige bewoordingen uit over brede verschijnselen, terwijl de wetenschapper pur sang zich doorgaans zijn hele loopbaan buigt over de geldigheid van een fractie van wat de media-econoom daar allemaal beweert.

Dat nu ook de vraagkant van informatie die wetenschappers bieden – de media en de burger die zij een stem geven– de aanval op de mediaeconoom heeft geopend is eigenlijk  verbazingwekkend gezien het feit dat zij zelf aan de mediaeconoom vragen om die gepersonifieerde duiding en toekomstverwachting. Zowel journalist als mediaeconoom weten beide dat dit niet echt waar kan zijn en spelen het spelletje met elkaar mee, zoals Sheila Sitalsing opmerkte in reactie op het Volkskrant artikel. Het is natuurlijk kwalijk als een econoom pretendeert geen fouten te maken, of recht draait wat krom is. Maar dat de Volkskrant nu meegaat in verbazing over falende voorspellingen in een complexe werkelijkheid, is evengoed kwalijk. Argumenten die op het moment van een uitspraak consistent zijn kunnen later door nieuwe informatie overvleugeld worden, in die zin is er inderdaad geen fout gemaakt. Een econoom spreekt naar beste kunnen zijn verwachtingen over de toekomst uit op basis van dan beschikbare informatie en van gelijkblijvende omstandigheden.

Omdat voor de media de werkloosheid, staatschuld, groei en financiële markten vaak de belangrijkste thema’s zijn, zijn het ook de macro-economen die het meest in de media te horen zijn. Omdat in de macro vrijwel alles met alles samenhangt en echt empirisch bewijs zo lastig te verkrijgen is (landen zijn de onderzoekseenheid en die verschillen van elkaar in vele opzichten) is de discussie hier het felst, en de onzekerheid het grootst. Moet de macro-econoom zich dan maar verre van de microfoon houden? Moeten we de kloof tussen waardevrije wetenschap hoog in de ivoren torens enerzijds en het debat met de burger via de media anderzijds in stand houden?

Er valt iets voor te zeggen dat economen zich alleen uitlaten over de specifieke terreinen waarop zij onderzoek hebben gedaan. Op alle vragen eromheen zouden economen het dan moeten houden bij “Daar is nog geen wetenschappelijk bewijs voor”. Journalisten zouden op den duur meer toegespitste vragen stellen, er zouden veel meer economen aan het woord komen dan nu het geval is en de burger zou veel beter zicht krijgen op wat er wel al duidelijk is in de wetenschap en wat niet.

Voor alle antwoorden waarop de wetenschap nog geen antwoord heeft, maar waar wel een beleid op gemaakt moeten worden zijn er dan de consultants die het beste advies proberen te geven met de informatie die er is. Wetenschappers bewaken het domein van (het streven naar) waardevrijheid en proberen het persoonlijke, niet-rationele buiten de analyse te houden. Weg media-econoom.

Dit scenario is echter ten eerste niet realistisch en ten tweede ook niet wenselijk.

Het is niet realistisch omdat de microfoon lonkt, door de roem en het geld dat ze indirect oplevert. Tenzij media-economen hun baan verliezen zullen er altijd economen bereid zijn voor een camera te gaan staan. Belangrijker is dat duiding van maatschappelijke verschijnselen door een zo wetenschappelijk mogelijke bril erg belangrijk is voor onze samenleving. De mediaeconoom duidt verschijnselen weliswaar niet waardevrij maar wel met een betrekkelijk onafhankelijke kijk op de economie. Het feit dat deze duiding veel minder wetenschappelijk is hoeft geen probleem te zijn zolang het maar in een debat of discussie gegoten wordt.

Door economen met elkaar en met anderen te laten discussiëren ontstaat een communicatief handelen. Dit wil zeggen dat persoonlijke voorkeuren, aannames en inzichten gefilterd worden. Dit werkt niet alleen louterend voor de toehoorder, maar ook voor de economen zelf. Wat er door het filter heen sijpelt is kennis.

Of deze mogelijkheid tot communicatief handelen zich voordoet hangt sterk af van de media. Deze dient het podium vrij te houden voor discussies waarin niet de polarisering, maar de overeenkomst gezocht word. Het valt op dat in goed doordachte discussieprogramma’s, economen elkaar tot redelijkheid dwingen, terwijl in een debat zonder regie met alleen voor- en tegenstanders er alleen maar haantjesgedrag ontstaat. In plaats van een expert op een voetstuk te plaatsen en dat vervolgens weer weg te trekken als blijkt dat hij niet de waarheid in pacht had, zou de media een meer serieuze rol voor zichzelf moeten wegleggen. Misschien dat dit niet het entertainment biedt van venijnige woordenwisselingen. Wel zou het ar voor de kijker, lezer of luisteraar die wijzer wil worden van experts een uitgelezen kans bieden. 

Categorieën