Ga direct naar de content

Lees de krant en bewaar dit blad

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 19 1988

Lees de krant en bewaar dit blad
Meer dan eens kon ik in de afgelopen maand bij het bijwerken van mijn
knipselboek met vrucht oude nummers
van dit blad raadplegen om het bericht
dat mijn aandacht trok naar waarde te
schatten. De eerste maal pakte ik de
aflevering van 19/26 december 1984.
De door bijzonder sloom weer enigszins bedorven feestdagen werden
destijds opgevrolijkt door het bijzonder
informatieve artikel van Boeschoten
en Van Loo over valsemunterij. Het
blijkt dat in ons land meer dan eens ettelijke miljoenen aan vals geld in omloop werden gebracht voor de daders
konden worden gepakt. Wordt een biljet al te veel nagemaakt dan moet er
een nieuw model komen, wat lastig en
kostbaar is. Begin 1981 werd het huidige biljet van / 100, de snip, versneld
ingevoerd omdat het vorige type (Admi raal de Ruyter) ten minste drie maal
op grote schaal was nagemaakt. Toen
Boeschoten en Van Loo eind 1984 nun
stuk schreven waren er van de snip
nog geen falsificaten gevonden, maar
NRC Handelsblad van 13 augustus
1988 meldt dat er sedert 1987 wel voor
twee miljoen zijn aangetroffen. Het
‘snippenteam’ van 15 politiemensen
voorde opsporing van dedrukker werd
echter onverrichter zake opgeheven,
omdat uitzicht op het vinden van de
bron ontbrak, en de stroom valse biljetten blijkbaar minderde.
Een valsemunter besteelt een toekomstig en onbekend slachtoffer, namelijk degene die het biljet bezit of uitgeeft op het ogenblik dat de valsheid
aan het licht komt. Deze ongelukkige
is zijn geld kwijt, want een vals biljet
wordt door niemand vergoed. Naarmate de vervalser zijn werk beter doet
duurt het langer voor het ontdekt wordt
en woont de schlemiel verder weg.
Heel goede falsificaten worden pas
herkend als de bankbiljetten bij de Nederlandsche Bank langs gaan, en dan
is het slachtoffer een bank. Zulke deskundige valsemunterij komt derhalve
overeen met een bankoverval zonder
geweld. Er is ook een macro-economisch verschil, want bij valsemunterij
treedt tussen uitgifte en ontdekking
een bestedingsimpuls op die tot voorbijgaande inflatie zal leiden.
Het grensgeval van volmaakte valsemunterij die nimmer wordt ontdekt
doet zich voor bij inflatoire financiering
van het overheidstekort, wanneer de

ESB 19-10-1988

J.S. Cramer

minister van Financien ‘de bankbiljettenpers laat draaien’, zoals dat feitelijk
onjuist maar beeldend heet. Bij het
ontbreken van de schemiel, die met
een vals biljet blijft zitten en voor het
inverdieneffect zorgt, is de inflatoire
impuls niet langer tijdelijk maar blijvend. Dit vindt men zo erg dat inflatoire financiering, ofschoon niet bij de wet
verboden, in ons land sinds jaaren dag
niet meer voorkomt.
Ik moest hier aan denken toen ik
met schaar en lijmpot bezig was met
het artikel van Bomhoff in NRC Handelsblad van 23 September, waarin hij
uitlegt dat de maximaal toelaatbare
groeivoet van de staatsschuld gelijk is
aan de som van de inflatie en de reele
groei, allemaal in procenten per jaar.
Een beetje inflatoire financiering betekent dat men minder hoeft te lenen terwijl er meer geleend mag worden, zodat het probleem van de stijgende
staatsschuld van twee kanten tegelijk
wordt aangepakt – als dat tenminste
gaat zonder de reele groei aan te tasten.
Bomhoff gaat niet verder in op deze
hoogst onfatsoenlijke gedachte. Hij is
er op uit het grote publiek duidelijk te
maken dat de grote en stijgende
staatsschuld een groot kwaad is, en
daar is hij ook in geslaagd, getuige de
instemmende brieven die op zijn artikel zijn gevolgd. Bomhoff schrijft heel
beeldend, bij voorbeeld “Wie zich… in
1989 meldt op de arbeidsmarkt krijgt
van de minister van financien direct
een onvrijwillige hypotheek voor meer
dan 60.000 gulden die zijn of haar deel

vormt van de nationale schuld”. En dat
betekent voor iedere werkende een
rentelast van meer dan 300 gulden per
maand.
Dit beeld is heel suggestief. Je ziet
voor je dat frisse jonge mensen vroeg
in de ochtend fluitend op weg gaan
naar hun eerste betrekking. Ze zijn de
straat nog niet uit of daar wacht minister Ruding ze op en hangt ze met een
valse grijns een schuld om de hals
waar zij nu verder driehonderd gulden
per maand voor moeten dokken – een
afgrijselijk idee. Maar het beeld is een
beetje eenzijdig. Wat moeten wij bij
voorbeeld met die beperking tot jonge
werkenden? Belasting betalen wij allemaal, ook als wij oud en lelijk zijn, of
wij nu werken of niet, en als het geen
inkomstenbelasting is betalen we wel
btw. Ook de bedrijven dragen hun
steentje bij. De opvatting dat dit er niet
toe doet en dat alle inkomens uiteindelijk door de werkers worden opgebracht, is niet houdbaar. Zelfs in het
zicht van de tractorfabriek zingt men
immers niet meer dat arbeid de enige
produktiefactor is.
Niettemin wil ik best toegeven dat
alle (potentiele) belastingbetalers, de
ingezetenen van Nederland, op een of
andere manier deel hebben aan die
beroerde staatsschuld. Maar volgens
precies dezelfde vage redenering delen zij ook mee in de vordering op de
staat, voor zover die in vertrouwde vaderlandse handen is. Gelukkig had ik
de ESB van 17 augustus van dit jaar
bij de hand, waarin Walschots uitrekent dat hooguit 17% buitenlands bezit is. Kiest Bomhoffs jonge werker een
baan met een goede pensioenvoorziening, dan ontvangt hij tegelijk met de
hypotheek van meer dan 60.000 gulden een certificaat van 50.000 gulden,
en het gros van de 300 gulden rente
betaalt hij aan zichzelf.
Zo kan je de ene simplificatie soms
met de andere afdoen.

•O> ,C>

967

Auteur