Ga direct naar de content

Kolonisatie Nederlands-Indië droeg sterk bij aan privaat vermogen

Gepubliceerd om: november 23 2022

Tot diep in de twintigste eeuw is de verhouding van het private vermogen tot het nationale inkomen in Nederland een van de hoogste ter wereld, laten recent verzamelde data zien. De koloniale exploitatie van Nederlands-Indië droeg hier in belangrijke mate toe bij.

In het kort

– Tot de Tweede Wereldoorlog was de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen in Nederland hoger dan elders.
– Na 1945 daalde de verhouding snel tot aan het begin van de jaren zeventig, en deze neemt sindsdien weer toe.
– De Nederlandse beleggingen in de koloniën besloegen op hun hoogtepunt dertig procent van het totale private vermogen.

Er is de laatste jaren veel aandacht voor de vermogensongelijkheid, zowel in Nederland als in de rest van de wereld. Sinds Thomas Piketty’s baanbrekende werk Kapitaal in de 21ste eeuw uit 2013, willen niet alleen wetenschappers (Van Bavel en Salverda, 2014; Salverda 2015; Salverda en Van Bavel, 2017; Toussaint et al., 2020; Van der Valk et al., 2021), maar ook politici en journalisten weten hoe de vork in de steel zit (WRR, 2014; IBO Vermogensverdeling, 2022). Hoewel deze recente publicaties inzicht bieden in de prille ontwikkelingen, ontbreekt er voor Nederland vooralsnog het langetermijnperspectief. Eerdere studies met een dergelijke langdurige visie werden reeds opgesteld (Wilterdink, 1984; 2015), maar deze onderschatten voor een aantal historische periodes de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen, en zijn daarmee toe aan vernieuwing (Van Bavel en Frankema, 2017).

Een ander actueel brandend debat betreft de rol die Nederland heeft gespeeld in het voormalig Nederlands-Indië. Inzicht in de omvang van het koloniale vermogen en het economische belang van Indonesië voor Nederland kan ons helpen om inkleuring te geven aan het excessieve geweld dat onder andere het recente onderzoek van het NIOD laat zien. Het NIOD (2022) noemt in het onderzoek ook expliciet economische motieven voor de kolonisatie.

Aansluitend op beide debatten brengt dit artikel de historische ontwikkeling van de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen in Nederland in kaart tussen 1854 en 2019, en plaatst deze in een internationaal perspectief. Het artikel biedt daarbij ook inzicht in de omvang en ontwikkeling van het koloniale vermogen. We baseren ons hiervoor op getabelleerde vermogensbelastingaangiften, waarop we vervolgens de internationaal geldende ‘Gegeneraliseerde Pareto-interpolatie’ toepassen (Blanchet et al., 2021; Toussaint et al., 2022).

Gehanteerde vermogensdefinitie

In onze analyse hanteren we de in het internationaal onderzoek gangbare definitie van ‘privaat vermogen’. Deze definitie komt overeen met het Stelsel van Nationale Rekeningen, en ook met de praktijk van erfbelasting en vermogensbelasting zoals die in Nederland respectievelijk sinds 1854 en 1894 worden geheven (­Wilterdink, 1984; 2015). Uitgangspunt in ons onderzoek is het huidige Stelsel van Nationale Rekeningen, waarbij het ons doel is om historische reeksen te reconstrueren die zo dicht mogelijk aansluiten op de hedendaagse huishoudensbalansen. Binnen die huishoudensbalansen definiëren we ‘privaat vermogen’ als ‘de som van de bezittingen van huishoudens minus de schulden’ (Zucman, 2019). Tot bezittingen behoren zowel de financiële activa (bank- en spaarrekeningen, aandelen, obligaties, derivaten en dergelijke), als ook de niet-financiële bezittingen (huis en overig onroerend goed, landbouwgrond, en overige kapitaalgoederen). We kapitaliseren pensioenrechten als huishoudensvermogen, in aansluiting op het Stelsel van Nationale Rekeningen (in Toussaint et al. (2022) gaan we nader in op het debat over het al dan niet meetellen van pensioenen).

De verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen, gepopulariseerd door Piketty en ­Zucman (2014), is een maatstaf voor de dominantie van kapitaal in een economie. Hoewel de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen over geaggregeerde eenheden gaat, en niet over de verdeling van vermogen, is er doorgaans sprake van een sterke correlatie tussen deze verhouding en de ongelijkheidsmaatstaven zoals de Gini-coëfficiënt en topvermogensaandelen (Zucman, 2019).

Privaat vermogen: 1854-2019

Wilterdink (1984, 2015) maakt in zijn studie over de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen in Nederland gebruik van vermogensbelastingen om de langetermijnontwikkelingen in het huishoudensvermogen te schetsen. Wij maken gebruik van het Stelsel van Nationale Rekeningen als basis van onze reconstructie. Deze keuze maakt een internationale vergelijking mogelijk, en leidt ook tot andere resultaten.

Figuur 1 schetst de evolutie van de omvang van het vermogen over de voorbije anderhalve eeuw. Wij stellen vast dat de verhouding privaat vermogen tot nationaal inkomen hoog is aan het einde van de negentiende eeuw, en vervolgens daalt in een welhaast onafgebroken lijn tot aan het begin van de jaren dertig. Een opvallende stijging in het private vermogen na de Grote Depressie eindigt pas in de jaren vijftig. Wij stellen voor Nederland vanaf de jaren tachtig een sterke toename vast in de verhouding privaat vermogen tot inkomen (de zogenaamde U-curve).

Onze resultaten tonen een aanzienlijk hogere verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen dan de eerdere studie van Wilterdink (1984; 2015). Deze studie komt voor een groot deel van de periode na de Tweede Wereldoorlog uit op een verhouding van nog geen honderd procent (Van Bavel en Frankema, 2017). En dat terwijl, in de meeste ontwikkelde economieën, privaat vermogen doorgaans op een veelvoud van het nationale inkomen wordt geschat. Een onderschatting die ook door Wilterdink (2015) zelf wordt erkend, maar waar tot nu toe geen passende oplossing voor werd gevonden.

De rol van het koloniale verleden

Het Nederlandse vermogen beperkt zich niet tot de landsgrenzen. Buitenlandse investeringen besloegen reeds in de Vroegmoderne Tijd een groot deel van het private vermogen van Nederland (’t Hart et al., 1997). Ons koninkrijk kende, vergeleken met de meeste naburige landen, al vanaf de zeventiende eeuw een hoog ontwikkelde financiële sector. De Amsterdamse Wisselbank vormde de spil van het internationale handelssysteem, waarin de Republiek lange tijd de grootste kapitaalexporteur ter wereld was. Vanaf de negentiende eeuw sloeg deze relatieve voorsprong langzamerhand om in een achterstand. Nederland maakte een late industriële revolutie door, waardoor zowel de vraag naar als de behoefte aan grootschalige binnenlandse investeringen lange tijd beperkt bleef. Bij gebrek aan de behoefte aan binnenlands kapitaal werd er veel vermogen in het buitenland belegd, zoals in de Amerikaanse spoorwegmaatschappijen en de Russische obligaties.

Vanaf omstreeks 1880 komt een steeds groter deel van het private vermogen voort uit de koloniën. Dat heeft te maken met het afschaffen van het Cultuurstelsel in 1870, een stelsel waarbij alle koloniale baten naar de staat vloeiden. De economie in de Indische archipel werd geliberaliseerd, en het vermogen dat in de koloniën werd opgebouwd viel vanaf toen toe aan de huishoudens in Nederland.

Figuur 2 toont de waarde van het vermogen in buitenlandse en koloniale activa, uitgedrukt als percentage van het nationale inkomen. In 1880 – toen de liberalisering van de Indische economie nog maar net was begonnen – vormde koloniaal vermogen nog maar een klein aandeel van het totale Nederlandse vermogen. Vooral de investeringen in de Verenigde Staten en Rusland waren toen nog belangrijk voor het Nederlandse vermogen.

In de decennia na 1880 groeide het belang van de koloniën echter exponentieel, tot dertig procent van het totale Nederlandse huishoudensvermogen in 1919 (figuur 1). De groei van het koloniaal vermogen compenseerde zelfs ruimschoots de plotselinge daling in niet-koloniale buitenlandse investeringen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Deze daling was grotendeels het gevolg van de nasleep van die Eerste Wereldoorlog, namelijk de Russische revolutie van 1917, en de daaropvolgende opschorting van de betaling van coupons.

Na de Eerste Wereldoorlog zet de groei zich voort. De Britten probeerden internationale importrestricties op rubber in te voeren in 1922 – het zogenaamde Stevensonplan. Omdat Nederlands-Indië weigerde aan deze quota mee te werken, konden de Nederlandse rubbermaatschappijen een groot deel van de markt veroveren, met enorme winsten tot gevolg (Buelens en Frankema, 2016). Ook andere buitenlandse ondernemingen zaten in de lift in het interbellum, hetgeen leidde tot een piek in het totale buitenlandse vermogen van bijna 300 procent van het nationale inkomen in 1928.

De Grote Depressie in de jaren dertig eiste echter een zware tol. Koloniale ondernemingen in Indonesië leden enorme verliezen, die opliepen tot grofweg twintig procent van hun totale activa. Daarnaast stortten de buitenlandse investeringen, vooral in de Verenigde Staten, nagenoeg geheel in. Pas aan het eind van de jaren dertig kon een deel van deze verliezen worden goedgemaakt.

Internationale vergelijking

Voor een beter begrip van de trends in de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen en van de rol van het koloniale verleden in dit verhaal is het zinnig om de Nederlandse cijfers in een internationaal perspectief te plaatsen. Figuur 3 laat de landen zien waarvoor een vergelijkbare langetermijnreconstructie is gemaakt van de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen op basis van het Stelsel van Nationale Rekeningen (Waldenström, 2017; Albers et al., 2020; Artola Blanco et al., 2020). Dit betreft Frankrijk, Zweden, de Verenigde Staten, Duitsland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. In de meeste landen is er een U-curve zichtbaar: vanaf de jaren tachtig is er een sterke toename van de verhouding privaat vermogen tot inkomen

1880 tot 1920: veel vermogen in koloniale landen

Wat onmiddellijk opvalt, is dat de verhouding privaat vermogen tot inkomen in koloniale mogendheden, zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, haast identiek lijkt aan die in Nederland tot aan de jaren 1910 (Piketty en Zucman, 2014). Zeker in de periode voor de Eerste Wereldoorlog vertonen de andere landen waarvoor deze informatie beschikbaar is een erg afwijkend verloop (Waldenström, 2017; Albers et al., 2020; Artola Blanco et al., 2020). Geen van die landen wordt gekenmerkt door een hoge ratio aan het eind van de negentiende eeuw. Merk op dat met name de Nederlandse verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen hoog blijft tijdens het interbellum; dit komt hoofdzakelijk door de enorme toename in de prijzen van Indische cultuurproducten, zoals hierboven beschreven. Ook helpt het feit dat Nederland neutraal bleef in de Eerste Wereldoorlog, waardoor de fysieke verwoesting van de economie beperkt bleef en het inkomen in reële termen zelfs groeide tussen 1914 en 1920 – dit in tegenstelling tot vele omliggende landen.

Jaren twintig: Nederland steekt erboven uit

In de periode tussen 1920 en 1928 was de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen in Nederland aanzienlijk hoger dan in de overige landen. Figuur 4 laat zien dat dit vooral te danken is aan buitenlands vermogen. Het private vermogen (als ratio van het nationale inkomen) afkomstig uit het buitenland was in Nederland gedurende de jaren twintig een stuk hoger dan in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk. Die Nederlandse vermogensgroei was in hoge mate te danken aan het koloniale vermogen, zoals figuur 2 al liet zien. De trends in figuur 4 zijn voor Nederland wel wat grilliger dan voor de andere landen (Toussaint et al., 2022). Zij doen echter geen afbreuk aan de algemeen vastgestelde tendens – zelfs tijdens de turbulente oorlogsjaren speelde buitenlands vermogen een cruciale rol in de Nederlandse verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen

Een verdere opdeling tussen koloniaal en ­niet-koloniaal buitenlands vermogen, zoals weergegeven in figuur 2 voor Nederland, is helaas niet beschikbaar voor Frankrijk en het Verenigde Koninkrijk, noch voor andere landen. Toch moge het duidelijk zijn dat, zelfs binnen de koloniale mogendheden van de negentiende en twintigste eeuw, Nederland hiermee een uitzondering vormde. Hoewel Engeland en Frankrijk aan het hoofd stonden van een koloniaal rijk dat vele malen groter was dan dat van Nederland, speelden de koloniën van deze landen een verhoudingsgewijs minder belangrijke rol. Dit geldt vooral voor de periode na de Eerste Wereldoorlog, net voor de Grote Depressie, toen koloniaal vermogen grofweg 150 procent van het nationale inkomen in Nederland representeerde en haast 270 procent als we daar het overige buitenlandse vermogen bij optellen (Toussaint et al., 2022). Zelfs in het Verenigd Koninkrijk – de koloniale mogendheid bij uitstek – bedroeg dit volgens de beschikbare schattingen nooit meer dan 200 procent van het nationale inkomen (Piketty en Zucman, 2014).

Convergentie na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog stellen wij voor alle landen een opvallende daling vast in de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen. Dit komt onder meer door het systeem van Bretton Woods, ingevoerd in 1944, dat een internationale kapitaalscontrole invoerde. Dit zette een rem op de groei van buitenlandse investeringen. Deze tendens werd verder versterkt door de toenemende dekolonisatie tussen 1950 en 1960. Ook de sterke stijging van het nationale inkomen droeg hieraan bij, aangezien een groei in de noemer vanzelf resulteert in een lagere verhouding privaat vermogen tot inkomen (zie voor een verdere bespreking van ‘noemereffecten’ Toussaint et al., 2022).

Toename in vermogen vanaf de jaren tachtig

Vanaf de jaren tachtig vindt er een markante toename in de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen plaats. Met name de laatste twee decennia zijn gekenmerkt door een enorme toename in de verhouding, met een piek van 600 procent in 2019, het laatste jaar van onze studie. In Toussaint et al. (2022) gaan we ook nader in op deze recentere periode, en laten zien dat vooral de enorme stijging van pensioenrechten heeft bijgedragen aan de de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen. In andere landen is er een vergelijkbare stijging zichtbaar, maar die wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de stijging van huizenprijzen. In Nederland speelt dit veel minder een rol, omdat Nederlandse huishoudens internationaal gezien een uniek grote hypotheekschuld hebben, en daardoor de huizen per saldo relatief weinig bijdragen aan de vermogensaanwas (Van der Valk et al., 2021; Toussaint et al., 2022).

Tot besluit

De de verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen in Nederland was en is internationaal gezien hoog. Nederland onderscheidt zich door zijn opvallend grillige verloop, met enerzijds een piek van rond 900 procent in 1880, en een laagtepunt rond de 300 procent in de periode tussen 1960 en 1975.

Een hoge verhouding van privaat vermogen tot nationaal inkomen en bijgevolg een ongelijke vermogensverdeling heeft verregaande economische en maatschappelijke gevolgen. Voorbeelden hiervan zijn een veranderde werking van het macro-economische beleid (zie voor een overzicht Toussaint (2022)), ongelijke politieke invloed en economische kansen (Scheve en ­Stasavage, 2017; Scanlon, 2018), en een langetermijnproces van maatschappelijke achteruitgang (Van Bavel, 2016). In een ander ESB-artikel bieden we meer inzicht in de ontwikkeling van vermogensongelijkheid op de lange termijn (De Vicq et al., 2022).

Dit artikel biedt ook nieuwe inzichten voor het debat over de rol van Nederland in voormalig Nederlands-Indië. Hoewel de mate waarin Indonesië werd geëxploiteerd wordt betwist (Van der Eng, 1998; Gordon, 2010; Buelens en Frankema, 2016), lijkt het onweerlegbaar dat de Indische archipel in belangrijke mate bijdroeg aan de Nederlandse vermogensaanwas.

Getty Images

Literatuur

Albers, T.N.H., C. Bartels en M. Schularick (2020) The distribution of wealth in Germany, 1895 to 2018. EconTribute Report. Te vinden op wiso.uni-koeln.de.

Artola Blanco, M., L. Bauluz en C. Martínez-Toledano (2020) Wealth in Spain 1900–2017: A country of two lands. The Economic Journal, 131(633), 129–155.

Bavel, B. van (2016) The invisible hand? How market economies have emerged and declined since AD 500. Oxford: Oxford University Press.

Bavel, B. van, en E. Frankema (2017) Wealth inequality in the Netherlands, c. 1950–2015: The paradox of a Northern European welfare state. TSEG – The Low Countries Journal of Social and Economic History, 14(2), 29–62.

Bavel, B. van, en W. Salverda (2014) Vermogensongelijkheid in Nederland. ESB, 99(4688), 392–395.

Buelens, F. en E. Frankema (2016) Colonial adventures in tropical agriculture: New estimates of returns to investment in the Netherlands Indies, 1919–1938. Cliometrica, 10(2), 197–224.

Eng, P. van der (1998) Exploring exploitation: The Netherlands and colonial Indonesia 1870–1940. Revista de Historia Económica – Journal of Iberian and Latin American Economic History, 16(1), 291–321.

Gordon, A. (2010) Netherlands East Indies: The large colonial surplus of Indonesia, 1878–1939. Journal of Contemporary Asia, 40(3), 425–443.

Hart, M. ’t, J. Jonker en J.L. van Zanden (1997) A financial history of the Netherlands. Cambridge, VK: Cambridge University Press.

IBO Vermogensverdeling (2022) Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling. IBO-rapport, juli.

NIOD (2022) Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945–1950. Artikel op www.niod.nl, 17 februari.

Piketty, T. en G. Zucman (2014) Capital is back: Wealth-income ratios in rich countries 1700–2010. The Quarterly Journal of Economics, 129(3), 1255–1310.

Salverda, W. (2015) Vermogensongelijkheid op recordhoogte. Artikel op www.mejudice.nl, 13 april.

Salverda, W. en B. van Bavel (2017) CBS meet méér ongelijkheid, maar verkoopt het als mínder. Artikel op www.mejudice.nl, 4 april.

Scanlon, T.M. (2018) Why does inequality matter? Oxford: Oxford University Press.

Scheve, K. en D. Stasavage (2017) Wealth inequality and democracy. Annual Review of Political Science, 20(1), 451–468.

Toussaint, S. (2022) Technisch rapport vermogensverdeling. Achtergronddocument bij IBO Vermogensverdeling. Te vinden op www.tweedekamer.nl.

Toussaint, S., B. van Bavel, W. Salverda en C. Teulings (2020) Nederlandse vermogens schever verdeeld dan gedacht. ESB, 105(4789), 438–441.

Toussaint, S.J., A. de Vicq, M. Moatsos en T. van der Valk (2022) Household wealth and its distribution in the Netherlands, 1854–2019. WID.world Working Paper, 24 november. Te vinden op bibbase.org.

Valk, T. van der, A. de Vicq en M. Moatsos (2021) Pensioensysteem zorgde voor flinke toename in huishoudvermogen na 1975. ESB, 106(4802), 456–459.

Vicq, A. de, S. Toussaint, T. van der Valk en M. Moatsos (2022) De vermogensongelijkheid stijgt sinds de jaren tachtig. ESB, te verschijnen.

Waldenström, D. (2017) Wealth-income ratios in a small, developing economy: Sweden, 1810–2014. The Journal of Economic History, 77(1), 285–313.

Wilterdink, N. (1984) Vermogensverhoudingen in Nederland: Ontwikkelingen sinds de negentiende eeuw. Amsterdam: Synopsis.

Wilterdink, N. (2015) Vermogensongelijkheid in Nederland: Ontwikkelingen sinds 1850. [Herziene en uitgebreide druk van Vermogensverhoudingen in Nederland.] Amsterdam: Van Gennep.

WRR (2014) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid. WRR-verkenning, 28.

Zucman, G. (2019) Global wealth inequality. Annual Review of Economics, 11(1), 109–138.

Auteurs

Categorieën