Ga direct naar de content

Klaar voor de start

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 20 1983

iCONOMISCH SWISTISCHE BERICHTEN
Klaar voor de start
De president van De Nederlandsche Bank kan in zijn recent verschenen Jaarverslag 1982 met genoegen terugkijken
op de monetaire ontwikkelingen in het afgelopen jaar. Het
inflatietempo is sterk gedaald, net als de geldmarktrente en
— in mindere mate — de kapitaalmarktrente, en de wisselkoers heeft een sterke positie in het EMS ingenomen. Helaas
zijn effecten op investeringen en werkgelegenheid uitgebleven, maar dat is volgens de Bankpresident een kwestie van
tijd. De voorwaarden voor herstel zijn gecreeerd. Het wachten is, goed voorbereid, op het economisch herstel dat komen
gaat.
Hoe moet dat herstel optreden? Voor een expansief beleid
is geen ruimte. ,,Een poging ons weg te stimuleren uit het dal
waar we ons zelf hebben ingestimuleerd, zou tot mislukken
gedoemd zijn”, stelt de Bankpresident. Structurele onevenwichtigheden zoals omvangrijke begrotingstekorten en hoge
rentestanden worden daardoorniet weggenomen. Zo’n ,,herstel” kan alleen maar tijdelijk zijn. Ook van een internationaal gecoordineerd stimuleringsbeleid is weinig heil te verwachten. Het beleid in de verschillende landen loopt daarvoor te ver uiteen en de beleidsruimte is door begrotings- en
betalingsbalanstekorten of hoge inflatiepercentages al te veel
aangetast. Herstel zal voor een belangrijk deel van ,,buitenaf’ moeten komen. Met name de verwachte opleving in de
VS en de Bondsrepubliek kan een belangrijke ,,spin off’ op
andere landen hebben. Om van de geboden kansen te profiteren is het wel zaak om een sterke concurrentiepositie op te
bouwen. Vooral succesvolle bestrijding van de inflatie is
daarbij een onmisbare voorwaarde. Als het beleid daarin
slaagt, gloort er hoop.
Monetair beleid gericht op inflatiebestrijding kan niet succesvol zijn als de loonkostenontwikkeling de produktiviteitsstijging te boven gaat en als de overheidshuishouding geen
orde op zaken weet te stellen. Immers, in het eerste geval
ontstaat er kosteninflatie, in het tweede geval treedt ,,crowding out” van particuliere investeringen of monetaire financiering op. Wat de loonkostenontwikkeling betreft heeft de
president niet te klagen. Weliswaar is de loonsomstijging ten
opzichte van 1981 iets versneld, maar de stijging is binnen de
produktiviteitsruimte gebleven. Het kapitaalinkomen is
daardoor iets verbeterd en kredietexpansie uit hoofde van
deze bron wordt voorkomen. De overheidsfinancien staan er
slechter voor. Het Structurele deel van het tekort is nog
steeds zo groot dat verregaande en langdurige ombuigingen
noodzakelijk blijven. Met voldoening constateert de Bank
echter dat monetaire financiering van het tekort beperkt is
gebleven en in 1983 zelfs tot nul word gereduceerd. Er is
sprake van een ,,gezonde financiering van een ongezond
hoog tekort”.
Enigszins bevreemdend in het Verslag is dat de nadruk op
liquiditeitsbeheersing door overheid en loontrekkers, niet op
het eigen monetaire beleid van toepassing lijkt. Gelet op het
beklemtonen van het belang van inflatiebeheersing, zou mogen worden verwacht dat het eigen monetaire beleid op de
trendmatige groei van de produktie zou zijn gericht. Dat zou
in overeenstemming zijn met het ,,gematigd monetaristische” beleid zoals dat in eerdere Jaarverslagen is uitgestippeld. De binnenlandse liquiditeitenmassa neemt in de loop
van het jaar echter toe met 9’/2%, terwijl de stijging van het
nationaal inkomen slechts 2’A% bedraagt. De liquiditeits-

ESB 27-4-1983

quote (de verhouding tussen liquiditeitenmassa en nationaal
inkomen) stijgt met 21/2 procentpunt ten opzichte van 1981
tot 39%. Het gevaar van deze ,,excess supply” isdoorZijlstra
eerder als volgt onder woorden gebracht: ,,Sooner or later
any monetary latitude finds its way into investment and expenditure and thus sooner or later it must lead to an increase
in prices” 1).
Blijkbaar ziet de Bank niet veel gevaar in de stijging van de
liquiditeitsquote. De stijging heeft een conjuncturele achtergrond, zo wordt in het Jaarverslag geconstateerd. De Bank
stelt in 1982 ,,aan de tendentie tot vergrote liquiditeitsaanhouding niets in de weg (te) willen leggen” en een rentedaling
te willen bevorderen. Bij het weer aantrekken van de economische activiteit worden de liquiditeiten ,,vanzelf’ weer afgeroomd, wordt optimistisch vastgesteld. Dit moet echter
betekenen dat gedurende de verwachte conjuncturele opleving de groei van de liquiditeitenmassa onder de produktiegroei moet liggen. Zoiets is geen gemakkelijke opgave. Het
veronderstelt een grote mate van flexibiliteit van het monetaire beleid. In ieder geval mogen monetaire financiering van
het overheidstekort en een eventueel aantrekkende loonontwikkeling geen roet in het eten gooien in de monetaire plannen van De Nederlandsche Bank voor de komende jaren.
Anders zou een prille opleving van de economie in de kieni
kunnen worden gesmoord doordat de inflatie direct weer de
kop opsteekt.
Er dreigt nog een tweede gevaar dat de doelstelling van inflatiebestrijding kan ondermijnen. Dat is de concentratie van
De Nederlandsche Bank op een sterke gulden, bedoeld om
rentedalingen snel door te geven. Handhaving van een vastc
wisselkoers dwingt tot valuta-interventies, waardoor de binnenlandse geldmarkt verkrapt of verruimd wordt. Niet alleen kan het binnenlandse monetaire beleid zo worden gcfrustreerd, maar ook tijdelijke over- en onderwaardering van
de valuta – ten gevolge van trage aanpassingsprocessen kunnen het gevolg zijn. Korteweg spreekt in dit verband van
een ,,dilemma van de monetaire politick”, waarmee hij doell
op het onverenigbare van prijsstabiliteit met wisselkoersstabiliteit 2). De weinig hoopgevende ontwikkelingen in het
EMS, die duiden op grote economische verschillen tussen de
lidstaten, maken omvangrijke valuta-interventies in de toekomst waarschijnlijk. De beheersbaarheid van de binnenlandse monetaire ontwikkeling neemt daardoor verder af.
Het Jaarverslag kenmerkt zich door een gematigd optimisme. Bij nadere beschouwing heeft dit optimisme echter een
wankele basis. Het leunt op herstel van ,,buitenaf’, dat als
manna uit de hemel in de school van de afwachtende landen
valt. Deze landen hoeven zich slechts op het startschot voor
te bereiden. Als de start echter uitblijft, is niet alleen kostbare tijd verloren gegaan voor een zelfstandiger herstelprogram, maar zit de economie ook nog met een inflatiepotentieel opgezadeld. De val is dan extra hard.
H. Kamps

1) J. Zijlstra, Monetary theory and monetary policy. A central
banker’s view, De Economist, 127, nr.l, 1979, biz. 9.
2) P. Korteweg, Monetair beleid in Nederland (1). Doeleinden en
dilemma’s, ESB, 12 november 1980.

353

Auteur