Ga direct naar de content

Kindleberger en de vestiging van de ECB

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 20 1992

Kindleberger en de vestiging
van de ECB
Op grand van economische criteria ontleend aan Kindleberger zijn
Londen en Frankfurt de meest waarschijnlijke vestigingsplaatsen voor
de Europese Centrale Bank. Maar zal de politick zich hier iets van
aantrekken?
Voor het einde van dit jaar moeten
de Europese regeringsleiders beslissen waar de Europese centrale bank
(ECB) wordt gevestigd. Deze bank
zal een aanzienlijke invloed krijgen
op de monetaire ontwikkelingen in
de EG, alsmede op de regulering
van de financiele instellingen. Verondersteld wordt dat de vestigingsplaats van dit orgaan daarom grote
invloed uitoefent op vestigingsbeslissingen en Internationale activiteiten
van financiele instellingen. Talloze
steden werpen zich op om deze instelling te herbergen. De stad die uiteindelijk de ECB weet binnen te halen verdient daarmee prestige in de
financiele wereld, hoogwaardige
werkgelegenheid en volop aandacht. Hier wordt nagegaan welke
Europese stad het meest geschikt is
om de ECB te vestigen. Daarbij
wordt met name gelet op economische efficiency. Deze wordt beoordeeld aan de hand van tien criteria
die ontleend zijn aan een studie van
Kindleberger uit 1974 naar de forma tie van financiele centra.

Het financiele centrum
Kindleberger omschrijft een financieel centrum als volgt: “Financial centers are needed not only to balance
through time the savings and investments of individual entrepreneurs
and to transfer financial capital
from savers to investors, but also to
effect payments and to transfer savings between places. Banking and
financial centers perform a mediumof-exchange function and an interspatial store-of-value function “*.
Volgens Kindleberger ontstaan financiele centra onder invloed van bewuste staatsinterventies en een Darwiniaanse economische concurrentiedrift tussen verschillende plaatsen. Het vertrouwelijke karakter van
talloze financiele diensten, de externe effecten die voortvloeien uit specialisatie, gezamenlijke faciliteiten

en diensten van andere bedrijfstakken en het gemak voor de klant van
de concentratie van het aanbod van
diensten op een pick, zijn belangrijke determinanten in het centralisatieproces .
Als baten van het herbergen van een
financieel centrum kunnen de volgende elementen genoemd worden:
hoger niveau van werkgelegenheid,
zowel kwantitatief als kwalitatief, hogere belastingopbrengsten, betere
opleidingsfaciliteiten, betere infrastructuur; ontwikkeling van additionele financiele dienstverlening en
van toeleverende bedrijfstakken; toegang tot nieuwe technologieen die
ook voor andere sectoren van belang zijn; prestige voor stad en land
die tot uitdrukking komt in een beter imago van binnenlandse bedrijven wat hen betere toegang verschaft tot produkt- en factormarkten;
minder protectionistisch macro-economisch belaid omdat het land gevoeliger wordt voor de internationale opinie; mechanisme waarmee de
economische basis van een land verbreed wordt hetgeen conjuncturele
effecten helpt dempen.
Als kosten of nadelen van het herbergen van een financieel centrum kunnen de volgende algemene aspecten
genoemd worden: verminderde effectiviteit van het monetaire beleid
en gevaar van een minder beheerste
ontwikkeling van de geldhoeveelheid; het opzetten en onderhouden
van een adequate infrastructuur ten
aanzien van transport, communicatie, onderwijs; lagere belastinginkomsten vanwege het relatief aantrekkelijk moeten maken van de stad/het
land als financieel centrum3.

vesten in de buurt van de belangrijke agenten in het Europese financiele systeem, dat wil zeggen in het
financiele centrum van de Gemeenschap. leder EG-land telt wel een financieel centrum. Hier wordt nagegaan welke financiele centra het
meest prominent zijn in de EG en
daarom de meest voor de hand liggende vestigingsplaats zijn van de
ECB. Kindleberger bespreekt tien factoren die in het verleden een belangrijke rol gespeeld hebben bij het tot
stand komen van financiele centra:
munt, centrale bank, bestuur, traditie
en besparingen, schaalvoordelen,
geografie, transport, aanwezigheid
van multinationale ondernemingen,
cultuur en de opstelling van de lokale autoriteiten . Achtereenvolgens
worden deze factoren nader toegelicht en wordt aangegeven welke steden, i.e. landen, het best presteren.
De munteenheid van het land met
het financiele centrum moet algemeen bekend en aanvaard zijn als internationale rekeneenheid en oppotmiddel. Een veelgebruikte munt kan
de efficiency van geld- en kapitaalmarkten vergroten. De Duitse mark
is nu de belangrijkste munt in de
EG. Van alle vorderingen in vreemde
valuta van banken in industrielanden maakt de Duitse mark medio
1991 ruim 13% uit. Pond, Franse
franc, lire en gulden nemen samen
ook zo’n aandeel voor hun rekening. Als emissievaluta kan alleen
het pond de mark nog voorblijven .
De centrale bank in het land dat het
financiele centrum herbergt moet
een reputatie van degelijkheid hebben. Het financiele systeem staat onder stringent toezicht. Onder invloed
van de harmonisatievereisten van de
BIS zullen de EG-lidstaten aan het
1. C.P. Kindleberger, The formation of financial centers: a study in comparative
economic history, Princeton Studies in International Finance, nr. 36, Princeton
N.J., 1974, biz. 6.

2. idem, biz. 8-10
3. Zie bij voorbeeld: S.J. Khoury, The in-

ternational financial centers: developing
the competitive edge, in: Park en Essay-

yad (red.), International banking and financial centers, Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, 1989, biz. 67-82; A.E.

Tschoegl, The benefits and costs of hosting financial centers, in: Park en Essayyad, op. cit., 1989, biz. 175-187.

Tien determinanten

4. C.P. Kindleberger, op. cit., 1974, biz. 63-

De ECB voert monetair beleid en
heeft een voorname rol bij het toezicht op financiele instellingen. Het
ligt vanuit efficiency-overwegingen
voor de hand de ECB daarom te huis-

5. BIS, International banking and financial market developments, Bazel, appendix, november 1991, biz. 14; OESO, Financial market trends, oktober 1991, biz.

71.

eind van 1993 dezelfde minimumeisen stellen aan de solvabiliteit van
banken. Het monetaire beleid staat
nog onder (mogelijke) invloed van
de respectieve regeringen. In Duitsland wordt een duidelijk anti-inflatiebeleid gevoerd en zijn de verantwoordelijkheden van de monetaire en de
financiele autoriteiten en de politick
strikt gescheiden. In de Benelux-landen en Denemarken, en in iets mindere mate Frankrijk, wordt het monetaire beleid van de grote buurman op
de voet gevolgd. De valuta’s van het
VK, Spanje en Portugal fluctueren

dat deze schaalvoordelen op korte
termijn niet overal te behalen zijn,
op de lange termijn gelden er geen
beperkingen. De omvang van de
emissie en handel in aandelen, obligaties en hiervan afgeleide financiele instrumenten is hierbij een door-

slaggevende factor. Londen is wat
dit betreft bij uitstek het internationale financiele centrum7.
De geografische dimensie is van belang om reiskosten en reistijden te
minimaliseren. Wat dit betreft vallen

in de publieke sector. Deze bereidheid wordt door verschillende overwegingen ingegeven, maar voorals-

nog lijkt ze in de gehele EG aanwezig, met name bij het bedrijfsleven.
Op grond hiervan is het niet goed
mogelijk tussen steden te discrimineren.

Kopenhagen en Dublin momenteel

Tot slot speelt de bonding van lokale
autoriteiten een rol. Welk klimaat weten zij te creeren voor buitenlandse
marktpartijen? Met name Frankfurt,
Amsterdam, Londen, Parijs, Luxemburg en Brussel werpen zich op als financieel centrum dat prima geschikt

meer tegenover de spilkoers in het

uit de boot. Frankfurt, Luxemburg,

is om ook de ECB te herbergen.

EMS dan die van de andere valuta’s.
Griekenland staat nog buiten het wisselkoersarrangement. De politieke invloed op het monetaire beleid is nog
aanzienlijk in het VK, Frankrijk en ItaliS. Het vertrouwen in het prudentiele toezicht in Luxemburg en het VK
heeft recent een forse knauw gekregen door de BCCI-affaire.
De vestigingsplaats van het bestuurlijke en politieke centrum, waaronder
de centrale bank, oefent aantrek-

Parijs, Brussel en Amsterdam zijn relatief centraal gelegen. Maar van belang lijkt ook hoe de toekomstige

Op grond van deze tien elementen
lijken Frankfurt en Londen aange-

van de Scandinavische landen betekent een verschuiving van het geografische centrum naar het noorden.
Aansluiting van Zwitserland en Oostenrijk betekent een verschuiving
naar het zuiden. Mochten Polen,
Hongarije en Tsjechoslowakije toetreden, dan verschuift het centrum

kingskracht uit op financiele instel-

naar het oosten. Toetreding van Tur-

lingen. Niet altijd is het financiele
centrum ook de regeringszetel, getuige Amsterdam, Frankfurt en Milaan.
De toekomstige zetel van Europees
Parlement, Europese Commissie en
Raad van Ministers is een strijdpunt.
Met name Belgie (Brussel) en Frankrijk (Straatsburg) werpen zich op als
toekomstige hoofdstad van de EG.
Terwijl, zoals gezegd, diverse steden
zich opwerpen als vestigingsplaats
van de ECB.
Traditie en de beschikbaarheid van
gescboold personeel spelen volgens
Kindleberger een enigszins ondergeschikte rol. Tradities hoeven niet om
zichzelfs wille gehandhaafd te blijven. Dat kan rernmend werken bij
veranderingen. Adequate scholing
lijkt niet aan een bepaalde plaats gebonden, zeker niet op middellange
termijn. De beschikbaarheid van financiele middelen acht Kindleberger
van groter belang. Wat dat betreft
zijn de Benelux-landen en Duitsland
het best geequipeerd, getuige de bijna structurele overschotten op de lopende rekening van de betalingsbalans6
Het centrum biedt mogelijkheden
om schaalvoordelen te behalen, met
name bij secundaire financiele mark-

kije, Malta en Marokko leidt tot een
verschuiving naar het zuiden. Mochten al deze landen lid worden van
de EG, dan lijkt Zurich de meest geschikte vestigingsplaats.
Transportfaciliteiten zijn in al de steden in het algemeen volop aanwezig.
Wat dit betreft lijkt het geen discriminerend criterium te kunnen vormen.
De effectiviteit van de lokale ver-

Athene, Lissabon, Madrid, Milaan,

EG er uit komt te zien. Aansluiting

merkt te moeten worden als de belangrijkste financiele centra in de

EG. Londen scoort vooral goed wat
betreft de breedte en de diepte van
de financiele markten, terwijl Frankfurt beter scoort met de D-mark en
het monetaire en financiele beleid.
Het zwakste punt van Londen in economische zin is gelegen in de onafhankelijkheid van de te voeren monetaire politick tegenover ander
beleid van de Britse regering. Dit bezwaar vervalt in een EMU waar de
verhouding tussen monetair en ander beleid in alle landen op dezelfde
wijze georganiseerd is. Het zwakste
punt van Frankfurt is de beperkte

breedte van de financiele markten.
Er zijn tevens veel minder buitenlandse fondsen en instellingen dan

voerssystemen verschilt echter aanzienlijk. Verkeersopstoppingen en mi-

in Londen .

lieuvervuiling zijn een knellende
factor. Newman en Kenworthy analyseren de kwaliteit van vervoerssystemen en achten deze relatief goed in
Kopenhagen, terwijl Milaan, Parijs en
Brussel slecht presteren . Dit criterium wordt steeds belangrijker.

Amsterdam

In het financiele centrum bevinden

beurs en haar clearing- en settle-

zich hoofdkantoren van multinationale ondernemingen. Het persoonlijke contact tussen financiele instellingen en hun belangrijkste vragers van
diensten lijkt steeds belangrijker te
worden. Hierbij is duidelijk sprake
van een wisselwerking. Hoofdkantoren van ondernemingen vestigen
zich ook in plaatsen waar voor hen
relevante beslissingen genomen kunnen worden. Met name Londen,
Frankfurt, Parijs en Brussel vormen

mentsysteem; het handelssysteem
lijkt echter weinig competitief. Het
buitenlandse bank- en effectenwezen is in Nederland goed vertegenwoordigd. Een ander sterk punt is

ten en bij de vorming van syndica-

momenteel belangrijke vestigings-

dershot, 1989, biz. 60.

ten. Daarnaast moet het mogelijk
zijn om efficient gebruik te maken
van talloze toeleveranciers aan de financiele sector zoals accountancy,
advocatuur, communicatie. Het lijkt

plaatsen van multinationale ondernemingen .
Met cultuur doelt Kindleberger op
de bereidheid tot internationale samenwerking, zowel in de private als

ESB 20-5-1992

Heden ten dage is Amsterdam nog
steeds een financieel centrum, maar
zijn internationale betekenis is veel
geringer dan in vroeger dagen. Een
sterk punt is de internationale orientatie van de Amsterdamse effecten-

6. OESO, Economic Outlook, Parijs, december 1991, biz. 210-211.
7. Zie: FIBVStatistics 1990, Parijs, 1991;
OESO, oktober 1991, op.cit.
8. P. Newman en J. Kenworthy, Cities
and automobile dependence, Gower, Al-

9. J. Howells, Economic, technological
and locational trends in European services, Averbury, Aldershot, 1988, biz. 34,
69; UNCTC, Transnational corporations
in world development, VN, New York.
10. Zie: FIBV statistics 1990, Parijs, 1991

het open karakter van de Nederland-

se economic en de goede reputatie
van de Nederlandsche Bank op het
gebied van het monetaire beleid en
het toezicht op banken. In Nederland is het financiele spectrum tamelijk breed, maar niet diepgaand ontwikkeld. Zo is de marktwaarde van
aandelen en obligaties relatief beperkt, evenals de omzetten in talloze
financiele instrumenten: de liquiditeit is gering. Dit lijkt het grootste
manco van Amsterdam als financieel
centrum. Ook uit eerder onderzoek
worden deze conclusies getrokken11. Ondanks talloze inspanningen, getuige onder andere de oprichting van de European Options
Exchange in 1978, kan Amsterdam
zich niet meten met de financiele
centra van het post-Bretton Woodstijdperk: Londen, New York en Tokio. De beurs moest terrein prijsgeven aan andere financiele centra in
de EG, zoals Luxemburg, Frankfurt
en Parijs. Naar Londen vloeide een
aanzienlijk deel van de Nederlandse
beurstransacties weg12. Ook de ontwikkeling van de bankensector in
Amsterdam is achtergebleven bij die
in andere centra13. Dit maakt de inspanningen van diverse Nederlandse
autoriteiten om van Amsterdam een
internationaal financieel centrum te
maken alleszins begrijpelijk. Het herbergen van de ECB vormt voor Amsterdam een noodzakelijke, zij het
zeker geen voldoende, voorwaarde
om de concurrentiepositie tegenover
andere financiele centra te verstevigen.

Slot
Kindlebergers tien criteria geven
enig inzicht in de vraag welke stad
de titel ‘Financieel centrum van Europa’ verdient. Met name Londen en
Frankfurt strijden daarbij om de eer.
De andere steden volgen op grote af-

stand. Een definitieve of zelfs een
voorlopige winnaar valt echter niet
aan te wijzen. De tien criteria zijn

van zeer verschillende aard en moeilijk met elkaar te vergelijken. Sommige zijn ongetwijfeld van meer belang
dan andere, maar het valt niet te beoordelen hoeveel: de criteria kunnen niet gewogen worden en bij elkaar opgeteld. In enkele gevallen

(geografie, cultuur, transport) valt de
directe relatie met financiele intermediatie zelfs te betwijfelen. Of Londen
en Frankfurt nu ook de aangewezen

kandidaten zijn als vestigingsplaats
voor de ECB is een andere vraag. De
efficiency-overwegingen pleiten

daarvoor, maar er lijkt geen reden
aanwezig om deze ook de doorslag
te laten geven tegenover andere mogelijke overwegingen, zoals politick
en ‘equity’.
Politick is in dit kader namelijk
eveneens van belang. Frankrijk wil
bij voorbeeld graag Straatsburg een
belangrijker rol geven als Europees
politick machtscentrum. Verschillende landen willen graag het Europees Milieubureau herbergen, terwijl de ECB als een rijke buit gezien
wordt. De uitkomst van het politieke kwartetspel met vestigingsplaatsen is voor ingewijden noch buitenstaanders voorspelbaar. leder land
lijkt wel een aannemelijke rechtvaardiging te kunnen formuleren waarom een bepaalde Euro-instelling
juist binnen zijn grenzen moet komen.
Een ander aandachtspunt is dat van
equity of de rechtvaardigheid met betrekking tot de verdeling van de mogelijke voordelen van het herbergen
van een financieel centrum. De
vraag of het VK, Duitsland of Nederland meer recht heeft dan armere
EG-lidstaten op de vruchten van het
herbergen van het financiele centrum is in de discussies nog niet aan

de orde geweest. Wil men in het ver-

enigde Europa daadwerkelijk de positie van de lidstaten op een zelfde
niveau brengen, dan is het logisch
om juist te investeren in een stad in
een armere lidstaat. Athene, Lissabon, Dublin en Madrid zijn vanuit
deze optiek dan de meest geschikte
kandidaten als zetel voor de ECB.
De afweging tussen efficiency, equity en politick moet gemaakt worden
door de Europese regeringsleiders
voor het eind van dit jaar. Vanuit het
oogpunt van efficiency moet de ECB
in Londen of Frankfurt komen. Vanuit het oogpunt van equity moet de
ECB in Athene, Lissabon, Dublin of
Madrid komen. Vanuit politick perspectief kan ze overal terecht. Gegeven deze drie gezichtspunten lijkt
Amsterdam, hoewel zeker geen ‘first
best’-oplossing, een gulden middenweg. Dit zou ook aansluiten bij Kindlebergers opvatting dat een keuze
tussen de belangrijkste financiele
centra meestal vermeden wordt bij
de formatie van een gecentraliseerde
monetaire autoriteit.
Bert Scholtens
De auteur is werkzaam bij de vakgroep
macro-economic van de Universiteit van
Amsterdam.

11. MJ. van Leeuwen, De rol van Amsterdam in de Internationale financiele wereld, SEO Research Memorandum 8901,
Amsterdam, 1989; T. van Rietbergen, J.
Bosman en M. de Smidt, Internationalise-

ring van de dienstensector, Coutinho,
Muiderberg, 1990, biz. 105-116. J. Piersma, Fysieke aanwezigheid in financiele
mark ten. Een onderzoek naar buitenlandse banken in Amsterdam, NIBE, Amsterdam, 1991.
12. J. Piersma, op. cit., 1991, biz. 49.
13. OESO, Competition in banking, Parijs, 1989, biz. 147.

Auteur