Ga direct naar de content

Jrg. 64, editie 3198

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 28 1979

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

28MAART 1979

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

64eJAARGANG

INSTITUUT

No. 3198

Werk aan de winkel

in hun ,,ongevraagd advies” over de voorgenomen fusie
van de christen-democratische partijen hebben Prof. Dr.
B. Goudzwaard en een aantal geestverwanten het kabinet-
Van Agt voor de voeten geworpen dat het slechts de

lopende zaken behandelt en te weinig ,,visie” ten toon
spreidt, waardoor het beleid middelmatig en niet-aanspre-

kend is geworden. ,,Er wordt op de winkel gepast”.
in een reactie daarop tijdens de AR-vergadering in de
Flevohof liet CDA-fractieleider Drs. R. F. M. Lubbers
zich in soortgelijke bewoordingen uit. ,,Wat mij wel eens

zorgen baart, is het vele dat wij (bedoeld zijn: kabinet en
CDA-fractie, vdG) laten liggen. De zonde van de nalatigheid,

de hele ontwikkeling van de kernenergie, het
automatisme van reclame en consumeren. …. dat
arbeidsongeschikten afgekocht worden met sociale verzeke-
ringen. …. dat we alleen maar theorie praten over
ontwikkelingshulp, maar genoegen blijven nemen met een
schamele afkoop van de derde wereld”. Dat zijn forse
uitspraken die een nadere beschouwing verdienen. Daarbij
dient zich de vraag aan of ook in de sociaal-economische
hoek van de winkel de middelmaat overheerst, of dat daar
reden bestaat tot grotere tevredenheid.

Bij het beantwoorden van die vraag ligt het voor de hand
dat eerst de aandacht wordt geconcentreerd op wat de
belangrijkste wens van de cliëntele is: de bestrijding van de
werkloosheid. Met dat oogmerk heeft het kabinet het
heilsplan
Bestek ’81
gelanceerd. Afgezien nog van de gaten
die daarin nu allerwegen verschijnen, kan dit plan moeilijk als
veelbelovend worden gekwalificeerd. De winkelbeheerders
lijken met
Bestek ’81
in hoge mate te vertrouwen op oude
produkten die in het verleden goed liepen, maar nu niet meer
volledig passen bij de veranderde smaak. Alleen op het gebied

van het arbeidsmarktbeleid zijn enkele nieuwigheden op de
markt gebracht. Het ziet er echter niet naar uit dat het geheel

van maatregelen toereikend is om de nu al hoge werkloosheid
en dein de jaren tachtig dreigende verdere verslechtering van
de situatie op de arbeidsmarkt het hoofd te bieden. Het
kabinet zal met nieuwe plannen moeten komen. De
vindingrijkheid en doortastendheid die daarvoor noodzake-lijk zijn, lijken echter te ontbreken.
Dit zelfde gebrek aan innoverend vermogen van het
kabinet manifesteert zich ook op diverse andere terreinen.
Goudzwaard wees al op de onontkoombaarheid van
impopulaire maatregelen op het gebied van het inkomensbe-
leid. Maar er zijn nauwelijks aanwijzingen dat het kabinet
zijn nek
wil
uitsteken voor een integraal inkomensbeleid
waaraan een visie ten grondslag ligt op wenselijke
veranderingen in de traditionele structuur van de inkomens-
verhoudingen in ons land. En hoe is het gesteld met een

verandering in de zeggenschapsverhoudingen? Het feit dat
die moeilijk te realiseren is, mag geen reden zijn er maar van

af te zien. Ongetwijfeld leven over dit vraagstuk in CDA-
kring bepaalde ideeën, zoals blijkt uit het rapport
Gespreide
verantwoordelijkheid,
maar deze worden niet omgezet in
praktisch beleid. En waarheen gaat het met de consumptie?
Kan die zich ongeremd ontwikkelen in de richting van een

jacht op steeds meer, zonder rekening te houden met
gevolgen voor gezondheid, milieu en grondstoffenvoorzie-

ning? Zeker niet, maar er is nauwelijks beleid waaruit dat
blijkt. De consumentensoevereiniteit lijkt nog onaantast-
baar.

Ook met betrekking tot andere zaken dan de hierboven
genoemde onderscheidt het zittende kabinet zich niet door

een buitengewone besluitvaardigheid. Het beleid ten aanzien
van de regionale en sectorale ontwikkeling wordt gekenmerkt
door een sterk ad-hoc-karakter. Er gaan honderden

miljoenen naar de regio’s en er gaat een miljard naar de
scheepsbouw, terwijl nauwelijks bekend is wat daarvan de

effecten zijn. Als de situatie knellend wordt, rinkelt de kassa

zonder dat een afweging plaatsvindt. Als volgend jaar blijkt
dat er structureel niets is verbeterd, wordt de procedure
herhaald.

Wie op een dergelijke wijze nering drijft, blijft

onvermijdelijk met winkeldochters zitten. Wetsontwerpen
waarin structurele veranderingen worden vastgelegd en die
een lange looptijd hebben, kunnen maar niet tot wet worden
verheven; rapporten die vergaande consequenties hebben, blijven liggen en er wordt weinig of niets mee gedaan. De

VAD, de consumptienota, een beslissing over kernenergie en
het rapport-Hofstra zijn voorbeelden.

Waar het kabinet geen krachtig standpunt inneemt wordt
de speelruimte voor pressiegroepen en lobbies om invloed op
de besluitvorming uit te oefenen, vergroot. In plaats van naar

een overlegeconomie waarin belangen tegen elkaar worden afgewogen, gaat de ontwikkeling dan in de richting van een

corporatieve staat waarin belangengroepen aan de touwtjes
trekken. Als een vorm van winkeldiefstal wordt het beleid
aan regering en gekozen volksvertegenwoordigers ontfutseld.
Juist in een tijd waarin belangrijke beslissingen een steeds
meer technocratisch karakter krijgen, is een krachtige

politiek nodig om de prioriteitenafweging te kunnen
verrichten, om de greep op het gebeuren niet te verliezen. Ook
in die zin is het te wensen dat de waarschuwende woorden
waarmee dit artikel werd aangevangen, niet in de wind
worden geslagen.

Veel van wat hierboven – enigszins gechargeerd – is
beschreven als zwakte van het kabinet-Van Agt, is van alle
tijden. Elk kabinet kampt met moeilijkheden om koerswijzi-
gingen tot stand te brengen, elk beleid moet een
ogenschijnlijk bijna vruchteloze strijd leveren tegen de Wet
van de traagheid, elke regering dreigt ondergedompeld te

worden in de problemen van vandaag die het zicht op de
problemen van morgen en overmorgen vertroebelen. Maar
nu het kabinet-Van Agt ruim een jaar op pad is, is een
waarschuwing op haar plaats. Het beleid op sociaal-eco-
nomisch gebied dreigt een beleid van de grootste gemene

deler te worden. Een aanpassend in plaats van een
toonaangevend beleid. Een kabinet behoort aan allerlei
veranderingen die op til zijn, mede vorm te geven in plaats

van ze over zich heen te laten komen. Dat betekent dat er
voor de ploeg van Van Agt werk aan de winkel is.

L. van der Geest

305

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. van der Geest:
Redactie

Werk aan

de

winkel

…………………………………….305
Commissie lan redactie: H. C. Bos,

Column
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,

Universitaire democratie?,
door Prof. Dr. A.

Peper

…………….
307
P. J.
Montagne,
J.
H. P. Paelinck,

A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.
Drs. J. H. Brussee:
Adjunct-redacteur-secretaris: T. de Bruin
S

Democratie en inflatie. Een notitie naar aanleiding van een beschouwing

van

Prof.

Van den

Doel

…………………………………308
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:

Dr. C. P. A. Bartels en Drs. S. Y. Roosma:
postbus 4224 3006 AE Rotterdam.

De dienstensector in het regionale beleid (1)

………………….311
Tel. (0/0) /455 II. administratie: toes,el3701.
redactie: toestel 3790.

Toets
op taak
Bij adresivijziging s.v.p. steeds adresbancOe

Over financiële verhoudingen tussen departementen,
door Drs. N. C. M.
meesturen.

van

Niekerk

…………………………………………..317
Kopij voor de redactie:
in tweevoud. getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Vacatures

………………………………………………319
Abonnementsprijs:f.
144,04 per kalenderjaar
(mci.
4% BTW): studentenf iûi,Iû

Maatschappijspiegel
(‘mci.
4% BTW), franco per post voor

Sociale beheersing van overheidsuitgaven,
door Drs.

H. J.

van de
Nederland, België, Luxemburg. overzeese

Braak

……………………………………………….
320
rijksde/en (zeepost).
A bonnememen kunnen ingaan op elke

Mededelingen

……………………………………….

322/329
gewenste datum, maar slechts u’orden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Bedrijfseconomie
Betaling:
Abonnementen en contributies

Uitleiding,
door ProJ Dr. A. Bosman en Prof: Dr. J. L. Bouma

323
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
Ingezonden of op bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees
&
Hope NV, Coolsingel 93,
Sectorstructuurbeleid versus regionaal-economisch beleid,
door Drs. L.
3012 AE Rotterdam, t.n.v. Economisch
HoJj’man,
met naschrift van
Dr.

W. van Voorden

……………..
324
Statistische Berichten te Rotterdam.

Boekennieuws
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.30
M. B. Slovin en M. E. Sushkin: Moneyand economie activity; an analyti-
(mci.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
ca 1 approach,
door Dr. J. J.

Sijben

………………………..
.
326′
uitsluitend door o i’ermaking lan de hierboven
vermelde prij.op girorekening no. 122945
t. n. v. Econor5iisch Statistische Berichten
te Rot terdain met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.

Op 1 april start de zenderkleuring.
Advertentieverkoop:
Roelanis/ EPR

ESB:
niet licht, zéér in,fbrmatief, niet te pop en licht-klassiek.
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33 101
Alle orders worden afgesloten en
Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten,
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut
STRAAT

………………………………………………….

NAAM

…………………………………………………….

Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (0/0) /4 55
11.
Evt.:

no. collegekaart (studentenabonnement)’

………………………

Ingangsdatum’
Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
&drijfs-&onomisch Onderzoek

PLAATS

…………………………………………………..Adres:

………………………………………………
.

Ongefrankeerd opzenden
aan*:

ES B,

.
Economisch-Technisch Onderzoek

Antwoordnummer 2524
.Vestigingspatronen

3000 VS ROTTERDAM

Handtekening:
Macro-Economisch Onderzoek Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Mathematisch Onderzoek
Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.
Transport-Economisch Onderzoek

306

Bram Peper

Universitaire
democratie?

Er wordt wel eens beweerd dat demo-
cratisering van de zeggenschapsverhou-

dingen in het ambtelijke apparaat een

aantasting betekent van de politieke
democratie. Immers, het ambtelijke ap-

paraat is er om besluiten die door een
democratisch gekozen college zijn ge-

nomen uit te voeren. Die discussie wordt
echter getekend door het innemen van

extreme posities, door het hanteren van
ficties.
Aan de ene kant is er de opvatting
als zouden democratische organen het
bureaucratische apparaat van precieze
instructies voorzien hoe te handelen.
De werkelijkheid is anders. Wij weten

allemaal dat de aanwijzingen vanuit de
politiek meestal nogal vaag (moeten)
zijn, waardoor aan het apparaat een vrij
grote speelruimte wordt gelaten voor een
eigen vorm van uitvoering van de in-
structies, wat voor de burger met de

nodige rechtsonzekerheid (en ongemak)

gepaard kan gaan. Juist de noodzaak
van ambtelijke bijstand aan de politiek,
illustreert dat de politiek taken en taak-

uitvoering aan anderen moet opdragen

en derhalve niet op alles kan toezien.

Aan de andere kant komen wij de opvat-
ting tegen als zouden de ambtenaren bij
een grote interne medezeggenschap de

neiging niet kunnen onderdrukken om
– met voorbijzien aan de politieke be-
sluitvorming en het eigen takenpakket
– te doen wat hen goed dunkt.
Met het bovenstaande wil ik niet sug-
gereren dat er geen probleem is. Ambte-
lijke zelfstandigheid staat op gespannen
voet met het primaat dat – althans in

formele zin – aan de politiek is toege-
kend. Maar wij moeten die spanning
niet meten door het kiezen van uiter-
sten. De werkelijkheid is dat ambtelijke

afdelingen op een bepaald terrein, zowel
in de uitvoering als in de beleidsvorming,

een grote zeggenschap hebben. Zij wor-
den daarbij vaak nauwelijks gehin-
derd door politieke ,,bemoeienis”. Het is

daarom niet op voorhand in te zien

waarom een verregaande vorm van in-
terne medezeggenschap m.b.t. het taak-
veld waarvoor een ambtelijke afdeling

is ,,ingehuurd” tot slechtere en minder
controleerbare resultaten zou moeten lei-
den. De stelling valt te verdedigen dat
een grotere medeverantwoordelijkheid

voor het interne beleid de toegang van
het publiek tot de bureaucratie zou kun-
nen vergroten. Meerderen zijn nu im-
mers aan te spreken op het door de
afdeling gevoerde beleid. Een afwente-
ling naar hogere échelons – die het alle-

maal gedaan zouden hebben – is min-
der goed mogelijk.

Niet alleen de feiten logenstraffen de

bewering dat het ambtelijke apparaat
slechts op aanwijzing van de politiek
tot activiteiten besluit, ook in formele

zin kennen wij in ons land een vrij verre-
gaande vorm van ambtenarenzelfbe-
stuur, inclusief rechten voor het publiek

dat enkele jaren tot de clientèle behoort.

Ik doel hier uiteraard op de WUB, de
Wet Universitaire Bestuurshervorming

(1970). Enkele weken geleden heeft een

commissie onder leiding van Prof. Mr.
J. M.. Polak een beoordeling gegeven

van het functioneren van deze wet in
de universitaire praktijk 1).
Als we de mogelijkheden van een

vorm van ambtenarenzelfbestuur-met-

forse-inspraak afmeten aan het oordeel
van de commissie-Polak, dan dringen
zich sombere conclusies op. De com-

missie constateert onder meer dat de
universitaire democratisering niet in staat is gebleken tot een flexibele en

vooral doelmatige aanpak van de pro-
blemen. Zij bepleit een versterking van
het professionele bestuur (management) van universiteiten en meer zeggenschap
in onderwijs en onderzoek van weten-

schappers die in vaste dienst zijn. De
formeel hoogste organen in universiteit

en faculteit – de universiteits- en facul-
teitsraden – zouden naar het oordeel
van de commissie een adviserende status

moeten krijgen. Verder constateert zij
dat er weinig belangstelling is bij de

universitaire bevolking voor vertegen-
woordigende posities in de vele raden,

commissies en vakgroepen.
Het is de vraag of de commissie zich
bij haar beoordeling niet méér heeft

laten leiden door de praktijk die zij heeft
aangetroffen dan door een nauwkeurige
analyse van de gebreken van de WUB.
Het is stellig juist dat in vele faculteiten
de toestand weinig rooskleurig is, dat
het niveau van onderwijs en onderzoek danig is aangetast en dat het bestuurlijk
amateurisme hier en daar indrukwek-
kende vormen heeft aangenomen. Voor-

al de faculteiten der sociale weten-

schappen – en die kan ik enigszins

overzien – geven niet zelden een beeld
te zien dat aardig overeenkomt met de
sombere bevindingen van de commis-

sie. Ook ik meen – al lang 2) – dat de

corporatistische-uitvinding-met-een-
zekere-democratische-inslag die de

WUB is, niet geschikt is om de taken

waarvoor de universiteit staat goed aan

te pakken. Wel geloof ik dat de WUB

positief heeft uitgewerkt waar het de

openheid en toegankelijkheid van (men-
selijke) verhoudingen betreft. De vroe-
gere kaste-achtige strüctuur van de uni-
versiteit is afgebroken en dat is een goede

zaak. Maar tevens is het zo dat in de wat
,,harde” faculteiten (techniek, wis- en
natuurkunde, medicijnen, economie) de
,,informele” structuur sterker is dan de
WUB.

Eén van de feilen van de WUB is dat
zij uitgaat van een principiële overeen-
stemming bij de universiteitsbevolking
over de doelstellingen van de universi-

teit, een overeenstemming die nauwe-
lijks wordt afgezwakt door het inzicht
dat onderscheiden belangen zich enigs-

zins moeten terugvinden in de
geledin-
gen
(wetenschappelijk corps, studenten,
technisch-administratief personeel). Aan

de geledingen is, zoals bekend, een ver-

schillend gewicht (zetels) toegekend in
de beïnvloeding en vorming van het be-
leid. Een uit democratisch oogpunt nog belangrijker bezwaar is echter dat in de
WUB geen voorzieningen zijn getroffen
die aan de democratische gang van zaken
binnen
de geledingen eisen stellen. Eén
van de meest elementaire eisen van de
democratie, nI. dat er door gekozen ver

tegenwoordigers verantwoording moet
worden afgelegd, ontbreekt in de WUB. Dat betekent dat de pijlers van de WUB

– de geledingen -, zoals nu het geval
is, niet aan deze alom bekende democra-

tische eisen voldoen. Daarmee verwordt
de democratie
in
de WUB tot een toeval-
ligheid, een incident. Wie de toegang
tot de universitaire democratie zé aan
het toeval overlaat, moet niet gek op-

kijken wanneer het resultaat beneden de
maat blijft. Aan een democratie moeten
hoge eisen gesteld worden. Een gebrek-
kige wet produceert aldus zijn eigen
werkelijkheid. Ik heb de indruk dat de
commissie zich meer door deze werke-

lijkheid heeft laten leiden dan de ge-

brekkigheid van de wetgeving aan de
kaak te stellen.

Omdat ik het rapport nog niet ter beschik-
king had, baseer ik mijn opvattingen op
de Vrij uitvoerige persberichten, zoals de
samenvattihg in
Folia civitazis, 10
maart
1979,
blz.
9-16.
Zie Bram Peper en Willem Wolters,
De
lastige universiteit,
Rotterdam,
1970,

ESB 28-3-1979

307

Democratie en inflatie

Een notitie naar aanleiding van een beschouwing

van Prof. Van den Doel
DRS. J. H. BRUSSEE*

In Nederland zijn er economen die voor-
standers zijn van een stringente inkomenspoli-
tiek, die door het parlement democratisch zou

moeten worden afgedwongen. In dit artikel

vraagt de auteur zich af
of
een dergelijke

inkomenspolitiek wel zo democratisch is. De
sociale spanningen die het afwentelingsproces

begeleiden worden zijns inziens gevoed door de
geldontwaarding, en deze laatste zou volgens

hem met een restrictieve monetaire politiek
kunnen worden bestreden.

Meerderheidsbesluiten en afwenteling

Van tijd tot tijd hoort men zeggen dat inflatie een gevaar
vormt voor de democratie, niet alleen in het algemeen maar
ook in de hedendaagse politieke verhoudingen. Bij zulke be-

schouwingen zijn twee vragen van overheersend belang, t.w.
op welke wijze de inflatie de democratie bedreigt en op welke
wijze men zich het best tegen dit gevaar zou kunnen bescher-

men. Bij het zoeken van antwoorden gaat men soms zo te
werk, dat men eerst een aantal kenmerken van de democratie

noemt en vervolgens aangeeft hoe het inflatoire proces hier-
mee in strijd komt.

Eén dergenen die een dergelijke benadering volgen lijkt de

Amsterdamse hoogleraar Dr. J. van den Doel te zijn. In na-

volging van de ideeën van Schumpeter dienaangaande be-
schrijft hij de democratie – althans zo verstaan wij het uit
zijn column in dit blad van lOjanuariji. 1)— als een methode
van besluitvorming die veel gemeenschappelijk heeft met het
marktmechanisme. Zoals bijvoorbeeld op de markt kopers
via concurrentie een selectie maken uit de producenten, zo

selecteren in een democratie de burgers via hun stemgedrag
hun politieke leiders uit de vele kandidaten. Zoals bijvoor-beeld in het marktverkeer een gesloten koopovereenkomst

bindende kracht heeft, zo heeft in een democratisch land een
meerderheidsbesluit dat ook. Democratie is derhalve een

politiek stelsel dat zich kenmerkt.door vrije verkiezingen en
door meerderheidsbesluiten.

Deze visie op de democratie stelt Van den Doel in staat iets
te zeggen over de wijze waarop het inflatoire proces hiermee
in conflict kan komen. In een democratie nI. wordt de verde-
ling van de belastingdruk door meerderheidsbesluiten gere-
geld. In een inflatoir klimaat lijkt het echter veeleer de be-

lastingafwenteling te zijn die dat doet. Van den Doel meent
dat de belastingafwenteling de democratie om deze reden min

of meer opzij schuift. Onze volkshuishouding heeft het ka-rakter van een ,,economie van de onbetaalde rekening”, zo

zegt hij het beeldend, want de kosten van de collectieve voor-
zieningen worden voortdurend afgewenteld, vooral door

werkgevers en werknemers. Deze ongelukkige situatie is mo-
gelijk omdat een middel ontbreekt om geschillen over de ver-

deling van de belastingdruk bij te leggen. Het resultaat is een
samenleving waarin de democratische organen in feite zwak
staan en waarin de afwentelende werkgevers en werknemers
te veel invloed hebben.

Inkomensbeleid en democratie

Deze opmerkelijke gedachtengang over de samenhang

tussen democratie en inflatie stemt tot nadenken. Als we
namelijk zouden veronderstellen dat het inderdaad ongeveer
zo is zoals Van den Doel schetst, rijst de vraag of het niet in

het belang van de democratie zou zijn dat het inkomensbeleid
van de overheid wordt verscherpt. Het lijkt immers dat de
overheid bijvoorbeeld met behulp van prijsmaatregelen zou

kunnen verhinderen dat een verhoging van de vennoot-
schapsbelastingen zou leiden tot prijsverhogingen en aldus de
belastingafwenteling zou kunnen tegengaan.

Men kan nu evenwel de vraag stellen of een krachtig in-
komensbeleid wel democratisch is. Het komt ons voor dat

Van den Doel zou kunnen menen dat dit wel zo is, of althans
zo zou kunnen zijn, indien en voor zover hiermee kracht
wordt bijgezet aan de uitvoering van meerderheidsbesluiten

over de omvang en de verdeling van de financiële last van de

collectieve voorzieningen. Men kan echter opmerken dat
democratie zich door méér kenmerkt dan door het selecteren
van politieke leiders door algemene verkiezingen en door bin-
dende meerderheidsbeslissingen. Men kan haar nI. kenschet-

sen als een politiek stelsel waarin de verantwoordelijkheid

van de individuen – van in beginsel alle individuen – voor

de behartiging van gemeenschapsbelangen is geïnstitutionali-
seerd. Dit impliceert dat de democratie kan worden gezien als
een manier om inhoud te geven aan het algemene beginsel dat
de waardigheid van de menselijke persoon moet worden er-
kend. Dit beginsel verlangt echter tevens dat een aantal ele-

mentaire grondrechten of mensenrechten worden geëerbie-digd, niet alleen door de individuen ten opzichte van elkaar
maar ook en vooral door de overheid ten opzichte van de
burgers. Tot zulke grondrechten behoren niet alleen vrijheid

van meningsuiting, actief en passief kiesrecht, vrijheid van

vereniging en vergadering e.d., maar hiertoe kan ook het
recht worden gerekend om een (koop)overeenkomst aan te

gaan en hierbij in vrijheid te onderhandelen over de prijs van de goederen en diensten die worden gekocht of verkocht. Al-
dus bezien lijkt een inkomensbeleid dat de vrijheid van on-
dernemers en vakverenigingen om te onderhandelen in
ernstige mate inperkt niet verenigbaar met de democratie.

* Wetenschappelijk medewerker in de wijsbegeerte van de economie
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De auteur dankt gaarne
Prof. Dr. G. A. van der Wal voor zijn stimulerende opmerkingen.
1) J. van den Doel, Drie denkfouten over democratie,
ESB, 10
januari 1979, blz. 31.

308

Men kan nog een tweede vraag stellen, nI. of een inkomens-beleid wel nodig is om de democratische instellingen tegen in-
komenseisen van pressiegroepen te verdedigen. Het is onze

indruk dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval is. Indien b.v.
deze eisen hun oorsprong vinden in een overtuiging dat de
welvaartsverdeling onrechtvaardig is, is juist immers de de-

mocratie het meest geschikte stelsel, niet alleen om aan de be-

treffende standpunten een uitingsmogelijkheid te verschaffen
tot in het parlement toe, maar ook om aan de klachten tege-
moet te komen door wetswijzigingen of regeringsmaat-

regelen zoals b.v. aanpassing van de structuur van de be-
lastingtarieven, wijziging van de sociale uitkeringen, veran-
deringen in wettelijke rechten en plichten (b.v. huurbescher-
ming, nieuwe bepalingen omtrent de positie van de werk-

nemer in het bedrijf, maatregelen van mededingingspolitieke
aard) en verstrekking van bepaalde overheidsdiensten (gratis bijscholing, onderwijs, maatschappelijk werk). Ook indiende
inkomenseisen van de pressiegroepen voortkomen uit onvre-

de met een als te zwaar ondervonden belastingdruk kan juist
de democratie tot een verlichting hiervan leiden, eensdeels
omdat parlement en regering de overheidsuitgaven kunnen verlagen en anderdeels omdat zij meer staatsleningen kun-
nen uitgeven. En zelfs indien de inkomenseisen van werk-
gevers en werknemers uit niets anders zouden voortvloeien
dan uit een zucht om rijk te worden zou de democratie dit
kunnen opvangen door niets anders te doen dan markten hun
functie te laten verrichten. Weliswaar komt er dan een proces
van belastingafwenteling op gang, maar dit zou in een nor-
maal economisch ,,evenwicht” uitmonden als gevolg van de
,,wet van vraag en aanbod”. Zoals de economische theorie
van de belastingafwenteling laat zien is het doorberekenen

van belastingen in prijzen en lonen een normaal onderdeel
van het marktproces. Bindende afspraken zouden er dan ze-
ker zijn, ni. de arbeidsovereenkomsten en koopcontracten die
als uitvloeisel van onderhandelingen ontstaan. Zoals ook

Van den Doel in zijn column aangeeft zou aldus een in eco-
nomisch opzicht optimale coordinatie van de beslissingen
van de individuen mogelijk zijn. Weliswaar kan de inkomens-

verdeling die hierbij resulteert onrechtvaardig zijn of door
sommigen onrechtvaardig worden gevonden, maar wij zagen

dat de democratie vele wegen kent om dergelijke gebreken te
corrigeren. Het komt ons derhalve voor dat de democratie in

verbinding met de markt ook zénder een strakke beheersing van lonen en prijzen aan krachtige inkomenseisen het hoofd kan bieden.

Geldontwaarding en democratie

Het bovenstaande neemt niet weg dat in de tegenwoordige

democratieën het probleem van de inflatie dikwijls niet is op-
gelost, en dat hieraan gevaren verbonden zijn voor de demo-
cratie zelf. Maar hoe ligt het verband hiertussen?

Het komt ons voor dat men moet kijken naar de storingen

die door de geldontwaarding als zodanig teweeg worden ge-

bracht. Hoe men ook over de verklaring van inflatie en
wisselkoersdepreciatie moge denken, het lijdt geen twijfel dat
deze vormen van monetaire instabiliteit krachtige stoorzen-
ders zijn. Geldontwaarding leidt ertoe dat het prijzenstelsel zijn communicatieve functie niet goed meer kan vervullen.

Geldontwaarding werkt prijsstarheïd in de hand, omdat de

onvermijdelijk opgeroepen infiatieverwachtingen ertoe lei-
den dat men bij het aanbieden van goederen en diensten rela-
tief hoge prijzen vraagt en niet snel geneigd is deze te verla-

gen uit vrees slachtoffer te worden van het verwachte koop-

krachtverlies van het geld; op deze wijze kan een infiatoir kli-
maat tevens onderbezetting en werkloosheid teweegbrengen.
Geldontwaarding kan leiden tot een negatieve reële rente, en
dit is een absurditeit waaraan gevaren voor de werkgelegen-

heid verbonden zijn omdat zij teveel kapitaalintensieve in-
vesteringen uitlokt en een verzwakking van de solvabiliteit van bedrijven in de hand werkt. Geldontwaarding verkleint

ook de mogelijkheden voor de overheid om de begroting zo

uit te voeren zoals zij door het parlement is aangenomen.

Geldontwaarding roept ook verontwaardiging op, eens-
deels omdat zij de verdeling van inkomen en vermogen op

willekeurige wijze doorkruist – te denken valt bijvoorbeeld aan de verrijking van de kredietnemer welke ten koste gaat

van de kredietgever of de spaarder – en anderdeels omdat zij
neerkomt op een inbreuk op het vertrouwen dat men in de

koopkracht vân het geld zou kunnen hebben. Deze
willekeurigheden worden als een onrecht gevoeld, en kunnen

daarom voedsel geven aan sociale spanningen. Het

wegsmelten van de waarde van de geldeenheid kan het geloof
ondermijnen dat een democratische staatsordening de
mensen kan beschermen tegçn het gevaar dat er op
willekeurige wijze over hen wordt beschikt. Geldontwaarding

kan dan voedsel geven aan een sceptisch egoïsme of
factionalisme, aan een stemming dat ,,uiteindelijk iedereen
alleen maar aan zich zelf denkt”en dat ,,de wereld als het erop

aankomt onbetrouwbaar is”. Dit scepticisme zou sommigen
ertoe kunnen brengen uit te zien naar in hun ogen
,,krachtiger” alternatieve staatsvormen dan de democratie.

Geldontwaarding is, kort gezegd, een vorm van rechtsonze-kerheid die neerkomt op een gebrek aan bescherming tegen
verlies van koopkracht van het geld en die zich wreekt in
storingen van het marktverkeer enin een ondermijning van
het vertrouwen in de democratie.

Infiatiebestrijding en democratie

Het hoeft derhalve geen twijfel te lijden dat aan het

beëindigen van de geldontwaarding zeer hoge prioriteit toe-komt. Het probleem is echter, hoe men dat moet doen. Zeer
in het algemeen worden hiervoor twee methoden genoemd,

nl. een inkomenspolitiek en matiging van de groei van de
geldhoeveelheid.

Inkomenspolitiek zou ongetwijfeld nuttig kunnen zijn om
de stijging van lonen en prijzen te matigen, maar wij zagen dat
zij, zodra zij het karakter krijgt van een van boven opgelegd

voorschrift met betrekking tot de toegelaten hoogte van
lonen en prijzen niet goed past bij de beginselen van de
democratie. De praktijk lijkt dit gezichtspunt te steunen,

want de ervaring leert dat in geen land een rigoureus
inkomensbeleid wordt aanvaard, behalve als het gaat om
tijdelijke maatregelen, omdat de betrokken partijen het als
een onrecht lijken te voelen dat zij hun recht van vrije
onderhandelingen voor langere tijd zouden moeten afstaan.
Geschikter is een flexibele inkomenspolitiek die zijn kracht zoekt in overleg en overreding, maar zulk een beleid laat de
mogelijkheid open – zoals ook Van den Doel constateert –

dat de betrokken pressiegroepen het maken van definitieve

afspraken over de loon- en prijsontwikkeling uit de weg gaan.
Het enige alternatief dat overblijft om de geldontwaarding
te beteugelen is dan een restrictieve monetaire politiek. Met

een dergelijk beleid kan in beginsel altijd, zeker op lange
termijn, de gewenste stabilisatie van het prijs- of
wisselkoerspeil worden bewerkstelligd, omdat men hiermee
de verhouding tussen vraag en aanbod op het geheel der

markten kan beëinvloeden, inclusief de arbeidsmarkt. In de

praktijk aarzelt men evenwel om zulk een beleid rigoureus
door te zetten uit vrees voor werkloosheid. Men is nI. beducht
dat starheid van lonen en prijzen ertoe zal leiden dat de door

een monetaire restrictie teweeggebrachte vraagvermindering
uitloopt op onderbezetting en werkloosheid in plaats van
vermindering van inflatie.

Het komt ons echter voor, dat zulk een pessimistische in-
schatting van de flexibiliteit van lonen en prijzen niet door
de feiten wordt ondersteund. De ervaring leert dat prijzen
voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn, zowel

opwaartse als neerwaartse veranderingen. Het is voorts een
feit dat in de hedendaagse volkshuishoudingen velen hun
brood verdienen met onderhandelen over prijzen resp. het

ESB 28-3-1979
309

bepalen van de meest geschikte vraagprijs tegen de
achtergrond van de vraag- en aanbodsituatie op de markten,

zoals verkopers, inkopers, handelaren, makelaars, vak-

bondsafgevaardigden enz. en op grond hiervan lijkt de
mening gerechtvaardigd dat de potentiële flexibiliteit van

prijzen en lonen groot is. In het bijzonder wat betreft de lonen

lijkt de potentiele flexibiliteit groter dan de zichtbare, want
op de arbeidsmarkt wordt door werknemers en werkgevers

vrijwel zonder onderbreking over de arbeidsvoorwaarden
onderhandeld. Dat niettemin in werkelijkheid de verander-

lijkheid van prijzen en lonen gering lijkt komt voor een groot

deel door de infiatieverwachtingen, die al degenen die op
markten een vraagprijs moeten noemen er huiverig voor

maakt hun bod te verlagen.
De opvatting dat een restrictief monetair beleid schadelijk

zou zijn voor de werkgelegenheid wordt ook niet bevestigd

MMUnó
MM
~
M
eRSC
h
e
d
e

Op de afdeling PERSONEELSZAKEN van de GEMEENTESECRETARIE bestaat
de vacature van

HOOFD BUREAU TAAK- EN FUNCTIESTRUCTURERING (MN)

(vacature
281

Tot de taak van hot bureau behoren om.:

het beschrijven en waarderen van alle functies in do gemeentelijke
organisatie en bij de aan de gemeente geliöerde Instellingen, alsmede het
adviseren over beleidsuitgangspunten. beleidslijnen en procedures op het
terrein van de functiewaardering.

hetontwikkelen van denkbeelden over de structurering van functies In
het kader van het integrale personeelsbeleid.

het medewerken aan het herplaatsingsbeleid, waaronder tevens begrepen
het arbeidskundig structureren van functies en eventuele aanpassing van
functies aan de leeftijd van medewerklstlers. Dit in nauwe samenwerking
met andere medewerkers van de afdeling, hoofden van dienst en be-
drijfsgeneeskundlgen.

het ontwikkelen, uitbouwen en up.to.date houden van eön adequaat
personeelsplannlngssysteem op korte en lange termijn, een en ander
gebaseerd op de huidige en toekomstige activiteiten van de gemeente. het in teamverband medewerken aan een verdere uitwerking en concre-
tisering van het personeelsbeleid.

Eisen:

Doctoraal examen bedrljfskunde of economie, dan wel een qua niveau en
inhoud vergelijkbare opleiding.
Ruime belangstelling en/of ervaring op bovenvermelde terreinen van het
personeelsbeleid, blijkende uit studie, vroegere of huidige functie. Goede contactuele eigenschappen en ervaring in het leldinggeven, alsmede een goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheld.

Salaris:
Afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaring tussen
f.
3874,– en
f.
5103,– of tussen
t. 4335,.. en t. 5563,.. bruto per maand.

Belangstellenden voor deze functie(s) kunnen binnen een
week
na het
verschijnen van dit blad
een
soillcitatleformulier aanvragen bij hot bureau
Personeelakeuzo van do
Secretarie (postbus
20. 7500 AA Enschede) onder
vermelding van het betreffende vacaturenummor.

De salarissen zijn exclusief 8% va-
kantie-toeslag. De hij de gemeente ge’ bruike/ijke rechtspositieregelingen, zo-
als IZA’ziektekosten’regeling en het
verplaatsingskostenbesluit zijn van toe-
passing. Een psychologisch onderzoek
maakt deel uit van de selectieprocedu-
re. De resultaten hiervan worden

des-
gewenst direct na afloop

met de solli

citanten besproken. Bij het Functie-In-
formatiecentrum, verbonden aan het

als we zien naar de ervaringen in andere landen. Wanneer we
bijvoorbeeld de situatie in West-Duitsland en Engeland met

elkaar vergelijken, zien we dat het eerste land, dat dikwijls
een krappe geldpolitiek heeft gevoerd om de vraag te be-

teugelen, over het geheel genomen niet meer werkloosheid heeft dan het tweede land, dat verscheidene malen een zeer

grote monetaire expansie heeft toegelaten omwille van de

werkgelegenheid en de groei van de produktie. De ervaring

leert voorts dat er een soort spiraal is van wisselkoers-

depreciatie, importsprijsstijging, loonstijging (door indexa-
tie) en prijsstijging, een spiraal die door een te ruime geld-
schepping mogelijk wordt gemaakt en zelfs wordt aangewak-

kerd

omdat zo ni. speculatie wordt uitgelokt op de wissel-

markten en op sommige goederenmarkten

en die de kans

op vermindering van werkloosheid door een ruime geldpoli-
tiek vrijwel wegneemt. Het lijkt derhalve mogelijk de geld-

schepping stelselmatig te beperken met het doel de

geldontwaarding te overwinnen zonder hierdoor produktie

en werkgelegenheid duurzaam te schaden.
Hier komt nog een overweging bij. Dikwijls wordt ten
onrechte gemeend dat een anti-infiatoir monetair beleid

gepaard zou moeten gaan met een restrictieve begrotingspo-
litiek. Om de geldontwaarding te bestrijden is dit echter niet

altijd nodig en zelfs niet altijd wenselijk. Het tekort op de
begroting kan nI. uit een oogpunt van inflatie neutraal zijn

indien het zonder een beroep (althans zonder een groot

beroep) op geldschepping wordt gefinancierd. Ook dân nog
kan een begrotingstekort krachtige steun geven aan de

produktie en de werkgelegenheid, enerzijds omdat het
stagnatie van de economische kringloop tegengaat en
anderzijds omdat het bedrijven in staat stelt hun

solvabiliteitspositie te versterken.
Een op stabilisatie van de geldswaarde gericht monetair

beleid kan evenwel niet tot stand komen zonder steun van de

overheid. Men mag er niet op rekenen dat de centrale bank
hiervoor op eigen gezag zal zorgen, want deze instelling kan
zich zo min als wie dan ook onttrekken aan de wet en aan het

overheidsbeleid. Het zijn de democratische wet resp. de

democratische overheidsinstanties die aan de centrale bank
de opdracht zullen moeten geven om een dergelijk beleid te
voeren, want anders ontbreekt hiervoor de rechtsgrondslag. Zulke steun voor een op stabiliteit gerichte monetaire poli-

tiek wordt in vele democratische landen echter in feite niet

voldoende door regering en parlement gegeven.

Ook in Nederland lijkt dit het geval te zijn. Thans is het zo

dat de wet aan De Nederlandsche Bank opdraagt de waarde
van de geldeenheid op zodanige wijze te reguleren ,,als voor
‘s lands welvaart het meest dienstig is en daarbij die waarde

zoveel mogelijk te stabiliseren” 2). Deze taakopdracht laat

nog
Vrij
veel speelruimte voor het beleid bestaan en geeft bo-

vendien aan het bewaren van de stabiliteit van de geldswaar-
de pas de tweede prioriteit. Het zou van een principiëler stel-
lingname getuigen indien parlement en regering de taak van
de Bank andersom zouden formuleren, namelijk door deze
instelling op te dragen de geidvoorziening zo te reguleren dat
de waarde van het geld wordt gestabiliseerd en hierbij ‘s lands

welvaart nog zo veel mogelijk wordt beschermd. Zolang een
dergelijke toespitsing in de wetstekst ontbreekt is het altijd

mogelijk dat de çentrale bank onder druk komt te staan om
meer geld in omloop te brengen dan voor het behoud van

prijs- en wisselkoersstabiliteit gunstig is. In dit licht bezien
behoeft het dan ook niet te verwonderen dat een Van den
Doel klaagt dat onze volkshuishouding het karakter van een
,,economie van de onbetaalde rekening” heeft, want de mogelijkheid dat rekeningen met nieuw gecreëerd geld

worden voldaan is nog altijd te groot.

Bureau Personeelskeuze

Hermes flat,
H.J. van Heekplein 55 2e etage kamer
214-wordende vacante functies dage-lijks bijgehouden op een muurkrant. U kunt hier tevens kennis nemen van de
gemeentelijke Organisatie en de daarin
voorkomende beroepen en functies.

IE

EaIu]1eDschede

2) Bankwet,artikel 9, le lid.

310

De dienstensector in het regionale

beleid (1)

DR. C. P. A. BARTELS*

DRS. S. Y. ROOSMA
**

Sinds de eerste
Industrialisatienota
van 1949 is

in Nederland een regionaal-economisch beleid

gevoerd, waarin volgens de auteurs aanvankelijk

nauwelijks rekening werd gehouden met de

lertiaire sector, ondanks het belang daarvan

voor de werkgelegenheid. In twee artikelen

zal worden geprobeerd een indruk te geven van

de wijze waarop de dienstensector in de loop

der tijd mede het onderwerp werd van regionale

politiek. In dit artikel bespreken de auteurs

enige belangrijke ontwikkelingen in het beleid.

Het tweede artikel, dat volgende week in
ESB

zal verschijnen, is gewijd aan een kwantitatieve

analyse van de mate waarin de dienstverlenende
sector gebruik heeft gemaakt van twee regionale

stimuleringsmaat regelen.

Inleiding

Meer dan de helft van het aantal beschikbare arbeidsplaat-
sen in Nederland behoort tot de dienstensector. Aan deze
situatie is een jarenlange verschuiving in de sectorale opbouw
van de economie voorafgegaan 1). De werkgelegenheid in de
landbouw en in de industrie vertoont momenteel een trend-

matige daling. Als leverancier van nieuwe arbeidsplaatsen
in de jaren zestig en zeventig fungeerde vooral de diensten-
sector, zowel de commerciële als de collectieve.

Deze trendmatige ontwikkeling manifesteerde zich in de
verschillende gebieden van het land. Dit kunnen we illustre-

ren aan de hand van een schatting van de ontwikkeling van

het arbeidsvolume in de verschillende landsdelen door

het Centraal Planbureau (zie tabel).
In de beschouwde periode heeft voor alle landsdelen de

dienstensector de belangrijkste bijdrage geleverd aan de

toename van arbeidsplaatsen. De laatste jaren is dit beeld nog

opvallender, aangezien de landbouw in alle provincies en de

nijverheid en bouwnijverheid in vrijwel alle provincies een

daling van de werkgelegenheid vertonen, terwijl het aantal

arbeidsplaatsen in de dienstverlening overal toenam 2).
Het regionale beleid in Nederland is steeds in belangrijke

mate gericht op het stimuleren van de werkgelegenheid in
bepaalde delen van het land. Gezien de hier beknopt weer-
gegeven ontwikkeling, zou men verwachten dat dit beleid een

belangrijke plaats zou hebben ingeruimd voor dienstenactivi-
teiten. Deze vertoonden immers de meeste dynamiek in de
laâtste decennia.
De voor het regionale beleid gehanteerde maatregelen
geven evenwel aan dat deze verwachting niet terecht is.

Pas Vrij recent heeft de dienstensector een eigen plaats
verworven in dit beleid. Het is onze bedoeling in dit artikel

enige belangrijke ontwikkelingen van het regionale beleid te bespreken, zodat we een indruk krijgen van de wijze waarop de dienstensector in dit beleid werd betrokken in de loop der
tijd. In een tweede artikel geven we enige kwantitatieve in-

formatie over de mate waarin van de belangrijkste maat-

regelen in deze sector gebruik is gemaakt. Tevens presen-

teren we dan een ruwe toets van de effectiviteit van één

van de gebruikte instrumenten. Ter afsluiting geven we ten
slotte nog onze visie op wenseljke veranderingen in het

beleid.

Regionaal beleid

In Nederland wordt sinds de eerste
Industrialisatienota
van 1949 door de nationale overheid een regionaal beleid

gevoerd 3). Als belangrijkste onderdelen van dit regionale

* Medewerker aan de Economische Faculteit van de Rijks-
universiteit Groningen.
** Medewerker bij de afdeling Sociaal-economische Zaken van
de Provinciale Griffie te Groningen.

Zie voor een verdere uitwerking hiervan b.v. J. A. A. van Doorn,
De demobilisatie van het leger van de arbeid, aanzetten tot een
laat-industriëel werkgelegenheidsbeleid,
Beleid en Maatschappij.
1978, vol. 6, bla. 154-164.
Zie
CPB, Centraal Economisch Plan 1978.
‘s-Gravenhage, 1978,
blz. 265.

Samenvatting

Wanneer Van den Doel schrijft dat er weliswaar met het
ideaal van de democratie niets verkeerd is maar dat er in de
praktijk van het leven gevaren zijn die de democratie bedrei-

gen zijn wij geneigd in zoverre met hem in te stemmen. De
oorzaak van de moeilijkheden is naar onze mening echter tot

op grote hoogte de geldontwaarding. Een strakker

inkomensbeleid lijkt ons niet de meest aangewezen weg om
deze kwaal te verhelpen omdat wij dit onverenigbaar achten

met de beginselen van de democratie zodra het inkomensbe-
leid rigoureus wordt opgelegd, terwijl er ook vele andere

middelen zijn om de inkomensverdeling te beïnvloeden. In

plaats daarvan pleiten
wij
voor een grotere steun van de
democratische overheidsinstellingen voor een stelselmatig op

een stabiele geldswaarde gerichte monetaire politiek. Aldus kan de democratie zich daadwerkelijk beschermen tegen de

gevaren die aan de inflatie zijn verbonden.

J. H. Brussee

ESB 28-3-1979

311

Tabel. Aantal arbeidsplaatsen naar sectoren en landsdelen (in duizenden)

Noorden
Oosten
Zuiden
Westen
Nederland
1950
1975
1950 1975 1950
1975 1950

1

1975
1950
1975

118
50
155
80
129
70
178
90
583 300
iijverheid,
mci.

134
170
294
330 354
420
716 750 495
1670

.andbouw

…………………….

)ienslen,
md.
bouwnijverheid

……………….

164
240
226
440
233
470
945
1510 1568
2660
overheid

…………………….

416
460
675 850 716
960
1639
2350 3646
4630

Bron: J. G. Borcheri, GJ. J. Egbers en M. de Smidt.
Ruimtelijk beleid in Nederland.
Sociaal-geografische beschouwingen over regionale ontwikkeling en ruimtelijke ordening. Bussuni. 1978.

beleid kunnen we beschouwen: het regionaal-economische
beleid (REB), het ruïmtelijke-ordeningsbeleid (ROB) en het regionale sociale welzijnsbeleid (RWB). Het REB is
gericht op een (kwalitatieve en kwantitatieve) verbetering

(en het behoud) van de werkgelegenheid in economisch zwak-
ke regio’s. Het ROB heeft vooral tot doel een ,,evenwichtige”

spreiding van bevolking en activiteiten over het land te

bewerkstelligen. Het RWB richt zich op het terugdringen

van verschillen in niveaus van welzijnsvoorzieningen.
In de jaren vijftig stond het werkgelegenheidsaspect

centraal in het regionale beleid. In de jaren zestig kreeg,
vanwege de congestieproblematiek van de Randstad, de
spreidingsgedachte uit het ROB meer aandacht. Het regio-
nale beleid gaat zich meer richten op alle drie genoemde

doelstellingen. Tijdens de jaren zeventig zijn er diverse
pogingen ondernomen om de onderdelen van het beleid

beter op elkaar af te stemmen (bijvoorbeeld de pogingen
tot integrale planning in het Noorden en in Zuid-Limburg

en
de nota
Regionaal sociaal-economisch beleid
1977-1980,

verder aan te duiden met Nota 1977). Als algemene doel-
stelling wordt geformuleerd het verminderen van structurele

onevenwichtigheden (binnen en tussen regio’s) t.a.v. bevol-
king, werkgelegenheid, en inkomen (Nota 1977, blz. 42).
Deze doelstelling is te vertalen in de volgende sub-doelen 4):

– het voorkomen van congestie in met name het Westen van
het land door een korte-afstandspreiding van bevolking

en activiteiten in de groeikernen;
– de bescherming van bepaalde waardevolle gebieden;
– de vermindering van regionale verschillen in werkloos-

heid en voorzieningenniveau;
– het versterken van de economische structuur van de

meest kwetsbare regio’s;
– het terugdringen van de ruimtelijke mobiliteit door wer-ken en wonen zoveel mogelijk ruimtelijk te koppelen.

Onder invloed van de algemene verslechtering van de

economische situatie tijdens de laatste jaren heeft de

werkloosheidsbestrijding toch weer de hoogste prioriteit gekregen. Dit komt tot uiting in allerlei pogingen om be-
staande arbeidsplaatsen waar mogelijk te behouden
5)
en in

het streven de regionale component in het tekort aan arbeids-

plaatsen te bestrijden, zoals in het
Voortgangsrapport
van

het Integraal Structuur Plan voor het Noorden 6) en in de

Perspectievennola voor Zuid-Limburg
(1978). Maatregelen

om de groei in het Westen aan banden te leggen zijn wèl uitge-
dacht, maar nauwelijks toegepast zoals verderop zal blijken.

Aangezien het huidige en het te verwachten tekort aan
arbeidsplaatsen ook in het Westen in bepaalde plaatsen

zorgelijk te noemen valt, zijn er zelfs diverse stemmen
te horen die een uitbreiding van het regionale werkgelegen-
heidsbeleid tot deze regio’s voorstaan 7).

Voor het bereiken van de regionale beleidsdoelstellingen is

een instrumentarium ontwikkeld dat in de loop der jaren is
meegeëvolueerd met de doelstellingen van het beleid en met

wijzigingen in de economische orde. Om deze ontwikkeling
wat duidelijker aan te geven, rubriceren wij de mogelijke
beleidsmaatregelen. Een eerste onderscheid betreft het

onderscheid in stimulerende en afremmingsmaatregelen.

Stimulerende maatregelen
beogen de positie van zwakke

regio’s ten opzichte van de rest te verbeteren. Ze krijgen

veelal de vorm van het compenseren van relatieve vestigings-

plaatsnadelen in deze gebieden.
Afremmingsmaatregelen

beogen de ontwikkeling in gebieden waar veel economische
activiteit is geconcentreerd af te remmen. Deze maatregelen
worden ingegeven door de opvatting dat de nadelen van

sterke bevolkingsconcentraties vanaf een zeker punt de
voordelen overtreffen. Hoewel de aandacht voor een

evenwichtiger bevolkingsspreiding al sedert het eind van de
jaren vijftig aanwezig was, zijn concrete maatregelen voor
afremming van de ontwikkeling in het Westen van het land
pas aan het eind der jaren zestig en in de jaren zeventig

geïntroduceerd. In andere landen was er eerder sprake van
zo’n afremmingsbeleid, b.v. in Engeland en Frankrijk 8).
Een tweede onderscheid dat van belang is, is een indeling
in directe en indirecte maatregelen. Deze indeling is

gebaseerd op de mate van overheidsbemoeienis met de vesti-
gingsplaatskeuze voor een activiteit. Het is duidelijk dat de

vigerende economische orde bepaalt welk soort maatregelen
gehanteerd wordt. In een liberale, vrije-markteconomie

worden voornamelijk
indirecte maatregelen
gehanteerd.

Deze hebben tot doel de relatieve prijzen van produktie-
factoren of produkten te veranderen (via subsidies, belasting-

maatregelen, e.d.) om hiermee de vestigingsplaatskeuze van

een bedrijf te beïnvloeden. Deze keuze zelf blijft overigens

geheel vrij. In een planmatig gestuurd economisch stelsel

zullen meer
directe maatregelen
voorkomen. Dan beslist

de overheid over de lokatie van allerlei activiteiten. Ook in
onze zogenaamde georiënteerde markteconomie heeft dit

soort maatregelen een plaats gekregen. Door middel

van vergunningen voor bepaalde activiteiten in een deel
van het land, door deelneming van de overheid in bedrij-
ven en door de eigen werkgelegenheid bij de overheid,
heeft de overheid ook in onze economische orde de
mogelijkheid tot een directe greep op de vestigingsplaats
van velë economische activiteiten.
Ten aanzien van de ontwikkeling van het beleids-

instrumentarium kan nu worden gesteld dat deze lange
tijd gedomineerd werd door
indirecte stimuleringsmaatrege-

len.
Directe en afremmende maatregelen komen pas in dejaren

zeventig aan bod. Ze zijn evenwel nog weinig intensief ge-

Zie voor een uitvoeriger bespreking van het gevoerde beleid
J. G. Borchert, G. J. J. Egbers en M. de Smidt,
Ruimtelijk beleid in Nederland. Sociaal-geografische beschouwingen over
regionale ontwikkeling ett ruimtelijke ordening.
Bussum,
1978;
W. J. M. Cremers, Het Nederlandse regionale beleid sinds
1945.
De blijvende problemen van onze ,,ontwikkelingsgebieden”,
Inter-
mediair,
jg. 26,
blz.
45-53; J. G. L. Lambooy,
Economie en ruimte.
Inleiding in de economische geografie en de regionale economie.
Assen,
1975; P.
Nijkamp en C. Verhage (red.)’
Regionaal beleid,
Leiden,
1978;
J. J. van Duijn, De doelmatigheid van het regionaal-
economisch beleid in Nederland in de jaren zestig,
T(jdschrft voor
economische en sociale geografie. vol.
66,
blz.
258-271.
Zie ook F. J. Kutsch Lojenga, Een industrie-eiland in de
Noordzee? Pro’s en Contra’s van een industriële groeimogelijkheid,
Intermediair,
jg. 37,
blz.
47-57.
Zie de bijdrage van Dirker in P. Nijkamp en C. Verhage, ibid.
ISP,
Hel sociaal-economisch beleid voor het Noorden des Lands.
Voortgangsrapport niet hoofdlijnen voor een beleidskoers.
‘s-Gra-
venhage,
1976.
Vergelijk b.v. de bijdragen van Klaassen en Van Wickeren in
P. Nijkamp en C. Verhage, ibid.
Zie OECD,
Restrictive regional policy measures,
Parijs,
1977.

312

hanteerd. Deze uitspraak zal verderop nog nader onder-

bouwd worden. Met deze beknopte aanduiding van enkele
aspecten van het regionale beleid hebben we de achtergrond

geschetst waartegen de in het vervolg te bespreken ont-
wikkeling zich beter laat begrijpen. Opgemerkt zij dat we

niet geprobeerd hebben het denken over regionaal beleid zo
volledig mogelijk te evalueren. Voor de lezers die daarin
zijn geïnteresseerd, zijn er immers diverse andere publikaties
beschikbaar.

Welke plaats was er nu ingeruimd voor de dienstensector

bij het uitwerken van het aangeduide beleidsinstrumen-
tarium? Deze vraag zullen we achtereenvolgens beantwoor

den voor de jaren v66r en na 1970. We beperken ons
daarbij tot de instrumenten van het economisch beleid.
De regionale differentiatie van het sociale welzijnsbeleid
blijft dus buiten beschouwing 9).

Instrumentarium en dienstensector véôr 1970

In de jaren v66r 1970 was het instrumentarium vooral
gericht op stimulering van de economische activiteit in zwakke regio’s. Hiertoe werden voornamelijk indirecte

maatregelen gehanteerd. De belangrijkste waren de volgende
(we baseren ons bij de bespreking op informatie verkregen

uit de eerder vermelde publikaties over het regionale
beleid, regeringsnota’s, en publikaties in de
Staatscourant):
• verbetering van infrastructuur,
zowel economisch als
sociaal. Als onderdeel van het laatste valt te noemen het
bijzondere regionale welzijnsbeleid dat vanaf het begin van

de jaren vijftig werd gevoerd. Dit beleid resulteerde in
extra investeringen in allerlei welzijnsfaciliteiten (bijvoor-

beeld sportaccommodatie, culturele centra) voornamelijk in
perifere regio’s. Voor de ontwikkeling van arbeidsplaatsen

in de dienstensector is dit welzijnsbeleid dus wel van
belang geweest. In welke mate dit het geval is hebben we

niet nagegaan, omdat we ons willen beperken tot de over-
wegend economische onderdelen van het regionale beleid;

• subsidies op kapitaalgebruik,
via zogenaamde investe-
ringspremies. Deze premies werden in 1953 ingevoerd en zijn

verstrekt onder diverse aanduidingen: Bevordering In-
dustrievestiging Kerngemeenten: 1953-1959; Bevordering
Industrialisatie Ontwikkelingskernen: 1959-1965; Stimule-

ring Industrievestiging Ontwikkelingskernen: 1965-1970;
lnvesteringspremieregeling: sinds 1968. Zoals deze namen al

aangeven waren de premies bedoeld voor investeringen in
industriële bedrijvigheid, die in bepaalde regio’s tot stand
kwam. Tot 1965 gold bovendien als belangrijke voorwaarde

een zeker minimum aan gecreëerde arbeidsplaatsen. Daarna werd deze voorwaarde losgelaten.

Met de invoering van de investeringspremieregeling (IPR)

werd vooral beoogd kapitaalintensieve bedrijven meer te
laten profiteren van de premies. Voordien werd een bijdrage
verstrekt in de bouwkosten per m2 grondoppervlak. De

IPR maakte een bijdrage in de investeringskosten van vaste

activa (grond, gebouwen en machines) mogelijk, onafhanke-
lijk van het vloeroppervlak. De premie had aanvankelijk
alleen betrekking op de vestiging van nieuwe industriële

bedrijven (25% premie). Al spoedig (in 1969) werd evenwel
ook de uitbreiding van een industrieel bedrijf premiabel
(15% premie).

Een belangrijke ontwikkeling deed zich voor in 1969, toen
werd besloten ook de vestiging van sommige zogenaamde
stuwende diensverlenende
bedrijven voor een premie in aan-
merking te laten komen. Wèl werd deze mogelijkheid
aanvankelijk beperkt tot zeer grootschalige projecten:
minstens 75 werknemers moesten permanent in het bedrijf

worden tewerkgesteld (deze voorwaarde verviel echter in
1972) en moesten de kosten van de investering minstens
f. 400.000 bedragen.

De beperking tot stuwende diensten introduceerde natuur-
lijk een zeker element van willekeur bij de beslissing over

toekenning van een premie. In ambtelijke termen verstaat

men onder ,,stuwend” bedrijvigheid die van méér dan lokaal
of regionaal belang is en zodoende bij de vestigingsplaats-

keuze niet per se aan een bepaalde lokatie gebonden is. Per
individueel geval wordt beslist of aan deze eis is voldaan.

De provincie adviseert, rekening houdend met de gegroeide
praktijk. Een objectief criterium hiervoor is echter niet ont-
wikkeld; met name bij handelsondernemingen blijken in de
praktijk veel onduidelijke grensgevallen voor te komen;

• de mogelijkheid tot
vervroegde afschrjving
van in-
vesteringen in bepaalde regio’s. Deze mogelijkheid bestaat
in principe sinds eind 1964, maar is toegepast sinds oktober

1967. Ze was bedoeld om de betaling van een deel van de
winstbelasting uit te stellen en zo de contante waarde van
belastingverplichtingen te verlagen. De regeling hield in dat

in twee achtereenvolgende jaren telkens een zesde van de
investering in gebouwen vervroegd mocht worden afgeschre-
ven. Dit gold voor het gebied buiten Zuid-Holland, Utrecht

en Noord-Holland (exclusief de kop). Deze regeling was niet
beperkt tot industriële gebouwen, zodat ook dienstenactivi-

teiten hiervan hebben geprofiteerd;

• ruimtelijke spreiding van arbeidsplaatsen bij de over-
heid.
Deze maatregel grijpt zeer direct in op de lokatie
van werkgelegenheid in de dienstensector. Ze is bovendien
het best te effectueren, aangezien de overheid zèlf de
lokatiebeslissing neemt. Reeds aan het eind van de jaren
vijftig vroeg de Tweede Kamer aan de regering aandacht

te schenken aan de mogelijkheid van een ruimtelijke

spreiding van Rijksdiensten. De bedoeling was om daardoor
een meer evenwichtige spreiding van arbeidsplaatsen over het

gehele land te bevorderen. De destijds ingestelde commissie
Drees sr. rapporteerde in 1961 met een eerste lijst van

diensten, die voor spreiding in aanmerking kwamen. Vanaf
1967 werden door de overheid daadwerkelijke, zij het zeer
schuchtere, stappen genomen door enkele kleine diensten
buiten de Randstad te vestigen.

Deze korte bespreking van enkele belangrijke beleids-
instrumenten maakt duidelijk dat in het economische

regionale beleid de dienstensector pas aan het eind van de
jaren zestig in het vizier komt. Dat geldt zowel voor

commerciële diensten (IPR) als voor overheidsdiensten
(spreiding van Rijksdiensten). We gaan nu na of deze ont-

wikkeling zich daarna heeft geïntensiveerd.

Instrumentarium en dienstensector na 1970

In de jaren zeventig heeft zich een aantal opmerkelijke
ontwikkelingen voltrokken in de beschikbare beleidsinstru-
menten. De voor ons onderwerp belangrijkste veranderingen
zullen we achtereenvolgens de revue laten passeren.

Veranderingen bij het toekennen van de IPR

Afgezien van allerlei aanpassingen van het premie-
niveau, het werkingsgebied en de toekenningsvoorwaarden
zijn voor ons onderwerp de meeste relevante mutaties:

– het vervallen van de arbeidsplaatsenvoorwaarde bij vesti-
ging van een stuwende dienst. Hierdoor kunnen ook
kleinschaliger projecten voor deze kapitaalsubsidie
in aanmerking komen;

– in 1977 wordt de ondergrens t.a.v. investeringskosten ver-
laagd tot f. 200.000. Ook deze maatregel maakt kleinscha-
lige investeringen aantrekkelijker;
– verruiming van de regeling tot de uitbreiding van bestaan-
de stuwende diensten in 1975;

– de introductie van een gemengde premie in 1975. Voor

9) H. J. Rouw, Special regional welfare policy in the Netherlands,
Planning and Developmen: in the Netherlands,
1976, vol. 8, blz.
72-85.

ESB 28-3-1979
313

premiabele investeringen zou men op bepaalde lokaties
kunnen kiezen tussen een 25% premie op de kosten van

vaste activa, of een 15% premie plus een bedrag per
permanente arbeidsplaats (aanvankelijk f. 10.000, in

1977 verhoogd tot f. 12.500). De tweede mogelijkheid
kan gezien worden als een poging met name arbeidsinten-

sieve projecten te stimuleren.

Uitbreiding van kapitaalsubsidies met een nieuw stelsel van
premies in het kader van de WIR (Wet Investeringsrekening)

Het nieuwe stelsel werd in de nota
Selectieve groei

van 1976 in het vooruitzicht gesteld. De bedoeling was:
– bestaande fiscale investeringsfaciliteiten, zoals de inves-
teringsaftrek en de vervroegde afschrijving, door een
meer direct werkende premie te vervangen, die onafhan-

kelijk is van de omvang van het fiscale winstinkomen

en de te betalen belastingen;
– investeringsstimulansen in veel grotere mate toe te

passen. Een, bij wet vast te stellen, percentage van
de opbrengst van de winstbelasting zal worden terug-

sluisd naar ondernemingen. (Dit percentage bedraagt

momenteel 21.);
– door middel van specifieke premies te trachten het type

investeringen te beïnvloeden.

Een eerste wetsvoorstel werd begin 1977 aan het parlement

aangeboden. In dit voorstel was in de volgende regionale

premies voorzien:
– een algemene regionale toeslag voor investeringen buiten

de Randstad;
– een bijzondere regionale toeslag voor investeringen in ge-

bieden met hoge werkloosheid;
– een ruimtelijke-ordeningstoeslag voor investeringen in
groeisteden en bepaalde groeikernen;

Dit voorstel kreeg echter niet de goedkeuring van de

Europese Commissie van de EG. Zij beschouwde de
algemene regionale toeslag als een vorm van regionale steun.
Door de cumulatie van IPR- en WIR-premies zou het afge-

sproken plafond van regionale steunverlening (20% van de

investeringskosten) in bepaalde gebieden, waarde IPR reeds
gold, worden overschreden. Daarom moest de algemene
regionale toeslag vervallen. De overige toeslagen werden
wèl goedgekeurd. Om toch een zelfde effect te bereiken
koos de regering voor een veel hogere basispremie in het

gehele land dan aanvankelijk de bedoeling was en voor
het tegelijkertijd invoeren van een heffing op investerin-
gen in de Randstad. Dit laatste is mogelijk via de

Selectieve Investeringsregeling (SIR), die we verderop
bespreken. Met deze koppeling is de gewenste regionale
differentiatie toch weer bereikt. De WIR werd in deze
nieuwe vorm op 24 mei 1978 aangenomen. In vier jaar

zal via deze regeling een bedrag van f. 13 mrd. aan

kapitaalsubsidies worden verstrekt. Dit gebeurt voorlopig
middels de volgende premies op investeringen in vaste activa
(aanschaf van nieuwe en verbetering van bestaande bedrijfs-
middelen en verbetering van grond), waarvan alle belasting-

plichtige ondernemers kunnen profiteren:

– een
basispremie
verschillend per type bedrijfsmiddel

(variërend van 23% voor nieuwe gebouwen tot 7% voor
overige bedrjfsmiddelen. De percentages kunnen overi-
gens aan de conjunctuur worden aangepast);

– een
kleinschaligheidstoeslag
afnemend van 6% tot 0%

naarmate de investering het bedrag van f. 800.000 nadert;

– een toeslag per arbeidsplaats voor een gedeelte van de
permanente arbeidsplaatsen die ontstaan door
een groot

schalig project
(namelijk het deel van de arbeidsplaatsen

dat toe te rekenen valt aan het deel van de investeringen

dat uitkomt boven een bepaalde drempel, momenteel

f. 31,5 mln.). Deze toeslag kan maximaal 4% bedragen;

– een
bijzondere regionale toeslag
van 20% voor be-

drijfsgebouwen en 10% voor uitbreiding van vaste in-

stallaties in de open lucht. De toeslag geldt voor een

aantal aaneengesloten gebieden met een duurzaam
hoog werkloosheidspercentage, die gelegen zijn in Fries-

land, Groningen, Drenthe, Overijssel en Zuid-Limburg;

een
ruimtelijke ordeningstoeslag
van 15% voor bedrijfs-
gebouwen en 7
1
/
2
% voor vaste installaties in de

open lucht. Deze toeslag wordt verstrekt voor het
verplaatsen van bedrijvigheid vanuit het SIR-gebied

(zie later) naar de groeisteden buiten de Randstad
(Groningen, Zwolle, Breda, Helmond, Bergen op Zoom

en Roosendaal) en naar groeikernen nabij de grote

steden.

In de toekomst zullen nog meer toeslagen worden geïntro-

duceerd. Deze zullen gekoppeld zijn aan de aspecten milieu,

energie, innovatie en wellicht aan het aantal gerealiseerde
arbeidsplaatsen.
Aan de premies welke in het kader van de WIR en de IPR

worden ontvangen zijn bepaalde maxima gesteld om cumula-

tie tot buitengewoon hoge overheidsbijdragen enigszins tegen
te gaan. Zo geldt voor alle WIR-premies (behalve voor de

toeslag grote projecten) te zamen een maximum van 50%
voor gebouwen en 25% voor vaste installaties (het eerste

maximum kan evenwel nog tot 65% worden verhoogd, al de
conjuncturele situatie daar aanleiding toe geeft!). Voor

de regionale premies (IPR, ruimtelijke ordeningstoeslag,
en bijzondere regionale toeslag) geldt de voorwaarde dat

deze niet mogen uitkomen boven een netto regionale subsidie
(d.w.z. na berekening van eventueel relevante belastingen)

van 20% van de totale investeringskosten van een project.
De hoogte van de te- ontvangen 1 FR wordt zodanig vastge-
steld dat deze grens niet wordt overschreden. De hiervoor
noodzakelijke berekening is nogal ingewikkeld (en daardoor

zelfs nog niet precies bekend). De complexiteit van de bere-

kening wordt allereerst veroorzaakt door het feit dat IPR en

WIR niet over hetzelfde basisbedrag worden berekend. De
IPR wordt namelijk in mindering gebracht op de kostprijs.
De basis voor de WIR is zo kleiner dan die voor de IPR:
de WIR wordt namelijk berekend over de kostprijs, voor

zover door de ondernemer zelf betaald. Verder houdt men
rekening met het bijkomend nadeel dat voor de ondernemer
ontstaat door toekenning van de IPR, omdat de toekomstige
afschrijvingen lager uitvallen dan zonder 1 FR. De berekening
van de te ontvangen premies zou inzichtelijker zijn als beide
premies over hetzelfde basisbedrag werden berekend.
Uit deze enigszins uitvoerige bespreking van de WIR
blijkt duidelijk dat kapitaalsubsidies voor bepaalde pro-
jecten zeer omvangrijk kunnen worden. Overigens

was dit met de vroeger bestaande regelingen in sommige
gevallen ook zo, zij het op minder duidelijke wijze. De

subsidies zijn bovendien beschikbaar voor alle ondernemers,
zodat ook de dienstensector in ruimere mate dan voorheen

van overheidsbijdragen kan profiteren. Ook
verzorgende
diensten
kunnen nu aanspraak maken op premies, zij het
alleen voor zover het de WIR en niet de IPR betreft. Het

belang hiervan moet echter niet worden overschat. De meeste

subsidies komen terecht
bij
kapitaalintensieve bedrijven,

terwijl met name de verzorgende diensten veelal juist

arbeidsintensief zullen zijn. Dit type bedrijvigheid kan
dus relatief minder profiteren van de beschikbare subsidies,
en zou meer baat hebben bij loonkostensubsidies. We komen

hier in het tweede artikel nog op terug. Ten slotte willen
we ook nog opmerken dat ons inziens bij het in deze mate

beschikbaar stellen van gemeenschapsgeld aan ondernemers,

zeer duidelijke richtlijnen van overheidswege tav. de
aanwending van het geld op hun plaats zouden zijn. In de
huidige regeling zijn zulke voorwaarden vrijwel afwezig.

Zoals eerder aangeduid, is met de WIR de vervroegde af-

schrijvingsregeling vervallen. Deze was in de jaren zeventig
nog-enigszins aangepast (november 1974: 40% vervroegd af

te schrijven; april 1975:
50%).
Deze regeling is voor het

314

regionale beleid zeer belangrijk geweest. Hoewel het bedrag
van de subsidie via deze regeling niet precies te achterhalen

valt, kunnen we een indicatie ontlenen aan een schatting van
het CPB. Dit bureau komt voor de periode 1973-1977 tot een

impact van f. 1.200 mln., tegenover een bedrag van f. 670 mln.

dat als IPR-premie werd verstrekt 10). Hierbij moeten we

aantekenen dat het werkingsgebied van de afschrijvingsrege-

ling veel groter is geweest (het gehele land behalve de
Randstad) dan dat van de IPR.

Intensivering van het beleid tot spreiding van arbeidsplaatsen
bij de overheid

Na een langzame start met het spreiden van arbeidsplaat-
sen aan het eind van de jaren zestig werd in 1972 besloten dit

middel intensiever te gebruiken. In een regeringsnota
Ont-
wikkeling Haagse Agglomeratie
(1972) werd het voornemen
vermeld om ongeveer 16.000 arbeidsplaatsen van de Rand-
stad naar enige lokaties in vooral het Noorden en Zuid-
Limburg over te hevelen, hetgeen in twee fasen zou geschie-
den. De eerste fase zou inhouden de spreiding van ruim 6.000
arbeidsplaatsen binnen vier â vijf jaar. Via de tweede

fase zou dit aantal echter binnen tien â twaalf jaar op
16.000 moeten zijn gebracht. De belangrijkste bijdragen
zouden worden geleverd door de PTT (5.300 plaatsen) en
door het CBS, dat in zijn geheel zou verhuizen. Onder
invloed van de maatschappelijke oppositie tegen dit streven

en de toenemende werkgelegenheidsproblemen, ook in het
Westen, werden deze voornemens evenwel steeds verder afge-

zwakt. De overplaatsing van het CBS werd beperkt tot in

totaal 1.100 plaatsen (naar Heerlen). Voor de PTT werd het
aantal in april 1975 teruggebracht tot 1400 plaatsen bij

de Centrale Directie. Deze overplaatsing behoort nog tot
de eerste fase. Het vorige kabinet hoopte deze fase in
1980 te voltooien. In uitlatingen van het huidige kabinet

wordt de streefdatum veel verder verlegd: de PTT-overplaat-

sing zou halverwege de jaren tachtig grotendeels voltooid

moeten zijn 11). Hiermee zal de termijn van de eerste fase
ongeveer het drievoudige worden van de termijn die was
voorzien!
Ten aanzien van een verdere concretisering van de tweede
fase werd door het vorige kabinet de spreiding van
bestaande
arbeidsplaatsen reeds grotendeels verlaten. Men zou het
accent meer gaan leggen op nieuwe diensten en nieuwe
arbeidsplaatsen bij snel groeiende bestaande diensten. In de
periode 1980-1985 zouden er op deze wijze opnieuw bijna
5.000 arbeidsplaatsen worden gespreid (zie Nota 1977). Dit
streefetal wordt ook door het huidige kabinet gehanteerd

12). Op het ogenblik zijn er geen voornemens bekend om na
1985 nieuwe belangrijke spreidingsoperaties op te zetten.
Uit deze bespreking van het spreidingsbeleid valt te
concluderen dat de intensivering van dit beleid van zeer korte

duur is geweest. Concrete voornemens om in elk geval de oor-
spronkelijk geplande 16.000 plaatsen te spreiden ontbreken
momenteel geheel. Dat is te betreuren, omdat dit instrument
het meest direct effect sorteert aangezien het de vestigings-
plaatskeuze van de bedrijvigheid van de overheid zelf betreft.

De overige instrumenten werken veel indirecter en zijn daar-

door nauwelijks op hun effecten te beoordelen. De overheid
geeft bij het spreiden van activiteiten dus beslist niet zelf
het goede voorbeeld.

Introductie van afremmingsmaatregelen in het Westen

De reeds geruime tijd aanwezige bezorgdheid om een
mogelijk te sterke concentratie van activiteiten in het
westen van het land resulteerde uiteindelijk in een stelsel

van maatregelen dat bedoeld is om de ontwikkeling in dit deel
van het land (Zuid-Holland, Utrecht, Noord-Holland minus
de kop) enigszins af te remmen. Deze maatregelen werden

onder de naam Selectieve Investeringsregeling (SIR)
op 1 oktober 1975 in werking gesteld. Ze beogen enige

overheidscontrole op investeringen in de open lucht te

bewerkstelligen. Een drietal instrumenten zou dit mogelijk
moeten maken:

een
meldingsplicht
voor grote investeringen (b.v. ge-
bouwen boven f. 1 mln.), minstens één maand voor aan-

vang van de bouw. De bedoeling van deze maatregel is de

overheid de mogelijkheid te bieden met de investeerder te

overleggen over een eventuele alternatieve vestigings-

plaatskeuze. Met name door de korte meldingstijd komt
hiervan, in de praktijk weinig terecht. Bovendien kunnen

meldingen waaraan bezwaren kleven worden omgezet in – een vergunningenprocedure (zie hieronder);

een
verplichte vergunning
voor grote investeringen
(b.v. gebouwen boven f. 3 mln.). Deze vergunning zou voor
het gehele Westen gelden, maar werd bij de invoering van
de SIR meteen beperkt tot het Rijnmondgebied (plus
elders aangemelde projecten waaraan bezwaren en on-
zekerheden kleven). Het huidige kabinet overweegt om

ook in het Rijnmondgebied de vergunningsplicht af te
schaffen 13). Dan resteert slechts de verplichte melding
van bepaalde investeringen, die incidenteel aan een vergun-
ningenprocedure kunnen worden onderworpen;
een
heffing op
investeringen in nieuwe gebouwen en

nieuwe vaste installaties in de open lucht. Opvallend is het
besluit de verzorgende diensten van zo’n heffing vrij te
stellen. De heffing werd per 1 april 1975 gesteld op 10%
voor gebouwen. Het werkingsgebied werd op 17 juni 1975

beperkt tot Rijnmond. Voor installaties gold in het hele SIR-gebied een heffing van
3%.
Deze heffingen waren
echter maar van zeer korte duur: op 9juni 1976 werden
ze opgeschort. Met de invoering van de WIR (zie boven)
werd een nieuwe heffing van kracht. Deze bedraagt nu

voor globaal de Randstad en de Veluwe 15% voor nieuwe
gebouwen en 8% voor nieuwe vaste installaties. Wellicht
ten overvloede merken we hierbij op dat deze heffingen

moeilijk te beschouwen zijn als een soort boete op het
doen van investeringen in dit gebied. Immers ze vormen
slechts een correctie op de aanzienlijke investeringssub-
sidies die via de WIR ook in dit gebied worden verstrekt.

Het belang van de SIR voor activiteiten in de dienstensec-

tor kunnen we nader aangeven. (We baseren ons op de
informatie in de jaarverslagen van de SIR van het Ministerie

van Economische Zaken.) Van de meldingen in de jaren

1975, 1976 en 1977 had 77% betrekking op diensten. Dit

betrof naar schatting 2.250 arbeidplaatsen. Slechts een zeer
klein deel van de aangemelde projecten werd vergunnings-

plichtig verklaard: in 1977 bijvoorbeeld 7%. Van de

afgewikkelde aanvragen voor vergunningen was de uitkomst
vrijwel zonder uitzondering positief: in 1976 werd er één
geweigerd van de 42 en in 1977 was dit het geval voor 3
projecten van de 50.

Hoewel de SI R voor de lokatie van dienstenactiviteiten een
belangrijke regeling blijkt te zijn, valt uit deze informatie

op te maken dat ze tot nu toe nog niet echt voor een restrictief
beleid is gehanteerd. De wet is wèl een belangrijke toevoeging
aan het instrumentarium van het regionale beleid. Ze biedt

in principe de mogelijkheid om activiteiten in het SIR-gebied
van overheidswege te reguleren. Voor de dienstensector is

deze constatering van groot belang, omdat deze een groot
deel van de economische activiteit in het Westen vertegen-
woordigt.

CPB, ibid., blz. 284.
NRC Handelsblad,
20 januari 1979.
NRC Handelsblad,
20 januari 1979.
NRC Handelsblad.
24 en 26januari 1979.

ESB 28-3-1979

315

De oprichting van regionale ont wikkelingsmaatschappijen

Deze maatschappijen passen binnen het streven naar een
meer directe overheidsbeïnvloeding van de economische acti-
viteit. De laatste jaren zijn een aantal van dergelijke maat-
schappijen opgericht, met de staat als belangrijkste of
als enige aandeelhouder. Momenteel kennen we in het

Noorden de NOM, in Overijssel de OOM, in Gelderland de
OOM, in Limburg het LIOF en in Noord-Brabant het

gedeeltelijk vergelijkbare Dienstverlenend Bureau. Belang-

rijke taken van deze instellingen zijn: het aantrekken
van nieuwe bedrijven, bedrijven behulpzaam zijn bij het

vinden van financieringsmogelijkheden, kredieten verstrek-
ken aan bedrijven en participeren in het aandelenkapitaal

van bestaande of nieuwe ondernemingen.

Uit de jaarverslagen van de NOM blijkt dat alle belangrijke

activiteiten (stimuleren vestigingen, begeleiden van uitbrei-
ding en reconstructie van bestaande bedrijven, stichten van

nieuwe bedrijven, deelnemen in bestaande bedrijven, ver-
richten van onderzoek naar innovaties) gericht zijn op

industriële bedrijven. Haar deelnemingen zijn aanzienlijk:

eind 1977 vertegenwoordigden zij een waarde van f. 114
mln. Het LIOF neemt o.a. deel in de Limburg Airlines
BV, hetgeen aangeeft dat de deelnemingen zich niet tot de

industrie behoeven te beperken. De OOM en OOM zijn
gezien de omvang van hun activiteiten nog van weinig

belang. Al met al heeft deze opvallende nieuwe activiteit
van de overheid zich nog nauwelijks uitgestrekt tot de

dienstensector. De oorzaak daarvan lijkt te liggen iti de
gedachte, dat industriële activiteiten voor de economische

basis van een regio belangrijker zijn dan dienstenactiviteiten.

Toenemende belangrijkheid van niet -specifiek regionale

maatregelen

Het verlies van arbeidsplaatsen in bepaalde bedrijven
en bedrijfstakken en de grote werkloosheid heeft na

1970 geleid tot het uitgebreid toepassen van een aantal
maatregelen, die niet in de eerste plaats bij het regionale

beleid behoren, maar waarbij toch de regionale werkloos-

heidssituatie als belangrijk verdelingscriterium wordt
gebruikt. Het is daarom verdedigbaar ook aan dit soort

maatregelen enige aandacht te besteden.

Ten
eerste noemen we de
aanvullende werkgelegenheids-

programma’s,
waarmee in de periode 1972 t/m 1978 ruim

f. 4,8 mld. was gemoeid. De besteding vond voornamelijk
plaats in provincies met grote werklooshéid. Uit een

onderzoek van vier noordelijke Economisch-Technologische
Instituten 14), blijkt dat deze gelden nauwelijks werden

aangewend voor werklozen uit de dienstensector. Ter

illustratie: het percentage van personen op aanvullende
werken met een dienstenberoep bedroeg in 1976 voör
Groningen 8, voor Friesland 9, voor Drenthe 6 en voor

Overijssel 7. De belangrijkste groepen
bij
de toewijzing waren

bouwvakkers (percentages 45, 38, 29, 50), landbouwperso-
neel (II, 18, 20, 23) en losse arbeidskrachten (34, 25, 35, 9),
welke groepen te zamen slechts bijna de helft van het

werklozenbestand uitmaakten.
Een tweede maatregel die vermelding verdiend is
steun aan

individuele bedrijven in moeilijkheden.
Tot 1973 bestonden

er kredietfaciliteiten voor ,,gezonde” bedrijven die moeilijk
in aanmerking kwamen voor een normaal bankkrediet met

een middellange looptijd. Na 1973 werd er in toenemende
mate steun verleend aan ondernemingen die zonder

overheidssteun veelal gedwongen zouden zijn te sluiten.

Tevens nam het steunbedrag aanzienlijk toe 15). Ter illustra-

tie van de sectorale verdeling van deze gelden noemen we
enige cijfers voor het jaar 1977: 0,06% is aangewend in de
dienstensector, namelijk bij één bedrijf een steunverlening
van f. 400.000. Ongeveer 85% kwam terecht in de metaal, che-

mie en textiel 16).
Ten slotte noemen we nog het
sectorstructuurbe/eid.
Dit

heeft de vorm van herstructureringsplannen voor bepaalde

bedrijfstakken. Is voor zulke takken een plan goedgekeurd,
dan staan kredieten onder staatsgarantie en subsidies voor

bepaalde uitgaven ter beschikking. De voorbereiding en uit-
voering berust bij de Nederlandse Herstructurerings Maat-
schappij (NEHEM), die hiertoe in 1972 is opgericht. Bij
het opstellen van bedrijfstakplannen wordt rekening ge-
houden met de regionale problematiek.

In de eerste jaren van haar bestaan heeft de NEHEM zich

alleen beziggehouden met de industrie. Sinds begin 1977

krijgt ze evenwel in toenemende mate te maken met diensten-
branches. Het sectorale beleid krijgt via de NEHEM nog

weinig gestalte. Als problemen hierbij kunnen we noemen:
het te laat starten van projecten, een weinig slagvaardig
optreden, soms weinig medewerking van werkgevers bij

informatieverschaffing, het ontbreken van een verplichting

om aan herstructurëring mee te doen en de afzonderlijke be-
handeling van steun aan individuele bedrijven door Econo-

mische Zaken. Gezien deze algemene problemen is de
betekenis van dit beleidsonderdeel vooralsnog zeer beperkt.

Afsluiting

In het voorgaande is aangegeven welke belangrijke
veranderingen zich in de instrumenten van het regionale
economische beleid hebben voltrokken. Uit dit overzicht
blijkt dat, hoewel de dienstensector reeds decennia lang een

grotere werkverschaffer is dan de industrie; pas op het eind
der jaren zestig voor deze sector in het regionale beleid

belangstelling is ontstaan. Als belangrijke ontwikkelingen
in dit kader hebben we aangegeven: uitbreiding van de IPR
tot stuwende diensten (1969), de introductie van de WIR o.a.
voor alle dienstenactiviteiten (1978), de concrete formulering
van het spreidingsbeleid tav. arbeidsplaatsen van de over-

heid (1972), de mogelijkheid via de SIR de ontwikkeling van
o.a. diensten in de Randstad en op de Veluwe af te remmen
(1975) en directe overheidsdeelneming via regionale ont-
wikkelingsmaatschappijen. Tevens hebben we aangetoond

dat de maatregelen met een duidelijk directe werking op

de dienstenactiviteiten, zoals SI R, spreiding Rijksdiensten
en deelnemingen via ontwikkelingsmaatschappijen, eigenlijk

nauwelijks daadwerkelijk zijn gehanteerd. De maatregelen
met een indirecte werking blijken grotendeels te bestaan
Uit kapitaalsubsidies, hetgeen voor de deels relatief arbeids-
intensieve dienstensector een geringere stimulering zal
betekenen dan voor de veelal kapitaalintensievere industrie.
In een volgend artikel zullen we de effectuering van een
tweetal instrumenten, namelijk de IPR en de spreiding van
Rijksdiensten, nog nader onder de loep nemen.

C. P. A.
Bartels
S. Y. Roosma

Vier Noordelijk ETI’s,
Een verkennend onderzoek naar de
gevolgen van het gevoerde aanvullende werkenbeleid voor deprovin-
cies Drenthe, Friesland, Groningen en Overijssel,
1977.
G. Paridaen en J. Smets,
De financiële hulpverlening aan af-
zonderlijke bedrijven door de Rijksoverheid,
doctoraal-scriptie,
Katholieke Hogeschool Tilburg,
1978.
Bron:
Staasscourant, 20
maart
1978.
ESB:
omdat de economie

verder gaat

316

(~ 1I~-)

Toets op taak

Over financiële verhoudingen
tussen departementen

DRS. N. C. M. VAN NIEKERK

Inleiding

Een vast onderdeel van de leer der
openbare financiën is de financiële ver-

houdingen tussen bestuurslagen. In

tegenstelling tot deze
verticale
financiële

verhoudingen hebben de financiële ver-houdingen tussen organisatie-eenheden
binnen één bestuurslaag

de
horizon-
tale financiële verhouding

tot nu toe

geen aandacht gekregen.
Dit artikel beoogt een eerste aanzet
te geven tot het voorzien in deze leemte.
Wij zullen ons richten op de financiële
relaties tussen departementen op het
niveau van de centrale overheid. In het

navolgende spreken we van interdepar-
tementale financiële verhoudingen.
Voorbeelden daarvan zijn het weten-

schapsbudget, het plafond voor ontwik-
kelingssamenwerking, de bekostiging
van rijkswege van stadsvernieuwing, het
bouwbeleid, het revalidatiebeleid enz.
Het openbaar bestuur ontbeert een
visie op deze interdepartementale finan-

ciële verhoudingen. Het sleutelwoord is steeds coördinatie, maar de vraag waar-

om eigenlijk, blijken weinigen zich te

stellen.
Definitie

Onder interdepartementale financiële

verhoudingen verstaan wij de al dan niet
formeel vastgelegde regels omtrent de financiële afhankelijkheid tussen twee of meer departementen. Deze definitie
verdient een korte toelichting. Zoals hier
geformuleerd is het eigenlijk een te ruime
omschrijving. Wij laten echter de relatie
van departementen met het Ministerie
van Financiën als schatkistbewaarder

buiten beschouwing, alsmede de finan-

ciële verhoudingen die voortvloeien
Uit
verrekeningen tussen rij ksdiensten. Ook

de interdepartementale financiële ver-
houdingen als gevolg van algemene be-

zuinigingsoperaties en compensatie-
maatregelen voor begrotingsoverschrij-

dingen blijven achterwege.
Centraal in de definitie staat de ,,finan-ciële afhankelijkheid tussen twee of meer
departementen”. Daarbij moet dus niet

direct worden gedacht aan rechtstreekse

financiële stromen van het ene naar het
andere departement, maar meer aan een
onderlinge afhankelijkheid van departe-
menten wat betreft hun beleidsprogram-
ma’s, in ‘het bijzonder hun uitgaven-

programma’s.
Daarmee is dan tegelijkertijd het kern-
vraagstuk van de interdepartementale
financiële verhoudingen op tafel gelegd.

Dat is de spanning die optreedt doordat

departementen een bepaalde mate van
staatsrechtelijke en daaraan verbonden

financiële zelfstandigheid hebben, ter-
wijl die departementen tevens deel
Uit-maken van een groter geheel, te weten
de centrale overheid.
Er is volop reden te veronderstellen
dat dë onderlinge afhankelijkheid van

departementen in de loop der jaren is toegenomen. Het aantal interdeparte-
mentale beleidsvraagstukken neemt toe

hetgeen tot uitdrukking komt in de in-
stelling van de ene na de andere inter-
departementale commissie 1). Opvallend
is dat deze ontwikkeling in de praktijk
van het openbaar bestuur alom bekend
is en tot fricties tussen departementen

aanleiding geeft maar dat vanuit dat
openbaar bestuur geen initiatief wordt

genomen tot een fundamentele analyse.
Wel is er vooral in tijden van kabinets
formaties sprake van een pragmatische
aanpak van interdepartementale vraag-stukken in het algemeen. Zo werd naar
aanleiding van de kabinetsformatie in
1971 door de toenmalige minister-presi-
dent een commissie ingesteld ter bestu-
dering van de interdepartementale taak-
verdeling en coördinatie (Commissie-
Van Veen) 2). Op de conclusies in het

door deze commissie uitgebrachte rap-
port is door de Wetenschappelijke Raad

voor het Regeringsbeleid voortgebor-
duurd 3). In 1977 verscheen een rapport
van de Ministeriële Commissie Inter-

departementale Taakverdeling en Coör-
dinatie (MITACO) 4). Maar geen van

de vorengenoemde publikaties besteedt

aandacht aan de financiële betrekkingen
tussen de departementen. Gezien het feit

dat het aantal interdepartementale be-
leidscommissies en andere horizontale

organisatievormen de laatste jaren sterk

is uitgebreid, is te verwachten dat ook
vraagstukken m.b.t. interdepartemen-
tale financiële verhoudingen nadrukke-lijker naar voren zullen komen.
Het eerste deel van de definitie van
interdepartementale financiële verhou-
dingen spreekt van ,,het gehele samen-
stel van al dan niet vast omschreven
regels”. Dat ook niet vast omschreven

regels in de begripsomschrijving zijn be-
trokken vindt zijn oorzaak in het ont-

breken van een juridisch kader zoals dat
bestaat voor de verticale financiële ver-

houding (Financiële verhoudingswet
1960).
De Comptabiliteitswet 1976 geeft

slechts in zeer beperkte mate regels voor

de financiële betrekkingen tussen depar-
tementen
5).
Wel bestaat er een wirwar
van uitspraken in afzonderlijke beleids-nota’s, memories van toelichting bij be-grotingshoofdstukken, schriftelijke ant-
woorden op kamervragen, instellings-
beschikkingen van interdepartementale

commissies enz. Daarnaast bestaan er
richtlijnen, spelregels en afspraken e.d.
die niet in openbare stukken zijn neer-

gelegd.
Enkele vormen van interdepartementale
financiele verhoudingen

Tussen volledige autonomie met be-

t) R. H. P. W. Kottman,
Succes- enfaalfac-
toren
bij
commissies,
Amsterdam, 1978, bij-
lage 2.
Commissie Interdepartementale Taakver-
deling en Coördinatie,
Besluursorganisatie
bij
de
kabinetsformatie 1971,
‘s

Gravenhage,
1971.
WRR, De organisat ie van het openbaar
bestuur,
‘s-Gravenhage, 1975.
MITACO,
Rapport van de
Ministeriële
Commissie Interdepartementale Taak verde-
ling en
Coördinatie,
Tweede Kamer, zitting
1977, 14
649,
nr. 1-2.
Artikel 13 van de Comptabiliteitswet (1976)
biedt de mogelijkheid tot het overbrengen
van artikelen of gedeelten daarvan naar een
ander begrotingshoofdstuk zonder dat de
tussenkomst van de wetgever is vereist. Het
gaat dan echter om begrotingswijzigingen als
gevolg van een wijziging van de taakverdeling
tussen departementen, waarbij de bestem-
ming en de omvang van de kredieten dezelfde
blijven.

ESB 28-3-1979

317

trekking tot het doen van uitgaven door

een departement aan de ene kant en vol-

strekte afhankelijkheid of zelfs overge-

dragen bevoegdheden aan de andere
kant is een rijke schakering van inter-

departementale financiele verhoudingen

zichtbaar. Een volledige opsomming is
hier niet mogelijk. Wel kan een grove

indeling worden gemaakt waarbij als
onderscheidend criterium wordt ge-
bruikt de mate waarin het ene departe-

ment in financiele zin afhankelijk is van het andere.
We onderscheiden drie categorieen:
in de eerste categorie is sprake van

een zekere mate van afhankelijkheid,
maar de uiteindelijke beslissingen ten

aanzien van een overheidsuitgave wor-

den door de departementen zelf geno-
men. Het minst ver gaat die vorm waar-

bij een departement vrijblijvend advies
vraagt, respectievelijk geeft. Vooral het

Ministerie van Financiën is in dit op-

zicht belangrijk. Dit departement wordt
dagelijks voor zeer uiteenlopende onder-

werpen om advies gevraagd. Daarbij
speelt mee de overweging dat het Minis-
terie van Financiën vanuit zijn rol van,
schatkistbewaarder vroeg of laat toch
met het betreffende onderwerp zal wor-
den geconfronteerd. Een stapje verder

gaat die vorm van interdepartementale
financiële verhoudingen waarbij een departement zich verplicht heeft een
nieuwe uitgave of een wijziging in een
uitgave aan te melden bij een ander

departement. Direct in het verlengde
hiervan ligt het voeren van vooroverleg. Een voorbeeld hiervan vinden we in het
decentralisatiebeleid. Sinds 1973 bestaat

,,de afspraak dat de ministers in een
vroeg stadium overleg zullen plegen over

aangelegenheden waarbij de financiën
van lagere publiekrechtelijke lichamen
betrokken zijn” 6);
een tweede categorie van inter-

departementale financiële verhoudingen
kenmerkt zich door een nog grotere mate

van afhankelijkheid en wel zodanig dat
de autonomie van de departementen in
financieel opzicht – al dan niet gedwon-

gen – wordt opgeheven. Een veel voor-
komende vorm binnen deze categorie
is de onderlinge toetsing van uitgaven
door een interdepartementale commis-

sie met vérgaande bevoegdheden. Voor
zover het gaat om uitgaven voor beleids-

onderwerpen die van voldoende politiek
gewicht zijn, is er ook het zogenoemde
rneetekenen van bewindslieden. Een
minister respectievelijk staatssécretaris
heeft hiermee een vetobevoegdheid ten

opzichte van andere departementen. Al
dan niet gekoppeld aan deze bevoegd-
heden ontstaat de behoefte aan overzich-
ten van begrotingsposten die betrekking
hebben op een bepaald beleidsonder-

werp. In het midden van de jaren zestig
komt op deze wijze het wetenschaps-

budget
tot stand. Sommigen beschouwen

het wetenschapsbudget slechts als een

dorre opsomming van begrotingsposten
op het terrein van wetenschappelijk on-

derzoek, maar een meer historische be-

nadering leert dat met de jaren de zelf-

standige betekenis van het wetenschaps-
budget steeds is toegenomen;

de stap naar een derde categorie
van interdepartementale financiële ver-
houdingen is daarmee in feiteal gemaakt.

Als kenmerk van deze categorie geldt
dat bevoegdheden van afzonderlijke
departementen worden overgedragen

aan één coördinerend departement.
De relatief gelijkwaardige positie van
departementen is daarmee verdwenen.

In politiek opzicht wordt een dergelijke
overheveling van bevoegdheden be-

krachtigd door het aanstellen van een
coördinerend bewindsman (bouwbeleid,

stadsvernieuwingsbeleid), een staats-
secretaris voor een bepaald beleids-

onderwerp (emancipatiebeleid) of zelfs

een minister zonder portefeuille (weten.
schapsbeleid, ontwikkelingssamenwer-

king).

Kanttekeningen

Bij deze indeling in categorieën pas-
sen nog enkele kanttekeningen. Aller-

Deze rubriek wordt verzorgd door het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven.

eerst moet worden benadrukt dat de ge-
kozen indeling – zoals elke indeling –
gestyleerd is. Tussenvormen of over-
gangsvormen zijn denkbaar. Ook zijn
verfijningen mogelijk. Zo is bij het stads-

vernieuwingsbeleid in het kader van de
zogenoemde interimsaldoregeling –
vooruitlopend op de eventuele invoering
van de Wet op de stadsvernieuwing –
een vorm geïntroduceerd waarbij een

financiële doorverbinding
van begro-
tingsposten van verschillende departe-

menten mogelijk is 7). In verband daar-
mee is een plafond ingesteld voor het

totaal van die homogene groep van uit-
gaven. Een dergelijke interdepartemen-
tale doorverbinding is als een variant

van een taakstellend bouwprogramma voor de rijksoverheid ook opgenomen
in de
Tweede nota bouwbeleid
8).
In de tweede plaats is bij de vooraf-
gaande categorisering bewust gekozen

voor een steeds opklimmende graad van
afhankelijkheid respectievelijk afnemen-
de autonomie. Sommige beleidsonder-
werpen doorlopen deze categorisering
fasegewijs in de richting van de laatst
onderscheiden categorie. Voor het ene
onderwerp (emancipatiebeleid) gaat dat
wat sneller dan voor het andere (weten-
schapsbeleid), maar de richting is onmis-
kenbaar.

In de derde plaats is uit de zojuist ge-

schetste dynamiek af te leiden dat het
in de sfeer van de overheid veel gebruikte

onderscheid tussen sectorbeleid en facet-

beleid maar van beperkte, statische be-

tekenis is. Wat gechargeerd gezegd, een
facet is zo lang een facet totdat het is

overgegaan in een sector. We zien immers

dat over departementen verspreide be-
grotingsposten met een homogeen karak-
ter in enkele gevallen stollen tot een
nieuw uitgaven-,,departement”. De stap

van een minister zonder portefeuille
naar een minister met portefeuille lijkt

minder groot dan de eerste stappen in
het stollingsproces waarbij departemen-
ten al dan niet worden gedwongen hun
autonome posities op te geven.

Een vierde kanttekening betreft het bij

de categorisering achterwege gelaten –

maar op zich zelf zeer relevante – onder-
scheid tussen verschillende fasen in het
beleidsproces. Het maakt uiteraard een

verschil of interdepartementale finan-
ciële verhoudingen zich reeds bij beleids-

voorbereiding en -vorming voordoen of

dat deze pas in de beleidsuitvoering op-
treden. Het zal geen verwondering wek-

ken dat interdepartementale financiële
verhoudingen in de eérste fasen van het

beleidsproces in het algemeen grotere

politieke aandacht trekken. In die fasen
immers is het voor departementen mo-

gelijk zich een relatief machtiger positie
te verwerven.

Ten slotte merken we op dat de hier
geschetste categorieën gemeen hebben
dat steeds sprake is van een opbouw
van afhankelijkheid in financiële zin van
onderop. Vanuit de bestaande uitgaven-

departementen wordt een homogene
groep áls het ware losgeweekt.
Dit ter onderscheid van wat we ,,exo-
gene potvorming” zouden kunnen noe-

men. Daarvan kan worden gesproken als
op kabinetsniveau tot het doen van uit-

gavenprogramma’s wordt beslist, waar-
bij de verdeling van de gelden over de

departementen in een laterstadium volgt.
De aanvullende-werkenprogramma’s

zijn van deze laatste vorm van interde-
partementale financiële verhoudingen

een goed voorbeeld.

Omgangsvormen tussen departementen

Centraal in de beschouwing tot nu toe
staat het ,,departement” als organisatie-
eenheid binnen de rijksoverheid. Wij zijn
er stilzwijgend van uitgégaan dat aan het
departement die centrale rol ook toe-
komt. Dat is echter niet zo vanzelfspre-
kend.

H. D. Tjeenk Willink, Coördinatie van het decentralisatiebeleid,
Besluurswezenschap-
pen,
augustus 1975, nr. 5, blz. 335.
Zie voor een uitgebreidere uiteenzetting:
N. C. M. van Niekerk, Stadsvernieuwing:
rijksbeleid en financiering,
Openbare Uitga-
ven,
1977, nr. 6.
Tweede nota bouwbeleid,
Tweede Kamer,
zitting 1977-1978, 15 118, nrs. 1 en 2, blz. 27
e. v.

318

Vaak wordt immers een onderscheid

gemaakt tussen politici enerzijds en
ambtenaren anderzijds. Maar alhoewel
een dergelijke indeling in bepaalde op-

zichten relevant is, geldt dat in mindere
mate voor een analyse van interdeparte-

mentale financiële verhoudingen en de
daarmee gepaard gaande omgangsvor-
men tussen departementen. ,,Rien n’est

impossible sinon de faire coopérer des

ministères. Pas des ministres: des minis-
tères”, aldus oud-minister Françoise

Girond, aangehaald door de Nederland-

se oud-minister van Justitie Polak 9).

Men hoeft de strakke basishypothese
van het rationele gedrag niet te hanteren
om te signaleren dat zowel bewinds-
lieden als ambtenaren hun ,,toko” be-
heren. Of, zoals Berg opmerkt, ,,besluit-

vorming tussen organisaties heeft be-
langrjke afwijkende kenmerken van die
binnen organisaties” 10). Nu is het ons
in de eerste plaats te doen om gedrags-
vormen van departementen t.a.v. de
financiële besluitvorming. Het lijkt dan
alleszins redelijk ervan uit te gaan dat

departementen er op uit zullen zijn hun

budget minimaal te consolideren. De

volgende hypothetische gedragsvormen

zijn nu uit deze basisveronderstelling
af te leiden:
overleg en coördinatie;
ter voorko-
ming van dubbele financiering zullen departementen hun uitgavenprogram-

ma’s op elkaar afstemmen;
concurrentie;
een departement zal ge-
neigd zijn zich financiële middelen toe

te eigenen door bij interdepartemen-
tale financiële doorverbindingen een laag bedrag op de begroting te plaat-
sen in de hoop dat een ander departe-
ment dat zal aanvullen;
afwenteling;
voor beleidsonderwerpen
die een grote claim leggen op dedepar-

tementale begroting en dus een be-

dreiging vormen voor andere pro-

gramma’s van dat departement, zal
worden gezocht naar alternatieve fi-

nancieringswijzen, zodanig dat de last

op andere departementen kan worden
afgeschoven;

toeëigenen van relatieve machtsposi-
tie;
getracht zal worden de status van
,,coördinerend departement” te ver-
krijgen, waaraan vaak ook een coördi-

nerende rol t.a.v. de uitgaven van een
beleidsprogramma is verbonden.

Slotopmerkingen

De verwachting is gerechtvaardigd
dat interdepartementale financiële ver-

houdingen in de toekomst van nog gro-
tere betekenis zullen worden. De roep

om ,,fondsen” of ,,budgetten” voor be-
leidsonderwerpen die een dwarsdoor-

snede vormen van twee of meer depar-
tementen klinkt de laatste jaren steeds
luider.

Of aan die roep ook gehoor zou moe-
ten worden gegeven is een vraag die

moeilijk is te beantwoorden. Daarvoor

ontbreekt een fundamentele kijk op dit

vraagstuk. Wij weten immers maar wei-
nig van de oorzaken van het ontstaan
van interdepartementale financiële ver-

houdingen. Een toenemende relatieve

verschuiving in de publieke voorziening

van collectieve goederen naar individu-
ele goederen speelt ongetwijfeld een rol.
Maar ook de ,,nieuwe schaarste” is van

invloed, alsmede de daarmee verband

houdende grotere cliëntgerichtheid (jon-
geren, ouderen, minderheden) en ruim-
telijke of territoriale gerichtheid (stads-

vernieuwing, groeikernen, regio’s) in de

voorziening van goederen en diensten
door de overheid.
Ten slotte verdient het aanbeveling

het vraagstuk van de interdepartemen-
tale financiële verhoudingen in relatie
tot de beheersing van de overheidsuit-gaven verder uit te diepen. Niet alleen
ontstaat er door de dwarsverbanden een
soort van matrix waarbij pleidooien
voor extra uitgaven een dubbele kans

krijgen, maar bovendien zouden de hori-

zontale financiële verhoudingen de rol
van het Ministerie van Financiën als
schatkistbewaarder wel eens danig kun-
nen ondermijnen.

N. C. M. van Niekerk

C. H. F. Polak, De ministeriële verant-
woordelijkheid en verantwoording,
Bestuurs-
wetenschappen,
1979, nr. 1, blz. 12.
E. L. Berg, Omgangsvormen tussen orga-
nisaties,
Bestuurswetenschappen,
1978, nr. 5,
blz. 371.

Vacatures

Functie:

Blz.:

Functie:

Blz.:

ESB van 14 maart

Wetenschappelijke medewerkers (full-time en part-time) voor het Interuniversitair Instituut voor Ac-
countancy Limperg te Amsterdam

.

258
Econoom (m/v) voor het Bureau Economische Zaken
van de afdeling Algemene Juridische Zaken van de
Provincie Gelderland te Arnhem

t!
Econometrist(e) voor de Algemene Bank Nederland
te Amsterdam

II!
Econoom (m/v) voor de onderafdeling Economisch
Onderzoek van de Provinciale Waterstaat Zuid-
Holland te Den Haag

IV
ESB van 21 maart

Jonge juristen, economen en
bedrijfskundigen (m/v)
tot ca. 30
jr.
voor beleidsfuncties bij de Ministeries
van Binnenlandse Zaken, Economische Zaken, Onder-
wijs en Wetenschappen, Sociale Zaken, Verkeer en
Waterstaat, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Orde-
ning te Den Haag 278

Wetenschappelijk medewerker (m/v) voor het Ministerie
van Landbouw en Visserij t.bv. het Landbouw-Eco-
nomisch Instituut, afd. Sfructuuronderzoek te Den
Haag
285
Hoofd bureau economische plannen
(m/v)
voor het
Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen van het
Ministerie van Defensie te Den Haag
294
Bibliothecaris

(m/v)

voor de

Erasmus

Universiteit
Rotterdam
298
Systeemontwerper voor het Ziekenhuis Informatie Sys-
teem BAZIS te Leiden
302
Ambtenaar Economische Zaken bij de Gemeente te
Capelle aan den IJssel
303
Controle-ambtenaren,

adjunct-inspecteurs en inspec-

teurs-accountants (m/v) voor de Algemene Reken-

kamer te Den Haag
304
Sociaal/regionaal econoom en een HEAO-er/ej voor de Provinciale Griffie Limburg te Maastricht
II
Enkele ervaren regionaal-economen voor de Stichting
Economisch-Technologisch Instituut (ETI) voor Zuid-
Holland te Rotterdam
III
Medewerker (m/v) voor de afdeling Welzijn (Bureau
organisatie van de beleidsvoorbereiding) van de Pro- vinciale Griffie Provincie Friesland te Leeuwarden
IV

ESB 28-3-1979

319

Maatschapp ijsp iegel

Sociale beheersing van

overheidsuitgaven

DRS. H. J. VAN DE BRAAK

The sociological dilemma for the modern public household is that ii not only has to providefor
public needs
in the con ventionalsense, but ii has become, inescapably, the arenafor ihefulfihiment
of private and group wants’
(Daniel Beu, The public household. On fiscal sociology and the liberaL society,
The public
interest, vol. 37, 1974, blz.
38).
Inleiding

Het is algemeen bekend dat parlemen-

ten in de loop der tijd zijn ontstaan om paal en perk te stellen aan de spilzucht

van vorsten. Overziet men in vogelvlucht
de parlementaire geschiedenis, dan

dringt de conclusie zich op dat de parle-
mentaire beheersing van overheidsuit-
gaven er eerder slechter dan beter op is
geworden. Het parlement heeft in theo-

rie weliswaar het laatste woord, bijvoor-

beeld krachtens het budgetrecht, maar

dat woord blijkt in de praktijk weinig
waard te zijn. Het lijkt erop dat de
publieke huishouding de arena is gewor-

den voor de onverzadigbare behoeften
van maatschappelijke pressiegroepen.

De in gang zijnde beheersing vân en

bezuiniging 6p overheidsuitgaven dreigt
daarmee voorbij te gaan aan de noden
van kwetsbare, sociale groeperingen.

In het navolgende zal ik een vermetele
poging wagen om de huidige bezuini-
gingsepisode te vergelijken met de
regeringsperiode onder Willem 1. Naast
evidente verschillen levert die vergelij-
king een opmerkelijke overeenkomst op.

In 1840 wordt bekend dat Koning Wil-

lem 1 in het huwelijk wil treden met de

katholieke Belgische hofdanie Henriëtte
d’Oultremont-Wégimont. Het volk ont-
steekt in een storm van protest. Was

het Verenigd Koninkrijk der Nederlan-
den immers niet stukgelopen op Wil-

lem’s hardnekkige streven om de katho-
lieke kerk aan de staatsmacht te onder-

werpen, terwijl zijn ,,rijk” vier miljoen
Zuidnederlandse katholieken telt en nog

geen anderhalf miljoen Noordneder-

landse protestanten? Hoe dat zij, een
deputatie van predikanten tracht hem,
tevergeefs, van het ,,onbehoorlijke” van
zijn voornemen te overtuigen. Zodra de

grondwetsherziening van 1840 is aange-
nomen, doet Willem 1 troonsafstand,

vertrekt naar Duitsland en treedt op 17
februari, na pauselijke dispensatie, in het

huwelijk met Henriëtte d’Oultremont-

Wégimont, bijgenaamd Jetje Donder-

mond 1). De werkelijke reden voor de troonsaf-
stand van Willem 1 ligt natuurlijk – net

zoals bij vele latere kabinetscrises —die-

per, namelijk in de algemene ontevre-
denheid over het financiele beleid.

Typerend is bijvoorbeeld, dat de begro-
ting voor 1840 met algemene stemmen

wordt verworpen door de Staten-
Generaal, op één stem na, namelijk

die van de minister van Financien Bee-
laerts van Blokland 2). In feite duidt dit
votum op een acuut geworden conflict
tussen Koning en Staten-Generaal: de
laatste wil meer zicht en greep hebben op

het geldelijk beheer. Een en ander vindt
zijn beslag in de grondwetsherziening
van 1840. De beheersing van de finan-
cien wordt verbeterd door invoering
van een tweejaarlijkse in plaats van een
tienjaarlijkse begroting, opgesplitst naar
de ministeriële departementen. Boven-

dien wordt in het staatsrecht de straf

rechtelijke verantwoordelijkheid van de
ministers opgenomen, die betrekking

heeft op hun
rechtmatig handelen
en

uiteindelijk ter beoordeling staat van de

Hoge Raad. De staatkundige verant-

woordelijkheid, die het
doelmatig han-

delen
regardeert, en ter beoordeling staat

van de Staten-Generaal, wordt pas bij de

Grondwetsherziening van 1848 geregeld.

Openbaarheid van staatsfinanciën

De regeringsperiode onder Willem 1

(1813-1840) wordt onder meer geken-
merkt door een ongekende chaos op het
gebied der rijksfinanciën: gebrek aan
openbaarheid en controle, onwettige uit-

gaven en voorâl een zeer hoge en snel stij-

gende staatsschuld, die – met de daar-
aan verbonden lasten van rente en aflos-

sing – het land op de rand van een

staatsbankroet brengt.
Alles overheersend probleem vormt de

staatsschuld (1813: ca. f. 1.250 mln.),

die grotendeels een nasleep is van de
voorafgaande perioden van revolutie
en oorlogen. De oprichting van een zoge-

heten Amortisatiesyndicaat, bedoeld om
de schuldaflossing te bewerkstelligen,
brengt geen uitkomst doch verslechtert

zelfs de situatie. Het syndicaat gaat

zelf nieuwe schulden aan en versterkt de
mogelijkheid voor de Koning om buiten

de begroting om, dus buiten controle van
parlement en rekenkamer, uitgaven te

doen. Direct gevolg is een schrikbarende

daling van het vertrouwen in staatskre-

diet. Staatsleningen onder bedreiging

van belastingheffing komen in die jaren

veelvuldig voor 3)!
Na de afscheiding van België in 1839
en de verwerping van een leningswet,

evenals de verwerping van de begroting
in 1840, leidt het afgekeurde financiële

wanbeleid van Willem 1 tot diens aftre-
den én tot een algehele eis tot financiële
opening en ,,assainering” van zaken.
Kortom, men eist voor de toekomst
openbaarheid van staatsfinanciën.

Onder de regeringsperiode van Wil-
lem 1 geldt als formele begrotingsnorm

de sluitende totale dienst, in dié zin
dat de totale rijksinkomsten voldoende

dienden te zijn voor de financiering van
de rijksuitgaven waaronder die voor

schuldaflossing. Echter, door een veel-
vuldig beroep op ,,buitengewone om-

standigheden” en door financiële mani-

pulaties komt daar in de praktijk weinig

van terecht. Naast de norm van de slui-
tende totale dienst wordt dan ook een
tweede aanvullende norm gehanteerd,
die niet het begrotingssaldo betreft,

maar het rjksuitgavenniveau. Een laag
uitgavenpeil voorkomt immers de kans
op verhoging van de belastingdruk.
Vooral sinds 1850 treedt een aanzien-
lijke daling op van de staasschuld. Dat

L. G. J. Verberne,
Geschiedenis van Ne-derlandin de jaren 1813-1850,
deel 1, Utrecht,
1958,
blz.
30.
Idem, deel II, blz.
108.
Th. A. Stevers, Begrotingsnormerin 1814-1939, Economisch- en sociaalhistorisc
jaarboek,
deel
39,
‘s-Gravenhage,
1976,
blz.
104.

320

resultaat wordt allereerst bereikt via een uiterst stringent en zuinig beleid, vooral

met betrekking tot de defensie-uitgaven.
Ten tweede leidt de sterke stijging van
rijksinkomsten tot een aanzienlijke ver-

mindering van de staatsschuld. Die in-
komsten betreffen de Indische baten, die
Nederland ,,verwerft” door de invoering

van het beruchte cultuurstelsel 4). Ge-
durende deze periode in onze vaderland-

se geschiedenis wordt het streven naar

een sluitende rijksbegroting én naar
een laag niveau van rijksuitgaven vooral

ingegeven door een vrees voor de ,,bur-
den of debt”. Achter deze vrees om
schulden te hebben en te maken steekt

vooral de afkeer van de censuskiezers

voor belastingverhoging.

Belastingweerstand

Die weerzin tegen belastingmaat-

regelen blijkt vooral uit de principiële
kwestie die het zogeheten
schaalrecht
in
het parlement ontketent
5).
Deze invoer-
heffing op graan wordt in 1835 ingesteld
ten einde de prijzen van rogge en tarwe

in het binnenland op een voor boeren
aangenaam peil te houden. Voor de

brede volksmassa maakt deze graan-

hefffing, gecombineerd met een accijns
op het gemaal, het brood echter z6 duur, dat de aardappel het hoofdvoedsel wordt
voor alle maaltijden. De uiterst karige

voeding, zo niet de ondervoeding van de
arbeidende klasse in de 19e eeuw bereikt
daarmee een ellendig dieptepunt 6). Tot
overmaat van ramp breekt in de jaren

veertig een aardappelziekte uit, ge-
volgd door hongersnood en ongeregeld-

heden. Het topjaar van de crisis is
1847, tevens het topjaar van massale
emigratie naar Amerika, niet alleen van-

Uit Nederland, maar ook vanuit Frank-
rijk, Groot-Brittannië, Ierland en de
Duitse landen 7).

Ondanks deze catastrofe weigert de
Tweede Kamer de accijns op graan af te
schaffen. Zij staat namelijk voor een
principiële keuze. Afschaffing van de

accijns op één levensbehoefte kan de af-
schaffing van verscheidene accijnzen –

op vlees, zout, bier, zeep, suiker, e.d. –
tot consequentie hebben. Daarmee dreigt immers de noodzaak tot een
vervangende belasting op weelde-arti-
kelen of zelfs op inkomen en vermogen.
Een tweetal omstandigheden stelt de
Tweede Kamer in de gelegenheid om tot

afschaffing van het schaalrecht en enige
andere accijnzen op eerste levensbehoef-
ten te komen z6nder dat de door census-
kiesrecht gekozen kamerleden een prin-
cipiële beslissing – die in eigen vlees zou

snijden – behoeven te nemen 8). Ten

eerste zijn er de steeds hoger oplopende

Indische ,,baten”, die ruimte scheppen
voor de afschaffing van enige accijnzen
zonder dat compenserende heffingen

nodig zijn. Ten tweede vindt in de jaren
vijftig een opleving van handel en nijver-
heid plaats, waardoor de opbrengst uit

bestaande belastingbronnen zodanig
stijgt, dat enkele verteringsbelastingen
kunnen worden afgeschaft.

,,Schulden maken rijk”

Kenmerkend voor de geschetste epi-
sode uit onze vaderlanlse geschiedenis

is de angst voor de staatsschuld als-
mede de daarmee verband houdende
weerzin tegen belasting(-verzwaring),
vooral gelet op de toenmalige omstan:

digheden en inzichten. In 1813 bedroeg

die staatsschuld ca. f. 1.250 mln.

Anno 1979 bedraagt de totale staats-
schuld om en nabij de f. 70 mrd., een
bedrag dat ruwweg neerkomt op zo’n
25% van het nationaal inkomen. Wij
spreken echter niet van een dreigend
staatsbankroet, omdat de staatsschuld
niet vergelijkbaar wordt geacht met de
schuld van een gezin of een bedrijf. In
feite moet de staatsschuld worden gezien
als een schuldverhouding tussen binnen-
landse huishoudingen. Een deel van de
belastinginkomsten, geheven van bur-
gers die actief zijn in het produktie-

proces, is immers bestemd voor het be-

Deze rubriek wordt verzorgd door de afdeling Sociaal-Economisch Beleid
van de Erasmus Universiteit Rotterdam

talen van de rente op de staatsschuld,

die weer voor een groot deel in handen is
van pensioenfondsen. Deze institutione-
le beleggers gebruiken de rente voor het
doen van uitkeringen aan postactieven,
een modieuze term voor gepensioneer-
den. Een misverstand dat nog wel eens voorkomt, behelst dat men de overheid

voorstelt als
een gezinshoofd met een
broekriem
9) en dat voortdurende
begrotingstekorten een teken van finan-

cieel wanbeleid en losbandigheid zijn.
Men vergeet daarbij, dat de overheid
allerhande collectieve goederen en dien-
sten produceert. Voorts wordt vergeten
dat de gezamenlijke bedrijfshuishoudin-
gen jaarlijks een tekort vertonen dat nog
groter is dan dat van de staat, terwijl voorts is geschat dat de Nederlandse
consument voor zo’n f. 99 mrd. in het
krijt staat (f. 90 mrd. hypothecair krediet
en f. 9 mrd. consumptief krediet) 10).

Met andere woorden, het gesignaleer

de misverstand kan de vorm aannemen
van een anachronisme. Dat wil zeggen

een onjuiste extrapolatie van het heden
naar het verleden. Alhoewel Stevers dat

zeker niet zo bedoeld heeft, drukt hij zich
in zijn studie over begrotingsnormering
(ten tijde van b.v. Willem 1) onzorgvul-

dig uit: ,,Het alles overheersende finan-
ciële probleem vormde de
voor onze
begrippen
onvoorstelbaar grote staats-
schuld, gelet op
de toenmalige verhou-
dingen” 11)
(curs. VDB). Het misver-

stand kan ook de vorm aannemen van
een zogenoemde ,,fallacy of the wrong

level”, omdat wat voor een micro-

huishouding geldt nog . niet hoeft te

gelden voor een staatshuishouding.
Macro-economisch gezien, wordt het

begrotingstekort – zoals bekend –
gehanteerd als stuurinstrument, in casu
door middel van het manipuleerbare peil

van de overheidsuitgaven en dat van de
belastingtarieven.

Tax-welfare backlash

De belastingweerzin van de 19e-eeuw-

se censuskiezer verklaart voor een

belangrijk deel de angst voor (staats-)
schuld. De weerzin tegen belasting beta-

len bestaat echter nog onverminderd.
Het betalen van belasting wordt niet

zozeer gezien als een offer of een prijs
voor de verworvenheden van de verzor-

gingsstaat, maar eerder ervaren als een
persoonlijke welvaartsvermindering 12)
of zelfs als confiscatie, onteigening,
dwangarbeid of zakkenrollerij.

De Amerikaanse socioloog Harold

Wilensky spreekt in dat verband van
,,tax-welfare backlash”. Dat wil zeggen.
dat mensen in de moderne verzorgings-
staat graag gebruik maken van de goe-
deren en diensten die de publieke huis-

houding produceert, maar terughou-
dend en zelfs onhandelbaar blijken als
het op betalen aankomt 13). Je zou ook

kunnen zeggen dat veel electorale onte-
vredenheid jegens het rijskuitgavenbe-
leid als het ware wordt ,,kortgesloten”

via de weg van de rij ksinkomsten: belas-
tingafwenteling, -ontduiking enz. Uit het
Nationaal kiezersonderzoek 1977
blijkt
bijvoorbeeld, dat 50% van de responden-
ten zich kan verenigen met de uitspraak
dat ,,heel wat van onze belastinggelden
door de overheid verkeerd wordt besteed

Verberne, ibid., deel II, blz. 186 e.v.
A. C. J. de Vrankrjker,
Geschiedenis van
de belastingen.
Bussum, 1969, blz. 68 e.v.
Vgl. 1. J. Brugmans,
De arbeidende klasse
in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870),
Utrecht, 1961, blz. 154-169.
Verberne, ibid, deel II, blz. 148. In
pré-industriële samenlevingen is de graan-
prijs het gevoeligste detectiemechanisme van
wel en wee. Zie Kees Bertels,
Geschiedenis
tussen structuur en evenement,
Amsterdam,
1973, blz. 159.
A. C. J. de Vrankrjker, ibid., blz. 70-71.
J. J. Klant, Schulden maken rijk,
De Gids,
141ejg., nr. 9/10, 1978, blz. 554.
Feike Salverda en Vincent Bakker,
Nederlanders in de schulden,
Vrij Nederland,
jg. 40, 3 februari 1979, blz. 3-4.
ii) Stevers, ibid., blz. 103.
Daniel BelI,
The coming ofpost-industri-
al society; a venture in socialforecasting,
New
York, 1973, blz. 280.
Harold L. Wilensky,
The ‘new corpora-
tism centralization and the welfare state,
Londen, 1976, blz. 8. Vgl. H. J. van de Braak,
Belastingheffing op menselijke maat, Belas-
tingbeschouwingen; maandblad voor belas-
tingrecht en belastingpraktijk,
48e jg.
nr
. 1,
jan. 1979, blz. 6-16.

ESB 28-3-1979

321

14). Méér houvast biedt de conclusie
uit Wilensky’s vergelijkende onderzoek:

de intensiteit van belastingweerstand
wordt niet zozeer verklaard door de
hoogte van de belastingdruk of de om-

vang van de overheidsuitgaven, maar

eerder door variabelen als ,,belasting-

zichtbaarheid”, beslotenheid van het

politiek-parlementaire besluitvormings-
systeem (kiesdrempels!) en ten slotte
door de mate waarin overheid en maat-
schappelij ke pressiegroepen met elkaar

,,zaken” doen 15).
Vooral dit laatste punt verdient de
aandacht, omdat het verwijst naar een

bedenkelijke tendens tot neocorporatis-
me. Vers in het geheugen ligt wat dat

betreft de Ogem-Nederhorst-affaire, die

exemplarisch is voor een situatie waarbij
miljarden overheidssteun worden ver-
leend aan zieltogende bedrijfstakken
zonder dat het parlement daar bevredi-
gend zicht en greep op heeft 16). Er is

kennelijk ook zoiets als een dalende

uitgavenmoraal.

Gedragsveronderstellingen

Spitste het financiële conflict in 1840
zich toe op de ongeregelde verdeling van

budgettaire bevoegdheden en verant-
woordelijkheden tussen Koning en kabi-
net enerzijds en censusparlement ander-
zijds, anno 1979 spitst het bezuinigings-
conflict zich toe op de verstrengeling van

sociaal-economische bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van regering,
bureaucratie en parlement enerzijds en
maatschappelijke pressiegroepen ander-

zijds. De uitkomsten van het arbeids-

voorwaardenoverleg en die van het be-
grotingsoverleg zijn immers niet langer
neutraal ten opzichte van elkaar.
Bestek

81
moet in dat verband vooral gezien
worden als een budgettaire therapie,
waaraan een omstreden sociaal-econo-

mische diagnose ten grondslag ligt.
Het gemis van een positieve theorie van

het budgettair gedrag is dan pijnlijk
zoniet gênant. In de woorden van Daniel

BeIl: ,,We have no integrated theory of
the economics and politics of public

finance, no sociology of the structural

conflicts between classes and social
groups on the decisive questïon of
taxatïon, no political philosophy (with
the recent exception of John Rawls, but

nothing from socialist writers) which
attempts to formulate a theory of
distributive justice based on the centra-
lity of the public household in modern

society” 17).
Aan de hand van enige elementaire

gedragsveronderstellingen heeft Koop-
mans indertijd geprobeerd langs theore-
tische weg aannemelijk te maken, dat de
consensus die nodig is voor het voortbe-
staan van een regeringscoalitie uiteinde-
lijk wordt bereikt éver de ruggen van de

belastingbetalers. De veronderstelde
harmonie tussen conflïctminimaliseren-

de sectorministers en vaste kamercom-

missies én de budgetmaximaliserende bureaus van de departementen zou tot

dat (dubieuze) resultaat leiden 18).
Langs dezelfde weg redenerend, zou men
kunnen veronderstellen dat – gelet op

de dreigende confrontatie tussen werk-

nemers- en werkgeversorganisaties èn

gelet op de maximale belastingdruk –

diezelfde consensus, nodig voor het
voortbestaan van de huidige regerings-
coalitie, uiteindelijk wordt bereikt bver
de ruggen van sociale uitkeringstrekkers.
Immers, van de groeiende categorie der

uitkeringstrekkers valt de minste georga-
niseerde weerstand te duchten als het

gaat om het doorzetten van bezuini-

gingsmaatregelen. Behalve hun stemge-
drag hebben zij niet de beschikking over
adequate machtsmiddelen om verlan-

gens van verdelende rechtvaardigheid

in de politieke arena te brengen. Men
is overgeleverd aan de goede bedoelin-
gen van anderen.
Een opmerkelijke parallel met de ge-

schetste 19e-eeuwse situatie dringt zich

op. TÔen waren het de censuskiezers die het in hun macht hadden om soeverein te

beslissen over de afschaffing van accijn-
zen op eerste levensbehoeften, waar kies-
rechteloze burgers onder gebukt gingen.

Nü zijn het de georganiseerde partners

in het arbeidsvoorwaarden- en het so-
ciaal-politieke overleg, die naar be-
lieven kunnen beslissen over de inko-
menskortingen, waar machteloze uit-

keringstrekkers mee geconfronteerd
worden. Het ingewikkelde plan van de

FNV om via een looneis van f. 20 bruto
per maand dc sociale-uitkeringsinko-
mens op te krikken is in elk geval mis-

lukt. In géén van de tot dusver afgesloten
cao’s komt zo’n initiële loonsverhoging
voor en ook de onderhandelende indu-

striebonden hebben aan die eis weinig
prioriteit gegeven. Dat valt de vakbe-
weging niet te verwijten: zij kan moei-

lijk bij de werkgevers iets terughalen,

wat het kabinet de uitkeringstrekkers

heeft ontnomen.
Op die manier is de beheersing van de
overheidsuitgaven vooral een sociaal

probleem, namelijk het probleem van
het voorkomen dat inactieven als het

ware gegijzeld worden 19) door de on-

ESb
Mededeling

Panta Rei over creatief verlof

Op donderdag
5
april organiseert Panta Rei (Kring van afgestudeerden
van de EUR) een voor iedere belang-
stellende toegankelijke bijeenkomst over

,,Volledige werkgelegenheid door crea-
tief verlof”.

Sprekers: Prof. Dr. L. J. Emmerij,
rector van het Institute of Social Stu-

dies, voorzitter van de SER-commissie

verenigbare uitkomsten van het be-

grotings- en arbeidsvoorwaardenover-
leg. De vertegenwoordiging van de

sociale-zekerheidscliënt – voor zover

die niet meer actief is in het arbeids-
proces – in de bestuurlijke Organisatie

is inmiddels al bepleit 20), maar – zo
valt te vrezen – voorlopig nog niet ge-

realiseerd.
Jean-Baptiste Say heeft in het begin

van de 19e eeuw de volgende stelregel

geformuleerd: ,,De beste begroting is
de kleinste begroting”. Met de interde-

pendentie van het begrotings- en ar-
beidsvoorwaardenbeleid in het achter-
hoofd prefereer ik de volgende stelregel:

,,De beste begroting is de Salomon’s be-

groting” (twee broers twisten over hun

erfgoed. Geen van beiden erkent de ver-

deling van de ander. Salomon oordeelt:

,,De ene broer mag het verdelen en de
andere mag het eerst kiezen”).

H. J. van de Braak

14) G. A.
Irwin, J. Verhoeff en C. J. Wie-
brens (red.),
De Nederlandse kiezer 77,
Voorschoten,
1977,
blz.
37.
IS) Wilensky, ibid, blz.
21-23.
,,Het neo-corporatisme
is
géén doctrine,
geen blauwdruk van een gewenste samenle-
ving of een na te streven politiek bestel. Het neo-corporatisme is het onbedoelde
gevolg van beslissingen en ontwikkelingen
die de verzorgingsstaat van kleur hebben doen
verschieten”. Leon de Wolff n.a.v. de over-
name Ogem-Nederhorst Bouw over: Het neo-
corporatisme,
Haagse Post, 15
april 1978,
blz.
28.
Daniel HeIl, The public household. On
fiscal sociology and the liberal society,
The public interes:, Vol. 37, 1974,
blz.
30.
L. Koopmans, Beheersing van de over-
heidsuitgaven,
Openbare Uitgaven, 5 (1973),
4
(dec.), blz. 161. Vgl. W. J. van Braband, De
primitieve theorie van het budgettaire gedrag
en zijn implicaties voor planning en beleids-
analyse,
Openbare Uitgaven,
maart
1974,
blz.
3-19.
Vgl. D. J. Wolfson, Op zoek naar een
aanvaardbare verdeling, in W. Driehuis
(red.),
Economische t/teorie en economische
politiek in discussie,
Leiden,
1977,
blz.
304-
305.
G. M.
J. Veldkamp,
Afscheid van de ver-
zekeringsgedachte,
Deventer,
1978
blz.
18.

Betaald Educatief Verlof en auteur van

het boekje
Volledige werkgelegenheid
door creatief verlof
en Dr. C. J. M. Boe-
ren, secretaris onderwijszaken van het

VNO en auteur van het boekje
Oplei-

ding, educatief verlof permanente edu-
catie.
Plaats: Erasmus Universiteit Rotter-dam (Woudestein), zaal D5. Aanvang:

19.30 uur.

322

Bedrijfseconomie

Uitleiding

PROF. DR. A. BOSMAN
PROF. DR. J. L. BOUMA

Op verzoek van de redactie van dit

tijdschrift begon de toenmalige afdeling,
thans de vakgroep, bedrijfseconomie
van de Economische Faculteit te Gro-
ningen, in 1973 aan een serie artikelen
over de wijze waarop deze vakgroep het
werkterrein van de bedrjfseconomie af

bakende en de wijze waarop de proble-
men in dat gebied werden gedefinieerd.
Het was uiteraard te voorzien dat een
dergelijke reeks van artikelen, met een

verschij ningsfrequentie van één afleve-
ring per 6 tot 8 weken, gedurende een

lange periode zou ,,lopen”. In het eerste artikel werd onderstaan-
de figuur gepubliceerd, waarin de op-

bouw van de reeks werd geschetst t).
Uitgangspunt voor de opbouw was een
indeling in drie fasen. In de eerste fase

werd de problematiek van het beslissen
ten aanzien van de allocatie van schaar-
se, alternatief aanwendbare, middelen
in algemene zin besproken. Die bespre-
king spitste zich vooral toe op de pro-
blematiek van het definiëren van z.g.

beslissingsprocedures of beslissings-
regels. In de tweede fase werd die proble-
matiek verder uitgewerkt voor een aan-tal functies in een Organisatie, waarvan

Figuur

de belangrijkste met naam zijn genoemd
in de figuur. In de derde fase zou vooral

aandacht worden geschonken aan de problematiek van de coördinatie van

de behandelde beslissingsprocedures.
De produktie in het kader van de
reeks is tot oktober 1978 als volgt ver-
lopen:

ase of onderdeel
aantal artikelen
gestart in
van een fase

‘ase

1
II
januari 1973
roduktie
13
augustus 1974 siarketing
15
januari 1976 inanciering
8
november 1977

In oktober 1978 deelde de redactie
ons mede dat zij de artikelen die waren
gepubliceerd te theoretisch van aard
vond. Zij verzocht ons de nog te publi-
ceren artikelen een meer praktische in-

slag te geven. Na rijp beraad hebben wij
besloten aan dit verzoek geen gevolg

te geven. Beide auteurs die als redactie-
team binnen de vakgroep voor deze

reeks hebben gefungeerd, maken gaarne
van de door de redactie van dit tijdschrift

geboden mogelijkheid gebruik ôm het
genomen beluit nader toe te lichten.
De belangrijkste argumenten die tot
dit besluit hebben geleid zijn de vol-

gende:
• de geschetste opzet van de reeks en
de fase van de realisatie van ons voor

nemen maken het ongewenst het ka-
rakter van de nog te verschijnen bij-

dragen te wijzigen. De samenhang en
consistentie vân de ,,boodschap” als
geheel zou onder de praktische ,,face

lifting” schade lijden;
• de grondslagen van een bepaald vak-
gebied behoeven niet direct te worden
geïllustreerd aan de hand van prak-

tische toepassingen. Dit geldt in het
bijzonder voor het vakgebied van de
bedrijfseconomie, omdat het gevaar

niet denkbeeldig is dat de aloude
methodologische misvatting, inhou-
dende dat de bedrijfseconomie bij uit-
stek moet worden beschouwd als een
toegepaste wetenschap, weer nieuw
leven wordt ingeblazen. Daarmee wil

niet zijn gezegd dat de bedrijfsecono-mie geen praktische toepassingen zou

kennen of zou kunnen geven, doch deze dienen dan wel als zodanig te

worden aangekondigd. Ze passen in

principe niet in de opzet van de on-
derhavige reeks.

Onze argumenten sluiten stellig niet
uit dat wij begrip kunnen opbrengen

voor het verlangen van de redactie van
ESB
dit tijdschrift zijn op de praktijk en
de toepassing gerichte karakter te doen

behouden. Wij danken haar voor de
ruimte die zij onze vakgroep heeft willen
toestaan in haar kolommen en voor de
tolerantie die zij tot dusver met betrek-
king tot ons ,,project” heeft opgebracht.
Gezien de belangstelling voor de reeks

stellen de beide auteurs zich voor de
reeks wel te continueren. Volgens plan
zullen nog 6 artikelen over de functie
financiering verschijnen. Deze zullen

1) A. Bosman, Inleiding (1),
ESB, 17
januari
1973.

ESB 28-3-1979

.

323

Esb
In gezonden

Volgens Dr. W. van Voorden heeft het

sectorstructuurbeleid afgedaan en maakt
het plaats voor het regionaal-econo-
mische beleid 1). Als bewijs daarvoor
wijst hij op de mislukkingen die zich
recentelijk bij het sectorstructuurbeleid

hebben voorgedaan, op ad-hoc-maat-
regelen bij het steun- en stimulerings-

beleid en op het fiasco van de NEHEM.

Dat er een toekomst is weggelegd voor
het regionaal-economische beleid, be-
wijst hij aan de hand van het eind vorig

jaar uitgebrachte
Advies inzake de

hoofdlijnen van het regionale sociaal-
economische beleid
van de SER.

De conclusie van de heer Van Voorden
is echter onjuist. Sectorstructuurbeleid
bestaat in Nederland nog nauwelijks.

Wat de heer Van Voorden doet, lijkt dan
ook meer op een abortus dan op een ten
grave dragen van dit beleid. Ik zal dit aan

de hand van enkele feiten proberen dui-
delijk te maken.
1. De heer Van Voorden maakt niet
duidelijk wat hij onder sectorstructuur-
beleid verstaat. In zijn artikel haalt hij
de termen sectorstructuurbeleid, sector-
beleid en structuurbeleid door elkaar. Ik
wil geen discussie opzetten over defini-

ties, maar wel vermelden dat Van Voor-
den de lezer niet precies duidelijk maakt

waarover hij het heeft. In feite heeft Van

DRS. L. HOFFMAN

Voorden het over drie soorten beleid

een beleid, dat uitsluitend betrekking heeft op het econonisch functioneren

van afzonderlijke sectoren of bedrijfs-

takken. Dit beleid wordt reeds jaren

met wisselend succes in Nederland ge-
voerd, zowel met als zonder medewer-king van de overheid;

een beleid, dat de sectoren of bed rjfs-
takken in hun onderlinge samenhang
beziet en uitspraken doet over de

vraag welke sectoren steun behoeven,
moeten worden geherstructureerd of
eventueel afgebouwd. Dit beleid is
voornamelijk van belang ingeval de

overheid om financiële steun wordt
gevraagd. Een dergelijk beleid bestaat
in Nederland nog nauwelijks;

een beleid dat zich – zonder zich veel

aan te trekken van de sectorale inde-
ling in Nederland – richt op vnl. regio-
nale sociaal-economische vraagstuk-

ken.

Het onder c genoemde bèleid kan
nooit een alternatief zijn van het onder

a en b genoemde beleid. Wel dienen

alle drie vormen van beleid goed op el-
kaar aan te sluiten. Vandaar ook de door
de heer Van Voorden terecht aange-

haalde opmerking uit het genoemde
SER-advies datereenafzonderljk advies

moet worden gewijd aan de veelvoudige

samenhangen tussen regionale en secto-
rale ontwikkelingen. Dat zich bij het op

elkaar aansluiten van de diverse beleids-
vormen conflicten zullen voordoen,

spreekt vanzelf. Deze conflicten komen
m.i. vnl. voort uit de niet op elkaar aan-

sluitende instituties die in Nederland

reeds bestaan (regionale ontwikkelings-
maatschappijen en NEHEM), terwijl in

Nederland de uitgangspunten van het

sectorstructuurbeleid en regionaal-eco-
nomische beleid nog onduidelijk zijn.
2. Zowel in Nederland als in het bui-

tenland komt de discussie over het te

voeren sectorstructuurbeleid nu pas

goed op gang. Wat het buitenland betreft
wil ik wijzen op discussies binnen en
publikaties van de OECD 2) en op dis-

cussies binnen de EG (vnl. met betrekking
tot de staal en de chemische vezels) 3).
Het is de heer Van Voorden niet kwalijk

te nemen dat hij daarvan geen melding
maakt. Dat echter de discussie over het
sectorstructuurbeleid in Nederland pas
nu goed op gang komt (en dan met name

om de combinatie vanhet hierboven
onder a en b genoemde beleid) had Van
Voorden wel kunnen weten. 1k wil hier
verwijzen naar: het rapport van het CDA,
Gespreide verantwoordelijkheid;
de rede
van de voorzitter van het NCW op
29 januari jI. (beide worden door Van

Voorden overigens in zijn artikel ge-
noemd); het rapport van de Commissie-
De .Galan voor het congres van de PvdA

in april a.s.; de eind vorig jaar door de
Tweede Kamer aanvaarde motie-
Beckers, waarin de regering wordt
uitgenodigd met een wetsontwerp inzake
het sectorstructuurbeleid te komen:

Dr. W. van Voorden, De regio als sociaal-
economisch beleidskader,
ESB, 21
februari
1979,
blz.
200-203.
B. v.
Seleciedindustrialpolicy instrumenis,
Parijs,
1978.
Zie ook mijn artikel Twee zielen,
ESB,
7
februari
1979,
blz.
139,
en de daarin
aangehaalde literatuur.

Sectorstructuurbeleid versus

regionaal-economisch beleid

worden gepubliceerd in het
Maandblad
voor Bedr(/sadministra lie en -organi-
satie,
beginnende in het meinummer.

De publikaties over de derde fase zullen

wij aanbieden aan de redactie van het
Maandblad voor Accountancy en Be-
drijfshuishoudkunde. Wij strevenernaar

met de derde fase voorjaar 1980 te be-

ginnen. Voor zover het het verleden be-

treft, de artikelen over de functie
marketing zullen. als een afzonderlijke
publikatie
Marketing en organisatie

medio dit jaar bij de uitgeverij Stenfert
Kroese verschijnen. Ten slotte danken
wij gaarne de lezers van dit tijdschrift
voor de aandacht aan ,,onze” artikelen

geschonken.
A. Bosman
J. L. Bouma
Naschrift

Met het verhuizen van de artikelen-serie ,,Bedrijfseconomie”, die door de

gelijknamige vakgroep van de Rijks-

universiteit Groningen voor
ESB
werd
verzorgd, naar •andere tijdschriften,

komt er wat
ESB
betreft een eind aan
een reeds lang lopend project. Hoewel

het spijtig is wanneer bijdragen van hoog
niveau uit de kolommen van een tijd-
schrift verdwijnen, is de redactie van

ESB
van mening dat voortzetting van
de serie in het
Maandblad voor Bed rijfs-
administratie en -organisatie
en het
Maandblad voor Accountancy en Be-
drzjfshuishoudkunde
gezien het gespe-
cialiseerde karakter van de bijdragen
een goede zaak is. Voor de lezers die de

rubriek ,,Bedrijfseconomie” in ESB op
de voet volgden, kan de verplaatsing
enig ongerief met zich brengen. Wij ver-
trouwen er evenwel op dat zij in staat
zullen zijn de serie te blijven volgen.

Rest ons slechts de auteurs te bedanken
voor de vele doorwrochte en goed ver-
zorgde bijdragen die zij leverden.
Uit het bovenstaande mag niet de

conclusie worden getrokken dat de be-
drijfseconomie nu in de kolommen van

ESB
geen plaats meer zal vinden. De
redactie is voornemens een nieuwe ru-

briek – met een meer op de toepassing
gericht karakter – te beginnen, waarin

aandacht zal worden geschonken aan
vraagstukken waarmee bedrijfshuishou-
dingen worden geconfronteerd.

Redactie ESB

324

diverse uitlatingen van de minister van
Economische Zaken de individuele be-
drijfssteun te willen vervangen door een

sectorgewijze aanpak: de mededeling
van dezelfde minister-in april een sector-

nota aan de Tweede Kamer toe te zen-

den; en ten slotte naar diverse werk-
zaamheden binnen de SER.

Wat dit laatste betreft wijs ik op het
thans in voorbereiding zijnde advies
inzake het sectorstructuurbeleid – aan
dit advies ligt geen adviesaanvrage van

de regering ten grondslag – en op het
Advies inzake omvang en groei van de

collectieve sector
van september 1978.
In dit advies vermeldt de SER unaniem:

,,Gelijktijdig met een meer globaal
macro-economisch beleid gericht op las-
tenverlichting voor het bedrijfsleven zal

in het kader van het selectieve-groei-
beleid een gericht activeringsbeleid ver-

eist zijn. Sectorale onevenwichtigheden

– ook binnen de industriële sector van
het bedrijfsleven – en ernstige discre-

panties tussen vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt maken een uitwerking en

verdieping van het sectorstructuurbeleid
en een activering en intensivering van
het arbeidsmarktbeleid urgent” 4). Con-

clusie: Dr. Van Voorden wil iets ten
grave dragen, dat net bezig is ter wereld
te komen.

L. Hoffman

4) Advies inzake omvang en groei van de
collectieve sector,
uitgave van de SER, Den
Haag, 22
september
1978,
nr. II, blz.
67.

Naschrift

Uit mijn betoog over regionaal

sociaal-economisch beleid licht Drs.
Hoffman mijn opmerkingen over sec-

torstructuurbeleid. Allereerst signaleert
de heer Hoffman begripsmatig onhelder-

heid, omdat ik de termen sectorbeleid en structuurbeleid door elkaar haspel.

Hierop de volgende reactie.
Drs. Hoffman brengt zelf geen
taxonomische klaarheid. Weliswaar

onderscheidt hij een drietal beleidssoor-
ten, doch die sporen niet met de ge-

noemde begrippen. Verderop in zijn
bijdrage neemt hij gemakshalve het

onder a en b genoemde beleid samen
onder sectorstructuurbeleid.
Wat wordt tegengeworpen klinkt

nogal hol, wanneer men – met het pot-
lood in de hand – kan constateren dat
in mijn betoog de term sectorstructuur-
beleid tienmaal wordt gebezigd tegen-over eenmaal de term sectorbeleid, dit
laatste overigens in een context die dui-

delijk maakt dat het hier om een ,,short
cut” gaat voor sectorstructuurbeleid.

Over het begrip structuurbeleid lijkt mij
geen verschil van mening mogelijk: dit

betreft een vertakking van het sociaal-

economische beleid waarbij (nog) is
opengelaten of dit sectoraal, regionaal,

categoraal of anderszins wordt vorm

gegeven.
In het SER-rapport inzake sector-

structuurpolitiek worden sectorstruc-

tuurbeleid en sectorbeleid door elkaar

gehanteerd en zoekt men vergeefs naar
verschillende betekenissen 1). Het onder-

scheid dat Hoffman maakt tussen een
beleid dat uitsluitend op een sector of
bedrijfstak is gericht en een beleid dat

sectoren of bedrijfstakken in onderlinge
samenhang beziet is van recente da-
tum 2) en doet in historisch perspectief

geforceerd aan 3). In het sectorstruc-
tuurbeleid is (moet) steeds de onder-
linge samenhang der sectoren of bedrijfs-

takken het referentiekader (zijn). Men
vindt dit reeds terug in het SER-rapport
van 1969: ,,Bij de beoordeling van het

rendement van bepaalde overheidsmaat-

regelen ten behoeve van een bepaalde
bedrijfstak dienen niet alleen de effecten
voor de bedrijfstak zelf doch ook die
voor andere bedrijfstakken en voor de
economie als geheel in beschouwing te

worden genomen” 4). Dat.dit niet is
gelukt, kan men niet wegpoetsen door

daar nu het label sectorbeleid aan te
hangen. Bij sectorstructuurbeleid gaat
het steeds 66k om participatie van de

overheid in een of andere vorm. Ook
hiervoor kan men bij de SER te rade:
,,in de naaste toekomst (zal) het sector-

structuurbeleid in de praktijk in hoofd-
zaak moeten inhouden het mede rich-

ting geven door de overheid aan de feitelijke ontwikkeling, waarbij het

zwaartepunt zal liggen bij een knelpun-
ten- en speerpuntenbeleid” 5). M.a.w.
het door Drs. Hoffman gemaakte onder-
scheid tussen beleid per sector met of
zonder medewerking van de overheid en

sectoraal beleid in onderlinge samen-
hang met overheidssteun is een nieuwe,
en met betrekking tot mijn betoog wei-
nig relevante, uitvinding.

Voorts verwijt de heer Hoffman mij

– na enig vruchtwateronderzoek –
abortus op sectorstructuurbeleid, later
heet het dat ik dit beleid – dat dan

kennelijk het leven heeft aanschouwd –

vroegtijdig ten grave draag. Kennelijk
zijn wij het eens over het feit dat de

maatschappelijke betekenis van sector-
structuurbeleid gering is. Verschil van
opvatting ligt in de vraag, of het nog
moet komen dan wel dat we het al heb-

ben gehad. Hoe is dit verschil van in-
zicht te verklaren? Ik denk dat het juist

is – en Hoffman draagt daarvoor
materiaal aan – dat het sociaal-econo-
mische beleid geënt op sectoren nog on-
voldoende theoretisch is ontwikkeld en
in de toekomst een betere economisch-
theoretische fundering kan krijgen. In

zoverre kan sectorstructuurbeleid nog
tot iets moois uitgroeien en heeft arbeid
op dit terrein zeker zin. Betoerd is

evenwel dat in het verleden sectorstruc-

tuurbeleid – uit maatschappelijke nood

geboren – is gevoerd en grotendeels is

mislukt. Niet ontkend kan toch worden
dat de overheid speciale sectorbemoeie-
nis heeft (gehad) met de mijnbouw, de

textielindustrie, de scheepsbouw. Niet

ontkend kan toch worden dat van het

sinds 1976 bepleite speerpuntenbeleid,

als onderdeel van het sectorstructuurbe-

leid 6), tot op heden weinig is terechtge-
komen. Niet ontkend kan toch worden

dat aan het steun- en stimuleringsbeleid

een weinig vast en overtuigend patroon
ten grondslag heeft gelegen. Niet ont-

kend kan toch worden dat de werkzaam-
heden van de NEHEM – behoudens een
enkele uitzondering – schipbreuk heb-

ben geleden. Wie meent na de genoemde
gebeurtenissen en na de SER-rapporten
van 1969 en 1976ende nota Lubbers van
1976 7) dat sectorstructuurbeleid nog

moet worden geboren, gaat uit van een
wel erg lange dracht.

Het geringe succes van het sector-

structuurbeleid is wellicht mede bewerk-

stelligd door de embryonale kennis op
dit gebied. Daarnaast moet m.i. de ver-
klaring worden gezocht in de – achteraf
beschouwd – onjuiste implementering

van de sectorbenadering met onvol-

doende garanties, waar, zoals ik schreef,
relationele onbestemdheid het gevolg

van is geweest. In mijn betoog heb ik
vooral deze gemaltraiteerde structurele

vormgeving op het oog gehad. Wie op
theoretische en economisch-politieke

inzichten een volwassener sectorstruc-
tuurbeleid – dat inderdaad van grote
betekenis is voor de nationale econo-

mie – wenst te ontwikkelen zal met deze hypotheek hebben te rekenen.

Daarnaast is er recentelijk de tendens
een regionaal structuurbeleid te ontwik-
kelen. Dit laatste dan niet omdat dit
sociaal-economisch in alle opzichten een
superieure ingang is, maar omdat op dit,
zoals ik aangaf, weinig beproefde ka-

der, geen erfelijke belasting rust.

W. van Voorden

SER-rapport inzake sectorstructuurpoli-
hek,
Den Haag,
1969.
Zie A. J. van der Meer, De NEHEM en
de economische orde,
ESB
van 23
augustus
1978,
blz.
848,
voetnoot 1.
Pannenborg definieert in
1971
sector-
structuurpolitiek precies omgekeerd, nI. als
dat deel van de sociaal-economische politiek
van de overheid dat zich in tegenstelling tot
het beleid en de maatregelen van globale aard
primair richt op specifieke bedrijfstakken
dan wel op individuele bedrijven. A. E.
Pannenborg, De industriële sector structuur-
politiek in: Preadviezen voor de Vereniging
voor de staathuishoudkunde,
De industriële
sector structuurpolitiek,
Den Haag,
1971, blz. 17.
SER-rapport, op cit., blz.
15.
SER,
Advies inzake een aantal aspecten van het sociaal-economische structuurbeleid
in de perioae 1975-1980.
Den Haag,
1976,
blz.
29.
Idem, blz.
33.
Nota inzake de selectieve groei,
juni
1976.

ESB 28-3-1979

325

M. B. Slovin en M. .E. Sushkin: Money and economic activity, an analytical ap-
proach.
Lexington Books, Toronto, 1977, 220 blz.

De auteurs, die beide werkzaam zijn
geweest op de researchafdeling van de

Board of Governors van het Federal Re-
serve System en die thans hoogleraar zijn

op het gebied van de monetaire econo-
mie, presenteren in het onderhavige
werk een heldere analyse van de werking
van het monetaire systeem en van de in-
vloed van de monetaire factoren op de

economische activiteiten binnen het
kader van het neokeynesiaanse denkmo-
dcl. We willen er hier uitdrukkelijk op

wijzen dat de beschouwingen betrekking
hebben op de interactie tussen de mone-
taire en de reële sfeer in een gesloten

volkshuishouding. Een dergelijke ab-
stractie kan nog wel gerechtvaardigd
zijn voor een land als de Verenigde

Staten, waar de economie een tamelijk gesloten karakterdraagt. Maarvoorvele

geïndustrialiseerde landen, zoals Neder-
land, met een sterke open economie zul-

len de economische betrekkingen met
het buitenland ongetwijfeld een sub-
stantiële invloed hebben op de uiteinde-
lijke betekenis van de monetaire factoreii voor de reële economische ontwikkeling.
Het boek bevat enerzijds recente theo-
retische en empirische ontwikkelingen
op het terrein van de monetaire theo-

rie en anderzijds de implicaties hiervan
voor de te voeren economische politiek,

in het bijzonder voor de monetaire poli-
tiek. De auteurs behandelen in het boek,
dat dertien hoofdstukken telt, een vijftal

monetair theoretische vraagstukken, te
weten: de vraagtheorie naar geld, de
geldaanbodtlieorie inclusief de betekenis

van de niet-geldscheppcnde financiële
intermediairs, de vermogenstheoretische

aanpak in de geldtheorie zowel waar het
de vraag als het aanbod van financiële
vermogensactiva betreft, het (keyne-
siaanse) transmissieproces van mone-
taire impilsen en ten slotte de contro-
verse tussen de keynesianen en de mone-

taristen ten aanzien van de effectiviteit

van de monetaire politiek.

Na een korte uiteenzetting te hebben
gegeven van de betekenis van het geldge-
bruik in de volkshuishouding, waarbij
echter geen aandacht wordt geschonken

aan de moderne micro-economische fun-
dering van het geldgebruik die uitgaat
van het bestaan van onvolledige infor-
matie en van onzekerheid in de econo-
mie, wordt in het eerste hoofdstuk een
beschouwing gewijd aan het traditionele
IS-LM (geld-obligatie) model. Een en

ander wordt in een appendix modelma-

tig nader uiteengezet. Ten aanzien van
de vraagtheorie naar geld worden in

hoofdstuk tweede bekende thema’s naar
voren gebracht. In dit verband kunnen worden genoemd de klassieke kwanti-

tcitstheorie met de Cambridge-variant,
de keynesiaanse liquiditeitsvoorkeur-

theorie, de optimale kasvoorraadtheorie
(geld versus rentedragende liquide

schuldtitels) van Baumol en Tobin, To-
bin’s portefeuilletheorie en ten slotte
de geherformuleerde kwantiteitstheorie

van Friedman, waarin de gcldvraag als
een wezenlijk onderdeel van een algeme-
nere theorie van het aanhouden van ver-
mogensactiva wordt beschouwd. Dit

hoofdstuk wordt afgesloten met een
overzicht van de belangrijkste emi-
rische onderzoekingen ten aanzien van
de determinanten van de vraag naar,
geld. Vervolgens bespreken de auteurs
in hoofdstuk drie de institutionele

karakteristieken, de functies en de
.macro-economische betekenis van de fi-

nanciële intermediairs, waarbij in het

voetspoor van Gurley en Shaw een on-
derscheid wordt gemaakt tussen enerzijds

de monetaire instellingen (handelsbanken)

en anderzijds de grote groep van de niet-
monetaire instellingen (spaar- en hypo-

theekbanken, levensverzekeri ngsrnaat-schappijen en pensioenfondsen). In hun
analyse gaan ze daarbij uit van de struc-
tuur van het financiële systeem in de

Verenigde Staten, waar de spaar- en

hypotheekbanken (savi ngs and ban
associations) rented ragende vermogens-
activa creëren die qua liquiditeit met
geld op één lijn kunnen worden gesteld.
In hoofdstuk vier wordt allereerst een

analyse gegeven van de traditionele
mechanische geldaanbodtheorie, die in
de standaard lS-LM-modellen gewoon-
lijk naar voren wordt gebracht, waarbij
het geldaanbod als een exogene groot-

held wordt aangemerkt. Vervolgens
wordt de moderne geldaanbodtheo-
rie gepresenteerd, die het geldaanbod
als een endogene variabele binnen
het macro-economisch systeem be-

schouwt. Het aanbod van geld treedt
daarbij naar voren als het sluitstuk

van een interactieproces tussen de
participanten op de geldmarkt (centrale

bank, handelsbanken en het publiek) ten

aanzien van de optimale samenstelling
van hun beleggingsportefeuille. Volgens
deze min of meer vermogenstheoretische
aanpak in de geldaanbodtheorie wordt
in wezen tot uitdrukking gebracht dat

het bankwezen en het publiek be-

schouwd moeten worden als rationeel
economisch-calculerende in plaats van
als technisch-mechanisch handelende
categorieën. De macro-economische im-

plicaties van deze endogene geldaanbod-
theorie worden vervolgens onderzocht

en in een appendix algebraïsch nader

toegelicht (monetaire versus bestedings-
multiplier).

Daar er in de werkelijkheid sprake is
van een grote verscheidenheid van finan-

ciële vermogensactiva met onderschet

den kenmerken en verschillende’ op-

brengstvoeten, wordt in hoofdstuk vijf
op een bijzonder heldere wijze een
uiteenzetting gegeven van de porte-
feuilletheorie, zbals die in de tweede

helft van de jaren vijftig door Tobin en
Markovitz tot ontwikkeling is gebracht.
Deze theorie wordt afzonderlijk in een

hoofdstuk behandeld omdat ze de basis
heeft gevormd voor een uitbouw van de

vermogenstheoretische aanpak in de
vraagtheorie naar vermogensactiva. Zo-
als bekend heeft Tobin bij de samenstel-

ling van de beleggingsportefeuille van de economische subjecten (geld versus obli-

gaties) op expliciete wijze rekening ge-houden met risico- en onzekerheidsfac-
toren. Hij heeft daarbij duidelijk aange-
toond hoe, in afwijking van het stan-
daard keynesiaanse model, één indivi-

duele risicomijdende belegger zowel geld
als obligaties tegelijkertijd in zijn ver-

mogensportefeuilbe zal opnemen. De
vooronderstellingen van Tobin’s theorie
(o.a. de kwadratische nutsfunctie) wor

den uitvoerig naar voren gebracht en op

inzichtelijke wijze wordt aangetoond dat

een diversificatie in de beleggingsporte-

feuille een uitdrukking is van de reactie

van het rationeel handelende publiek op het vraagstuk van de portefeuillesamen-stelling in een onzekere wereld.
Zowel algebraïsch als grafisch wordt
uitgebreid ingegaan op de betekenis van
het bestaan van positieve, negatieve dan
wel van het volkomen afwezig zijn van
correlatie tussen opbrengstvoeten van de
twee onderscheiden vermogensactiva

voor verdere diversificatie (afruil risico
en opbrengstvoet) en voor een efficiënte
samenstelling van de beleggingsporte-
feuille.

Dit basismodel van de diversifi-
catie in de vermogensportefeuille wordt
vervolgens in hoofdstuk zes toegepast

om de vraag naar Financiële vermogens-
activa in de volkshuishouding te ver-

klaren. De auteurs analyseren de vraag
naar financiële vermogensactiva van
banken en publiek, waarbij voor het

publiek vooral de termijndeposito’s bij
de handelsbanken en de spaartegoeden

bij de niet-monetaire instellingen in
aanmerking komen voor de beleggings-

portefeuille. Het portefeuillegedrag van

banken spitst zich in de onderhavige
analyse toe op het aanhouden van bank-
reserves en de invloed daarvan op de
korte-rentevoeten versus dç krediet-

326

verlening aan de particuliere sector
(= aankopen van particuliere schuld-
titels). De auteurs schenken in dit ver-
band aandacht aan de betekenis van de kredietrantsoenering, – de allocatie van
de kredietuitzettingen met behulp van
niet-prjsvoorwaarden (kredietwaardig-
heid, omvang en looptijd van de lening

enz.), in het kader van de effectiviteit
van de monetaire politiek.

Aansluitend op het voorgaande wordt
in hoofdstuk zeven aandacht geschon-
ken aan het aanbod van financiële

vermogensactiva door financiële inter-
mediairs, waarbij de rentepolitiek met

betrekking tot het aantrekken van mid-

delen een belangrijke rol speelt. In dit
verband is het van betekenis de determi-

nanten van het prijszettingsgedrag (cre-
ditrente) van de financiële intermediairs
op het spoor te komen. Een en ander

wordt vervolgens in verband gebracht
met de effectiviteit van de monetaire

politiek, waarbij de bekende vraagstuk-
ken van een maximale rentevergoeding
op de termijndeposito’s, de concurrentie
tussen de financiële instellingen en de
daarmee verbonden monetaire betekenis

van het verschijnsel ,,near-banking” aan
de orde worden gesteld. De bedoelde
problematiek wordt vervolgens in een
appendix op een heldere wijze algebra-

isch geformuleerd.
Na in de hoofdstukken acht en negen

een overzicht te hebben gegeven van de

structuur van het Amerikaanse bank-
wezen, van de verschillende instrumen-
ten van de monetaire politiek en van de

verschillende participanten op de geld-
markt, wordt in hoofdstuk tien een be-

schouwing gewijd aan het in vele leer-
boeken vaak verwaarloosde probleem

van de determinanten van de termijn-
structuur van de rentevoeten op de ver-
schillende financiële markten. De theorie

van de termijnstructuur van de rentevoe-
ten houdt zich bezig metde verklaring van

de structuur van de rentevoeten zoals die
op een zeker moment gelden voor lenin-
gen met verschillende vervaldata. Het

gaat dus in wezen om de relatie tussen
de korte- en de lange- termijnrentevoe-
ten, waarbij de renteverwachtingen en de
mate van substitutie tussen financiële
schuldtitels met verschillende looptijden

een cruciale rol spelen. Dit onderdeel
van de monetaire theorie is van belang
daar de monetaire politiek, die initieel
aangrijpt bij de korte-termijnrentevoe-
ten, via een transmisieproces inwerkt op

een spectrum van lange-termijnrente-
voeten als gevolg van de onderlinge

samenhang van de verschillende rente-

voeten.
De slothoofdstukken hebben betrek-

king op een beschrijving van de schakels

via welke de monetair-politieke acties
inwerken op de economische activiteit in
casu op de doelvariabelen in de reële
sfeer van de economie. Zoals in het

begin reeds is opgemerkt zijn de auteurs

sterk keynesiaans georiënteerd, hetgeen
ertoe leidt, dat in het onderhavige hoofd-

stuk de typische keynesiaanse transmis-
sievariabelen naar voren worden ge-
bracht, te weten het kredietkostenme-
chanisme, het via rentewijzigingen geïn-

duceerde vermogenseffect ten aanzien
van de consumptieve bestedingen en het
kredietrantsoeneringsmechanisme, dat
vooral werkzaam is ten aanzien van de

woningbouwmarkt en van de kredietver

lening door de banken aan het bedrijfs-

leven.
De belangrijke vraag of de uiteinde-
lijke invloed van de monetaire impulsen

zich zal vertalen in de volume- dan wel
in de prijsconjunctuur wordt geanaly-
seerd met behulp van de conceptie van de
Phillipscurve, alhoewel naar onze me-

ning voor deze kwestie een te bescheiden
plaats (4 blz.) is ingeruimd. De auteurs

beschrijven weliswaar de traditionele af-
ruil tussen de inflatie en de werkloos-
heid, maar schenken nagenoeg geen aan-
dacht aan de cruciale betekenis van de
infiatieverwachtingen, aan de vraag hoe
de economische subjecten deze ver-
wachtingen opbouwen en aan de conse-
quenties van een en ander voor de te
voeren monetaire politiek.
In hoofdstuk dertien, dat handelt over
de controverse tussen de keynesianen en
de monetaristen, worden de essentiële
verschillen tussen beide denkrichtingen

zeer summier weergegeven (stabiliteit

van de geldvraag, stabiliteit van de
private sector, structuurmodel versus
herleide-vormvergelijkingen enz.). Al-
hoewel de auteurs op blz. 181 de realiteit
van het traditionele Phillipscurve-model

in twijfel trekken daar de werknemers in
mindere mate onderhevig zijn aan geldil-
lusie dan voorheen, blijven ze als neo-
keynesianen vasthouden aan de be-
tekenis en de effectiviteit van een
discretionair monetair en budgettair
beleid in het kader van de economische

stabilisatiepolitiek om exogene schok-
ken te kunnen absorberen. Ze geloven

niet in de visie van de monetaristen, dat
een anticyclische geld politiek met terug-
koppelingseffecten vanuit de doelvaria-

belen in de reële sfeer uiteindelijk zijn
uitweg zal vinden in de prijsconjunctuur

en de volumeconjunctuur geheel onverlet
zal laten (natuurlijke werkloosheids-

hypothese en rationele verwachtingen).
Het geheel overziende moet geconclu-

deerd worden dat de auteurs erin zijn
geslaagd een helder en yooral didactisch
verantwoord overzicht te geven van de stand van zaken ten aanzien van de be-

tekenis van het geld voor de afloop van
het economisch proces, waarbij het ac-
cent ligt op de neokeynesiaanse visie.

De duidelijke betoogtrant en vooral de

beschouwingen over de praktische impli-
caties van de theoretische concepties

maken het boek voor aankomende doc-
toraalstudenten zeer geschikt als lei-
draad bij hun studie op het terrein van
de monetaire economie.

J. J. Sijben

Prof. Dr.
F. G.
J. Derkinderen en
Prof. Dr. J. Kooiman: Maatschappij-
georiënteerd besturen.
Stenfert Kroese BV, Leiden/Antwerpen, 1978, 257 blz.
f. 34,50.

Wat te zeggen over een verzamel-

bundel van reeds gepubliceerde artike-
len? Dat ze vanwege hun samenhang in

één band zijn gebracht en, als het goed is,
van enig verbindend commentaar zijn

voorzien.Derkinderen en Kooiman heb-
ben dat op summiere wijze gedaan en ge-

probeerd aan te geven hoe in elk der elf bijdragen verbindingen kunnen worden
gelegd tussen bestuursproblemen in het bedrijfsleven en bij de overheid. Zeven
van die elf bijdragen blijken nu boven-

dien oraties te zijn. Dat maakt een be-spreking extra moeilijk, want wie zijn

visitekaartje aan collega-wetenschap-

pers aanbiedt, doet dat meestal grondig
en gecomprïmeerd. Vandaar dat deze

verzamelbundel verschillende bijdragen
van een hoog soortelijk gewicht bevat.
Aangezien oraties bovendien niet altijd

zo makkelijk te vinden zijn, is het bijeen-

brengen in één band best aantrekkelijk.
Niettemin wreekt zich per definitie het

feit dat die oraties en de overige artikelen

niet geschreven zijn met het oog op een
(toekomstige) samenhang, zodat de on-

derwerpen, de aanpak, het taalgebruik

en de hele benadering zo verschillen,
dat de lezer in ieder geval door deze

bundel nauwelijks zal worden overtuigd
van de stelling van de redacteuren,
namelijk dat het bedrijfsleven en de
overheid zo veel van elkaar kunnen

leren. Zoals gezegd is een verantwoorde

bespreking van elk der bijdragen niet
mogelijk. Ik volsta met de constatering

dat het boek vele goede bijdragen bevat
en een aantrekkelijke bijdrage van de

redacteuren over verschillen en over-
eenkomsten tussen beleidsprocessen bij
overheid en bedrijfsleven.

E. L. Berg

Ir. J. Benes en Dr. W. J. Diepeveen: Or-
ganisatie-ontwikkeling in het bouwbe-
drijf.
Kluwer Technische Boeken BV,
Deventer/Antwerpen, 1976, f. 42.

In het boek van Benes en Diepeveen
staat de organisatieleer geheel centraal;
de marketing komt zijdelings ter sprake.

Weliswaar is er grote aandacht voor de

marktzijde van het ondernemen, maar
het boek staat in het teken van het mana-gement als zodanig. In twaalf hoofdstuk-
ken van ongeveer gelijke omvang wordt
de betekenis, de toepassing en de invloed

op de bedrijfstop besproken. De auteurs brengen de organisatie-ontwikkeling als

een vak dat nu eindelijk de dynamiek van
het ondernemen ernstig neemt. De theo-
rie van de voortdurende vernieuwing

geeft aanwijzigingen om de Organisatie
niet alleen aan te passen maar ook te

ES 28-3-1979

.

327

steunen op de duizelingwekkende ver-
anderingen die zich in de relatie tot de

,,omgeving” voordoen, Op die algemene
inleiding sluit de toepassing in de bouw-
marketing goed aan: al is de technologie

in deze bedrijfstak in vergelijking tot
andere bedrijfstakken slechts aan be-
perkte veranderingen onderhevig, in de

managementmethoden doen zich grote

ontwikkelingen voor.
De schrijvers noemen technieken om
systematisch problemen te voorkomen
of op te lossen, bv. het werken in groeps-
verband zoals gebeurt in bouwteams en
in het werkoverleg. De techniek om tot

ontwikkeling van de Organisatie te
komen, laten zij beginnen met sensitivity

training. Deze theoretische aanpak

wordt op drie typen van bouwbedrijven

toegepast: het expansieve, het consoli-
derende en het zich beperkende type.

Ten slotte volgt de toepassing op het
werk van de topmanager.
Het boek is een goede inleiding voor

de bouwmanager en het lijkt mij een
goed leerboek op het middelbare niveau.

Het steunt heel duidelijk op een brede er

varing en belezenheid. Mij spreekt ook
de speciale behandeling van het in-

krimpende bedrijf aan. Het is een pro-
bleem dat in de praktijk maar al te dik-
wijls voorkomt en waarop de oude
,,groeiliteratuur” geen antwoord heeft.
Het boek geeft de indruk dat het nogal
haastig is geschreven. De onderwerpen

worden hier en daar te veel uit de losse
hand neergezet. Ook worden de zaken te
kritiekloos weergegeven, te encyclope-
disch, bv. met betrekking tot de sensi-

tivity training. De gevaren die daaraan
verbonden zijn worden niet genoemd.

L. A. van der Linden

Dr. C. H. Buitenhuis: Organisatie van
innovatie, innovatie van organisatie; de
matrix als stimulans voor vernieuwing.
Dissertatie, TH Eindhoven, 1977, f.
15.

Buitenhuis ziet in de matrix een mid-
del om de ontwikkeling van de Organi-
satie vorm te geven. Aan de hand van

drie voorbeelden uit zijn Philips-praktijk
als organisatie-adviseur beschrijft hij de

interactie, die het matrix-model inhoudt.
Daaruit ontwikkelt hij een theorie van
management-innovatie volgens een spi-

raalmodel. Dit model zou tot een toe-
name van de operationele mogelijk-
heden voor interventie door het mana-

gement leiden. Het boek behandelt enige
recente begrippen, zoals de bedrijfs-
cultuur, de speerpuntpolitiek en de

participatie en het verschaft een visie
op de organisatieleer en het leiding-

geven van een man uit de adviserende

praktijk. Mijn kritiek betreft de ab-

stracte behandeling van de stof. Een
gevolg daarvan is dat het woord matrix
in zeer uiteenlopende betekenissen
wordt gebruikt: van de eenvoudige tabel
tot een model van het dualisme. Een van
zijn twee promotoren signaleerde zelfs

ergens een transcendente betekenis!

L. A. van der Linden

Donald H. Thompson en David S. R. Leighton e.a.: Canadian Marketing:
problems and prospects.
Wiley, Toron-
to, 1973, 300 blz., ca. f. 35.

Dit boek bevat de 14 papers van een in
1972 gehouden workshop over market-

ing in Canada. De schrijvers komen
zowel uit de praktijk van Canada als uit

de theorie van de marketing. Uitgebreid

wordt aandacht besteed aan de analyse’
van de omgevingsfactoren. In dat kader

wordt het consunientisme en de wetge-
ving op het gebied van de marktregulatie
Vrij uitgebreid behandeld. Naast deze

moderne onderwerpen worden ook meer
klassieke aspecten besproken zoals het distributie-instrument, de reclameprak-

tijk en de stand van het marktonderzoek
in Canada.
Een typische karaktertrek van de

Canadese situatie betreft het onder-

scheid tussen de twee taalculturen. De
invloed van dit onderscheid op de

marketing wordt aangegeven. Een al-

gemeen probleem dat besproken wordt
betreft de export van kapitaalgoederen

naar de derde wereld. Deze problema-
tiek wordt benaderd met een turn-key-

methode.

Ik mis in het boek verhandelingen

over: marketing management in het al-
gemeen, over het prijsinstrument, over
andere promotiemiddelen dan reclame
en over wiskundige marktmodellen.

Daarom: geen boek dat een volledig
beeld geeft van de Canadese marketing;

wel een boek dat een idee geeft van
enige aspecten daarvan.

L. A. van der Linden

Gisele Pod6ielski: Italy; development
and crisis in the post-war economy.
Ox-
ford University Press, Londen, 1974,
207 b!z.

Dit boekje is verschenen in de serie
Economies of the World en is bedoeld
om van het desbetreffende land een over-
zicht te geven van, en inzicht te verschaf-
fen in, de economische ontwikkeling in
de afgelopen twee â drie decennia.

Geïnteresseerde lezers zouden gerecru-
teerd moeten worden uit de kringen van
universiteit, bedrijfsleven en overheid (te

zamen voorwaar geen minderheidsdoel-
groep ..

Op het niveau van ,,a second-year uni-

versity student” (redactioneel voor-
woord) wordt ,,de” Italiaanse economie
besproken vanaf de jaren vijftig tot glo-
baal 1972. Deel 1 houdt zich bezig met

economische groei en ontwikkeling,
monetaire en fiscale politiek, en beta-
lingsbalans; deel 2 behandelt onderwer

pen als arbeidsmarkt, overheidsbedrij-

Ven en planning. Het boekje geeft in kort
bestek een beschrijving van de oorzaken

en gevolgen van de structurele (Noord!

Zuid-) problemen, alsmede van de meer

recente moeilijkheden (inflatie, stagna-

tie, werkloosheid) waarmee Italië nog
altijd te kampen heeft.

Het boekje geeft echt wel een aardig
beeld van enige aspecten van het econo-
misch beleid, en het institutionele kader

waarin dit gevoerd wordt. De vraag is

echter voor wie de tekst bestemd mag
zijn: het boekje mist diepgang, analyse,

detaillering en originaliteit om ook wer-
kelijk belangwekkend te zijn voor

iemand uit één van de drie sectoren

waarop de uitgave zich richt. Om de ge-

dachten te bèpalen: dit geschrift zou han-
dig kunnen zijn voor een HEAO-er
(niet laatdunkend bedoeld)die een werk-

stuk over ,,ltalië” moet produceren,
waarbij het dan wel m’inder handig is dat

alle noten achterin staan; dat de litera-

tuurverwijzing bijna uitsluitend refereert
naar ltaliaanstalige bronnen; en dat het
(auteurs- en zaak)register welgeteld 36
(!) trefwoorden geeft.

Aert Ketting

Andrew Shonfield en Hermia Oliver
(red.): International Economic Rela-
tions of the Western World 1959-1971.

Volume 1: Politics and trade. Oxford
University Press, Londen, 1976, xii +

459 blz.

Zoals verwacht mag worden van een

publikatie onder verantwoordelijkheid
van The Royal Institute of International Affairs, is dit een uiterst gedegen werk.
In deel 1 (140 blz.) beschrijft Shonfield

(directeur RIIA) nauwgezet de politieke

en institutionele aspecten van de inter

nationale economische betrekkingen in

de jaren vijftig en zestig. Deel 11(141

blz.), met als auteurs de welbekende
Gerard en Victoria Curzon, geeft een

diepgaande beoordeling van de handels-

liberalisatie in de jaren zestig, waarbij
GATT het concentratiepunt is. T. K.

Warley (hoogleraar landbouweconomie,
Ontario, Canada) bespreekt in deel III
(116 blz.) ,,Western Trade in Agricul-
tural Products”; waarna George Ray

(medewerker National Institute of Eco-
nomic and Social Research, Londen) in
deel IV (31 blz.) schrijft over het wel en
wee van de ,,internationalisatie” van sta-
tistieken (cijfers over buitenlandse han-

del en nationale rekeningen) en voor-
spellingen. Het boek besluit met een
chronologie van 1959t/m 1971 inzakede

belangrijkste gebeurtenissen op het ge-
bied van de internationale handels- en

monetaire betrekkingen; de zeer uitge-
breide index (ruim 10 blz.) maakt het
mogelijk per onderwerp de weergave en

opvatting van de verschillende auteurs te
vergelijken.
Aert Ketting

328

Prof. Dr. H.J. Doedens: Schematisch
overzicht van de Nederlandse belastin-

gen.
Kluwer BV, Deventer, 12e druk,

1978, f.
7,25.

Het overzicht is bestemd voor degenen
die, zonder een studie van het belasting-

recht te maken, zich een globaal beeld
van het geheel der Nederlandse belastin-

gen willen vormen. Het schema betreft:

1. de soort belasting; 2. de betreffende
wet; 3. het belastingproject of het belast-

bare feit; 4. de belastingschuldige; 5. de

grondslag van de belasting; 6. het tarief;
7. de wijze van heffing; 8. de geraamde
opbrengst over 1978.

E5t

Mededeling
Examens Statistisch assistent en analist
VVS 1979

Op woensdag 23 mei 1979 wordt van
1330-16.30 uurindegrote zaalvan Musis
Sacrum te Arnhem het examen Statis-

tisch assistent VVS afgenomen. Ook het
schriftelijk gedeelte van het examen Sta-
tistisch analist VVS wordt in Musis Sa-
crum afgenomen, en wel op dinsdag

22 mei 1979, eveneens van 13.30-16.30
uur. Het mondelinge gedeelte wordt op
28 of 29juni afgenomen in een der zalen

van het Bouwcentrum te Rotterdam.
Eventuele verlengde examens zullen

rond 1 oktober worden afgenomen.
Degenen die aan de examens wensen
deel te nemen, dienen zich véér 23 april

1979 aan te melden bij de secretaris van
de examencommissie, de heer R. Tule-
mans, Bolthagen 4, 6903 WT Zevenaar.

Aanmeldingsformulieren zijn verkrijg-
baar bij het secretariaat van de Vereni-

ging voor Statistiek, Mevr. M. C. den
Ouden, Weena 700, Rotterdam
;
tel.

(010) 11 61 81, toestel 2126.

Econoom voor de

financiële afdeling

van Philips in Hilversum

Philips’ Telecommunicatie Industrie B.V. te Hilversum is inter-
nationaal actief op het gebied van
omvangrijke telecommunicatiesystemen
en -projecten.
In een groot aantal landen over de
gehele wereld worden deze tele-
communicatie-projecten uitgevoerd, zo wordt o.a. in Saoedi-Arabië op dit moment
een uitgebreid openbaar telefoonnet-
werk geïnstalleerd.

De financiële afdeling van deze werkmaatschappij van Philips telt
11 medewerkers. In deze afdeling is plaats voor een nieuwe medewerker die in een daartoe opgesteld team zal worden belast met de financiële begeleiding in de ruimste zin des woords van een of meerdere
telecommunicatie-projecten. Tot zijn
taak wordt onder meer gerekend het
doelmatig structureren van de project-
financiering alsmede het voeren van
overleg met de hiervoor geëigende
financiering-instanties en met de
afnemers.

De geschikte candidaat voor deze functie is ons inziens een jonge econoom bij voorkeur met een specialisatie in financiering respectieve-

lijk de leer der internationale economische
betrekkingen en met enige ervaring
op dit terrein.
Nadere inlichtingen over de
functie worden u gaarne verstrekt door
het hoofd van de financiële afdeling,
Drs. G.T.N. Heine, tel.: 035-891638.

Uw sollicitatie kunt u richten aan:
Drs. F.F.A. Crijns,
Afdeling Personeel en Organisatie,

Philips’ Telecommunicatie Industrie B. V.,
postbus 32, 1200 JD Hilversum. Tel.: 035-89 1710.

PHILIPS
Telecommunicatie

PHILIPS

ESB 28-3-1979

329

Bij de sectie economische zaken c.a. van het 2e bureau van de 3e afdeling is plaats voor een

BELEIDSMEDEWERK(ST)ER

TAAK:

– van de aan te trekken funktionaris wordt een
wezenlijke bijdrage verwacht – zowel beleids-
initiërend als beleidsvoorbereidend – in de werkzaamheden van algemene aard op
sociaal-economisch terrein, waaronder
begrepen om. secretariaatswerkzaamheden.

VEREISTEN:

– academische opleiding, bij voorkeur algemene
economie;
– ervaring op bovengenoemd of aanverwant
werkterrein;
– vlotte redactionele vaardigheid;
– goede contactuele eigenschappen;
– bereidheid om in teamverband werkzaam te zijn.

HONORERING:

– afhankelijk van opleiding en ervaring maximaal
f4335,— per maand.
De provincie heeft goede arbeidsvoorwaarden.

Sollicitaties binnen veertien dagen na verschijnen van dit blad te richten
aan de Griffier der Staten van Noord-Holland, Postbus 123,
2000 MD Haarlem. In de linkerbovenhoek van brie’f en enveloppe s.v.p.
vakaturenummer 208 vermelden.

provinciaal bestuur

van noord-holland

provinciehuis

6

Ministerie van Defensie

. .

Durectoraat-Generaal van het Rujksloodswezen

,Het Rijksloodswezen heeft tot taak het beloodsen van zeeschepen, het markeren van
scheepvaartroutes en obstakels, de zorg voor de kustverlichting, kustwacht en

het instandhouden van walradarinstallaties voor de scheepvaartbegeleiding.

Bij het Directoraat-Generaal ter standplaats ‘s-Gravenhage is bij de Afdeling Financiën en Economie plaatsingsmogelijkheid voor een jong universitair geschoolde
bed rijfseconoom, die bestemd is voor de functie van

hoofd bureau economische plannen
mnl./vrl.

Het bureau heeft als doelstelling het signaleren, analyseren en formuleren van

beleidsproblemen van bedrijfseconomische aard, het ontwikkelen en formuleren van
maatregelen ter bijsturing van dit beleid en het verzorgen van de hiervoor relevante

informatie.

Aanstelling in de functie zal geschieden in de rang van Referendaris II, met een bezoldiging, afhankelijk van leeftijd en ervaring, van max. f 4335,– bruto per maand.
Sollicitaties dienen binnen 14 dagen te worden ingediend bij de Directeur-Generaal
van het Rijksloodswezen, Vuurtorenweg 37, 2583 XL ‘s-Gravenhage.

Kandidaten dienen bereid te zijn een psychotechnisch onderzoek te ondergaan.

330

Auteur