Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3159

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 21 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

21 JUNI

t

STICHTING HET NEDERLANDS

63eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT
es
NO. 3159

Herhaalt de geschiedenis zich toch weer?

Free trade of fair trade? Regeling of vrijheid? Het zijn

kwesties, die weer opdoemen uit het verleden. Zij zijn aan de
orde geweest in de depressie van de jaren dertig, maar ook al

in de jaren twintig en zeventig van de vorige eeuw. Steeds

opnieuw houden deze problemen de geesten gescheiden, door-

dat de vraag openblijft of het marktsysteem zonder roer-

ganger, ondanks geslinger en gekraak, toch de rechte koeis

van evenwicht blijft volgen.

Keynes heeft er al op gewezen, dat deze vraag als een

fundamentele moet worden beschouwd voor de beoefening

van de economie als wetenschap. Hij-liet er geen misverstand

over bestaan, dat hij geen geloof hechtte aan automatische
aanpassingen, wanneer het marktschip uit het roer zou zijn

gelopen. Daarbij stelde hij bovendien de veronderstelling van

een tendentie naar evenwicht op lange termijn aan de kaak:
,,economists set themselves too easy, too useless a task if in

tempestuous seasons they can only tell us that when the storm

is long past the ocean is flat again” 1).

Het idee is gangbaar, dat algemeen evenwicht tot stand

komt door de werking van economische wetmatigheden.

Wind en stroming keren zich tegen de regelaar, die het anders

wil. Korte tijd kan hij wellicht zijn krachten meten met de

natuur-elementen, maar op den duur wordt hij zo afgemat,

dat hij toch wordt meegevoerd als een speelbal op de golven.

De economische theorie laat zich derhalve kenmerken door
een sterk negatieve visie op de ordening van het economisch

leven.

Hoe is dat gekomen? Voor een antwoord moeten wij ver
terug in de geschiedenis naar het bonte gezelschap van de

Mercantilisten. Hieronder bevonden zich figuren, die reeds de
relaties van het marktsysteem hebben afgetast in hun pleidooi
de starre regulering van nijverheid en handel in hun tijd op te

heffen. Het is Adam Smith geweest, die deze periode heeft

afgesloten. Zijn grootheid ligt vooral in het vermogen de

bestaande opvattingen zo bij te stellen, dat de propaganda

voor de vrije markt zich heeft uitgekristalliseerd in een nieuw
dogma 2).
De nieuwe visie hield in, dat een samenstel van wetmatighe-
den als een onzichtbare hand het economisch proces naar

evenwicht en de natie naar voorspoed voert. Het werk van
economen die niet uitgingen van automatisch evenwichtsher-

stel werd niet geteld. Het werd een onderstroom in de econo-
mische literatuur, die alleen bij zwaar weer kolkend naar

boven kwam. De eerste vertegenwoordiger was al meteen een

groot figuur: Sismonde de Sismondi, een tegenhanger van

Ricardo en Say, die in de vergetelheid is geraakt. Veel later
pas komt Keynes, die in tegenstelling tot anderen in de

onderstroom grote invloed heeft gekregen, omdat zijn ideeën

in de bestaande theorie zijn opgenomen.

Hoe is dat nu mogelijk? Keynes geloofde toch niet in
tendenties naar evenwicht? Wel, de Keynesianen hebben zijn

werk zo geïnterpreteerd, dat een mogelijk mankement in de

koppeling van de geld- en de goederensfeer zou kunnen leiden

tot het uitblijven van evenwichtsherstel. Het zou dus gaan om
een technisch defect, dat met enig pas- en meetwerk in de be-

staande theorie zou kunnen worden opgenomen onder de

veronderstelling, dat het marktsysteem zich verder best zelf

zou kunnen redden.

In vele landen, ook in Nederland, is de overheid een Key-

nesiaans beleid gaan voeren: stimulering van de koopkrachti-

ge vraag bij teruglopen van de bedrijvigheid. De overheid

bedient daarbij het stuurwiel van de economie met vaste hand.

Naarstig speurt zij naar een bevaarbaar traject in de woelige

zee, nadat de weerberichten van het CPB grondig zij n.bestu-

deerd. Nu het marktschip echter desondanks averij heeft
opgelopen en slagzij maakt, komt er kritiek op.

Er is een steeds groter wordende groep van economen, die

meent dat de overheid de laatste jaren het economisch proces

eerder heeft ,,overstuurd” dan in balans gehouden. De voort-

durende expansie van de koopkrachtige vraag heeft ertoe
geleid, dat allerlei structurele aanpassingsprocessen zouden

zijn geblokkeerd in een marktsysteem, dat in principe stabiel

zou zijn. In dit verband wordt steeds meer de vraag gesteld of
het niet beter zou zijn af te wachtenwaar de wind en stroming

ons heen voeren. Nu de economische problemen klaarblijke-

lijk niet kunnen worden teruggevoerd op het defect, dat

Keynes heeft ontdekt, wordt de evenwichtstendentie weer in
ere hersteld. Bovendien blijkt opnieuw de negatieve kijk van
economen öp de ordening: de problemen zijn het gévolg van
het beleid.

Eenzelfde redenering doet opgeld op het gebied van de in-

ternationale betrekkingen. Er wordt emotioneel gereageerd
op vermeende protectie. Daarbij wordt gewezen op de ,,beg-

gar your neighbour policy” als een baken in zee waartoe
regeling kan leiden. Overigens blijkt uit een recente studie van

Kindleberger over de jaren dertig 3), dat protectie wellicht
een beetje conjuncturele tegenwind kan veroorzaken maar

zeker niet kan leiden tot een diepe depressie.

Van mij kunt u geen pleidooi voor een onbelemmerde

marktwerking verwachten. In de nabije toekomst is een

drastische reorganisatie van het produktie-apparaat noodza-

kelijk in verband met technologische ontwikkelingen en
verschuivingen in de internationale concurrentieverhoudin-

gen. Toch al stagnerende bedrijfstakken zullen te kampen
krijgen met een vloedgolf van produkten uit pas opgekomen

industrielanden. Daarbij kunnen b.v. dumping, massale

werkloosheid door sluiting van fabrieken en toeneming van
de onevenwichtigheden in het internationale handelsverkeer
leiden tot cumulatieve ontwikkelingen, waarbij de levensstan-
daard drastisch moet dalen. De econoom, die zich daar niets
aan gelegen laat liggen, maakt zich er inderdaad te gemakke-

lijk van af door zich te beroepen op marktaanpassingen, die

er op den duur voor zullen zorgen, dat de storm gaat liggen

en de meest efficiënte produktiecentra komen boven drijven.
Het is een koele conclusie van iemand, die van buitenaf het

proces observeert. Het is het advies van een stuurman aan

de wal. P.H. Admiraal

J.M. Keynes, A tract on monetary reform; zie ook Poverty in
plenty: is the system self-adjusting?,
Col/ecied writings,
resp. deel IV
en XIII.
Zie G. Routh,
The origin
of
econornic ideas,
1975.
C. K.indleberger,
The world in depression 1929- /939, History
of
the wor/deconomy in the 201h cent ury,
Vol. IV, 1973.

613

Inhoud
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Esb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Dr.- P. H. Admiraal.

Herhaalt de geschiedenis zich toch weer?
613

Column

Dialoog ter discussie,
door Prof Dr. F. van Dam ……………..
615

Drs. J. G. Waardenburg:

Op studiereis door China …………………………………616

Vacatures
………………………………………………618

Drs. J. L. de Kruijk:

Het Chinese platteland: duizenden kleine staatjes en een wereld-

regering……………………………………………..619

Drs. P. Keijzers:

China’s Nieuwe Grote Sprong Voorwaarts …………………..624

Discussie met stafleden van het Plancomité van de gemeente Kwang-

chow………………………………………………..628

Onderzoek-memoranda
……………………………………633

Au courant

Krachtproef voor het centraal overleg,
door A. F. van Zweeden …..
635

Ingezonden

Regionaal-economisch beleid,
door Dr. J. L. A. Jansen en Drs. J. A.

Röell………………………………………………..
636

Boekennieuws

P. Kuin: Management is meer…,
door Drs. P. van Zuuren ……..
637

Mededeling
……………………………………………..638

ESB:
voor grenzeloze economie.

Hierbij geef ik mij op yoor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM……………………………………………………

STRAAT
.

………………… ……………………………….

PLAATS
.
………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum.

…………………………… …………………

Ongefrankeerd opzenden aan
*
:
ESB,

Antwoordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos.
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest. Redactie-medewerker: T de Bruin.

Adres:
Burgemeester Oudiaan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A E Rotterdam.
Tel. (010) 1455 II, administratie: toestel 3 701,
redactie: toestel 3790.
Bij adreswijziging s.v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getj’pt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
137.28 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 96,72
(mcl.
4% BTW), franco per Post voor
Nederland, ijelgië, Luxemburg, ovërzeese
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per uit irno van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
accept kaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93, 3012 A E Rotterdam, t.n.v. Economisch Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door o vermakingvan de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t. n. v. Economisch Statistische Berichten
Ie Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 Ii.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrtjfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projecistudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch- Mathematisch Onderzoek
Transport-Economisch Onderzoek

614

Prof Van Dam

Dialoog ter

discussie

Het ontwikkelingsvraagstuk is sinds

de oprichting van de UNCTAD in 1964

gevangen geweest in het scenario van een

conflict tussen twee monoliete blokken:

de rijke en de arme landen. Dat beeld

– de noord-zuid dialoog – staat thans

ter discussie. Die discussie is het gevolg
van meerdere factoren. De voornaamste

zijn:
• de differentiatie die tussen de ontwik-

kelingslanden onderling is ontstaan;

• de interdependentie die tussen de
arme en de rijke landen is gegroeid;

• de vervaging van de structuurver

schillen tussen arm en rijk;
• de futiliteit van de huidige onderhan-

delingen;

• de ontgoevernementalisering van de

arm-rijk relatie door de ontwikke-

lingslobbies in de rijke landen.

Ter toelichting diene het volgende. Tot

voor kort vertoonden de ontwikkelings-

landen – ondanks interne verschillen –

grosso modo een identieke karakteristiek

ten opzichte van de buitenwereld. Zij

waren grondstoffenxporteurs, impor-

teurs van eindprodukten, hadden geen

toegang tot de kapitaalmarkt en fungeer-

den als gastlanden voor dochters van

westerse firma’s. Dit is in de afgelopen

vijfjaarveranderd. Een aantal ontwikke-

lingslanden is tot snelle industrialisatie

gekomen, waardoorsommige reeds meer
eindprodukten exporteren dan importe-
ren. Parallel daaraan heeft ongeveer

dezelfde groep landen toegang gekregen

tot de kapitaalmarkt. In enkele gevallen
zijn in deze landen eigen multinationale
ondernemingen ontstaan. Hierdoor zijn
de ontwikkelingslanden niet langer een

homogene groep, maar zijn zij onderling

verdeeld, met vaak tegengestelde interes-

ses.
De tweede oorzaak is de toegenomen

interdependentie tussen de arme en de rij-

ke landen. De groei van het handels-, ka-

pitaal- en investeringsverkeer heeft tot

gevolg gehad dat er een mate van weder-

zijdse afhankelijkheid is ontstaan. Deze

afhankelijkheid is een factor in de inter-

nationale economische politiek van de

rijke landen geworden, met name nu deze
met een recessie te kampen hebben. De

armelanden kunnen – in beperkte mate

en mits de ontwikkelde landen een non-

protectionistische koers volgen – een

rol spelen in het overwinnen van de

vraagstagnatie en de daarbij optredende

werkloosheid. Anders gesteld: in bepaal-

de opzichten en onder bepaalde condities
zijn er parallelle belangen ontstaan en de

arme landen kunnen daarvan profiteren.

De vervaging van de grens tussen de
ontwikkelde landen en de onderontwik-

kelde landen heeft te maken met het

genoemde differentiatieproces van de
ontwikkelingslanden enerzijds en met

veranderingsprocessen in de rijke landen

anderzijds. Dudley Seers heeft in een

aantal artikelen betoogd dat er proble-

men zijn, die vroeger als het ware voor de

arme landen waren gereserveerd, nu ook

de rijke landen treffen. Als voorbeelden

noemt hij inflatie, stagnatie en structure-

le werkloosheid. De grenslijn tussen bij-
voorbeeld sommige Zuideuropese lan-

den en sommige Latijns-Amerikaanse
landen is daardoor onduidelijk ge-

worden.

De futiliteit van de huidige onderhan-

delingen tussen de ,,blokken” noord en
zuid komt tot uiting in de minimale of

ontbrekende vorderingen bij de effectu-

ering van de Ontwikkelingsstrategie zo-
als die in 1970 door de Verenigde Naties

is geformuleerd, of recenter van de Nieu-
we Internationale Economische Orde

zoals die in 1974 is vastgesteld. Alle

conferenties ten spijt moet worden ge-

constateerd dat nauwelijks inhoudelijke

resultaten zijn geboekt en dat mede

daardoor de belangstelling voor dit soort

overleg tanende is. De nieuwste vorm
waarin de traditionele noord-zuid dia-
loog is gegoten, is het ,,Overview Corn-
mittee” van de Verenigde Naties waarin

alle lidstaten zitting hebben en dat als een

forum moet dienen voor het ontwikke-

lingsprobleem in zijn totaliteit. De kwij-

nende belangstelling voor dit soort be-

sprekingen werd gillustreerd door de

lage representatie van de ontwikkelings-landen tijdens de eerste bijeenkomst van
deze commissie in mei ji.

Ten slotte is er een proces van ontgoe-

vernementalisering gaande vanuit de

ontwikkelingstobbies in de rijke landen.

Deze groeperingen kennen steeds minder

betekenis toe aan de interstatelijke ont-

wikkelingssamenwerking en zoeken

steeds meer naar alternatieve wegen en

kanalen. Die alternatieve wegen beteke-

nen per definitie een uitschakeling van de

overheden uit het sarnenwerkingsproces

en dus ook een uitschakeling van het

blok ontwikkelingslanden als groep van
staten. Dit zoeken naar alternatieve we-

gen vloeit ten dele voort uit de overtui-

ging dat de regeringen van de ontwikke-

lingslanden de belangen van hun

inwoners niet of in onvoldoende mate

dienen. Ten dele vloeit het voort uit de

zelfde ideologische vernietigingsdrift die

de groep van Piet Reckrnan bezielde toen

deze het ontstaan van het tweede ka-
binet-Den Uyl blokkeerde.

Al met al verandert het beeld van de

relatie tussen arm en rijk aanzienlijk.
Daarover vindt haastig overleg plaats in
de OECD te Parijs, bij de EG te Brussel

en op andere plaatsen waar het ontwik-

kelingsvraagstuk op de agenda staat. De
nieuwe situatie lijkt enerzijds nieuwe

mogelijkheden voor de arme landen te

bieden, vooral omdat de rijke landen

meer dan vroeger voor een aantal onder-
werpen ènigszins afhankelijk van de
arme landen zijn. Anderzijds is het niet

ondenkbaar dat de rijke landen zullen

trachten te profiteren van de toenemende

verdeeldheid tussen de ontwikkelings-

landen en dat zij deze tegen elkaar zullen
uitspelen. De uitslag van de balans wordt
in hoge mate bepaald door de posities die

de rijke landen zullen innemen, en bin-

nen de rijke landen door het gewicht dat

de ontwikkelingslobbies in de schaal
zullen leggen. Helaas hebben die zich zelf

door hun anti-goevernementele gedrag

in belangrijke mate uitgeschakeld.

ESB 21-6-1978

615

Op studiereis door China

DRS. J. G. WAARDENBURG*

Inleiding

In oktober 1977 heeft een groep van twintig studenten en

vier stafleden van de Erasmus Universiteit Rotterdam een

studiereis van drie weken door China gemaakt. De reis was
gedurende meer dan een jaar inhoudelijk 1) voorbereid met

een serie gemeenschappelijke algemene bijeenkomsten gro-

tendeels met sprekers van buiten de groep, en in zes studie-

groepen welke zich op meer specifieke gebieden richtten (de

eerste vier te noemen groepen het sterkst gericht op het ge-

meenschappelijke studiethema): algemene economie, platte-

landseconomie, bedrijfseconomie 2), staatsrecht en stedelijke
organisatie, gezondheidszorg en onderwijs. Een van de resul-

taten van deze voorbereiding was een lijst met honderden

vragen, gegroepeerd naar mogelijke bezoeken tijdens de reis.

In China ging de reis afwisselend per vliegtuig en per trein

van Peking naar het noordoostelijke industriegebied met de

havenstad Dairen (vroeger Port Arthur) en dejonge en oude
industriesteden Anshan en Shenyang, en vervolgens via het

centraal in China gelegen Chenchow naar Kwanchow (het

door de handelsbeurs bekende Kanton), vanwaar China

verlaten werd in de richting van het nabijgelegen Hongkong.

Tot en met 1977 waren toeristenreizen (in die categorie viel

ook deze studiereis) in China sterk informatief gericht en

omvatten – naast enkele historisch-culturele excursies-

bezoeken met vraag- en antwoordbijeenkomsten aan fabrie-
ken, landbouwcommunes, scholen, buurtcomité’s, zieken-
huizen, etc., bijna steeds in de stedelijke zones waar goede

faciliteiten voor de ontvangst van buitenlanders bestaan. Op
ons verzoek werden niettemin enkele speciale, ongebruikelij-

ke ontmoetingen met uitvoerige gedachtenwisseling gearran-

geerd zoals met het hoofd van de afdeling onderzoek, tevens

onderdirecteur, van het hoofdkantoor van de Volksbank te

Peking, met een groep planners van de ijzer- en staalfabrieken

in Anshan, van het provinciale bureau van het Ministerie van

Landbouw in Chenchow, en van het Stadspiancomité van

Kwanchow, terwijl een onverwacht groot aantal hoogleraren

en stafleden in een hospitaal te Shenyang onze medische

studiegroep te woord stond.

Informatie

Terecht kan men de vraag stellen wat de waarde is van de

informatie die op een dergelijke reis wordt opgedaan, en met
name of deze als bron voor wetenschappelijke kennisopbouw

kan dienen. Enkele korte opmerkingen zijn daarover hier te

maken 3). De gedachte dat men op een reis, of in enigerlei

onderzoeksituatie in de sociale wetenschappen, puur door

waarneming een soort van ,,absolute” of,,objectieve” kennis

kan verkrijgen zal weinig of geen verdediging kunnen vinden.
Elk van zulke waarnemingen (in brede zin: via horen, zien,

opzoeken van gegevens, e.d.) is beïnvloed

door het ,,schema
van gerichtheid” van waaruit men waarneemt, en de mense-

lijke situatie waarbinnen de waarneming zichvoltrekt, waar-

door allerlei niet objectieve – in de zin van niet alleen door

het object zelf geleverde – elementen een rol gaan spelen.

Zeker is dit het geval bij een China-reis en zelfs in versterk-

te mate. Men trekt er niet rond als ,,vrj onderzoeker”, maar is

principieel de gast van de Chinezen. Naast de beperkingen die

deze situatie met zich meebrengt, biedt de uitstekende ont-

vangst door de Chinezen echter mogelijkheden die anders veel

moeilijker te realiseren zouden zijn: in korte tijd werd op deze

reis een groter aantal uiteenlopende bezoeken en ontmoetin-

gen gerealiseerd dan men zelf binnen die tijd zou kunnen orga-

niseren, terwijl de gastheren in het algemeen goed op de

hoogte waren van hun zaken en de tolken de indruk maakten

hun best te doen de vele vragen zo goed mogelijk te beant-

woorden 4). Korte ,,ideologische” 5) toelichtingen worden

herhaaldelijk gegeven, meestal aanknopend bij de dominante

politieke actie tegen de ,,bende van vier” of bij de oproep tot

de ,,vier modernisatïes” betrekking hebbend op respectie-

velijk de landbouw, de industrie, de wetenschap en defensie.

Het – voor wetenschap en journalistiek zo belangrijke –

maken van onafhankelijke controles op de gedane waarne-

mingen (in brede zin) is echter niet of nauwelijks mogelijk.
Een bruikbare manier om met deze voor onderzoek beperk-

te mogelijkheden te werken is de beperkingen onder ogen te
zien, zich grondig voor te bereiden door studie uit andere

bronnen en het ,,schema van gerichtheid” heel expliciet te

maken, b.v. in de vorm van uitvoerige vragenlijsten. De groep

heeft gemerkt dat men met aldus gestructureerde vragen heel

* De auteur is lector ontwikkelingsprogrammering aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Hij is zijn medereiziger Drs. J. L. de Kruyk
dankbaar voor talrijke suggesties die tot verbetering van de tekst
hebben geleid.
Bij de organisatorische voorbereiding door het geheel uit studen-
ten bestaande bestuur van de groep werd belangrijke steun ontvangen
van het Bureau Buitenland van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Voor een serie meer bedrijfseconomisch georienteerde artikelen
naar aanleiding van deze reis, onder redactie van het vierde deelne-
mer-staflid Drs. J. Sprong, zij verwezen naar het tijdschrift
Bedrijfs-
kunde.
1978,
no. 1, 2 en 3.
Een uitvoeriger beschouwing hierover is vervat in J. G. Waarden-
burg,
Enkele methodologische notities over de betekenis van een
China-reis voor de kennisvermeerdering over China; een onuitge-
werkt raamwerk,
ongepubliceerd stuk, NIAS, Wassenaar, dècember
1977, dat in omgewerkte vorm in het rapport van de reis zal verschij-
nen. Deze kwestie is ook in het,,China-debat” in de afgelopenjaren in
Nederland aan de orde geweest, zie o.a. de meer samenvattende
artikelen: J. Breman, De ,,waarheid” over China,
Jntermediair,
21
mei
1976,
blz. 9
e.v. en L. Schenk-Sandbergen, China: je moet er
gewéést zijn,
Jniermediair,
30september
1977, blz. 31 e.v., alsmede de
daar vermelde literatuur.
Zoals gebruikelijk was er voor onze groep een permanente begelei-
ding van (drie) tolken/organisatoren, in elke bezochte plaats aange-
vuld met (twee of drie) tolken/organisatoren, waarnaast bij elk be-: zoek ook één of meer functionarissen van het bezochte project als. gastheren of -vrouwen optraden.
Ideologie is hier op te vatten als min of meer samenvattend
interpretatiekader van de werkelijkheid.

616

wat bruikbare informatie krijgt, waarvan de kwaliteit sterk

bepaald is door die van het gehanteerde ,,schema”, dat

trouwens ook bij interpretatie en integratie van de waar

nemingsresultaten weer meespeelt.

Tot zover deze onvolledige opmerkingen over een theore-

tisch en praktisch boeiende vraag. De hierna volgende obser-

vaties beogen slechts enkele indrukken en daardoor opge-

roepen eerste suggesties weer te geven.

Het thema: centralisatie en decentralisatie

In de China-literatuur van de laatste tien jaar wordt China
vaak beschreven als de bij uitstek gedecentraliseerde variant

van de z.g. centraal geleide economieen, zich manifesterend in

de communevorming in 1958, maar nog sterker in de Culture-

le Revolutie. Met gedecentraliseerd wordt hier bedoeld dat

belangrijke bevoegdheden aan kleinere ,,lagere” eenheden

worden overgelaten; dit kunnen mde produktiesfeerin China

alleen staatseenheden 6) of collectieve eenheden zijn 7). Zo

vermeldt Bettelheim 8) dat in 1957 46% van de industriële

staatsbedrijven in Groot-Shanghai – naar produktiehoeveel-

heden gemeten – rechtstreeks onder de zeggenschap van de

centrale overheid (in Peking) viel, tegenover 6,8%in 1970. In
het algemeen kent men in China vier niveaus van overheids-
instellingen: centrum, provincie, prefectuur of district, en

,,hsien”. Afhankelijk van de grootte van de stad vallen stede-

lijke overheden onder één van de eerste drie niveaus; agra-

rische communes staan één niveau onder de hsien, maar vor-

men collectieve lichamen en zijn dus geen overheidsinstellin-

gen. Binnen de overheid is er zodoende een aanzienlijke
(de)centraliserende beweging mogelijk door verschuiving

van beslissingsbevoegdheden over deze vier niveaus. Deze
mogelijkheid wordt nog ruimer als men ook verschuivingen

van beslissingsbevoegdheden tussen overheids- en collectieve

instellingen in de beschouwing betrekt.
Theoretische argumenten over de vraag welk soort beslis-

singen het beste op welk niveau kunnen worden genomen zijn

verwant aan argumenten welke in de welvaartseconomie

worden gebruikt ten aanzien van de vraag welke zaken beter

door particulieren en welke beter door de overheid kunnen
worden behartigd. Enerzijds wijzen de argumenten a. om

informatie-, communicatie- en controlekosten te minimali-seren en b. om participatie van de bevolking in het besluit-

vormingsproces te maximaliseren, veelal in de richting van
lagere besluitvormingsniveaus. Anderzijds wijzen met name

de volgende argumenten vaak in de richting van hogere be-
slissingsniveaus: c. het bestaan van externe effecten en collec-

tieve goederen, d. het relatief betere vermogen van grotere

instellingen om de gevolgen van wisselvalligheden op te

In oktober 1977 heeft een groep van twintig

studenten en enkele stafleden van de Erasmus

Universiteit te Rotterdam een studiereis van drie
weken door China gemaakt. Het centrale studie-

thema van de reis was het vraagstuk van de

centralisatie/decentralisatje in China. Dit thema

werd in afzonderlijke studiegroepen, die zich op

meer specifieke gebieden richttei, uitgewerkt. De
hier gepubliceerde artikelen zijn een neerslag van

de opgedane ervaringen van drie stafmedewer-

kers. Tevens is een volledig protocol (letterlijke

weergave van een vraaggesprek) afgedrukt. Bin-

nenkort verschijnt het volledige verslag van de

reis, dat de protocollen van alle bezoeken en ge-

sprekken van de studiegroep in China bevat, als-

mede een serie opstellen van de deelnemers, die
een eerste ordening en interpretatie van deze in-

formatie bieden. Belangstellenden voor dit ver-

slag kunnen zich opgeven bij de Werkgroep

Chinareis ’77,
pia
Bureau Buitenland, Erasmus

Universiteit Rotterdam, Burg. Oudlaan 50,

Rotterdam.

vangen, e. de onwaarschijnlijkheid dat zeer sterk gedecen-

traliseerde processen tot een verdeling van welvaart leiden die

aan bepaalde rechtvaardigheidsnormen voldoet en f. de grote

ruimte waarover bepaalde overheidsinstrumenten geldig

moeten zijn om effectief te kunnen zijn, wanneer deze betrek-
king hebben op verschijnselen met een grote ruimtelijke

mobiliteit (b.v. marktregelingen van zeer mobiele goederen of

arbeidskrachten, of ook staatsproduktie of -handel in het
geval van natuurlijke monopolies).

Welnu, bij de opstelling van de algemenejaarlijkse produk-

tieplannen is in China voor elk produkt bepaald op welk

niveau de omvang van de produktie wordt vastgesteld, met

andere woorden: onder welk plancomité de betreffende pro-
duktie-eenheid valt.

Er werden ons drie meer algemene karakteristieken ge-

noemd waarom een produkt b.v. op centraal niveau zou
moeten worden gepland:

• produkten die van vitaal belang zijn voor de voorziening

in basisbehoeften van de gehele bevolking (en die niet

alleen in de streek van gebruik geproduceerd hoeven te

worden, zôals behuizing en gezondheidszorg), met name
graan, katoen en plantaardige vetten;

• industriële basismaterialen die in principe door het hele
land vervoerbaar zijn, zoals b.v. staal;
• produkten die van belang zijn voor het hele land, maar die

slechts in bepaalde gebieden geproduceerd kunnen wor-
den, zoals b.v. ruwe olie.

Bij nadere overweging zijn deze drie karaktenstieken het

nauwste gerelateerd aan de eerder genoemde argumenten d.
en f. voor centralisatie. Wellicht zou men voor China het

bovengenoemde argument d. moeten uitbreiden in die zin, dat
bij moeilijkheden in de voorziening van produkten met vitaal

De kapitaalgoederen zijn hier staatsbezit, zoals b.v. het merendeel
van de stedelijke industrie; C. Bettelheim,
Cultural revolugion and
indusirtial organization in China, Changes in management and the
division of labor,
New York, 1974,
vermeldt
in
hfst. 2 dat in
1970
96%
van de industriële produktie in Groot-Shanghai in staatsbe-
drijven plaatsvond.
De kapitaalgoederen zijn hier collectief bezit, d.w.z. eigendom van
alle betrokken boeren of arbeiders, zoals in de communes of hun
lagere eenheden de produktiebrigades of de produktieteams. Dit
wordt als een lagere vorm van collectivisatie beschouwd dan het
staatsbezit. Zie Bettelheim, o.c.

ESB 21-6-1978

617

belang gebruik van speciale maatregelèn of van canipagnes
van partijege mogelijk zijn omdat de beschikbaarheid ervan

politieke betekenis heeft; dergelijke speciale campagnes vra-

gen centrale leiding of coordinatie om chaos te voorkomen,

zodat de normale planning vân deze produkten ook het beste’
ëentraal kan worden geleid. Glasprodukten, waarvan we een

fabriek in Dairen bezochten, zijn een voorbeeld, van niet

centraalgèpl’ande produkten; het argument hieryoor is-daf ze

op vele plaatsen kunnen worden gemaakten als behoefte voor

de bevolking niet van fundamentele betekenis zijn.

Planning ,,op een bepaald niveau” betekent niet dat de

betreffende bedrijven van het plancomité op dat niveau

zonder meer produktiecijfers krijgen voorgeschreven;, er

komen wel suggesties van ,,bövenaf” die in het bedrijf nader in

detail, worden uitgewerkt en dan door het hele bedrijf heen

worden bediscussieerd alvorens de conclusies van de discus-

sieg weer terug naar ,,boven” gaan. Aldaar worden de defini-”

tieve plancijfers met inachtneming van déze conclusies vastge-

steki. Dï’igevraagd veriéklen een paar bêdrijven, dat deze

conclusies slechts af en toe afweken van de oorspronkelijke

suggesties en in de praktijk nooit lager dan deze suggesties

lagen.

De prijzen van alle goederen worden door de overheid

vastgesteld door prijscomités, die op hetzelfde niveau opere-

ren als waarop de planning van het betreffende produkt

plaatsvindt. Deze vallen soms ondèr het betreffendè revolu-

tiOnaire comité (meereen bestuurlijk orgaan) ensoms onde

het betreffende plancomité (meer een ,,technisch” orgaan).

Voor uitbreidingsinvesteringen van, een bedrijf’ worden

suggesties gedaan en toestemming gegeven door in principe

hetzelfde niveau als waarop de produktieplanning plaats-

vindt, of bij uitzondering door een hoger niveau. Terwijl het

jaarproduktieplan elk jaar in september-december de cyclus

voor vaststelling doorloopt, kunnen voorstellen voor uitbrei-
dingsinvesteringen te allen tijde ter discussie worden gesteld.

Bij geen van onze bezoeken werd’vérwezen naar een albmvat-,

tend vijfjarenplan als raamwerk voor de produktie-uitbrei-

ding.

Overigens bleek bij het gesprek in Anshandat dë staal(ver-

werkings)fabrieken daar hun produktieresultaten niet alleen

melden aan het centrale niveau in Peking(in dit geval het

Ministerie van Staal), waar ze voor hûnproduktieplanning

onder vallen, maar ook aan het provinciale plancomité, dat

de ,staalprodiiktie op provinciaal niveau coördineert met de
produktie van andere sectoren. Het ligt vo6r de hand dat dit
comité daarbij dergelijke ‘resultâten, evenals de plancijfers,

vân centraal gestuurde bedrijven als exogene gegevens ,be

schouwt; de fabrieken krijgen blijkbaar ook geen feedback
van het provinciale niveau. Dezelfde fabrieken vallen voor

hun werkgelegenheidspolitiek onder het plaatselijke arbeids-

bureau, zondér wiens toestemming ze zelfs geën arbeiders

tussen .twee fabrieken binnen het ,,geïntegreerde ijzer- en

staalcomplex van Anshan” mogen verplaatsen.

Ten slotte worden eventuele moeilijkheden met de produk-

tie in zulke centraal gecoördineerde of geplande fabrieken in

eerste instantie bediscussieerd door het partïjcomité van de

fabriek met dat vande betreffènde. stad. Hierbij dient echter

bedacht ie worden dat de partij – naar zich laat aanzien –

een veel centraler gerichte en gestuurde Organisatie is dan de

overheid, zodat ook plaatselijke partijcomités een vrij directe

verbinding ,,naar bovn”‘hebben: Dit betekent ook dat in het
algemeen een versterking van de invloed van de partij naar
alle waarschijnlijkheid, een centraliserende ‘tendens impli-

ceert. Een en ander laat

zien dat het’ vraagstuk in hoeverre

‘de stedelijke industriële Organisatie in China ge(de)centrali-

seerd is in elk geval gecömpliceerd is. Dit geldt mutatis mu-

tandis ook voor, d’collectieve plattelandssector waar ener-

zijds in vergelijking met individuele boerenbedrijven de vor-

ming van communes, produktiebrigades en produktieteams

een zekere centralisâtie, betekent die met name met het hier-

voor, genoemde argument c. samenhangt, anderzijds iets’

meer vrijheid ten opzichte van het landelijke plan lijkt te be-

staan, zoals bijvoorbeeld het buiten het planom bouwen van,

‘een grote broeikas uit eigen ‘besparingen overigens om de

geplande produktie van groenten te halen – en het geduren-

de enige jaren experimenteren met nieuwe gewassen, alvo-

rens ‘de produktie ervan in het plan wordt opgenomen.

‘Terwijl op grbnd van deze en dergelijke gegevens.verkregën

tijdens de reis niet is vast té stellen in hoèverre er gedurende de
laatste jaren

een verandering is opgetreden in de mate van

centralisatie in de economie, kregen wij wel uit de verstrekte

– informatie de indruk dat er meer centralisatie is dan,in de

literatuur over de periode sinds de Culturele Revolutie wordt

gesuggereerd. Deze’ indruk werd versterkt door de’ geringe

aandacht die werd besteed aan de deugden van decentralisa-
tie, ofwel de vanzelfsprekendheid waarmee over de centrale

leiding en suggesties vanuit Peking werd gesproken 9), eyen-

als uit de prôminente positie die aan,de leiding van de partij
werd gegeven.

Deze situatie is begrijpelijk voor de overgang naar een

nieuw tijdperk .dat China rond de dood van Mao’Tse-tung

lijkt te,zijn binnengegaan, waarin de genoemde béweging voor

de vier modernisati’es een signaal zou kunnen zijn van een

volgende-economische transformatie, gericht op de vervtlling
van meer dan de eerste levensbehoeften.

-,
– J. –
George Waardenburg

9) In Kwanchow bleek ‘overigens Uit de wijze waarop over Peking
werd gesproken,’dat

de afstand’tot Peking (en tot de rest van China
in het algemeen) van daaruit niet alleen geografisch, maar ook
psychologisch het grootst was.

Vacatures

t

unctie:

r.
/1

14

\’ etenscha ppelijk nic’dewerker res Isie, s ctcnse happelijk
medeverker rekeniiigenstelsel, ss clunschappelijk me-dc’verker regionale rekeningen cii een specialist reke-ningenstelset t.b,v. de Hoofdafdeling Nationale Reke-
ningen voor het Centraal Bureau voor de Statistiek
Registcr-accouiitunts en assistent accountants t.b.s – dc
Interne Aeconntantsdienst van de Arnro Bank te
Amsterdam
Rwantitatiese e€oiiomisten )ninl./YrI.) voor de stich-ting Het ‘sederlands l’cunom)sch Instituut te Rotter’
dam
Dirc’ teur )jong econoom) hij de Sociaal’I conomische
Ads iesraad W esi’Os crij’sel te 7 ss olIe

1-unctic:

BI,.:
1′ inancieel beleidsmedesserker soor de (,c’mecnte ( apellc
a d l,I’,sc’l

6t2
V etenschappclijk itiedesserker (in/s) hij de ‘ akgroi’p
\ iskundige
Economie san dc Interfaculleit der
Actuariele Vi etenschappen en F,cononieirie san de
II

Rijksunis ersiteit (;roningc’ii

III
(lief .van de sectie Fiiianciele middelen (ni/s
) S
oor de
TH Delft

61)) t-en econooni soor algemeen onderzoek, een leiding-
gevende nmedeserker voor marktdocumentatie, tssee
sociale ss &’tensc happers voor marketingonderzoek en
611

een socialm’-setenschapper voor reclanme-ommder,ock en
resultateninet ing voor de Postgiro en l(ijksposl-
612

spaarhank

1%

618

Het Chinese platteland: duizenden

kleine staatjes en een wereidregering

DRS. J.L. DE KRUIJK*
In onderstaand artikel wordt de organisatie

van de Chinese landbouw aan een analyse onder-

worpen. Het blijkt dat beslissingen over produk-

tie, beloning, investeringen e. d., in het algemeen

op een zo laag mogelijk niveau worden genomen.

Toch kan men niet spreken, van een geringe

invloed van de staat, aangezien deze de planning
en coördinatie van grootschalige investeringsac-

tiviteiten verzorgt en de prijzen van alle produk-

ten vaststelt.

,,Tinbergen-prinçipe”

Evenals in de meeste ontwikkelingslanden woont ook in

China het grootste gedeelte van de bevolking op het platte-

land (80-85% van de 800-900 miljoen Chinezen). De organi-
satiestructuur van het platteland verschilt echter duidelijk van

die van andere ontwikkelingslanden. Na de oprichting van de

Volksrepubliek in 1949 werd het land herverdeeld in kleine
particuliere landbouwbedrijfles. Hierna werd de landbouw

stap voor stap gecollectiviseerd. Via de wederzijdse huipteams

(grond niet in gemeenschappelijk bezit) werden de lagere
coöperaties gesticht (beloning naar inbreng van grond en

arbeid) en vervolgens de hogere (alleen beloning naar arbeid).

Ten slotte werden tegelijk met het begin van de Grote Sprong

Voorwaarts (1958) de volkscommunes opgericht die niet
alleen het land, vee en werktuigen in collectief (communaal)

bezit hadden zoals de hogere coöperaties (dit in tegenstelling

tot de stedelijke sector waar de kapitaalgoederen eigendom

zijn van de staat), maar ook groter waren en een meer
omvattende functie hadden dan de coöperaties.
De communes zijn economische, sociaal-cultureel-medi-

sche, bestuurlijke en administratieve eenheden (in de titelter-
minologie: ,,staatjes”) tot rond 50.000 inwoners. Deze vallen
weer uiteen in produktiebrigades die vaak bestaan uit een

groot dorp ofenkele kleinedorpen samen (drietotvijfduizend

man) en produktieteams (100-300 man). Zo bestond b.v. de

Evergreencommune die we bij Peking bezochten uit 10.000

gezinnen (42.000 personen) en was onderverdeeld in 13
brigades en 138 teams; in de Lo-Kangcommune (nabij Kan-

ton) woonden 27.000 mensen (5.500 gezinnen) onderverdeeld
in 7 brigades en 102 teams. Het produktieteam is meestal de

belangrijkste eenheid: het is de basis-rekeneenheid, waar het

inkomen, de waarde van een werkpunt (zie verderop in dit
artikel) en de verdeling ervan worden vastgesteld. De agrari-

sche produktie die niet nodig is voor eigen consumptie wordt

door het team direct aan de staat verkocht. De opbrengst
hiervan gaat rechtstreeks naar het team. In de meer ontwik-

kelde communes is de produktiebrigade de basis-rekeneen-
heid. Afhankelijk van de aard en omvang van de produktie

hebben niet alleen communes, maar ook brigades hun eigen

fabriekjes, waarvan de opbrengst direct naar de communes

respectievelijk de brigades gaat. Verder bezitten communes

en brigades vrachtwagens, landbouwwerktuigen, scholen,

medische posten, winkels, mobiele bioscopen, crêches, enz.

De collectivisering van de landbouw ging dus in fasen. De

beslissingsmacht over de bewerking van de grond kwam op
een steeds hoger niveau te liggen. Was het in de eerste fase na

1949 nog de individuele boer die over de aanwending van de

grond besliste, nauwelijks tien jaar later was de beslissings-
macht verdeeld over het produktieteam, de produktiebriga-

de, de commune en de hogere niveaus al naar gelang de aard
en reikwijdte van de beslissingen.

Alvorens in te gaan op de feitelijke verdeling van de

beslissingsbevoegdheden over de diverse niveaus eerst een
paar theoretische opmerkingen. Tinbergen heeft als principe

naar voren gebracht dat beslissingen op een zo laag mogelijk
niveau moeten worden genomen, maar dat als de beslissing

externe effecten heeft die ook andere eenheden raken, de

beslissingsmacht naar een zodanig hoger niveau moet worden

verlegd dat deze eenheden er nog juist in vertegenwoordigd

zijn. Een vaak aangehaald voorbeeld in deze context is de

vervuiling van de Rijn. Maatregelen om de vervuiling tegen te

gaan moeten worden genomen door de landen van het

stromingsgebied van de rivier. Niet op Europees niveau (te

hoog) en niet op landelijk niveau (te laag). Passen we dit
principe toe op de (Chinese) landbouwproduktie dan moeten
b.v. beslissingen over infrastructurele werken zoals het aan-

leggen van irrigatiekanalen op een zo laag mogelijk niveau

worden genomen, maar wel zodanig, dat degenen die hiervan

kunnen profiteren, vertegenwoordigd zijn op het beslissings-

niveau. Door dit niveau zo laag mogelijk te houden zijn de

communicatielijnen van de informatie enerzijds en van de
controle op de uitvoering anderzijds zo kort mogelijk. Bo-
vendien worden mensen nauwer betrokken bij beslissingen
op lager niveau, wat wellicht tot een grotere participatie en

inzet zal leiden en werkvervreemding zal tegengaan.

We zullen een aantal belangrijke determinanten van de

Chinese landbouwproduktie de revue laten passeren en kijken
welke beslissingen op welk niveau worden genomen en hoe dit

past in het bovenstaande ,,Ti nbergen-pri ncipe”.

* De auteur, wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep ontwik-kelingsprogrammering aan de economische faculteit van de Erasmus
Universiteit te Rotterdam dankt L. Lodder voor de stimulerende
nachtelijke discussies en J. G. Waardenburg voor de waardevolle
opmerkingen naar aanleiding van de concept-tekst van dit artikel.
De vô6rlaatste par. is gebaseerd op informatie die verkregen is Uit
twee gesprekken met de vice-voorzitter van het hoofdkantoor van
de Volksbank te Peking, de heer Chia en uit een gesprek met
Hui
Tiang Sueng en Qiou Kang Yu, leden van het revolutionaire comité
van het landbouwbureau van de Honan provincie.

ESB 21-6-1978

619

Produktiequota

Het primaire doel van de oplegging van produktiequota

door de staat aan de collectieve sector is de voorziening van

een minimale hoeveelheid agrarische produkten voor de stede-

lijke sector. De agrarische produktiequota worden in zeer

grove lijnen op centraal niveau bepaald. Zo is China wat

betreft de produktiequota van graan in drieën verdeeld. Ten
zuiden van de Yangtse-Kiang bedraagt het quotum 800 tsin

(= 1 pond) per mou (= 1 / 15 hectare), wat overeenkomt met

6 ton per hectare; tussen de Yangtse-Kiang en de Gele Rivier

500 tsin/mou en ten noorden van de Gele Rivier 400 tsin-

/mou. Het is duidelijk dat dit gemiddelden zijn, die daarom

weinig praktische waarde hebben voor individuele brigades of

teams. Een team met slechte produktiemogelijkheden dat

minder produceert dan het quotum, zal alles in het werk

moeten stellen om het quotum toch te halen en heeft daardoor

weinig keuzevrijheid tussen produceren en het verrichten van

nevenactiviteiten 1). De door ons bezochte Bai Zuang-pro-

duktiebrigade 2) produceerde 1709 tsin/mou in 1976 hetgeen

meer dan drie maal het quotum is.

Het ,,Tinbergen-principe” gaat ervan uit dat het revolutio-

naire en partijcomité van de brigade wat betreft de lokale

produktiemogelijkheden over betere informatie beschikken

dan de hogere niveaus. Daarom was het zeer van belang te

constateren dat de brigade inderdaad zelf jaarlj kse produk-

tiedoelstellingen maakt, 1792 tsin/mou voor 1977, zelfs al

liggen deze in geen verhouding tot de van bovenaf opgekregen

quota. Zijn deze doelstellingen eenmaal door de brigade zelf

vastgesteld, dan hebben deze ook prioriteit boven de verder te

verrichten nevenactiviteiten 3), die – zoals later zal blijken –

een centrale rol vervullen in de lokale ontwikkeling.

Toch kan het collectief niet volledig autonoom over de aard

en omvang van de agrarische produktie beslissen. Nadat de

door de staat opgekregen quota zijn gehaald, kan het collec-

tief niet zelf uitmaken wat dan verder geproduceerd gaat

worden. Het aantal hectares per gewas wordt nl. bepaald na

overleg tussen de commune (collectief) en het op één niveau
hoger (meestal het ,,hsien-niveau”) gelegen plancomité

(staat). De brigades en de teams kunnen dus niet vrij produce-

ren nadat de staatsquota zijn gehaald: de collectieve grond

wordt uiteindelijk doôr de staat over de diverse produkten

verdeeld. Het landareaal van de belangrijkste gewassen wordt

in het plan opgenomen, waarna het niet meer mogelijk is hier-

van af te wijken. Op deze manier heeft een brigade of team

met goede produktiemogelijkheden, zoals de Bai Zuang-

brigade, beslissingsmacht over de intensiteit van de produktie

per hectare. Een grotere produktie levert enerzijds een hoger
inkomen op, anderzijds kunnen nevenactiviteiten de produk-
tiemogelijkheden in de toekomst vergroten. De keuze tussen
produceren nu en investeren ligt bij de basiseenheid, met dien

verstande dat er een zekere minimumproduktie moet worden

geleverd door de basis aan de staat.

Nevenactiviteiten

De collectivisering van het platteland is een grote stimulans

geweest voor de ontwikkeling van nevenactiviteiten. De

beslissing over het opzetten en uitvoeren van nevenactivitei-

ten, die geen inputs van hogere niveaus behoeven, worden op

het laagste niveau genomen. Over kleinschalige projecten,

zoals b.v. een varkensfokkerij of een werkplaats, beslist in het

algemeen de brigade. Zij bepaalt het benodigde aantal arbei-

ders per team. Volgens Bastid 4) speelt het ,,hsien-niveau”
voor grootschalige investeringsactiviteiten een soortgelijke

coördinerende rol als de brigade, b.v. bij het opzetten van

grote fabrieken, irrigatieprojecten, elektrificatïe en het aan-

leggen van wegen en kleine spoorwegen.

De beslissing over de keuze
welke
nevenactiviteiten zullen

worden ontwikkeld, hangt in het algemeen af van de volgende
vier criteria. Zij moeten a. de landbouwproduktie dienen;

b. de behoeften van de boeren en arbeiders bevredigen; c. de

levensstandaard verbeteren; d. de mechanisatie bevorderen.
Bij onze bezoeken aan het platteland zagen we hiervan vele

voorbeelden. In de eerder genoemde Bai Zuang-brigade

wordt (naast rijst) hoofdzakelijk fruit verbouwd. Een gedeelte

hiervan wordt niet rechtstreeks aan de staat verkocht, maar

ter plaatse verwerkt in een zelf opgezette fabriek en dan pas

verkocht. Buiten het seizoen werkt een aantal boeren in de

fabriek, die in de oogsttijd wordt gesloten. Het afval van de

voedselverwerkïngsfabrïek wordt gebruikt om varkens te

voeden. De varkens leveren mest voor de rijst- en fruitproduk-

tie. Verder is er een vijver gegraven waar vis wordt gekweekt

die gevoerd wordt met fruitafval dat niet kan worden gecon-

sumeerd, verkocht of verwerkt (rotte appels, e.d.). Op deze

manier wordt de fruitproduktie geoptimaliseerd door neven-

activiteiten. Het inkomen van de boeren is toegenomen

omdat verwerkt fruit meer oplevert; via de varkens wordt

mest geproduceerd wat de produktie van rijst en fruit ten

goede komt, waardoor indirect weer het inkomen van de

boeren wordt vergroot. Bovendien zorgt het fruitafval via de

visvijver voor dierlij ke eiwitten.

Ook in de Evergreen-commune zorgen door fruitafval

gevoede varkens voor de mestproduktie. Verder worden hier

door de commune landbouwwerktuigen en -machines gefa-

briceerd en waterconserveringsprojecten uitgevoerd ter ver-

betering van de irrigatie. Tevens bouwt men in de dorpen

nieuwe huizen voor de gezinnen die midden op het land

wonen, zodat rechte wegen kunnen worden aangelegd en

stukken land kunnen worden samengevoegd.

Ook in de Lo-Kang-commune wordt een gedeelte van het

fruit zelf verwerkt. Opvallend is hier de insectenbestrijdings-

methode. Overal in de boomgaard zijn op houten palen kleine

open oliereservoirs gebouwd. Bij het invallen van de duister-

nis worden de lonten aangestoken zodat de hierdoor aange-

trokken insekten in de olie verbranden. Deze methode past

men toe naast de (dure) chemische bestrijdingsmiddelen.

Sommige van bovenstaande activiteiten dragen bij tot een

toename van de agrarische produktie en daardoor tot een

hoger inkomen van de boeren. Andere, zoals het huizenbouw-
project en de visvijver, sluiten meer aan bij de directe behoef-

tebevrediging en verhoging van de levensstandaard. De

penetratie van de onderwijs- en medische sector (,,blote-voe-

ten-dokters”) tot de basiseenheden is ruimschoots bekend en

behoeft dan ook geen verder commentaar.

Communes hebben – evenals brigades – eigen fabrieken.

In de Lo Kang-commune vertelde men ons dat voor het

opzetten van commune-fabrieken toestemming van de staat

nodig is, omdat deze fabrieken in het centrale plan moeten

passenl Het idee voor het opzetten van de daar aanwezige

fruitverwerkingsfabriek kwam uit de commune zelf. De staat

keurde dit goed, opdat het aan bederf onderhevige fruit snel

kon worden verwerkt. Naast het eigen fruit verwerkt de

fabriek jaarlijks 600 ton suiker, dat door de staat wordt

geleverd.

De arbeiders van de fabriek worden op twee manieren

gerecruteerd. De helft van hen wordt door de teams gestuurd,

maar door de commune betaald (de opbrengst van de fabriek

komt immers ten goede aan de commune). De andere helft

werkt buiten het oogstseizoen in de fabriek en tijdens de

Soms kan een dergelijk team ,,ontwikkelingshulp” krijgen; zie
verder in dit artikel.
Deze kleine brigade van ruim 600 inwoners is een basiseenheid in
de Za Cheng Volkscommune nabij Chengchow, even ten zuiden van de Gele Rivier.
Onder nevenactiviteiten worden verstaan alle activiteiten anders
dan voor de directe agrarische produktie, zoals lichte industrie,
infrastructurele werken, onderwijs en welzijnszorg. M. Bastid, Levels of economic decision-making, in: S.R. Schram
(cd.),
A
uthority, participation and cultural change in China,
Cam-
bridge,
1973,
blz.
159- 199.

620

oogsttijd op het land, gedurende welke tijd zij door het team
wordt betaald d.m.v. werkpunten (in tegenstelling tot de Bai

Zuang-brigade sluit deze fabriek dus niet tijdens de oogsttijd).

De commune neemt contact op met de brigade en met de

teamleiders om te bediscussiëren welke teams de arbeiders

moeten leveren. De teamleider of plaatsvervangend leider

beslist uiteindelijk na overleg met de betrokkenen wie de

verschillende activiteiten verricht. Dit gebeurt n.a.v. de indivi-

duele omstandigheden. De fysiek zwakkeren zorgen b.v. voor

de ganzen en de varkens, de sterkeren doen het zwaardere
werk op het land of in de fabriek.

Het arbeidsbureau in de stad heeft hier niets mee te maken.

Dit bureau verdeelt het werk over de staatsondernemingen.

De commune is daarentegen collectief eigendom. Wanneer
een bepaalde stad extra arbeiders nodig heeft, kan een
verzoek worden ingediend bij het plancomité van het betref-

fende district dat verantwoordelijk is voor de verplaatsing van

arbeid tussen de ,,hsiens” binnen het district (meestal komt

het stadsniveau overeen met het ,,hsien-nïveau”, behalve voor

enkele grote steden zoals Peking en Shanghai); het provin-

ciale plancomité beslist over de verplaatsing van arbeid tussen

de districten, terwijl het centrale niveau in Peking verant-
woordelijk is voor de verplaatsing van arbeid tussen de

provincies. Hierdoor is het mogelijk dat de additionele arbeid

uit andere delen van China komt. Hoewel in eerste instantie

de extra benodigde arbeid binnen de industriële stedelijke

sector zal worden gezocht (omdat in deze sector naar men
aanneemt meer verborgen werkloosheid voorkomt), is het

uiteindelijk toch mogelijk dat een bepaalde commune (lees:
team) arbeidskracht zal moeten leveren.

Volgens Donnithorne 5) zullen de betrokkenen dit graag
doen omdat industriële arbeid in het algemeen beter wordt

beloond en een hogere status heeft. Ook binnen de plattelands-

omgeving is er een zekere neiging om meer niet-agrarische

arbeid te verrichten. Zo refereerde Donnithorne aan een – in
juli 1977 gehouden – conferentie in Kansu 6) waar werd

meegedeeld dat op sommige plaatsen slechts 30% van de
lokale beroepsbevolking direct agrarisch werk verricht. Ver-

der rapporteerde een produktiebrigade uit Shansi in maart
1977 dat slechts 25% van de leden gedurende het gehelejaar in

de landbouw werkt, dat 289
ó
niet-agrarisch werk binnen de
brigade verricht, terwijl de meeste anderen werk verrichten
voôr de commune of ,,hsien”. De beloning van dit soort werk

aan de basïseenheid of aan de arbeiders zelf is hoger dan de

beloning van agrarisch werk. Officiële mededelingen in maart 1977 hebben van dit ongenoegen over de toenemende neiging

minder arbeid te alloceren voor de directe agrarische produk-

tie blijkt gegeven en er is aangedrongen op terugkeer naar

agrarisch werk 7). Volgens Donnithorne zal deze situatie

echter aanhouden, zolang de beloning van arbeid in de col-

lectieve landbouw t.o.v. de lonen in de stedelijke industrie niet

verbetert.

Bij deze tegenstelling tussen de staat en de collectieve land-

bouwsector, staande staat beperkte instrumenten ter beschik-

king. Zij kan b.v. druk uitoefenen d.m.v. het partijapparaat, en

er kunnen economische – b.v. prijspolitieke – maatregelen

worden genomen. Hoewel deze laatste maatregelen de samen-

stelling van het produktiepakket van de basiseenheid kunnen

beïnvloeden blijft het collectief zelf beslissen over de allocatie
van de arbeid binnen de commune en over de verdeling van

het collectieve geldinkomen en zodoende over de beloning

van de verschillende soorten van arbeid (d.m.v. werkpunten).

De keuze tussen de omvang van de nevenactiviteiten

enerzijds en additionele agrarische produktie (boven het

quotum) anderzijds ligt dus grotendeels binnen de collectieve

landbouwsector zelf. Sommige nevenactiviteiten kunnen een
begrenzing vinden in de beperkte beschikbaarheid van de be-

nodigde inputs die van buiten het collectief moeten komen.

De beslissing over de uitvoering van dergelijke projecten

wordt dan ook op een hoger niveau genomen evenals groot-
schalige nevenactiviteiten waarvan de output aan verschil-
lende communes ten goede komt.

Financiering uit eigen middelen

De produktie van een team die niet zelf wordt geconsu-

meerd, wordt rechtstreeks aan de staat verkocht. Het geld dat

binnenkomt (het collectieve geldinkomen) wordt binnen het

team verdeeld. Een gedeelte is bestemd voor de beloning van

arbeid, de rest wordt verdeeld over de verschillende fondsen.

Als indicatie van deze verdeling kunnen de volgende voor-beelden dienen. In de eerder genoemde Lo Kang-commune

gaat gemiddeld 60% van de opbrengst van de teams als loon
naar de boeren en arbeiders, 20% zijn kosten, 10% wordt

gestort in het accumulatiefonds (landbouwmachines .e.d.),

3% in het welzijnsfonds (scholen, medische posten, oudedags-

voorziening e.d.), 1% in het managementsfonds en 6% is

bestemd voor belastingen (waarvan 3% naar de staat gaat,

meestal in de vorm van goederen). In de Evergreen-commune

wordt gemiddeld 13% in het accumulatiefonds gestort, 3,1%
in het welzijnsfonds en er wordt ook 3% betaald aan staatsbe-

lastingen. Deze percentages geven slechts een indruk en zijn

natuurlijk niet voor alle teams (c.q. brigades, wanneer zij de
basiseenheid zijn) gelijk. Zo is er in de Chiliyang-commune

een brigade die veel varkens bezit, waardoor er weinig kunst-
mest nodig is. De totale kosten bedragen er dan ook slechts

10% van de opbrengst zodat een groter percentage naar het
accumulatiefonds en naar de boeren kan gaan.

Alvorens in te gaan op de beslissingsmacht over de aanwen-
ding van de diverse fondsen, waarbij verschillende niveaus
zijn betrokken, zullen we allereerst aandacht besteden aan het

beloningssysteem van arbeid op het Chinese platteland; de

beslissingsmacht over deze beloning is gedecentraliseerd.

Het werkpuntensysteem

Het werkpuntensysteem is een uitdrukking van de bestaan-

de politieke, structurele en organisatorische verhoudingen en is gebaseerd op het vertrouwen van de boeren en arbeiders in

de werkpunten. Dit alles heeft minstens twee unieke resulta-

ten opgeleverd die tot voor kort tot de onmogelijkheden leken
te behoren. In de eerste plaats leidde het tot een vrijwel vol-

Lezing Erasmus Universiteit Rotterdam op 14 november 1977.
Kansu Provincial Radio Service, 20juli 1977.
BBC Summary
of
World Broadcasi,
FE/5570/B 11/2.
Peking Home Service, 14 maart1977.
BBC Summary
of
World
Broadcasts,
FE/5471/B 1116-7 van 24 maart 1977.

ESB 21-6-1978

621

ledige werkgelegenheid op het platteland, ook buiten de

oogsttijd. Ten tweede resulteerde het in de mogelijkheid

om te investeren zonder een beroep te doen op externe midde-

len om de benodigde arbeid te financieren. Hoe werkt dit

systeem?.

Het individuele inkomen wordt bepaald door het aantal

werkpunten dat men in de loop van het jaar heeft vergaard.

Dit aantal hangt af van drie criteria: a. politiek bewust zijn en
ideologische houding; b. bekwaamheid en c. fysieke conditie.

Verder worden minder werkpunten gegeven aan iemand die

minder dan acht uur per dag werkt. Het is niet duidelijk

geworden of deze criteria in volgorde van belangrijkheid zijn

gerangschikt. In de Bai Zuang-brigade werd de liefde voor de

staat als belangrijkste criterium genoemd, terwijl in de Ever-

green-communé en in de Lo Kang-commune bekwaamheid

en de hoeveelheid verrichte arbeid prioriteit hadden 8). (Er

werd verteld dat dit geen tegenstelling hoeft te zijn omdat

ideologische houding en politiek bewustzijn zich ook kunnen

uiten in de houding t.a.v. het werk).

In het algemeen zijn er vijf schalen, oplopend van 6 tot 10

werkpunten per dag. In de Bai Zuang-brigade krijgen ,,blote-

voeten-dokters”, leiders, technici en leraren 9 punten;

mannen en vrouwen ontvangen een gelijke beloning bij

dezelfde prestatie. Bij fysieke arbeid verdienen mannen

meer dan vrouwen. In deze brigade ontvangt 30% van de

leden 10 punten per dag; de meeste anderen 8 of 9 punten,

terwijl sommige vrouwen 6 of 7 punten krijgen. Bij af-

.wezigheid (bij ziekte b.v.) worden geen werkpunten toege-

wezen. Wel zorgt d,e brigade voor het levensonderhoud van

langdurig zieken en hun familie. Het bepalen van het aantal
individuele werkpunten per 8-urige werkdag gebeurt één of

twee maal per jaar. De beslissing hierover wordt genomen

door de massale vergadering (van 200 boeren en arbeiders) na

eerst in groepen te hebben gediscussieerd. Op basis hiervan
kan de boekhouder van de brigade, die het aantal werkuren

per man registreert en maandelijks publiceert, het individuele
enhet totale aantal werkpunten van het betreffende (half)j aar

berekenen. Ten slotte wordt het individuele inkomen in geld

bepaald door het collectieve geldinkomen van de brigade te

verdelen over de werkpunten. De geldwaarde van een werk-

punt kan dus van jaar tot jaar verschillen doordat het collec-

tieve geldinkomen van de brigade kan variëren, maar ook

doordat het totale aantal punten wat jaarlijks in de brigade

wordt verdiend niet constant is. Een brigade of team kan

immers werkpunten creëren, door het uitvoeren van nevenac-

tiviteiten.
Met deze addtioneel geschapen werkpunten worden de

boeren en arbeiders betaald voor de verrichte nevenactivitei-

ten zonder dat het team hiervoor een beroep hoeft te doen
op externe financieringsmiddelen. Stel dat het gaat om in-

vesteringen die een bouwtijd hebben waardoor ze niet on-

middellijk in hetzelfde jaar extra produktie tot gevolg heb-
ben. Het collectieve geldinkomen in dit jaar blijft dus con-

stant. Daar dit inkomen moet worden verdeeld over meer

werkpunten daalt tijdelijk de reële geldwaarde van een werk-

punt. In feite worden de totale arbeidskosten van deze inves-

teringen dus gefinancierd door de boeren.

Hoe is het mogelijk dat de Chinese plattelandsbevolking uit
eigen zak investeringen financiert zoals b.v. voor infrastructu-

rele werken, welzijnswerk en de opbouw van rurale industrie,

die in elk ander ontwikkelingsland enorme geldbedragen

zouden vergen? Een eerste verklaring kan worden gevonden

in de collectiviteitszin van de kleine gemeenschappen. Men is

bereid de handen ineen te slaan, zich daadwerkelijk in te

zetten en zich tijdelijke opofferingen (zoals vrije tijd) te

getroosten voor de opbouw en ontwikkeling van het eigen

dorp. Dit brengt tevens een vrij grote sociale controle met zich

mee. Voor veel mensen in de rijke landen spreekt deze
verklaring niet zo aan, omdat men er eenvoudigweg niet in
gelooft dat ,,de mens” zich permanent zou kunnen inzetten
voor een collectief belang. Voor hen geef ik de volgende

verklaring: we nemen nu als uitgangspunt dat iedere boer

slechts zijn eigenbelang nastreeft. Gegeven het werkpunten-

systeem komen er een aantal boeren op het idee om zich ook te

gaan toeleggen op nevenactiviteiten om zodoende hun eigen

inkomen te vergroten. Dit gaat dan ten koste van diegenen die

niet mee doen, omdat het collectieve geldinkomen van het

dorp in dat jaar constant is 9). De inkomensverdeling veran-

dert dus ten gunste van de initiatiefnemers. Wanneer de

achterblijvers hun inkomen op peil willen houden, zullen ze

ook mee moeten doen: In dit geval worden de nevenactïvitei-

ten uitgevoerd omdat iedere boer zijn eigen inkomen wil

vergroten, (of niet wil zien afnemen). Dit is het noodzakelijke

resultaat van het werkpuntensysteem, tenzij men collectief

afspreekt geen nevenactiviteiten uit te voeren opdat het inko-

men van iedereen op hetzelfde peil blijft. Maar deze afspraak

is strijdig met het uitgangspunt van de redenering dat iedere

boer slechts zijn eigenbelang nastreeft en zijn inkomen wil

vergroten ten koste van een ander.

Waarschijnlijk zal de waarheid wel tussen deze twee verkla-

ringen in liggen. In ieder geval zorgt het werkpuntensysteem

er mede voor dat er nevenactiviteiten worden uitgevoerd

zonder dat er externe financieringsmiddelen nodig zijn voor

de beloning van arbeid. Een seizoenmatige planning op team-,

brigade en communeniveau en een goede coördinatie tussen

deze eenheden met het ,,hsien-niveau” (voor grootschalige

projecten) leidt tevens tot volledige werkgelegenheid op het
platteland.

Daar het werkpuntensysteem overal op het platteland

wordt toegepast moet dit van bovenaf zijn opgelegd. Deze eis

van het centrale niveau impliceert echter een grote mate van

decentralisatie van de bevoegdheid om beloningsmiddelen

voor arbeid te scheppen naar het niveau van een produktie-
team (of -brigade).

Andere funancieringsbronnen

Zoals eerder is opgemerkt wordt een gedeelte van het inko-

men gespaard en gestort in de diverse fondsen. De brigade en

de commune, die elk hun eigen fondsen hebben, kunnen in

eerste instantie zelf beslissen over de aanwending hiervan. Er

is echter een belangrijke begrenzing, nl. de beperkte beschik-

baarheid van benodigde inputs die van buiten de collectieve

eenheid moeten komen. De toewijzing hiervan gebeurt door

middel van een distributiesysteem. Brigades en communes

kunnen en moeten hun eigen investeringsprojecten financie-
ren, maar dit moet worden gemeld aan het ,,hsien-niveau”.

Dit niveau verzamelt de ingediende plannen en verdeelt de

nieuwe machines en materialen, die in de ,,hsien” beschikbaar
zijn over de communes; het districtsniveau verdeelt deze eerst

over de ,,hsiens”, de provincie over de districten en het
centrale niveau over de provincies. Een brigade met een groot

accumulatiefonds kan dus niet tegen andere brigades opbie-

den om de benodigde inputs te krijgen; de prijs is van bovenaf
vastgesteld.

In sommige gevallen kunnen de brigades en communes

,,ontwikkelingshulp” krijgen in de vorm van leningen of

giften. Deze laatste kunnen slechts gedaan worden door het

Er valt de afgelopen twintig jaar een zekere golfbeweging waar te
nemen wat betreft de prioriteit van ,,red” (ideologische houding)
t.o.v. ,,expert” (bekwaamheid). In ieder geval is sinds de val van de
,,bende van vler”en de toenemende invloed van Teng Hsiao-ping in het
hoogste partijorgaan de belangrijkheid van de ,,expert” toegenomen. Hier is een keuzevrijheid verondersteld tussen arbeid en vrije tijd.
In de feitelijke Chinese situatie is deze keuze er niet. Zoals eerder is
opgemerkt verdeelt de teamleider uiteindelijk het .werk. Wél blijft
natuurlijk de individuele keuze tussen het zich volledig inzetten en de
kantjes er vanaf lopen, hetgeen zijn weerslag vindt in de materiële
beloning en de ontvangen waardering. Evenmin kunnen additionele
individuele activiteiten op de privé stukjes grond een perspectiefvolle
ontsnappingsmogelijkheid bieden omdat deze stukjes grond te klein
zijn (ca. 30 m
2
) en niet kunnen worden uitgebreid. (Het landareaal is
immers door een hoger niveau vastgesteld).

622

Ministerie van Financiën en zijn gebonden aan bepaalde

geplande projecten. Leningen worden verstrekt door de

Volksbank onder de volgende belangrijke voorwaarden.

Heeft een bepaald team geld nodig dan dienen in eerste

instantie de fondsen van de betreffende brigade te worden
aangesproken. Zijn de fondsen onvoldoende dan moet een

beroep worden gedaan op de reserves van de commune, die

weer de fondsen van andere brigades uit de commune kan
gebruiken. Pas wanneer de commune geen eigen reserves

heeft, kan een lening worden verkregen van de Volksbank die

het geld direct aan de brigade kan lenen of aan de commune.
Op deze wijze kunnen sommige communes bij de Volksbank

in het krijt staan, terwijl andere communes grote sommen geld

accumuleren, die zij niet zelf kunnen besteden. Zo bleek de

eerder genoemde Bai Zuang-brigade sinds de oprichting

300.000 yuan (de waarde van 25 tractoren) te hebben geaccu-

muleerd. De Volksbank kan deze spaargelden gebruiken om
leningen te verstrekken aan arme communes of ter financie-

ring van de stedelijke industrie.

Conclusies

Gezien de hierboven beschreven waarnemingen kan wor-

den geconcludeerd dat het Chinese platteland inderdaad
volgens het eerder genoemde ,,Tinbergen-principe” lijkt te

zijn georganiseerd. Beslissingen worden in het algemeen op

een zo laag mogelijk niveau genomen, maar als de beslissing

externe effecten heeft die ook andere eenheden raken wordt

de beslissingsmacht naar een zodanig hoger niveau verlegd
dat deze eenheden er nog juist in zijn vertegenwoordigd.

Hoewel het ,,Tinbergen-principe” vaak wordt genoemd
door voorstanders van een decentralisatiepolitiek impliceert

dit geenszins een geringe invloed van de staat op het Chinese

platteland. Zo wordt de planning van het landareaal niet

overgelaten aan de eigenaren en bewerkers van de grond,

maar door de hogere niveaus en dus door de staat verricht,

omdat anders tekorten aan bepaalde agrarische produkten

voor de stedelijke sector denkbaar zouden zijn. Ook worden

de benodigde kapitaalgoederen, die buiten de collectieve

eenheden worden geproduceerd, door de staat verdeeld, die

hierdoor invloed kan uitoefenen op de communale produktie
en de inkomensverdeling tussen communes. Verder verzorgt

de Staat de planning en coordinatie van grootschalige investe-

ringsactiviteiten op het platteland. En, last but not least,

bepaalt de staat de prijzen van alle produkten.

Aan de andere kant heeft de staat geeninvloed op beslissin-
gen die van lokaal belang zijn. Beslissingen over de verdeling

van het inkomen binnen het team, de brigade en de commune
worden door de collectieve eenheid zelf genomen, zoals o.a.

blijkt uit de hierboven beschreven werking van het werkpun-

tensysteem. Beslissingen over het verrichten van kleinschalige

nevenactiviteiten, zoals b.v. het opzetten van de varkensfok-
kerj en het graven van de visvijver in de Bai Zuang-brigade,

worden eveneens op lokaal niveau genomen. De staat heeft

weinig invloed op de verdeling van werk, zoals blijkt uit

het van staatswege geuite ongenoegen over de toenemende

neiging van de boeren minder direct-agrarisch werk te ver-
richten. Volgens Donnithorne is de staatsinvloed op het

platteland altijd minder sterk geweest dan de staat zou
wensen. In dit verband moet niet uit het oog worden verloren

dat deze invloed wordt bemoeilijkt door de nog bestaande

slechte verbindingen. Zo blijkt uit officiële mededelingen dat

17 procent van de communes en 50 procent van de brigades

geen wegverbindingen hebben met de buitenwereld. In dit
licht bezien kunnen we het Chinese platteland wellicht het
best omschrijven als: duizenden kleine staatjes met een we-

reldregering, zij het een sterke.
Hans de Kruijk

STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

te ROTTERDAM

Het Instituut stelt zich ten doel door economisch onderzoek verantwoorde en in

de praktijk uitvoerbare oplossingen te vinden voor problemen waarmede

overheden en bedrijfsleven in binnen-en buitenland worden geconfronteerd. De

onderzoekingen zijn meestal kwantitatief van aard. Hetlnstituutheeftplaatsvoor

één of meer afgestudeerde

KWANTITATIEVE ECONOMISTEN (mnilvr)

Van reflectanten wordt verwacht dat zij tijdens hun studie ruime kennis hebben
opgedaan van wiskundige en statistische methoden.

Devoorkeurgaat uit naarsollicitanten met kennisvan ruimtelijkeeconomieen/of

arbeidsmarktvraagstukken. Enige onderzoekervaring strekt tot aanbeveling.

Een psychologische test maakt deel uit van de selectieprocedure.
Voor sollicitaties dienen volledige curricula vitae te worden gezonden aan Drs. P. J. Montagne,

algemeen secretaris van het Instituut, Burgemeester Oudlaan, 3062 PA Rotterdam.

ESB 21-6-1978

623

China’s Nieuwe Grote Sprong Voor-

Waarts loopt op twee benen

DRS. P.W.R. KEYZERS*

Na de dood van Mao ontstond er in China een
machtsstrijd tussen ,,links-radicalen” (aangeduid

als ,,de bende van vier”) en de lijn van Teng Hsiao

Ping en de huidige partijvoorzitter Hua Kuo

Feng (volgens de auteur ten onrechte bestempeld
als pragmatisch). In dit artikel wordende ideolo-

gische tegenstellingen tussen de t wee stromingen

belicht, waarbij het vooral lijkt te gaan om de

eeuwige” tegenstelling tussen individuele parti-
cipatie en collectieve regulering.

Inleiding

Gedurende ons verblijf in China in oktober 1977 was de

campagne tegen de zogenoemde ,,bende van vier” nog in volle

gang. Het centrale parool was ,,grjp de klassenstrijd als de

beslissende schakel aan om grote orde in het hele land tot

stand te brengen”.

In de afgelopen jaren, sinds het begin van de Culturele

Revolutie, was er in China zeker geen sprake van grote orde.

Ondanks behoorlijke economische prestaties bleef op econo-
misch gebied een veel omvattende, coherente, planning ont-

breken. Op politiek gebied bleef er grote beroering na de

Culturele Revolutie, die o.a. tot uiting kwam in de mislukte

poging tot een staatsgreep van Lin Piao in 1970 en van de

,,bende van vier” in 1976 kort na de dood van Mao Tsetoeng.

Ideologisch was er grote verwarring in de zin dat men nog

steeds geen eenheid van opvatting had bereikt over de balans

van de Culturele Revolutie.

Terwijl in 1977 nog het herstel van orde centraal stond, zien

we het zwaartepunt geleidelijk aan verschuiven in de richting

van het evalueren van de ervaringen die men heeft opgedaan

met de opbouw van het socialisme sinds 1949. In die evaluatie

staat centraal het alzijdig toepassen van het principe ,,lopen

op twee benen” tegenover ,,linkse” eenzijdigheid.

Onverzoenlijke machtsstrijd

Het herstel van politieke orde moet worden gezien als de

beslechting van een sinds 1970 steeds scherper wordende

machtsstrijd tussen de ,,linkse” stroming (gegroepeerd rond

de ,,bende van vier”) en de maoistische stroming (rond Teng
Hsiao Ping en de huidige partijvoorzitter Hua Kuo.Feng). De

machtsstrijd is oiitstaan uit ,,linkse” opvattingen die aanvan-

kelijk als incidenteel voorkomende fouten werden be-

schouwd, maar die later uitgroeiden tot een systeem dat de

totale werkelijkheid van China op zijn kop zette.

Kernstuk van het denken van Mao Tsetoeng, is altijd
geweest dat men op de hoofdlijnen van economie en politiek

onverzoenlijk onderscheid moet maken tussen juist en on-

juist, vriend en vijand, e.d., maar dat bij eenheid over die

hoofdlijnen het belangrijkste probleem wordt het vinden van
evenwichtige verhoudingen tussen de verschillende aspecten
van de samenleving met het doel alle positieve factoren voor

de opbouw van het land te mobiliseren. Met de hoofdlijn in de

economische en politieke ontwikkeling wordt bedoeld de

tegenstelling tussen de kapitalistische en de socialistische weg

in de opbouw. De socialistische weg heeft als basisprincipe

,,werk naar vermogen, beloning naar prestatie”. Daarmee

wordt de mogelijkheid om te parasiteren op arbeidsprestaties

van anderen (uitbuiting) uitgesloten. Tegelijkertijd kan vol-
gens dit principe volledige gelijkheid alleen worden bereikt

langs de weg van modernisering van de economie die de eco-

nomische basis van ongelijkheid (licht en zwaar werk; maat-

schappelijke arbeidsdeling van hoofd- en handarbeid; schei-

ding van landbouw en industrie en op die grondslag van, stad

en platteland) stap voor stap terugdringt. Als aan deze

hoofdljn wordt vastgehouden, geeft dat aan de werkende

mensen vertrouwen in de toekomst, omdat ze weten dat ze

voor hun eigen collectieve belang werken. Op die grondslag

wordt het ook mogelijk om in toenemende mate een beroep te

doen op morele motivatie, naast materiële prikkels. De

onverzoenlijke verdediging van deze weg brengt onvermijde-

lijk golfbewegingen van relatieve politieke chaos met zich
mee. Rechtse tegenstanders van deze lijn (b.v. Lioe Sjao Sji)

vervangen het socialistische basisprincipe door eenzijdig te

steunen op de aan winstresultaten gekoppelde ondernemers-

beloning, vrije markten e.d. die noodzakelijk zijn om het

nemen van risico’s te stimuleren; deze ontwikkeling schept

ruimte voor steeds meer beloning zonder prestatie.

,,Linkse” tegenstanders (zoals de ,,bende van vier”) verwer-
pen dit principe van extra-beloning voor een hogere prestatie

en tolereren alleen steunen op morele motivatie bij de opbouw

van het land. Door deze eenzijdigheid ontstaat echter de
tendens om zwaar en onaangenaam werk te mijden waardoor

de economie niet snel vooruitgestuwd wordt en dus de econo-

mische grondslag van ongelijkheid niet kan verdwijnen.

De Culturele Revolutie was vooral gericht tegen de ,,recht-

se” weg van Lioe Sjao Sji. Maar nadat die machtsstrijd was

beslecht, was het zaak de orde te herstellen en de economie
snel te ontwikkelen op basis van een evenwichtige combinatie
van materiële en morele motivatie. De ,,bende van vier”

verzette zich daar echter tegen. Tegenover de ,,rechtse” eenzij-

digheid van Lioe Sjao Sji stelden zij een ,,linkse” eenzijdig-

heid, en niet alleen op economisch gebied. Hier volgen een
aantal voorbeelden. In de transportsector: ,,beter een socia-
listische trein die te laat komt, dan een kapitalistische die op

tijd rijdt”. Tegenover het open-deur-onderwijs: ,,arbeiders die
buitenlarTdse talën bestuderen bereiden een carrière in het

* De auteur is wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep econo-
mische organisatievormen aan de economische faculteit van de
Erasmus Universiteit te Rotterdam.

624

buitenland voor”. Tegenover de intellectuelen: ,,hoe meer

kennis men heeft, hoe reactionairder men wordt”. En tegen-

over snelle economische groei: ,,op het moment dat de vier

modernisaties gerealiseerd zullen zijn, zal in China het kapi-

talisme hersteld zijn”.

Zolang er sprake is van incidentele ,,linkse” opvattingen op

enkele onderdelen, is daar wel eenheid over te bereiken. De
,,bende van vier” ontwikkelde haar opvattingen echter sinds
1970 tot een omvattend systeem. Ze waren in 1975 dan ook

van mening dat de voorstanders van modernisering allemaal

,,capitalist roaders” waren en in 1976 achtten ze de tijd rijp om

een greep naar de macht te doen om alle voorstanders van de
modernisering te liquideren. Toen was de tijd ook rijp om de

,,bende van vier” zelf te liquideren, omdat China onder hun

regiem ongetwijfeld af zou glijden naar grote economische en
politieke chaos.

Demaoisering?

Het doel van de Nieuwe Grote Sprong Voorwaarts (de

ontwikkeling van China tot een modern geindustrialiseerd

land voor het einde van deze eeuw) was door Mao Tsetoeng en

Tsjoe En Lai voorgesteld aan het vierde Volkscongres, dat in
1975 dit voorstel goedkeurde. In dat jaar leek de tijd rijp om
de eerste Culturele Revolutie die toen al negen jaar had

geduurd, af te ronden en de nieuwe verhoudingen die waren

geschapen ten volle te benutten voor de snelle opbouw.

Enkele leden van het Centrale Comité kregen onder leiding

van Teng Hsiao Ping de opdracht om het globale plan van

Tsjoe En Lai nader uit te werken. Een jaar later werd het

resultaat voorgelegd in de vorm van het zogenaamde ,,Twin-
tig punten”-document. Vanaf dat moment laaiden tegenstel-

lingen fel op omdat de ,,bende van vier” openlijk heftige

aanvallen lanceerde op het plan. Zij maakte daarbij gebruik

van een onofficiële versie van het plan, waarvan ze enkele

inderdaad onjuiste elementen opblies om het zo voor te

kunnen stellen alsof het hele plan ,,kapitalistisch” was. En het

lukte haar om met behulp van de sleutelposities die de vier

innamen en de perskanalen waarover ze beschikten grote

verwarring te stichten en de voornaamste planopsteller Teng
Hsiao Ping ten val brengen. De politieke macht van de

,,bende van vier” is eind 1976 gebroken. Maar om de nieuwe
grote sprong op gang te brengen is nodig dat de strijd tegen

hun invloed wordt voortgezet, en dat de verwarring die ze
teweeg hebben gebracht wordt opgeruimd.

In die strijd van vorig jaar stond centraal wie de juiste

hoofdlijn vertegenwoordigt: de ,,bende van vier” ofde lijn van
Teng Hsiao Ping en Hua Kuo Feng. Sommige China-deskun-

digen hebben er lange tijd op gespeculeerd dat er sprake zou
zijn van een zwaai naar rechts, een overwinning van het

pragmatisme, of zelfs van demaoisering e.d. De ontwikkelin-gen van het laatste halfjaar maken duidelijk dat het maoisme
in China springlevend is, zeker nu steeds beter wordt afgere-

kend met de ,,linkse” eenzijdigheid. Nu op de hoofdlijn van de

economische en politieke ontwikkeling eenheid is bereikt,

zien we dat de huidige Chinese leiders niet doorslaan naar een

rechtse aanpak, maar integendeel in alle vraagstukken de

evenwichtige verhoüding tussen allerlei aspecten van de

maatschappelijke ontwikkeling naar voren trekken. Deze

benadering werd ingeluid door de publikatie in 1977 van de

tekst ,,Over de tien grote verhoudingen” van Mao Tsetoeng

uit 1956
(Selected works,
deel V. blz. 284). In deze tekst staat

de kritiek op eenzijdigheid centraal. De tekst is geen exacte
handleiding voor wat de juiste verhouding moet zijn (b.v. in

kwantitatieve zin), maar ze is een opsomming van ervaringen

uit de praktijk (o.a. ook van de Russische planeconomie) die

aantonen dat eenzijdigheid leidt tot scheefgroei en grote

schade, niet alleen op economisch gebied.

Centrale planning en
lokaal initiatief

Het eerste voorbeeld van het praktisch toepassen van de

weg van het zoeken naar evenwichtige verhoudingen was het

herstel van het evenwicht tussen centrale planning en lokaal

initiatief. Zekerheid en precisie in de planning is in veel

opzichten een levensnoodzaak om het nationale plan te doen

slagen. Het plan doorkruisen betekent anarchie in de econo-
mie. In de twee jaren 1975 en 1976 werden in veel produktie-

eenheden de plandoelen niet gehaald. Toch werden de lonen

doorbetaald. Dat moest leiden tot uitputting van voorraden
en tot het opleven van de speculatie en de zwarte markt.

De ,,bende van vier” prees deze anarchie aan als de strijd

voor onafhankelijkheid voor lokaal initiatief tegenover het

,,juk van het centralisme”. Volgens hen kon lokaal initiatief
dus alleen worden ontwikkeld door het centrale plan te

dwarsbomen. In de praktijk dekte dit schijnradicalisme veel

tendensen van ieder-voor-zich-god-voor-ons-allen. M oderni-
satie vereist schaalvergroting en schaalvergroting kan niet

zonder vèrgaande centralisatie van beslissingen. De aard van

de beslissingen waar basisniveaus mee te maken hebben,
verandert daardoor. Dat het lokaal initiatief daardoor niet

hoeft te verdwijnen bewijzen de standaardvoorbeelden zoals

de opvallende resultaten in de elektronische industrie, de

exploitatie van de olievelden (m.n. Tajing) en de staalindu-

strie (Anshan), die al jarenlang onder directe leiding van de
betreffende ministeries staan.

Terwijl nu nog veel beslissingen op lokaal niveau worden

genomen in de zin van ,,hoeveel zullen we van wat maken”

komen in de toekomst steeds meer de beslissingen te liggen op

het vlak van ,,hoe slagen we erin de gestelde plandoelen te
realiseren”. Daartoe zal het meer dan ooit noodzakelijk zijn

dat de leiding en de werkenden op lokaal niveau zeer dicht tot

elkaar worden gebracht, zodat centralisatie en motivatie op
elkaar blijven afgestemd. Centrale planning geeft meer eco-

nomische zekerheid aan de lokale produktie-eenheden,
waardoor risico’s van nieuwe innovaties gemakkelijker te

dragen zijn. Omgekeerd kan centrale coordinatie alleen
werken als inderdaad de ideologie overheerst, dat lokaal
initiatief de beslissende bron van innovatie is.

Het recht van lokaal initiatief is niet beperkt tot dejaarlijk-

se planningsronde. Ook tussentijds kunnen, naar ons werd
verteld, van boven en beneden nieuwe initiatieven komen. De
materiële en financiële ruimte daarvoor wordt op tweeërlei

wijze tot stand gebracht. Op de eerste plaats zijn de plan-
ningstargets betrekkelijk voorzichtig bij gelijktijdig streven

naar overtreffing van deze voorzichtige cijfers. Dat biedt aan

hogere planningsorganen ruimte om extra hoeveelheden
produkten in te zamelen die elders als halffabrikaat extra

kunnen worden ingezet. Op de tweede plaats propageert men
het overschrijden van de doelcijfers onder minimaal beroep
op extra inputs, dus met name door extra efficiënt met de

beschikbare middelen om te springen. Dit punt behoeft enige
toelichting.

Het initiatief tot overschrijding van het plandoel wordt

ESB 21-6-1978

625

mede mogelijk gemaakt door het toepassen van het principe

,,steunen op eigen kracht” (dit is niet hetzelfde als autarkie).

Aan steunen op eigen kracht onderscheidt men drie aspecten.

Op de eerste plaats wordt veel nadruk gelegd op het feit dat

planning niet kan werken zonder tegenhanger van het op

eigen initiatief opsporen van verborgen reserves binnen de

eigen produktie-eenheid, die per definitie niet kunnen worden

gepland. Te denken valt aan mobilisatie van extra mankracht

(b.v. de inschakeling van vrouwen in het produktieproces

door de kinderopvang en het huishouden maatschappelijk te

organiseren) en ook het ontplooien van nevenwerkzaamhe-

den. Indien de leiding van een werkeenheid permanent is

gericht op het opsporen van nieuwe mogelijkheden van

nevenwerkzaamheid, dan kan zonder veel kapitaalkosten

toch de produktie behoorlijk worden opgevoerd. Voorbeel-

den zijn: ganzenhoederj, vis uitzetten in irrigatievijvers,

groente kweken om en nabij huizen en fabrieken, handwerk-

kunst, e.d. 1). Naarmate de schaal van nevenwerkzaamheden
groeit (en im- en export naar en van andere produktie-eenhe-

den gaat impliceren) worden ze in het plan van een hoger

niveau opgenomen. –

Op de tweede plaats is de aard van de innovaties van belang.
Een deel van de nieuwe techniek wordt (via het plan) gëimpor-

teerd in de werkeenheid voor zover dat verschuivingen in im-

en export impliceert (b.v. extra kapitaal of speciale machi-

nes). Een ander (en naar men ons verzekerde zeer belangrijk)

deel van de innovaties wordt echter door experimenten

binnen de werkeenheid tot stand gebracht door technische

teams. Dit soort doorlopende stroom van kleine innovaties

levert in het algemeen zowel arbeïds- en materiaal- als kapi-

taalbezuinigingen op die al gedurende de planperiode effectief

worden.
Op de derde plaats wordt centraal vaak die techniek

bevorderd die zich bij uitstek leent voor het mobiliseren van

lokale reserves. Een sprekend voorbeeld daarvan is de slogan:

,,om de graanproduktie te bevorderen, moeten we de var-

kensfok opvoeren”. Naast extra vleesproduktie is deze koers

vooral van belang om natuurlijke mest te verkrijgen zonder

extra kapitaal.

De economische beslissingen zullen gezien de omvang van

China nooit volledig gecentraliseerd kunnen plaatsvinden.

Vandaar dat men nu al streeft naar de vorming van zes

,,economic basic regions”, die zijn samengesteld op basis van
het feit dat ze onder de modernste industriele verhoudingen
een relatief omvattend, zelfvoorzienend gebied kunnen vor-

men. Verder geldt voor een groot aantal economische

activiteiten dat ze naar hun aard geen verdergaande centrali-
satie behoeven (b.v. dienstverlening, onderhoud en reparatie,
veel takken van lichte industrie, een belangrijk deel van het

transportsysteem ed.). Naar verondersteld mag worden (en

reeds is aangekondigd in de Chinese pers) zal in de toekomst

meer en meer aandacht worden besteed aan een verfijning van

de planning- en boekhoudkundige technieken.

Materiële en morele motivatie

In recente publikaties van Chinese zijde vindt men veel

meer voorbeelden van steeds weer hetzelfde principe van

,,lopen op twee benen”. Inzake materiële en morele motivatie

stelde Hua Kuo Feng op het vijfde Nationale congres: ,,More-

le aanmoediging en materiële beloning moeten hand in hand

gaan, met de nadruk op het eerste”. In de Kailan-kolenmijn

varieert de bonus tussen 12 en 23% van het standaardloon.

Voor partijleden wordt de bonus lager naarmate het stan-

daardloon hoger is. Bij lonen boven lOO yuan (een industriear-

beider verdient 60 â 80 yuan) vervalt het bonussysteem. De

,,bende van vier” stelde dit systeem op één lijn met het

bonussysteem uit de tijd van Lioe Sjao Sji, toen de bonus tot
meer dan 100% van het standaardloon kon oplopen en hogere

lonen ook hogere bonussen kregen. Naast dit bonussysteem

organiseert men in de Kailan-mijnen vaak campagnes van

socialistische wedijver. De combinatie van deze twee metho-

den leidde in 1975 tot een verdubbeling van de produktie.

Wetenschap

Het meest recente voorbeelvan ,,lopen op twee benen”

levert ons de Nationale Wetenschapsconferentie die in maart

van dit jaar in Peking werd gehouden en waarde combinatie

van ,,rood” en ,,vakbekwaam” zijn, en het gelijktijdig mobili-

seren van de werkenden voor het wetenschappelijke experi-

ment en de vorming van een contingent specialisten centraal
stonden.

Op dit moment loopt China op het gebied van de weten-

schap, produktietechnieken e.d. zo’n 15 â 20 jaar achter.

Voor het jaar 1985 zijn daarom de volgende doelen gesteld:

• het benaderen of bereiken- van het wereldniveau van de

jaren zeventig op de belangrijkste gebieden;

• het opleiden van 800.000 wetenschappelijke onderzoekers;

• de bouw van een aantal zeer moderne centra voor weten-

schappelijke experimenten;

• de voltooiing van een over het hele land verspreid systeem
van technologisch en wetenschappelijk onderzoek.
De rol die decommunistische partij in dit proces speelt, is

uiterst belangrijk. De partijcomités, die .de leiding hebben

over de onderzoekcentra, hebben als belangrijkste taak de
wetenschappers te steunen bij de vervulling van hun twee

belangrijkste taken: het behalen van wetenschappelijke en

technische resultaten èn de opleiding van ,,rood en vakbe-

kwaam” personeel. Teng Hsiao Ping zei hierover: ,,We

moeten alles ondersteunen wat de ontwikkeling van de soci-

alistische wetenschap dient. Wij moeten degenen bekritiseren,

die naar persoonlijke voordelen jagen, hun onderzoeksresul-

taten voor zich zelf willen houden, samenwerking afwijzen,

hun wetenschap monopoliseren en resultaten van anderen als.
van henzelf uitgeven; dat alles zijn gedragingen en manieren

van denken, die nadelig zijn voor de ontwikkeling van de
socialistische wetenschap”.

Naast de 800.000 specialisten, die de ruggegraat moeten

vormen van de massabeweging, worden er tal van mogelijkhe-

den geschapen voor de bevolking om aan deze grote sprong

deel te nemen. Voor jongeren, die vanwege plaatsgebrek niet
kunnen worden toegelaten tot de universiteit, zijn er b.v.

avonduniversiteiten geopend en schriftelijke cursussen opge-
zet. Over het gehele land worden door de produktie-eenheden

zelf eigen voortgezette opleidingen opgezet, radio en TV zijn

begonnen met de uitzending van eenvoudige en toegepaste

wetenschap, kranten nemen populair-wetenschappelijke ru-

brieken op om de kennis breed te verspreiden. De ,,drie-in-

één”-combinaties (bestaande uit arbeiders (of boeren), partij-

kaders en technici, die de ervaringen uit respectievelijk de

produktie, de klassenstrijd en de wetenschap bundelen) blij-

ven echter de belangrijkste organisatievorm in de modernise-
ring van de wetenschap.

Steunen op eigen kracht

• Import van buitenlandse kapitaalgoederen werd door de

,,bende van vier” in zijn geheel afgewezen met het argument

dat China dan weer afhankelijk zou worden, zoals voor 1949,

van het westen en daarna van Russische hulp (tot 1960). Zij

zagen echter over het hoofd dat de manier waarop men de

buitenlandse techniek gebruikt zeer verschillend kan zijn, b.v.

door geimporteerde machines zorgvuldig te bestuderen en te

imiteren, m.a.w. door aan de import de eis te verbinden van
import van ,,know how”. De huidige leiders hoeven met deze

koers niet bang te zijn voor afhankelijkheid. Vandaar dat

t) Zie ook het artikel van J. L. de Kruijk elders in dit blad.

626

zowel op het gebied van olie als ook op het gebied van

landbouwprodukten in het nieuwe plan een behoorlijk gedeel-

te van de produktie wordt ingericht voor de export om de
betalingsbalans in evenwicht te houden. Afhankelijkheid

komt alleen om de hoek kijken als buitenlandse handel en

arbeidsdeling betekenen dat de eigen complete ontwikkeling

van de economie wordt verwaarloosd.

Pagmatisme en socialisme?

De nieuwe lijn van lopen op twee benen heeft in eerste

instantie de indruk gewekt van een zwaai naar rechts-pragma-

tisme. Echter, wanneer we de toepassing van dit principe van

naderbij bekijken zien we dat er niets meer en niets minder aan

de hand is dan dat extreme ,,linkse” eenzijdigheid overboord

wordt gezet. Eenzijdigheid in de economische structuur is een

van de belangrijkste oorzaken van de ongeljkmatige ontwik-

keling van verschillende landen.

Bij alle verhoudingen tussen de verschillende aspecten van

de ontwikkeling wordt de revolutionaire kern naar voren

getrokken (zoals het belang van lokaal initiatief, het belang
van morele motivatie, het steunen op eigen kracht, de inno-
verende rol van de massa van de werkende mensen e.d.).

Met deze aanpak is China in staat alle positieve factoren

voor de ontwikkeling van het land te mobiliseren. Tegelijker-

tijd kan men een reeks nieuwe aanzetten waarnemen die

wijzen in de richting van het massaal integreren van stad en

platteland, landbouw en industrie, hoofd- en handarbeid;

m.a.w.: aanzetten in de richting van het socialistische ideaal.

Peter Keyzers

Jonge
bedlijfs
economen.

Philips biedt jonge bedrijfseconomen de

mogelijkheid om binnen de CONCERN-

ADMINISTRATIE ervaring in hun vakge-

bied op te doen..

Geïnteresseerden dienen:

– belangstelling te hebben voor vernieu-
wingsaspekten in het bedrijfseconomi-

sche enadministratieve vakgebied bin-
nen een grote onderneming

– bereid te zijn om zich gedurende een aan-

tal jaren via uiteenlopende funkties van

toenemende zwaarte – ook in het buiten-
land – vertrouwd te maken met een

groot aantal aspekten van de Administra-

tie.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan de

individuele loopbaan-opbouw.

Gevraagd wordt een voltooide academi-

sche opleiding bedrijfseconomie alsmede

de bereidheid om de post-doctorale

accountancy-studie aan de reeds genoten

opleiding toe te voegen..

Ook reacties van binnenkort afstuderenden
worden gaarne tegemoetgezien.

U wordt verzocht schriftelijk contact op te

nemen met drs. J .W. Kooijmans, Philips

Personeelzaken, Willemstraat 20, Eindho-

ven, tel. 040 – 734872.

us

I
PS

PHILIPS

ESB 21-6-1978

627

Discussie met stafleden van het Plancomité

van de gemeente Kwangchow

Hieronder wordt weergegeven het protocol

van een vraaggesprek dat de studiegroep had

met enige functionarissen van het Plancomité

van de gemeente Kwangchow (Kanton) 1).

Gesproken werd met de heren Cheng Zeng-

sheng, algemene economie en planning, Tan

Wei-ming, economie van de handel en Lu Fu-

yau, prjspolitiek en planning. Kwangchow is een

gemeente mei een oppervlakte van 11.000 km
2
en

vijf miljoen inwoners, die zijn verdeeld over zes

hsien (hei laagste overheidsniveau). Er zijn vier
buitenstedeljke gebieden. Het echte stadsgebied

heeft een omvang van 54 km
2
en telt 1,6 mln. in-

woners. De vragen hebben met name betrekking

op
de Organisatie van de produktie.

Inleiding

• Alvorens uw vragen te beantwoorden zullen we eerst een

algemeen overzicht geven van de economische planning zoals

wij die
kennen.
We zijn in Kwangchow, zoals ook elders in
China nu 28 jaren succesvol met economische planning bezig.

In die tijd is de industriele produktie vernegenentwintigvou-

digd, dat wil zeggen ieder jaar is er een stad als Kwangchow

bijgekomen. Wij danken wat we bereikt hebben aan de wijze

leiding van voorzitter Mao en de Communistische Partij.

Na het jaar 1949 traden drie jaren van economisch herstel

in, waarna zich de ontwikkeling voltrok aan de hand van

vijfjarenplannen. Tot 1975 zijn vier vijfjarenplannen gereali-

seerd, afgezien van drie ,,aanpassingsjaren” (begin jaren

zestig). In al deze jaren is veel bereikt, maar vergeleken met
,,de Vier Modernisaties” die ons nog te wachten staan, moet

nog een lange weg worden afgelegd. Aangezien we in China
werken met het systeem van publiek eigendom van de produk-

tiemiddelen volgen we de ,,planmatige proportionele weg”.

De planning geschiedt onder leiding van de Partij op elk

niveau van planning: op landelijk, provinciaal, gemeente- en
hsienniveau hebben we economische plancomité’s, verenigd

door de leiding van de Partij.
Een algemeen beeld van de planorganisatie van de gemeen-

te Kwangchow is als volgt te geven. Het Centrale Plan-

comité vormt de hoogste economische autoriteit: dat heeft de leiding over het gehele wek en geeft ian de lagere plan-

comité’s richtlijnen. Het Economisch Plancomité van de

stad heeft de leiding over het werk op stadsniveau, het Eco-

nomisch Plancomité van de provincie over het werk op

provincieniveau enz. Onderhet Stadscomité ressorteren de
volgende departementen: industrie, landbouw, onderwijs en
handel: Onder de verschillende departementen ressorteren

diverse bedrijfsgroepen (waaronder weer secties). Ook iedere

fabriek heeft zijn eigen economische planningafdeling. Op

deze manier vindt economische planning plaats van het

hoogste tot het laagste niveau. We noemen dit systeem: af-

gestemde planning met beheersactiviteiten op de verschil-

lende niveaus.

Specialisatie en autarkie

We hebben vernomen dat men in China voor het jaar 1980

tracht ie komen tot een ,,tamelijk volledig en allesomvattend
systeem van landbouw en industrie “. Wat wordt hier precies

mee bedoeld? Vormt dit de eerste stap op weg naar het doel
van China als moderne economische staat? Bovendien is er
sprake van autarkie. Wat betreft het produkt rijst b. v. moet

een brigade aularkisch zijn, maar voor andere produkten

weer niet. Welke niveau.s streven naar autarkie en bestaat er in

deze een historische trend?

Wat betreft de realisatie van een omvattend economisch

systeem kan worden gesteld dat het hier gaat om een program-

ma voor de toekomst. Op het ogenblik kennen we (in heel

China) zes gespecialiseerde gebieden waartussen nauwe sa-

menwerking bestaat. We werken eraan in elk van deze zes

gebieden een omvattend economisch systeem te creëren. We

streven naar autarkie in het jaar 1985 wat betreft dagelijkse

gebruiksartikelen vervaardigd door de lichte industrie. Het

gaat als we het hebben over autarkie dus niet om het commu-

ne-niveau, maar om het niveau van de zes gebieden voor de

produkten van de lichte industrie.

Ricardo heeft gesteld dat specialisatie goed is voor ieder-

een. in China bestond in de jaren zestig een zekere mate van

regionale specialisatie: in het noorden, waar zich de zo ge-naamde gebieden met hoge opbrengsten bevonden, bestond

een zekere specialisatie in agr arische produktie met methoden
van moderne mechanisatie. in de kust gebieden legde men zich
veeleer toe op industriële ontwikkè!ing, een en ander onder

invloed van Lïu Shao-shi. in het westen is hei vrij algemeen

aanvaard dat specialisatie kan leiden tot een grote bijdrage

aan de economische ontwikkeling van een land. In China
heeft men tegenwoordig de gedachte van regionale special isa-

tie verlaten en propageert men de gedachte van ,,het lopen op

twee benen”. Over deze materie hebben we drie vragen:

• Waarom concentreert men zich niet meer op regionale

specialisatie?
• Wat zijn de economische voordelen van het ,,lopen op

twee benen”?

1) Hier en daar zijn kleine veranderingen aangebracht in de letter lijke teksten en de volgorde van de vragen zoals die in het verslag
van de studiereis worden opgenomen, om de leesbaarheid en de
logische opbouw te verbeteren zonder dat de inhoud verandert.

628

• Wat verwacht u van de toekomstige ontwikkelingen met

betrekking tot de regionale specialisatie in het licht van een

toenemende mechanisatie?

eenheden in de verschillende sectoren van produktie. De

autarkie geldt dus voor de staat als geheel en niet voor de

commune of hsien. Het zich toeleggen op een bepaald pro-

dukt impliceert nog geen eenzijdigheid.
China is
een
reusachtig uitgestrekt land met een oppervlak-

te van
negen miljoen vierkante kilometer. Het
land is
rijk
aan

bodemschatten,
maar
elk gebied heeft zijn eigen natuurlijke

omstandigheden. Het noorden kent katoenbouw, het zuiden

is daar niet geschikt voor en is daarom op het noorden

aangewezen (maar niet wat betreft
katoenindustrie). In de
landbouw
richten we ons
naar de gedachte van voorzitter

Mao:
,,Neem
graan als de belangrijkste
schakel en streef naar

een veelzijdige ontwikkeling”. We willen onze economie
niet
éénzijdig
ontwikkelen, maar
alzijdig. We hebben
te maken

met historische gegevenheden en uiteenlopende omstandighe-

den in de diverse regio’s: in het
noorden geschikt
voor
katoenbouw,
in het zuiden voor suikerrietverbouw. Deze

omstandigheden tracht men te veranderen: in het noorden

wordt nu met suikerrietverbouw geëxperimenteerd, in het
zuiden met katoenbouw, maar steeds zal de uitspraak van

voorzitter Mao blijven gelden.

Eind 1980 zullen we de mechanisatie van de landbouw tot

stand brengen; een eerste stap. In de loop van de tijd schrjdt

de mechanisatie in de landbouw voort met specialisaties al

naargelang de omstandigheden in de respectieve regio’s. Er
kan zich in
de
toekomst
een verdergaande
specialisatie voor-
doen,
maar
ook een ontwikkeling
van andere
gewassen en
produkten dan
die
waarin
men gespeciaiiseerd is.
De nadruk
zal echter
liggen op de
eigen specialisatie van
de regio. Voor
Kwangchow
geldt bijvoorbeeld dat men zich moeite dient te
getroosten percentagegewijs
meer suikerriet
te laten groeien,

ten einde een grote hoeveelheid aan de staat
te
doen toekomen.
Maar
wij zijn ook bezig met de produktie
van
andere goede-
ren. Nog
één
toevoeging: specialisatie in
één
produkt wordt
niet als een juiste economische politiek gezien. Wij hebben

geen specialisatie op
één
produkt
in
een gebied in
China.
Dat
is de revisionistische Sovjetmanier om te specialiseren en de
Oosteuropese landen volgen dit patroon.

We zien inderdaad wat u bedoelt, als we kijken naar het
systeem van specialisatie binnen de Comecon, waarin b. v.

landen als Polen en Tsjechoslowakije duidelijk hun gespeci-

aliseerde taak vervullen. Specialisatie tussen landen schept

strategische afhankelijkheid. Maar als we nu eens kijken naar

de situatie binnen één land, ziet u dan economische redenen
om specialisatie te verwerpen? Afhankelijkheidsrelaties zijn

toch geen probleem in China?

China is een modern samenhangend economisch systeem
aan het opbouwen. De zes gebieden hebben onderling nauwe

betrekkingen en samenwerking. De produktie van de ijzer-en
staalfabriek te Anshan vindt bijvoorbeeld haar weg door
geheel China. Aldus wordt een
autarkie
van
de staat als
geheel
gerealiseerd door de samenwerking van de verschillende

Kunt u ons de economische voordelen van een alzijdige

ontwikkeling van een gebieden van depolitiek van het ,,lopen
op
twee benen” duidelijk maken?

De gedachte van voorzitter
Mao
,,lopen op twee benen”
geeft
aan dat het
beter
is activiteiten
van twee kanten aan te
pakken
dan van één kant.
Bij
de
planning
wil dit zeggen: het
op
juiste wijze
combineren
van centrale
en
lokale bijdragen.
Het produktieplan opgesteld door
de Centrale
Planautori-
teit geeft
doelcijfers
aan
het lagere comité: het éne
been.
In
overeenstemming met deze doelcijfers
maakt het lagere comi-
té zijn
eigen
plan in
deze
geest en in overeenstemming met de
plaatselijke omstandigheden: het andere been. Bekijken we

de gedachte van specialisatie van een regio in een bepaald

produkt, dan dient
opgemerkt
te worden dat toch alle aanwe-
zige
grondstoffen en hulpmiddelen moeten
worden aange-
wend.
Als voorbeeld
kan
weer genomen worden de ijzer- en
staalproduktie.
Deze
vindt plaats
in
het noorden, maar ook
in
het zuiden
heeft
men staal nodig. Momenteel wordt dit
aangevoerd
uit
Anshan, maar alle mogelijke pogingen moeten
worden ondernomen om ook
wat betreft
de
staalproduktie op
eigen benen
te staan en volledig gebruik te maken van de eigen
hulpbronnen.
Autarkie van iedere provincie is
in
militair-
strategisch opzicht trouwens van
belang.
Als er eventueel oorlog komt zal
iedere provincie
autarkisch
zijn.

Dualisme: grote versus kleine bedrijven

Het komt in markteconomieën vaak voor dat kleine be-

drijfjes op het platteland worden beconcurreerd door grote
bedrijven uit de steden, welke goedkoper kunnen produceren
als gevolg van schaalvoordelen. Vaak zien we dat deze kleine

bedrijfjes moeten worden gesloten, omdat de produktiekos-

ten te hoog zijn vergeleken met de produktiekosten in de

steden. In China bestaat geen concurrentie tussen onderne-

mingen, maar wel zijn er verschillen tussen stad en platteland
in efficiëntie en schaal. Op welke wijze wordt nu voorkomen

dat efficiëntieverschillen er de oorzaak van zijn dat kleine be-

drijJjes op het platteland moeten sluiten? Of is het misschien

zo dat men accepteert dat op lange duur de produktie uit-

sluitend nog zal plaatsvinden in grote moderne bedrijven?

De prijzen worden in
China
door de
staat vastgesteld.
Wanneer een plan wordt uitgewerkt, moeten van tevoren de

prijzen in beschouwing worden genomen. Er is verschil tussen
kleine en grote bedrijven. Grote bedrijven die met moderne
machines werken,
zijn
sterker
en hebben
lagere kosten dan de
kleine bedrijfjes. Daarom moeten zij meer winst maken: wij
laten in China niet toe dat ,,de kleine vissen worden gegeten
door de grote”. Om dit te voorkomen beheersen we de prijzen

door planning. Het resultaat is dat grote bedrijven meer winst
moeten afdragen aan de
staat dan
kleine bedrijven. Tegelij-
kertijd wordt
ernaar
gestreefd om de produktie
van
de kleine
bedrijven
te
vergroten door hen te helpen met machines en
technische innovaties. China is uitgestrekt en heeft een grote

bevolking. We kunnen niet volstaan met alleen grote bedrij-
ven om de behoeften van het gehele land te dekken; ook de

kleine bedrijven moeten we erbij betrekken.

Worden de prijzen vastgesteld op grond van de gemiddelde

produktiekosten of op grond van de hoogste?

Er bestaat tussen grote en kleine bedrijven een verschil in
verkoopprijzen aan de
staat.
De
grote
moeten
meer
winst
afdragen aan de staat. De
prijzen
voor de kleine bedrijven
liggen hoger, maar niet
boven een zekere
marge.
Een
goed

ESB 21-6-1978

629

voorbeeld is wellicht het volgende. Voor theekoppen betaalt

de staat een groot bedrijf b.v. 0,30 Yuan per kop, een klein

bedrijf b.v. 0,40 Yuan per kop, het verschil is dus 0,10 Yuan.

De staat kan de kleine onderneming ook 0,35 Yuan betalen,

maar 0,40 Yuan mag niet worden overschreden. De staat kan

de prijs voor de kleine onderneming dus wel verhogen, maar

niet met meer dan 0,10 Yuan. Op deze wijze gaat de kleine

onderneming niet failliet. Al is de prijs lager, de winst van de

grote bedrijven kan toch groter zijn dan die van de kleine

bedrijven. De grote bedrijven moeten dan meer winst afdra-
gen en de kleine bedrijven kunnen worden gesubsidieerd.

Kan de prijs (zowel de aankoopprijs door de staal als de

verkoopprijs) verschillen per provincie of per regio?

Ja, beide kunnen verschillen. Wat betreft de verkoopprijs

kunnen verschillen worden veroorzaakt door transport, ver-

pakking en distributie. De staatsaankoopprjs kan verschillen

op grond van verschil in kosten: gebruikte machines, gebruik-

te grondstoffen, winst, arbeidskosten.

Is
de realiteit naar uw ervaring in Kwangchow dat grotere

bedrijven met lagere kosten werken dan kleine bedrijven?

Dat is niet zeker. Dat hangt af van de situatie. Sommige

kleine bedrijven verlagen hun kosten en voeren technische

innovaties door. Een goede bedrijfsvoering is het meest

belangrijk, hoewel moderne bedrjfsuitrusting kostenverla-

gend werkt. Bovendien zullen bij kleine bedrijven over het

algemeen de materiaalkosten laag en de transportkosten naar
de lokale markt. geringer zijn.
Arbeid en werkgelegenheid

We willen graag enige vragen stellen over arbeiden werkge-

legenheid, een belangrijk probleem in het westen. Denkt u dat

er bij verdergaande mechanisatie problemen kunnen ontstaan
met betrekking tot de werkgelegenheid of denkt u dat deze in

hetzelfde tempo zal groeien als de beroepsbevolking?

Er is in China slechts 4 mrd. mou (1,6 mln. km
2
)
geculti-
veerd op een totale oppervlakte van 9,6 mln. km
2
. Vele han-
den zijn nog nodig, zeker in bergachtige en dun bevolkte
gebieden. Daarom vrezen we geen werkgelegenheidspro-
bleem, ook niet bij een verhoogde mechanisatiegraad. We

moeten nog steeds het areaal gecultiveerde landbouwgrond

uitbreiden. Ook bij de industriële ontwikkeling hebben we

arbeidskrachten van het platteland nodig. Bovendien hebben

we in de landbouw nog niet in elk gebied meervoudige oogsten
tot stand gebracht. Hier hebben we drie oogsten

twee rijst-

en één tarwe-oogst
—;
sommige gebieden hebben er vier,

andere weer één.

Bestaat er een centraal landelijk werkgelegenheidsplan
of
zijn de niet-centrale arbeidsbureaus verantwoordelijk voor
b. v. een provincie? Indien arbeid van bijvoorbeeld een com-

mune overgaat naar een fabriek in de stad, loopt dit dan via

de centrale autoriteiten in Peking? Of bestaan er meer glo-

bale plannen in de zin van: dit jaar zoveel mensen uit de land-

bouwsector naar de industriële sector, met precieze invulling

van dë stromen door het lokale arbeidsbureau aan de hand

van plaatselijke informatie?

Als een bedrijf behorend tot de staatssector meer mensen

nodig heeft, vraagt dit eerst toestemming aan het Centraal
Plancomité om deze aan te trekken. Als het comité de vraag

uit verschillende plaatsen kan overzien spelen drie overwegin-

gen een rol bij het verlenen van toestemming:

• er wordt gekeken naar de hoeveelheid op de markt ge-

bracht graan in elke stad of provincie;
• er wordt naar de hoeveelheid voor de burgers beschik-

bare overige consumptiegoederen gekeken. Als men de

werkgelegenheid uitbreidt, moet ook de hoeveelheid con-

sumptiegoederen worden uitgebreid;

• ook moet de bijbehorende arbeidsbeloning door de staat

aan de werkgever worden verschaft.
Wat betreft de inzet van meer arbeid voor de fabricage van

consumptiegoederen krijgt men meestal zestig tot tachtig

procent van het gevraagde aantal mensen. Het aantal mensen

dat in een produktieproces werkt, is niet de enige bepalende

factor bij de grootte van de produktie; de bedrijven worden

dan ook aangemoedigd hard te werken aan technische in-

novaties en oude versleten machines aan te passen of te ver

vangen. Deze manier van produktieverhoging wordt meer

gewaardeerd dan verhoging van de produktie door het inzet-
ten van meer mensen.
Wanneer het Centraal Plancomité heeft toegestemd in het

aantrekken van extra mensen in een bedrijf: waar vindt het

Stads(plan)comité deze mensen dan?

Eerst kijkt het Comité naar de afstuderende leerlingen van

middelbare scholen. Ten tweede wordt ook naar de jeugd

gekeken die haar tweejarige werkperiode na de middelbare

school op het platteland doorbrengt. Met betrekking tot de

mensen uit de zes hsien heeft het Stadscomité het recht om

toestemming (voor het aantrekken van arbeidskrachten) te

verlenen. Als deze van buiten de zes hsien komen, moet het

Provinciaal Plancomité toestemming geven. Voor werkgele-

genheidsbeslissingen in bedrijven met collectief eigendom kan

het Stadscomité toestemming geven in overeenstemming met

de doelcijfers die gegeven zijn door het Provinciale Comité.

Zodoende is er geen probleem als bedrijven arbeidskrachten

willen hebben.

Bestaan er in de staatsfabrieken contracten voor tijdelijke

arbeid en worden deze door het plaatselijke arbeidsbureau

gebruikt als mogelijkheid om snelle wijzigingen in de vraag

naar arbeid op te vangen door verschuiving tussenfabrieken?
Ten einde de industrie te ontwikkelen en uit te breiden kan

men tijdelijke arbeidskrachten nodig hebben. De fabriek

moet dan eerst een contract sluiten met het Stadscomité voor

de termijn van drie maanden tot één of twee jaar. Sommige
tijdelijke krachten zijn seizoenarbeiders; bij de grote oogsten

lychees, bananen, appelen en peren

en de verwerking
daarvan leveren zij de extra arbeid. Zodoende bestaan er op

het niveau van hsien, commune en produktiebngade half

industriële/half agrarische werkkrachten.

Welk percentage arbeiders in Kwangchow is tijdelijk en
welk percentage is seizoenarbeider?

We hebben voor Kwangchow niet dergelijke percentages

bij de hand, maar kunnen wel van één fabriek gegevens

noemen. Daar is 1% van de arbeiders in tijdelijke dienst en

0,5%
seizoenarbeider.

Treedt het Centraal Plancomité eigenlijk alleen op bij int er-

pro vinciale arbeidsmobiliteit?

Er worden zelden arbeiders uit andere provincies aange-

trokken. De scheiding tussen ouders en kinderen en tussen

man en vrouw zou te groot worden. Voor arbeid in het

noorden worden geen mensen uit Kwangchow aangetrokken;

het is daar te koud en bovengenoemde familieredenen spelen

een rol.

Dus het Centraal Plancomité heeft zelden bemoeienis met

werkgelegenheidszaken?

Inderdaad. Alleen bij speciale omstandigheden, zoals grote
nationale projecten, de bouw van spoorwegstations, de beurs

630

in Kwangchow en de ontwikkeling van het binnenland van
China, worden arbeiders uit het gehele land gebruikt, maar

dan tijdelijk.

We hebben herhaaldelijk van gevallen gehoord dat echtpa-

ren vrij ver van elkaar gescheiden werk doen, zodat ze althans
gedurende de werkweek gescheiden zijn. Vindt u deze schei-

ding van echtparen betreurenswaardig, madr tijdelijk noodza-

kelijk? Zo ja, is er dan een streven deze in de toekomst minder

of niet te doen voorkomen?

Als de omstandigheden het toestaan werken man en vrouw

in dezelfde fabriek. Als bijvoorbeeld in de fabriek waar de
man werkt arbeid nodig is en de vrouw werkt elders, wordt zij

overgeplaatst.

Beschouwt u het gescheiden werken als een probleem of als
schadelijk?

Neen, we beschouwen dit niet als een ernstig probleem of

schadelijk.

Hoe groot is het percentage echtparen dat aldus gescheiden

leeft?

Exacte cijfers zijn niet bekend, maar het is een klein percen-

tage.

Schatting van de behoefte aan goederen

U
heeft verantwoordelijkheid voor de geplande produktie-
hoeveelheden. Ook voor die van consumptiehoeveelheden?

Ja.
Hoe plant u deze consumptie, dat wil zeggen de soort en

hoeveelheden van de goederen?

Alle produkten die hier worden geproduceerd vallen onder

het Staats Economisch Plancomité en worden aan de staat

geleverd. De staat verdeelt naar behoeften van de verschillen-

de regio’s en steden.

Dus alle goederen gaan vanaf de staat naar het stadsniveau?

Ja.

Beslist het centrale niveau ten aanzien van bijvoorbeeld

lucfers?

(geen antwoord)

Hoe bepalen de planningsautoriteiten de behoeften van de

mensen?

Alle produkten zijn in twee categorieen te verdelen: ener-

zijds consumptiegoederen en anderzijds grondstoffen (inclu-

sief produktiemiddelen). De produktie van grondstoffen valt

onder het Ministerie voor Materialen. Daar wordt de toede-
ling van de beschikbare grondstoffen en produktiemiddelen

bepaald. Dat gebeurt dus niet door het Ministerie van Handel,
dat zich alleen met consumptiegoederen bezighoudt. Bijvoor-

beeld: de ijzer- en staalfabriek van Anshan wordt door het
Ministerie voor Materialen gepland en de produkten ervan

worden door dit ministerie over heel China toegedeeld.

Kwangchow produceert ijzer en staal voor eigen behoefte en

valt onder het Ministerie van Handel. Ieder jaar verkopen

de provincies en de districten hun produkten aan het Mini-

sterie van Handel tegen vaste prijzen. Aldus treedt unificatie

op. Vervolgens worden verdelingspercentages vastgesteld, in
overeenstemming met de behoeften van de inwoners van de

verschillende steden en districten. Daarbij wordt gelet op het

evenwicht tussen districten en tussen provincies.

Hoe schat u de behoejte aan een nieuw produkt?
Als de fabriek nieuwe produkten wil maken, dan moeten ze

contact opnemen met het Ministerie van Handel. Daar

hebben ze ideeën en informatie over de markt en stellen een

plan op. Hierover wordt in de fabriek gediscussieerd. Daarna

volgt een testperiode en een consultatie; het plan wordt verder

uitgewerkt. Na een marktonderzoek wordt besloten of met de

produktie wordt doorgegaan of gestopt.

Op
welk niveau bevindt zich het Ministerie van Handel?

De fabriek heeft contacten met het Ministerie van Handel

op hetzelfde niveau als waarop de bedrijfsvoering wordt
gepland, hetzij stads- hetzij provinciaal niveau.

»oe komt het Ministerie van Handel aan zijn informatie;

hoe worden de behoeften van mensen gemeten?

Men vraagt klanten in de winkel altijd naar hun mening

over de produkten die zij kopen. Verder vindt er sociaal
onderzoek plaats op dit gebied.

De verhouding tussen landbouw en industrie
Over de relatie tussen de landbouwcommune en de indu-

striële sector van de stad: zijn de totale besparingen van de
landbouwcommune per jaar groter of kleiner dan de totale

leningen die de commune ontvangt van de Volks bank?

De commune moet landbouwprodukten leveren om in de
behoeften van de stad te voorzien. Ook levert ze grondstoffen

voor de fabrieken. Het platteland is tevens markt voor

industriële produkten zoals machines en tractoren. Er zijn dus
zeer nauwe relaties tussen de landbouwcommune en de
industriële sector in de stad.

Wat betreft de landbouwleningen en de besparingen van de
commune moet verschil worden gemaakt tussen communes

en produktiebrigades. De besparingen van de commune zijn

collectieve besparingen en geen privé-besparingen. In het

algemeen zijn de besparingen van de commune groter dan de

land bouwleningen van de staat. Er bestaat nog een verschil: in

rijke industriecommunes wordt meer bespaard zonder land-

bouwleningen van de staat dan in arme landbouwcommunes.

Daar hebben ze leningen nodig voor de opbouw en voor het

kopen van machines. In de meeste volkscommunes zijn de
besparingen groter dan de landbouwleningen.

Hoe snel groeien de leveringen van de industrie aan het

ESB 21-6-1978

631

platteland; hoe snel groeien de leveringen van de landbouw
aan de stad?

De vereiste groei van de landbouwleveringen is
5
tot 10%

om aan de behoeften van de stad te voldoen. De vereiste groei

van de industriële leveringen voor de mechanisatie van de

landbouw is 20 tot 30%. De landbouw moet eerst groeien, om

daarna de industrie weer te helpen.

Betreffen die percentages volumebedragen of waardebe-

dragen?

Over de relatie landbouw-industrie is te zeggen:

• voor leveringen van de landbouw aan de industrie geldt

een verhoging van de snelheid van goederenproduktie van

5% per jaar;

• voor de leveringen van de industrie aan de landbouw ligt

het percentage hoger; in Kwangchow is het groeipercenta-

ge voor de leveringen van de industrieaan de landbouw

gestegen van 10 naar 20%.

Inkomensverschillen tussen de verschillende gebieden

Heeft het Plancomité van Kwangchow een indruk van de

inkomensverschillen tussen de verschillende communes en

produktiebrigades? Kunt u de hoogste en laagste inkomens-
niveaus aangeven? Houdt u in het feitelijke planningswerk

rekening met deze inkomensverschillen? Probeert u ze te

verminderen? Welke maatregelen kan het Plancomité daar-
toe nemen?

De inkomensverschillen zijn een onderwerp van aandacht

voor het Stadsplancomité. Wanneer dit het plan uitwerkt,

neemt het de verschillen in beschouwing. Het comité maakt

plannen om de situatie te wijzigen. Het houdt rekening met

verschillen, wanneer het toestemming geeft tot investeringen

en leningen vbor verschillende communes en produktiebriga-

des. Het Stadsplancomité houdt er bijvoorbeeld rekening

mee, dat buitenwijken dicht bij de stad rijker zijn en dat

vlakke streken beter kunnen produceren dan bergachtige

streken. Niet alleen het Stadsplancomité, maar ook een

Hsienplancomité tracht de arme communes en produktie-

brigades te helpen om hun condities te verbeteren. De voor-naamste methode om condities te veranderen is de geest van

de conferentie over ,,Leren van Tachai” in praktijk te bren-

gen. Op stadsniveau zijn er conferenties met de verantwoorde-

lijke kaders van de verschillende communes over investerin-
gen op het platteland. Gegeven het verschil in karakter van de

verschillende gebid, proberen de communes lokale materi-

alen te gebruiken en de opbrengst te verkopen aan de verschil-

lende communes en brigades in het eigen gebied, om het in-

komen te verhogen. Het Plancomité helpt communes en

brigades en kleine fabrieken, werkplaatsen en ondernemingen

op grote schaal. Hierdoor wordt de collectieve economie

versterkt en het inkomen van de communes en brigades

verhoogd. Er is een ontwikkeling gaande om de boekhoud-

kundige eenheid naar een hoger niveau te brengen. Dat gaat

van team naar brigade en van brigade naar commune. De

voornaamste methode om de verschillen te verminderen is om

de arme brigades te helpen de rijke in te halen. Naast het
Stadsplancomité. geven het Provinciale en het Stadspartijco-

mité speciale aandacht aan arme communes en brigades.

In de berggebieden is de guerrilla-oorlog gevoerd. De staat

helpt deze gebieden nu. Het bevrijdingswerk wordt nu be-

loond met fondsen en materialen. Er wordt niet alleen gehol-

pen met het kweken van onmisbare voedselgewassen en met
investeringen, maar ook met het ontwikkelen van handeisge-

wassen – vruchten en olie -, en het opzetten van fabrieken.

Deze gebieden krijgen landbouwleningen voor de aanschaf
van machines. Op deze wijze worden regionale verschillen

verminderd. Bijvoorbeeld: het Stadsplancomité helpt twee

hsiens die 150 en 200 kilometer buiten Kwangchow zijn

gelegen, met de bouw van wegen voor het transport van
produkten uit de bergen naar de stad. Fabrieken worden

gebouwd en geologen helpen bij het zoeken naar olie in de

bergen. Door deze maatregelen kan het inkomen in deze twee

hsiens stijgen.

Informatie en informatieverwerking

Hoe krijgt u de informatie over produktieresultaten bin-

nen; rechtstreeks van de produktieteams en de afzonderlijke

fabrieken? En met welke regelmaat; maandelijks ofjaarljks

of nog anders?

Informatie over produktie in de basiseenheden krijgen wij

op twee manieren:
de landbouw in het Kwangchowgebied heeft drie oogsten,

dus krijgen we driemaal per jaar informatie daarover.

Eerst geven de produktieteams de informatie naar de

hsien. In de industrie zijn elf Industriële Bureaus. De

fabrieken geven hun informatie door aan deze Produk-

tiebureaus. In enkele industrieën bestaan er bedrijfs-

groepen; soms gaat de informatie dan eerst naar het

niveau van die groepen en vandaar naar het Produktiebu-
reau. In de industrie wordt de informatie soms maande-

lijks, soms per kwartaal en ook jaarlijks doorgegeven;

de andere manier is als volgt. Het Stadsplancomité zendt

mensen uit om onderzoekingen en studies te doen in de

produktie-eenheden. Veel problemen worden zo ter plaat-

se opgelost. Als dit niet lukt wordt het probleem aan het

Stadsplancomité doorgegeven.

Geeft u die informatie in haar geheel door aan een hoger

niveau, bijvoorbeeld de provincie, of aggregeert u die infor-

matie eerst? En als u aggregeert, doet u dat per gebied
of
per
sector of produkt?

Of het Plancomité gegevens aggregeert alvorens ze door te
geven wordt door verschillende factoren bepaald. Enkele

speciale geisoleerde vragen en problemen zullen afzonderlijk

worden gerapporteerd; bijvoorbeeld wanneer een commune.
een watèrkrachtstation gaat opzetten, of wanneer zij speciale
uitrusting nodig heeft. Algemene problemen worden door het

Plancomité eerst geaggregeerd voordat ze aan het hogere

niveau worden gerapporteerd. Hierbij kunt u denken aan

kolen- of elektriciteitstekorten. Als het Plancomité de infor-

matie aggregeert, dan is voor de landbouw de commune de

basiseenheid; niet de produkten. In de industrie wordt per

sector geaggregeerd, dus de Industriële Ministeries als een-

heid, bijvoorbeeld machine-industrie of elektronische in-
dustrie.

Waarom publiceert China niet regelmatig en volledig

statistische gegevens?

V66r 1957 werden statistieken open gepubliceerd. Toen

heeft het centrale niveau om een of andere reden besloten hier

een eind aan te maken. Die reden kennen wij niet. Wanneer we

in de basiseenheid van het Plancomité werken en de beslissin-

gen van hogere niveaus uitwerken, moeten we zekere sleutel-

cijfers hebben. Die krijgen we. Op hoger niveau zijn volledige

statistische gegevens bekend.

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

632

Universiteit van Amsterdam, Faculteit

der Economische Wetenschappen, Com-

missie voor de Wetenschapsbeoefening,

Jodenbreestraat 23, Amsterdam, tel.:

(020) 52 54 130, t.a.v. L. Spronkers.

W. Driehuis,
Capital-labour subst ii u-

tion and other poten! ial determinanis of

structural employment and unemploy-

men!,
Research Memorandum no. 7708,
niet meer leverbaar.

H.C. Dekker en T.P. van Hoorn,

From social reporting to societal accoun-

ting in the Netherlands?,
Research Me-

morandum no. 7709.
J.H.J.M. van Lamoen,
Een onderzoek

naar de opkomst en ontwikkeling van

DA F tegen de achtergrond van de inter-

nationale industrie voor personen- en

hedrijfswagens
(Doctoraalscriptie ex-

terne organisatie), Research Memoran-
dum no. 7710, niet meer leverbaar.

J.G. Odink,
De nieuwste ontwikke-

lingen in de Nederlandse personele in-

komensverdeling,
Research Memoran-
dum no. 7711.

W.J.C. Brouwer, E.F.J. Hauptmeijer

en P. Schansman,
Delegatie en relatieve

tijdsbesteding in een tandheelkundige

groepspraktijk,
Research Memorandum

no. 7712.

Reuten,
A concretization of the

operation of the general rate of profit,
Research Memorandum no. 7801.

D. de Champeaux,
Machine under-

standing
II,
Research Memorandum

no. 7802.

Universiteit van
Amsterdam, Instituut
voor Actuariaat en Econometrie, Inter-

faculteitsgebouw Actuariaat en Econo-

metrie, Jodenbreestraat 23, Amsterdam,
tel.: (020) 52 54 218.

H.J. Bierens,
Asymptotic properities

of
a class of robust m-estimators for

nonlinear regression models with mo-

men tless distributed errors and regres-

sors,
AE 8/77.

R.D.H. Heijmans en J.R. Magnus,

A srmptotic properlies of maximum like-
lihood estimators in a nonlinear regres-
sion model with unknownparameters in

the disturbance co variance matrix,
AE 9/77.

F.J.H. Don en J.R. Magnus,
On the

unbiasedness of interacted GLS estima-

tors, AEIO/77.
Neudecker,
On
some (0,1) matrïces,

AE/77.

J.F. Kiviet,
Non-detection of serial

correlation in least squares regression;

frequency and consequences,
AE 12/77.
J.S. Kramer,
0n prediction,
AE 13/77.

Universiteit van Amsterdam,
Faculteit

der Economische Wetenschappen, Eco-

nomisch-geografisch Instituut, Joden-

breestraat 23, Amsterdam, tel.: (020)

5254079.

Prof. Dr. J.G. Lambooy (red.),
Be-
leidsgeoriënteerd onderzoek ter discus-

sie; nogmaals over armoede van distribu-

tie-planologisch onderzoek,
E. G.T.
Paper no. XVII.

Vrije Universiteit
Amsterdam, Eco-

nomische faculteit, De Boelelaan 1105,

Postbus 7161, Amsterdam, t.a.v. P. Riet-

veld.

P. Nijkamp en N. Sakashita,
Deple-

tion of natural resources: conflict or

compromise,
Diskussienota no. 1977- 1.
P. Nij kamp,
A
spatial complex analy-
sis of
agglomeration and settlement pa!-

terns,
Diskussienota no. 1977-2. P. Nijkamp en P. Rietveld,
Methoden

voor de selectie van economische activi-
teiten,
Diskussienota no. 1977-3.

B.B.A. Drewes,
Herinrichting Oost-

Groningen en de Gronings- Drentse

veenkoloniën 1. Een onderzoek naar de
regionaal-ekonomische effekt en,
Dis-
kussienota no. 977-4.

L. Trimp,
Berekening van de Gini

coëfficiënt uit gegroepeerde gegevens: transformatie van de Lorentz-kromme, Diskussienota no. 1977-5.

P. Nijkamp,
Urbanization policy:

plans and possibilities,
Diskussienota
no. 1977-6.
J. H oogwerf,
Results
of
approxima-
tions for the mean waiting time in a

queueing network,
Diskussïenota

no. 1978-1.
F.C. Palm,
On efficient two-step esti-

mation
of
a simple distribut ed lag model,
Diskussienota no. 1978-2.

L. Hordijk en P. Nij kamp,
Estimation

of
spatiotemporal models, new direc-

tions via distributed lags and Markov

schemes,
Research Memorandum no.

1977-1.
P. Nijkamp,
Gravity and entropy

models: the state
of
art,
Research Me-
morandum no. 1977-2.

J. Klaassen,
Valutaproblemen in de

jaarrekening,
Research Memorandum

no. 1978-1.

Rijksuniversiteit Groningen,
Econo-

metrisch Instituut, Postbus 800, Gro-

n ingen.

W.K. Klein Haneveld,
Markovian in-

ventory control models,
OR 7702.

Rijksuniversiteit Groningen,
Instituut

voor economisch onderzoek, WSN-ge-
bouw Paddepoel, Postbus 800, Gronin-

gen, tel: (050) 11 56 27, t.a.v. Mevr. Y.
van TuyI

C.P.A. Bartels en H. ter Welle,
The
functional form
of
migration relations,

Onderzoek Memorandum no. 34.

G.J. van Helden met medewerking van

H.B. van Broekhuizen,
Een verklaring
van het huishoudelijk elektriciteitsver-

bruik in Nederland,
Onderzoek Memo-

randum no. 35.

H. Jager,
De behoefte aan internatio-

nale monetaire reserves en aan flexibili-

teit van de wisselkoers; een comparatief-
statische analyse,
Onderzoek
Memorandum no. 36.

S.K. Kuipers, J. Muysken, J. van
Sinderen,
The Vintage approach to out-
put and employment growth in the Ne-

therlands,
1 921-1976,
Onderzoek Me-
morandum no. 37.

P.S. Swart,
Het beslissingsproces in de
drogistenbranche,
Onderzoek Memo-
randum no. 38.

Erasmus Universiteit Rotterdam.

Centrum voor Bedrjfseconomisch On-
derzoek, Burgemeester Oudiaan 50, Rot-

terdam, tel.: (010) 1455 II, tst. 3295,
tav. Mej. M. de Rooij.

P. van der Chijs,
De invloed van de

etherreclame op de Nederlandse dag-
bladpers,
oktober 1977, Rap-

port 7707/ M.

A. van der Zwan,
De socio-econo-
mische structuur van de Nederlandse
gezinsbevolking,
oktober 1977, Rap-
port 7708/M.

Peter Nijkamp en Jaap Spronk,
Goal
pro gramming for decisionmaking.
A
n
overview and a discussion,
september
1977, Rapport 7709/A.

M.J.L. Jonkhart en J.K. van Vliet,

Debt capacity and profit sharing bonds,

september 1977, Rapport 7710/F.
J. Verhulp,
De gevoeligheid van fac-
tor-analytische oplossingen: toepassing

op
socio-economische variabelen,
o k-
tober 1977, Rapport 771 l/M.

C. Ouwerkerk en W.J. de Wreede,
Een
evaluatie van officiële statistieken,
no-
vember 1977, Rapport 7712/A.

F.J. Ballendux,
Enige opmerkingen
aangaande rente, portefeuilleiheorie en
loon,
december 1977, Rapport 7713/F.
Ben A. Bakker,
International market-ing standardization.
Paper presented at
the annual meeting European Interna-

tional Business Association, December
1977, Rapport 7714/M.

1) De vorige afleveringen werden gepubli-
ceerd in
ESBvan
8juni en 30 november 1977.

Onderzoek-memoranda

Dit is de derde aflevering in de serie onderzoek-memoranda 1). De be-

doeling ervan is een overzicht te geven van recente publikaties die door eco-

nomische faculteiten en instituten in eigen beheer zijn uitgebracht. Het kan

ook voor anderen van belang zijn van het bestaan van deze publikaties op de

hoogte te zijn en er eventueel kennis van te nemen. Daarom wordt tevens
aangegeven waar deze publikaties kunnen worden besteld

ESB 21-6-1978

633

P. Nijkamp en J. Spronk,
Analysis of

production and location decisions by

means
of multi-criteria analysis, Rap-

port 7801/A.

A. van der Zwan,
Neo-professionali-
sering – integraal verslag van een onder-

zoek naar drie groepen beroepsbeoefe-.

naren,
Rapport 78021 M.

Erasmus Universiteit Rotterdam,

Centrum voor Ontwikkelingsprogram-

mering, Burgemeester Oudlaan 50, Rot-

terdam, tel.: (010) 14 55 11, tst. 3400,

t.a.v. C.J. van Opijnen.

J. Kol,

An interregional planning

model for Mexico: a survey of results,

Discussion paper no. 36.

Hans de Kruijk en J. George Waar-

denburg,
Estimating needs and demand

for housing in developing countries with

an application for the Republic of Korea,

Part 1: scope and setting of the problem,

Discussion paper no. 37.

Hans de Kruijk en J. George Waard-

enburg,
Estimating needs and demand
for housing in developing countries with

an application for the Republic of Korea,
Part II: some simple mode/s and empiri-

cal results,
Discussion paper no. 38.
Erasmus Universiteit Rotterdam,
Fis-

caal Economisch Instituut, Burg. Oud-

laan 50, Rotterdam, tel.: (010) 14 55 11,

tst. 3267, t.a.v. W.J. Keller.

P. W. M oerland,
Optimal marketing

mix, tax
shfling
and tax compensation,

Discussion paper series 7703/P.

Erasmus Universiteit Rotterdam, In-

stituut voor Economisch Onderzoek,
Burg. Oudlaan 50, Rotterdam, tel.: (010)

1455 II, tst. 3494, tav. J. Hartog.

D.M. Welis,
Somepolicy applications

of Tinbergens semi-input-output met hod

in a financialplanningframework,
Dis

cussion paper series 7703/6.

R. Knegt,
Een endogene collectieve
sector in een macro-economisch kader,

een empirisch onderzoek,
Discussion

paper series 7704/ 6.

J. Hartog en J.G. Veenbergen,
Dutch

treat, long-run changes in personal in-

come distribution,
Discussion paper se-

ries 7705/6.
D.M. Weils,
Division of labour and

income in voluntary labour unions: ele-
ments for a game – theoretic analysis of

labour supply,
Discussion paper series

7706/6:
A. ten Cate,
Beroepen, vereisten en

beloning,
Discussion paper ser-

ies 7707/6.
D.M. Weils,
Personel income distribu-

tion and mobility: steps towarda condi

tional Markov model, part
1,
Discussion

paper series 7708/6.

J. A. Ribbers,
Towards a dynamic

(dis)equilibrium niodel
of
a market,
Dis-

cussion paper series 7801/0.

F. A. J. van den Bosch en C. P. Veer-

man,
De dynamiek van het aanbod van

akkerbouwprodukten,
Discussion paper

series 7803/5.

J. Berkouwer, J. Hartog en J. Tinber-

gen,
Alternative specijïcations
of
ear-

nings equations,
Discussion paper series

7804/ G.

M. G. C. M. Peeters en J. J. M.

Theeuwes,
Temporary jobs for the Un-
employed: the Dutchd experience with

direct job creation,
Discussion paper

series 7805/G.

L. Leinson en W. Siddré,
De uitke-
ringsduur in de R WW van Rotterdamse

schoolverlaters; een beschrjvend – sta-

tistische analyse,
Discussion paper series

7807/0.

J. Hartog,
Job satisfaction, utility

functions and worker attributes,
Discus-

sion paper series 7808/0.

A. W. A. Hulspas,
De Nederlandse

kapitaalmarkt 1 956-1975,
Discussion

paper series 7810/GM:

Erasmus Universiteit Rotterdam,
Eco-

nometrisch Instituut, Burg. Oudiaan 50,

Rotterdam, tel.: (010) 14 55 11, tst. 3340,

t.a.v. Mevr. Vinke.

F. van Doeland,
A
new dïskz and a

new coldstart for the IBM 1130 Compu-

ting system,
Rapport 7723/E.

O.M.M. Gelauf en R. Harkema,
Esti

mating quarterly models with partly

missing quarterly observations,

Rapport 7724/ E.
M. Hazewinkel,
Invariants, canonical

forms and modulifor time varying linear

dynamical systems,
Rapport 7725/ M.

Nooteboom,
Cross-section studies

of
efficiency in retailing, part II: regional

averages for Great Britain and North

America,
Rapport 7726/S.

J.K. Lenstra en A.H.G. Rinnooy,

Computational comp/exity
of
discrete

optimization problems,
Rap-
port 7727/0.

R.L. Graham, E.L. Lawler, J.K.

Lenstra en A.H.G. Rinnooy Kan,
Opti-

mozation and approximation in deter-

ministic sequensing and scheduling: a

survey,
Rapport 7728/ 0.

L. de Haan en S.l. Resnick,
Conjugate

TT-variation and process in version,

Rapport7801/S.

Dubbelman,
General quadratic

forms in normal variates,
Rap-

port 7802/S.
L. de Haan en E. Taconis-Haantjes,

On bahadur’s representation
of
sample
quantiles,
Rapport 7803/5.

Nederlands Economisch Instituut,

Burg. Oudiaan 50, Rotterdam, tel.:(0I0)

1455 II, tst. 3765, t.a.v. P. Baan.

P. Mastenbroek en J. Paelinck,
On

fuzzy spatial econometrics,
Foundations

of empirical economie research,

1977/13.
J.A.M. Heijke en L.H. Klaassen,
Hu-

man reactions to spatial diversity: mobil-

ity in regional labour markets,
Founda-

tions of empirical economie research,

1977/14.

J.P. Ancot, J.H.P. Paelinck en H.
Stij nen,
Modèles â parametres composés

en économétrie spatiale: résultats suplé-

mentaires, Foundations of empirieal

economie research, 1977/ 15.

L.H. Klaassen en J.H. P. Paelinek,
A

note on jealousy and snob functions,

Foundations of
,
empirieal economie re-

search, 1977/16.
L. Hoffman, R. Iwema, L.H. Klaassen

en J. Paelinek,
Productivity and growth:

some structuralfactors,
Foundations of

empirical economie research, 1977/17.

J.P. Ancot,
A multivariate model
of

the distribution of earnings,
Founda-

tions of empirical economie research,

1977/18.

A.C.P. Versteren M. de Langen,
Res-

idential mobility, work mobility, and

home-to-work accessibility,
Founda-

tions of empirical economie research,

1978/1.

L. van den Berg,’S. Boeckhout en K.

Vijverberg,
Urban development and pol-

icy
response in the Net herlands,
Founda-

tions of empirical economie research,

1978/ 2.

J.P. Aneot, R. Iwema en J. Paelinek

(met assistentie van G. den Broeder,
Test

d’une hypothesé d’investissement a

ecarts multiples,’
Foundation of empi-

rical economie research, 197813.

Katholieke Hogeschool
Tilburg,
Fa-

culteit der Economische Wetenschap-

pen, Hogesehoollaan 225, Tilburg, tel.:

(013) 66 91 11, t.a.v. A.C. Jansen.

Jack P.C. Kleijnen,
Operations re-

search and computers,
FEW 66.

iack P. C. Kleijnen, A. J. van den Burg

en R. Th. vander Ham,
Generalizations

of
simulation results: Practicality
of
sta-

tistical methods (part
1),
FEW 67.

Al.J. van den Burg, R.Th. van der

Ham en J.P.C. Kleijnen,
Generalizations

of simulations results: practicality
of
statistical methods (part
2),
FEW 68.

J. Pelkmans,
Customs union under

increasing costs conditions,
FEW 69.

Anton C.M. Hopmans en iack P.C.

Kleijnen,
Regression estimators in simu-

lation,
FEW 70.

Interuniversitaire Interfaculteit Be-

drijfskunde, Poortweg6, Delft, tel.: (015)
56 92 54, tst. 311, tav. Mej. M. de Ko-

vel.

J.J. van Duijn en R.N. Verpoorte,

Dating post war business cyclës in the

Netherlands, 1948-1975.

Rijksuniversiteit Leiden,
Faculteit der

Reehtsgeleerdheid, Economisch Insti-

tuut, Hugo de Grootstraat 32, Leiden,

tel.: (071) 14 96 41 t.a.v. F. van Winden.

A. Kapteyn, T. Wansbeek en J. Buyze,

The dynamics
of
preJèrence formation,

Rapport 78.01.
T. Wansbeek en A. Kapteyn,
Identical

error components,
Rapport 78.03.

A. Kraal,
Power in marketing,
Rap-

port 78.05.

F. van Winden en B. van Praag,
A

dynamic model of
the interaction be-
tween state and private sector,
Rap-

port 78.06.

634

Au courant

Krachtproef voor

het centraal overleg
A. F. VAN ZWEEDEN

Het sociaal-economisch plan waar-

aan het kabinet op het ogenblik dat deze

beschouwing wordt geschreven nog

steeds sleutelt, krijgt in de eerste plaats

het karakter van een ïnkomensherver-

deling. Van de voor de komende jaren

verwachte groei van het nationale in-
komen, die ternauwernood gemiddeld

3 procent per jaar zal bedragen, zal een
groter deel naar het bedrijfsleven moe-
ten worden overgeheveld. Het beslag

van de collectieve sector en van de ar-

beidsinkomens op die inkomensgroei

zal moeten worden verminderd om
ruimte Vrij te maken voor de onder-
nemers.

Het is inmiddels volstrekt duidelijk

dat een dergelijke als ombuigings-

operatie gekwalitïceerde herverdeling

van de nog mogelijk geachte econo-

mische groei niet toereikend kan zijn
om de werkgelegenheid te herstellen

tot op een aanvaardbaar niveau. Uit de

al bekend geworden cijfers van het Cen-

traal Planbureau die de grondslag vor-

men van de centrale projectie waarop
het plan moet berusten, blijkt dat het

de grootste inspanning zal kosten om de

werkloosheid onder een niveau van

300.000 in 1981 terug te dringen. Het

kabinet werkte dan ook aan een aan-

vullend programma van maatregelen

dat op het scheppen van arbeidsplaatsen

moet zijn gericht. Stabilisatie van de

lonen en vermindering van decollectieve

druk, middelen uit het neo-klassieke
arsenaal om de problemen van de aan-

Katholieke Universiteit
Leuven, De-
kenstraat 2, 3000 Leuven, Belgie.
C. Lefebvre,
Winst bepaling, winst-

berekening en balanswaardering: niet
zonder problemen,
Bedrijfseconomische
Verhandeling no. 7801.

R. de Bondt,
Het nieuw industrieel
beleid en de problematiek van de over-
heidsinmenging,
Bedrijfseconomische
Verhandeling, no. 7802.

P. van den Abeele,
Copytesting
of TV-
commercials; context, accuracy and va-
lidity,
Bedrijfseconomische Verhande-
ling no. 7803.

Adwin Dioos,
De internationale posi

tie van Japan t.a. v. directe investeringen.
een analyse sinds de olie-crisis,
Bedrijfs-
economische Verhandeling no. 7804.

bodkant uit aan te pakken, kunnen ten

hoogste een verdere stijging van de werk-

loosheid voorkomen en zelfs dat is nog

de vraag, omdat in de jaren tachtig moet

worden gerekend op een toenemend
aanbod van arbeidskrachten. Dit is een

reden dat het sociaal-economisch plan

niet kan volstaan met maatregelen die

op de jaren 1979-1982 zijn berekend.

De randvoorwaarden waaraan het
plan moet worden getoetst zijn verder

in de eerste plaats dat de ingrepen in de

overheidsuitgaven op zich zelf geen

groot verlies aan arbeidsplaatsen mo-

gen veroorzaken. Een tweede randvoor-
waarde, die het kabinet zich zelf heeft

gesteld, is dat de sociale minima moeten

worden ontzien. Die twee voorwaarden
zijn al bepalend voor de spankracht van

een ombuiging in de orde van grootte
van 10 miljard gulden. Het enige serieuze
alternatief voor dit ombuigingsplan is

geleverd door oppositieleider Den Uyl

die, teruggrijpend op het sociaal-econo-

misch akkoord bij de kabinetsformatie

tussen PvdA, CDA en D’66, een dras-
tische loonbeperking voorstelt die voor

inkomens boven f. 30.000 tot reele loons-

verlagingen van 1 tot 4 procent moet

leiden. Deze loonmatiging is al goed

voor een besparing op collectieve uit-
gaven van 20 tot 25 miljard gulden
in 1982. Extra ombuigingen in de socia-

le voorzieningen en overheidsuitgaven
boven de 4 miljard die bij dat akkoord

waren overeengekomen, zouden dan

niet meer nodig zijn. Den Uyl hoopt

hiermee 50 tot 60.000 arbeidsplaatsen
te kunnen scheppen. De vrijkomende

middelen zouden voor een deel moeten

worden gebruikt om werkgelegenheid

te creeren in de kwartaire sector.

De kracht van Den Uyls tegenplan is,
dat het een direct beroep doet op de
solidariteit van de actieven met de niet-

actieven. Het is er vooral op gericht

ruimte open te houden voor collectieve
bestedingen. Binnen de doelstellingen

van het kabinetsplan is er maar een ge-

ringe marge om door middel van over-

heidsbestedingen arbeidsplaatsen te
scheppen. Bij een insnoering van de bud-

gettaire ruimte van de overheid zelf, zou
het financieringstekort te veel moeten

worden opgerekt. Het kabinet-Van Agt komt al snel voor de noodzaak te staan

aanvullende arbeidsmarktmaatregelen buiten de begroting om te financieren.

Dat is nauwelijks een basis om een con-
sistent werkgelegenheidsbeleid op lange
termijn op te bouwen.

De zwakte van Den Uyls optie is dat

hij waarschijnlijk een te groot beroep

doet op de bereidheid tot inkomensmati-

ging. Zijn plan houdt namelijk ook een

beperking van de incidentele loonstij-

ging in. Het ,,incidenteel” is niet alleen
moeilijk te beheersen .- zeker in tijden
van min of meer gedwongen loonmati-

ging -, het is ook de statistische neer

slag van allerlei maatschappelijke be-
wegingen die moeilijk bij decreet of af-

spraak te reguleren zijn.
Afgezien van dergelijke complicaties,

past Den Uyls plan in een sociale con-

text waarin vooral de vakbeweging moet
worden gewonnen voor medewerking
aan een plan dat althans uitzicht biedt

op vermindering van de werkloosheid.

De werkgevers zelf hebben onlangs er-

kend dat van een ombuigingsoperatie
van 10 miljard gulden in drie jaar geen

uitbreiding van de werkgelegenheid mag
worden verwacht. Het bedrijfsleven zit

zo diep in de rode cijfers dat verlichting
van de kosten slechts een verbetering

van de financiële positie kan opleveren.

Het sociaal-economisch plan van het

kabinet-Van Agt zal overtuigend moeten

zijn en het zal ruimte moeten bieden voor reëel overleg, zo heeft minister

Albeda gezegd. De FNV en ook het CNV

hebben bij monde van hun voorzitter
al zulke scherpe schoten voor de boeg

gelost, dat het de grootste moeite zal
kosten de vakbeweging van de nood-
zaak van de ombuigingen en van de ge-
loofbaarheid van het nut van die om-

buigingen te overtuigen. Albeda heeft

ook gezegd dat het sociaal-economisch
plan het overleg met werkgevers en

werknemers voor een krachtproef zal
stellen. Hij heeft moeten vaststellen dat

dit overleg stagneert omdat overeen-

stemming over de doelstellingen van het
sociaal-economisch beleid ontbreekt.

De minister van Sociale Zaken, die eens
als privé-persoon samen met de sociaal-
economische deskundige van de In-

dustriebond-NVV, Piet Vos, een model

voor een overlegeconomie ontwierp, be-

lijdt nog steeds zijn geloof in de moge-
lijkheid dat de sociale partners elkaar
kunnen vinden op een beleidsprogram-

ma dat gericht is op economisch herstel.
A.
F.
van Zweeden
ESB 21-6-1978

635

Esb
In gezonden

Regionaal-economisch beleid

DR. J. L. A. JANSEN*

DRS. J. A. RÖELL*

In het redactionele artikel van L.van

der Geest
(ESB
van 31 mei jI.) over

regionaal-economisch beleid wordt naar

aanleiding van de studiemap van de

Wiardi Beckman Stichting (WBS) over

dit onderwerp een aantal vragen opge-

worpen die betrekking hebben op de

doelstellingen van het regionaal beleid

– en daarmee verband houdend de mate

van overheveling van bevoegdheden van

de hogere naar lagere overheden – en

de effectiviteit van het tot nu toe ge-

hanteerde instrumentarium. Van der

Geest komt tot de conclusie dat decen-

tralisatie wellicht een eenvoudig ant-

woord is op de vele vragen die gesteld

kunnen worden zodra het voeren van

een regionaal-economisch beleid aan de
orde is. Of het een eenvoudig antwoord

is moeten wij betwijfelen, maar decen-

tralisatie dient naar onze mening wel

degelijk één van de belangrijkste pre-

missen te zijn om ooit lot een effectief

regionaal-economisch beleid te kunnen
komen. Aan de hand van de door Van

der Geest opgeworpen vragen hopen

wij deze stelling in kört bestek van

enige toelichting te voorzien.

Methoden

Wat de doelstelling van het regionaal-
economisch beleid betreft, memoreert
Van der Geest de aloude tegenstelling

tussen het doelmatigheidsbeginsel en het

rechtvaardigheidsbeginsel. In het doel-
matigheidsbeginsel staat het streven
voorop om vanuit iedere regio optimaal

bij te dragen aan de nationale welvaart.

Het rechtvaardigheidsbeginsel gaat er
daarentegen vanuit dat ongelijkheden

tussen regio’s dienen te worden weg-

gewerkt, waarbij de nadruk ligt op de
ongelijke werkgelegenheids- en inko-

menssituaties. In de regeringsnota inza-
ke het regionaal sociaal-economisch

beleid 1977-1980 (NRSEB) wordt op

klassieke wijze op deze tegenstelling

gereageerd door te trachten een synthese

tot stand te brengen. In de hoofddoel-

stelling van de NRSEB is die synthese

nog wel onder woorden te brengen
(,,het tegengaan van ongewenste regio-
nale sociaal-economische onevenwich-

tigheden”), maar in de praktijk van het

in deze nota geschetste beleid krijgt het

doelmatigheidsbeginsel duidelijk de

overhand. Hetzelfde zien we gebeuren

bij de
Nota Regionaal-economisch be-

leid
van de provincie Zuid-Holland ende
eerste nota over het sociaal-economisch

plan van het Openbaar Lichaam Rijn-

mond. Deze beide nota’s formuleren

eerst een globale, abstracte en tevens

utopische hoofddoelstelling,. die ver-

volgens wordt uitgesplitst in een sub- en

ten slotte enkelvoudige doelstelling 1).

Zo ontstaat er, met tal van variatie-

mogelijkheden, een doelstellingensche-
ma. In zowel de nota van Zuid-Holland

als in die van Rijnmond ligt aan de

hoofddoelstelling ten aanzien van het te

voeren regionaal (sociaal-)economisch

beleid het rechtvaardigheidsbeginsel ten
grondslag. Concretisering van deze

doelstelling leidt er echter toe dat het

doelmatigheidsbeginsel leidraad van be-

leid wordt en daarmee ook de centralise-

ring van de besluitvorming bij de
rijksoverheid. Immers, de afweging op

welke wijze de regio’s optimaal kunnen

bijdragen aan de nationale welvaart is in
de huidige constellatie in eerste en laatste
instantie een afweging die op centraal

niveau plaatsvindt.
Het opstellen van een doelstellingen-schema op het terrein van het regionaal-

economisch beleid doorbreekt niet de

impasse waarin de regionale bestuurders
zitten. Hoewel zij het meest direct be-

trokken zijn bij de regionaal sociaal-
economische problematiek, beschikken

zij niet over de financiën en een instru-

mentarium om een zelfstandig beleid in

deze te kunnen voeren. Ook zal het

opstellen van een doelstellingenschema

er niet toe leiden dat globale maatregelen

van de centrale overheid een regio-

specifieke uitwerking krijgen.
Indien dit laatste door middel van

meer gerichte maatregelen al het geval
is, is veelal de effectiviteit van dergelijke

maatregelen gering. Wil die impasse

worden doorbroken, dan dienen de doel-

stellingen van het op regionaal niveau te voeren (sociaal-)economisch beleid
voort te vloeien uit de analyse van de

eigen situatie en problematiek. In de

WBS-studiemap maakt alleen C. Inja

(beleidsmedewerker FNV) deze kant-

tekening. Een opvallend voorbeeld van

een dergelijke aanpak is te vinden in

het in maart 1971 verschenen rapport

van de werkgroep Economische Zaken

van de gemeente Utrecht, toen er nauwe-

lijks (meer) enige belangstelling bestond

om een regionaal-economisch beleid te

voeren.
In dat overigens summiere rapport

wordt uitgegaan van een min of meer
concrete en inschatbare situatie en wordt

aan de hand daarvan gekeken welke

bedrijfsvestigingen uit de verschillende

sectoren bevorderd dan wel afgeremd

zouden moeten worden. Deze aanpak

verdient naar onze mening ook de voor-

keur omdat de regionale overheden dan

worden gedwongen om de regionale

situatie in kaart te brengen (voor zover

dat al niet is gebeurd) en aan de hand

daarvan een ontwikkelingsplan op te

stellen waarin, als het goed is, een poging
wordt gedaan een integraal regionaal

beleid te voeren.

Overheveling bevoegdheden

Op 14 maart 1978 werd er in de

Tweede Kamer gestemd over de moties

die waren ingediend bij de bespreking

van de NRSEB. Eén van de moties (die
overigens praktisch unaniem werd aan-
genomen) sprak uit dat de regionale

overheid, in casu de provinciale be-

sturen, grotere bevoegdheden inzake de
vormgeving en uitvoering van het regio-

naal sociaal-economisch beleid dienen

te verkrijgen en dat daarvoor ook de
nodige financiële armslag moet worden
gecreëerd. In die motie werd ook uit-

gesproken dat aan deze decentralisatie

concreet gestalte dient te worden gege-
ven middels, onder meer, door het

provinciaal bestuur op te stellen meerja-

rige regionale ontwikkelingsplannen.

* Resp. lid van de Tweede Kamer voor de
PPR en fractiemedewerker.
t) Zie voor deze systematiek: Commissie
ontwikkeling
beleidsanalyse,
Beleidsanal;’se,
1976, nr. 2.

636

Prof. Dr. P. Kuin:
Management is
méér

De sociale verantwoordelijkheid van
de ondernemer. Elsevier, Amsterdam/Brussel, 238 blz., f. 27,50.

Het is voor de Tweede Kamer dus niet

meerde vraag ofer inzake het regionaal-

economisch beleid bevoegdheden moe-

ten worden overgeheveld naar lagere

bestuursniveaus, het gaat nu over de

vorm, modaliteiten en de fasering

hiervan. De effectiviteit van het beleid

vormt daarbij een belangrijke factor.

Daarbij spelen twee zaken een hoofdrol:

• in hoeverre kan er op regionaal niveau

worden ingespeeld op sectorale ont-

wikkelingen;

• in hoeverre worden beleidsopties van

de centrale overheid (b.v. ten aanzien

van het energie-, grondstoffen- en mi-

lieubeleid en het beleid ten aanzien

van een meer rechtvaardige interna-

tionale inkomensverdeling) door-

kruist door zelfstandig optreden van

de regio’s?

Den Uyl vreest dat door de nadruk

te leggen op de regionalisatie van het

sociaal-economisch beleid (zoals b.v.
gebeurt in de recente nota van de Studie-stichting van
de PPR
Regionalisatie van

het sociaal-ekonomisch beleid),
o.a. het sectorstructuurbeleid, de beïnvioedings-
mogelijkheden op multinationale onder-

nemingen en het energiebeleid kunnen

worden getorpedeerd; beheersing en stu-

ring van de vraag vergt nationale en

Europese stuurinstrumenten.

Wij menen dat hier niet van een

wezenlijke tegenstrijdigheid sprake is

tussen voorstanders van centralisatie

enerzijds en van decentralisatie ander-
zijds. De eersten erkennen immers het

belang van het opstellen van provinciale

ontwikkelingsplannen en het scheppen
van de bestuurlijke en financiele moge-

lijkheden voor het provinciaal bestuur

om het ontwikkelingsplan tot uitvoer te

brengen. De laatsten ontkennen niet dat

de centrale overheid de verantwoorde-

lijkheid heeft voor het terugdringen van

ongerechtvaardigde interregionale ver-

schil!en in welvaart en welzijn en achten

het noodzakelijk dat toetsing van de

regionale ontwikkelingsplannen in een
nationaal kader plaatsvindt. Het verschil
in benadering schuilt met name in de

vraag welk kanaal de beste ingang levert

om de gewenste verandering op gang te

brengen. Wat dit betreft zien wij het nog

niet gebeuren dat op redelijk korte
termijn op nationaal en Europees niveau

een afdoende instrumentarium wordt

ontwikkeld om de vraag te beheersen en

te sturen. De noodzaak van een dergelijk

instrumentarium wordt zelfs nog van

allerlei kanten betwist.

Het verdient daarom de voorkeur in te

spelen op de langzamerhand manifest

geworden behoefte van provinciale be-

sturen om zelf greep te krijgen op de
economische ontwikkeling van de regio.

Politisering van het provinciaal beleid

inzake de sociaal-economische vorm-

geving van de regio werpt op den duur

meer vruchten af dan dat provinciale

bestuurders met de hoed in de hand

naar Den Haag reizen om extra aan-

dacht te vragen voor hun specifieke

economische problematiek.

J. L. A.
Jansen
J. A. RöeII

Deze studie is de neerslag van colle-

ges die de schrijver in 1970 en latere jaren

als gast-hoogleraar aan de Harvard Busi-
ness School heeft gegeven. De stof
is echter volledig aangepast aan de

situatie in West-Europa en in het

bijzonder aan die in Nederland. in

vijf delen heeft hij het onderwerp behan-

deld. Het eerste deel gaat over het princi-

pe van de sociale verantwoordelijkheid.
Het tweede deel geeft een aantal interne toepassingen en het derde deel is gewijd

aan de externe toepassingen. in het
vierde deel wordt ingegaan op wat

verantwoord produceren wordt ge-

noemd. Ten slotte geeft de schrijver in
het vijfde deel zich rekenschap van de
So-
ciale verantwoordelijkheid. Daarbij

wordt geen stelling genomen in de contro-

verse vrij ondernemerschap versus door

de staat geleide bedrijven. De verant-

woordelijkheid geldt voor ieder die in
een organisatie leiding geeft.

De titel ,,Management is méér

is onvoltooid. Afgaande op wat in

het eerste deel wordt betoogd zou men

de titel kunnen aanvullen met: ,,dan
voldoen aan wettelijke verplichtin-
gen”. In de ogen van de schrijver

is het dragen van verantwoordelijkheid

meer dan het zich houden aan regels.
Dat heeft ons de laatste tijd trouwens

geleerd met betrekking tot politici, die

in feite in hetzelfde glazen huis leven

als de ondernemers. De inhoud van

het boek heeft dan ook onmiskenbaar

een ethische grondslag, ook al is de

scheiding tussen ethiek en belangen niet

overal duidelijk getrokken. De grens

tussen het eigenbelang en de op de

medemenselijkheid stoelende naastenlief-
de is ook moeilijk te trekken.

Een sociaal verantwoord beleid bevat

elementen die nu eenmaal niet in over-

eenstemming zijn met het zuiver bedrijfs-
economische denken. Tegenstanders van

het sociaal verantwoorde beleid vinden

dan ook dat daardoor een verwisseling

van rollen in de samenleving plaatsvindt.

Dit beleid zou niet alleen leiden tot

aanmatiging, huichelarj en zelfbedrog,

maar ook een aantasting van het econo-
mische bestel betekenen. Sociale offers

zijn alleen verantwoord als verdedigings-

middel tegen dreigende gevaren. De

Amerikaanse econoom Milton Fried-

man is onder andere een vertegenwoordi-

ger van deze visie.

De schrijver tilt niet zwaar aan deze

kritiek. Zo ziet hij het verzet tegen

de sociale verantwoordelijkheid in wezen

als een achterhoedegevecht voor het

behoud van een economische orde, die

ook in Amerika in zijn zuivere vorm

al lang niet meer bestaat. Ook het

verwijt dat de ondernemer het sociaal

verantwoorde beleid ten koste van de

aandeelhouders zou voeren, wimpelt hij
weg. De vraag, waarom de leiding van

een onderneming tegenover het perso-

neel en tegenover de samenleving meer

moet doen dan waartoe hij wettelijk
is verplicht, beantwoordt hij in feite met de gulden regel: ,,Behandel een

ander zoals u zelf behandeld wenst
te worden”.

Wat zwak is het betoog over de
argumenten vöör het betonen van ver-

antwoordelijkheid. Het leiderschap zou

natuurlijker (menselijker) worden en

daardoor zou leidinggevend werk aan-

trekkelijker worden. De onderneming

zou meer in de samenleving worden
geïntegreerd. De samenleving kan in

feite niet zonder de hulp van het bedrijfs-

leven. Sommige moeilijkheden in de

samenleving zouden door het geschetste

beleid kunnen worden opgelost en ten-
slotte zou de menselijke solidariteit er-

door worden bevorderd. Wie al deze argumenten tot op de wortel bekijkt,

ziet een verstrengeling van belangen

en van altruïstische motieven. Het is
nu eenmaal zeer moeilijk om wél te
doen en niet om te zien.

Met opzet heb ik bij het inleidende

deel van het boek nogal lang stilgestaap.

De overige vier delen vloeien uit het eer-

ste deel voort. In het tweede deel komen

de interne toepassingen van de sociale
verantwoordelijkheid ter sprake. Ge-

noemd wQrden de lonen en salarissen,

de winstdeling, het samenspel in de

ESB 2 1-6-1978

637

onderneming en de zekerheid van werk.

Met betrekking tot de winstdeling zegt

de schrijver dat een regeling hieromtrent

goed kan zijn als zij past in de context

van een humane en coöperatieve stijl

van leidinggeven. Vrijwilligheid is te pre-

fereren boven wettelijke verplichtingen

die de winstdeling overdekken met de

grauwsluier van de formaliteit. Een oor-

deel over de vermogensaanwasdeling

(VAD) wordt in dit boek niet gegeven.

Bij ontslagkwesties komt de sociale

verantwoordelijkheid van de onderne-
mer sterk op de voorgrond. Zekerheid

over het voortduren van de werkgele-

genheid is een fundamenteel verlangen

van vrijwel iedere werknemer. De onder-

nemer zal dit verlangen zoveel mogelijk

moeten respecteren. Ontslag wordt dan

‘ook als een uiterst middel gezien om

de onderneming te redden. Een soort

,,averj grosse” maar dan helaas niet

met goederen maar met mensen. En

als de ondernemer tot een afvloeiings-

regeling moet overgaan, moet hij wel

bedenken dat hij het volle loon bespaart,

maar de kosten van levensonderhoud

van de betrokkenen afwentelt op de

gemeenschap.

De externe toepassingen van de sociale

verantwoordelijkheid kunnen zich uiten

in burgerzin, in het aanvaarden van

maatschappelijke taken, of door een

actieve deelname aan de politiek. Onder

maatschappelijke taken rekent de schrij-

ver ook het subsidiebeleid van de onder-

neming. Het gaat daarbij om subsidies

die geen enkel ondernemingsbelang recht

streeks dienen. Ondernemers in de poli-

tiek zal men in het algemeen moeilijk

kunnen zien als een belangeloze toe-

passing van het beginsel van de sociale

verantwoordelijkheid. Meestal zijn hier
belangen in het spel. Zeer duidelijk

was dit bijvoorbeeld het geval bij de

actie in 1925 tegen het verdrag dat

de Nederlandse regering met Belg had

gesloten ten gunste van een scheepvaart-
verbinding tussen Antwerpen ende Rijn.

In het vierde deel van het boek,

welk deel de titel ,,Verantwoord produ-

ceren” draagt, besteedt de schrijver in
de eerste plaats aandacht aan de zorg-

vuldigheid ten opzichte van de omgeving.

Met een beroep op de Amerikaanse

economen Clark en Mitchell toont hij

aan dat naast particuliere calculaties

ook sociale calculaties nodig zijn om

de maatschappelijke ,,overhead costs”

in de beslissingen van de ondernemer te

betrekken. Hij noemt een aantal voor-
beelden in de sector van de milieuver-

ontreiniging, waar dit inderdaad is

gebeurd.
In een hoofdstuk over het optreden

op de markten wijst hij op de vaak voor-

komende onereuze contracten, het ver

zwijgen van aan produkten verbonden

gevaren en op de misleiding in de

reclame. Ook het machtsmisbruik van
ondernemers – bijvoorbeeld door het

uitbenen van leveranciers of door on-
eerlijke concurrentie – stelt hij aan de

kaak. Zijn slotsom is dat de enige

echte waarborg voor een goed functio-

neren van het huidige economische

stelsel het verantwoordelij kheidsgevoel

van de sterken is. Ontbreekt dit dan

gaat de markteconomie op de duur

aan haar eigen perversie – de wet

van de wildernis – ten gronde. Hier

zou men toch weer kunnen zeggen

dat in de sociale verantwoordelijkheid

ten aanzien van collega-bedrijven een

belang schuilt.

Het laatste deel van het boek handelt

over het afleggen van rekenschap door

de ondernemer. Uitvoerig wordt de ver-
antwoording naar binnen en naar buiten
beschreven. Deze rekenschap is groten-

deels door wetten en afspraken een

opgelegde zaak. Maar ook hier kan

men door een zo groot mogelijke open-

heid verder gaan dan de minimale ver

plichtingen. Daarbij worden de richtlij-

nen van de Organisatie voor Econo-

mische Samenwerking en Ontwikkeling

(OECD) als voorbeeld genoemd. Boven-

dien is de schrijver voorstander van

een maatschappelijke toetsing van de

onderneming. Zelfs acht hij het mogelijk

om tot een classificatie van onderne-

mingen naar hun maatschappelijke ver-diensten te komen.

Verantwoording onder druk komt van

de zijde van de consumentenorganisa-

ties, van actiegroepen en van kritische

aandeelhouders. Het advies van de schrij-

ver luidt: ga er niet tegenin en beschouw

deze nieuwe ontwikkelingen als onver-

mijdelijk. De sociale verantwoording

acht hij het voornaamste middel om

de legitimiteit van de ondernemer te

bewijzen. Een ander middel is de selectie

en promotie van managers, uitsluitend
op basis van bekwaamheid. De huidige

ondernemer moet voldoen aan verwach-

tingen die de gemeenschap van hem

heeft. Zijn mandaat kan nooit anders

dan voorwaardelijk zijn. Maar een man-

daat heeft hij nodig om zijn belangrijke
functie naar behoren te vervullen.

De studie is veelomvattend en hier

en daar wat wijdiopig. In ieder geval

heeft de schrijver het probleem van

de ethiek in het bedrijfsleven grondig be-

handeld. De grote moeilijkheid, waar de

schrijver niet goed uitgekomen is, blijft

het vage grensgebied tussen het eigen-
belang en de sociale verantwoordelijk-

heid. Deze grens zal overigens niemand

met vaste hand kunnen trekken. Zij

is afhankelijk van levensbeschouwing
en van de tijd waarin wij leven. Tot

slot nog een opmerking over de aange-

haalde literatuur. Ik miste het bekende

boekje van Mr. Ru Mees,
De moraal

in het zakenleven,
dat zeker voor de
Nederlandse verhoudingen baanbrekend
is geweest.

P. van Zuuren

Centraal Bureau voor de Statistiek: Fac-

toren, die de studieresultaten bij het

wetenschappelijk onderwijs beïnvloe-

den.
Statistische onderzoekingen M3.

Staatsuitgeverj, ‘s-Gravenhage, 1977,51

blz.,f. 11,75.

Deze publikatie dient als afsluiting van

een onderzoek naar fâctoren waarvan

wordt verondersteld dat zij de studiere-

sultaten van studenten bij het weten-

schappelijk onderwijs beinvioeden. De

onderzochte factoren zijn: vooroplei-

ding, eindexamencijfers vhmo, leeftijd

bij het behalen van het vhmo-diploma en

de aard van de aansluiting vhmo-wo. Het

onderzoek, dat betrekking heeft op de

studie voor het kandidaatsexamen, werd

verricht voor de studentencohorten

196 1/’62 en 1962/’63 en beperkt zich tot

de faculteiten geneeskunde, wiskunde en

natuurwetenschappen en letteren. Voor

de mannen zijn tevens de faculteiten

tandheelkunde en diergeneeskunde on-

derzocht.

Esb
Mededeling

Wetenschappelijke Week

Ruimtelijke Analyse

Van 28 augustus tot 1 september 1978

vindt in Fribourg (Zwitserland) een

,,Wetenschappelijke Week Ruimtelijke

Analyse” plaats.

Op 28 augustus wordt een ,,Table

Ronde” van de Association de Science

Régionale de Langue Française gehou-

den over het thema ,,Regionale model-

len en politiek”, waarbij in drie sessies

(regionale modellen, regionale politiek
en toegepaste studies) zestien papers

worden besproken.

Van 29 augustus tot 1 september volgt

dan het Europees Colloquium van de

Regional Science Association. De vol-

gende thema’s staan op het program-
ma: a. perspectives on regional develop-

ment problems; b. approaches to regio-

nal problems; c. regional planning in

Switzerland; d. conflict analysis and
regional development; e. spatial struc-

tures in theory and history; f. inter-

industry models and planning; g. theore-

tical perspectives on regional problems;
h. analyses of development problems in

advanced economics; i. econometric mo-
dels in regional planning;j. sectoral pro-

blems in development models; k. plan-

ning issues at national, regional, and

local levels; 1. new approaches to

methods of regional analysis.
Voertaal: Engels. Kosten: Zw.Fr. 150
(ter plaatse te betalen). Inlichtingen en

aanmelding: Prof. Dr. Gaston Gaudard,

Séminaire d ‘Economie regionale, Uni-
versité de Fribourg, Miséricorde, CH –

1700-Fribourg en Prof. Dr. J. H. P.

Paelinck, Nederlands Economisch Insti-
tuut, Burg. Oudlaan
50,
Rotterdam, tel.: (010) 14 55 II.

638

De Sociaie Verzekeri ngsraad vraagt voor de afdeling Bed ri jfs- Economische Aangelegen –

heden (BEA) van zijn secretariaat een

bedrijfseconoom

De afdeling BEA heeft tot taak:
Nadere informatie kan worden

het voorbereiden en vormgeven van het beleid van de verkregen bij de chef van de

Sociale Verzekeringsraad met betrekking tot bedrijfs-
afdeling, de heer drs. H.V.

economische aangelegenheden de uitvoeringsorganisatie
Vrind, telefoon (070) 469370,

van de sociale verzekering betreffende.
toestel 330.

Hieronder vallen:


organisatievraagstukken,


automatiseringsvraagstukken,
Schriftelijke sollicitaties met

kwaliteitsbeheersingsvraagstukken,
volledige gegevens over ner-

kosten/baten-analyses.
soon, opleiding en ervaring
kunnen worden gericht aan de
De aan te trekken functionaris zal als deskundigé op het
afdeling Personeelszaken van
gebied van kosten/baten-analyses en jaarrekeningsvraag-
de Sociale Verzekeri ngsraad,

stukken worden belast-met:
Pres. Kennedylaan 21, Den


het verrichten van vergelijkend onderzoek naar de
Haag.

uitvoeringskosten van de onder toezicht van de

S.V.R. staande organen,


het toetsen of de aan de uitvoeringsorganen ter
beschikking staande middelen op doelmatige wijze

worden aangewend,


het met het oog daarop ontwikkelen van indicatoren

welke gehanteerd kunnen worden bij de beoordeling
van het functioneren van de uitvoeringsorganen,


het beoordelen van subsidie-aanvragen en externe

projecten en het bewaken van de aan die projecten
toegewezen budgetten voor wat bedrijfs-economische

aspecten betreft,

kosten/baten inbreng leveren bij een aantal interne

activiteiten.

sociale
Voor deze functie wordt gedacht aan een bedrijfs

econoom met als hoofdspecialisatie balans- en resul-
verzelcerings
tatenleer.
Kennis van de leer der administratieve Organisatie is
raad
gewenst.

Redactionele vaardigheid is een vereiste.

Aanstelling kan afhankelijk van opleiding, ervaring en

leeftijd geschieden in de rang van medçwerker, salaris-
De Sociale Verzekerings-
grenzen f 2986,—tot f 4265,— per maand.
raad te ‘s-Gravenhage is
Bij gebleken geschiktheid volgt na verloop van enige
een bij de wet ingesteld
jaren bevordering tot le medewerker, salarisgrenzen
adviesorgaan dat werk-
t 3255,— tot f 4935,— per maand.
zaam is op het brede

De genoemde bedragen zijn exclusief 8% vakantietoeslag.
1
terrein van de sociale

verzekeringen. De Raad

De Algemene burgerlijke pensioenwet is van toepassing.
houdt o.m. toezicht op de

uitvoering van de sociale

Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de
verzekeringen.

selectieprocedure.

ME

p

NOV,

NEDERLANDS

CHRISTELIJK

WERKGE VERS VERBOND

Het NederlandsChristel ij k Werkgeversverbond

(NCW), waarin verenigd katholieke en protes-

tants-christel ij ke werkgevers, behartigt de be-

langen van ca. 70 bedrijfstakorganisaties, vijf

regionale verenigingen en een groot aantal

individuele ondernemingen.

Het NCW neemt voor de behandeling van de
landelijke sociaal-economische onderwerpen

o.a. deel in de centrale overlegorganen en

onderhoudt contacten met de vakbeweging, de

centrale overheid en provinciale overheden.

Op het secretariaat van het NCW is vacant de

functie

SECRETARIS’

ARBEIDS-
VOORWAARDENBELEID

(academicus of vergelijkbaar niveau)

Functie-informatie:

De functionaris is binnen de sociaal-econo-

mische afdeling van het NCW-secretariaat

belast met de behandeling van onderwerpen

welke de arbeidsvoorwaarden van werknemers

bepalen. Naast vraagstukken van primaire be-

loning gaat het daarbij ook om onderwerpen als

arbeidsduur, vermogensaanwasdeling, educa-

tief verlof, inkomensbeleid e.d.
De te benoemen functionaris zal het NCW ver-
tegenwoordigen in het overleg overdezeonder-

werpen met andere ondernemingsorganisaties,

in de Sociaal-Economische Raad en de Stich-

ting van de Arbeid.

Functie-eisen:

Voor de functie komen in aanmerking zij die

ervaring op sociaal-economisch terrein hebben
en zelfstandig en creatief kunnen werken.

Honorering: afhankelijk van opleiding en er-

varing tot max. f. 6500,— per maand.

Sollicitaties v’ôr 12 juli 1978 aan Ir. M. G. W.

Hallmans, algemeen secretaris van het NCW,

Postbus 84100, 2508 AC Den Haag.

vrije universiteit

amsterdam

Aan de Faculteit der Economische Weten-

schappen, vakgroep Internationale Econo-

mische Betrekkingen
is plaats voor een

part-time

wetenschappelijk

medewerker (m/v)

Tot de taken behoort het geven van onder-

wijs, het verrichten van ondermeer empirisch

onderzoek zowel individueel als in teamver-

band. Het onderzoek kan binnen deze aan-

stellingsvorm tot een proefschrift leiden.

Gedacht wordt aan iemand die belangstel-

ling en geschiktheid heeft voor genoemde

taken, die een doctoraal examen Economie

heeft behaald met een accent op het vak IEB
en met keuzevakken in de kwantitatieve rich-
ting.

Instemming met de doelstelling van de Vrije

Universiteit als christelijke instelling wordt

verwacht.

Inlichtingen worden gaarne verstrekt door

Dr. W.J.B. Smits, telefoon: 020-99 63 28 of

020 – 548 26 39. Eventuele sollicitatie-

gesprekken zullen worden gehouden op

19juli as.
Schriftelijke sollicitaties, kunnen binnen 14 dagen,
onder vermelding van vacaturenummer 501 – 1398,
gericht worden aan de
Dienst Personeelszaken,
De Boelelaan 1105, postbus 7161,
1007 MC Amsterdam-Buitenveldert.

va

640

De Economische Faculteit der Rijksuniversiteit

Groningen organiseert in samenwerking metde

Vereniging van Afgestudeerden op 27, 28 en 29

september 1978 in het kader van het POST-

ACADEMISCH ONDERWIJS:

een seminar algemene

economie;
een seminar bedrijfs-

economie en accountancy

In verband met het 6e lustrum van de Economische

Faculteit is als centraal thema voor de inleidingen

gekozen: 1948-1 978: Dertig jaar ontwikkeling in de

economische wetenschap”. De mogelijkheid tot in-

schrijving op deze seminars staat tot 1 september

1978 open voor afgestudeerden aan één der instel-

lingen van wetenschappelijk, onderwijs, register-

accountants, afgestudeerden aan instellingen van
het H.B.O. en voor diegenen, die op andere wijze een

vergelijkbaar kennisniveau hebben verkregen.

De colleges worden gehouden in “Het Familiehotel”

te Paterswolde. De inschrijvingskosten bedragen

200,— per persoon
(mcl.
diner, lunches, koffie en

thee). Een verzoek tot toezending van het volledige
programma kunt u richten aan Drs. A. R. van Goor,

Economische Faculteit, Postbus 800, Groningen.

-DE AMBTENAREN-

VERDIENEN TEVEEL

Flip de Kam

GELD DAT STOM IS

over inkomens, belastingen

en de politiek

Dit boek legt een aantal zwakke
plekken bloot in het financiële
tweerichtingsverkeer tussen de
overheid en de publieke sektor.
Waarom ambtenaren teveel ver-dienen, over belastingontwijking, het falende landbouwbeleid in
uropa, de VAD en de WIR.

f19,50
Contact Tijdsdocument

Betalen blijft voor de dommen!

Nu al
de 4e
druk van

Flip de Kam

L–

BETALEN IS VOOR DE DOMMEN

over de miljardenmazen

in ons belastingstelsel

f17,90 Contact Tljdsdocument

UITGEVERIJ BERT BAKKER AMSTERDAM

I’IU
al
2de
druk

1J.

de rijksuniversiteit

groningen vraagt:

wetenschappelijk medewerker

economie en openbare financiën

mlv

(vac. nr
. 780626/0936)

bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, vakgroep
economie en openbare financiën.

Taakomschrijving:
– geven van onderwijs in de economie aan
rechtenstudenten en in de openbare financiën
aan rechten- en economiestudenten
– voorbereiden en afwerkén van de hierbij
behorende tentamens
– doen van onderzoek, bij voorkeur op het gebied
van de openbare financiën
– verrichten van bestuurlijke werkzaamheden.

Vereisten:
– voltooide academische opleiding algemeen
econoom met spécialisatie openbare financiën
– praktijkervaring op het gebied van de openbare
financiën strekt tot aanbeveling
– pas afgestudeerden kunnen echter ook
solliciteren.

Betrokkene zal worden aangesteld in tijdelijke
dienst voor vier jaren, doch is in beginsel
voorbestemd voor blijvende opneming in het
vaste wetenschappelijke corps.

Salariëring overeenkomstig het rangenstelsel van
wetenschappelijk medewerker.

Inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij de voorzitter van de vakgroep, prof. dr. J. Pen,
tel. 050-114298 en de secretaris, drs. C. Sterks,
tel. 050-114284 of 05907-3517.

sollicitaties:

schriftelijk binnen twee weken na plaatsing
van deze advertentie te richten aan de direkteur van de Dienst Personeelszaken, Postbus 72, 9700 AB Groningen, onder
vermelding van het vacaturenummer op brief
en envelop.

641

nationale woningraad

Amsterdam – Almere – Assen – Breda – Bunschoten –
Deventer – Rotterdam

De Nationale Woningraad (NWR) is een belangen-
behartigingsorganisatie op het terrein van de volks-
huisvesting. Ten behoeve van de aangesloten leden,
woningcorporaties en gemeenten, die gezamenlijk
900.000 woningen beheren, wordt onder meer de
advies- en dienstverlening verzorgd op sociaal, finan-
cieel-economisch, juridisch, administratief en bouw-
technisch terrein.

Voor de afdeling FEDV (financieel-economische docu-
mentatie en voorlichting), die deel uitmaakt van de
sector Onderzoek en Ontwikkeling wordt contact ge-
zocht met een

ONOOM

De afdeling FEDV is middels onderzoek en beoordeling
van problemen van financieel-economische aard actief
betrokken bij de beleidsvoorbereiding van de NWR en
bij de adviesverlening aan de leden.
De aandacht richt zich onder meer op onderwerpen in de sfeer van huren, subsidiëring en financiering zowel
met betrekking tot nieuwbouw als vernieuwbouw, op
de beheers- en onderhoudsproblematiek van woningen en woningcorporaties, en op het hanteren van de finan-ciële regelingen op het gebied van de volkshuisvesting.

Ter uitbreiding van het bestaande team wordt gedacht
aan kandidaten met een economische opleiding op
universitair of HBO-niveau, zo mogelijk met ervaring op
het gebied van de volkshuisvesting.

Geboden wordt een salaris, afhankelijk van opleiding en ervaring, tot t 4.700,— bruto per maand, exclusief
8
0
/o
vakantietoeslag, alsmede goede secundaire
arbeidsvoorwaarden.
Standplaats
AMSTERDAM
t.z.t.
ALMERE.

Een psychologisch onderzoek maakt deel uit van de
selectieprocedure.

Sollicitaties kunnen worden gericht aan de Nationale
Woningraad, Postbus 9149, 1006 AC Amsterdam.
Op de enveloppe linksboven vermelden: P.Z. Telefonische inlichtingen bij drs. D. Hamersma of dhr.
M. A. Lammertink, 020 – 17 28 28.

642

Bedrijfsvereniging

voor het

Bakkersbedrijf

De BEDRIJFSVERENIGING VOOR HET
BAKKERSBEDRIJF is een landelijk werkende
instelling, belast met de uitvoering van de sociale
verzekeringswetten, zoals de Ziektewet, de Werkloos-
heidswet en de Wet op de Arbeidsorigeschiktheids-
verzekering voor bakkers- en banketbakkersbedrijven,. verbrui kscoöperaties, de suikerverwerkende
industrie, alsmede de suikerwerk- en chocolade-
verwérkende industrié.
Tevens wordt beheer en administratie gevoerd over een vijftal Bedrijfspensioenfondsen.
Voor onze groep Administratieve Organisatie vragen wij voor spoedige indiensttreding een

administratieve

organisatiedeskundige

Functie-informatie:

De groep Administratieve Organisatie maakt deel uit van de Dienst Administratie.

De taak van deze kandidaat zal onder meer zijn:

– het ontwerpen en invoeren van administratieve
procedures voor nieuwe informatiesystemen en
het onderhouden van bestaande procedures;

– het ontwikkelen, beoordelen en bewaken van
interne controlevoorschriften om de juistheid van de informatieverwerking veilig te stellen;
– het beheer van de coderingssystemen en formulieren zal een belangrijk onderdeel van de
taak zijn.

Functie-eisen:

– voor deze belangrijke functie gaan onze gedachten
uit naar een afgestudeerd econoom, studierichting
Administratieve Organisatie of een kandidaat,
die in het bezit is van de diploma’s SPD 1 en II
dan wel een gelijkwaardige opleiding met enige jaren bedrijfservaring op het gebied van
Administratieve Organisatie;

– leeftijd 25-35 jaar.

Wij bieden een interessante functie met goede toekomstmogelijkheden; het salaris en arbeids-
voorwaarden zijn dienovereenkomstig.

Naast een medische keuring behoort ook een psychotechnisch onderzoek tot de selectieprocedure.

Belangstellenden voor deze functie verzoeken wij hun schriftelijke sollicitaties te richten aan de afdeling Personeelszaken,
BEDRIJFSVERENIGING VOOR HET BAKKERSBEDRIJF,
Gedempte Zuiderdiep 31, 9711 HB Groningen.
Telefoon 050- 18 8545.

643

Amsterdam vraagt

Ter
SECRETARIE
(Stadhuis) bij de afdeling Economische Zaken en Havenaangelegenheden (Bureau

Economisch Onderzoek) een

economisch medewerk(st)er

Op dit bureau is een aantal on-

derzoeken in uitvoering op ba-

sis waarvan adviezen worden

opgesteld en de voorbereiding

van het economisch beleid ge-

schiedt.


TAAK
opzetten en uitvoe-
ren van onderzoeksprojecten

Vakantieuitkering 8 procent,

de rechtspositieregeling van

de gemeente Amsterdam is

van toepassing.
Een psychologisch onderzoek

zal deel uitmaken van de selec-

tieprocedure.

naar de economische ontwik-

keling van de stad, waaronder

de effecten van verkeersmaat-

regelen op het bedrijfsleven

(midden- en kleinbedrijf).


VEREISTEN
voltooide ho-

gere beroepsopleiding (bij-

voorbeeld MO-Economie,

Schriftelijke sollicitaties bin-

nen 14 dagen te richten aan de

Afdeling Personeelszaken,

Oudezijds Voorburgwal 274,

1012 GL Amsterdam, onder

vermelding van vacature-

nummer 46814

Heao) of een (onvoltooide)

universitaire opleiding.


SALARIS
afhankelijk van

leeftijd en ervaring, maximaal

t
4280,— bruto per maand.


INLICHTINGEN
drs. G. E.

Versterre,

telefoon

(020)

552.2930.

gemeente amsterdam

Jd

0

de rijksoverheid vraagt

financieel econoom
(mnl./vrl.)

voor het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
t.b.v. de Centrale Directie van de Volkshuisvesting, Directie Algemene Zaken

Taak: bijdragen leveren aan de opstelling van begrotingsvoorstellen en van meerjarige
ramingen van de Centrale Directie van de Volkshuisvesting; beoordelen van en adviseren
over wijzigingen in het rijksbeleid die financiële consequenties hebben t.a.v. de lopende
begroting van de dienst en voorstellen m.b.t. de meerjarenramingen
;
adviseren omtrent
de te nemen maatregelen bij dreigende overschrijding van begrotingsposten en onbenut-
ting van begrotingsgelden; bestuderen van in voorbereiding ziinde en bestaande
besluiten en regelingen in het kader van de daaruit voortvloeiende financiële verplich-tingen; signaleren van tendensen in de bestedingen d.m.v. het analyseren van financiële
gegevens; meewerken aan de bepaling van aard en omvang van de voor informatie-
verstrekking vatbare te verzamelen gegevens; deelnemen aan in- en externe commissies,
stuurgroepen en werkgroepen terzake van de daaraan verbonden budgettaire en
financiële aspecten; becommentariseren van financiële/economische rapporten.

Vereist: doctoraal examen economie (bedrijfseconomie of openbare financiën).

Standplaats: Zoetermeer.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f5032,- per maand.

Sollicitaties inzenden v66r 14 juli 1978.
Bovengenoemd salaris is exclusief
8%
vakantie-uitkering.

Schrifteliike sollicitaties onder vermelding van vacaturenummer 7-3333/0936(in
linkerbovenhoek van brief en enveloppe), zenden aan de Rijks Psychologische Dienst,
Prins Mauritslaan 1. Corr. adres: Postbus 20013, 2500 EA ‘s-Gravenhage.

644

Auteur