Ga direct naar de content

Jrg. 61, editie 3071

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 22 1976

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

22SEPTEMBER 1976

Esb

STICHTING
HET NEDERLANDS 6IeJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT
No. 3071

Gemengde gevoelens

De
Macro Economische Verkenning 1977
kan men niet
anders dan met gemengde gevoelen lezen, schrijft minister
Lubbers in zijn woord vooraf bij de MEV. Hij doelt hiermee
op het feit dat ondanks de forse groei van de wereldhandel en de verbeterende conjunctuur de werkloosheid in Neder-
land hoog zal blijven. Om te bewerkstelligen dat Nederland toch zoveel mogelijk van de internationale economische op-
leving zal profiteren, accepteert de regering voor het vol-
gende jaar risico’s. Dit houdt in dat ze vasthoudt aan het tot
nu toe gevoerde beleid en aan het beleid dat dit jaar in een
aantal nota’s werd aangekondigd. De regering houdt dus vast
aan haar 1%-filosofie, hetgeen betekent dat tot 1980 de col-
lectieve sector ieder jaar met 1% van het nationale inkomen
mag groeien. Omdat deze filosofie echter onvoldoende de
werkloosheid aanpakt, worden er aanvullende beleidsmaat-regelen genomen tot behoud van bestaande arbeidsplaatsen
via loonkostensubsidies en creatie van nieuwe arbeids-
plaatsen door stimulering van bedrijfsinvesteringen via de
z.g. investeringsrekening. Deze maatregelen werden reeds aangekondigd in de nota
Selectieve groei.
Al met al vermelden de
Macro Economische Verkenning
1977
en de Miljoenennota 1977 weinig nieuws. De regering
is niet van zins zich veel aan te trekken van de kritiek die
zowel werkgevers- als werknemersorganisaties de afgelopen
maanden spuiden. Daarvoor bestaan mijns inziens twee
redenen. De eerste reden is een principiële. Ze wordt treffend
weergegeven in de laatste alinea van minister Duisenbergs
woord vooraf bij de miljoenennota: ,,Het uitgestippelde be-
leid trekt gedurende een reeks van jaren een zware wissel op
de financieringsmogelijkheden, op de bereidheid tot matiging
van privé-aanspraken, op de economische groei en op de
bereidheid nationale en internationale solidariteit in de prak-
tijk te brengen. De regering onderkent dat de ingeslagen
weg geen gemakkelijke is. Zij acht deze niettemin de enig
mogelijke voor het bereiken van een maatschappelijke har-
monie van volledige en volwaardige werkgelegenheid, be-
perkte inflatie en een doeltreffend stelsel van collectieve
voorzieningen, waarin die nationale en internationale solida-
riteit tot uitdrukking komen”. Tot zover Duisenberg.
Solidariteit en harmonie staan dus voorop. Die solidariteit
blijkt onder meer uit het beroep dat op de werknemers wordt
gedaan zich in hun looneisen te matigen. Alleen de in-
komens tot ca. f. 25.000 zullen enigszins in koopkracht
kunnen stijgen. Als de werknemers meer willen zal het niveau
van de collectieve voorzieningen moeten worden terug-
gedraaid, maakt de minister van Financiën op blz. 34 en 35
van zijn nota duidelijk. Of het woord harmonie hier gepast
is, blijft voorlopig de vraag. Door dit woord te gebruiken, maakt de minister overigens wel duidelijk dat de regering
niet wil polariseren, maar niettemin vast zal houden aan haar
geringe maatschappijhervormende maatregelen. We mogen
slechts ten behoeve van de Nederlandse economie hopen
dat het bedrijfsleven zijn verzet zal staken nu de regëring zo
duidelijk aan haar uitgangspunten blijft vasthouden. Het lijkt erop dat de regering niet met zich laat sollen; het meewerken
aan de hervormingen is de enige mogelijkheid van het be-
drijfsleven om kleine veranderingen in de regeringsplannen te doen aanbrengen.
De tweede reden waarom de regering niet van zins is zich

veel van de kritiek aan te trekken, is een praktische. Het is op
korte termijn vrijwel onmogelijk grote verschuivingen aan
te brengen in het uitgavenpatroon van de overheid. Aan vele
uitgaven valt niet te ontkomen omdat ze in wetten vastliggen
of salarissen betreffen. Op andere uitgaven kan niet worden
besnoeid omdat anders een golf van protest zal ontstaan:
vgl. de reacties op de
1%-norm.
Bovendien kan geen poli-
tieke partij zich een dergelijk protest vlak voor de ver-
kiezingen permitteren. De regering poogt de economische problemen op te lossen
door het voeren van een lange-termijnbeleid. In principe
bestaat daartegen geen bezwaar. Niettemin zullen velen dit
met gemengde gevoelens bezien. Het voorgestelde beleid
houdt namelijk risico’s in zich omdat er vele wissels op de
economische toekomst worden getrokken. Daarbij komt nog
dat het helemaal niet zeker is dat er na de verkiezingen een tweede kabinet-Den Uyl komt om het thans gepresenteerde beleid voort te zetten. Als alle economische voorspellingen
en berekeningen van het Centraal Planbureau juist zijn, zal in
1980 een groot deel van de economische problemen zijn op-
gelost, ook al blijft de werkloosheid volgens veler maat-
staven te hoog en al zou een geringer infiatiecijfer dan de ver-
wachte 6,5% niet onwelkom zijn. Om de z.g. harmonische
situatie in 1980 te bereiken moet de regering de eerst-
komende jaren financiële risico’s nemen. Die risico’s blijken
voornamelijk uit het financieringstekort van de overheid.
Als alles volgens plan verloopt, zal het financieringstekort van het rijk op kasbasis in 1980 3,4% van het nationale in-
komen bedragen. Tot dan blijft het financieringstekort te
hoog (6,4% in 1977). De regering accepteert dit tekort
vanwege de ermee samengaande creatie van arbeidsplaat-
sen. Zonder de reeds genoemde aanvullende beleidsmaat-
regelen ten behoeve van de werkgelegenheid zou het tekort
4,4% bedragen.
Het is begrijpelijk dat de regering risico’s aanvaardt. Toch
moet de vraag worden gesteld of de aanvullende beleids-
maatregelen veel soelaas zullen bieden, omdat het Centraal
Planbureau niet in staat is met voldoende nauwkeurigheid
de effecten ervan te bepalen. Die maatregelen veroorzaken
namelijk wijzigingen in de economische structuur waarmee
de economische modellen geen rekening houden. Daardoor wordt het werkgelegenheidsbeleid natte-vingerwerk. Het is
te betreuren dat het CPB in de MEV zo weinig informatie
over de effecten van de overheidsuitgaven op de werk-gelegenheid kon geven. Er wordt slechts voorgerekend
wat de invloed is van 3% minder wereldhandel, 4% minder bedrijfsinvesteringen en 2% meer loonstijging. De effecten
van de overheidsuitgaven laten zich dan slechts indirect en
macro-economisch berekenen. Het is natuurlijk ook mogelijk
dat de aanvullende beleidsmaatregelen meer positief effect
hebben dan verwacht en dat een groot financieringstekort
helemaal niet zo erg is als wordt verondersteld (het toelaat-
bare financieringstekort is namelijk nog door niemand kwan-
titatief vastgesteld).
Het zal duidelijk zijn dat er ten aanzien van meer zaken
dan de door minister Lubbers genoemde gemengde gevoelens
kunnen bestaan.

L. Hoffman

ESB 22-9-1976

901

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

mm

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. Hojjman:

Gemengde gevoelens ……………………………………901

Column

De investeringsrekening van de Nota-Lubbers,
door Dr. J. Bartels . .
903

Drs. J. J. Siegers:

De commissa’rissenbeloning: een aanzet tot kwantitatieve analyse . . . 904

Dr. J. H. C. Lisnian:
Ongelijk, ongelijkmatig, onregelmatig en ongeregeld. Begrippen en

maatstaven

…………………………………………..907

Prof Dr. R. Slot:

Vijf van de vijftig ………………………………………915

Ir. H. H. Werthauer:

Enkele opmerkingen over de grafische industrie (1). Technische mogelijk-
heden……………………………………………….917

Geld- en kapitaalmarkt

Rente- en valuta-onrust,
door Drs.,!. C. Pranger ……………..
920

Boekennieuws

Mr. F. C. van Haasteren en Drs. M. van Overeem: Arbeid
(‘t
la carte,
door

Drs. H. J. t’aii de Braak …………………………………
922

ESB, 61jaar jong. Vul onderstaande bon in en u zult het

bevestigen.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op Economisch Statistische Berichten.

NAAM
.
…………………………………………………….

STRAAT’ ……………………………………………………

PLAATS
.

…… ……………………………. …………………

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement): ……………………….

Ingangsdatum
.
………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,

Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres atteen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Con Imissie lan redactie: H. C. /Jos.
R. Ittenzit. L. H. K/aa.v.een. H. tK Lanthers.
P. .1. it’lontagne. .1. H. P. Pae/inck.
A. de Wit.


Redacteur-secretaris: L. Ho/jinan.
Reclactie-niedenerker: L. la,? der Geest.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50, Rutterdcu,i-3016: ku1,11 t’oor de redactie:
post/nrc 4224.
TeL ‘010) 1455 II, toestel 3701.
Bij adresttij:iging s. v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kopij voor de
redactie:
in ttteet’oucl,
ge/rpf, du/ihele regela/st and, brede n,argc’.

Abonnemcntsprijs:f
119.60 per kalenderjaar
(i ncl. 4% BTW): studenten t: 78.- (‘iiie!. 4% 8TJ4’). /ianco per post t’oor
Nederland. België.’ Lct.ve,tt/sctig.
0
t’erzeese
rijksde/en (zeepost):

Betaling:
A honnetnenten en cu,tit’ibutws
(na omt, langst tO/t stortint,’s/ giro-
a( cepikaart) op girorekening no. 122945
In. t’. Econonnsch Statistische leric/iten
te Rotterdam.

l,osse nummers:
Prijs lan clii nutnmer .1. 3.-
(md.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen t’a,i losse nummers tuisluitend door o t’erntaking la/t cle hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
Economisch .9,ansttsche Bern/uIen
te Rotterdam ituet t’ernte/dittg
ton datunt en nutuu,,er la/t hc’t gellenste
e.vemp/aar.
.4 bon,tentemtien kumutemt ingaan op elke
,gettenste clattu,,. maar slec/us ttrden
beëi,tdigrl per ulti,,to van een kalenderjaar.

Advertentieverkoop:
Roelamtis/ EPR
Pc,st bus 7021
Den Haag
Te/el somt (070) 23 41 03
Telex 33101.

Snchting
lie, A’ederla,tcls Iiconotttisch Imustituul

Adres:
13u,’genteesier Ottclkttmt 50,
Ro,terdam-3016: tel. (010) 14 55 II.

Onderzoekafdelingen:

.4
,’beids,nark tonderzoek

Brtlanced International Grott’th

Bedri/f1-Ecnnomisc/i Onderzoek

Econontiseli- Technisch Onderzoek

Vestigings,,airomsemi

MacrO- Economi.vch Onclerzoek
Pro jectstuclies Ontn’ikkelimtgslanden

Regionaal Onderzoek
Statistisch- Maihe,natisch Onrlerzoek

Trcinsi,ort- Economisch Onderzoek

902

Dr. J. BarzeLç

De investerings-

rekening van de
Nota-Lubbers

In de nota
Selectieve groei
wordt
veel aandacht gegeven aan de introduc-

tie van de z.g. speciale investeringsreke-

ning, een nieuw instrument dat ,,een zo-
danige afzet heeft dat investeringen in

de gewenste omvang en richting kunnen

worden uitgelokt”. Het belangrijkste
voordeel van deze investeringsrekening

is volgens de nota de mogelijkheid meer

gerichte stimulansen te geven dan bij
de bestaande fiscale faciliteiten. De in-
vesteringsrekening wordt gezien als een

mogelijkheid investeringen te sturen

in de richting die men maatschappelijk

gezien wenselijk acht. Dit wordt moge-

lijk gemaakt, doordat het premiesys-
teem dat aan de investeringsrekening

ten grondslag ligt a.h.w. twee elementen

omvat ni. een ,,basis-premiepercentage”,

wat in beginsel geldt voor alle bedrijfs-
investeringen (waarbij een zekere diffe-rentiatie voor categorieën investeringen
mogelijk is) en een ,,richtinggevend toe-
slagpercentage”, waarmede, volgens

nog nader vast te stellen criteria, juist

die investeringen kunnen worden aan-

gemoedigd die wenselijk geacht worden.
Gedacht wordt hierbij aan extra pre-

miëring van investeringen op grond van
overwegingen als arbeidsplaatsen die

ermede geschapen worden, de regionale

en ruimtelijke situering, de soort en aard

van de bedrijfstak (waarbij met name

aan de herstructurering wordt gedacht),
de bijdrage tot de milieuverbetering,
de bijdrage tot de energie- en grond-
stoffenbesparing, de mate waarin tech-
nologisch onderzoek en ontwikkeling

worden bevorderd en ten slotte de bij-

drage die gegeven wordt aan de ont-

wikkelingsdimensie. Naast het voordeel
van de sturing van investeringen voert de

nota nog een aantal andere voordelen
aan voor de investeringsrekening, zoals

het feit dat – in tegenstelling tot de hui-
dige investeringsaftrek – ook investe-
ringsbijdragen kunnen worden gegeven
aan verlieslijdend&bedrijven, de liqui-
diteitsverruiming sneller werkt, terwijl
ten slotte de investeringsrekening een rol
kan vervullen voor een anticyclisch over-

heidsbeleid.

De investeringsrekening is al een be-

langrijk punt van discussie geworden en zal dit nog wel lange tijd zijn, met name

ook omdat de globale opzet zoals in de

nota
Selectieve Groei
is aangegeven,

nog een verdere uitwerking behoeft,

waarbij met name het advies dat de SER
zal moeten geven over de criteria, wordt

betrokken. De voor- en tegenstanders
van deze gedachte zullen in ieder geval

één zaak gemeen hebben nI. de erken-
ning dat het voorgestelde instrument en

de eerste globale uitwerking ervan ge-
tuigt van originaliteit. Dan echter gaat

de discussie uiteenlopen: zij die voor-
stander zijn van ,,maatschappelijke toet-

sing van investeringen” zullen zich ook

voorstanders van dit instrument beto-
nen; zij die sterk het accent leggen op de

gedecentraliseerde besluitvorming zul-

len tegenstanders zijn. De voedings-

bodem voor deze discussie ligt dan ook
primair in het maatschappelijke vlak,

nl. de optiek die men heeft op de gewenst

geachte economische orde en de plaats
daarin van de overheid.

Dit brengt mij op de eerste persoon-

lijke overweging te dien aanzien nI. hoe

de investeringsrekening zich verhoudt

tot de opvatting over de economische
orde zoals vervat in de nota
Selectieve

groei. Deze nota spreekt zich uit voor de
,,georiënteerde markteconomie”, een
stelsel volgens welk ,,de gedecentrali-

seerde verantwoordelijkheden worden uitgeoefend binnen een zodanig kader

dat de ontwikkelingen in belangrijke

mate in de door de gemeenschap gewen-

ste richting worden geleid”. Dat een

georiënteerde markteconomie op zich

zelf een zinvol stelsel is – dit stelsel

heeft in feite na het ontwikkelingsproces
van de laatste jaren in de praktijk zijn
vorm al gevonden – behoeft weinig be-

toog. Wel is er de vraag waar in de toe-
komst nu het accent op wordt gelegd:

op het openhouden of-laten van de ,,ge-
decentraliseerde verantwoordelijkheden”

of op ,,het leiden in de door.de
gemeen-

schap gewenste richting”. Als men de
uitgangspunten van de nota
Selectieve

groei
aandachtig leest, dan lijkt toch het

accent op het eerste te liggen, waar de

nota zelf ook de begrenzingen aangeeft

die bij sturing door de gemeenschap in
acht genomen moeten worden. Vanuit

die opstelling lijkt het mij dat het zo al-

geheel overgaan van een stelsel van glo-
bale maatregelen op gerichte maatrege-

len – 1 april volgend jaar is de bepalende
datum – niet in de lijn van de uitgangs-

punten van de nota ligt.

ik kom hiermede op mijn tweede be-

zwaar. Niet ontkend kan worden dat

een gericht stelsel van investeringsmaat-
regelen zinvol zou kunnen zijn. De vraag

is echter of dit nu een zaak van ,,alles of
niets” moet zijn. Naar mijn gevoelen kan
een gedifferentieerd stelsel van investe-

ringsmaatregelen zinvol zijn als aanvul-

ling op een globaal stelsel, waarbij ik ook
daar weer meen te mogen constateren
dat een ieder over de omvang van deze
aanvulling ook weer verschillend kan

denken. Uitgangspunt echter moet wel
zijn de vraag of aan de voorwaarden

wordt voldaan om een stelsel van ge-

richte investeri ngsmaat regelen – de om-
vang ervan daargelaten – zijn inhoud
te kunnen geven. Ik denk hierbij met
name aan de vraag of duidelijke en ope-

rationele criteria kunnen worden ont-

wikkeld. Aan de SER wordt nu gevraagd

zo spoedig mogelijk – in het najaar –

advies uit te brengen over de toepassing

van deze criteria in de eerste fase. De

peiidatum van t april 1977 lijkt echter zo
centraal te staan dat de verwachting ken-
nelijk is dat het vinden van criteria wel
tot een oplossing zou kunnen worden
gebracht, wat uiteraard nog maar de

vraag is. Dit roept bij mij in herinne-
ring de jaren die nodig geweest zijn om

de criteria voor de Selectieve Investe-
ringsregeling (StR) te vinden, criteria
die ten slotte in de huidige praktijk veel

verwarring en onduidelijkheid blijken op

te roepen. Zou het dan niet toch ver-

standiger zijn geweest ons oude gezegde
voor ogen te houden: ,,Men moet geen
oude schoenen weggooien voor men

nieuwe heeft”.

ESB 22-9-1976

903

De commissarissenbeloning:
een aanzet tot kwantitatieve analyse

DRS. J. J. SIEGERS*

In
ESB
van 8 september11. was een artikel aF

gedrukt van Drs. A. H. E. B. Koot-du Buy en

Drs. R. M. Vijn over de com,nissarissenheloning.

Dat artikel was een verslag van een onderzoek

aan het Economisch Instituut van de Rijksuni-

versiteit te Utrecht, afdeling Bedri/feconomie.

Het materiaal dat zij verzamelcien werd door

Drs. J. J. Siegers van de af de/ing Macro-econo-

,nie van genoemd instituut onderzocht om de

ftic’toren te bepalen die van invloed zijn op de
hoogte van de commissarissenheloning 1). Hij

iaTvbora/in’opd ,iiaie, waarin Ele hbogte vcn

de totale per onderneming uit gekeerde com,nis-
sarissenheloning samenhangt tnet de grootte van
die onderneming.

uitoefenen op de totale commissarissenbeloning. De winst

wordt geacht afhankelijk te zijn van de grootte van de

onderneming – het (directe) effect bedraagt Pwg – en van
de residufactor E
2
. Het aantal commissarissen is afhankelijk
verondersteld van de grootte van de onderneming – het

(directe) effect bedraagt Pag – en van de residufactor E
3
.

In het onderstaande wordt een kwantitatieve schatting ge-

geven van de onderscheiden effecten. Daarbij is aange-

nomen dat alle verbanden een lineair verloop hebben 2).

Ten slotte is verondersteld dat de residufactoren niet onder-

ling zijn gecorreleerd en dat zij ook geen correlatie ver-

tonen met de variabelen die direct van invloed zijn op de

variabele waarbij de respectieve residufactoren behoren 3).

De gehanteerde methode staat bekend onder de naam pad-
analyse
4).
De benodigde gegevens werden ontleend aan de

jaarverslagen over 1973 en 1974 van 41 ondernemingen
5).
Enkele bijzonderheden omtrent dit cijfermateriaal zijn ver-

meld in tabel 1. Bij de berekeningen in de pad-analyse is uit-
gegaan van gestandaardiseerde cijfers
6).

Een model

Om te komen tot een kwantitatieve analyse van de fac-
toren die bepalend zijn voor de hoogte van de totale per
onderneming uitgekeerde commissarissenbeloning, wordt

hier uitgegaan van een beknopt model, waaraan de volgen-
de veronderstellingen ten grondslag liggen. In de eerste

plaats is aangenomen dat de grootte van de onderneming
zowel een directe als een indirecte invloed uitoefent op de
totale commissarissenbeloning. De indirecte invloed wordt

geacht te verlopen via de winst en via het aantal commissa-
riss n. Daarbij is aangenomen dat elke (eventuele) corre-

latit. :issen de winst en het aantal commissarissen niet cau-
saai r.n aard is, maar onder meer wordt veroorzaakt, door-
dat beide grootheden een causale samenhang vertonen met
een gemeenschappelijke derde factor, i.c. de grootte van de

onderneming. Ten slotte is verondersteld dat de winst en het

aantal commissarissen elk uitsluitend een directe invloed
uitoefenen op de totale commissarissenbeloning. Op basis

van deze veronderstellingen is een model geconstrueerd,
dat schematisch is weergegeven in figuur 1.
Zoals in figuur 1 tot uiting komt, is verondersteld dat de

grootte van de onderneming een direct effect Ptg heeft op

de hoogte van de totale commissarissenbeloning. Het in-
directe effect dat zijn werking uitoefent via de winst be-
draagt het produkt van
Pwg
en pt,het indirecte effect dat verloopt via het aantal commissarissen is gelijk aan het
produkt;yan
Pag
en
Pta
De winst en het aantal commis-

sarissen hebben uitsluitend een direct effect ter grootte van
resp.
Ptw
en
Pta op de totale commissarissenbeloning.
De totale commissarissenbeloning wordt ten slotte nog be
invloed door de residufactor E
1
. Deze factor omvat alle niet
expliciet in het model opgenomen variabelen, die invloed

* De schrijver dankt Drs. A. H. E. B. Koot-Du Buy en Drs. R. M.
Vijn voor de levering van het benodigde cijfermateriaal en voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel. Alle berekeningen
werden uitgevoerd met behulp van de computer van het ACCU te
Utrecht.

Een dergelijk onderzoek heeft in Nederland nog nauwelijks
plaatsgevonden. Tot de uitzonderingen behoort H. de Boer,
De
commissarisfunctie,
Amsterdam, 1957.
Toepassing van een logaritmische transformatie op de gegevens
levert slechts met betrekking tot het verband tussen het aantal com-
missarissen en de omzet een – overigens geringe – verbetering op.
D.w.z. er is verondersteld dat E
1
geen correlatie vertoont met de
grootte van de onderneming, met de winst en met het aantal com-
missarissen en dat noch E
2
noch E
3
correlatie vertonen met de groot-
te van de onderneming.
Voor een beschrijving van deze methode zie bijv. Ph. Stouthard
en H. Wassenberg, Analyse door middel van pijldiagrammen,
Sociale Wetenschappen,
1971, blz. 46 –
64.
Ahold, Ballast Nedam, Van Berkel, Bols, Bos Kalis, Bührmann,
Deli, Desso, Elsevier, Gamma, Gist Brocades, Hagemeyer, HBG,
Heineken, Holec, Internatio, KBB, KLM, Kluwer, KNP, KNSM,
KSH, Lindeteves, Meneba, Naarden, Nederhorst, Van Nelle, NSU,
Nutricia, Nijverdal te Cate, Ogem, Van Ommeren, Pakhoed, Pont,
RSV, Stevin, Telegraaf, VMF, VNU, VRG, Wessanen.
Zij x i de ruwe score van een variabele, dan is de bijbehorende
gestandaardiseerde waarde gelijk aan
(Xj
—x )/s, waarbij:

LX

V
2

n = aantal waarnemingen.

904

Figuur 1. Een model Ier verklaring van de totale per onderneming uitgekeerde commissarissenheloning

Tabel 1. Enkele kenmerken van de gebruikte data

Tabel 3. Pad-coëfficiënten, omzet als maatstaf voor de
grootte van de onderneming

Gemiddelde
Minimum Maximurr

Omzet in 1973 (in duizenden guldens)
829.224
117.303
2.450.00(
Omzet in 1974 (in duizenden guldens)
1.006.698
133.498
3.020.00(
Aantal werknemers in 1973
7.947
1.011
28.281
Aantal werknemers in 1974
8.197
991
28.745
Winst in 1973 (in duizenden guldens)


17.430

53.921
79.04
Winst in 1974 (in duizenden guldens)
18.665

65.366
146.67
,
1

Aantal commissarissen in 1973
7,5
4
l
Aantal commissarissen in 1974
7,3
4
11
Totale commissarissenbeloning
in 1973 (in duizenden guldens)
193
40
39
Totale commissarissenbeloning in 1974 (in duizenden guldens)
191
40 42

Resultaten; de omzet als maatstaf voor de grootte van de
onderneming

Als maatstaf voor de grootte van de onderneming is in
eerste instantie de omzet gehanteerd. De onderlinge corre-
laties tussen de grootheden uit het model zijn vermeld in

tabel 2. In tabel 3 zijn de berekende pad-coëfficiënten weer

gegeven. De pad-coëfficiënten uit de tabel zijn de effecten
Pta
enz. uit figuur 1. Zoals uit tabel 3 blijkt, wordt in 1973
en 1974 resp. 39% en 49% van de variantie in de totale com-

missarissenbeloning door het model verklaard.
Deze betrekkelijk matige verklaringspercentages weer

spiegelen zich in de tamelijk grote invloed van de
residufactoren. Analoge opmerkingen kunnen worden ge-

maakt omtrent de verklaring van de winst en van het
aantal commissarissen.

Tabel 2. Correlatiematrix, omzet als maatstaf voor de
grootte van de onderneming

Totale
commissa-
rissen-
beloning

Aantal
commissa-
rissen

Winsl
Omzet

1973

Totale commissarissenbeloning
1,000
0.488
0,482
0.322
Aantal commissarissen
1.000
0.220 0,39f
Winst
1,000
0.259
Omzet 100f

1974

Totale commissarissenbeloning
1,000
0,590
0,582 0.30
Aantal commissarissen
1,000
0,422
0,50
Winst
1,000 0.275
Omzet
1 00f

Afhankelijke
Onafhankelijke variabelen
Restdu-
Verklaarde
variabelen
factoren
variantie

Aantal
(in procenten

commissa-
Winst
Omzet
van de totale
varlantie)
rissen

1973

Totale
commissarissen-
beloning
0,374
0,379
0,077
0.781
39

Aantal
commissarissen
0,390
0.921
IS

Winst
0.259
0.966
7

1974

Totale
commissarissen-
beloning
0,446 0,408
—0,051
0,718
49

Aantal
commissarissen
0,548 0,836
30

Winst
0,279 0,960
8

Ter illustratie is in figuur 2 het model opnieuw in beeld
gebracht, maar nu voorzien van de voor 1973 gevonden pad-
coëfficiënten. De figuur laat zien, dat het totale effect van

de omzet op de totale commissarissenbeloning, dat blijkens
tabel 2 0,322 bedraagt, kan worden opgesplitst in een

direct effect ter grootte van 0,077, een indirect effect ter
grootte van 0,259 x 0,379 = 0,098 dat verloopt via de winst

en een indirect effect van 0,390 x 0,374 = 0,146 dat verloopt

via het aantal commissarissen 7). De omzet oefent haar werking op de totale commissarissenbeloning derhalve
hoofdzakelijk uit via de interveniërende variabelen winst

en aantal commissarissen.
Voor 1974 geldt blijkens de cijfers uit tabel 2 en tabel 3

eveneens dat het effect van de omzet op de totale commissa-

rissenbeloning vrijwel volledig loopt via de winst èn het

aantal commissarissen.

Resultaten; het aantal werknemers als maatstaf voor de
grootte van de onderneming

Wanneer niet de omzet, maar het aantal werknemers als
maatstaf voor de grootte van de onderneming wordt ge-

7) De som van de drie vermelde effecten wijkt af van 0,322 als gevolg
van afronding.

ESB 22-9-1976

905

Figuur 2. Resultaten van de pad-analyse, omzet als maatstaf voor de grootte van de onderneming, 1973

hanteerd, dan resulteren de cijfers die in de tabellen 4 en
5

zijn vermeld. Wat betreft de totale commissarissenbeloning
en de winst komt de mate van verklaring nagenoeg overeen
met de resultaten uit de vorige paragraaf. De verklaring van
het aantal commissarissen is thans echter beter. Evenals het

geval was met de omzet verloopt het effect van het aantal

werknemers op de totale commissarissenbeloning praktisch
geheel via de winst en het aantal commissarissen.

Tabel 4. Correlatiematrix, aantal werknemers als maat-

staf voor de grootte van de onderneming

Totale
commissa-
rissen-
beloning

Aantal
commissa-
rissen

Winst
Aantal
werk-
nemers

1973

Totale commissarissenbeloning
1.000
0.488
0.482 0,358

Aantal commissarissen
1,000
0.220
0.487

Winst
1,000
0,311

Aantal werknemers
1.000

1974

Totale commissarissenbeloning
1,000
0.590
0.582 0.394

Aantal commissarissen
1.000
0.422 0.675

Winst
1.000
0.301

Aantal werknemers
1.000

Samenvatting

Op basis van een aantal veronderstellingen is een eenvou-
dig model geconstrueerd ter verklaring van de hoogte van de

totale per onderneming uitgekeerde commissarissenbelo-
ning. De uitgevoerde pad-analyse laat zien, dat met behulp

van dit model ongeveer 40 â 50% van de variantie in de totale
commissarissenbeloning kan worden verklaard.

Tabel 5. Pad-coëfficiënten, aantal werknemers als maatstaf
voor de grootte van de onderneming

Afhankelijke
Onafhankelijke variabelen
Residu-
Verklaarde
variabelen
____________
factoren
variantie
____________ ____________
in procenten

(
Aantal Aantal
van de totale
commissa-
Winst
werknemers
variantie)
rissen

1973

Totale com-
missarissen-
beloning
0,377
0,381
0,056
0,782
39

Aantal
commissarissen
0,487
0.873
24

Winst
0.311
0.950
10

1974

Totale com-
missarissen-
beloning
0,432
0,406
—0.019
0,719
48

Aantal
commissarissen
0.675
0,736
46

Winst
0,301
0.954
9

Hierbij past een drietal kanttekeningen. In de eerste plaats
heeft het onderzoek slechts betrekking op de gegevens voor

twee jaren van 41 ondernemingen. In de tweede plaats kan

omtrent de werking van de grootte van de onderneming

worden opgemerkt dat deze voornamelijk een indirecte is:
zij loopt vrijwel volledig via de twee in het model op-

genomen interveniërende..variabelen, te weten de winst en

het aantal commissarissen. Ten slotte moet worden vast-
gesteld, dat de mate van verklaring nog te wensen overlaat.
Het lijkt daarom aannemelijk dat nog één of meer verkla-
rende factoren, die van invloed zijn op de hoogte van de

totale commissarissenbeloning, in het gehanteerde model
ontbreken.

Jacques Siegers

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

906

Ongelijk, ongelij kmatig,

onregelmatig en ongeregeld

Begrippen en maatstaven

DR. J. H. C. LISMAN

In dit artikel geeft Dr. J. H. C. Lisman,

adviseur bij het Centraal Planbureau te ‘s-Gra-

venhage, een overzicht van de begrippen on ge-

lijk, ongelijkmaiig, onregelmatig en ongeregeld,

alsmede van de wijze waarop hiervoor maat-

staven kunnen worden aangelegd 1). Het gaat

daarbij niet zozeer om de semantische aspecten,

als wel om de mathematische formuleringen.

Ten behoeve van kwantitatieve beoordeling

worden enige maatstaven gepresenteerd, waar-

onder de gebruikelijke en een enkele zelfbedachte

(maar misschien niet nieuwe).

Inleiding

Ongelijk, ongelijkmatig, onregelmatig en ongeregeld:

het zijn begrippen die men veelvuldig tegenkomt en gebruikt,

zowel in het geschreven en gesproken dagelijks woord als in

wetenschappelijke vakliteratuur. De tegenhangers van deze
vier aanduidingen zijn: gelijk, gelijkmatig, regelmatig en ge-
regeld, maar hierover valt in dit verband weinig te zeggen:
gelijk is gelijk, gelijkmatig is gelijkmatig (ten opzichte van

een gegeven criterium) enz. Het is juist het voorvoegsel ,,on”
dat de mogelijkheid van gradaties schept en noopt tot het ge-

bruik van maatstaven. Men kan dus spreken van ,,minder

ongelijkmatig” en dat lijkt strikt genomen beter dan ,,gelijk-
matiger”, maar in het dagelijks taalgebruik wordt het laatste
toch ook veel gehoord.

In zekere zin lijken de vier begrippen wat op elkaar en ze
worden bij wat minder zorgvuldige taal ook wel door elkaar gebruikt. Wanneer het er op aan komt, is exacte formulering

nuttig: zo gaat bijv. een gelijkmatige frequentieverdeling

van objecten gepaard met onderlinge ongelijkheid van die
objecten. Onlangs las ik in een artikel iets over een ,,geljke
verdeling”. Wat is dat?

In de volgende paragrafen komen de bovengenoemde
begrippen met de bijbehorende maatstaven aan de orde.

Ongelijk

De begrippen gelijk en ongelijk vindt men in Van Dale’s
Groot woordenboek der Nederlandse taal uitvoerig om-

schreven. Daar ze genoegzaam bekend zijn en dit opstel niet
over taalkunde gaat, kan een citaat wel achterwege blijven.
Ongelijkheid treft men overal aan: in de dode en in de

levende natuur, in het persoonlijk en het maatschappelijk

leven. Ongelijkheid kan aanleiding geven tot het nemen van

beslissingen, hetgeen alleen maar goed mogelijk is, indien
deugdelijke maatstaven voorhanden zijn. Welnu, dat is het
geval. Veel nieuws valt hierover overigens niet te zeggen.

Het kan echter aangenaam zijn de diverse maatstaven met
hun merites nog eens, zoals men tegenwoordig zegt, op een rijtje voor zich te hebben 2).

In de simpelste gevallen, nI. bij het vergelijken van twee

meetbare grootheden met dezelfde dimensie 3), kan men
het absolute of relatieve verschil alsook het quotient gebrui-

ken. Wat minder eenvoudig is meting van de ongelijkheid van

meer dan twee grootheden in een verzameling, en bij het

paarsgewijze vergelijken van de elementen uit tWee verzame-
lingen. Een voorbeeld van de eerste categorie is de ongelijk-

heid van inkomens. Tot de tweede categorie behoort bijv.

het vergelijken van de brognose van een aantal grootheden

met de tot stand gekomen realisaties. Nu zullen achtereen-
volgens worden besproken:

• maatstaven voor de ongelijkheid, die optreedt binnen
een verzameling;

• maatstaven voor de ongelijkheid, die voorkomt tussen

twee ‘ierzamelingen bij paarsgewijze vergelijking.

2.1.
Vergelijking binnen een verzameling

Ten behoeve van een duidelijke voorstelling van zaken is

het doelmatig om onderscheid te maken tussen enerzijds een

aantal waarden van een of andere grootheid en anderzijds
het geval waarbij een frequentieverdeling optreedt.

2.1.1. Vergelijking van een aantal waarden

Er is een zevental maatstaven die aan de lëzers van dit blad alle bekend zullen zijn. Ik volsta met de meest summiere aan-
duiding. Er zijn N waarden X
i
(i
=
1 …..N) met als som X
en als gemiddelde X.

De variatiebreedte:
Xmax

Xmin
(weinig informatie).

De gemiddelde afwijking: .IX.-/N

(absolute waarden, rekent lastig).

De relatieve gemiddelde afwijking:
IX
1
-I/N.

De variantie:

De standaardafwijking:
u201 (xi

~()2/N.

De auteur schreef het artikel â titre personnel.
Zie ook
Iniermec/jair,
nrs. 7 en 8, 1974.
F. J. de Jong, Dimensie-analyse in de economie,
De Economist,
t 0,
1963,
blz. 1.

ESB 22-9-19.76

907

De variatiecoëfficiënt:
O•/

(dimensieloos!).

De coëfficiënt van Gini 4) is tweemaal het oppervlak tus-

sen de verbindingslijn van de punten P in het Lorenzdia-

gram
5)
en de diagonaal (zie figuur 2.1).

Figuur
2.!


1
P
2

0
.

l/N
2/N

3/N—>i/N

Als achtste volgt ten slotte de ongelijkheidsmaatstaf vlg.

Theil 6) (ik ken hiervoor geen technische benaming) die zijn

oorsprong vindt in de informatietheorie. In diverse ge-

schriften van Theil en anderen komt men deze coëfficiënt

tegen. Misschien is het praktisch om niet naar de literatuur te

verwijzen, maar van deze coëfficiënt een béknopte uiteen-

zetting te geven, uiteraard ontleend aan hetgeen Theil zelf
schrijft. De lezer heeft dan de zaken in eerste instantie

bij elkaar.

Gegeven zijn N waarden X i (i = 1…..N) van een groot-

heid, waarbij X ~0dan wel X

0 voor alle 1. Deling van X
/

door het totaal X geeft fracties xzodat Yx
i
=i (x
1
0).

We beschouwen nu de uitdrukking H=-2x In x.

Deze keuze heeft een achtergrond, die nader is belicht in het
reeds genoemde artikel in
Jniermediair
(zie voetnoot 2).

Indien alle waarden X aan elkaar gelijk zijn, zodat

x i
=
1
/
N, dan geldt H
=
In N en er heerst (volkomen) gelijk-

heid. Indien als andere uiterste één waarde X j gelijk is aan
het totaal X terwijl alle andere waarden dus nul zijn, dan
N
geldt H


1 in 1

0 In 0
=
0, hetgeen overeenkomt

met een toestand van riximale ongelijkheid.

Theil definieert nu de ongelijkheidlvan de waarden X
als afwijking van de (volkomen) gelijkheid, dus
N

=
ln N

H
=
In N
+.
x
j
In x

x
j
In Nx.

Het is duidelijk dat 1 varieert, tussen 0 en In N, terwijl de

ongelijkheid groter wordt met toenemende I.
Theil geeft nu drie eisen waaraan een maatstaf voor on-

gelijkheid moet voldoen. In de eerste plaats mag 1 niet ver-anderen als alle Xi met eenzelfde factor worden vermenig-

vuldigd. Hieraan is voldaan, omdat de x
j
onveranderd

blijven. De tweede eis luidt: als voor twee waarden geldt dat

X j i
en men laat X j aangroeien ten koste van X
i
totdat
X.= X, dan moet de ongelijkheid afnemen. Theil bewijst

dat dit inderdaad het geval is. Ten slotte zou men als eis willen
stellen dat, ongeacht de waarde Vttn N, vergelijkbare situaties

tot dezelfde ongeljkheidscoëfficiënt leiden. Dit lijkt op het

eerste gezicht niet zo te zijn; immers, bij N = 2 is de maximale

ongelijkheid In 2, maar voor bijv. N
=
106 is deze veel groter,
nI. In 106. Echter, de ongelijkheid is hier dan ook veel sterker
dan bij N
=
2. Wanneer bij N
=
106
de ene helft van de waar-
den X
i
.
nul is, terwijl het totaal gelijkelijk over de andere X

is verdeeld (een situatie die vergelijkbaar is met die voor
N
=
2 met x
1
= 0 en x
2
=
1), bedraagt de ongelijkheid ook
In 2, zoals eenvoudig is na te rekenen. Aan de derde eis wordt
dus ook voldaan.
De grootheid 1 is een dimensieloos getal, met alle voor

delen van dien. Wat de logaritmen betreft kan men in principe

elk grondtal kiezen. Dikwijls wordt gemakshalve 2 genomen;

de eenheid is dan
2
log2
(=
l)en men schrjft.I =
x
2l
og

Nx i bits, waarin ,,bit” de afkorting is van ,,binary digit”.

Men kan de merites van de diverse ongelijkheidsmaatsta-
ven enigermate demonstreren aan de hand van enkele ge-

tallenvoorbeelden. De ongelijkheid van een paar drietallen

A: 1,2,6, B: 0,4,5 en C: 0,8,10 wordt daartoe vergeleken

bij gebruik van verschillende maatstaven (zie de tabel).

Tabel

Maatstaven
Ongelijkheid

A(l.2,6)
B(0,4,5)
C(0,8.I0)

Gemiddelde afwijking
2
2
4

Relatieve

gemiddelde

afwij-
king

……………….
2/3
213
213

Standaardafwijking
2Ji7

yvI7i

Coëfflciknt van Cmi
10127 10127 10127

Variatiecotfficiënt

………

CoEfficignt
van TheO
0.109 0,179
0.179
(grondgetal 10)

Bij vergelijking van de gevallen A en B blijkt dat de eerste

vijf maatstaven dezelfde ongelijkheidscoëfficiënt opleveren.
Dit is opzettelijk toeval en natuurlijk weinig aantrekkelijk.
Bij de maatstaf van Theil kan zoiets niet voorkomen. Deze

geeft voor B een hogere ongelijkheid dan voor A en dit is
plausibel. Immers, de onderlinge verhoudingen

let wel:
verhoudingen

binnen A en B zijn zeer verschillend, hetgeen
geaccentueerd wordt door de aanwezigheid van een nul.

Voorts valt op te merken dat de gemiddelde afwijking en de

standaardafwijking voor geval C tweemaal zo groot zijn als
voor geval B, hetgeen bepaald niet plausibel is: een stel be-
dragen in guldens kan nooit een andere ongelijkheid vertonen

na omrekening in een andere munteenheid. Ten slotte is de

coëfficiënt van Theil in geval C even groot als in geval B, het-

geen ook vereist was. Al met al is het bovenstaande wel een illustratie die pleit voor deze laatste coëfficient.
2.1.2. Frequentieverdelingen

Analoog aan hetgeen bij een reeks waarden mogelijk is,
kan men bij een frequentieverdeling diverse maatstaven voor
de ongelijkheid van de objecten hanteren. Gegeven zijn
N waarden Xm (i = 1…..N) waarvan er N
j
,
ij
=
1…..K)

C. Gini,
On the measure of concentragion wiih special reference
to
income and wealth,
Paper of the Cowles Commission, 1936.
M. 0. LorenzMethods of measuring the concentration ofwealth,
Quarterly Publications of the Am. Stat. Ass.,
juni 1905, blz. 209.
H. Theil,
Economics and information,
Amsterdam, 1967.

x /x

Î

3

zx
i
/x

2

zx/x

x
l
/x

90

in klasse j vallen, waarbij we aannemen dat ze per klasse alle
even groot zijn (Xi). Men heeft dan weer de volgende

maatstaven.
De variatiebreedte: X j
max
X
min.

De gemiddelde afwijking: EN.Ix—I/N..

De relatieve gemiddelde afwijking: INIXI/N

De variantie:
j=l

i

.
1

De standaardafwijking: u=N(X_)2IN.

De variatiecoëfficiënt:
o/

De coëfficiënt van Gini is weer tweemaal het oppervlak

tussen de verbindingslijn van de cumulatief uitgezette pun-
ten in het Lorenz-diagram en de diagonaal.

De door Theil ontwikkelde maatstaf kan uiteraard ook bij
frequentieverdelingen worden gebruikt. Om dit te illustre-
ren kan de inkomensverdeling dienen. Als maat voor de

ongelijkheid van een aantal waarden X:(inkomens) geldt:

=

xln Nxwaarbij x
1
=X/X) het inkomen als frac-

tie van het totaal van alle inkomens voorstelt. Nu werkt
de inkomensstatistiek met klassen. Het aantal inkomens
in klasse j (j = 1
…..
K) zij Ni; uitgedrukt als fractie van
het totaal is dit n, (= N/N).

We veronderstellen dat alle inkomens x
ij
(als fractie van X)

binnen klasse j even groot zijn, zodat voor het inkomen
X
van de gehele klasse j (weer als fractie van X) geldt x.= Nixij
Voor de ongelijkheidscoëfficiënt vindt men dan, uitgaande
van de originele definitie:

1
=1 E
x..1nNx=
j=l i=I
IJ

Ii j=l
=1
NiNj
j=l J
nj

Deze uitdrukking impliceert dat 1 afhangt van de gebruikte
klasse-indeling. Immers, indien bijv. alle inkomens in één klasse zouden vallen (en dus aan elkaar gelijk waren) zou
gelden 1 = 0. Neemt men telkens meer klassen dan zal 1 in

het algemeen stijgen, om een maximum te bereiken in het ge-

val dat elk inkomen zijn eigen klasse heeft.
Het bovenstaande is wel van belang, omdat onderlinge ver-

gelijking van ongelijkheidscoëfficiënten erdoor wordt be-

moeilijkt indien de klassen niet corresponderen. Massizzo 7)

heeft hiervoor een aanvaardbare oplossing gegeven door als

regel te stellen dat men uitgaat van de 10 decielen van de ver-
deling als klassegrenzen. Men formeert dus even grote groe-

pen in plaats van variabele groepen. De ongelijkheid wordt
dan berekend op basis van een indeling die berust op één syste-

matiek. Men kan spreken van een gestandaardiseerde onge-

lij kheidscoefficiënt.
Dit standaardiseren brengt met zich dat het statistische

grondmateriaal moet worden bewerkt om x
j
te bepalen. Dat

kan veelal grafisch geschieden met behulp van een cumula-
tieve curve. De berekening van de gestandaardiseerde on-

gelijkheidscoefficiënt verloopt dan als volgt: men stelt K =
10, nj,is dus 1/10, waarna men (hier op basis van logaritmen

met grondtal 10) vindt

1
=
1x
jlog x/’nj =

xJogxj 10,1

10

=xlog Xj+ 1.
=’

De aldus berekende ongelijk-

heidscoëfficiënt voldoet aan de eis dat de waarde niet mag

veranderen indien alle inkomens met eenzelfde factor worden
vermenigvuldigd.

Een interessant aspect van Theils methode is nog de

mogelijkheid de ongelijkheid van een totaal op te splitsen in

de ongelijkheden van de samenstellende onderdelen. Het

voert echter te ver hier thans op in te gaan.

2.1.3. Verdelingsfuncties

In het bovenstaande was steeds sprake van discrete ver-

delingen. Het is mogelijk om de hele filosotie met uitwerking
en al over te brengen op continuë verdelingen; somtekens worden integralen. De functie die een frequentieverdeling
beschrijft kan een parameter bevatten die de ongelijkheid
van de objecten representeert. Zo is bijv. de constante van

Pareto 8) een maat voor de ongelijkheid van de inkomens 9).
Met betrekking tot verdelingsfuncties zijn voor economen
en politici de inkomensverdelingsfuncties van geel belang.

Reeds van zeer oude datum zijn er onderzoekingen over de

inkomensongelijkheid en diverse maatstaven. Daarbij komt

naast een puur rekenkundige opzet ook een meer beredeneer-

de aanpak naar voren. Vermeldenswaard op dit punt is ook
een artikel van Atkinson 10) dat enkele jaren geleden ver-

scheen. Zonder in details te treden – dit stukje biedt slechts
een soort gebruiksoverzicht – kan hierover iets worden
opgemerkt. Atkinson rangschikt inkomensverdelingen
volgens de waarde van een ,,social welfare function”

W
=
J

Y max
U(y) f(y) dy

waarbij y het inkomen aangeeft, f de frequentieverdeling
ervan terwijl U(y) de nutsfunctie is. Met dit als uitgangs-

punt en onder intensief gebruik van het Lorenz-diagram komt
hij dan tot een ongelijkheidsmaatstaf.
Een verdere aanduiding geeft onderstaand citaat:

,,The specification of the function
U(y)
will provide a ranking of all
distributions; it will also, however, allow us to meet the second
objective of quantifying the degree of inequality. Dalton, for
example, suggested that we should use as a measure of inequality
the ratio of the actual level of social welfare to that which would be
achieved if income were equally distnbuted:

j0U(y)f(y)dy

(4)

This normalisation is not, however, invariant with respect to linear
transformations of the function
U(y);
for example, in the case of
the logarithmic utility function, Dalton’s measure is

J(og(y)f(y)dy + c

log(,u) + c

the value of which clearly depends on
c.
So that although two people
might agree that the social welfare function should be logarithmic
– and hence agree on the ranking of distributions – their measures
of inequality would only coincide if they agreed also about the value

A. 1. V. Massizzo, W. Kok en J. H. C. Lisman, De ontwikkeling
van de inkomensongelijkheid, gemeten volgens informatie-
theoretische maatstaven,
Statistica Neerlandica,
23, 1969, blz. 161.
V. Pareto, Cours d’économie politique II.
1896. blz. 304.
J. van der Wijk, Inkomens- en vermogens verdeling,
NEI, Haar

lem, no. 26, 1939. Centraal Planbureau,
De personele inkomens-
verdeling 1957-1967,
Monografie no. 19, 1975.
A. B. Atkinson, On the measurement of inequality,
Journa/of
Economic Theory,
2, 1970, blz. 244.

ESB 22-9-1976

909

of
c.
For this reason, the measure suggested by Dalton is not very
useful.
6

We can, however, obtain a measure of inequality that is invariant
with respect to linear transformations by introducing the concept of
the
equally disiributed equivalent
level of income
(y5D5)
or the level
of income per head which if equally distributed would give the
same level of social welfare as the present distribution
7
, that is,

U (y
EDE)
jf(y)dy=1J0U(y)f(y)dy.

We can then define as our new measure of inequality

1-1

3/EDE

p

or 1 minus the ratio of the equally distributed equivalent level of
income to the mean of the actual distribution. 1fl falls, then the distri-
bution has become more equal

we would require a higher level of
equally distributed income (relative to the mean) to achieve the
same level of social welfare as the actual distribution. The measure 1
has, of course, the convenient property of lying between 0 (complete
equality) and 1 (complete inequality). Moreover, this new measure
has considerable intuitive appeal. 1fl
=
0,3, for example, It
aliows
us to say that if incomes were equally distributed, then we should
neêd only 70% of the present national income to achieve the same
level of social welfare (according to the particular social welfare
function)11.

Na introductie van (plausibele) veronderstellingen om-

trent de nutsfunctie U(y) komt Atkinson dan voor discrete

verdelingen tot de volgende ongelijkheidsmaatstaf:


-[(

11(1-t)

i2)

f(y)]

waarvan phet gemiddelde inkomen is en t een nader te be-

palen constante. De keuze hiervan staat dan nog open en

de auteur geeft hiervoor richtlijnen. Voor t
=
0 geldt 1
=
0;

de maatstaf werkt dan niet meer.
Men ziet: bij deze constructie wordt dieper gegraven dan
bij een meer rekentechnische opzet. Daarom dit ter illustratie.

Zonder twijfel is er nog heel wat literatuur over deze materie

(ik zag zojuist weer een diepgaand stuk II) met 33 literatuur-

opgaven), maar mij ontbreekt de deskundigheid om daar
een overzicht van te geven; het zou ook buiten het kader van
dit stukje vallen. Men zou echter kunnen wensen dat ter zake
eens een volledige analytische inventaris werd opgesteld;

als die er inderdaad niet is: mooi werk voor een doctoraal-

scriptie!

2.2. Paarsgewi/ze vergelijking van grootheden in twee ver-

zamelin gen

Gesteld dat er twee verzamelingen zijn met elementen X

en Y
(i
=
1…..N) en men wil de
verschillen X

Y1 samen-

vatten in één coëfficiënt die de ongelijkheid tussen de twee

verzamelingen representeert. Een voorbeeld is het verge-
lijken van een prognose met de opgetreden realisaties.

In figuur 2.2 zijn een drietal waarden (X, Y) getekend. Bij

gelijkheid zouden deze punten P
1
, P
2
en P
3
op de 45°

lijn lig-

gen. Men kan een aantal ongelijkheidsmaatstaven for-

muleren.

1.
De gemiddëlde afwijking tussen de elementen van

beide verzamelingen, gedefinieerd door

IX
1
-Y
1
I/N.

Dit zijn de (verticale
of horizontale) afstanden van de punten

tot de 45
°
-lijn, in absolute maat. Bij deze maatstaf gaat infor-

matie verloren, doordat positieve en negatieve verschillen

over één kam worden geschoren.

Figuur 2.2

2.
De middelbare afwijking wordt gedefinieerd door

~/
(X
1
_Y
1
)2/N. Dit is een gangbare maatstaf. Grote afwij-

kingen hebben als gevolg van het kwadrateren betrekkelijk

veel invloed. Hierdoor gaat ook enige informatie verloren.

De ondergrens van deze maatstaf is nul (gelijkheid), maar de
bovengrens is onbepaald. Dit lijkt wel lastig, maar behoeft in

de praktijk niet zo’n bezwaar te zijn, zoals blijkt bij de toe-

passing die door het Centraal Planbureau geschiedt bij de

vergelijking van voorspelling en realisatie van economische

grootheden 12). Daarbij wordt tevens een praktische nor-

mering gebruikt, die door Verdoorn en Van Eijk is ontwik-

keld 13). Een bekort citaat uit de betreffende publikatie 12)

laat dit zien.

,,Teneinde nu tot een kwantitatieve maatstaf voor de nauwkeurig-
heid of de kwaliteit van de voorspellingen te komen wordt gebruik
gemaakt van de symbolen R, voor de realisatie (di. de gereali-
seerde procentuele mutatie van de i-de variabele van jaar
t
ten op-
zichte van het basisjaar t-l) en Vi.
t
voor de corresponderende voor-
spelling. De voorspellingsfout is dan u.
t
=
Vi.
t

Ri
.
L.
Het verdient
aanbeveling deze grootheid te normeren door te delen door de wortel
uit het gemiddelde der kwadraten van R di. de zgn. middelbare
waarde der realisaties in de beschouwde periode:

SR.

Hierin staat SR voor de ,,normale” verandering van de
variabele i ge-
durende het betrokken tijdvak. Bij de berekening ervan blijven
uitbijters dus buiten beschouwing. Voor de genormeerde voorspel-
lingsfout resulteert dan u
1
=
ul.t/SR.
.
Deze normering lijkt gewet-
tigd omdat het intuïtief duidelijk zil zijn dat bijv. een (absolute)
voorspellingsfout van
2% in de consumptieprijsverandering uit voor-spellingsoogpunt veel ernstiger is dan eenzelfde fout in de voor-
spelling van de investeringsmutaties, die
in het algemeen veel grotere
fluctuaties vertonen.

II) P. E. Hart, The comparative statics and dynamics of income
distributions,
Journ. Roy. Stay. Soc,
A 139, 1976, Deel 1, blz. 108.
Centraal Planbureau, Voorspelling en realisatie.
Monografie
no. 10, 1965.
P. J. Verdoorn and C. J. van Eijk,
Experimenial short term
Jorecasling mode/s. European Conference Econometric Society,
Bilbao, 1958.

910

De ongelijkheidscoëfficiënt die nu wordt gebruikt om in een
bepaald jaar voor een aantal variabelen m de kwaliteit van de voor

spellingen als geheel weer te geven, is gedefinieerd door
Y
~
0, terwijl uiteraard rx
i
=
1 en Ey
i
=
1. Bij volledige
i=1
gelijkheid geldt 1 = 0. Er is geen bovengrens. Aansluiting

bij de in par. 1 gegeven uitdrukking kan worden gevonden door x
1
te vergelijken met y,
=
uN zodat:

Ul
U

Aanaloog wordt voor een bepaalde variabele i de kwaliteit van de
voorspellingen over een aantal jaren n gegeven door:

u
1

Zou men nu bijv. voor u’ een waarde van 0,40 vinden, dan betekent
dit grosso modo dat de voorspellingsfouten van de i-de variabele
40% van de normale waarde van de realisaties belopen. Daar de
voorspellingsfouten deze normale realisaties ook kunnen over-
treffen, bestaat er geen bovengrens voor de ongelijkheidscoëfficient.
Deze is
1
in het geval dat de voorspellingsfouten dooreen genomen
even groot zijn als de middelbare fouten in de realisaties. Over een
lange periode bezien is het resultaat van de voorspellingen dan even
slecht als
in
het geval dat men eenvoudigweg steeds V
=
0, dus geen
verandering had voorspeld.
Ongelijkheidscoëfficiënten van bovenstaand type gaan voorbij
aan het
al
dan niet juist zijn van het teken van V. Het gebruik van
deze ongelijkheidscoëfficiënt betekent echter niet dat de ,,policy
maker” geen interesse zou hebben voor de juistheid van het teken der
voorspelling”.

Tot
zover
de
auteurs, waarbij
moet
worden opgemerkt
dat

de betreffende publikatie in de beoordeling van raming en
realisatie nog veel verder gaat dan alleen het bezien van de

ongelijkheidscoëfficiënt.

Een elegante definitie van een andere ongelijkheids-

maatstaf geeft Theil 14):

U1TT.

met als voordeel dat IJ begrënsd is tussen Oen 1. De waarde 1

ontstaat indien voor alle i geldt X
j
=
0 6f Yi
=
0, dan wel

Xj
=
-kY1 (k > 0), zoals gemakkelijk valt te zien. Achter

deze definitie schuilt een filosofie. Deze ongelijkheids-

coefficiënt kan nI. worden opgedeeld in drie partiële
ongelijkheidscoëfficiënten, elk met hun eigen betekenis.
De eerste omvat de ongelijkheid die te wijten is aan verschil

in spreiding tussen
X en Y. De tweede vertegenwoordigt

ongelijkheid als gevolg van onvolkomen correlatie tussen
X en Y. De derde treedt op bij ongelijkheid van de
gemid-

delden van X en Y.

Een bezwaar van deze maatstaf kan zijn een zekere ver-

tekening. Heeft men bijv. twee reeksen uitkomsten Yi.en

die men beide wil vergelijken met X1, dan kan de teller in beide.ge.val1ejggIfde zijn. Voor de eerste term in de noe-.
mer is dit steeds het geval. De tweede kan echter voor het

eerste geval groter zijn dan voor het tweede geval, waardoor


ondanks gelijke variantie van de verschillen

U lager
uitkomt.

Ook
voor het paarsgewijze vergelijken heeft Theil een

ongelijkheidsmaatstaf op
informatietheoretische basis
ont-

worpen, analoog aan hetgeen hier eerder werd beschreven.

Deze ongelijkheid wordt gegeven door:

1
=

(In x

In y)

waarbij weer x
j
=
X/X en y
i
=
Y/Y, alsmede X
~
0 en

N

N
=
E
xi
In x + In
N
=

x
1
In
Nx1..
=
1

1
=

Dat 1 van N afhangt kan onder omstandigheden een be-

zwaar zijn. In de praktijk valt dit mee, omdat het
bij
deze

metingen vrijwel steeds gaat om de onderlinge vergelijking
van telkens een aantal fracties, met als som 1. In feite be-
tekent dit het vergelijken van allocaties. Men zou onder

zekere voorwaarden deze maatstaf ook kunnen toepassen
bij het vergelijken van ramingen met realisaties. Hoe meer

een realisatie afwijkt van hetgeen werd voorspeld, des te
slechter was
de voorspelling en des te meer informatie werd

gewonnen door de realisatie. Bij volkomen voorspellingen
is de informatiewinst uiteraard nul. Er zijn tal van toepassin-
gen, en Theil heeft er veel over geschreven.

Ten slotte
vermelden we de overeenstemmingsmaatstaf
van Somermeijer 15). Hij geeft voor de reeksen
X
1
en Y1,

(i
=
1…..
N)
eerst
aan
dat
de overeenstemmingsmaatstaf
moet: a.
reëel zijn;
b. homogeen van de graad nul zijn in

Xj en
Y;
c. symmetrisch zijn in X
j
en
Y; d. met toenemende

1 X-YI monotoon dalen; e. begrensd zijn; f. in verband te

brengen zijn met andere ,,verband”-maatstaven; g. eenvoudig

te berekenen zijn. De homogeniteit van de graad nul houdt

dimensieloosheid van de maatstaf in. De symmetrie-eis im-

pliceert onafhankelijkheid van het teken van de
verschillen
X-Y,, zoals ook in eis d tot uiting komt; omgekeerd is deze

onafhankelijkheid nog geen voldoende voorwaarde voor

die symmetrie. De
eisen d en e impliceren dat
de overeen-

stemmingsmaatstaf zo groot mogelijk moet zijn ingeval van

alle X
j
=
Yi en zo klein mogelijk voor alle Xj
=
-Y. Aan

bovengenoemde eisen wordt voldaan door de volgende

overeenstemmingscoëfficiënt:

N

N

N

2X1Y
1

A

1=1

i=l

N

N

N

cx4yl
2
,.(X-Y)2

.r
X+Y
=1

Deze laatste uitdrukking doet enigszins denken aan de be-

kende correlatiecoëfficiënt. De waarde van A beweegt zich

tussen

1 en +1. Dit betekent dat
A niet alleen de mate van

overeenstemming (voor A >0), maar ook de mate van tegen-

stelling (voor A < 0) kan aangeven.
Ingeval voor alle
i geldt Xj
6f Yi

0, dan neemt A de

waarde 0 aan. Voorts is deze overeenstemmingscoëfficiënt

gemakkelijk uit te breiden tot meer variabelen. Een andere

generalisatie bestaat uit weging van
de waarnemingen. Een

verbijzondering van de overeenstemmingscoëfficiënt ver-

krijgt men door een reeks X
j
te vergelijken met een reeks

X. Men vindt dan:

A- 2N
2

2

X+N
2
V
,
2

waarin V.

a,
(
/
(de variatiecoëfficiënt van Xi).

14) H.
Theil,
Economicforecasiing and policy,
Amsterdam, 1958.
IS) W.
H. Somermeijer, Maatstaven voor overeenstemming, pro-
portionaliteit,
equidistantie en lineair verband,
Siazistische en Eco-
nometrische Onderzoekingen CBS,
3e kwartaal 1961, blz. 151.

ESB22-9-1976

911

Als laatste zij opgemerkt dat het ontwerpen van zo’n

ongelijkheidscoëfficiënt een aantrekkelijke inventieve bezig-

heid is. Ik heb er zelf destijds ook eens een gemaakt t.b.v. het
vergelijken van prognose (P) en realisatie (R). De eisen waren

o.a. a. de afwijkingen van de 45°-lijn in het R,P-diagram

moeten in de coëfficiënt worden verwerkt zonder dat uit-

bijters te veel invloed krijgen; b. indien P boven resp.

onder de 45°-lijn ligt, moet dit verschil in de coëfficient

worden verwerkt; c. tot uiting moet komen dat een verschil

minder belangrijk is naarmate het ten opzichte van R kleiner

is; d. de coëfficiënt moet een onder- en een bovengrens

hebben; e. de berekening moet gemakkelijk zijn. Aan deze

eisen voldoet de volgende ongelijkheidscoëfficient:

IP-lJ4tP-RI
(+ voor

P>

R

C=±e

221RI

– voor .P< ,R

met als grenzen 1 (volmaakte overeenstemming) en 0 als

limiet bij toenemende afwijkingen. In de praktijk deed deze

maatstaf het wel aardig. Op de dessous van dit grapje ga ik
hier uiteraard niet in.

3. Ongelijkmatig

In Van Dale kan men o.a. lezen:

,,gelijkmatig, bn. bw., voortdurend of overal gelijk (in graad van
sterkte, kracht, snelheid enz.”
,,ongelijkmatig, bn., niet gelijkmatig”.

Uit de eerste omschrijving kan men opmaken dat het be-
grip gelijkmatig toepassing vindt wanneer er sprake is van

een beoordeling van waarden die gebonden zijn aan een

gegeven volgorde of rangschikking, hetzij in de tijd, hetzij

naar plaats. Het gaat dus niet alleen om ,,gelijk”, want het
woorddeel ,,matig” voegt daar nog iets aan toe dat specifiek
duidt op tijd of plaats. Zo zijn de termen van de reeks 1,2, 3,

4, 5 onderling ongelijk, maar het verloop is gelijkmatig.

Men kan deze reeks opvatten als een tijdreeks, maar ook als
een reeks van grootheden die gerangschikt zijn volgens

een ander ééndimensionaal criterium, zoals lengte of geld.

Bij gelijkmatigheid is er dus wel iets dat gelijk blijft, maar het

betreft dan niet de grootheden zelf.

Bij de relatie x
1
= a + bt hebben we te doen met (vol-

komen) gelijkmatigheid in het verloop van de waarden x
1

(discreet of continu) die zelf onderling ongelijk zijn. De eerste

afgeleide dxjdt is constant. Bij een kwadratisch verloop

(eenparige versnelling bijv.) is de tweede afgeleide weliswaar
constant, maar dit betekent m.i. niet dat men het verloop
van de groothid zelve nu gelijkmatig kan noemen. Evenmin

is een groeikromme volgens x
1
= e’ gelijkmatig te achten,

hoewel dln x/dt constant is en we te doen hebben met con-
stante procentüéle”mutaties. Het bovenstaande geldt natuur-
lijk niet alleen voor volgtijdelijke gebeurtenissen, maar voor

alle grootheden die aan een ééndimensionale schaal zijn

toegevoegd.
De mathematische formulering, zoals die hier wordt ge-
geven, correspondeert wel met de semantische interpretatie:

een aantal waarden als zodanig kan wel (onderling) gelijk

zijn, maar nooit met het bijvoegljk naamwoord ,,geljk-

matig” worden aangeduid. Dit laatste kan pas na rang-

schikking worden gezegd van het verloop. Overigens: over

dit alles is stellig al lang het nodige geschreven, maar ik

weet het niet te citeren.
Laat ons thans een ongelijkmatigheidscoëfficiënt con-

strueren (OMC), en wel met betrekking tot het verloop van

een grootheid. x
t
.
in de tijd (t = 1
…..
n). De afleiding geldt

natuurlijk ook voor een volgorde die niet in tijd wordt uit-

gedrukt, maar in een andere schaal.

Men zou in eerste instantie even kunnen denken aan de

bekende Von-Neumann-Ratio (NR):

5-1

(
Xt+lXt
)2

NR
-_

n

t=l

doch deze maatstaf geeft de ongelijkmatigheid niet weer,

hetgeen al direct blijkt uit het feit dat voor x = a + bt – een

gelijkmatig verloop – geldt NR 0.

Een juist uitgangspunt kan zijn gelegen in het feit dat bij

een gelijkmatig verloop van x
t
voor de tweede afgeleide moet

gelden
d2x/
dt
2
= 0 (zie figuur 3.1). Een maat voor de onge-

matigheid is dan logischerwijze de som van de kwadraten
van de tweede verschillen van x
1
, waarbij het ten behoeve
van onderlinge vergelijking doelmatig is om te standaardi-

seren met behulp van de variantie van x. Derhalve:

n-2

u-2

.(xt
+
2-2xt
4
l+xt)
2

OMC_n 12_ n tI
varx

t=l

Aangetekend zij hierbij, dat de kwadraatsom van de tweede
verschillen bij tijdreeksen elders ook wordt gebruikt 16).

Minimering hiervan biedt nI. de mogelijkheid om bij gegeven
jaartotalen en ontbrekende kwartaalcijfers deze laatste te

interpoleren.

Voor een rechte lijn geldt nu OMC = 0 (zie figuur 3.2).
Voor een verloop waarbij xheen en weer slingert tussen a en
b (zie figuur 3.3) vindt men:

OMC n

12 (a-b)P

n

Figuur 3.!

xt

Figuur 3.2

x
t

16) R.
Doornbos en J. H. C. Lisman, Afleiding van kwartaalcijfers
uit jaartotalen,
Sialistica Neerlandica,
22,
1968,
blz.
199.

912

Figuur 3.3

4.
Onregelmatig en ongeregeld

xt

a

De begrippen liggen dicht bij elkaar en ze worden in de

spreektaal ook wel dooreen gebruikt. Ze zijn daarom hier
in één paragraaf samengevoegd.

In Van Dale vindt men o.a. het volgende:

C= 16

,,regelmatig, bn., bw., waarvan de delen of maten ten opzichte van
elkaar in vaste of harmonische verhouding staan of blijven,
met vast ritme, met vaste wisselingen of tussenpozen zich bewegend
of plaatshebbend, zich zelf gelijkblijvend, zonder onderbreking of
zonder afwijking, een bepaalde regel volgend, geen afwijkingen ver-
tonend, overeenkomstig met een of meer gestelde regels of voor-
schriften”.
,,onregelmatig, bn. bw., waarin geen regelmaat is resp. zonder vaste
regel, afwijkend van de als patroon geldende vormen, grillig,
waarin geen orde te ontdekken is, niet volgens voorschrift”.

Dit is dus de waarde van de ongelijkmatigheidscoëfficient
bij maximale ongelijkmatigheid.

Er geldt dus 0< OMC < 16. Ter illustratie van een tussen-

gelegen waarde werd de ongelijkmatigheidscoëfficiënt bere-
kend voor een, serie van tien aselect gekozen waarden
(-5 x
1
>
+
5)
met als resultaat OMC = 3,8. (zie figuur 3.4).

Figuur 3.4

Voor een oneindig doorlopende reeks onderling ongecor-

releerde aselect gekozen waarden x
1
met gegeven variantie

vindt men

lim OMC=vt+22xt_!)= 6var x
16

fl-m

varx
1

var
X1

De boven gedefinieerde maatstaf is natuurlijk niet alleen
te gebruiken bij een verloop in de tijd, maar kan ook dienen
bij alle ééndimensionale rangschikkingen. Zo kan men bij
een geldschaal zeggen dat een proportioneel belasting-
tarief een OMC nul heeft en men kan bij andere tarieven de

ongelijkmatigheid bepalen.

Het is ook mogelijk om bij meerdimensionale rangschik-

kingen een ongelijkmatigheidscoëfficiënt te definiëren, maar

het lijkt niet eenvoudig om iets dat simpel en adequaat is te

bedenken. Voor een (m,n) matrix [x] zou men misschien

kunnen kiezen voor:

0Gc =

mn-2

nm-2

1 1
(Xj
+
2-2xj,,l+X.)
2
+.

2
mn i1

2(mn-2)

m n

In de economie komt zo iets bijzonder weinig voor

Men ziet dat deze omschrijvingen taalkundig nogal ver-

scheidenheid bieden. Het valt op dat het woord ,,onge-
regeld” ook hier voorkomt. Het vertalen in wiskundige

formuleringen lijkt niet zo gemakkelijk en men zal zich wel

moeten beperken tot bepaalde situaties.

Wanneer men te doen heeft met opeenvolgende gebeurte-nissen, dan zegt men dat ze onregelmatig geschieden indien de afstand tussen de tijdstippen waarop zij plaatsvinden niet
steëds dezelfde is. Hoe die gebeurtenissen er zelf kwalitatief
uitzien is in dit verband niet van belang. Het gaat om de af-

wijking van de strikte periodiciteit. Voor het opsporen van
periodiciteiten is de bekende methode der spectraalanalyse

een middel. Het is geen gemakkelijke stof. Een artikel over de beginselen ervan verscheen onlangs in
Intermediair
17).
Wanneer men nu alleen naar de tijdsafstanden /.,t kijkt,
zou men als onregelmatigheidsmaatstaf de standaardafwij-
king van deze grootheid kunnen nemen, dus

t
2

Maar het is verfijnder om hier een ongelijkmatigheids-

coëfficiënt te gebruiken, die in de vorige paragraaf werd
gepresenteerd.

Het bovenstaande is uiteraard niet alleen van toepassing

bij verschijnselen die zich in een tijdsverloop voordoen,

maar ook bij alle andere dingen die aan een ééndimensionale

meet-as zijn gerelateerd.

De gedachte aan een verband met de seizoenverschijnselen

komtnatuurljk op. Te bedenkenvalt echter dat bij deze
laatste de equidistante tijdstippen of tijdvakken a priori zijn
gegeven, terwijl men de afwijkingen van de grootheden die

daar dan bijhoren bestudeert. In deze paragraaf gaat het

echter om kwantificerifig van deze – in het algemeen onder

ling juist niet gelijke – afstanden, terwijl de bijbehorende

grootheden niet relevant zijn. Een aanknopingspunt met de

gigantische seizoenliteratuur ligt hier – voor zover ik kan

zien – dus niet.

Bij paarsgewijze vergelijking van grootheden X, en Yi kan
men zich afvragen in hoeverre er sprake is van equidistantie
tussen deze grootheden. Dat is ook een vorm van regelmaat.
Somermeijer IS) heeft hiervoor een equidistantiecoëfficiënt
ontwikkeld. Equidistantie van Xi en
Vi
,
betekent dat zij ver-

bonden zijn door de relatie Xi.= Y + a (constante), zodat

x = yi indien men de afwijkingen van het gemiddelde ge-
bruikt. Men kan nu de mate van equidistantie analoog aan
die van overeenstemming aangeven door de equidistantie-

coëfficiënt:

E=_
2.x
y
1

L
+

Ii)
P. W. Otter en R. H. Ketellapper, Spectraalanalyse van tijdreek-
sen,
In,ermediair, 12, 1976,
no. II.

ESB 22-9-1976

913

Bij de

Dienst van

Gemeentewerken

vaceert de funktie van:

1

Gemeente

.

plv. administrateur

‘S.
Hertogen bosch

tot wiens taak o.a. zal behoren:

analytisch onderzoek van bedrijfseconomische vraagstukken;

op basis van dit onderzoek bijdragen aan het samenstellen van

beleidsondersteunende adviezen;

intensiveren van het informatiesysteem, voor zover van belang voor

het verkrijgen van adequate gegevens.

Voor de vervulling van deze verantwoordelijke funktie gaan de gedachten uit naar

een medewerker met een voltooide N.l.V.R.A.-opleiding of het doctoraal examen

economische wetenschappen, bedrijfseconomische richting.

Aanstelling zal geschieden in de rang van referendaris (salaris tussen
f
3.410,

en / 4.501,— per maand).

Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selGktiëpioceduré.

Sollicitaties graag spoedig zenden aan:

de chef van de afdeling Personeelszaken, Stadhuis, ‘s-Hertogenbosch.

Somermeijer merkt daarbij nog op dat vergelijking met
de correlatiecofficiënt R geeft dat 10 < IRI , hetgeen

intuïtief plausibel is omdat equidistantie een strengere eis
voorstelt dan..;,lineairverband”

Voor de econoom lijkt mij liet begrip onregelmatig en een
kwantificering ervan met behulp van een of andere maatstaf

niet zo erg belangrijk. Vermoedelijk komt het begrip meer

voor in de techniek (binnen de technische disciplines bestaat
,,regeltechniek” als zelfstandig vak!) en wellicht hebben de

technische wetenschapsbeoefenaren (wie verlost ons toch
eens van het afgrijselijke woord ,,wetenschappers”7?) al wel
een of meer coëfficiënten bedacht.

Bij het filosoferen over het begrip ongeregeld valt wiskun-
dig weinig te beleven. Bij de omschrijvingen in Van Dales

Groot woordenboek der Nederlandse taal
leest men o.a.:

,,geregeld, bn. bw., naar een vaste regel of vaste regels geschiedende;
geordend; ordelijk; volgens een vaste regel telkens terugkerend,
regelmatig”.

,,ongeregeld, bn. bw., niet volgens vaste regels bepaald of geschikt; ongeordend; zonder regel; onregelmatig”.

Het valt opdat Van Ple hier wederom het woord,;n

‘regelniatig”. gebruikt, dat elders al werd gedefiiiieerd; dit

houdt dan toch een zekere equivalentie in.
Over een stochastisch proces kan men twisten: het is in

zekere zin ongeregeld, maar het gehoorzaamt toch ook weer

aan een wet; aselect trekken is een geregelde affaire, maar
het resultaat is zonder regel. Natuurlijk kan men voor de
mate van wanorde het entropiebegrip gebruiken, maar ik

zou dit thans niet ten tonele willen voeren 18). Ik moet toch

al mijn verontschuldigingen aanbieden voor de onevenredige
plaats die door dit overzicht – dat voor velen nauwelijks
nieuws biedt – wordt ingenomen.

J. H C. Lisman

18) J. L. van Soest, Orde en wanorde,
Statistica Neerlandica, 14,
1960, blz. 249.

914

Vijf van de vijftig

PROF. DR. R. SLOT

In 1973 werd van een vijftigtal vooraanstaande

Nederlandse ondernemingen onderzocht in

welke mate de jaarverslagen voldeden aan de

Wet op de jaarrekening van ondernemingen (zie

ESB
van 16 april 1975). Prqf Dr. R. Slot, hoog-

leraar bedrijfseconmie aan de Rijksuniversiteit
Utrecht, beschrijft in dit artikel in hoeverre een

vi/flal ondernemingen, clie toen tot de ,,s/echtste”

categorie behoorden, hun vers logge ving ver-

heterci hebben. Daaruit komt een genuanceerd
beeld naar t’oren. De auteur neemt een bereid

heicl naar om aan constructieve kritiek op het

gepubliceerde /aar verslag gehoor te geven.

Er is de laatste jaren door verschillende instanties onder-

zoek verricht naar de kwaliteit van de jaarverslaggeving

in ons land. Over een van deze onderzoekingen verscheen

vorig jaar het rapport onder de titel
Vijftig jaarverslagen.

gewogen en te licht bevonden?
Daarin werd bericht in

welke mate het jaarverslag over 1973 van een vijftigtal voor-

aanstaande Nederlandse ondernemingen voldeed aan de
Wet op de jaarrekening van ondernemingen (WJO), alsmede

aan een aantal wat verder dan deze wet gaande bedrijfs-
economische criteria. Op dit rapport werd door de opstellers

ervan, tot wie ook schrijver dezes behoorde, van de zijde
van de desbetreffende ondernemingen al spoedig een vrij
groot aantal reacties ontvangen, die vrijwel alle positief

waren. Effect van het rapport op de jaarverslagen over 1974
viel doorgaans evenwel niet te verwachten; daarvoor was het
jaarverslagenseizoen bij de verschijning ervan al te ver

gevorderd.
Anders was dit voor de verslagen over 1975 en het ligt daar-

om voor de hand deze verslagen met die over 1973 te ver-

gelijken. Voor een vijftal ondernemingen.(voor meer, schoot
de onderzoekcapaciteit voorshands helaas tekort) hebben

wij deze vergelijking uitgevoerd en wel voor die, welke in het
rapport tot de ,,slechtste” categorie behoorden en dus volgens

de daarin gehanteerde maatstaven het meest te verbeteren

hadden, hetzij ten aanzien van de naleving der WJO, hetzij

met betrekking tot de verder gaande bedrijfseconomische

criteria. Tevens werd van deze ondernemingen de jaarver-

gadering bezocht 1), ten einde aan commissarissen en

directie de vraag voor te leggen, waarom ook in het jaar-
verslag-1975 op bepaalde punten aan de criteria van het
rapport niet was voldaan.

De betrokken ondernemingen waren 2): ACF Holding
NV; Ballast-Nedam Groep NV; Hagemeyer NV; Heineken

NV en NV Ktninklijke Bijenkorf Beheer KBB 3).
Enkele globale resultaten zijn:

• Van ACF, Ballast-Nedam, Heineken en KBB toonden de
jaarverslagen over 1975 naast een – uiteenlopend – aan-

tal punten waarin ze onzes inziens nog tekort schoten, een

verheugend groot aantal verbeteringen ten opzichte van die
over 1973; ACF spande in dit opzicht de kroon door maar
enkele desiderata van het rapport onvervuld te laten.

Vastgesteld kon ook worden dat dit rapport in de evolutie
van de verslaggeving dezer ondernemingen in belangrijke

mate als katalysator had gediend.

• De vooruitgang betrof zowel het toepassen van de WJO

als het voldoen aan de verdergaande bedrijfseconomische
wensen van het rapport.

• Ter jaarvergadering bleken commissarissen en directie van
deze ondernemingen in het algemeen open te staan voor de

kritische vragen die over het jaarverslag-1975 naar onze
mening nog te stellen waren; er werd doorgaans bereidheid

getoond voorstellen tot verdere verbetering van de ver-

slaggeving in overweging te nemen.
• Anders was dit met Hagemeyer. Het verslag over 1975

vertoonde niet veel minder tekortkomingen dan dat van
twee jaar tevoren. Ter vergadering toonden commissaris-

sen .en directie voor kritische vragen hierover onzerzijds,

geen enkele belangstelling 4). Een onderneming als deze,
die op verscheidene punten zelfs aan de bescheiden eisen
van de WJO niet geheel voldoet, kan blijkbaar met deze

verslaggeving verscheidene jaren ongehinderd voortgaan;

ook de accountantscontrole vormt daarvoor, ondanks
art. 8.2 van deze wet, kennelijk geen beletsel.

Enige vermeldenswaardige bijzonderheden die bij de uit-
gevoerde vergelijking naar voren kwamen, zijn de volgende:

• Bepalingen van de WJO die blijkens de 50 onderzochte
jaarverslagen over 1973 geheel of ten dele (zeer) slecht
nageleefd werden zijn die van art. 5.2, 8.1 en 14.1. De ge-
breken die de jaarverslagen op deze punten vertoonden

bezitten naar het zich laat aanzien een zekere hardnekkig-

heid; Hagemeyer en KBB lichtten ook over 1975 nog

onvoldoende toe, op welke grondslagen de bepaling van

het resultaat. berust (art. 5.2); alleen Ballast-Nedam en.

Heineken vermeldden in hun verslag over 1975 de letter-

lijke tekst van de statutaire bepalingen omtrent de winst-
verdeling, zoals door art. 8.1 wordt verlangd; geen der

Voor zijn hulp hierbij ben ik dank verschuldigd aan de heer
D. von Meyenfeldt.
Hunter Douglas NV is hierbij buiten beschouwing gelaten omdat
zij haar statutaire zetel in Curaçao heeft.
Van Heineken en
KBB
gebruikten wij het jaarverslag over
1974/75 resp. 1975176.
Zij lieten de beantwoording ervan over aan de externe accoun-
tant die, van de zaal Uit het woord voerend, niet veel meer opmerkte
dan dat de directie voor haar goede jaarverslag lof toekwam.

ESB 22-9-1976

915

ondernemingen gaf in haar jaarrekening over 1975 een

overzicht van de meerderheidsdeelnemingen (art. 14.1).
• Opmerkelijk is dat KBB, die blijkens het onderzoek over

1973 als enige naliet de balans van de moedermaatschappij

te publiceren, ook in zijn verslag over 1975 deze balans

niet geeft; als motief hiervoor gaf KBB’s directie dat deze

balans naast de geconsolideerde balans geen functie heeft.

O.i. is deze handelwijze niet in overeenstemming met

art. 30 WJO.
• De centrale gedachte van de WJO, dat de jaarrekening in-
zicht moet bieden in rentabiliteit, solvabiliteit en liquidi-
teit van de onderneming, kan naar wij menen het best

worden gerealiseerd door in het jaarverslag over een reeks

van jaren behalve de voornaamste cijfers van de jaar-
rekening, ook kengetallen met betrekking tot de genoemde

drie grootheden op te nemen. Bij het onderzoek over 1973

viel op dat het hier bedoelde meerjarenoverzicht, indien het
al in het jaarverslag voorkomt, vaak nogal gebrekkig is.

ACF en Heineken publiceren thans een goed overzicht, ook

wat de zoëven genoemde kengetallen betreft; bij Ballast-

Nedam en KBB zijn nog verscheidene verbeteringen moge-

lijk; Hagemeyer komt aan een dergelijke opstelling nog

nauwelijks toe.

• Voor een inzicht in de liquiditeit is onder andere een split-

sing van de voorzieningen naar termijn nodig. Geen der vijf

ondernemingen geeft deze. ACF, die de voorzieningen ge-
heel tot het langlopende vreemde vermogen rekent, deelde

mee dat de kortlopende voorzieningen daar praktisch van
geen betekenis waren.

• Met betrekking tot de toepassing van een actuele-waarde-

methode bleek bij ACF een duidelijke voortgang te con-
stateren: werden in het verslag over 1973 voor de voorraden

nog vier verschillende waarderingsmethoden toegepast 5),

in dat over 1975 zijn de voorraden grondstoffen en han-
delsgoederen evenals de duurzame produktiemiddelen

gewaardeerd tegen vervangingswaarde. Heineken baseerde
reeds zijn jaarrekening over 1973 op deze grondslag. Hage-

meyer daarentegen ging ook in zijn jaarrekening over 1975

aan het probleem van de geldontwaarding praktisch
geheel voorbij. Ballast-Nedam en KBB handhaafden hun
dualistische methode, volgens welke niet de balans, maar
wel de resultatenrekening aan de actuele prijzen wordt

aangepast, althans voor de vaste activa. Ballast-Nedam
bleek ter jaarvergadering met deze inconsistente methode

zelf geen vrede meer te hebben en zich op een herziening
daarvan te beraden. Het is jammer dat bij
KBB
van enige

onvrede ten dezen (nog) niets te bemerken was.
• KBB deed vorig jaar in zijn verslaggeving een belangrijke
stap voorwaarts door voor het eerst een afzonderlijk en
uitvoerig sociaal jaarverslag van het concern uit te brengen.

Dit verslag geeft een beeld van het gevoerde sociale beleid.

Voor 1975 werd het te zamen met het financiële verslag ge-
publiceerd als een twee-eenheid. De aandeelhouders
moesten aan deze belangrijke vernieuwing blijkbaar nog

wat wennen: van de gelegenheid om op de jaarvergade-

ring over het (ook voor hen relevante) sociale jaarverslag
te discussiëren, maakte geen der aandeelhouders gebruik.

Uit het bovenstaande komt met betrekking tot de kwaliteit
van de jaarverslaggeving der vijf onderzochte ondernemin-

gen en de ontwikkeling daarvan in de laatste jaren een ge-

nuanceerd beeld naar voren. Ten aanzien van hun bereidheid

aan constructieve kritiek op hun gepubliceerde jaarverslag ge-
hoor te geven, lijkt voor de meeste van hen ten minste een
gematigd optimisme gerechtvaardigd.

R. Slot

5) Gewaardeerd werd voor een deel tegen de directe kosten, voor een
deel volgens de minimumwaarderingsregel, het ijzerenvoorraad-
stelsel of lifo.

CLDT

interuniversitair

instituut

bedni jfskunde

Binnen het Instituut verzorgt de Interfakulteit Bedrijfs-

kunde, die tussen de Technische Hogeschool Delft en

de Erasmus Universiteit Rotterdam werd ingesteld, een

post-kandidaatsopleiding in de bedrijfskunde.

Aan
de Interuniversitaire Interfakulteit Bedrijfskunde
bestaat per 1 september 1977 de vakature voor een

BUITENGEWOON HOOGLERAAR

ORGANISATIESTRATEGIE

Van de te benoemen funktionaris wordt verwacht, dat
hij zal participeren in het in ontwikkeling zijnde curri-
culum aan de Interfakulteit, met een centrale rol in het
onderdeel ‘Organisatiestrategie’ van het doctorale pro-
gramma. Een sterke nadruk ligt daarbij op de inter-
disciplinaire samenwerking met stafleden in de socio-
logie, technologie, sociale psychologie, algemene
economie, bedrijfseconomie, ondernemingsrecht, be-
stuurskunde en omgeving.

Uit het samenspel tot op heden van deze disciplines is
gaandeweg de gedachte ontstaan dat organisatiestrate-
gie zich laat omschrijven als ‘het streven naar conver-
gentie tussen organisationele funkties en maatschappe-
lijke prioriteiten’.

Gezien het grote belang dat aan onderzoek wordt ge-
hecht, wordt daarnaast verwacht het opzetten en de
begeleiding van onderzoeksprojekten op het vakgebied,
waar mogelijk eveneens in teamverband.

Bereidheid tot participatie in de bestuursorganen der IB
is een voorwaarde.

Kandidaten dienen onderzoekscapaciteiten getoond te hebben door middel van een dissertatie en/of publika-
ties die zich bewegen op het terrein van de organisatie-
strategie of aanverwante, genoemde disciplines.
Daarenboven is ervaring vereist in de organisatiestrate-
gie en/of de organisatie-adviespraktijk.
Ook ervaring in (semi-)overheids- of partikuliere instel-

lingen, betrokken bij de institutionele besluitvorming
hier te lande of de Europese Gemeenschap, wordt in
dezen tot praktijkervaring gerekend.

Van kandidaten wordt verwacht dat ze – o.a. door het

onderhouden van externe kontakten – kreatieve bij-
dragen kunnen leveren met betrekking tot ontwikke-

lingen in bestaande sociaal/economische strukturen.

Nadere inlichtingen kunnen worden verkregen bij de voorzitter
van de benoemingscommissie, Prof. drs. H. ter Heide, telefoon
015 – 569254

Degenen die in
bovenvermelde funktie belangstellen (ook zij,
die meer geïnteresseerd zijn in een ordinariaat) of zij die op
geschikte kandidaten de aandacht willen vestigen worden uit-
genodigd zich te richten tot het Bestuur van het Interuniversi-
tair Instituut Bedrijfskunde, Poortweg
6-8
te Delft, onder ver-
melding van nr.
lIB
7605,
op de enveloppe.

916

Enkele opmerkingen over

de grafische industrie (1)

IR. H. H. WERTHAUER

Eeuwenlang trad er nauwelijks enige verandering op in de techniek van de grafische industrie. De laat ste jaren zijn

er echter technische vernieuwingen tot stand gebracht (bijv. offset enfotozetten) die in de toekomst voor veel verande-

ringen kunnen zorgen. In een uitvoerig artikel zal Ir. Werthauer de consequenties van die veranderingen belichten.
Hij doel dat aan de hand van het structuuronderzoek in de grafische industrie. Zijn artikel is in twee delen gesplitst.

Deze week worden de technische mogelijkheden belicht. Volgende week komen de commerciële aspecten aan de orde.

De heer Werthauer was werkzaam in diverse grafische bedrijven, het laatst bij Sijthoff Pers, waar hij zich met de

sanering van dii bedrijf bezighield. Thans werkt hij aan een dissertatie over de grafische industrie.

Elke bedrijfstak claimt uniek te zijn; anders dan de

andere. Die visie vormt een binding tussen de vakgenoten en
geeft kracht in perioden van moeilijkheden. Tevens dient die
zienswijze om buitenstaanders uit te sluiten, hun bemoei-
ingen tegen te gaan en van het bedrijf een ,,black box” te

maken. Het is een soort afbakening van het eigen koninkrijk.
De openheid en overzichtelijkheid die tegenwoordig in de

samenleving wordt nagestreefd vereist een andere instelling

van de ondernemingen en daarom is het goed de eigenaar-digheden van een bedrijfstak aan een nadere beschouwing
te onderwerpen.

De oorsprong van het grafisch ambacht ligt ver voor de

tijd van de legendarische Laurens Janszoon Coster en de

historische Gutenberg. De Chinezen drukten al in de 7e
eeuw van boekblokken en in onze streken was die techniek in de 14e eeuw ruimschoots bekend. Gutenbergs uitvinding
is het drukken met individuele, losse lettertypes, een ver-

fijning van de bestaande mogelijkheden, die de kosten van
het vervaardigen van de drukvorm verlaagde en het boek
binnen het bereik bracht van de massa.

Vierhonderd jaar na Gutenberg groeiden sommige bedrij-
ven uit van ambacht tot industrie. Vele tegenwoordige be-

drijven zijn echter nog even ambachtelijk als in de gilde-
dagen. Het is de verdienste van het structuurrapport van de

grafische industrie, dat deze toestand met alle inherente
problemen op overzichtèlijke wijze gedocumenteerd is. De

bedrijfstak ligt nu openwoor inspectie, al moet erbij worden
vermeld dat het onderzoek, dat ruim f.
11/4
mln, kostte, het
duurste is, dat de overheid tot nog toe heeft gefinancierd.

Het drukken en de grafische produkten

De term ,,drukken” is een verzamelnaam voor een aantal
grafische procédé’s die maar één aspect gemeen hebben: het

doel ervan is steeds het repeterend afbeelden van tekst en
prent op een daarvoor geschikt medium, zoals papier, kar

ton, textiel, blik of kunststof.

Voorafgaand aan de serie- of massafabricage van het
drukken dient een beelddrager vervaardigd te worden; dit

is het gereedschap dat de inkt aanneemt en in de vorm van tekst en prent afgeeft aan het te bedrukken medium.

De keuze van het drukprocédé is afhankelijk van de op-

lage van de drukorder (het aantal te reproduceren exempla-
ren) en van de eisen die aan de reproduktie worden gesteld.

Binnen één drukprocédé is de drukker beperkt in het aan-

nemen van orders door de karakteristiek van zijn machines
en door de limieten van grafische know-how en ervaring
van zijn personeel. De technische begrenzingen worden ge-
vormd door:
• De drukspiegel van de machine; dit is het maximaal in één
drukgang te vullen oppervlak. Vereist de order minder

oppervlak dan de drukspiegel, dan is de machine niet vol-

ledig gebruikt en groter dan de drukspiegel kan niet wor-
den bedrukt. Van een klein oppervlak, zoals 46 x 64 cm

kan de drukspiegel oplopen voor verschillende perstypen
tot 100 x 140 cm voor algemene en 120 x 170 cm voor
krantenmachines.
• De
papierinvoering, -doorvoering en afvoer bepalen of
een machine geschikt is voor het bedrukken van vellen,

dan wel voor banen papier van de rol. Voor kleine oplagen

kiest men de langzame vellenmachines; vanwege de grote
druksnelheid kiest men voor grote oplagen de rotatiema-
chine, ondanks de langere inrichtingstijd van de pers, de
hogere uurkosten en papierverliezen. Daar rotatiepersen
aangekoppelde snij-, vouw-, verzamel- en afwerkingsvoor-
zieningen hebben, zijn zij in het massaproces goedkoper
dan vellen drukpersen.

De ervaring van het personeel speelt een rol bij de kwali-
teitsbeheersing. De enige meetmethode van kleurklacht, de
densitometrie, geeft wél uitsluitsel op de vraag of een één-

kleurenprent in het correcte contrast is weergegeven,maar

kan bij meerkleurendruk de impressie van het menselijk oog
niet benaderen. De drukker moet visueel controleren of zijn

druk overeenkomt met de eisen van de klant; dit is een er-

varingskwestie. Een nieuwe klant, met een eigen type op-
dracht en specifieke eisen is een risico voor de drukkerij.

Elk drukprocédé heeft zijn eigenaardigheden. Hoogdruk
(boekdruk), vlakdruk en diepdruk zijn de belangrijkste pro-
cessen. Flexodruk en zeefdruk worden minder toegepast,

maarzullen volledigheidshalve worden genoemd.
• Bij de
hoogdrukbeelddrager
liggen de drukkende delen in reliëf verhoogd op de basis. Oorspronkelijk werden losse
lettertypen samengevoegd tot zinnen, regels en kolommen.
De gerede drukvorm werd in de pers geplaatst, ingeïnkt en

op papier afgedrukt. De toppen van het reliëf dragen daarbij
de inkt over op het papier. Degel- en hoogdrukvellenpersen

werken nog volgens dat principe. Voor rotatiemachines
preegt men een afdruk van het platte zetsel uit in een vel

ESB 22-9-1976

917

papiermaché, buigt het in schaalvormen giet er een lood-
afdruk in die de kromming van de pers-cylinder heeft. Deze

werkwijze werd ontwikkeld in de 19e eeuw ten behoeve van

de opkomende krantenproduktie en is sedertdien nauwelijks
gewijzigd.

• De
offset beelddrager
is een vlakke metalen plaat waarop

de drukkende delen zodanig bewerkt zijn dat zij inkt aan-

nemen, terwijl de niet-drukkende delen water aannemen en
inkt afstoten. Het uitgangsmateriaal voor de beelddrager is

een film, waarop tekst en beeld is aangebracht. Het opper-
vlak van de beelddrager is lichtgevoelig ten einde het beeld

van de film over te kunnen nemen. Het drukken gesch.iedt

door de in de pers gespannen beelddrager met vochtwater

en inkt in te wrjven en af te drukken op een rubbercylinder,
die het beeld aan het papier overdraagt. Door de vochtdistri-

butie en de rubbercylinder zijn de offsetpersen 15 â 20%

duurder dan de overeenkomstige maat hoogdrukpersen. De

afregeling van inkt en vochttoevoer is zeer gevoelig en be-

invloedt het drukresultaat sterk, daardoor is het papierver-

lies hoger dan bij hoogdruk. Bovendien moeten voor offset
speciale inkt- en papiersoorten worden gebruikt. De hogere snelheid van de offsetpers en het betere drukresultaat com-

penseren echter de meerkosten van dit procédé ten opzichte
van hoogdruk. De vlakdruk beelddrager heeft een betere

weergave dan het loodtype en dat speelt bij kleurendruk een
overwegende rol.

• De
diepdrukbeelddrager
is een cylinder, waarin de druk-

kende delen zijn geëtst. De cylinder wordt in de pers gehan-
gen, ingeïnkt en afgeschraapt met een mes. De inkt die in de
uitgeëtste napjes blijft hangen, wordt direct aan het papier
overgedragen. De diepdrukpers ligt in dezelfde prijs als een

overeenkomstige maat hoogdrukpers; inkt en papierkwali-
teit verhogen de kostprijs minder dan bij offset. De kleur-

weergave en de beeldcontrasten zijn beter dan bij offset.
Diepdrukkwaliteit overtreft de beide andere drukprocédé’s;

de tijdrovende voorbereiding van de beelddrager en de

kosten van het galvanisch recupereren van de gebruikte
cylinder maken de diepdruk duur en beperken het gebruik

ervan tot zeer grote oplagen. Diepdrukmachines kwamen

begin deze eeuw in gebruik; de toepassing richt zich op tijd-

schriften en reclamedrukwerk met grote verspreiding.
• De
flexodrukbeelddrager
is van rubber, gevulcaniseerd
in de papiermaché hoogdrukmatrjs. Het zetten en drukken
verloopt volgens het hoogdruk-principe. De toepassing van
flexodruk beperkt zich tot verpakkingen en formulieren

waarbij de drukkwaliteit een ondergeschikte rol speelt. In

deze studie wordt flexodruk verder onder hoogdruk gere-

kend.

• De
zeefdrukbeelddrager
is een sjabloon van zijde of
kunststof, waarvan de drukkende delen de inkt doorlaten.

Het sjabloon wordt onder’ de inktbak bevestigd; met een
mes drukt men de inkt door het sjabloon op het papier. De

kwaliteit van het beeld is hoog, maar het proces is zo traag,
dat het slechts voor kleine oplagen hoogwaardig drukwerk
toegepast wordt. Naast de drie andere drukprocédé’s neemt

zeefdruk een onbeduidende plaats in bij de verdeling van het
grafisch orderpakket.

Technologische ontwikkelingen op korte termijn

De fotografie en de kunststoftechnologie hebben sinds de jaren vijftig nieuwe mogelijkheden voor de grafische indus-

trie geopend. Hoewel het offsetprincipe al in 1803 door Senefelder was ontwikkeld, heeft de toepassing moeten

wachten op verbeteringen in film- en fototechniek en op de
mogelijkheid consistente lichtgevoelige lagen op een metalen

offsetplaat aan te brengen. De offset kwam zodoende pas
rond 1950 tot ontwikkeling, parallel met de methoden van
fotografisch zetten. Het langzame, arbeidsintensieve en vuile

loodzetproces wordt steeds meer vervangen door het pro-
jecteren van letters op film of fotopapier. Simpele fotozet-

machines hebben de letters op filmstrips, in een mechanisme

dat letterkeuze en vergrotingsfactor regelt via een aanslag

op het toetsenbord. Meer geperfectioneerde machines wor-

den door een computer gestuurd en bouwen de letters via

elektronische signalen, digïtaal, op een beeldbuis op.

De mogelijkheid om het zetsel direct op film te vervaar-
digen heeft het offsetproces het voordeel gegeven van een
snelle beelddragerfabricage, en daarmee een voorsprong op

de hoogdruk. Uiteraard hadden de hoogdrukbedrjven er
belang bij hun achterstand ten opzichte van de offset in te

halen en eveneens op fotozetten over te gaan. Dit werd mo-gelijk door de toepassing van lichtgevoelige polymeren, die

uitgesmeerd op een metalen drager, door belichting via een

negatief, uit kunnen harden tot een beelddrager met reliëf
geschikt voor de hoogdruk. Deze ontwikkeling vermindert

de voorbereidingskosten van de hoogdruk en verhoogt de

betrouwbaarheid van de beeldweergave, waardoor de snel-

lere hoogdrukrotatiemachines weer concurrerend kunnen

werken met de offsetrotatie. Een vergelijkbare ontwikkeling
van fotopolymeer wikkeiplaten voor de diepdruk zal in de
komende jaren bedrijfsgereed zijn, waardoor de diepdruk-

beelddrager zoveel goedkoper wordt dat het procédé al bij

geringe oplagehoogten succesvol tegen offset kan concurre-
ren.

De vraag zou kunnen worden gesteld waarom drukkers

niet eerder overstappen op het gunstigste drukprocédé. Af-

gezien van de economische bezwaren van hoge investeringen
voor kleine bedrijven, ligt de oorzaak in de trage technolo-

gische en economische veroudering van de solide druk-

persen. De conceptie van de drukpersontwerpers evolueert

bijzonder langzaam; 10 of 20 jaar oude persen verschillen
maar weinig van recente uitvoeringen.
Technologische ontwikkelingen op lange termijn

Hoge loonkosten stimuleren tot automatisering; de ma-
chine doet het werk van de mens sneller en betrouwbaarder.

De elektronica en de dataverwerkingsmogeljkheden staan ook voor de grafische industrie open. Alleen al uit hoofde
van reproduceerbaarheid van de kwaliteit en controleerbaar

heid van het bedrjfsgebeuren verdient automatisering de

belangstelling. Kleine ,,special-purpose”-computers bieden

de mogelijkheid om stap voor stap, bouwdoosgewijze, de

menselijke handelingen door machines over te laten nemen.
De vierde generatie computers verwerken tekst en beeld digitaal; naarmate de software voor deze machines in de

volgende 10 â 15 jaar tot stand komt, zal het beeld van een

grafisch bedrijf zoals hieronder weergegeven totaal veran-
deren.

• Terminals, bestaande uit een beeldbuis en een toetsen-

bord, worden gebruikt om de tekst te genereren, te corri-
geren en te redigeren. De gerede kopij wordt door de

terminal in de computer gevoed voor het afbreken van

woorden en uitvullen van regels op gelijke lengte. De

computer slaat de tekst op in zijn buffer totdat het signaal

komt voor het doorgeven naar de foiozetmachine en het
afdrukken op film of fotopapier. Ineen uiteindelijke vorm

zou de computer zelfs direct de drukpers kunnen acti-
veren.

• Scanners kunnen beelden aftasten en omzetten in digitale informatie, die de computer verwerkt en laat afdrukken,
zoals de tekst.
• Terminals

voor grafische vormgeving zijn in staat tekst
en beeld uit de computer op te roepen, volgens een coör-

dinatensysteem op de beeldbuis te brengen, zodat een

operator het beeld kan samenstellen uit het beschikbare
materiaal van beeld en tekst om de pagina’s te formeren.

• Elektrostatische- en elektronische drukprocédé’s maken
de beelddrager overbodig en brengen de computeroutput
direct op papier. Inkjetprinting is een methode waarbij

een inktmist, in een elektronisch krachtenveld, tot letters
en beelden wordt gevormd en op het voorbijkomende
papier wordt geprojecteerd. Het systeem lijkt in principe

91

op een tv-ontvangsttoestel, waarbij een elektronenstraal
het beeld op de buis aftekent; de inkjetprinters zijn via

een kabel- of telefoonverbinding aan een computer ge-

koppeld en ontvangen continu de bekrachtigingsimpulsen
voor de opeenvolgende beelden en teksten. De elektro-

statische machines werken op een principe dat vergelijk-
baar is met de kopieerapparaten en kunnen ook continu
vanuit een computerbuffer worden gevoed.

De vier genoemde ontwikkelingen zijn op het ANPA-

congres in Houston 1975 gedemonstreerd. De software was
nog vrij simpel en daarmee bleven de toepassingsmogelijk-

heden beperkt. V66r 1990 verwacht men echter dusdanige
toepassingen van deze apparatuur operationeel te hebben,
dat het de arbeid in de grafische industrie totaal verandert:
De hele beelddragerfabricage verdwijnt en daarmee beroe-

pen als zetter, opmaker, lithograaf en chemiegraaf. Elke
kantoorkracht kan een terminal bedienen en het grafische

vakmanschap wordt als programma in de computer aange-
bracht.

De grafische produkten

Geen technologie heeft zin als zij niet produkten levert
waaraan de samenleving behoefte heeft. In de sterk technisch
georiënteerde grafische bedrijfstak heeft men de neiging om

meer naar de werkwijze te kijken dan naar de produkten.

De oorzaak is, dat niet de drukker, maar de opdrachtgever
het produkt ontwerpt en ontwikkelt. De drukker levert
slechts de dienst van het uitvoeren.

Ten einde de produkten van de grafische industrie be-

spreekbaar te maken is de veelheid van artikelen in zeven
hoofdgroepen verdeeld:

• kranten, dag- en weekbladen, gedrukt op krantenpapier,

losbiadig en zonder specifieke afwerking;
• tijdschriften en periodieken, die in de rug verlijmd of ge-
niet worden;
• boeken en brochures;

• verpakkingsdrukwerk, zoals dozen, etiketten, wikkels en
bijsluiters, gedrukt op papier, karton of kunststof;

• reclamedrukwerk, folders, catalogi, affiches en hand-outs, gedrukt in zwart-wit of kleuren;

• organisatiedrukwerk, zoals ponskaarten en formulieren;

• een restgroep, waartoe alles behoort van visitekaartjes,

ansichten en wenskaarten, tot postzegels, waardepapieren
en aftrekplaatjes toe.

De kranten vormen de grootste groep. Hun ontstaan

heeft, in de 19e eeuw, de aanzet gegeven tot de automatise-

ring van Gutenbergs zet- en druktechniek. Slechts enkele na

1950 opgekomen bedrijven gebruiken offsetmachines; de overgrote meerderheid van de kranten wordt in hoogdruk
vervaardigd.

Vanuit kwaliteitsoogpunt is de krant een wegwerpartikel,
vandaar dat men slechts eisen van leesbaarheid en niet van

houdbaarheid stelt. Het goedkoopst mogelijke papier en inkt
worden ervoor gebruikt. Kleurendruk wordt alleen in de
vorm van ,,spots” toegepast om aandacht te trekken voor
een kop of een advertentie. Vierkleuren-prenten komen

slechts zelden voor, daar het de krant duur maakt en de aan-
trekkelijkheid voor de lezer niet verhoogt.

Het fotozetten is door de kranten gestimuleerd; bij de

grote hoeveelheden tekst die in de kortst mogelijke tijd moe-
ten worden gezet, betekent het afschaffen van het arbeids-
intensieve loodzetproces een grote kostenbesparing.

De tijdschriften vallen uiteen in drie categorieën: ontspan-

ningsiectuur, opiniebladen en wetenschappelijke publikaties.
Kleur speelt vooral in de ontspanningslectuur een rol; bij

grote oplagen kiest men daarom voor diepdruk en bij kleine
voor offset. Opiniebladen bieden tekst; voor grote oplagen komen zowel offset- als hoogdrukrotatie in aanmerking en

voor kleine oplagen vellenoffset. De kleine -oplagen weten-

schappeljke publikaties worden meestal in vellenoffset ge-drukt; hoogdrukvellenmachines zijn te traag door de zware

loodmassa van de beelddrager, om oplagen van enig formaat
tijdig te kunnen afleveren.

Ook voor de tijdschriftenproduktie is automatisering van

de tekstverwerking en fotozetten een belangrijke besparing,

vooral omdat het de gelegenheid geeft om het werk door
ongekwalificeerde kantoorkrachten te laten doen in plaats

van door dure grafisch geschoolde zetters.

Boeken en brochures zijn de oudste produkten van de grafische tak. Hoog- of boekdruk verliest echter hier uit

kwaliteitsoverweging het veld ten gunste van de offset.

Pocketbooks en telefoonboeken blijven op de hoogdruk-
rotatie vanwege hun grote oplagen, maar kleine oplagen van
dure boeken gaan naar de vellen-offset.

Het structuurrapport signaleert de ontwikkeling van een
nieuwe machine die in één werkgang het druk- en bindproces
van boeken uitvoert. Natuurlijk is het alleen lonend zo’n

ingewikkelde installatie toe te passen voor grote series ge-
lijk-nrmige produkten; het produktieverlies van de insteltijd
zal door een lange ,,run” moeten worden gecompenseerd.
Voor de kleine drukker of binder is zo’n investering natuur-lijk niet haalbaar.

Het overgrote deel van het reclamedrukwerk wordt in
offset uitgevoerd door de korte voorbereidingstijd en de
mogelijkheden van kleurendruk. Hoogdruk heeft wat zwart-

wit-opdrachten en enkele hele grote oplagen gaan naar de
diepdruk. Toch heeft offset een nadeel: het ontbreken van
een constante en meetbare kleurkwaliteit. De voeding van
vochtwater en inkt eist continue bijsturing om het kleurcon-
trast binnen de grenzen te houden en dat is afhankelijk van

het oog van de drukker. Daar reclamedrukwerk deel uit-

maakt van een campagne en zowel de voorbereidingstijd van
de lithografie, als de kwaliteit, kritiek is, geven de reclame-
bureaus de voorkeur aan twee types bedrijven:

• Kleine drukkerijen, die de opdrachtgever toestaan aan de

pers de kleurkwaliteit af te stemmen. Deze bedrijven geven

hun drukkers produktie- en kwaliteitssturing in handen, sparen de kosten van planning en kwaliteitscontrole uit,

maar werken minder efficiënt en met veel hogere produk-tiekosten. Vanwege de mogelijkheid zelf aan de pers in te

grijpen, accepteert de opdrachtgever echter de hogere
prijs.

• Grote drukkerijen met een vast klanten- en opdrachten-

areaal; hun ervaring daarmee staat hen toe de individuele

orders te overzien in hun aspecten van doorlooptijd en
kwaliteitseisen, zodat de opdrachtgevers zekerheid krijgen
over de correcte levering op de afgesproken termijn.

Internationaal ziet men dat bedrijven met 50 tot 150 werk-
nemers minder orders krijgen, achteruit gaan, fuseren of
verdwijnen.

Reclamedrukwerk bevat doorgaans meer beeld

dan tekst; dit soort van bedrijven hoeft dan ook geen computergestuur-

de fotozetapparatuur te hebben, volstaat met goedkope,
handmatige installaties, maar legt zich toe op hoge stan-
daards van lithografievervaardiging om de voorbereiding
snel en doeltreffend te maken.

In dit verband moet worden opgemerkt, dat de beelddra-gerfabricage eenmalig is per order. De bedrijfsdrukte in de
voorbereidende afdelingen, zetterj en lithografie, is afhanke-

lijk van de oplagehoogte van de drukorder. Voor bedrijven
met een eigen voorbereiding geldt hetzelfde probleem als
voor de machinefabriek met een eigen gereedschapsmakerjj:

ten behoeve van een snelle levering is de bezetting van de

voorbereiding sub-optimaal en dat werkt kostprjsverhogend.

Grote orders op het gebied van Organisatie- en verpak-

kingsdrukwerk worden op specifieke machines gemaakt.
Deze drukkerijen kunnen veelal op voorraad werken, daar de orders repeterend zijn. Zij bieden hun klanten een afge-
rond en vast pakket van diensten aan en kunnen zich daar-

mee onmisbaar maken. Deze bedrijven hebben de mogelijk-
2

ESB 22-9-1976

919

we

Geld- en kapitaalmarkt

Rente- en valuta-onrust

DRS. J. C. PRANGER*

De geldmarkt als rente-vijver

Naar het type transactie kan men op

de geldmarkt een aantal deelmarkten
onderscheiden. Te denken valt aan de
markt voor daggeldleningen, kasgeld-

leningen, termijndeposito’s e.d. In som-

mige gevallen gaat van de gebeurtenissen

op de geldmarkt bovendien een invloed

uit op de tarieven van andere finan-

ciële fenomenen met een korte looptijd

zoals het krediet in rekening-courant.

Bezien vanuit het oogpunt van tarief-

vorming kan men de daggeldmarkt –
waarop zich de handel in dagelijks
opzegbare leningen tussen rekening-
houders bij De Nederlandsche Bank

(DNB) (voornamelijk banken derhalve)

afspeelt – als centrum beschouwen. De
beweging in de daggeldtarieven wordt af-

gezwakt teruggevonden in de tarieven

voor kasgelden (kort-lopende leningen

aan lagere overheid en (nuts)bedrijven)
en de tarieven op termijndeposito’s (om-
vangrijke bedragen welke voor een vaste

termijn bij banken geplaatst worden).

De afzwakking is sterker naarmate de
looptijden van de kasgelden en termijn-

deposito’s langer zijn. Aan de rand van

het geldmarktgebeuren bevindt zich het

rekening-courantkrediet van banken
aan cliënten. De tariefbeweging in de

geidmarkt verplaatst zich als het ware
van het centrum naar buiten. Slechts

grotere, in het centrum ontstane, tarief-

veranderingen zullen de rand (langere
looptijden van kasgelden en termijn-

deposito’s en het rekening-courantkre-

diet) bereiken.

Voor de doorwerking van de tarief-

verandering is ook van belang de ver-
wachte tijdsduur van de tariefverande-

ring. Tussen deze verwachte tijdsduur

en de omvang van de renteverandering in
de daggeldmarkt zal een zeker verband
bestaan. Hoe groter de omvang van het
geldmarkttekort is, hoe hoger het dag-

geldtarïef zal zijn. Naarmate het langer zal duren voordat het tekort verdwenen

is, zal de beïnvloeding van andere deel-
markten groter zijn.

De geldmarkt is in evenwicht als de
banken te zamen vorderingen noch

schulden bij DNB hebben. Deze nul-

situatie waarbij vraag en aanbod van

daggeld gelijk zijn zal zich uiteraard in

de praktijk slechts hoogst zelden voor-
doen. De daggeldmarkt is dus normaliter

niet in evenwicht. Nu gaat van een be-

trekkelijk bescheiden saldo in de markt
van bijv. een miljard gulden reeds een
belangrijke invloed op de tarieven uit.

Voor de gehele markt is het saldo op

de korte termijn niet te beïnvloeden. De

individuele instellingen zullen echter zo-
wel bij een tekort als een overschot trach-

ten een zo klein mogelijk aandeel in te
nemen. Als gevolg van de acties van de
individuele instellingen zal normaliter
de hoogte van de tarieven nauw samen-
hangen met de omvang van het saldo

in de markt. De omvang van het tekort
of overschot in de geldmarkt hangt af
van een drietal factoren. Zowel de be-wegingen in de bankbiljettencirculatie,

de betalingen van en aan het Rijk als
valuta-aankopen en valuta-verkopen

door DNB veranderen het saldo in de

geldmarkt. De omvang van deze be-

talingsstromen is zodanig groot dat voor de geldmarkt als geheel een mutatie van

het saldo met honderden miljoenen
per week normaal is.

Zou men de geldmarkt onbeïnvioed
laten dan zou het rentebeeld zeer wisse-
lend zijn. Daarom treedt DNB regule-

rend op. Over het algemeen heeft echter

het rentebeleid geen zelfstandige plaats.

Het rentebeleid wordt als afgeleide van
het monetaire beleid (beleid t.a.v. om-
vang liquiditeitenmassa, groei krediet-

verlening e.d.) en het valutaire beleid

gevoerd.
Dit betekent dat de acties van DNB

ten aanzien van de geldmarktrente zowel

dempend als verscherpend kunnen zijn.

Een voorbeeld van dempend ingrijpen

is de invoering van een kasreserve in

een ruime markt. Hiermee wordt ruimte

tijdelijk afgeroomd en een al te scherpe
daling van de geldmarktrente tegen-

gegaan.
Evenzo kan een scherpe stijging van de
tarieven in een verkrappende markt

door beleningstransacties of verruimen-
de valutaswaps worden tegengegaan.

Indien (bijvoorbeeld vanuit de valuta-

situatie) geen contra-indicaties worden
gegeven zullen de acties van DNB veelal

demping van al te grillige rentebewegin-

gen inhouden.

Onverwachte ontwikkelingen

Toch is het beleid niet altijd op dern-
ping van rentefluctuaties gericht. In

augustus was bijvoorbeeld sprake van

een bewust renteverhogend beleid in een

krappe geldmarkt. Forse renteverhogin-
gen waren namelijk noodzakelijk als

middel om ,de Duitse mark beneden het

bovenste interventiepunt ten opzichte
van de gulden te houden. Een terugblik
vanaf het begin van 1976 leert dat deze
situatie over het algemeen niet ver-

wacht werd.
In het begin van het jaar was de markt-
positie krap; een hoge rente werd door

* De auteur is medewerker bij het Econo-
misch Bureau van de AMRO-bank te Am-
sterdam.

heid hun orders zo efficiënt uit te voeren, dat een drukker

met algemene machines en zonder specifieke ervaring, nooit
met hen in concurrentie kan treden. De orders zijn vrij ge-
lijkmatig over de drukprocédé’s verdeeld. Tekstverwerking

speelt een geringe rol, lithografie een belangrijke; men werkt

meer aan efficiency-verbeteringen, dan aan vernieuwingen
van het produktieproces.
Samenvattend kan worden gezegd, dat de offset in opmars is, vellenhoogdruk afneemt en diepdruk mogelijkerwijze een
grote vlucht zal nemen ten koste van de hoogdruk- en offset-

rotatie. (Vellendiepdrukmachines worden praktisch niet
gebruikt vanwege de hoge kosten van de beelddrager). Het

invoerenvan fotozetten speelt vooral in de kranten-, boeken-

en periodieken-bedrijven een rol. Naar verdere technologi-

sche ontwikkelingen kijkt de grafische ondernemer niet uit.
H. H. Werthauer

920

DNB voorkomen door het afsluiten van

speciale beleningen en dollarswaps.

De gulden werd sterk beoordeeld zodat

een (uit conjunctureel oogpunt wense-

lijk) laag niveau van de rente mogelijk

was, ja zelfs noodzakelijk om geidmarkt-

verruimende valuta-interventies zoveel

mogelijk te voorkomen.

Het renteniveau voor drie-maands
kasgeldleningen lag in januari gemiddeld

even boven
5%;
in februari rond 3½%.
Ook in maart en april waren de geld-
markttarieven laag; even onder resp.

even boven de 3% voor drie-maands kas-
geld. De gangbare verwachting in de
geldmarkt was bovendien een ruime

markt tot het najaar. Het overschot

op de lopende rekening zou immers de
gulden vooralsnog sterk houden, terwijl
met het oog op het grote financierings-

tekort van het Rijk in de markt reke-
ning werd gehouden met een diepere

zomerkuil in de kaspositie van het Rijk
dan gebruikelijk. In de tariefstelling

kwamen deze *rwachtingen tot uitdruk-

king in een betrekkelijk gering positief
verschil tussen drie- en zes-maands

tarieven.

Ook uit het beleid van DNB bleek in deze periode een vertrouwen.in de gul-

den. Het beleid was al eerder gericht op

een vermindering van de liquiditeits-

toevoer uit het buitenland. In het kader
van dit beleid vond kapitaalexport plaats
door middel van het toelaten van buiten-

landse debiteuren op de Nederlandse
kapitaalmarkt.

Ten einde de kapitaalmarkt niet al te

zeer te belasten en met het oog op de
positie van de gulden werd eind mei de

toestemming voor dit type kapitaal-
export via de onderhandse markt opge-
schort.
Bij de verslechterende positie van de
gulden welke zich vanaf mei manifes-

teerde speelden revaluatieverwachtin-

gen ten aanzien van de Duitse mark
ongetwijfeld een belangrijke rol. Reeds

vanaf het begin van het jaar waren er

spanningen binnen de slang. Deze leid-
den tot het uittreden van de Franse

franc in maart. In het tweede kwartaal

droeg vrij onverwacht ook de ontwikke-

ling van de Nederlandse betalingsbalans
bij tot een verzwakking van de gulden.
De betalingsbalans over het tweede

kwartaal toonde nl. een opvallend laag
saldo op lopende rekening van slechts

f. 7 mln. (kasbasis). De kapitaalexport

was bovendien opvallend hoog; naast
bovengenoemde emissies deed zich na-

melijk in het beursverkeer een flinke
kapitaalexport (f. 750 mln.) voor.

Rente-stijging

Met de zwakke gulden als impuls be-
gon op de geldmarkt een snelle tarief-

stijging. In mei lagen de drie-maands
kasgeldtarieven nog rond de 4%, in juni
reeds boven 6% en in juli boven 8%.
De ontwikkelingen in augustus leid-

den tot dramatische nieuwe hoogte-

punten in de recente geldmarktgeschiede-
nis met pieken van 15% voor drie-

maands kasgeld. De drie-maands inter-

bank tarieven reikten zelfs boven de 20%.
Het mechanisme startte met het op-

lopen van de koers van de Duitse mark;
gedurende de gehele maand juni bewoog

de koers zich vlak onder het interventie-
punt van f. 106,75 per lOO DM. Aan-

kopen van guldens door DNB ter onder-

steuning van de guldenskoers deden de

deviezenvoorraad verminderen en de
geldmarkt verkrappen.

Met twee discontoverhogingen in juni
volgde DNB de opgetreden rentestijging.

De summiere toelichtingen spraken
dan ook van aanpassing van de feite-

lijke tarieven. De kortiopende tarieven
bevonden zich eind juni zo’n 4% boven

het Duitse niveau, In juli bewoog de

koers van de DM zich gedurende een
groot gedeelte van de maand onder de

f. 106,— bij een renteverschil ten op-
zichte van Duitsland van 4 â 5% voor een-

en drie-maands tarieven. De goud- en de-
viezenvoorraad van DNB onderging
in juli per saldo geen noemenswaardige

verandering. Vooralsnog leek de situatie
gestabiliseerd.

Nu is een valuta-situatie blijvend sta-
biel als er vertrouwen in de stabiliteit
van de situatie bestaat. Het rentebeleid
kan in dit vertrouwen bijdragen indien

het duidelijk maakt dat de positie van een

valuta ook ten koste van een hoge rente

wordt verdedigd. Als technisch middel
om valuta’s te ondersteunen heeft het

rentebeleid uiteraard maar beperkte

betekenis. Indien binnen enkele weken
een valuta-aanpassing van een paar

procent wordt verwacht zal het duurder
worden van de financiering met enkele

procenten op jaarbasis immers weinig
ter zake doen.

In augustus begonnen de moeilijk-

heden echter pas goed. Als antwoord op

de zwakke stemming van de gulden op

vrijdag 30 juli werd met ingang van

2augustus het disconto met een
‘A%
ver-
hoogd tot
5’A%
voor het wisseldisconto

en 6% voor het promessedisconto. On-

danks de oplopende rentestand bleef
de gulden onder druk.

Dit omslaan van de marktpsychologie is een symptoom van een hevige valuta-
onrust. In een normale situatie zal rente-

verhoging koersherstellend werken. Bij
hevige onrust kan een renteverhoging

echter vooral als bewijs van de zwakke
positie van een valuta worden uit-
gelegd. Ook met ingang van 16 augustus

en 20 augustus werden discontoverho-
gingen toegepast. Het wisseldisconto be-

droeg vanaf de laatste datum
7%;
het
promessedisconto 8%. Met het noemen

van deze percentages zijn de hoge geld-markttarieven die in de loop van augus-
tus ontstonden nog niet verklaard.

De hoge rentetarieven werden ver

oorzaakt door de omstandigheid dat d

banken tegen het normale tarief – dat

gelijk pleegt te zijn aan het promesse-

disconto – slechts een zeer beperkt be-
roep op DNB kunnen doen. Indien het

beroep boven het toegestane contingent stijgt gelden hogere tarieven. De kosten

van het beroep zijn hoger naarmate de
overschrijding hoger is. De extra kosten

kunnen bovendien door DNB worden
gevarieerd.

De regeling heeft per bank betrekking

op het gemiddeld beroep over een be-
paalde periode. Ineen situatie waarin de

markt verkrapt door valuta-interventies
en verdere verkrappingen te verwachten
zijn, staan de kosten van een beroep

op de bank dus niet vast, deze worden
pas achteraf bekend. In zo’n situatie

nemen de marktpartijen het zekere voor

het onzekere en bieden hogere tarieven

ten einde ieder individueel het beroep zo

veel mogelijk terug te dringen. De uit het
bedrjfseconomisch toezicht stammende

beroepsregeling werkt dus renteverho-
gend bij plotselinge verkrapping van de

geldmarkt. De regeling werd ingaande

vrijdag 20 augustus fors verscherpt. Te

zamen met de discontoverhoging vorm-
de dit een duidelijke aanwijzing dat een
pariteitsaanpassing in het weekend niet
te verwachten viel. Bij een eventuele over-

schrijding van de contingenten met meer
dan 100% impliceerde de verscherping

dagelijkse vaststelling door DNB van de
rente. Overschrijdingen tussen 50% en

100% van het toegestane contingent kost-
ten vanaf dat moment 4% boven de
normale kosten.

Afnemende spanning

Met deze laatste drastische ingreep

raakte ook de markt van de standvastig-
heid van de monetaire autoriteiten over-

tuigd. De tijd begon in het voordeel van
de autoriteiten te werken; de gulden
stond inmiddels al drie weken onder
druk. In de week beginnende met

23 augustus daalde de mark van f. 1,06
naar f. 1,04 tot midden in de slang.

Met het herstel van de gulden werd nu

de weg Vrij gemaakt voor geidmarkt-
verruimende maatregelen ten einde de

hoog opgelopen rentetarieven weer naar
een normaler niveau terug te brengen.

Ook de bankkredietnemer ondervindt

immers de gevolgen van de crisis aan den
lijve. In naijling op de depositotarieven
werd het rekening-courantkrediet im-
mers in de loop van juni,juli en augustus zo’n 6
1
/2%
duurder.

Het is duidelijk dat dergelijke rente-
verhogingen niet verkieslijk zijn in het

huidige conjuncturele beeld. Evenzeer

is duidelijk dat een devaluatie van de
gulden een ongewenste versterking van

de toch al rijkelijk aanwezige binnen-
landse inhlato.ire tendensen zou inhou-
den. Het is daarom zowel voorde valuta-
positie als voor de ontwikkeling van de
geldmarktrente zeer wenselijk dat zowel

de Miljoenennota als de MEV het nog
prille herstel van het vertrouwen in de

gulden verder ondersteunen.
J. C. Pranger

ESB 22-9-1976

921

(l.M.)

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
medicijnen en techniek:


WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
RO1TERDAM B.V.

Waarin opgenomen: De Wester Boekhandel
Stamboekhandel Rotterdam
Korte Hoogstraat 11 -f3, Rotterdam
Postbus 21333, tel. (010)33 26 8B

T

Vestiging in de Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010) 14 55 11,
toestel 31 15.

Blijf bij

lees
ESB

Mr.
F. C. A.
van Haasteren en Drs. M. van Overeem: Arbeid â la carte.
Stichting

Maatschappij en Onderneming, Scheveningen, 1976, 176 blz., f. 17,50.
Veel discussie rond het bestaansrecht

van uitzendbureaus is emotioneel gela-
den. Nuchtere studies zoals de onder-
havige kunnen ertoe bijdragen de dis-

cussie te ontdoen van haar irrationele

elementen.
In het eerste deel wordt gestart vanuit

de volgende
it’erkdefinitie:
onder uit-

zendarbeid wordt verstaan de arbeid,

op tijdelijke en vrijblijvende basis ver-

richt ten behoeve van een derde, via de

tussenkomst van een uitzendbureau

(blz. 10). Vervolgens wordt het ontstaan
en de organisatie van uitzendbureaus
geschetst. Kenmerkend daarbij is dat
werken op uitzendbasis kwantitatief

niet indrukwekkend is. Zo werd in 1974

hier te lande naar schatting 30.000 man-

jaren uitzendwerk geleverd. Op het totaal
van de 4 mln, manjaren van de afhanke-
lijke beroepsbevolking is dat nog

geen 1%.
Ofschoon uitzendwerk aansluit bij een
groter wordende behoefte om naar eigen

inzicht en keuze zijn tijd te besteden

aan arbeid en andere activiteiten, levert
de uitzendformule in diverse opzichten problemen op. Een aantal problemen is

in het verleden op meer of minder be-
vredigende wijze opgelost. We kennen
de Wet op het ter beschikkingstellen van

arbeidskrachten annex vergunningen-

stelsel; uitzendkrachten zijn onder de
werkingssfeer gebracht van het sociale

verzekeringsrecht; er bestaat een cao
voor uitzendkrachten in de administra-
tieve en kantoorsector.
Ten einde meer inzicht te krijgen in

het aanbod van uitzendkrachten is door

de auteurs een
enquête
uitgevoerd onder

1.271 uitzendkrachten (response: 5 1%).

Interessant zijn onder meer de bevindin-

gen met betrekking tot de motieven om
voor uitzendwerk te kiezen: a. 32% is
eigenlijk op zoek naar een vaste werk-
kring; b. 20% wil uitdrukkelijk tijdelijk

werken; c. 11% beslaat gelegenheids-

werkers; d. 18% betreft ,,professionele”

uitzendkrachten; terwijl e. 19% ander

soortige redenen betreft. Alhoewel de

onderzoekers zelf al de mogelijke inter-

pretatieverschillen bij de beantwoor

ding van de vragen signaleren, lijkt mij
de gepresenteerde classificatie aller-
minst wederzijds uitsluitend (met name

b en c), hetgeen valide conclusies be-
moeilijkt. Typerend is de bevinding dat
de voorkeuren van uitzendkrachten voor
part-time-werk veelal niet gerealiseerd

kunnen worden (blz. 62).

De vraag naar uitzendkrachten wordt

in deze studie opgesplitst in de cate-

gorieën onvoorzien (ziekte, piekbelas-

ting) en voorzien (seizoendrukte,

personeelsverloop e.d.). Met name ten

aanzien van de tweede categorie kan men

zich afvragen in hoeverre cliënten hun

wervingsproblemen doorschuiven naar
uitzendbureaus, getuige bijvoorbeeld

de expansiedrang in de krappe deel-

markten voor administratief en para-

medisch personeel.

Wat de
tijde/ijklieid
van uitzendwerk

betreft, komt in deze studie naar voren

dat a. van degenen die eigenlijk op zoek
zijn naar een vaste werkkring 35% min-
der dan 3 weken op uitzendbasis werkt;
b. 40% van de gelegenheidswerkers
minder dan 3 weken werkt voor uit-
zendbureaus; c. de ,,professionele” uit-

zendkrachten voor 119
ó
langer dan 52

weken werken (zie tabel 12, bijlage c).

Terecht wordt door de auteurs op-
gemerkt, dat het vaststellen van een

maximum-uitzendtermijn, zoals de

vigerende zes-maandstermijn, altijd

arbitrair blijft en bovendien geen

garantie oplevert tegen de permanente
bezetting van vaste arbeidsplaatsen door
tijdelijke krachten.
In het tweede deel van de studie

passeren een reeks knelpunten
de revue,

zoals de problematiek van de koppel-
bazen en onderaannemers, wier activi-

teiten ten onrechte nogal eens worden
geïdentificeerd met die van de uitzend-

bureaus. Voorts komt de rechtspositie

van de uitzendkracht ter sprake, met
name de contractuele relatie tot het
uitzendbureau. Diverse standpunten
worden gereleveerd zonder dat de schrij-
vers zelf een uitdrukkelijk standpunt

innemen; een stellingname die ik me kan

voorstellen gezien de vele complicaties

die zich in de praktijk blijken voor te

doen.
Ook de kwestie van de sociale zeker-

heid komt ter sprake (premiebetaling,

ziekteverzuim, oneigenlijk gebruik).

Een bijzonder knelpunt vormt de vraag

in hoeverre de dienstverlening van de

uitzendbureaus moet worden gezien als

arbeidsbemiddeling met winstoogmerk

en dienovereenkomstig zou moeten wor-
den verboden. Als men de activiteiten

van uitzendbureaus in strijd acht met de
geest van de Arbeidsbemiddelingswet

1930, zo concluderen de auteurs terecht,
dient tevens de toelaatbaarheid van alle

andere bemiddelingsactiviteiten (adver

tentiemedia, organisatiebureaus enz.)

in twijfel te worden getrokken.

Als laatste discussiepunt fungeert

het uitzenden zonder winstoogmerk
zoals dat door de Stichting Rijn- en

Drechtmetaal en door diverse andere

stichtingen, gelieerd aan Gewestelijke

Arbeidsbureaus, wordt gedaan.
Ei’aluerend:
het betreft hier een goed

gedocumenteerde studie, die aan de hand

van enig enquêtemateriaal de problemen
rond uitzendwerk op een rij zet. Gekozen

is voor een nuchtere bescheiden opzet,
toegankelijk voor een breed geïnteres-
seerd lezerspubliek. Treffend is de op-
merking in het ,,Ten geleide” (blz.
5),

dat veel emoties rond het uitzendwezen

zijn terug te voeren tot maatschappe-
lijke discussiepunten als arbeidsethos,
mobiliteit, flexibiliteit, emancipatie.

Sterker, men krijgt de indruk dat uit-zendbureaus, los van bij hen te con-

stateren gebreken, nogal eens als zonde-

bok worden opgevoerd voor allerhande

maatschappelijke onvolkomenheden:
de geringe kwaliteit van veel soorten

werk, de marginaliteit van de personeels-
functie binnen arbeidsorganisaties, de

onverdraagzaamheid jegens de behoefte
bij jongeren zich niet voortijdig te binden

enz.
H. J. van de Braak

922

Auteur