Ga direct naar de content

Jrg. 60, editie 3018

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 10 1975

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

10SEPTEMBER 1975

est

STICHTING HET NEDERLANDS 60eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3018

Vernieuwde SER

Drs. J. W. de Pous geeft niet vaak zijn persoonlijke mening

over actuele economische problemen. Soms acht hij het ech-

ter wenselijk bepaalde ideeën te lanceren. Dat doet hij dan op

een onverbeterlijke wijze. Zo interviewde hij zich zelf in

De Haagse Post
van 22 september 1973. Ook zijn redevoering
ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de SER op
3 september jl. was iets bijzonders, zowel qua presentatie
als qua inhoud. Ik zal mij tot de inhoud beperken.
Drs. De Pous’ rede was een pleidooi voor indicatieve
planning, die als volgt werd gedefinieerd: ,,Bij het jaarlijkse

overleg over maatschappelijk-economische vraagstukken
zullen overheid en bedrijfsleven de ontwikkeling moeten
indiceren die zij in hun sector voorzien om vervolgens door
afstemming van de beleidsvoornemens te komen tot een
consistent geheel, dat dienstig is om de gestelde maatschap-
pelijke en economische doeleinden te realiseren en als een

maatschappelijk kader-convenant kan functioneren”. Dat
kader-convenant kunnen we beschouwen als het sociale
akkoord, dat tot nu toe geen succes had. Het is het resultaat
van het overleg op macro-niveau en mag volgens De Pous
geen gedetailleerd, kwantitatief uitgewerkt structuurplan

zijn, maar moet zijn ,,een kwalitatieve omschrijving der

doelen met een kwantitatieve afstemming van de meetbare
grootheden, opdat van een consistent geheel sprake zal zijn”.
Deze cryptische formulering wint aan duidelijkheid indien
we kennis nemen van de uitwerking van dat convenant.
Wat dat betreft, moet ik er allereerst op wijzen dat De Pous
pleit voor een herijking van de in 1951 door de SER gefor-muleerde vijf sociaal-economische doelstellingen, die zijns
inziens thans te economisch georiënteerd zijn. Hij wenst
zelfs een nieuw SER-document waarin de in de maatschappij
gerjpte opvattingen over de maatschappelijke en econo-
mische doelstellingen zijn vastgelegd. In de tweede plaats
moet ik erop wijzen dat De Pous pleit voor een overleg-
structuur op sectoraal niveau. Dit pleidooi is het belang-
rijkste onderdeel van de rede omdat zij aansluit op de tot nu
toe gevoerde discussie over het sector-structuurbeleid of
industriebeleid. Deze meso-overlegstructuur vormt de scha-
kel tussen het macro-kader-convenant en de micro-structuur van de onderneming.

De meso-structuur is het terrein van het Nederlandse
systeem der publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties die
– De Pous geeft dat toe – zich niet heeft ontwikkeld over-
eenkomstig de verwachtingen die ten tijde van de totstand-

koming van de Wet op de PBO in brede kring bestonden.
Het is genoegzaam bekend dat de PBO er niet in is geslaagd
de herstructurering van bedrijfstakken en de afbouw van

bedrijven optimaal te begeleiden. De COP (onderdeel van de
SER) introduceerde daarom haar sectorale informatie-
mechanisme dat evenwel tot nu toe weinig opgang maakt.
Hoewel De Pous de COP niet noemde, blijkt uit het volgende

citaat duidelijk dat hij achter haar voorstellen staat: ,,Een
sectorale overlegstructuur, zou een belangrijke bijdrage kun-
nen leveren in het tot stand brengen van een informatie-
mechanisme, dat gegevens zou kunnen verschaffen welke

voor een verantwoord beleid nodig zijn. Tevens zou deze informatie de grondslag kunnen vormen voor een vrucht-
baar en meer systematisch overleg tussen de overheid en de
betrokken groeperingen van de sector”.

Uit het vorenstaande blijkt duidelijk dat De Pous zijn
SER nieuw leven wil inblazen. De opvatting van A. F. van
Zweeden en L. J. de Wolff in
NRC Handelsblad
van
29 augustus jl. dat door een dergelijk sector-structuurbeleid ,,de PBO een soort renaissance zou kunnen beleven”, krijgt
hierdoor steun.

De SER faalde overigens niet alleen ten aanzien van de
sector-structuurpolitiek. De Raad wist op den duur ook geen
raad meer met de democratische besluitvorming op macro-
niveau. Het vooral door linkse kringen ter discussie stellen
van het harmoniemodel deed de SER, die daarop is ge-
baseerd, bepaald geen goed. De Pous bleef daarover vaag,
hoewel hij pleitte voor een goed samenspel tussen overheid
en bedrijfsleven. Hij deed in dat verband – in de geest van spreiding en nivellering – het voorstel de taken zodanig te

verdelen dat de overheid het economische klimaat de onder-
nemers het leef- en arbeidsklimaat en de vakbeweging het

overlegklimaat verbeteren. Aan de geluiden tot instelling van
bedrijfstakraden, die steeds meer uit de vakbeweging op-
klinken, ging hij voorbij.

Misschien was dat tactiek van De Pous. Hij sprak tenslotte

als voorzitter van de SER en moet het gehele bedrijfsleven
te vriend houden. Niettemin gaf hij duidelijk aan dat het
mogelijk is het sector-structuurbeleid decentraal in handen
van de PBO te houden en uit handen van de centrale N EH EM
en regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Wat dat betreft,

stelde de redevoering van minister Boersma ter gelegenheid
van het 25-jarig bestaan van de SER teleur. Drs. Boersma

trok wel de aandacht door de zoveelste opmerking over toet-
sing van investeringen aan maatschappelijke doeleinden,
maar op de vraag of hijdie toetsing wil laten plaatsvinden
via de encycliek van De Pous, ging hij niet in. De regering laat
ons wel erg lang in het ongewisse.

L. Hoffman

861

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

rz~_i07

Drs. L. Hoffman:

VernieuwdeSER ………………………………………861

Column

Spoorwegtarieven,
door Prof Dr. N. H. Douben ……………..
863

Prof Dr. P. Korteweg:

Begrotingstekorten – een oefening in politieke economie ……….864

Drs. G. J. van Helden:

Investeringsbeslissingen ten behoeve van de elektriciteitsopwekking (1).

De capaciteitsoverschotten van het Elektriciteitsbedrijf voor Groningen
enDrenthe …………………………………………..869

Notitie

Mini-Europa-Bladwijzer,
door Europa Instituut Leiden

873

Dr. H.C. Verwilst:

t
Illegale arbitrage in het dubbele wisselmarktsysteem ……….. ….-

876

Notitie

Korte en lange termijn,
door Drs. L. Hojfinan

877

Energiekroniek

Structuurschema en milieu,
door S. H. Ellens

878

Geld- en kapitaalmarkt

Spaartegoeden,
door Drs. H. S. van der Knoop

880

Mededelingen
…………………………………………..882

Laatst is in een wetenschappelijke studie aangetoond dat er

een signficant positief verband bestaat tussen de omvang

van de winst per bedrijf en het aantal bedrijfsabonnementen

op ESB per bedrijf.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM
.
…………….. . ……………………….. ………….

STRAAT: ………………………………………………….

PLAATS

……………….. …………………………………

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement): ………………………

Ingangsdatum’ ……………………………………………….

Ongefrankeerd opzenden aan: ESB,
Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lam hers,
P. J. Montagne, J. H. P. Pae/inck.
A. de Wil.
Ret/acteur-secretaris.- L. Hofj»ian.
Redactie-mede werkster: Mej. J. Koenen.

Adres:
Burgeniee.vter Oud/aan 50,
Rotterdam-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 II, toestel37ü/.
Bij adreswijziging s.v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kôpij voor de redactie:
in ttveevoud,
getypt. dubbele rege/afstancl, brede marge.

Abonnementsprijs:
f. 109,20 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studenienf 67,60
(‘mci.
4% BTW), franco per pos, voor
Nederland. België. Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies (na ont vangst van stortings/giro-
accept kaart) op girorekening no. 122945
t.n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.

Losse nummers:
Prij..van dit nummerf 3,-
(mnc/. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen, van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierbo ven
vermelde prijs op girorekening no. 8408
t. n. v. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden beëindigd per uulimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam
Lange Haven 141. Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rouerdam-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

A rheidsmarktonderzoek

Balanced International Growih

Bedrijfs-Economisch Onderfroek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vestigingspatroflefl

Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ont n’ikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statisti.ich- Mat hematisch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

862

Prof. Douben

Spoorweg-

tarieven

De prijsvorming van diensten

van overheidsbedrijven blijft een

zaak die tot allerlei misvattingen

aanleiding kan geven. Dat is weer

eens duidelijk geworden nadat de

Nederlandse Spoorwegen in het

nieuws kwamen ten gevolge van de

voorgenomen verhoging der ta-

rieven op 1 september jl. Niet zo-

zeer de prijsverhoging op zich zelf,

maar juist de differentiatie in de

tariefverhogingen heeft de aandacht
getrokken. Sommigen menen hierin

een nivelleringsbeleid te moeten

onderkennen dat nu niet via de in-

komens, maar langs de weg van de

tariefverschillen loopt. Het lijkt

echter – vanuit de economische

theorie geredeneerd – eerder op

een (toevallig) neveneffect dan op

een bewuste actie, deze prijsdifferen-

tiatie in de tarieven van het personen-

vervoer per spôor.

Over de prijsstelling van de dien-

sten van overheidsbedrjven kan de

theoretische economie meer vertel-

len dan in de politieke arena weleens

wordt aangenomen. Wel dient men

dan te accepteren, dat ook het over-

heidsbedrjf een beleid zal moeten

voeren dat onder de klem van de

schaarste gebukt gaat. Daardoor
is het nodig dat er een afweging

plaats heeft van sociale kosten en
opbrengsten die door de activitei-

ten van het overheidsbedrjf wor-

den opgeroepen. Eveneens kan dan

niet worden ontkomen aan het uit-

gangspunt, dat ook de overheids-
bedrijven dienen bij te dragen tot

een maximalisatie van het maat-

schappelijk nut. Hierbij voor dit

ogenblik afziend van de verschillen
tussen maatschappelijke en privaat-

economische kosten en opbreng-

sten, kan op grond van deze uit

gangspunten worden aangetoond,

dat voor openbare nutsbedrijven

een tariefstelling van toepassing

moet zijn waarbij de prijs van de

dienst gelijk is aan de marginâle

kosten. Deze welvaartstheoretische

conclusie betekent echter geenszins,

dat door middel van zo’n tariefstel-

L

1.

ling ook een
kostendekkende exploi-

tatie wordt verkregen. De z.g. grens-

kostenregel leidt niet per dèfi’nitie

tot kostendekking.

Overheidsbedrijven worden ech-

ter in het algemeen omschreven als.

bedrijven die goederen en diensten
op een markt aanbieden tegen prij-
zen (en kosten) die globaal, tot een

,,quitte-positie” leiden. Wordt met

winsten of verliezen gewerkt, dan

zijn er altijd wel lieden te. vinden

die deze situatie negatief beôordelen.

Zij .hanteren daarbij als criterium

de algemene.omschrijving van over-

heidsbedrjf.

Het spoorwegbedrjf kent al ja-

renlang een exploitatie die verlies

oplevert, waardoor de overheid

i.vordt genoodzaak.t in deze situatie

bij te springen door subsidies te

ver.lenen welke het exploitatiever-

lies aanzuiveren. Daardoor komt.

de gang van zakén bij dit overheids-

bedrijf regelmatig in het parlement

ter sprake en weerstaan de politici

de verleiding, nauwelijks om hun

partijpolitieke meningen over de.

tariefstelling te ventileren. Dat daar-

bij de maximalisatie vân het nut,

dat de spoorwegen ppleveren, als

leidraad geldt, kan slechts in uit-

zonderingsgevallen worden aange-

nomen.

De voorgestelde differentiatie

in de tariefverhoging bij de spoor-

wegen kan volgens de welvaartstheo-.

retische maatstaven worden terug

gevoerd tot het zichtbaar maken

van een groter deel van het consu-

men.tensurplus dat bij die reizigers

aanwezig is die als ,,intramarginaal”

kunnen worden âangemerkt. Werkt

een bedrijf in een monopolie-achtige

markt5 .met verlies, dan. kan



.men

proberen& dit verlies te verminderen

– en zelfs geheel te lâten verdwijnen

– door, het consumentensurplusaf

te .romen. .

Nu is het uitermate .moeilijk’om in.

de praktijk de omvang van dit sur-

plus te bepalén en de gebruikers aan

te wijzen bij wie zich dit overschoL

voordoet. Wellicht dat eerder een

surplus verwacht kan worden naar-

mate het inkomen van de gebruiker.

van de dienst’hoger’is. Prijsdifferen-

tiatie in afhankelijkheid van het in-

komen is dan een benadering van de

theoretische situatie die voor de

,praktijk aanvaardbaar kan worden

geacht. Voor de uitvoering van zo’n

prjsdifferentiatie is echter een om-

vangrijke kennis vereist met betrek-

king. tot de inkomens van.de ver-

schillende gebruikers. – Deze ont-

breekt evenwel geheel.. (De loket-

tist(e) kan aan het gezicht van een.

‘potentiële treinreiziger niet zien.

hoe hoog zijn.! haar inkomen ik):.

Wel mag worden verondersteld
dat degenen die eerste klas reizen

in het algemeen over een hoger

inkomen beschikken dan. dè reizi-

gers die zich in de tweede klasse

laten vervoeren.. Deze relatie’. aan-

nemend, is het effectief met het

oog op eew vermindering van het

verlies, om de tarieven voorde eerste

klas met een groter percentage te

laten stijgen dan die voor de tweede

klas reizen. Door zo’n globale tarief-

differentiatie door te voeren, kan

worden bereikt dat: de bijdrage van

de overheid in de vorm van aan-

zuivering van exploitatieverliezen –

kan verminderen. Het
neveneffect

van zo’n prijsbeleid is,. dat de ta-

riefverhoging. een grotere lasten-

verzwaring betekent voor de hogere

inkomenstrekkers dan voor dè

lager betaalden. Is dit een politiek
positief gewaardeerd verschijnsel,

dan’ is daarmet aangegeven dat

,,politiek en economie” elkaar niet

altijd behoeven te dwarsbomen.

Wel is het’ nog van belang erop te

letten, waar hoofdzaak en neven-

effect moeten worden gezocht.

ESB 10-9-1975

…………

.

.

S

.

. ‘5

.

863

Begrotingstekorten — een oefening

in politieke economie

PROF. DR. P. KORTEWEG

De derde dinsdag in september nadert en daarmee de
Mijardennota
van de regering. De mogelijkheid van heilige

beroering in de politieke, economische en financiële wereld is niet uitgesloten, gezien de verwachte aankondiging

van nieuwe stimuleringsprogramma’s en record hegrotingstekorten legen de achtergrond van de huidige grote

werkloosheid, volume-depressie en hoge inflatie. De emoties rondom het te verwachten gat van Den Uyl en Dui-

senberg voor 1975 en 1976 kunnen gemakkelijk een nuchtere beoordeling ervan in de weg staan, aldus Prof: Korte-

weg, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Daarom lijkt het zijns inziens goed
voorafgaand
aan de

presentatie van de Miljardennota 1976 de belangrijkste aspecten van hegrotingstekorien op een ri/ te zetten en in ‘er-

band te brengen niet de economische hoogconjunciuur uit de jaren zestig en met de huidige recessie-depressie.

Op
grond daarvan komt de auteur tot een afwijzing van het na de jaren vijftig gevoerde economische beleid.

De lokatie van overschotten en tekorten

Zolang er sectoren in het economisch leven zijn die wat
ze aan inkomsten hebben niet geheel uitgeven, zolang moe-
ten er ook andere sectoren zijn die minder ontvangen dan
ze uitgeven. Met andere woorden, zolang er sectoren met fi-
nancierings- of begrotingstekorten zijn, zolang moeten er

ook sectoren zijn met financierings- of begrotingsoverschot-

ten. Waar zitten in Nederland de overschotten en de tekor-

ten? De overschotten vinden we met name bij de fondsen en
financiële instellingen (handelsbanken, spaarbanken, levens-

verzekeringsmaatschappijen ed.), waarbij wij als Neder-

landers ons geld aanhouden en onze premies (laten) storten.
De tekorten zijn met name geconcentreerd bij de gezinnen en bedrijven (de private sector) en bij de centrale en lagere
overheid. Tabel 1 brengt dit in beeld.

Tabel 1. Gemiddelde financieringsiekorten
(-)
en -over-

schotten (+) op kasbasis en als percentage van het nationale
inkomen

195611963
196411971
197211974

Financiële

J
Fondsen en financiële
sector

1
instellingen
8,6
10,0 10,8

Private
JGezinnen
sector

lBcdriivcn
J


-1,8 -3,7
-3,1
-2,5

Overheid

……………….
. ………
-3,2
-4,7
-2,0

Buitenland: Saldo lopende rekening
1,7

.

-0,2
3,2

Bron: De Nederlandsche Bank,
Jaars’ers/ag
1974. tabellen 45 en 4.2.

Vier zaken springen in het oog. Allereerst blijkt de over-
heid haar financieringstekort in de jaren zestig sterk te hebben
opgeschroefd en het in de jaren zeventig fors te hebben af-

geknepen. Ten tweede blijkt dat ook de private sector het
relatieve niveau van haar financieringstekort over de jaren
zestig sterk verhoogd heeft, terwijl ze het over de jaren ze-ventig op dat hoge relatieve niveau handhaafde. Ten derde

blijkt dat het relatieve overschot van de financiële sector in de jaren zestig op een veel hoger peil is komen te liggen en

daar over de jaren zeventig op is gebleven. Tenslotte blijkt

dat de Nederlandse economie als geheel tegenover het buiten-

land als geheel over de jaren zestig ongeveer in evenwicht vertoefde, maar zowel over de jaren vijftig als zeventig als

surplusland ten opzichte van het buitenland uit de bus
kwam.

De achtergrond van overschotten en tekorten

Overschot-sectoren hebben meer inkomsten dan uitgaven

en kunnen per saldo meer uitlenen dan ze teruglenen. Te-
kort-sectoren geven meer uit dan ze ontvangen aan lopend
inkomen en moeten daarom per saldo meer lenen dan uitle-

nen. in andere woorden: overschot-sectoren zijn per saldo
de schuldeisers in onze economie en tekort-sectoren de

schuldenaars.
Tekort-sectoren moeten, om de overschotten van de

overschot-sectoren te pakken te krijgen, per saldo financiële titels zoals schuldbekentenissen en aandelen emitteren tegen
zodanig voordelige voorwaarden dat de overschot-sectoren
bereid zijn hun overschotten in ruil voor genoemde titels
over te dragen. Op de wat langere duur zullen overschot-
sectoren alleen bereid zijn hun overschotten in ruil voor ti-
tels over te dragen als ze met een redelijke mate van zeker-
heid kunnen verwachten dat hun overdrachten niet verloren

gaan en de gewenste vrucht dragen. Tekort-sectoren zijn
dus in principe genoodzaakt de aan hen overgedragen over-
schotten rendabel aan te wenden. Het gebruiken van de
overschotten voor consumptieve doelen mag dan wellicht
plezierig zijn voor de tekort-sectoren, voor de overschot-
sectoren levert het uiteindelijk niets op.

Alleen het aanwenden van de overschotten voor investe-

ringen in fysieke kapitaalgoederen (gebouwen, machines,
wegen enz.) en menselijk kapitaal (onderwijs) is uiteindelijk

voor zowel de overschot- als de tekort-sectoren rendabel
omdat alleen op die manier ook in de toekomst de voorzie-
ning met goederen, diensten en werkgelegenheid blijft ge-
waarborgd. Het is dus duidelijk dat de handel en wandel
van de tekort-sectoren in onze samenleving bij het aanwen-
den van de door hen in ruil voor vermogenstitels verkregen

overschotten van groot belang is voor de accumulatie van
menselijk en fysiek kapitaal, en daarmee voor het toekom-

stig wel en wee van de samenleving.

864

De aanwending van de overschotten en tekorten

Voor de private sector (gezinnen en bedrijven) zijn finan-cieringstekorten typisch een middel om kapitaalgoederen te
accumuleren. Met de aan de overschot-sectoren via uitgifte

van vermogenstitels ontfutselde overschotten wordt de aan-
schaf gefinancierd van nieuwe huizen, bedrijfsgebouwen,
outillage en voorraden. Leveren deze kapitaalgoederen op
de wat langere termijn niet de goederen en diensten op die
de samenleving wenst, dan komt het door de overschot-sec-

toren gewenste (en door de tekort-sectoren te betalen) ren-
dement op de door hen aangehouden en aan hen aangebo-

den vermogenstitels in gevaar, waardoor het minder aan-

trekkelijk wordt ze aan te houden. Ter overleving moeten

de tekort-sectoren dan al vlug de tering naar de nering zet-
ten en hun aandacht op rendabeler activiteiten richten.

Lukt ze dat niet dan gaan ze op de fles. Hier raken we aan
een belangrijk attribuut van het systeem van onderne-

mingsgewijze en dus relatief gedecentraliseerde produktie:
het faillissement als instelling om ervoor zorg te dragen dat kostbare mislukkingen en zonder vrucht blijvende activitei-
ten niet het eeuwige leven hebben c.q. geconserveerd wor-
den. Daarmee zijn in de private sector ,,checks and balan-
ces” ingebouwd die op lange termijn garanderen dat de te-
kort-sectoren de door hen verkregen overschotten per saldo
produktief aanwenden in de vorm van accumulatie van
vruchtdragende kapitaalgoederen.
Tabel 2 geeft een globaal beeld van de wijze waarop en
de mate waarin de private sector kapitaalgoederen accumu-
leert. Allereerst valt op dat de neiging tot investeringen in

woningen steeds is toegenomen, hetgeen een versterkte toe-
name in de toekomstige voorziening van woondiensten

impliceert. Ten tweede blijkt zich over de jaren zeventig een geduchte daling van de geneigdheid tot investeren in
vaste kapitaalgoederen (gebouwen en outillage) te hebben voorgedaan in vergelijking met beide voorafgaande perio-
den. Dit kan, afhankelijk van de produktiviteit van deze
investeringen, impliceren een minder snelle stijging van
onze toekomstige produktie van goederen en diensten. Per
saldo blijkt, tenslotte, over de jaren zeventig de totale inves-
teringsgeneigdheid van de private sector te zijn verzwakt in
vergelijking met beide voorafgaande perioden.

Tabel 2. Bruto-investeringen van gezinnen en bedrijven in

woningen, bedrijfsgebouwen en outillage, als percentage van
het nationale inkomen (gemiddeld over de periode)

Woningen
Bedrijfsgebouwen
Totaal
plus outillage

195611963 6,4
15,5
21,9
9641971
7,3
15,3
22,6
197211974
7,9
13,2 21,1

Bron:
Centraal Economisch Plat, 1975.
Bijlage B.

Wat heeft de tweede tekort-sector, de overheid, gedaan met de aan haar toevertrouwde overschotten? Ze gebruikt

de overschotten naast haar overige ontvangsten om er haar
uitgaven mee te financieren. Tabel 3 geeft hiervan een
beeld.

Tabel 3. Bruto-overheidsuitgaven als percentage van het
nationale inkomen (gemiddeld over de periode)

Bruto-overheids-
Kredieten aan Overheids.
Totale
investeringen
bedrijven plus
consumptie,
overheids-
overig kapitaal-
lonen en salarissen,
uitgaven
uitgaven
subsidiet, rente-
betalingen en
inkomensover-
drachten ed.

95611965
4,6
6,2
24,2 35,0
966/1972
5,2
5.2
27.0 37,4
1973/1974
4,1
4,6
31,1
39,8

Bron:
Centraal Econon,isd, Plan 1975,
Tabel 111.25.

Een aantal zaken vallen op. Het beslag van de bruto-
overheidsuitgaven is over de jaren vijftig, zestig en zeventig

sterk toegenomen. Van deze steeds sneller stijgende over-

heidsuitgaven komt een steeds geringer deel terecht in over-
heidsinvesteringen in de nationale kapïtaalgoederenvoor-
raad. Ging gemiddeld over_ 1956/1965 nog ongeveer
1
13
deel van de bruto-overheidsuitgaven naar kapitaalgoederen,
bedrjfskredieten e.d., over 1973/ 1974 werd nog slechts
1/5

deel in die richting aangewend. Steeds meer is in de loop

der jaren de compositie van de overheidsuitgaven verscho-ven in de richting van overheidsconsumptie, lonen en sala-
rissen, subsidies, rentebetalingen en vooral inkomensover-drachten aan gezinnnen en sociale verzekeringen. De conclusie dringt zich dan ook op dat met name de te-
kort-sector overheid de verkregen overschotten van de

overschot-sectoren relatief steeds minder produktief is gaan
aanwenden. Let wel, we stellen niet dat de overheid de ver

kregen overschotten (en haar andere inkomsten) verkeerd of onnuttig aanwendt. We signaleren alleen dat ze de ver

kregen overschotten en overige middelen steeds minder pro-
duktief aanwendt, steeds minder ter accumulatie van kapi-

taalgoederen die niet alleen nu, maar ook later nog vrucht
dragen. De kwaliteit van het rentmeesterschap van de over-
heid loopt terug in die zin dat haar tekorten steeds meer op huidige en steeds minder op toekomstige behoeftebevredi-

ging betrekking lijken te hebben.

De financiering van de tekorten

Een op wat langere termijn uiterst belangrijke vraag, waar-

aan de Keynesiaans gemodelleerde macro-economie veel te
weinig aandacht heeft besteed, is op welke wijze de tekort-sectoren hun tekorten gefinancierd krijgen. Zoals al gezegd
geven de tekort-sectoren schuldbekentenissen en aandelen

uit op zodanig aantrekkelijke voorwaarden dat de over-
schot-sectoren ze met hun overschotten kopen. Voor zover

evenwel deze vermogenstitels direct of indirect gekocht

worden door de centrale bank, door het geldscheppend
bankwezen met bankkrediet of door het buitenland met

goud en deviezen neemt normaliter en bij vaste wisselkoer-
sen de binnenlandse geidhoeveelheid toe.
Een voortdurende toename van de geldhoeveelheid is no-dig om een voortdurend groeiende produktie soepel te laten
rondlopen en af te zetten. Groeit de geldhoeveelheid even-
wel sneller dan de reële produktie dan ontstaat er ruimte
voor algemene prijsstijgingen (inflatie). Met name in de ja-ren van de relatief grote financieringstekorten bij overheid, private sector en buitenland (1964/1974) is de geidhoeveel-

heid steeds sneller gaan groeien en kwam de geldgroei ge-
middeld steeds verder te liggen boven de groei van de reële
produktie. De aldus ontstane ruimte voor algemene prijs-
stijgingen is niet ongebruikt gebleven. Tabel 4 brengt dit in

beeld.
Tabel 4. De gemiddelde groei van de primaire liquiditeiten-

massa (M), het reële nationale inkomen
(f)
en het prijspeil

(als deflator van het nationale inkomen, j6); in procenten
a)

9

t-9

9

195611963 ……………
5
,
2

3,9

1,3

3,5
196411971
……………
9
,
7

5,4

4,3

6,3
197211974 ……………
10
,
0

2,8

7,2

9.6

Bron: De Nederlandsche Bank,
Jaarverslag 1974:
voor !I tabel 3.1; voor
9, 9
label 4.3.
a) Een extra bron van ruimte voor algemene prijsstijgngen is gelegen in de voortdurende
stijging van de omloopsnelheid van het geld waardoor 5 groter kan zijn dan
M-9.

De rol van inflatie

De tendens in de jaren zestig was aan het fenomeen van
de inflatie niet al te veel aandacht te besteden. De vraag die
veelvuldig retorisch werd gesteld was of men niet met infla-
tie zou kunnen leren leven. De achtergrond van de retoriek
was de opvatting die bij de Ke.ynesiaans georiënteerde eco-

ESB 10-9-1975

8o5

nomen (zijnde het merendeel van de economen) had postge-

vat dat het mogelijk is zich als economie blijvend uit werk-
loosheid en onderbezetting en zelfs in hogere economische groei te infleren.

Deze kortzichtige illusie is inmiddels op de loop der ge-
beurtenissen kapot geslagen. Op korte termijn kan men zich

als economie wellicht Uit de werkloosheid infleren
mits
de
deelnemers aan het produktieproces de opwaartse bewe-
ging van het
algemene prijspeil verwarren met opwaartse bewegingen van specifiek voor hen geldende relatieve prij-

zen 1). Alleen indien aanbieders van goederen en arbeid al-
gemene prijsstijgingen onterecht interpreteren als stijgingen
van de prijzen van hun goederen en diensten relatief ten op-
zichte van alle andere prijzen zullen zij hun produktie uit-
breiden en meer werkgelegenheid creëren en accepteren.
Het klimaat voor het maken van zulke vergissingen werd in

de jaren zestig gecreëerd. De sterke vergroting van de finan-
cieringstekorten van overheid en private sector over de perio-

de 1964/ 1971 op de oorzaken waarvan we later ingaan
– bracht een vergroting van het exces van geldgroei boven
reële produktiegroei en daarmee de ruimte voor een sterke
verhoging van de snelheid waarmee het algemene prijspeil

steeg. Komend vanuit een vrij stabiele periode (1956/1963) met een geringe inflatie, werden de nieuwe en hogere prijs-

stijgingsvoeten door de deelnemers aan het produktiepro-
ces onterecht, maar begrijpelijk geïnterpreteerd als stijgin-
gen van de voor hen relevante prijzen ten aanzien van alle
andere prijzen. Op basis van dit gezichtsbedrog werden

aanvankelijk onterechte produktiebeslissingen genomen. De groeivoet van de reële produktie nam sterk toe (zie tabel 4),

zij het bij vergissing. Minimale werkloosheid, hoge bezet-

tingsgraden, zwarte lonen, koppelbazen, en gastarbeiders
waren het gevolg.
Aan het eind van de jaren zestig hebben de aanbieders
van goederen en arbeid hun lesje geleerd. De prijsstijgingen
bleken permanent, voorzienbaar en algemeen, en bleken

niet alleen hun produkten en diensten te betreffen. De pro-
duktiebeslissingen werden navenant aangepast. De voor-
heen op grond van ,,verkeerde” produktiebeslissingen ont-
stane discrepanties tussen de compositie van de totale vraag

en het totale aanbod worden weggewerkt. Produktiefacto-ren worden gerealloceerd. Over 1972/1974 daalt daardoor

de reële produktiegroei fors. Werkloosheid en onderbezet-
ting lopen op. Deze ontwikkelingen worden tenslotte nog
verder verscherpt door de olieprijsverhogingen en het van
overheidswege gevoerde stringente prijsbeleid.

De zojuist beschreven samenhangen tussen financierings-
tekorten, geldgroei, inflatie en werkloosheid vormen overi-
gens de achtergrond van een oude bekende monetaristische

vuistregel. Deze houdt in dat men de geldhoeveelheid slechts
moet laten groeien met een min of meer stabiel percentage

dat gelijk is aan de trendmatige groei van de produktie.
Zodoende blijft de ruimte voor algemene en voortdurende

prijsstijgingen beperkt, en daarmee de kans op het door
elkaar halen van algemene prijsstijgingen en stijgingen van
relatieve prijzen, met alle vervelende gevolgen van dien.

willen fluctuaties in werkgelegenheid en bezettingsgraad

voorkomen worden. Deze opvatting werd al vlug aangevuld
met een tweede. De overheid zou, behalve stabilisatie van
de totale vraag door een anticyclische begrotingspolitiek,
tevens een voortdurende groei van de produktie gepaard

aan minimale werkloosheid en maximale bezettingsgraad
kunnen bevorderen door via het overheidsbudget voor een

voortdurende expansie van de totale nominale vraag naar
goederen en diensten te zorgen.

Op basis van deze filosofie begonnen over de jaren zestig
de overheidsuitgaven en belastingontvangsten versneld te

groeien ten opzichte van de voorafgaande periode. Tabel
5
brengt dit in beeld.

Tabel 5. Gemiddelde groeivoeten van de overheidsuitgaven
en belastingontvangsten (op kasbasis); in procenten

Bruto-overheidsuitgaven
minus niet belasting-
Belastingontvangsten
ontvangsten

195611963
7,6
7,5
1963/1971
14,3
14,4
1972/1974
13,1
14,4

Bron: De Nederlandsche Bank,
Jaarverslag 1974.
tabellen 5.1 en 5.2.

De enorme versnelling in de groei van de overheidsuitga-ven en belastingontvangsten over de jaren zestig, zoals deze
uit tabel
5
naar voren komt, had verschillende gevolgen.

Een eerste gevolg van deze groeiversnellingen was dat het fi-
nancieringstekort van de overheid over die periode zowel
absoluut als relatief (zie tabel 1) veel groter werd dan in de
voorafgaande jaren vijftig. Een tweede gevolg was dat de
sterke vergroting van het financieringstekort van de over-
heid over de periode 1964/1971 het financieringstekort van

de private sector sterk deed toenemen (zie tabel l). Op dit
gevolg gaan we nu verder in.
De relatie tussen funancieringstekorten

De uit tabel
5
blijkende versnelling in de groei van de be-
lastingontvangsten over 1964/1971 in verhouding tot de er-

aan voorafgaande periode was niet zozeer het gevolg van
tariefverhogingen (die werden gemiddeld genomen juist

verlaagd), maar van de belastingprogressie gekoppeld aan
de nominale groei van het nationale inkomen. Een gevolg

vn de belastingprogressie is dat de belastingdruk automa-

tisch toeneemt als het nationale inkomen nominaal groeit.
Daarnaast nam bovendien de sociale premiedruk toe. Tabel
6 brengt zowel de belasting- als de premiedruk in beeld.

Tabel 6. Gemiddelde belasting- en sociale premiedruk;
als percentage van het nationale inkomen

Belastingdruk

5ociale premiedruk

Totaal

195611963

25.2

9,8

34.0
De oorzaken van de vergrote financieringstekorten

196411971

27,4

14,2

41.6
197211974

30,5

19.3

48,8

Naast inzicht in hoe financieringstekorten worden aange-wend en gefinancierd is het van belang te weten waarom ze
zosterk vergroot zijn in de jaren zestig. Het antwoord is ge-
legen in de Keynesiaanse macro-economische theorie die in
nagenoeg alle westerse landen aan het einde van de jaren
vijftig en het begin van de jaren zestig een vast onderdeel
van de geloofsbelijdenis van de meeste economen en politici
begon uit te maken. Deze theorie gaat uit van de naar het

zich laat aanzien empirisch onjuiste veronderstelling dat de
private sector van de economie instabiel is als ze aan zich

zelf wordt overgelaten. Optredende fiuctuaties in de totale
private bestedingen moeten worden opgevuld en gladgestre-

ken door de overheid via haar uitgaven- en belastingpolitiek,

Bron:
Centraal &onon,isclt Plan 1975,
Bijlage Cl.

Door de enorme verzwaring van de belasting- en premie-

druk die over 1964/1971 plaatsvond konden de private in-
vesteringen, die een vrij hoog en stabiel aandeel van het na-
tionale inkomen bleven uitmaken (zie tabel 2), in steeds

mindere mate uit eigen besparingen worden gefinancierd.

1) Zie R. E. Lucas Jr., Some international evidence on output-
infiation tradeoffs,
American Economie Review,
juni 1973. C. F.
Chrtst,
The economie policyproposals
of
the Joint Economie Corn-miuee
of
the 92nd and 93nd Congresses: An evalution,
Carnegie-
Rochester Conference Paper, april
.
18/19, 1975, blz. 13.

Het gevolg was een grotere behoefte aan externe financie-

ringsbronnen en hogere rentekosten en daarmee een (ver-

dere) aantasting van de mate van zeiffinanciering en het

rendement op kapitaalgoederen. De oplopende belasting-
en premiedruk heeft voorts ook via het effect ervan op de
loonvorming de mate van zelffinanciering en het rendement

op kapitaalgoederen aangetast. Bij de loononderhandelin-
gen is de factor arbeid zich steeds meer gaan richten op het reële beschikbare loon. Gegeven de steeds hoger wordende

infiatieverwachting en de oplopende belasting- en premie-
druk moesten de nominale lonen steeds sneller gaan stijgen
opdat het reële beschikbare loon er nog op vooruit zou
gaan. Daarbij is het reële primaire loon gaan uitlopen bo-
ven de voor ruilvoetveranderingen gecorrigeerde stijging
van de arbeidsproduktiviteit, met als gevolg een oplopende
arbeidsinkomensquote, een datende overige inkomens-

quote, afnemend kapitaalrendement en een verminderde ca-
paciteit tot zelffinanciering.
De voortdurend sterk oplopende belasting- en premie-

druk heeft, via de aantasting van de capaciteit tot zelffinan-
ciering, het financieringstekort van de private sector na de
periode 1956/1963 zowel absoluut als relatief sterk doen
oplopen. Om dezelfde reden bleef dit tekort ook over de jaren
1972/ 1974 op hetzelfde hoge relatieve peil van de periode
1964/1,971, niettegenstaande het feit dat over de jaren zeven-
tig de private investeringsgeneigdheid onder invloed van de
teruglopende rendementen en de afnemende ruimte voor

zelffinanciering wat begon af te zwakken.

De gevolgen van de in de jaren zestig steeds groter wor-
dende absolute en relatieve financieringstekorten van zowel de overheid als de private sector waren, direct of indirect en
gegeven het toen heersende systeem van vaste wisselkoer-
sen, een versnelde groei van geldhoeveelheid en prijspeil.

De uiteindelijke gevolgen daarvan voor werkgelegenheid, be-
zettingsgraad en reële economische groei hebben we hier-
voor reeds beschreven en ondervinden we momenteel aan den
lijve.

De huidige situatie

De vooral sinds het begin van de jaren zeventig stijgende
werkloosheid, dalende produktiegroei en accelererende infla-tie en de huidige recessie/depressie, waarin we verkeren, zijn

mede het gevolg van de Keynesiaans georiënteerde korte-

termijnpolitiek van het hooghouden en opblazen van de to-tale nominale vraag, welke de regeringen van het westelijk
halfrond, inclusief de Nederlandse, over het afgelopen de-

cennium hebben gevoerd.
Wat er nu over ons heen komt zijn de lange-termijneffec-ten van deze politiek. Wat we ervaren, is dat we op de lange

termijn niet allemaal dood zijn. Wat in dit verband opvalt,
is de traditionele preoccupatie van voornamelijk Keynesi-
aans georiënteerde economen met de korte termijn en de
korte4ermijngevolgen van impulsen zoals overheidsmaat-

regelen.
Dit blijkt ook uit de tendens de periode waarop de mo-

dellen van onze economie betrekking hebben steeds korter
te maken. Zo gaan we reeds van jaar- naar kwartaalmodel-
len, terwijl men in de Verenigde Staten al met maand- en

weekmodellen experimenteert. Deze ontwikkeling is in be-

langrijke mate het gevolg van de wens van de betrokken

economen om steeds beter de vragen van regeringen en po-

litici te kunnen beantwoorden omtrent datgene waarin rege-
ringen en politici van nature het meest geïnteresseerd zijn,
namelijk de korte-termijngevolgen van hun voorstellen en
programma’s. Voor de uiteindelijke effecten ervan bestaat
amper belangstelling en de Keynesiaans georiënteerde mo-
dellen van de economie zijn ook onvoldoende toegerust,

vooral in hun monetair-financiële sector, om deze effecten
te berekenen.

Oplossingen die geen uitkomst bieden

De vraag is hoe we uit de huidige economische malaise
moeten komen. Uit het voorgaande zal een ding duidelijk

zijn: volgens schrijver dezes kunnen we ons niet blijvend uit
onze problemen weginfieren door het inzetten van een vol-gende ronde van nog snellere expansie van overheidsuitga-

ven, begrotingstekorten, geldgroei en inflatie. In ruil voor
meer inflatie
nu
krijgt men niet
blijvend
minder werkloos-
heid. De keuze voor minder werkloosheid en hoge inflatie
nu
gaat ten koste van meer werkloosheid en nog hogere infla-
tie
later.
De marktpartijen hebben hun lesje in het onderschei-
den van algemene prijsstijgingen en stijgingen van relatieve
prijzen ondertussen geleerd. Een volgende ronde van stimule-

ren van de totale vraag via de puur fiscale en de monetaire im-
pulsen die met een verdere uitbreiding van de overheidsuitga-ven en het begrotingstekort gepaard gaan, zou slechts beperk-

te effecten hebben op de werkgelegenheid en de produktie-groei en zou met name de inflatie verder omhoog stuwen.

Het wegwerken van de overcapaciteit en zodoende het
herstellen van de rentabiliteit van het kapitaal door een cen-
trale planning van alle investeringen door de overheid is
eveneens geen oplossing, maar symptoom-bestrijding. De

oorzaken van het scheeflopen van de westerse economieën
ligt niet bij het relatief gedecentraliseerde systeem van onder-
nemingsgewijze produktie en informatie-overdracht via
prijzen en markten.

Zoals hiervoor uitvoerig is betoogd, liggen de oorzaken juist bij de fouten van onze westerse overheden die, waar-
schijnlijk met de beste bedoelingen, in de achter ons lig-

gende jaren een economische politiek hebben gevoerd uit de Keynesiaanse keuken gericht op het uitbannen van de werk-
loosheid en het bevorderen van de groei door middel van
een voortdurende expansie van de totale nominale vraag
via expansie van overheidsuitgaven, begrotingstekorten en
geldhoeveelheid, met alle al eerdergenoemde gevolgen van
dien. Volgens schrijver dezes is er daarom historisch gezien

weinig reden om aan te nemen dat centraal door de
overheid genomen beslissingen over de nationale investerin-
gen van betere kwaliteit zullen zijn dan gedecentraliseerd

door ondernemingen genomen beslissingen op basis van
door de markt geleverde informatie.
Een oplossing die mogelijk wel uitkomst biedt

Snelle oplossingen voor de huidige economische proble-
matiek zijn er niet. Kosteloze oplossingen zijn er nog min-
der. De korte-termijnoplossingen volgens Keynesiaans re-cept hebben naar is gebleken onacceptabele lange-termijn-
gevolgen: een zich versnellende inflatie en oplopende werk-
loosheid. De enige aanpak die op wat langere termijn de
gewenste oplossingen brengt en waarbij tevens het relatief
gedecentraliseerde systeem van markten, prijzen en onder-

nemingsgewijze produktie behouden kan blijven, ziet er on-
geveer als volgt uit.

De overheid dient over de komende paar jaren de groei

van haar uitgaven en belastingontvangsten terug te brengen
tot, en daarna te stabiliseren op, het niveau van de trend-

matige groei van de reële produktie van, zeg rond 4% per
jaar. Als gevolg daarvan zal het financieringstekort van de
overheid naar schatting komen te liggen op zo’n 2 â 3% van
het nationale inkomen. Dit relatieve financieringstekort
moet gestabiliseerd worden. In geval van macro-economi-

Met ,,ESB” een beter economisch-politiek inzicht

ESB 10-9-1975

867

sche belastingprogressie dient een meer dan proportionele

endogene belastingstijging te worden voorkomen door be-
nedenwaardse tariefaanpassingen. Daarmee wordt tevens

de lager geworden belastingdruk gestabiliseerd. Een van de

verwachte gevolgen van een dergelijke aanpak is een blij-

vende vergroting van het besteedbare deel van de loön- en
overige inkomens. Het in deze opzet verminderde beslag
van de overheid op de nationale middelen kan daarmee

worden opgevangen door een groter beslag van de private
sector. Daarbij valt te bedenken dat de private bestedingen
voor een groter deel produktief worden aangewend in in-
vesteringen in kapitaalgoederen dan de overheidsbestedin-

gen. Het grotere beslag van de private sector op de natio-
nale middelen behoeft niet te leiden tot een groter relatief
financieringstekort van de private sector en kan zelfs ge-
paard gaan met een kleiner relatief tekort.

Verwacht mag namelijk worden dat de blijvende verla-
ging van de belastingdruk de graad van zelffinanciering van
de private sector, vooral die van bedrijven, zal verbeteren.

Het resultaat van het, in vergelijking met de afgelopen tien
jaren, teruggebrachte relatieve financieringstekort van de
overheid en de private sector samen zal zijn een vermin-
derde toename van de private- en overheidsschuld, een af

remming van de geldgroei, en een verminderde ruimte voor
inflatie. Een langzamer groei van de totale korte en lange
private- en overheidsschuld en minder inflatie zullen op

zich een blijvend lager niveau van rentestanden tot gevolg
hebben, hetwelk de private bestedings- en investeringsge-

neigdheid eveneens positief zal beïnvloeden.
Een tweetal omstandigheden zijn bevorderlijk voor het
welslagen van de bovengeschetste opzet. Allereerst moeten
de relatief teruggebrachte financieringstekorten van over-heid en private sector zo gefinancierd worden dat een sta-

biele geldgroei resulteert die ongeveer gelijk is aan de trend-
groei van de reële produktie. Hier liggen taken voor de
overheid en de centrale bank. Ten tweede zou het van groot
belang zijn dat de overige westerse landen eveneens een
economisch-politieke opzet als boven beschreven zouden
gaan volgen. Doen ze dit namelijk niet en volgen ze in

plaats daarvan de Keynesiaanse receptuur dan zullen er

voor die landen die de beschreven opzet wel volgen beta-
lingsbalansoverschotten ontstaan waardoor de voorspelde

omvang en stabiliteit van de geldgroei en daarmee het wel-
slagen van de hele opzet in gevaar dreigen te komen. Bij ge-
brek aan coördinatie van de voorgestelde economische en
monetaire politiek tussen de westerse landen onderling kan
het mislukken van deze politiek alleen voorkomen worden door tussen (blokken van) landen een systeem van flexibel aanpasbare wisselkoersen te blijven hanteren.

De voordelen van de voorgestelde aanpak zijn dat er een einde komt aan de afwisseling van periodes met lage werk-

loosheid en hoge inflatie door periodes met hoge werkloos-
heid en nog hogere inflatie. In onze opzet zal de werkloos-
heid bij een nagenoeg stabiel prijspeil (naar schatting zal

het met 1 â 2% per jaar infleren) op de wat langere duur
naar verwachting ongeveer 2 â 3% van de afhankelijke be-

roepsbevolking bedragen, daarbij uitgaande van het be-
staan van sociale verworvenheden zoals minimumlonen

e.d.
De kosten van de door ons voorgestelde politiek worden
niet gevormd door een lagere reële produktiegroei. Lagere
inflatie noopt niet tot een blijvend lagere reële groei, net zo

min als men zich blijvend in hogere groeivoeten van de pro-
duktie kan infieren. De kosten van onze aanpak worden ge-

vormd door het feit dat daarmee het huidige hoge niveau
van werkloosheid en onderbezetting niet op zeer korte ter-
mijn (1 â 2 jaar) tot aanvaardbare proporties kan worden
teruggebracht. Maar aan deze kosten ontkomt ook een
Keynesiaans georiënteerde politiek van versnelde expansie
van overheidsuitgaven en begrotingstekorten niet, nu de
prijsinfiatie zo vast in onze samenleving ligt ingebed dat ze voorzienbaar is en verwacht wordt.

P. Korteweg

0

destad Groningen

De Secretatie – afdeling Algemeen

bestuurlijke en economische zaken

vraagt een

bedrijf seconoom

(m/v)

die adviserende bijdragen zal leveren met
name voor de bedrijfseconomische
aspecten van het gemeentebeleid.

Hieronder valt onder meer het maken
van kosten/batenanalyses van

gemeentelijke investeringen.

Gedacht wordt aan een bedrijfseconoom
(drs.) die reeds beschikt over enkele jaren
ervaring in een soortgelijke functie. Nadere functie-informatie wordt graag

verstrekt door de chef van de afdeling,
dhr. H. Huizinga, tel. (050)17 25 62.

Aanstelling is mogelijk tot een

maximumsalaris van voorshands f3.655,-
per maand (excl. toeslag machtigingswet),
afhankelijk van opleiding en ervaring.

Vacaturenummer; 310.385

Overigens zijn de gebruikelijke
rechtspositieregelingen van de gemeente
Groningen van toepassing.
Belangstellenden wordt verzocht hun
sollicitatie – onder vermelding van het

vacaturenummer – binnen 10 dagen na
het verschijnen van dit blad in te zenden
aan burgemeester en wethouders,

Grote Markt 1 te Groningen.

019

Investeringsbeslissingen ten behoeve
van de elektriciteitsopwekking (1)

De capaciteitsoverschotten van het Elektriciteitsbedrijf

voor Groningen en Drenthe

DRS. G. J. VAN HELDEN*

In dit artikel zal een eenvoudig ,, rekenmodel” worden ontwikkeld, op basis waarvan een prognose kan worden ge-

maakt van hei benodigde vermogen voor de elektriciteitsopwekking, in ons geval van het Elektriciteitsbedrijf voor
Groningen en Drenthe (EGD). Hierbij is het in de toekomst benodigde opwekkingsvermogen voornamelijk bepaald

geacht door een drietal componenten:

• de verbruiksont wikkeling, opgesplitst naar verbruikerscategorie;

• de bedrijfstijd als indicator voor de periodieke differentiatie van de elektriciteitsvraag;

• een correctiejactor, waarmee rekening wordt gehouden met het ,,eigen verbruik” van het elektriciteitsbedrijf de

net verliezen en het ,,reserve-vermogen”.

Aangezien voor zowel de jaarlijkse verbruiksgroei als voor de bedrijfstijd drie alternatieve waarden worden inge-

voerd, zijn in het geheel
negen ,,
scenario’s inzake
de tijdsontwikkelïng van het benodigde vermogen
becijferd. Voor

elk scenario is vervolgens het zogeheten
vermogensoverschot
vastgesteld, zijnde het verschil tussen het opgestelde ver-

mogen (gegeven de plannen die anno 1974 bekend zijn) en het benodigde vermogen. Voor de meeste van de onder-
scheiden scenario’s blijkt eerst in de loop van de jaren tachtig – in ieder geval na 1983 – sprake te zijn van een nega-

tiej vermogensoverschot (c.q. een vermogenstekort), zodat pas ddn additionele investeringen zijn vereist. Voor

enkele van de negen scenario’s blijkt het zelfs tot ver in de jaren negentig te duren alvorens nieuwe produktie-eenheden

in gebruik behoeven te worden gesteld. In de nu voor ons liggende jaren zal het EGD in elk geval worden geconfron-

teerd met aanzienlijke vermogenso verschotten.

1. Inleiding

Sedert enige tijd mag het Elektriciteitsbedrijf voor Gronin-
gen en Drenthe (EGD) zich ,,verheugen” in een meer dan nor-
male belangstelling van de publiciteitsmedia 1). Reden hier-
van is dat het EGD investeringen heeft verricht in additionele

opwekkingscapaciteit die de verbruiksontwikkelïng van haar
verzorgingsgebied ver te boven gaan. Het gevolg van deze

overinvesteringen kan zijn dat een niet-onaanzienlijk gedeelte

van de produktiecapaciteit in de nabije toekomst onbenut zal
blijven. Door sommigen is op grond hiervan de verwachting

uitgesproken dat deze overinvesteringen de EGD-tarieven
niet ongemoeid zullen laten. We willen nu al vaststellen dat
deze vrees voor een belangrijk deel ongegrond is: het EGD

werkt namelijk in de SEP (NV Samenwerkende Elektriciteits-
produktiebedrijven) samen met de andere Nederlandse pro-
duktiebedrijven van elektriciteit, welke samenwerking een ge-
meenschappelijke verantwoordelijkheid voor ,,regionale” ca-
paciteitsoverschotten met zich meebrengt.
Het primaire doel van dit artikel is overigens nietzozeerde
tariefconsequenties van de bij het EGD ontstane capaciteits-
overschotten voor het voetlicht te brengen. Het gaat ons
vooral om de beantwoording van de volgende drie vragen,
waarbij we in principe de algemene situatie met betrekking tot
de elektriciteitsopwekking in Nederland op het oog hebben,

maar deze toelichten aan de hand van een bepaalde casus, ni.
het EGD.

Hoe moet het tot op heden gevoerde investeringsbeleid van
het EGD worden beoordeeld?

Hoe zal (c.q. moet) het investeringsbeleid van het EGD er
in de toekomst uitzien? Hierbij nemen we het jaar 2000 als
,,planninghorizon”.
Welke rol speelt het landelijke samenwerkingsverband van

de elektriciteitsproduktiebedrijven bij de investeringsbe-

slissingen van de individuele bedrijven, in ons geval nader
toegespitst op het beleid van het EGD?

De vragen a. en b. trachten we in het eerste deel van dit artikel

te beantwoorden. Vraag c. komt aan de orde in het tweede
deel van dit artikel, dat in het volgende nummer van
ESB
zal
worden gepubliceerd.

Vooropgesteld zij dat we ons in het vervolg van ons betoog beperken tot de investeringen in de
opwekkingscapaciteit
van
elektriciteit. Dit impliceert dat een belangrijk gedeelte van de investeringen, die een elektriciteitsbedrijf verricht, buiten be-
schouwing blijft; men denke hierbij aan investeringen in de
transmissie en distributie van elektriciteit, alsmede die welke
verband houden met beheer en administratie. Ter informatie
merken we nog op dat het EGD, zijnde het bedrijf waarop
onze studie zich richt, de provincie Groningen en een groot
deel van de provincie Drenthe tot haar verzorgingsgebied

mag rekenen; voor dit gebied treedt het EGD op als
produ-
cent
van elektriciteit 2).

* De auteur, die dank verschuldigd is aan Prof. Dr. A. Bosman en
Drs. B. de Vries voor hun commentaar op een eerdere versie van dit
artikel, is wetenschappelijk medewerker bij de Rijksuniversiteit
te Groningen. Dit artikel is voor een belangrijk deel gebaseerd op:
G. J. van Helden,
Enkele empirische studies over het huishoudelijke
verbruik van elektriciteit,
memoranda van het Instituut voor Eco-
nomisch Onderzoek, Groningen,
1975,
par IV. 4.2.
Om enkele voorbeelden te noemen:
De Groninger Gezinsbode.
30januari
1975; Het Nieuwsblad van het Noorden,
22 februari
1975
en
De Volkskrant,
28 mei
1975.
Afgezien van produktie houdt het EGD zich tevens bezig met de
distributie van elektriciteit. Hierbij moet zij een (ovengens relatief ge-
ring) gedeelte van haar distributiefunctie overlaten aan het GEB van de gemeente Groningen.

ESB 10-9-1975

869

2.
Investeringen in de opwekkingscapaciteit van elektriciteit:
een eenvoudig rekenmodel

Als we de vraag willen beantwoorden welke investeringen

in de opwekkingscapaciteit van elektriciteit voor de toekomst
wenselijk zijn, moeten we – afgezien van enige kennis om-
trent het
beschikbare
opwekkingsvermogen – een uitspraak
doen over het
benodigde
opwekkingsvermogen dat wordt
verwacht. Om een prognose te maken van het benodigde ver-
mogen in megawatts (MW) voor het EGD-verzorgingsgebied
kunnen we twee wegen bewandelen. De eerste is een
recht

streekse extrapolatie van het benodigde vermogen uit het
verleden, eventueel rekening houdend met gewenst geachte

correcties. Deze benadering wordt – in ieder,geval voor de

korte en middellange termijn – door het EGD gevolgd 3). De
tweede weg die men kan bewandelen impliceert een
indirecte
schatting
van het toekomstige vermogen via een prognose van
de componenten, waaruit dit vermogen is opgebouwd. Dit
zijn:

het totale jaarverbruik in kilowatt-uren (kWh);
de bedrijfstijd;

een bepaalde correctiefactor.

Deze opsplitsing van het vermogen in verschillende corn-
ponenten vraagt wellicht enige toelichting. Indien het ver-
bruik van elektriciteit volstrekt regelmatig in de tijd is ge-
spreid – de ,,jaarbelastingcurve” vertoont in dat geval een

horizontaal verloop -, dan is het met dit verbruik samen-
hangende vermogen eenvoudig vast te stellen. Men deelt

hiertoe het jaarverbruik door het aantal uren perjaar (8.760).

Echter, juist in de elektriciteitsindustrie is de afzet aan sterke

periodieke fluctuaties onderhevig, terwijl de mogelijkheid
tot produktie op voorraad praktisch ontbreekt. Dit impli-
ceert dat de produktiecapaciteit moet worden afgestemd op

de zogeheten verbruiksspits, terwijl buiten de spitsperiode

een gedeelte van de capaciteit onbenut blijft. Als de onderbe-

zetting van deze (maximale) capaciteit nihil zou zijn, is deze
capaciteit alle 8.760 uren, die een jaar telt, in gebruik. Nu er

wél sprake is van een gedeeltelijke onderbezetting, is het aan-
tal uren dat de maximumcapaciteit (of maximale belasting)

wordt gebruikt kleiner dan 8.760. Dit aantal uren, kleiner
dan 8.760, noemt men de
bedrijfstijd.
In formule:

bedrijfstijd (in uren) – jaarverbruik (in kWh)

(1)
– maximale belasting (in kW)

Deze formule kan als volgt worden herschreven:

maximale belasting (in kW) – jaarverbruik (in kWh)

(2)
– bedrijfstijd (in uren)

We kunnen nu op basis van gegevens uit het verleden de be-
drijfstijd voor de toekomst schatten en deze gebruiken om via

formule (2) en de daarvoor benodigde schatting van het ver-
bruik te komen tot een prognose van de maximale belasting.
Corrigeren we deze uitkomst met een bepaalde factor, waarin
het eigen verbruik alsmede de netverliezen en een ,,reserve component” zijn opgenomen, dan vinden we het produktie-
vermogen dat nodig is om aan de betreffende vraag te vol-
doen.
Er zijn dus twee alternatieve methoden om het in de toe-

komst benodigde vel

mogen te bepalen, een directe en een in-

directe. Onze voorkeur gaat uit naar de indirecte schattings-
methode. Deze geeft namelijk de mogelijkheid expliciet

rekening te houden met de ontwikkelingen in elk der drie

componenten waaruit het benodigde vermogen is opge-
bouwd. Bovendien stelt deze methode ons in de gelegenheid

de ,,verbruikscomponent” op te splitsen in een aantal deel-
componenten, waarbij voor elk een bepaalde ontwikkeling in
de tijd wordt aangenomen. Ons betoog zal verder stapsgewijs
zijn opgebouwd en wel als volgt.

1. Bepaal de toekomstige ontwikkeling van het elektriciteits-
verbruik in het EG D-verzorgingsgebied.

Maak een schatting van de bedrijfstijd.

Kwantificeer de ,,correctiefactor”.

Stel op basis van bovengenoemde drie berekeningen het be-

nodigde vermogen vast voor de toekomst – tot het jaar
2000.

Vergelijk het beschikbare vermogen met het benodigde ver-

mogen en leid hieruit enkele implicaties af voor het te voe-ren investeringsbeleid.

De ,,stappen” 1. t/m 4. komen aan de orde in par. 3 en
,,stap”
5.
in par. 4. We merken nog op dat we ons niet zullen

wagen aan de presentatie van één mogelijke ontwikkelingslijn

omtrent het benodigde vermogen ingevolge ,,stap” 4. Het ligt
daarentegen in de bedoeling
enkele alternatieve prognoses
aan te geven, elk geldend onder een bepaalde verzameling van

vooronderstellingen. De voordelen van deze aanpak, die be-
kend staat onder de naam ,
,
scenariomethode”,
zijn evident.
Allereerst is een a priori keuze voor één verzameling van voor-

onderstellingen vaak niet te rechtvaardigen. Bovendien werpt

de scenariomethode een duidelijk licht op de consequenties in

kwantitatieve zin bij elk der alternatieven, waarvande onder-
liggende vooronderstellingen – althans voor een deel
– be-
heersbaar
zijn voor bepaalde beleidsorganen (van bijv. de
overheid).

Met het hier geïntroduceerde ,,rekenmodel” laten we de
vele formele modellen, die ter zake van de elektriciteitsopwek-

king voor handen zijn, onbesproken. De eenvoud in de pre-
sentatie, die hiermee wordt bereikt, geldt als het belangrijkste

voordeel. Aan de andere kant moet worden bedacht dat deze
formele modellen – met name de meer geavanceerde varian-
ten – in staat zijn ook andere facetten van het investeringsbe-
leid te belichten 4). Wij beperken ons immers tot de vraag
hoeveel opwekkingscapaciteit er in de toekomst vereist is.
Hiermee blijven o.a. de volgende vragen onbeantwoord.
• Welke vormen van opwekking (verschillende types conven-
tionele centrales, alsmede kerncentrales) zijn gewenst?: dit
is de vraag naar de ,,investeringsrnix”.

• Welke van deze opwekkingsvormen moeten gedurende ver-

schillende ,,deelperioden” (bijv. zomer-winter; overdag-
‘s nachts) worden ingezet?

• Welke investeringen in transmissiecapaciteit zijn gewenst en wanneer en hoe moeten deze worden gebruikt?

• Wat zijn de consequenties van de investeringsbeslissingen voor de tarievenopbouw?

3.
De componenten van het benodigde vermogen

3. 1.
Het elektriciteitsverbruik

Bij de prognose van het elektriciteitsverbruik is het zinvol

uit te gaan van verschillende verbruiksklassen. Door het EGD
wordt in dit verband het volgende onderscheid gemaakt:
• grootverbruikers met een aansluiting op het 220 en 110kV-
net of op het 10 en 20 kV-net;

Zie EGD,
Prognose betreffende de ontwikkeling van de exploitatie
van het EGD in de jaren 1976 t/m 1978,
Groningen,
1974,
i.h.b.
blz.
7.
De door EGD toegepaste correctie houdt in dat de in-
vloed van grote energie-intensieve industrieën afzonderlijk wordt
ingeschat.
Voor een uitstekende bespreking van deze modellen zij verwezen
naar: D. Anderson, Models for determining least-cost investments in
eleetricity supply, The Belt Journal
of
Economics and Management
Science, 1972,
blz.
267-299.
Toepassingen – toegespitst op de elektri-
citeitsvoorziening in Zweden – treft men aan bij: G. Bergendahl,
In-
vestment and operation
of
electricity,
deel 1 and II, working papers van ,,The European Institute for AdvancedStudies in Management”,
Brussel,
1974,
nrs.
74-7
en
74-I5.

870

t

.&..

• kleinverbruikers die via het laagspanningsnet van elektrici-
teit worden voorzien;
• het Gemeentelijke elektriciteitsbedrijf (GEB) van de stad

Groningen;
• openbare verlichting;
• Aldel, een afkorting voor Alumïnium-Delfzijl, een onder-
neming die vanwege haar gigantische verbruik niet onder

de groep van grootverbruikers is opgenomen.

Om enig inzicht te geven in de relatieve belangrijkheid van
elk der verbruiksklassen, is in tabel 1 het jaarverbruik in 1973
opgenomen per verbruiksklasse.

Tabel 1. Elektriciteitsverbruik — totaal en in vrocenten —
in
1973
per verbruiksk/asse

Verbruiksklasse
Groot-
verbruik
Klein-
verbruik
GEB-
Groningen Openbare
verlichting
Aldel
1
Totaal

Verbruik (in
1025
593
316
18
1521
3472
1.000000
kWh)

Verbruik als
aandeel van hel
29,5%
17%
9%
0,5%
44%
100%
totale verbruik

Ter vereenvoudiging nemen we de klassen ,,kleinverbruik”,
,,GEB-Groningen” en ..openbare verlichting” samen als één
nieuwe verbruiksklasse die we verder aanduiden als het ,,niet-
industriële verbruik”. We menen deze vergroving te kunnen

rechtvaardigen op grond van de – overigens niet-getoetste —

aanname dat deze drie verbruiksklassen globaal gesproken
eenzelfde ontwikkeling in de tijd zullen vertonen. Aangezien
het verbruik van Aldel niet verder zal toenemen boven het in
1973 bereikte niveau (dit is contractueel bepaald), kunnen we

dit voor de toekomst met een aan zekerheid grenzende waar-
schijnlijkheid vastleggen op 1.521 x
106
kWh per.
jaar. Er res-
teren dan twee verbruiksklassen — het niet-industriële ver-
bruik en het grootverbruik — waarvoor we
drie alternatieve

vooronderstellingen maken inzake hun toekomstige ver-
bruiksontwikkeling
5).
1.
Snelle groei.
Dit groeipad zal worden geëffectueerd, in-
diende in het verleden opgetreden exponentiële verbruiksont-
wikkeling zich in de toekomst op dezelfde wijze zal voortzet-

ten. Dit zou voor het ,,niet-industriële verbruik” neerkomen
op een jaarlijks groeipercentage van 10 en voor het ,,grootver-
bruik” op 9 6).

Omdat de groei van het industriële verbruik wordt toegerekend
aan de betreffende verbruiksklasse,
zonder dat het Aldel-verbruik
daarin is opgenomen, wordt impliciet aangenomen dat de komst van
vergelijkbare energiegiganten als Aldel vrijwel is uitgesloten. Mocht dit laatste echter wél gebeuren, dan betekent dit een aanzienlijke ver-
groting van de vermogensbehoefte. In dit verband kan worden verwe-
zen naar de op dit moment actuele discussie over de komst van een
magnesiumproducent, waarbij we aantekenen dat voor de produktie
van magnesium zelfs 25% meer energie nodig is dan voor aluminium:
zie National Economie Development Office,
Energy conservation in
the United Kingdom,achievements, aims and options,
Londen, 1974,
blz. 91.
Deze groetpercentages zijn vastgesteld op basis van de uitkomsten
van een regressie-analyse, waarbij het elektriciteitsverbruik als afhan-kelijke en ,,de.tijd” als onafhankelijke variabele fungeert (de onderha-
vige functievorm is exponentieel). Het voert te ver op deze plaats Uit-
gebreid stil te Staan bij de vraag welke prognosemethoden voor han-
den zijnen welke het beste vo)doen; zie voor de beantwoording van de
laatste vraag: G. J. van Helden, ôp.
cii.,
par. lV.2.3. Voor een inven-
tarisatie van prognosemodellen — en dan met name toegespitst op de
elektriciteitsvraag — verwijzen we naar: UNIPEDE,
International
manual on medium and long term eleciricity consumptionforecas-
ting methods,
Parijs, 1972; zie ook de verslagen van UNIPEDE-con-
gressen in Scandinavië (1964) en Madrid (1967).

ESB 10-9-1975

871

Gematigde groei.
Er zijn duidelijke aanwijzingen voor

handen dat de groei van het energieverbruik geringer zal zijn

dan we in het verleden gewend zijn geweest, nog afgezien van
een op energiebesparing gericht overheidsbeleid. Belangrijke

factoren voor de verklaring van deze verminderde groeisnel-

heid zijn de snel stijgende energieprijzen en een geringere

toename van de industriële produktie. In de
Energienota
wor-
den daarom bij een ongewijzigd energiebeleid de volgende

prognoses uitgesproken:
• tot 1985 6,9% per jaar voor het niet-industriële verbruik en
5% voor het grootverbruik 7);

• voor de periode na.
1985
doet de minister geen prognoses.
We nemen aan dat de jaarlijkse groeipercentages voor die
periode (tot het jaar 2000) resp. 5,5 en 4 bedragen.

Langzame groei.
Zoals bekend mag worden veronder-

steld, heeft minister Lubbers van Economische Zaken in sep-
tember 1974 zijn
Energienota
gepubliceerd. In deze nota ver-

klaart de minister zich ontevreden met de uitkomsten van een ,,ongewijzigd beleid”, zoals die voor elektriciteit onder 2. zijn

weergegeven. Naar de opvatting van minister Lubbers dient
één van de centrale uitgangspunten van een
nieuw energiebe-
leid
een matiging van de verbruiksgroei in te houden. Om dit

te realiseren worden maatregelen voorgesteld van velerlei

aard; we volstaan hier met een verwijzing naar de
Energienota
8). Indien we de beleidsvoornemens van de mi-nister van Economische Zaken mede in beschouwing nemen
– en ervan uitgaan dat deze het verwachte effect zullen ople-
veren -, dan kunnen voor het elektriciteitsverbruik de vol-

gende jaarlijkse groeipercentages worden genoteerd:
• tot
1980 6,5%
(niet-industrieel verbruik) en 4,4% (grootver-
bruik);

• van 1980-1985 resp. 6% en 3,8% 9);
• van 1985-2000 resp. 3,5% en
2,5%;
ook nu zijn de percen-
tages voor de periode na 1985 naar eigen inzicht vastge-
steld, omdat de
Energienota
voor de desbetreffende perio-
de geen prognoses weergeeft.

Hoewel we bij elk van de drie hierboven gepresenteerde sce-
nario’s iets hebben gezegd over de condities waaronder zij zul-

len voorkomen, is een nadere toelichting wellicht gewenst. In
de eerste plaats valt op te merken dat – voor zover bij deal-
ternatieven 2. en 3. geen cijfers Uit de
Energienota
voor han-
den waren – deze zijn vastgesteld via een grove extrapolatie
van de in de periode 1974-1985 te verwachten ontwikkeling.

In de tweede plaats is geabstraheerd van rigoureuze verschui-vingen in de samenstelling van het ,,energiepakket”. De
Ener-
gienota
vermeldt bijv. niet expliciet de jaarlijkse groei van het
elektriciteitsverbruik
door bedrijven (bij ons het ,,grootver-
bruik”). Benaderenderwijs zijn daarom de groeipercentages
van het
energieverbruik
door bedrijven gehanteerd. In de
derde plaats – en dit is misschien het belangrijkste punt – is

met specifieke regionale omstandigheden geen rekening ge-
houden. Het mag bekend worden verondersteld dat de pro-

vincies Groningen en Drenthe – in ieder geval in vergelijking

met de randstad – als ,,economisch-zwak” worden be-
schouwd. Het is niet ondenkbaar dat de regionale politiek van

de Nederlandse overheden erop is gericht de als ,,zwak” aan-
gemerkte gebieden extra te stimuleren. Een consequentie
hiervan kan zijn dat de groei van het elektriciteitsverbruik
voor dergelijke gebieden boven het landelijk gemiddelde komt
te liggen. Met deze overwegingen is niet expliciet rekening ge-

houden. In de tweede deel van dit artikel (hoofdstuk 4) ko-
men we nog terug op de in de
Energienota
gehanteerde prog-
nosemethoden.

3.2. De bedrijfstijd

Deze werd gedefinieerd als het quotient van het jaarver-
bruik en het daarmee samenhangende vermogen (de maxi-
male belasting); zie vergelijking (1). Tabel 2 geeft een illustra-

tie van de bedrijfstijd zoals die in de afgelopen jaren voor het
EGD-verzorgingsgebied is geregistreerd 10).

Tabel 2. Bedrzjjsiijden in EGD-verzorgingsgebied (in uren)

Jaar

1969

1970

1971

1972

1973

Bedrijfstijd (in uren)

5.849

5.998

6.196

6212

6.298

Zoals uit tabel 2 valt op te maken, is de bedrijfstijd voor het
EGD-debiet aan een gestadigde toename onderhevig geweest

gedurende de laatste jaren. Het is moeilijk te zeggen of— en in

hoeverre – deze toenemende tendens zich in de toekomst zal
voortzetten. In het algemeen geldt dat – mocht het spitsver-
bruik minder snel toenemen dat het totale verbruik – een ver-

hoging van de bedrijfstijd het gevolg zal zijn. De vraag rijst nu
onder welke omstandigheden een dergelijke ontwikkeling zal

optreden. Aan de hand van enkele voorbeelden kunnen we
trachten deze vraag te beantwoorden.
Voor de groep huishoudelijke verbruikers wordt gedu-

rende een bepaald jaar een verbruiksgroei vn 9% geregi-
streerd, maar de ,,bijdrage” van deze groep in de centrale-spits

groeit slechts met 6%. Ergo, gedurende bepaalde perioden
buiten de ,,centrale-spits” moet het verbruik sterker zijn toe-

genomen dan gemiddeld; zo zou een aanzienlijke stijging van

het boilergebruik, waarmee hoofdzakelijk een toename van
de ,,nachtstroom” gepaard gaat, de oorzaak kunnen zijn van

een dergelijke ontwikkeling. Een vergelijkbaar effect heeft
bijv. een grootschalige introductie van elektrische huisver-

warming (met elementen die ‘s nachts worden ,,opgeladen”).

Er komt een nieuwe industriële vestiging die een regelma-

tig in de tijd gespreid elektriciteitsverbruik met zich mee-brengt dat bovendien – gerelateerd aan het totaal-verbruik
in het desbetreffende verzorgingsgebied – van een aanzien-
lijke omvang is. De individuele bedrijfstijd van zo’n bedrijf is
dan zodanig hoog dat de bedrijfstijd van het debiet als geheel

hierdoor ,,gunstig” wordt beïnvloed. Een goed voorbeeld uit

het recente verleden van het EGD is de Aldel-vestiging II).
Er meldt zich een nieuwe industriële onderneming die
(onder bepaalde condities) bereid is vooral in de ,,dalperiode”

van de centrale haar behoefte aan elektriciteit te lenigen, ter

wijl zij in de periode van de centrale-spits haar verbruik kan en wil beperken. Het behoeft geen betoog dat de bedrijfstijd van de centrale hierdoor zal worden verhoogd. De vestiging
van Kempten kan in dezen als voorbeeld dienen.

Bovenstaande voorbeelden, die makkelijk met andere kun-

nen worden aangevuld, dienen als illustratie voor de stelling

dat de ontwikkeling van de bedrijfstijd een complex verschijn-
sel is, dat zich moeilijk leent voor een gefundeerde lange-

termijnvoorspelling 12). Bij een prognose van de bedrijfstijd,
die zich slechts kan uitstrekken over een termijn van enkeleja-
ren, moet zeer specifiek met de aard van de verbruiksontwik-
keling van verschillende groepen verbruikers – zowel indivi-
dueel als in hun onderlinge samenhang – rekening worden

Minister van Economische Zaken,
Energienota,
Den Haag,
1974,
blz.
55-57.
Ibid,
blz.
65 cv.
Ibid,
blz.
65.
Ontleend aan: EGD,
Jaarverslagen 1969-1973,
Groningen. II) De individuele bedrijfstijd van Aldel iw
1973
was
7.870
uren; zie
EGD,
Bedrijfseconomisch memorandum,
Groningen,
1974, i.h.b.
blz.
25.
12)
De hier gegeven voorbeelden impliceren alle een verhoging van
de bedrijfstijd. Het spreekt voor zich dat een bedrijfstijdverlaging
eveneens mogelijk is, bijv. als zich nieuwe bedrijven melden met een
slechte Individuele bedrijfstijd, ofwel verbruikers die vooral in de
periode van de centrale-spits in hun elektriciteitsbehoefte voorzien.

872

gehouden. Vanwege de hier aangeduide complexiteit zullen
wij
drie alternatieve waarden van de bedrijfstijd
als uitgangs-
punt kiezen voor onze verdere berekeningen 13). In concreto
betreft het hier:

een lage bedrijfstijd van 5.800 uur;
een middelhoge bedrijfstijd van 6.400 uur; een hoge bedrijfstijd van 7.000 uur.

Hierbij ligt de middelhoge bedrijfstijd vrij dicht bij de in 1973.
gemeten waarde van 6.298 uur, terwijl de beide andere zijn be-

rekend op basis van resp. een negatieve en positieve afwijking

van ongeveer 10% ten opzichte van dit uitgangsniveau. Opge-

merkt zij nog dat de elektriciteitsproduktie van het EGD-ver-
zorgingsgebied wordt gekenmerkt door een aanmerkelijk ho-
gere bedrijfstijd dan het landelijk gemiddelde, dat ongeveer

5.500 uur bedraagt. Hieraan is de invloed van Aldel niet
vreemd; dit bedrijf heeft een extreem hoge individuele be-

drijfstijd, terwijl haar aandeel in het totale verbruik aanzien-
lijk is (in 1973
44%)
Opgemerkt zij nog dat – als gevolg van
de afname van het verbruiksaandeel van Aldel (met zijn
extreem hoge bedrijfstijd) – in de toekomst de bedrijfstijd
van het verzorgingsgebied als geheel eerder zal dalen dan
stijgen.

3.3 De ,, correctieJackr”

Op grond van de alternatieve prognoses van het elektrici-
teitsverbruik, alsmede de schatting van de bedrijfstijd kunnen
we de maximale belasting (in kW) per jaar vaststellen. Zoals

reeds is opgemerkt moest deze uitkomst nog worden opge-
hoogd met eèn bepaalde correctiefactor, die uit twee compo-

nenten bestaat.
een ,,opslag” van
10%
ten einde rekening te houden met zo-

wel het eigen verbruik van het elekt riciteitsbedrijf
(ca.
5%)
als
de net- en transformatieverliezen
(evneens ca. 5%). In-
dien we deze opslag van 10% zowel op het totaal-verbruik
als op het maximale verbruik van toepassing verklaren, dan

geldt deze dus zowel voor de kWh’s als de kW’s.

een ,,opslag” die aangeduid wordt alsde ,,reservefactor”en
die— nadat de onder 1. vermelde correctie is aangebracht
– – wordt gesteld op 27%. Met deze reservefactor meent
men eventuele calamiteiten in de opwekking te kunnen op-

vangen, opdat steedseenongestoorde levering van elektri-
citeit mogelijk is 14).

De beide componenten te zamen bedragen dan een totaal-
correctie van 39,7% (10%
+
27% van 110).

3.4 Het benodigde vermogen

We kunnen.nu
de in het voorgaande geïntroduceerde vari-
abelen – het verbruik, de bedrijfstijd en de correctiefactor
gebruiken voor de berekening yan het benodigde vermogen. In formüle:

= jaarverbruik (in kWh)
benodigde vermogen (in kW)

ij
bedrfstijd (in uren)

x correctiefactoren

(3)

Aangezien we in het voorgaande drie alternatieve verbruiks-
ontwikkelingen hebben geïntroduceerd, alsmede een drietal

verschillende waarden van de bedrijfstijd, kunnen we in totaal
negen (=
3 x 3),,
varianten” van de ontwikkeling van het beno-
digde vermogen
becijferew De uitkomsten van deze bereke-

ningen zijn weergegeyen in tabel 3 15). Voor een goed begrip
van de hier gepresenteerde tabel 3 zijn nog opgemerkt:
• dat de benodigde vermogens zijn uitgedrukt-in megawatts

( 1.000 kilowatts); terwijl de bedrijfstijd (symbool: B) luidt
in-uren.

,..

.

S1.

• dat voor het jaar 1973 de in de werkelijkheid geregistreerde

waarden zijn weergegeven en niet de schattingen voor dat
jaar; hierbij is bijv. steeds uitgégaan van de in 1973 gemeten
bedrijfstijd van 6.298 uur.

• dat de prognoses tot het jaar 1983 jaarlijks zijn weergegeven

S

Mini-Europa-

bladwijzer

In de Europa-bladwijzer van vorige week
(ESB,
3 se-
temher 1975) hebben wij – het was niet de eerstemaal –
een pleidooi gevoerd voor het openbaar maken van.enkele

monetaire akkoorden san de centrale banken van de
1- (;-ldstt. Na yerzending San de kopij ontving liet

Europa Instituut van de diensten der ( omniissie een

publikatie in boekvorm Un het s1onetair Comité
ConipenJiitrn i .
ti
corn/fllui1’ui,

Inon zuir gebied. Als
erschijningsjaar staat 1974

n
ermeld:
aa-
gc7ien het 1 uropa 1nsituut te 1 eidcii een depot-
bibliotheek san de EG is en alle stukken onmiddellijk
na het verschijnen ontvangt, mag men aannemen dat mle
sertaling der teksten enige tijd zal hebben gevergd.

Het compendium bevat de tot nog toe niet gepubli-
ceerde overeenkomsten van 9 februari 1970 en 10 april
1472 in7ake resp. monetaire steun op korte termijn en de
ernauo ing
sail
dc onderlinge
.
fluctuatiemarges der
wisselkoersen. De eerstgenoemde is enkele jaren geleden uitgelekt: van de laatstgenoemde hebben wij in
Fmmror’eve
Mon ‘rifi’,
nr. 17 vorig jaar uit een groot aantal publi-
katies in kranten, tijdschriften. documenten ed.
ccii
reconstructie pogen te maken.

In het compendium zijn dedocunmenten in acht groepen
ingedeeld, waarbinnen een chromiologische volgorde
ss
ordi aangehouden. Een register ontbreekt.

Furop 1ntituut 1 eiden

en daarna tot het jaar 2000 om de vijfjaren. Hetjaar 1983 is

in dezen als ,,scheidslijn” gekozen vanwege de omstandig-
heid dat tot en met -dit jaar prognoses omtrent het ,,be-
schikbare vermogen” voor handèn zijn (waarop we hierna
nog terugkomen).

4. Investeringen in de opwekkingscapaciteit-van elektriciteit:
hoeveel en wanneer?

– Om ietsie kunnen zeggen over-de behoefte aan additionele
opwekkingscapaciteit – hoeveel en wanneer? -, moeten we

eerst aangeven over welk vermogen het EGD op dit moment
beschikt en hoe dit opgestelde vermogen zich iride toekomst –
zal ontwikkelen, gegeven de plannen die anno 1974 vaststaan. We zijn dan in staat dit beschikbare vermogen voor een aantal
jâren in de toekomst te vergelijken met het (hiervö6r bere-

kende) benodigde vermogen, waaruit vervolgens de behoefte
aan additionele opwekkingscapaciteit kan worden afgeleid.

In tabel 4 is het opgestelde vermogën van het EGID tot het

Elders zijn wel schattingën verricht van dé toekomstige bedrijfs-
tijd op basis van een Gompertz-functie; zie J. A. M. van den Broek,
Prognose van de toekomstige k Wh-behoeJien in Nederland en
Noord-Brabani,
Geertruidenberg, PNEM,
1971,
i.h.b. het suppie-
ment bij- hoofdstuk 6. We achten echter de voor een dergelijke be-
rekening…benodigde.aanname inzake een bepaalde verzadigings-
waarde weinig

reeel.
……………………………’:-
-m ..’.m..,…..,.. ..

Over de juistheid, van de hoogte van de reservefactor wordt in
landelijk verband onderzoek verricht; zie SEP, Aanvullend jaarver-
s/ag-1973,
Arnhem; 1974,
blz. 21. De resultaten van deze studie zijn
(nog) niet bekend.

S
• 15) Het bestek van dit artikel laat een uitgebreide tabelmatige toelich-
ting op de wijze waarop deze prognoses tot stand zijn gekomen niet
toe; zie G. J. van Helden,
op. cit.-,
bijlage
D. –

ESB
10-9-1975

S

S

.

S

.

873

Tabel 3. De toekomstige ontwikkeling van het benodigde vermogen (in MW = 1.000 k W) in het EGD-verzorgingsgebied, onder
drie scenario’s inzake de ontwikkeling van het verbruik; bij drie alternatieve waarden van de bedrijfstijd (symbool: B)

Volgens het (verbruiks)-
scenario van de ,,snelle groei”
Volgens het (verbruiks)-
scenario van de

gematigde groei”
Volgens het (verbruiks)-
scenario van de ,,langzame groei”

Jaar
B=5.800 B=6.400 B=7.000 B=5.800 B=6.400
8=7.000
B=5.800
B6.400
B=7.000

1973
836
757
694
836
757
694 836 757
694
1974
881
798 730
864
783
716 862
781
714
1975
930
843
770 894
810
740 889 805 736
1976
983
891
815
925
838
766 917
831
760
1977
1.042
944
863 958 868
794 947 858
785
1978
1.106 1.002
916
993
900
823
978
887
811
1979
1.176 1.066
974
1.030
934
854
1.012
917 838
1980
1.253 1.135 1.038 1.070
970
887 1.044
946
865
1981
1.337 1.212
1.108 1.112
1.008
921
1.077
976 892
1982
1.429
1.295 1.184 1.156
1.048
958
1.112
1.008
921
1983
1.530
1.387 1.268
1.204
1.091
997
1.149
1.041
952
1985
1.761
1.596
1.460
1.296
1.175
1.074 1.212
1.099
1.005
1990
2.563 2.323 2.124
1.542
1.397
1.278
1.349
1.223 1.118
1995
3.823
3.469 3.172
1.855
1.681
1.537
1.508
1.367
1.250
2000
5.823
5.277 4.825
2.253
2.042
1.867
1.694 1.535
1.404

jaar 1983 weergegeven, opgesplitst naar de verschillende pro-
duktie-eenheden. We zien dat het opgestelde vermogen om-

streeks .1 januari 1976 met 80% toeneemt en daarna geleidelijk
afneemt tot het in 1983 een niveau bereikt dat weer bijna 20%

beneden de ,,top” van 1976 ligt. We merken op dat bij de in
tabel 4 gegeven opstelling onder de kolom ,,GKN” (= NV Ge-

meenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland) ook is op-
genomen de contractueel bepaalde beschikbaarheid van ver-
mogen, opgesteld in de kerncentrale van Dodewaard; deze

bedraagt voor het EGD in 1973 ongeveer 3 MW en wordt

verondersteld in de (nabije) toekomst niet te veranderen.

Tabel 4. Een prognose van het opgestelde vermogen t. b. v.
het EGD-verzorgingsgebied tot 1984 (in MW)

Jaar
Helpman
Hunze
Gasturbine
Oergum
Eems
GKN
Totaal

1973
142
650
Ii
– –
3
812
974
142
650
17


3
812
1975
142
650
17
160

3
972
1976
142
650
17
280
600
3
1.692
1977
142
650
17
260
600
3
1.672
1978
96
650
17
240
600
3
1.606
1979
96 650
17
200
600
3
1.566
1980
96 650
Ii
200
600
3
1.566
1981
50
650
17
200
600
3
.520
1982
50
650
17
200 600
3
1.520
1983

650
17
100
600
3
1.370

Als we de laatste kolom van tabel 4 (het
totaal-opgestelde
vermogen)
vergelijken met de in tabel 3 weergegeven cijfers
(deze hebben betrekking op het
benodigde vermogen),
dan
kunnen we op basis daarvan het
vermogensoverschot, c.q. -Ie-

kort
berekenen. In tabel
5
zijn de resultaten van deze calcula-
ties weergegeven. Uit tabel
5
kunnen we vervolgens enkele im-
plicaties afleiden inzake het te voeren investeringsbeleid. Im-

mers, als in een bepaald jaar een vermogensoverschot ,,om-

slaat” in een -tekort, is een extra beschikbaarstelling van
opwekkingscapaciteit vereist om een ongestoorde elektrici-

teitsvoorziening te kunnen waarborgen. Veelal is in dat geval
de ingebruikstelling van een nieuwe produktie-eenheid nood-

zakelijk; het is evenwel ook mogelijk dat men de beschikking

krijgt over een gedeelte van een vermogensoverschot bij een

ander produktiebedrijf. Deze laatste mogelijkheid laten we

vooreerst buiten beschouwing – in het tweede deel van dit ar-
tikel komen we daarop terug. We kunnen nu de volgende
con-
clusies
trekken.

Tot 1januari 1983 bestaat er geen
behoefte aan additi-onele opwekkingscapaciteit.

Onder alle drie scenario’s van de verbruiksontwikkeling

en ongeacht de hoogte van de bedrijfstijd zullen in de periode
1975-1983
aanzienlijke vermogensoverschotten ontstaan.
Vanzelfsprekend verschilt de relatieve omvang van het ver-
mogensoverschot al naar gelang het beschouwde verbruiks-scenario en de hoogte van de bedrijfstijd. Hierbij is het ver-

schil tussen het eerste en tweede scenario aanmerkelijk gro-
ter dan dat tussen het tweede en derde; deze uitkomst vloeit
overigens rechtstreeks voort uit de aannames die omtrent de
verbruiksontwikkeling zijn gemaakt.

In de periode 1983-2000 is additionele opwekkingscapa-
citeit vereist.
Stel we gaan vooreerst bij wijze van voorbeeld
uit van de vereenvoudigde aannames dat het EGD zelf
moet voorzien in de ,,opvulling” van het vermogenstekort en
dat zij dit doet door de bouw van centrales van 600 MW. We

Tabel5. Het toekonistig vermogensoverschot (respectievelijk -tekort) in MWin het EGD-verzorgingsgebied, onder drie scenario’s
inzake de ontwikkeling van het verbruik; bij drie alternatieve waarden van de bedrijfstijd (symbool: B)

Jaar
Beschikbaar
vermogen

Vermogensoverschot: volgens het
(verbruiks)scenario van de
snelle groei”

Vermogensoverschot volgens het
(verbruiks)scenario van de gematigde groei”

Vermogensoverschot volgens het
(verbruiks)scenario van de
,,langzame groei”

B=5.800
8=6.400
B=7.000
B=5.800 B=6.400 B=7.000
B=5.800
B=6.400
B=7.000

1973
812
-24
55
118
-24
55
118
-24
55
118
1974
812
-69
14
82
-52
29
96
-50
31
98
1975
972
42
129
202
78
162
232
83
167
236
976
1.692
709
801
877
767 854
926
775
861
932
1977
1.672
630
728 809
714 804 878 725 814 887
1978
1.606
500 604
690
613 706
783
628 719
795
1979
1.566
390 500 .592
536 632
712
554
649
728
1980
1.566
313
431
528
496
596
679 522
620
701
1981
1.520
183
308
412
408
512 599
443
544
628
1982 1.520
91
225
336
364
472
562 408
512
599
1983
1.370
-160
-17
102 166
279
373
221
329 418
1985
1.370?
-391
-226 -90
74
195
296
158
271
365
1990
1:370?

.
-1.193
-953
-754
-172
-27
92
21
147
252
1995
1.370?
-2.458 -2.099 -1.802
-485
-311
-167
-138
3
120
2000
11

1.370?
-4.453 -3.907
-3.455
-883 -672 -497 -324 -165
-34

874

kunnen dan.de
volgende
investeringsbeslissingen
afleiden 16).
• Onder het scenario van de snelle verbruiksgroei is voor het
eerst rond 1983 een nieuwe centrale nodig. Daarna, tot het
jaar 2000, moeten nog
vijf
tot zeven
extra centrales in ge-
bruik worden genomen.

• Onder het scenario van de gematigde verbruiksgroei kan
rond 1989 pas een
eerste
centrale in gebruik worden geno-
men en dan hangt het vooral van de bedrijfstijdontwikke-
ling af of v66r het jaar 2000 nog een
tweede
centrale gereed
moet komen.

• Onder het scenario van de langzame verbruiksgroei is
slechts
één
nieuwe centrale vereist omstreeks het jaar 1995.

Ip de hier weergegeven figuur is bij wijze van voorbeeld de
voorgestelde investeringsbeslissing grafisch toegelicht wat betreft haar implicaties voor het vermogensoverschot, c.q.

-tekort. Deze figuur geldt voor het scenario van de gema-
tigde verbruiksgroei en bij een bedrijfstijd van 6.400 uur,
waarmee een alleszins ,,modale” situatie is voorgesteld.

Figuur. Beschikbaar en benodigd vermogen bij gematigde
verbruiksgroei en bedrj/stijd van 6.400 uur

‘r”gn
(81/3′)

800

1975

1980

1985

11
990

1995

],2000

re,iiraIr

rr,,iralt

4.
Als we tabel 4 (het opgestelde vermogen) nog eens ver-
gelijken met tabel 3 (het benodigde vermogen), dan blijkt in
het verleden een verbruiksgroei te zijn verwacht die bij
lange na niet is (en zal worden) gerealiseerd. Het opgestelde

vermogen vertoont zelfs een bolvormig verloop: er is eerst
een toename, maar daarna – en dat is op zijn zachtst ge-
zegd eigenaardig – een afname. Hoogstwaarschijnlijk heeft
men enkele jaren geleden verwacht rond 1980 al een nieuwe
produktie-eenheid nodig te hebben (zodat het gesignaleerde bolvormige verloop niet zou optreden), maar dat is – gezien
het bovenstaande – illusoir.

Ter afrondrng van ons betoQg zetten we de daarbij – al
of niet expliciet gehanteerde –
vooronderstellin gen
nog-
maals op een rij.
‘•
We hebben ons beperkt tot de investeringsbeslissingen in de
opwekkingscapaciteit van elektriciteit, terwijl bovendien
de zogenaamde ,,vervangingsinvesteringen” (tenminste die

van na 1983) buiten beschouwing zijn gebleven.
• Bij de prognoses van het toekomstige elektriciteitsverbruik
is geabstraheerd van rigoureuze verschuivingen in het ener-
giepakket ten gunste van elektriciteit.

• De voor Nederland als geheel berekende groeicijfers van
het elektriciteitsverbruik (volgens de
Energienota)
worden
ongewijzigd van toepassing verklaard voor de provincies
Groningen en Drenthe. Hiermee worden de eventuele ge-
volgen van een stimuleringsbeleid voor deze regio niet in
besdhouwing genomen.

• De groeipercentages van het industriële verbruik worden

slechts toegerekend aan een gedeelte van dit verbruik, na-
melijk aan het totale industriële verbruik verminderd met
dat van Aldel.

• Bij de gehanteerde scenariomethode wordt een aantal ont-

wikkelingslijnen van het benodigde vermogen geprognoti-

seerd, waarbij impliciet een ,,vloeiend” tijdsverloop van de
onderliggende factoren wordt aangenomen. Dat feitelijk

bepaalde ontwikkelingen sçhoksgewijs verlopen, wordt
hiermee niet ontkend, maar heeft een minder grote beteke-

nis, aangezien met de verschillende scenario’s een breed
scala van mogelijkheden wordt ,,gedekt”.

• We zijn ervan uitgegaan dat de vraagontwikkeling – naar aard en omvang – de enige verklarende factor is voor de
investeringsbeslissingen. Het is echter geenszins ondenk-

baar dat bepaalde aanbodfactoren eveneens van invloed
zullen zijn; men denke bijv. aan een vroegtijdige buitenge-
bruikstelling van een bepaalde produktie-eenheid, omdat
de betreffende brandstof te schaars is geworden.

Het behoeft geen nader betoog dat het laten vallen van deze
vooronderstellingen in vrijwel alle gevallen een vergroting

van de behoefte aan opwekkingsvermogen impliceert.

5. Slotopmerkingen

In de voorgaande paragraaf zijn onder punt 3. twee aanna-
mes gemaakt die nader op hun realiteitsgehalte moeten wor-
den onderzocht. In de eerste plaats is verondersteld dat elke nieuwe produktie-eenheid 600 MW zou bedragen. Gegeven
de huidige stand van de techniek is deze aanname niet irreëel.

In de toekomst worden echter produktie-eenheden met een
veel grotere capaciteit verwacht, waarbij cijfers worden ge-

noemd van 1.000 MW of hoger (met name bij de toepassing
van kernenergie). Het is vrij eenvoudig de implicaties van deze
veranderde vooronderstelling
voor de omvang van de vermo-gensoverschouen
te beoordelen op basis van de cijfers uit
tabel 5, zodat we er verder geen aandacht aan besteden 17). In

de tweede plaats is impliciet verondersteld dat ,,structureel
bepaalde leveringen via het koppelnet” (dus met andere pro-
duktiebedrijven) worden uitgesloten. Immers, het EGD werd
geacht geheel zelfstandig in de voor haar distributiegebied op-

tredende vermogensbehoefte te voorzien, terwijl zij evenmin

zou mogen bijdragen in de vermogensbehoefte van andere
produktiebedrijven. Aangezien reeds meerdere decennia
sprake is van een grote mate van samenwerking tussen de Ne-
derlandse produktiebedrijven, is deze aanname van ,,produk-
tie-autonomie” weinig reëel. In het tweede deel van dit artikel
zullen we de investeringsbeslissingen van het EGD dan ook

mede in het kader plaatsen van de ,,landelijke samenwerking”
via de SEP (NV samenwerkende Elektriciteitsproduktiebe-
drijven).

G. J. van Helden

Er geldt eigenlijk nog een andere vooronderstelling, nI. dat er na
1983 geen ,,vervangingsinvesteringen” nodig zijn. Tot 1983 is hiermee
wél rekening gehouden (de Vrij ,,oude” Helpmancentrale wordt gelei-
delijk buiten gebruik gesteld), maar na het jaar 1983is ons betoog uit-
sluitend op vernieuwingsinvesteringen gericht. Alswe de vervangings-
investeringen ook Voor de periode na 1983 willen vaststellen, zullen
we ervan uit moeten gaan dat de Eems-centrale rond het jaar 1990
moet worden vervangen, uitgaande van een ,,economische levens-
duur” van 25
jaar; zie EGD,
Bedrijfseconomisch Memorandum, blz. II.
Hierbij zij wel opgemerkt dat het gebruik van grotere capaciteits-
eenheden waarschijnlijk de omvang van de relatieve vermogensover-schotten per regio zal vergroten en misschien zelfs de vervanging van
oude produktie-eenheden zal vervroegen, terwijl bovendien grotere energieverliezen via het transport zullen optreden.

ESB 10-9-1 975

875

Illegale arbitrage in het

dubbele wisselmarktsysteem

DR. H. C. VERWILST
Op 21 februari f1. kwam aan het licht dat een

aantal Belgische diamanthandelaren, door het

bestaan van een dubbel wisselmarktsysteem, het

Belgisch-Luxemburgs Instituut voor de Wissel

(BLIW) voor Bfr. 27 mln, hadden opgelicht. In

dit artikel bespreekt Dr. H. C. Verwilst, assistent

op het Seminarie voor Financiële Economie van

de Rijksuniversiteit te Gent, het probleem van de

illegale arbitrage tussen de twee deelmarkten –

de officiële en de financiële markt – in het dub-

bele wisselmarktsysteem. De auteur besteedt

aandacht aan een interventiestrategie voor de

overheid, waarmee deze sommige vers torende
effecten van deze arbitrage kan teniet doen. Hij

komt tot de conclusie dat, indien de overheid een

compenserende strategie volgt, illegale arbitrage

geen effect za/hebben op het peil van de deviezen-

reserves, of op het verschil tussen de beide con-

tan tkoersen.
Dubbel wisselmarktsysteem

De oplichting van het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor
de Wissel (BLIW) door een aantal Belgische diamanthande-
laars die op 21 februarijl. aan het licht kwam en waarbij vol-
gens de eerste ramingen een winst werd gerealiseerd van Bfr.

27 mln, heeft op een vrij dramatische wijze de aandacht geves-
tigd op het probleem van de illegale arbitrage tussen de twee
deelmarkten in het dubbele wisselmarktsysteem.

Om het probleem beter te kunnen situeren, dienen we er
vooreerst aan te herinneren dat er in dit wisselmarktsy-
steem 1) twee deelmarkten naast elkaar functioneren. Ener-zijds is er de officiële markt, waar de lopende verrichtingen

worden afgehandeld, en anderzijds de financiële markt,
waar de kapitaalverrichtingen plaatsvinden. Dit systeem

houdt dus in dat er voor één eenheid buitenlandse valuta

twee prijzen bestaan (ni. de officiële koers en de financiële
koers), hetgeen betekent dat men door arbitrage (d.w.z. de ex-
ploitatie van dit prijsverschil) winst kan maken. Uiteraard

tracht de overheid deze arbitrage te vermijden door de nodige
controle uit te oefenen (d.w.z. ervoor te zorgen dat alle tran-

sacties in de juiste deelmarkt plaatsvinden). Deze controle be-
rust in België bij het BLIW. Zonder daarom de details van de
betrokken zwendelzaak uitte diepen kunnen we toch aanstip-
pen, dat men er in dit geval juist in geslaagd is valuta te trans-
fereren van de officiële markt (normaal kan men op deze
markt slechts valuta bekomen, mits voorlegging van handels-

documenten. In dit geval werden documenten gebruikt be-
treffende fictieve diamanttransacties) naar de financiële
markt wat, gezien het prijsverschil, een financieel voordeel

meebracht van ettelijke miljoenen Belgische frank. Alhoewel
dit probleem zich in de praktijk reeds eerder heeft gesteld,

werd het in de theoretische studies van het dubbele wissel-
marktsysteem nooit geanalyseerd. Meestal 2) wordt het ter-

loops aangehaald, en veronderstelt men dan verder maar dat
de officiële markt en de financiële markt hermetisch van el-
kaar zijn gescheiden.

In dit artikel zetten wij eerst een interventiestrategie uiteen,
waardoor de overheid het dubbele wisselmarktsysteem kan
vervolledigen. We vestigen dan de aandacht op een aantal im-

plicaties van de illegale arbitrage en geven aan hoe de over

heid, door het volgen van deze op theoretische gronden aan-
trekkelijke interventiepolitiek, sommige van de verstorende effecten van deze arbitrage zou kunnen neutraliseren.

Compenserende interventie

We veronderstellen hier dat, zoals meestal het geval is in het
dubbele wisselmarktmechanisme (en ook in de BLEU), de of-

ficiële contantkoers vast is (of althans in die mate wordt on-

dersteund, dat hij binnen aanvaardbare grenzen blijft), terwijl

de financiële contantkoers in essentie vlottend is. In dit geval

is het slechts de balans van de lopende verrichtingen die de
wisselreserves zal beïnvloeden, aangezien de vlottende finan-

ciële contantkoers ervoor zal zorgen dat er theoretisch geen
netto in- of uitvoer op de kapitaalbalans plaatsvindt. Hier-
door zal ook de externe invloed op het binnenlandse geldaan-

bod beperkt blijven tot de eerstgenoemde factor. Ook de in-vloed van deze factor zou nu kunnen worden uitgeschakeld.
Indien de overheid systematisch een compenserende inter-
ventiestrategie zou volgen, waarin ze stelselmatig de deviezen
die ze aan- of verkoopt op de officiële markt terug verkoopt of
aankoopt op de financiële markt, dan kan ze op die manier
het peil van de deviezenreserves constant 3) houden. De over-
heid realiseert op die manier een systematisch extern even-

wicht; er is dus ook geen buitenlandse invloed op het binnen-
lands geldaanbod. Door het volgen van deze compenserende
interventiestrategie kan de overheid met het dubbele wissel-

Voor verdere uitleg en referenties betreffende de organisatie van de
Belgische dubbele wisselmarkt, zie bijv., G. Martin enJ. P. Abraham, Dubbele Belgische wisselmarktkoers en internationale renteverschil-
len
1967-1969,
ESB, 14
oktober
1970,
blz.
1007-1013.
Zie bijv. V. Barattieri en G. Ragazzi, An analysis of the two-tier
foreign exchange market,
Banca Nazionale de! Lavoro,
Quarterly re-
view, december
1971,
blz.
359.
Twee opmerkingen dienen bier te worden gemaakt. ……. Het is duidelijk dat deze interventiestrategie ook kan worden ge-
bruikt om het gewenste groeiritme van de deviezenreserves te be-
reiken en het nul-groeiritme dus slechts één mogelijkheid is.
De overheid zal in een dergelijke transactie een klein verlies of
winst boeken, afhankelijk van het verschil tussen de twee contant-
koersen en het verhandelde bedrag. Voor meer details, zie V. Barat-
tieri en G. Ragazzi, op.cit., blz.
361.

876


S
,

marktsysteem één van de meest aantrekkelijke eigenschappen.
van een systeem van vlottende wisselkoersen bereiken, zodat

het vanuit dit oogpunt wenselijk zou zijn, indien de overheid

deze strategie zou toepassen.. .

Illegale arbitrage

Wat is nu de invloed van illegale arbitrage in deze omsta’n-

digheden? Veronderstel dat de contantkoers van een buiten-
landse valuta lager is op de financiële markt dan op de
officiële markt (d.w.z. dat men minder eenheden binnen-

landse munt moet betalen per eenheid buitenlandse va-
luta, op de financiële markt dan op de ôfficiële markt).

Illegale arbitrage zal in die omstandigheden de vorm
aannemen van aankopen van buitenlandse valuta op de

markt. Het is duidelijk dat bijv. een multinationale onderne-

ming die via de financiële markt kapitaal zou uitvoeren naar
een buitenlands filiaal (d.w.z. vreemde valuta kopen)en die

valuta meteen zou .repatriëren via de officiële markt (d.w.z.

vreemde valuta verkopen) vermomd als additionele royalties

bestemd voor de binnenlandse afdeling, een aanzienlijke
winst zou verwezenlijken.

We kunnen alvast enkele bedenkingen maken bij deze
illegale arbitrage.
1. Het feit als zodanig dat men op deze illegale manier, nI.
door ontwijking van de controles, een winst kan realiseren die
recht evenredig is met het absoluut verschil 4) tussen de finan-
ciële en de officiële contantkoers is een weinig aantrekkelijk
kenmerk van ht flubbele wisselmarktsysteem;’

1
Deze illegale arbitrage beïnvloedt het niveau van de de-viezenreserves. Een transactie zoals bijv. hierboven beschre-

ven, zou de reserves doen toenemen. Dit ïnterfereert met de mogelijkheden die het dubbele wisselmarktsysteem biedt in

verband met het in stand houden van het peil vande reserves;
.

-3. Indien deze illegale arbitrage op grote schaal zou plaats-
vinden, zouze het verschil tussen de beide contantkoersen

doen verminderen en eventUeel zelfs elimineren. Het is duide-
lijk dat in de mate dat dit gebeurt, de doeltreffendheid van hét.
dubbele wisselmarktsysteem wordt ondermijnd.

Invloed van een compenserende overheidsinterventie

Wat is nu de mogelijke invloed van een compenserende
overheidsinterventie? We zullen opnieuw ons boven vermeld
voorbeeld gebruiken om dit te illustrerén. Ten gevolge van de
betalingen voor de fictieve royalties is er aanvankelijk een stij-
gingvan het peil:van de binnenlandse deviezenreserves. Wan-‘

neer echter de overheid een compenserende strategie volgt, zal
deze toename onmiddellijk worden verkocht op de financiële
markt.

Met betrekking tot de invloed van een dergelijke transactie op de financiële contantkoers, dienen we twee gévallen te on-.
derscheiden.

indien het de bedoeling van “de multinationale onder-
neming is ôm een winst in franken te realiseren voor, de bin-,

nenlandse afdeling, dan is de hoeveelheid buitenlandse
valuta, die wordt aangekocht op-de financiële markt gelijk
aan de hoeveelheid die wordt verkocht op de officiële markt (en uiteindelijk terug wordt verkocht door de autoriteiten op
de financiële markt). Dit betekent dat de effecten op de finan-

ciële contantkoers elkaar opheffen, zodat deze, koers op het-
zelfdè niveau blijft.

Indien de betrokken onderneming echter de bedoeling

heeft een winst in buitenlandse valuta te realiseren voor de

buitenlandse afdeling, dan is de toestand verschillend. ‘De
hoeveelheid buitenlandse valuta, die’ op de officiële markt

wordt verkocht, zal nu kleiner zijn dan de hoeveelheid die
wordt aangekocht op de financiële markt. Dit zal leidentot
een vermindering van het verschil tussen de beide çontant-

koersen, aangezien de overheidsinterventie er nu niet in zal slagen het oorspronkelijke niveâu te herstellen.

ESB’ 10-9-1975

Korte
en lânge termijn

/elfs uit de manier naarop persorganen aan bericht-
gesing doen,
h
af te leiden dat er in \ederland sseinig
helangstetling bestaat ‘. oor het beleid dat de lange-
teruiijiiprohlemen moet oplossen. l )at zou je niet /eggen

iia alle blangstelling die de Club van Rome kreeg.
In zijn 31 blz, tellende rede ter gelegenheid van de her-
denking van het 25-jarig bestaan an de

l R. gaf
Drs. J . de Pous ccii aantal tielarigssekhende ideeen

om in het bedrijfsiesen tot lrieuse oserlegsirueturen te
komen. Die structuren koppelde hij aan het gewenste
sociaal-economische structuurbeleid.

‘. olgen de berichtgeving in een aant.il bladen en van
de radionieussdienst cii liet \U-jouriiaal. gnig de
F’ous’
rede slechts 05cr de bestemming San de aardgasbaten.
Inderdaad sserden, daaraan enkele ssoorden gewijd
(nauwelijks één blz.), maar deze waren niet de essentie
san dc rede: Dcie berichtgeving duidt op
een
ernstig
gebrek aan deskundigheid bij de economische redacties
au tal san persorganen. De burgers worden platgehom-
bardeerd niet ki irte-termijnprobleempjcs die slechts een
journalist belangrijk vindt, terssijl de sserkelijk belang-
rijke zaken verborgen blijven. +

jan.

‘eb.

mrt.

april

mei

juni

juli aug. sept. okt-nov. dec.

1973

0,43
-1,52

-1,42 -0,28

0,24

1,27 1,24 0,54 0,25 0,26 0,15

1974

0,42

1,12

1,2i

3,65

4,54

4,40

3.69 2.89 1,07 0,31 Ô,52

Bron:
Tijdschr(» van
de Nationale
Bank van
België,tabel
x-4′(mand-
gemiddetden van US-dollar te Brussel).

Conclusie

We kubnen bijgevolg concluderen dat, indien de overheid

een compenserende strategie volgt, illegale arbitrage’geen ef

fect-zal hebben op het peil van de deviezenreserves, noch op

het verschil tussen de’beide contantkoersen, indien het de be-
doeling is een winst in franken te realiseren. Indien men een

winst in buitenlandse valuta voor buitenlanders beoogt, kan
een compenserende interventie dé effectèn van illegale arbi-

trage niet neutraliseren. We dienen hierbij nogop te merken datin beide gevallende illegale arbitrage op deze manier een
verhoging meebrengt van het volume van de overheidsinter-
ventie. Het is ook duidelijk dat de winst, voortvloeiend uit de
illegale arbitrage, hier niet wordt geëlimineerd; het gaat hier

enkel om het neutraliseren’ van een aantal effecten van derge-
lijke transacties. ‘
. .

Herman C. Verwilst

4) Ter illustratie geven we hierna de’verschillen tussen de financiële – en de officiële contantkoers van de US-dollar uitgedrukt als eed per +
centage van de officiële contantkoers gedurende

de laatste twee
jaren:

877

Energie kroniek

Structuurschema en milieu

S. H. ELLENS*

Indicatief programma

,,Een voortzetting tot in de verre toekomst
van de in de afgelopen jaren opgetreden groei
van het elektriciteitsverbruik en andere vor-
men van energieverbruik is . . . . voor velen
in onze maatschappij een benauwend toe-
komstbeeld. Anderen zijn optimistischer en
verwachten dat, ondanks de groei van het
energieverbruik, door passende maatregelen
de kwaliteit van het leefmilieu behouden kan
blijven, ja zelfs dat verbetering van het leef-
milieu door toepassing van extra energie
mogelijk is”.

Aldus een passage uit de probleem-
stelling van het
Structuurschema elek-
triciteitsvoorziening
waaraan de E ner-giekroniek 1) van 13 augustus ji. reeds
was gewijd. Bij wijze van geheugen-
steuntje: het
Siructuurschema
kan een
aanzet voor het opstellen van een indica-
tief programma betekenen. Te lang im-
mers al wordt het opwekken van elek-
triciteit overgelaten aan ontwikkelingen

waar de maatschappij zich nauwelijks in

verdiept. Wat is er tégen om de elektrici-
teitsproduktie af te wegen naar maat-
staven, die ook in andere opzichten

worden gehanteerd. De onbeperkte groei
hebben we nu langzamerhand wel af-
gezworen – en waar we dat nog niet
hebben gedaan krijgen we vroeg of laat

een rekening gepresenteerd – zij het

dan niet van het GEB, maar in de vorm
van een verpest milieu, van het feit dat
grondstoffen uitgeput zijn geraakt en de hele zaak vastloopt.

Het is al zo vaak betoogd: het onbe-
heerst gebruik van schaarse materialen voor de produktie van goederen, waar-
van het nut dubieus kan zijn, met elek-

triciteit waarvan de opwekking in steeds
grotere hoeveelheden aparte problemen

schept; deze steeds langer wordende
,,trein”, die steeds meer snelheid krijgt,
moet worden afgeremd. Men hoeft zich
waarlijk niet als ,,milieu-propagandist”
op te werpen om een dergelijke benade-
ring te kunnen onderschrijven.
Een indicatief programma dus! De
Boer zette in zijn reeds aangehaalde

artikel uiteen dat het ook voor ons land noodzakelijk wordt zo’n programma op

te stellen, met daarin de te verwachterij

resp. politiek haalbare ontwikkelings-
strategieën: wat is de trend in de elek-

triciteitsproduktie?, wat moet het ant-

woord van de samenleving op die trend

zijn?, wat zijn in dit opzicht alternatieve

mogelijkheden? De antwoorden worden
niet in de laatste plaats bepaald door de

bijverschijnselen, de gevolgen van de
diverse produktiesystemen.
Energiebesparing

Aan de bovengenoemde bijverschijn-

selen wordt in het
Structuurschema,
in
tegenstelling tot in de
Energienota

(waarvan in het voorwoord overigens
wordt gezegd dat de nota niet als ,,het
laatste woord” mag worden beschouwd)

ruime aandacht geschonken. En dat is
ook geen wonder, want als we bijv. naar
de Verenigde Staten kijken, waar het
energieverbruik per hoofd van de bevol-
king enkele malen hoger ligt, dan moet
worden vastgesteld dat ook daar geen
halt wordt toegeroepen aan de exponen-

tiële groei van het verbruik. Ook dâir
in het algemeen nog weinig daadwerke-
lijke belangstelling voor een terugdrin-
gen van het verbruik: onvoldoende iso-
latiemateriaal in de muren van bouw-
werken, grote glasoppervlakken, exces-
sieve ventilatiemogelijkheden, automo-

toren met vermogens die de behoeften verre overtreffen. Efficiëntere techno-
logieën en een meer rationeel energie-
gebruik zouden tot enorme besparingen

kunnen leiden. Men zegt dat een energie-
besparing van 1% per jaar overeenkomt

met een besparing van lOO mln, vaten
olie. Een detail: het is mogelijk apparaten
te kopen die kleding uit de wasmachine
snel drogen; het elektriciteitsverbruik is
in de VS de laatste jaren
in deze sector
met 10,6% per jaar gestegen en nadert
thans de 0,5% van het totale energie-
verbruik. De Stichting Toekomstbeeld
der Techniek organiseerde verleden jaar

een symposium gewijd aan energie-
conservering 2); één van de conclusies

was dat het omstreeks 1985 voor Neder-
land mogelijk zou kunnen zijn tot een
besparing van ruim 14% in het totale
verbruik van energie te komen.

Toch zou het onverantwoord zijn veel

van deze mogelijkheden tot besparing

te verwachten: de mens went betrekkelijk
snel aan vervelende situaties en hij ver-

geet ze nog sneller als ze zijn achterhaald.
Een beroep tot matiging werkt slechts

korte tijd en de goede wil gaat snel ver

loren. Maar zelfs bij een afname van de

groei blijft het onvermijdelijk naar de

gevolgen van de energieproduktie te
blijven kijken en daar passende maat-
regelen te nemen. Het
Structuurschema
geeft nu wat betreft de elektriciteits-

produktie een overzicht van de terreinen
waar verder onderzoek gewenst is, ten
einde de op het milieu gerichte neven-
effecten te minimaliseren. Vooropgesteld
wordt dat de produktie, het transport

en het verbruik van energie tot verschui-
vingen van ecologische evenwichten

kan leiden. In directe zin geschiedt dit

doordat verbrandingsprocessen onom-
keerbaar plegen te zijn, in indirecte zin
doordat de opgewekte energie wordt ge-

bruikt in processen die op hun beurt
kunnen leiden tot verschuiving van be-
paalde ecologische evenwichten. Het

Structuurschema
stelt vast dat bepaling

van het maatschappelijke nut van het
energieverbruik mede dient te geschieden
op basis van de milieu-effecten ervan.

Koeling

Het Structuurschenia
geeft, tenminste

wat de milieuproblematiek betreft, niet

alleen een cortgiomeraat van losstaande
opmerkingen, maar dient toch ook te
worden beschouwd als een eerste aanzet
voor een beleid. In feite ontbreekt het

verschaffen van een inzicht in de feite-
lijke situatie, waarmee we in de toekomst

hebben te rekenen.
Wat zijn de concrete gevolgen van het

uitvoeren van concrete plannen die vol-
gens een concreet beleid zijn opgezet?

Nogmaals, de aanzet is er, het milieu
wordt serieus in discussie gebracht. In-
tussen worden feiten aangedragen waar-
van het de moeite waard is kennis te
nemen. Bijv., de in ons land voor koeling
geschikte wateren maken in totaal de

* Bureau Ellens, Informatie over Wetenschap
en Techniek te Den Haag.
A. A. de Boer, Indicatieve programmering van de elektriciteitsproduktie,
ESB,
13 augus-
tus
1975,
blz.
771
e.v.
J. A. Over (ed.)
Energyconservation: ivays
and means,
editor in chief: A. C. Sjoerdsma,
juni
1974.

bouw van 90.000 MW mogelijk. De

bruikbare koelcapaciteit van het Ijssel-
meer wordt geschat op 16.000 â 20.000
MW. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat
in de nabijheid van de centrales enige
vierkante kilometers gemiddeld ca. 2°C
worden opgewarmd. Voor het gemiddeld opwarmen van het gehele Ijsselmeer met

1° C zou een vermogen van 200.000 MW

nodig zijn!
Bouw van centrales langs de grote
rivieren is, door de beperkte koelmoge-
lijkheden, slechts toelaatbaar tot een

totaal vermogen van een 7.500 MW; de
Deltagebieden, de estuaria en de Noord-
zee maken wat de koelcapaciteit betreft
de bouw van nog eens 40.000 MW toe-

laatbaar.
De vraag wat in dit verband toelaat-
baar is wordt beantwoord door de Wet
Verontreiniging Oppervlaktewateren

(1970) die regelt dat het Rijksinstituut
voor Zuivering van Afvalwater hierbij
de vergunning verlenende instanties

adviseert. Er zijn criteria en voorlopige

normen vastgesteld: de maximale tem-
peratuur van het koelsysteem en/of de
maximale lozingstemperatuur is 30°C;

het temperatuurverschil tussen inlaat-
en uitlaatkoelwater mag in de zomer niet

meer dan 17°C en in de winter niet meer

dan 15°C bedragen; de omvang van de
warmtelozing is aan een maximum ge-
bonden, afhankelijk van het type water
waarop wordt gekoeld; wanneer het

zuurstofgehalte beneden 5 mg per liter
zuurstof ligt, mag op dat water niet
worden geloosd, tenzij de centrale ervoor
zorgt dat het koelwater intensief wordt

belucht; tenslotte dient als aan het koel-

water chloor wordt toegevoegd, om aan-

groei van organismen tegen te gaan, het
koeldebiet zo klein mogelijk te worden

gehouden.
Bij dit alles dringt zich de vraag op of

ook alle koelcapaciteit, die in principe
beschikbaar is, kan worden gebruikt.
Als dat niet zo zou zijn dient de benodig-
de elektriciteit elders te worden opge-
wekt of moet koeling op een andere

manier plaatsvinden. Er kan dan worden
gedacht aan koeltorens (die zo mogelijk
nog lelijker zijn dan de meeste hoog-

spanningsmasten) en die ook econo-
mische, micro-klimatologische en plano-
logische bezwaren hebben. Een nadeel

van kerncentrales is dat deze ongeveer
de helft meer koelwater lozen dan con-

ventionele centrales, hetgeen betekent
dat op een gegeven vestigingsplaats min-

der nucleair dan conventioneel vermogen
geïnstalleerd zou kunnen worden. Bij

conventionele centrales wordt ongeveer
40% van de primaire energie in elektrici-

teit omgezet; 10% gaat door de schoor-

steen en de overige 50% wordt met het
koelwater afgevoerd.
Over de ecologische effecten wordt ge-
zegd dat de werkelijke invloeden van
kunstmatige temperatuurverhogingen
zich slechts uitermate moeilijk laten be-
palen, onder andere als gevolg van

natuurlijke temperatuurverschillen, ver-
schillende temperatuurgevoeligheid van
diverse organismen, populatiegrootten
e.d. De KEMA is al jarenlang met dit

onderzoek bezig, maar heeft tot nog toe
geen duidelijke gevolgen van kunst-
matige opwarming aangetoond. Hoewel
van de effecten van energieproduktie op
lange termijn nog niet bijster veel bekend

is, is er wel enige nuance aan te brengen

als het gaat om het maken van een verge-
lijking van de diverse opweksystemen

onderling. In een vorige Energie-
kroniek 3) heb ik betoogd dat de milieu-
effecten van kernenergie het minst on-

aanvaardbaar zijn; het welhaast andere

uiterste is ,,iedere” woon- en leefgemeen-
schap zijn eigen conventioneel energie-

systeem te gevenmet de daaraan inheren-
te vervuiling, in plaats van een leiding
die op een min of meer grote centrale

opwekinstallatie is aangesloten.

,,Alternatief” opweksysteem

Van een ,,alternatief” opweksysteem
(of combinatie daarvan) behoeft men op
korte termijn niet veel te verwachten, al

dienen onderzoek- en ontwikkelings-
werk in deze richting met alle kracht te
worden voortgezet. Voor ons land wordt
verwacht dat de keuze althans voorlopig
beperkt zal blijven tot fossiele en nucle-
aire brandstoffen. Wat de laatste betreft
wordt tegen kerncentrales aangevoerd
dat deze nog problematisch zijn als ge-

volg van de produktie van radioactief
afval en de reactorveiligheid. Hier.wordt

echter voorbijgegaan aan de mogelijk-
heid van plutonium-terugvoer (zowel
in thermische als in snelle reactoren

mogelijk), waardoor het afvalprobleem
zeker niet als onoverkomelijk behoeft

te worden beschouwd.
Ook wordt er geen melding gemaakt
van het werk van Rasmussen ophet ge-
bied van de risico-analyse. Dat dit werk
van zeer grote betekenis is geweest (en
in de toekomst kan zijn) moge blijken
uit het recente NASA-rapport waarin

de methode-Rasmussen nader is beoor-
deeld. Achtergrond: enkele jaren heeft

Rasmussen(hoogleraar, verbonden aan
het Department of Nuclear Engineering
van MIT in Boston) met een zestigtal

medewerkers gerekend aan de kans op

een ernstig reactorongeval. Hij kwam

daarbij tot de conclusie dat die kans
zo klein is dat die door geen enkele

andere tak van bedrijf ook maar in de
verste verte kan worden gehaald. De kri-

tiek kwam snel: Rasmussen had een
methode gevolgd die afkomstig was van
de NASA, maar die door deze instelling
reeds tien jaar eerder als onbetrouwbaar
ter zijde zou zijn gelegd. Het rapport-
Rasmussen was voor NASA evenwel aan-

leiding diëns met.iode nader te analyse-‘
ren en kwam dezer dagen met de opzien-
barende mededeling (gericht aan de
Nuclear Regulatory Commission, een
van de twee instanties die de aloude AEC

hebben vervangen) dat de methode-Ras-

mussen juist z6 betrouwbaar is dat deze
niet alleen voor het analyseren van

risico’s geschikt’ is, maar ook uitstekend

kan worden toegepast in het ontwerp-
stadium van installaties. Met andere
woorden, hoewel er geen enkele reden

is met verder veiligheidsonderzoek van
kerninstallaties te stoppen, is de oplos-
sing om voor eventuele gevaren bij voor-

baat op de loop te gaan nooit de juiste

geweest.
Er wordt tegenwoordig nog al eens

gesproken over terrorisme, sabotage,
chantage van kerncentrales. Welnu, ik
zal gegadigden in deze richting niet op
het spoor zetten, maar er zijn duizend

en één andere, meestal gemakkelijkere
(en voor de daders minder riskante)
mogelijkheden hun doeleinden efficiën-
ter te bereiken. Maar misschien spreek
ik voor mijn beurt: in een latere aan-

vulling op het
Structuurschema
zullen

bovenbedoeld’e problemen nader worden
behandeld’ en zal ook een duidelijker

voorkeur voor ‘nucleair of fossiel ge-stookte centrales mogen worden ver-
wacht. Deze voorkeur, zo wordt in het

Siructuurschema
meegedeeld, zal niet

alleen berusten op eventuele milieu-
hygiënische merites, maar ook op de

overweging dat olie en aardgas wellicht
veel aantrekkelijker toepasbaar zijn op
gebieden buiten de elektriciteitsproduk-

tie. Zoals Bernard L. Cohen 4) onlangs
verklaarde:

,,As our distant progeny look back on the
late twentieth century, they
will
ne.ver notice
the tiny fraction of one percent by which we
will have increased the radioactivity in their
environment. We will rather be remembered
as the scoundels who. consumed all the
high-grade ores of copper, nickel, zinc, tin,
lead, mercury

and worse than that,
literally burned up at a rate of millions oftons
per day those once plentiful hydrocarbons
– coal, oil and gas – which are valuable as
feedstocks for petrochemicals. The only
thing that might save us in their eyes would
be supplying them with a technology that
will
allow them to livein reasonable comfort
without those resources
……

Conclusie

Zoals gezegd, het zijn hier slechts en-

kele opmerkingen naar aanleiding van een document dat onze hele bevolking
aangaat. Het is primair een basis van
waaruit verder zal moeten worden ge-
werkt, waarbij tevens rekening zal
moeten worden gehouden met een
samenhang met verschijnselen van eco-
nomische aard die zich op andere terrei-
nen’ van, onze samenleving voordoen.

Dat daar op’ dit ogenblik nog allerminst
duidelijkheid over bestaat is geen

excuus om niet alvast de boven beschre-
ven problematiek te gaan aanpakken.

S.
H. Ellens

Kernenergie en sociale kosten,
ESB, Be-richten.
16juli1975, blz. 693.
Bernard L. Cohen (Institute for Energy
Analysis – afdeling van Oak Ridge Associated
Universities),
Environmental hazards in high-level radioactive tvaste disposal
(concept).

ESB 10-9-1975

879

we

Geld- en kapitaalmarkt

Spaartegoeden

DRS. H. S. VAN DER KNOOP*

Gemiddeld houdt de Nederlander bij het bankwezen ongeveer twee

spaarrekenin gen per persoon aan. Op al die spaarrekenin gen hebben wij

met z’n allen al ruim j: 50 mrd. staan, het resultaat van een gestadige

toename van ca. 3% per kwartaal. Dank zij de inflatie – volgens som-

migen ondanks dat hardnekkige maatschappelijke verschijnsel – zijn de

tegoeden op spaarrekening bij handelsbanken, Rijkspostspaarbank, alge-

mene spaarbanken en landbouwkredietinstellingen te zamen toegenomen

van rondf 7 mrd. in 1957 totf 47 mrd. begin 1973. In dat jaar kwam er een

eind aan de exponentiële groei. De toename zwakte af – door hoge geld-

markt tarieven en wellicht ook door de oliecrisis – zodat eind 1974 een

stand resulteerde van bijna
f
53 mrd.

Wat ook de oorzaak van de trendbreuk mag zijn (als het er al één is) de

markt van spaartegoeden werd door de handelsbanken aan het eind van de

jaren vijftig voldoende lucratiefgeacht om de mededinging met de traditione-
le spaarinstellin gen te wagen. Tot dat moment stortte de Nederlandse spaar-

der zijn geld voornamelijk bij drie banken: Rijkspostspaarbank, algemene

spaarbanken en landbouwkredietinstellingen. In 1959 echter begonnen

enkele handelsbanken spaartegoeden aan te trekken tegen een hogere rente

dan de traditionele spaarinstellingen. De mededinging op de spaarmarkt

nam toe. Waarom begaven de handelsbanken zich op dit voor hen onge-

bruikelijke terrein?

Lang krediet

Bepaalde ontwikkelingen in het eco-

nomisch proces vormen hierop het
antwoord. Handelsbanken maakten
voor de tweede wereldoorlog voor-
namelijk hun bedrijf van de korte-kre-

dietverlening. Na de tweede wereld-
oorlog bleek er een toenemende behoef-
te aan lange kredieten bij het bedrijfs-
leven te bestaan. Post 1) schrijft deze

toegenomen behoefte toe aan het op
gang komen van de uitvoer van kapi-

taalgoederen en de noodzaak van na-
financiering van exportorders. Dat noop-
te de handelsbanken de middellange-
kredietverlening tot hun werkterrein
te maken. Eizenga 2) schrijft dit laat-
ste vooral toe aan de toegenomen indu-

strialisatie, hetgeen bij het bedrijfsleven
de behoefte aan lange middelen deed toe-
nemen. Hoe dan ook, de middellange-
kredietverlening door handelsbanken
is sinds het eind van de jaren vijftig tot
het midden van de jaren zestig met on-
geveer f.2 mrd. gestegen. En het is daar-

uit, dat het optreden van de handels-
banken op de spaarmarkt verklaard
kan worden: de toegenomen vraag naar
middellang krediet veroorzaakte bij

hen eveneens een grotere behoefte aan
lange toevertrouwde gelden; zij vonden

die op de spaarmarkt 3).

Secundaire liquiditeiten

De Nederlandsche Bank (DN B) onder

scheidt in haar monetaire analyse pri-
maire en secundaire liquiditeiten. Se-

cundaire liquiditeiten zijn – wij citeren
de toelichting op tabel 3.1., statistische
bijlage van het
Jaarverslag van De Ne-
derlandsche Bank – ,,
vorderingen…..
op geldscheppende instellingen. . . die…
zonder veel kosten en zonder belangrijk
koersverlies
en masse
kunnen worden
omgezet in geld…… Voor 1959, toen

de spaartegoeden aangehouden bij han-

delsbanken op het totaal te verwaar

lozen waren, rekende DNB die tot de
secundaire liquiditeiten: zij voldeden

technisch aan de definitie. Spaartegoe-
den bij traditionele spaarinstellingen

(afgezien van de landbouwkrediet-
instellingen) voldeden daar niet aan,
aangezien die banken niet tot de geld-

scheppende instellingen werden (en
worden) gerekend, zodat opvraging

van spaargelden noodzakelijkerwijs
beleggersubstitutie tot gevolg moest
hebben.

Vanaf het begin der jaren zestig werd
deze situatie anders. De spaartegoeden

die het publiek aanhield bij de handels-
banken werden van praktische betekenis.

Hoewel DNB erkende dat een deel van de

bij de handelsbanken aangehouden
spaartegoeden daar waren gestort uit
spaar- of beleggingsmotieven, waarbij
liquiditeitsoverwegingen op de tweede
plaats staan – hetgeen volgens haar
bij secundaire liquiditeiten niet het
geval mag zijn: liquiditeitsoverwegingen
spelen daar een zeer belangrijke rol –

bestond het praktische bezwaar dat
moeilijk de omvang ervan was vast te
stellen. Bovendien stelde DNB zich op
het standpunt, dat bij veranderde om-
standigheden wellicht het gehele tegoed

zou worden opgevraagd. Deze beschou-
wingswijze stuitte op bezwaren bij de

handelsbanken: hoewel spaartegoeden

technisch inderdaad aan de definitie
van secundaire liquiditeiten voldeden,

zodat zij theoretisch op korte termijn
in koopkracht kunnen worden omgezet
– waarmee extra vraag naar goederen
en diensten kan worden uitgeoefend –

zou dat in de praktijk geen reële moge-
lijkheid zijn, gezien de beleggingsmotie-
ven die aan het aanhouden van spaar-
tegoeden ten grondslag zouden liggen.
Uiteindelijk is men overeengekomen
het opnemen van spaartegoeden in de Ii-
quiditeitenmassa af te laten hangen
van het karakter daarvan. Dat leest
DNB af aan het opvragingsgedrag, zoals
dat zijn uitdrukking vindt in de omloop-
snelheid (het totaal der terugbetalingen
gedeeld door het gemiddelde saldo). Nu
is de regeling als volgt. Is de omloop-

snelheid minder dan 0,5 dan wordt het
gehele tegoed als ,,eigenlijk” spaargeld
aangemerkt en niet tot de secundaire

* De auteur is medewerker bij het Economisch
Bureau van de AMRO-bank te Amsterdam.

t)
J. G. Post,
Besparingen in Nederland, 1923-1970, omvang en verdeling,
blz. 96.
W. Eizenga, Het liquiditeitskarakter van
spaartegoeden,
De Economist 116,
nr.
t,
1968, blz. 24.
J. J. Klant, Kasgeld en Kasbelegging,
De Economist 116,
nr.
t,
1968, blz. 55 e.v.

liquiditeiten gerekend. Is de omloop-snelheid meer dan 2 (-maal per jaar),

dan is al het spaargeld ,,oneigenlijk” en
daarmee een deel van de liquiditeiten-

massa. Bij waarden tussen 0,5 en 2 wordt

via interpolatie de omvang van het on-
eigenlijk spaargeld bepaald.
De grenswaarden van
0,5
en 2 beteke-

nen, dat DNB spaargeld met een rust-
tijd van meer dan twee jaar niet wezen-
lijk verschillend acht van spaartegoe-
den, aangehouden bij de traditionele

spaarinstellingen; van spaargeld dat gemiddeld een half jaar of korter op
rekening blijft zou de mogelijkheid
van omzetting in effectieve koopkracht

wel reëel zijn.
Blijkens de statistische bijlage van

het
Jaarverslag van De Nederlandsche

Bank
1974 heeft de omloopsnelheid

van spaartegoeden bij handelsbanken
zich in de loop der jaren tussen de 0,60
en 0,80 bewogen. Bij de algemene spaar-
banken is sprake geweest van een gesta-

dige stijging, zodat DNB ook daar de
splitsing oneigenlijk versus eigenlijk
spaargeld is gaan aanbrengen, zonder het

oneigenlijk spaargeld tot de secundaire
liquiditeiten te rekenen: spaarbanken

zijn geen geldscheppende instellingen.
Dat neemt overigens niet weg dat op gro-
te schaal plaatsvindende opvragingen
van tegoeden bij spaarbanken stellig
gepaard kunnen gaan met geldcreatie.

In 1957 bracht een rentestijging op de ka-

pitaalmarkt een massale opvraging van
tegoeden bij spaarbanken teweeg.

Om moeilijkheden te voorkomen
konden zij een beroep doen op krediet-
faciliteiten van DNB, hetgeen in feite
neerkwam op geldcreatie 4). Weliswaar
waren de aan de spaarbanken opgelegde
voorwaarden zeer stringent en erop
gericht de geldcreatie zo snel mogelijk
terug te draaien, een feit is dat er in
korte tijd koopkracht in de economie
vloeide. Het hangt dan uiteraard af van
de snelheid, waarmee de compensatie

plaatsvindt, hoe groot de monetaire
verstoring uiteindelijk is.

Overheveling

Hoewel het aandeel van het oneigen-
lijke spaargeld bij handelsbanken in het
totaal der liquiditeitenmassa slechts 2%
is en dus van geringe betekenis, beïn-
vloeden de spaartegoeden de secundaire
liquiditeiten toch ook nog langs een

andere weg.
Sinds de dank zij het optreden der
handelsbanken toegenomen mede-
dinging op de spaarmarkt is – dat kan

men redelijkerwijze veronderstellen –
die markt transparanter geworden en zul-
len ook andere delen van de vermogens-

markt minder ondoorzichtig zijn gewor-
den dan voorheen. Gevoegd bij het in

de jaren zeventig horende hogere infia-
tietempo zou de gevoeligheid van spaar-
tegoeden voor de opbrengst van alter-

natieve beleggingsmogelijkheden kun-

nen zijn toegenomen. Dat laatste wordt

als oorzaak gezien van de in 1973 en

1974 geconstateerde overheveling van
spaartegoeden naar termijndeposito’s.

In die jaren heeft er een aanzienlijk ver-
schil bestaan tussen geldmarkt- en spaar-

marktrente: de eerste was belangrijk
hoger dan de zich in het algemeen zeer

langzaam aanpassende spaarrentes.
DNB raamt in haar jongste jaarverslag
die overheveling in 1973 en 1974 op resp. f.1 mrd. en f.2 mrd. 5). Met die
bedragen is, zoals DNB het formuleert,
de groei van de liquiditeitenmassa

(waartoe termijndeposito’s worden
gerekend) in die jaren ,,opwaarts ver

tekend”. Bovendien leidde de overheve-
ling tot een toeneming van de omloop-
snelheid van de spaartegoeden, vooral

dank zij een vergroting van de terug-

betalingen. Daardoor is de aanwas van
het oneigenlijke spaargeld, zoals dat
wordt berekend via het criterium van de

omloopsnelheid, in de formulering van
DNB ,,overschat”. In het eerste halfjaar
van 1975 lijkt dezelfde invloed van
spaartegoeden op de omvang van de
liquiditeitenmassa weer te werken, maar

dan in omgekeerde richting: vooral
dank zij de lage geldmarktrente schijnt
er overheveling van termijndeposito’s
naar spaargelden plaats te vinden.
Een en ander maakt de vraag hoe ren-

tegevoelig spaartegoeden nu precies
zijn erg interessant. Ruimer gesteld:
hoe laat zich het verloop van de spaar-
tegoeden in Nederland verklaren?

Vraag naar
spaartegoeden

Het totaal van de spaartegoeden in
Nederland is nog niet onderwerp van
econometrisch onderzoek geweest, er zijn ons althans geen publikaties over
bekend. Wel zijn in diverse studies, die
de vraag naar primaire en secundaire

liquiditeiten onderzochten, de oneigen-

lijke spaargelden bij handelsbanken
impliciet als deel der secundaire liquidi-

teiten verklaard.
Een spaartegoed, in welke definitie
dan ook, is één van de vormen waarin

een economisch subject zijn vermogen kan aanhouden. Het is gebruikelijk om

bij de formulering van de vraagverge-
lijking van zo’n vermogenscomponent de
omvang van de vraag afhankelijk te stel-
len van de omvang van het vermogen en van het aandeel van de betreffende com-
ponent daarin. Meestal stelt men het ver-
mogen, wanneer dit niet rechtstreeks
bekend is, voor door een benadering
vaak het nationale inkomen of een
voortschrijdend gemiddelde daarvan.
Als factoren, die het aandeel van de
vermogenscomponent in het totaal be-palen, worden natuurlijk in eerste aan-
leg opbrengsten gebruikt: de rente-
opbrengst van, in dit geval, spaartegoe-

den zelf en de rente van directe alter-
natieven, bijv. termij ndeposito’s, aan-
delen, obligaties. Daarnaast valt te den-

ken aan factoren, die betekenis hebben voor de motieven die spaarders – in het

algemeen economische subjecten –

hebben om vermogen aan te houden

(d.w.z. om te sparen). Dit lichten we
toe. Eén van de redenen, waarom ge-

zinnen sparen is het transactiemotief. Men pleegt de daaruit voortvloeiende

besparingen aan te duiden met de naam

kasquotebesparingen 6). Zij dienen
om aan de behoefte aan geld te voldoen,

die ontstaat uit het feit dat het moment
waarop inkomen wordt uitbetaald meest-

al niet samenvalt met het tijdstip waarop
het wordt verdiend. Het zal duidelijk
zijn dat dit transactiemotief leidt tot
vraag naar beplde vermogenscom-
ponenten: aandelen of obligaties zullen
meestal niet uit dien hoofde gevraagd

worden, men moet hierbij in eerste in-
stantie denken aan chartaal en giraal

geld.
Spaartegoeden nu bestaan blijkens
enquêtes voor een belangrijk deel uit

de tiage bestanddelen van de hierbe-
doelde transactiekassen, d.w.z., spaar

ders plaatsen vaak geld, dat zij op lange
termijn nodig denken te hebben op een
spaarrekening. Het blijkt dus dat spaar-
tegoeden hun nut hebben, wanneer eco-

nomische subjecten vermogen aanhou-
den uit hoofde van het transactiemo-
tief. Factoren, die betekenis hebben
voor het transactiemotief, d.w.z. de ver-

mogensbehoefte uit hoofde van het
transactiemotief beïnvloeden, zullen
dus ook de vraag naar spaartegoeden
beïnvloeden. Daarbij valt dan bijv.
te denken aan de omvang der transac-
ties, hetgeen weer uiteenvalt in een
volume- en een prijscomponent. De

prijscomponent, in een statistische ana-
lyse voor te stellen door een prijsindex,

zou in dit laatste een positieve invloed op
spaartegoeden hebben: door prijsstij-
ging neemt de nominale omvang der
voorgenomen transacties toe, hetgeen
de spaarders ertoe noopt meer geld op
hun spaarrekening te zetten. Dit is

echter een ,,ceteris-paribus”-redenering. Welke invloed hebben stijgende prijzen,
of liever: de verwachting dat de prijzen
stijgen op de bereidheid van de spaar-
ders om überhaupt nog – door af te
zien van consumptie – (positief) ver-
mogen aan te houden?

Invloed inflatie

Bij de beantwoording van deze vraag

kan men verschillende kanten uit. Daar-
bij gaat het ons om
directe
effecten.
Mogelijke invloeden van inflatie (ver-

wachting) op de rentestand en langs
die weg weer op de bereidheid vermo-

Eizenga, o.c., blz. 30.
De Nederlandsche Bank NV,
Verslag
over het jaar 1974,
blz. 76-77.
G. A. Kessler,
Monetair evenwicht en
betalingsbalansevenwicht, blz. 112 en 115.

ESB 10-9-1975

881

Voor boeken op het gebied van economie sociologie, recht, medicijnen en techniek:


WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
ROTTERDAM B.V.

Waarin opgenomen: De Wester Boekhandel Stamboekhandel Rotterdam

Rochussenstraat 223, Rotterdam
3003
Tel. (010) 76 11 88

t
Vestiging in de
Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010) 14 55 11,

toestel 31 15.

(l.M.)

tegenstelling tot verwachte prijsstij-

leerde onderbreking van de exponen-
ging, die een negatief effect zou hebben.

tiële groei van spaargelden.

gen aan te houden laten wij dus buiten
beschouwing. Eén van de motieven om

te sparen is het voorzorgsmotief. Spaar-

ders leggen geld opzij voor onvoorziene
gebeurtenissen (ziekte, ongeval enz.),

waarvan het optreden onzeker is en

waarvan dus ook het tijdstip van beste-
ding niet vaststaat (in tegenstelling tot
het geld, aangehouden uit hoofde van het

transactiemotief). Het is duidelijk dat
de verwachting van stijgende prijzen de

spaarinspanning uit hoofde van het
voorzorgsmotief vergroot: de uitgaven,

samenhangend met onzekere gebeurte-nissen zijn naar evenredigheid hoger.
Anderzijds is er natuurlijk de overwe-

ging dat stijgende prijzen, die door prak-
tisch alle consumenten worden verwacht,

hen ertoe zullen brengen aankopen
te vervroegen, dan wel de bereidheid
wegnemen om nominaal gefixeerde

vermogenscomponenten aan te houden. Wat de eerste mogelijkheid betreft, kan

de tegenwerping worden gemaakt, dat grote uitgaven zich moeilijk laten ver-

schuiven, tenzij de consument krediet
kan opnemen, hetgeen natuurlijk aan

voorwaarden is gebonden (hoogte van
het inkomen bijv.) of op weerstanden
bij de consument zelf stuit (hij moet

zich ,,in de schulden steken”). Wat de
laatste mogelijkheid betreft zijn spaar-

tegoeden niet de enige nominaal ge-
fixeerde vermogenscomponenten; char-

taal geld, giraal geld, termijndeposito’s

zijn dat ook. Ze worden allen even hard door de inflatie aangetast, waaruit volgt
dat er binnen die groep van vermogens-

componenten in principe geen verschui-
ving zal plaatsvinden. Heeft de doorsnee
spaarder dan de mogelijkheid om zijn geld te beleggen in infiatiebestendige

vermogenscomponenten. Goederen bij-
voorbeeld? Dit lijkt voor de meeste
spaarders geen realistisch alternatief.

Denkbaar is, dat spaarders hun ver

mogenstoename beleggen in titels, waar

van ze inflatiebestendigheid – al dan niet ten onrechte – verwachten, bijv.
aandelen.

Het empirisch onderzoek dat in de
kwestie van de invloed van prijsver-

wachtingen op consumentengedrag is
gedaan, heeft tot verschillende resul-
taten geleid. Blijkens het overzicht van

Pais 7) hebben Juster en Wachtel het
effect van prijsverwachtingen op de
aanschaf van duurzame consumptie-goederen en op de verdeling van het
inkomen over bestedingen en bespa-
ringen onderzocht. Het bleek dat ver-
wachte prijsstijgingen de reële uitgaven

voor duurzame consumptiegoederen
onmiskenbaar negatief hebben beïn-

vloed. Ten aanzien van de besparingen
zou de voorzichtige, voorlopige con-clusie kunnen worden getrokken, dat

onvoorziene inflatie (d.w.z. de feitelijke
ontwikkeling verschilt van de verwachte)

positief op de besparingen werkt, in

Voorlopige resultaten

Zonder nu alle factoren te beschrijven,
welke mogelijkerwijze de omvang van
de spaartegoeden beïnvloeden, kunnen
toch enkele voorlopige resultaten van
empirisch onderzoek worden gegeven.

We werkten met seizoengecorrigeerde
spaartegoeden op kwartaalbasis. De

tegoeden zijn die, welke op spaarreke-
ning worden aangehouden bij de han-delsbanken, Rijkspostspaarbank alge-
mene spaarbanken.en landbouwkrediet-
instellingen. Uit regressies, die we deden
op procentuele mutaties van de relevant
geachte grootheden, verkregen we signi-

ficante coëfficiënten voor geldmarkt-

rente, kapitaalmarktrente, nominaal
natiorraal inkomen, prijsniveau en
volumeverbruik van duurzame con-

sumptiegoederen. De coëfficiënten,
die in de onderhavige wiskundige formu-
lering geïnterpreteerd mogen worden

als elasticiteiten hebben, voor zover
de economische theorie er iets over laat
zeggen, het goede teken. De elasticiteit
van spaartegoeden t.o.v. prijsniveau
bleek in de gebruikte specificaties nega-
tief te zijn, namelijk een waarde van
rond —0,2 te krijgen. Sommige groot-
heden oefenden hun invloed vertraagd

uit.

De invloed van de conjunctuur, afge-
meten althans aan de regressieresulta-

ten van investeringen in machines, was

niet aantoonbaar. Bovendien had over
de beschouwde periode (vierde kwar-
taal van 1957-vierde kwartaal van 1974)

de rente van spaartegoeden zelf geen
significante invloed, hetgeen vermoe-delijk samenhangt met uiterst geringe

variatie die deze grootheid vertoont.

Tenslotte bleek een dummy-variabele
voor het vierde kwartaal van 1973 en
het eerste kwartaal van 1974 (de olie-
crisis) een significante negatieve coëf-
ficiënt te krijgen. Dit zou erop kunnen
wijzen, dat de energiecrisis de tegoeden

op spaarrekening negatief heeft beïn-
vloed. Wellicht ligt – naast hoge geld-

marktrentes – hier een verklaring voor
de in de aanhef van dit artikel gesigna-

H. S. van der Knoop

7) A. Pais, Prijsverwachtingen en consu-
mentengedrag,
De Economis: 123,
nr. 1,
1975, blz. 50.

Meclede/in gen

Ondernemingsplanning

In het kader van een seminar over
ondernemingsplanning aan de Faculteit
der Economische Wetenschappen van
de Vrije Universiteit te Amsterdam zal
Prof. Dr.
H.
Mintzberg (McGill Uni-
versity, Montreal) op 29 september a.s. van 14.15-16.45 uur een lezing houden

over ,,Planning on the left side and
managing on the right”.

Plaats: Vrije Universiteit, De Boele-
laan 1105, zaal 4A-05, Amsterdam.

Inlichtingen: Faculteit der Econo-
mische Wetenschappen van de VU, tel.:
(020)54846 15.

Begrotingstekort

Panta Rei, de kring van afgestudeer-
den van de Faculteit der Economische
Wetenschappen van de Erasmus Uni-

versiteit Rotterdam organiseert op

donderdag 25 september a.s., 19.30 uur, een bijeenkomst over ,,De ontwikkeling
van het begrotingstekort”. Inleider is
Prof. Dr. P. Korteweg.

Plaats: Erasmus Universiteit Rotter-
dam, Burg. Oudlaan 50, zaal D
5.
Inlichtingen: voornoemd adres, tel.
(010) 1455 11, tst. 3494.

Oproep voor papers (rectificatie)

In de mededeling ,,Oproep voor
papers” in
ESBvan
27 augustus jI. is een
drukfout geslopen. Een korte samen-
vatting in drievoud onder opgave van
werk-, sessietitel en een kort curriculum
vitae dient zo
spoedig mogelijk
worden
toegestuurd aan Dr. C. van Dam,
Stichting Nijenrode, Instituut voor
Bedrjfskunde te Breukelen. De defi-nitieve versies van de geaccepteerde
bijdragen dienen
vddr 1
mei
1976
te
worden toegestuurd.
882

Auteur