Ga direct naar de content

Jrg. 60, editie 2990

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 19 1975

ECONOMISCH
STATISTISCHE BERICHTEN

m
0
ig

UITGAVE VAN DE

STICHTING HET NEDERLANDS

ECONOMISCH INSTITUUT

19 FEBRUARI 1975

60e JAARGANG

No. 2990

Kwantiteit en kwaliteit

In de Memorie van Toelichting bij de begroting van Bui-

tenlandse Zaken 1975 wordt gesteld dat de regering zich een verhoging van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking ten doel heeft gesteld tot een niveau van 1,25% van het bruto

nationaal produkt in 1976. De kwantitatieve doelstelling
van de netto officiële ontwikkelingshulp (ODA) bedraagt

in de jaren 1975-1978 resp. f. 1.550 mln. (0,72% BNP),

f. 2.580 mln. (1,09% BNP), f. 2.730 mln. (1,07% BNP) en
f. 3.020 mln. (1,05% BNP). Voor het tweede ontwikke-
lingsdecennium is deze doelstelling gesteld op minimaal 0,7%
BNP, te bereiken in 1975.

Kwantitatief lijkt het erop dat Nederland aan de.interna-
tionaal geaccepteerde doelstelling zal voldoen. Het lijkt er

zelfs op dat Nederland vanaf 1976 ver boven die doelstelling zal uitkomen. Er is dus geen vuiltje aan de lucht; wij kunnen

ons als voorloper op de borst kloppen. Kwalitatief echter is wel het een en ander op te merken.
Een gedetailleerde beschouwing per begrotingspost zal ik
hier achterwege laten. Waar ik in dit artikel op wil wijzen,

is dat er in de begroting eigenlijk een soort dubbeltelling
heeft plaatsgevonden. Wat is het geval?

De regering wil een bepaald percentage van het ontwikke-
lingsbudget financieren uit de kapitaalmarkt. De Neder-
landse investeringsbank voor Ontwikkelingslanden zal daar-

toe leningen opnemen op de binnenlandse kapitaalmarkt, onder staatsgarantie, en deze uitlenen aan ontwikkelings-
landen tegen aanzienlijk zachtere voorwaarden. De hieruit
voortvloeiende rentesubsidies zullen ten laste worden ge-

bracht van het ontwikk’elihgsbudgët’,in’de non-ODA-câte-
gorie. Dit beroep op de kapitaalmarkt kan aardig oplopen:
van 15% van het ontwikkelingsplafond in 1975 tot 20% in 1976 en later. Het merkwaardige is nu dat met ingang van
1975 zowel de kapitaalmarktmiddelen voor het gehele no-
minimale bedrag als de rentesubsidies op de begroting ver

schijnen. Dat deze rentesubsidies snel de pan uitvliegen,
toont een ruwe berekening.

Uitgaande van een geschatte jaarlijkse nominale stijging
van het BNP.met 10%, een procentueel gelijkblijvend hulp-
plafond en een financiering met behulp van 20% kapitaal-
marktmiddelen, kan men op grond van reële veronderstel-

lingen met betrekking tot het hulpvoorwaardenbeleid ener-

zijds en de geschatte kapitaalmarktrente anderzijds komen

tot een snel stijgende post rentesubsidies. Immers, elk jaar worden er weer nieuwe rentesubsidies gegeven, terwijl de

oude subsidies nog vöor tientallen jaren op het budget blijven
drukken. Er ontstaat dan een cumulatieve, explosieve groei-
curve. Ik schat dat deze rentesubsidies voor 1975 ca. f. 25
mln, bedragen en voor 1977 bijna het dubbele daarvan zul-len bedragen, maar dat ze in 1985 tussen de f. 500 en f. 600

mln. zullen liggen! Een astronomisch bedrag, dat de beleids-
ruimte op ontwikkelingsgebied sterk zal inperken.

Wat is er nu eigenlijk gebeurd? De ontwikkelingslanden hebben leningen ontvangen, die ze uiteraard moeten terug-
betalen. Bovendien krijgt de Nederlandse belegger vermo-
gensinkomsten uit de ontwikkelingsgelden.
Tot slot nog twee kanttekeningen. In de eerste plaats ben ik
van mening dat de uitgaven van alle departementen in prin-
cipe uit de algemene middelen dienen te worden gefinan-
cierd. Het is m.i. onjuist dat de overheid bij haar passieve
financiering bepaalde soorten inkomsten bij voorbaat be-

stemd voor bepaalde uitgaven. Toerekening van financie-

ringskosten aan bepaalde departementen heeft tot nu toe, terecht, niet plaatsgevonden. In de tweede plaats geeft de

huidige opstelling van de begroting voor Ontwikkelings-

samenwerking niet de reële offers weer. Eigenlijk is het een
wisseltruc: in ruil voor een kwantitatief hoger plafond wordt

daaronder via dubbeltelling tweemaal hetzelfde gebracht;
de kwaliteit van het hulpplafond wordt daardoor kwalitatief
uitgehold.

Dit probleem kan eenvoudig op twee manieren worden

‘opgelost: 1. haal de renteübsidies uit het hulpplafond en
laat alleen kapitaalmarktmiddelen staan; 2. neem de (con-

tante waarde van de) rentesubsidies op onder het plafond.
In beide gevallen dient de kwantitatieve hulpdoelstelling
gehandhaafd te blijven.

De centrale vraag is natuurlijk of het kabinet zoveel
waarde aan ontwikkelingshulp hecht dat het daarvoor de

échte offers wil brengen in de vorm van voldoende begro-
tingsmiddelen. Bij de behandeling van de begroting voor
Ontwikkelingssamenwerking, eind februari, zal moeten

blijken of de Tweede Kamer zich hiervoor sterk wil maken.
De zaak is het waard.

Ron Rote

161

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

MMij70

Drs. R. Rote:

Kwantiteit.en

kwaliteit

………………………………….
161

Column

Slechte timing StR,
door Dr. J. Bartels

…………………….
163

Drs. A. R. van Goor:

Een ,,rompmodel” voor de ondernemer (1)

…………………..
164

Drs. A. J. G. Leijten en C. Weij:

Fiscaal-sociale aspecten van de ondernemingsvorm voor zelfstandigen
169

Notitie

Alternatieve beleggingsvorm,
door Mej. J. Koenen …………….
173

Drs. D. C. Breedveld:

De huidige economische situatie in de Bondsrepubliek Duitsland en de
vooruitzichten voor

1975

………………………………..
174

Bedrijfseconomie

Beslissingsprocedures van de produktie. Keuzevraagstukken met betrek-

king tot de grootte van de produktieseries (1),
door Drs. K. Boskma, Drs. M. Geersing en Ir. C. A. Th. Takkenberg

……………….
177

Réctificatie

…………………………………………….
181

Mededeling

…………..

…………………………………
181
,

Fisconomie

Een Franse conjunctuurheffing,
door Mr. A. E. de Moor ……….
182

Ingezonden

Kwantificering van werkloosheidscomponenten,
door B. L. de Groot,

met naschrift van
F.
J.

Clavaux

…………………………….
185

Boekennieuws
…………………………………………..187

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Corn missie van redactie: H. C. Bos,
R. hierna, L. H. Klaas.ven, H. W. Lamhers, P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. HofTman. Redactie-mede it’erkster: Mej. J. Koenen.

Adres: Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterdam-3016: koi,ij voor cle redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 14 55 II, toestel 3701.
Bij aclresu’i/ziging s.v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in ttt’eevouc/,
getipt, dubbele
regelaf,stanc/,
brede marge.

A
bonnementsprijs:
f. 109,20 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studenzenf 67,60
(mcl. 4% BTW), franco per Post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksde/en (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkoart) op girorekening no. 122945
t. n. t’. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummerJ: 3.-
(‘mci.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 8408 In, t’. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunncn ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.

Laat uw collega eens kennismaken met uw ESB. Misschien

besluit hij dan wel om onderstaande bon in te vullen

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten

NAAM’

……………………………………………………

ADREs’

…………………………………………………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement): ………………………

Ingangsdatum’

………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden aan: ESB,

Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

A rheidsmark tonderzoek

Balanced International Grost’th

Bedrijfs-Economisch Onderoek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vestigingspatroflen

Macro- Economisch Onderzoek

Projectstudies Ontwikkelingslanden

Regionaal Onderzoek,

Statistisch-Mat hemat isch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

162

Dr. J. Bartels

Slechte timing
SIR

De wet Selectieve Investeringsrege-

ling heeft in zijn voorgeschiedenis vele
veranderingen ondergaan. In de eerste
plaats denk ik hierbij aan de niet onbe-

langrijke accentverschuivingen in doel-

stellingen. Overwegende zorg was
immers aanvankelijk het voorkomen
van nieuwe arbeidsmarktspanningen.

De z.g. 400-gulden-affaire, die zijn oor-
sprong vond in het Rijnmondgebied

en zich voortplantte door nagenoeg het
gehele land, vormde de directe aanlei-
ding voor deze zorg. Naarmate echter
de economische situatie uit arbeids-
marktoogpunt verslechterde kwam deze
doelstelling wat meer op de achter-
grond. De congestiebestrijding werd
vervolgens primair. Een moeilijk opera-
tioneel te omschrijven beleidsdoelstel-
ling. Dit mocht echter niet verhinderen,
dat met name het bedrijfsleven als con-

gestie-veroorzaker bij uitstek werd ge-
zien. De oliecrisis bracht vervolgens
in de discussies de derde doelstelling wat
scherper naar voren: de economische
structuur. Voor deze laatste accent-verschuiving was echter tevens van

belang de eraan voorafgaande wisseling
in de regeringssamenstelling.
Deze wisseling bepaalde tevens het
tweede aspect van de veranderingen in
de wet. Immers, de oorspronkelijke

keuze van de beleidsinstrumenten met
primair heffingen op investeringen en
aanvullend een stelsel van vergunningen

werd omgedraaid. Dat dit aan ons parle-
ment niet ongemerkt voorbijging, bleek
uit de felle, principiële discussie die in
de Kamer plaatsvond. Het opnemen
van een meldingsplicht ter gedeeltelijke

vervanging van het vergunningensys-
teem was hiervan het resultaat.
Inmiddels zijn de ontwikkelingen
weer verder voortgegaan. De regering
heeft laten wetende wet op 1 maart 1975
in werking te willen laten treden. Wel

heeft de regering voorgesteld om bij in-
voering de modaliteiten van de wet aan
de omstandigheden aan te passen. De

ratio voor deze nieuwe wijziging, die een
versoepeling inhoudt, is deeconomische
situatie.

Wie echter de economische ontwikke-
ling nauwgezet volgt, kan niet anders
dan verbaasd en bezorgd zijn over de
keuze van het tijdstip van invoering.
Zowel Langman, alsook Lubbers heb-
ben er bij herhaling op gewezen dat bij
het invoeren van de SIR terdege reke-
ning moet worden gehouden met de con-
juncturele situatie. Gegeven het uitein-

delij k investeringsafremmende karakter
van de SIR een m.i. juiste constatering.

Op dit moment bevindt Nederland zich
echter in een conjuncturele inzinking,
die bepaald nog niet ten einde is. Eerder
valt te verwachten, dat de groei van pro-

duktie en bestedingen vooralsnog tijde-
lijk verder zal vertragen. In verband met

de geringe uitbreiding van de wereld-
handel, die bovendien met tal van poli-
tieke en economische onzekerheden is
omringd, kunnen we vanuit het buiten-

land geen omvangrijke impulsen ver-
wachten, die op korte termijn een aan-
trekken van de conjunctuur mogelijk
maken. Het accent van een conjunctuur-
stimulerend beleid dient derhalve te
liggen op expansie van de binnenlandse
bestedingen. Een optie die door het
3,5 mrd.-gulden-pakket van het kabinet

is onderschreven, al kan men twisten
over de juiste omvang en verdeling van

deze bestedingsimpuls.
Binnen deze algehele context is echter
de ontwikkeling van één bestedingscate-
gorie, de bedrjfsinvesteringen, al enkele

jaren weinig florissant, in het bijzonder
de industriële investeringen blij ken

sinds 1970 sterk terughoudend te zijn in
volumegroei. Uitgedrukt in waardebe-
dragen zouden zij volgens de jongste
verwachtingen in 1975 slechts 2% uit-
komen boven het niveau van 1970. Struc-
tureel voegt zich daar nog het probleem
bij van de veranderde samenstelling van
de bruto bedrijfsinvesteringen. Als ge-
volg van een jarenlang voortdurend

oplopen van de reële loonkosten,
die door het gevoerde prijsbeleid en de

scherpe internationale concurrentie on-
voldoende in de prijzen konden worden
doorberekend, is het aandeel van de ver

vangingsinvesteringen in het totaal van
de investeringen drastisch opgelopen.
De voor Nederlandse verhoudingen

grote omvang van de werkloosheid staat
m.i. hiermee in direct verband.

Tegen deze achtergronden getuigt
de invoering van de SIR op korte ter-
mijn van een onjuiste en gevaarlijke taxa-
tie van de economische werkelijkheid.
Structureel omdat de SIR juist inves-

teringen in gebouwen treft, die naar men
mag aannemen in hoofdzaak een uitbrei-

dingskarakter hebben. Voor het schep-
pen van nieuwe arbeidsplaatsen zijnjuist

deze investeringen van primair belang.
De verhouding van vervangingsinves-

teringen t.o.v. netto investeringen zal er
eerder groter dan kleiner door worden.

Conjunctureel omdat het risico van

een verder in de tijd vooruitschuiven van

het omslagpunt erdoor in de hand wordt
gewerkt. Wie als tegenwerping aan-

voert dat de invoering van de SIR alleen
maar in hoofdzaak de Rijnmond betreft,
miskent nog steeds de economisch over-
heersende functie van dit gebied voor

ons land. Nog niet zo lang geleden be-
stond alom grote bezorgdheid over de
dreigende economische crisis in deze
regio, juist vanwege de nationale uit-
stralingseffecten. Is er sinds de oliecrisis
zoveel veranderd in de interregionale
structuur van onze economie, dat wij

deze relaties nu rustig over het hoofd
kunnen zien?
Wie erop wijst dat de hoogte van de
heffing wel meevalt, behoeft slechts een

vergelijking te maken met de hoogte

van de stimuleringspercentages, die ge-
bruikelijk zijn in tijden dat stimuleren
van de investeringen conjunctureel

wenselijk wordt geacht. Voorstanders van een op korte termijn invoeren van
de SIR onderkennen ook te weinig de

afremmende werking van het vergunnin-
gensysteem. Voor de individuele on-
derneming betekent deze vergunning een
vergroting van het aantal onzekerheden,
waar men bij de voorbereiding van een
investeringsproject mee te maken krijgt.
Ik onderschrijf in dit opzicht volledig
wat Mogendorff (Unilever) in een inter-
view in het
Economisch Dagblad
heeft
gesteld. Hij wijst daarin met nadruk op
de onzekerheid waarmee de ondernemer

geconfronteerd wordt, die de dreiging
inhoudt van een voortdurend ingrijpen

van buitenaf zonder te weten wat er wer-
kelijk gaat gebeuren. Dit onzekerheids-

aspect geldt wel bijzonder sterk voor het
SIR-vergunningensysteem, dat ondanks

de nadere uitwerking weinig operatio-neel blijft. Het investeringsbesluitvor-
mingsproces binnen de onderneming zal

hierdoor bovendien weer verder worden
verlengd. Psychologisch gezien vergroot
dit de kans op weerstand tot het doen
uitvoeren van projecten in Nederland.
Zowel de grotere onzekerheid als de ver-

lenging van het besluitvormingsproces
zullen zich direct bij onvoering van de
SIR doen gevoelen en de omvang van
de uitbreidingsinvesteringen negatief

beïnvloeden.

v

ESB 19-2-1975

163

Een Jompmodel”

voor de ondernemer (1)

DRS. A. R. VAN GOOR

Eind 1974 verscheen het rapport van de werkgroep ,, Rompmodel, distributie-planologisch onderzoek pen/ere

detailhande/svestigingen”. Dit rapport wijst de overheid op een aantal punten waarop noet worden ge/el hij de

bouwaanvraag van een ondernemer ter realisering van een z.g. weilandwinkel (superstore). Het in dat rapport
beschreven ,,rompmodel” wordt geheel bezien vanuit het gezichispunt van de overheid. Drs. A. R. van Goor,

wetenschappelijk medewerker van de Afdeling Bedrijfseconomie van de Rijksuniversiteit te Groningen, re/a leert

dat rompniodel in dit artikel aan de vesiigingsp/aatsproblematiek, zoals een ondernemer deze ervaart. Hierdoor
ontwikkelt de auteur een z.g. rompmodel voor de ondernemer. In het eerste deel wordt na een theoretische be-

schouwing over het rompmodel het z.g. omzetmodel beschreven, dat gebaseerd is op de prognose van de omzet per

vestigingsplaats. In het tweede deel wordt het z.g. kostenmodel behandeld. In dat model t’ordt nagegaan

t’elke kosten moeten worden gemaakt om de in hei omzetmodel voorspelde omzet te realiseren.

Onlangs verscheen het rapport
Rompmodel, distributie-
planologisch onderzoek perifere detailhandeisvestigingen,

geschreven door een werkgroep met dezelfde naam 1). Dit

rapport heeft ten doel om overheidsinstanties waarbij

met name wordt gedoeld op provinciale- en gemeentelijke
overheden de beschikking te geven over een checklist van

punten, die moeten worden nagetrokken alvorens goedkeu-
ring kan worden gehecht aan de bouwaanvrage van een
particuliere onderneming om in het competentiegebied van
de betreffende overheid een perifere vestiging (,,weiland-
winkel”) te realiseren. Kort samengevat beveelt de werk-
groep aan om een bouwaanvrage voor een perifere vestiging
te relateren aan:

de kwaliteit van het huidige detailhandelsapparaat;

de behoeften en wensen van de huidige en de toekomstige
bevolking in het te onderzoeken gebied;
de huidige verkeersstructuur, noodzakelijke wijzigingen

daarin en de gevolgen voor de openbare financiën;

landschappelijke- en milieuhygiënische waarden.

Overheids- versus ondernemingsgezichtspunt

De werkgroep is er in geslaagd om in een termijn van een
halfjaar een redelijk gedetailleerd overzicht te geven van de
variabelen, die een perifere vestiging beïnvloeden. Datde lijst

van variabelen samengesteld is vanuit een overheidsken-

object en niet vanuit een ondernemingsgezichtspunt, is in-herent aan de doelstellingen van de opdrachtgever van het
onderzoek. Omdat echter de door de werkgroep voorgestel-de analyse dient plaats te vinden
na
een verzoek tot perifere
vestiging .- hetgeen op een
passieve
rol voor de overheid
duidt – – kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat

de werkgroep aanbevelingen doet, die tot een groot aantal
doublures leiden. Immers, de onderneming, die een bouw-
aanvrage indient voor een perifere vestiging zal 80-90% van de door de werkgroep genoemde onderwerpen reeds hebben
onderzocht alvorens zij er, economisch gezien, brood in ziet zich perifeer te gaan vestigen, m.a.w.
i’ddr
zij een bouwver-
gunning aanvraagt. Dit betreft met name het onderzoek voor
de sub 1 en 2 genoemde onderwerpen. Dit betekent, dat vele

van de door de werkgroep genoemde gegevens reeds ver-

zameld zullen zijn via o.a. de consumentenenqutes. Het
herhalen van een dergelijk onderzoek betekent verspilling
van schaarse maatschappelijke middelen. De werkgroep

schat de kosten van een distributie-planologisch onderzoek
op f. 300.000 (cxci. BTW). We
y
inden een dergelijke over-
heidsuitgave hoog, indien een dergelijk onderzoek voor
iedere
perifere vestiging moet plaats vinden. Men kan er
bovendien vanuit gaan dat een groots opgezette consumen-ten- en ondernemersenquëte snel dit bedrag zal overschrij-
den. Door een op wederzijdse geheimhouding gebaseerde

samenwerking tussen de overheid en de onderneming, die
zich perifeer wil vestigen, kan naar onze mening een aan-

trekkelijke besparing worden gerealiseerd. Deze, wat we

zouden willen noemen implementatiekritiek, moet niet de
indruk wekken, dat wijde zin van het distributie-planologisch
onderzoek bestrijden. We zijn van mening, dat de werk-
groep een goede weg is ingeslagen. Alleen de implementatie-

fase van het rompmodel dient nader te worden gespecifi-
ccerd.

Tijdens de bestudering van het rompmodel (distributie-
planologisch onderzoek perifere detailhandelsvestigingen)
ontstond hij ons de behoefte om het genoemde – uit over-

heidsgezichtspunt geschreven – rompmodel te relateren aan
de vestigingsplaatsproblematiek gezien vanuit onderne-

mingsgezichispunt. Aldus ontstond het in de titel van dit
artikel genoemde ,,rompmodel” voor de ondernemer. Bedrijfseconomisch gezien is de beslissing over een ves-
tigingsplaats een investeringsprobleem. Voor iedere poten-

tiële vestigingsplaats moet een omzetprognose en een kosten-
schatting worden gemaakt. Met name ten aanzien van de

omz.etprognose is er een grote mate van synergie mogelijk
tussen een distributie-planologisch en een bedrijfsecono-

misch vestigingsplaatsonderzoek. Alvorens ons ,,romp-

1) Ronipmoiiel Distrihui ie- Piano logisch Onderzoek Perifere Deiaii

handei.viesiigins,’en,
Den Haag, 1974.

164

model” voor de .o.pdçrnemer meer gestalte te geven, moeten
nog de volgende opmerkingen worden gemaakt.

Wij zullen spreken over de algemene vestigingsplaats-

problematiek en daarbij in het midden laten of het een
perifere of een in een winkelcentrum geplande vestiging
betreft. Wij lijn ons ervan bewust, dat daardoor de ver

gelijk ing met het distributie-planologisch rompmodel op
een aantal punten mank gaat.

Ons ,,rompmodel” voor de ondernemer beoogt primair
een denkkader aan te geven. Dit betekent, dat we zullen
proberen een inventarisatie te geven van de variabelen,
die vanuit een theoretisch gezichtspunt de vestigingsplaats
bepalen. We zijn ons daarbij ervan bewust, dat we voorbij
gaan aan de resultaten van enig onderzoek op dit gebied,
waarin aanwijzingen kunnen worden gevonden met be-
trekking tot de belangrijkheid van ieder van de genoemde

variabelen 2). Het volstaan met een inventarisatie bete-
kent ook, dat we in dit artikel de aard en de vorm van de
kwantitatieve relaties tussen de variabelen niet zullen
specificeren. Terzijde dient te worden opgemerkt, dat de

onder punt 2 genoemde opmerkingen ook gelden als be-

perk ingen voor het distrihutie-planologisch-rompmodel.
We gaan niet expliciet uit van een bepaalde bedrijfstak.
Wel beperken we ons tot een onderneming die reeds één of meer vestigingen bezit. Dit laatste betekent, dat we in
ons model ook enige aandacht schenken aan de invloed,

die er uitgaat van een additionele vestiging op het reeds
gevestigde aantal detailhandelszaken.
We onderscheiden afhankelijke en onafhankelijke varia-

belen. Als synoniem voor beide termen gebruiken we ook de woorden endogeen, resp. exogeën.
Gegeven ons uitgangspunt, namelijk een onderneming die

reeds verschillende detailhandelsvestigingen bezit en/ of van
plan is enige vestigingen aan haar distributiesysteem
toe te voegen, kan men het keuzeprobleem m.b.t. de vesti-
gingsplaats opgebouwd zien uit de volgende stappen:
a. hepaal het
vestigingsgebied;
h. hepaal de specifieke vestigingsplaats.

Twee benaderingen bij bepaling vestigingsgebied

Bij de bepaling van het vestigingsgebied kan men twee
henaderingen volgen. Voor beide benaderingen dient de
koopkracht
van de bevolking per vestigingsgebied het uit-
gangspunt te zijn. De koopkracht kan worden berekend via
het inkomen. Via budgetonderzoeken van het CBS zijn de

gemiddelde consumptieve bestedingen ker artikelgroep per
inwoner bekend. Vermenigvuldiging van de gemiddelde

consumptieve bestedingen per inwoner met het aantal in-
woners geeft het omzetpotentieel voor die artikelgroep. Wij

prefereren de CBS-gegevens te transformeren tot percentuele
gegevens: x% van het inkomen wordt besteed aan artikel-
groep y. Aldus hebben we een landelijk gegeven gevonden,
waarvan we aannemen, dat het bij benadering ook voor
kleinere geografische gebieden mag worden gebruikt. Indien
we nu in staat zijn om een goede schatting te maken van het
gemiddelde inkomen per inwoner per stad of per. stadsdeel,

kunnen we met behulp van de percentuele budgetgegevens
komen tot de berekening van de geschatte geld bedragen, die
in een bepaalde stad of deel van een stad worden uitgegeven
per artikelgroep. Het gemiddelde inkomen per stad kan men
ontlenen aan CBS-gegevens (hoewel enigszins verouderd) 3).
Voor stadsdelen zijn deze gegevens echter niet beschikbaar.
Voor een schatting van het inkomen per stadsdeel moet men
genoegen nemen met factoren, waarvan verwacht mag wor-

den dat ze hoog correleren met het inkomen. Voorbeelden

van dergelijke ,,surrogaat”-koopkrachtfactoren zijn: het
autobezit, de uitgaven voor doe-het-zelf en voor tuin-artike-
len, het aantal telefoonaansluitingen enz. Op boven om-
schreven wijze moet naar onze mening een schatting van de
koopkracht per potentieel vestigingsgebied mogelijk zijn.

De eerste benadering bij de bepaling van het vestigings-
gebied stelt, dat men met dit koopkrachtgegeven kan vol-
staan. Ieder gebied met een koopkracht groter dan z gulden
komt in aanmerking voor een vestiging. Deze z gulden moet

worden gezien als de minimum-koopkracht, die noodza-
kelijk is wil een nieuwe vestiging levensvatbaar zijn. De

tweede benadering bij de bepaling van het vestigingsgebied

relateert de koopkracht per vestigingsgebied aan een schat-
ting van de omzet van de reeds door concurrenteis gevestigde
detailhandelszaken. Aldus wordt bepaald in hoeverre er een koopkrachtleemte aanwezig is. Is deze leemte groot genoeg

dan kunnen ook wij er een detailhandelszaak vestigen 4).
Het probleem met deze tweede benadering is, dat de koop-

kracht van de bevolking en de omzet van de concurrenten
geen van elkaar onafhankelijke variabelen zijn. Bovendien
trekt de vestiging van de onderneming in kwestie niet alleen

de leemte in de koopkracht tot zich, doch kan ook klanten
van de reeds gevestigde zaken tot zich trekken (bijv. op basis van verschillen in de marketing-mix). Deze complicaties zijn

voor ons aanleiding om voor de afbakening van het vesti-
gingsgebied
alleen gebruik te maken van het koopkracht-

gegeven en niet van de concurrentie-gegevens. Reeds nu
dient echter te worden opgemerkt, dat we van laatstge-
noemde gegevens bij de bepaling van de specifieke vestigings-
plaats wel gebruik maken. Onze sequentiële bespreking van

het vestigingsgebied en de vestigingsplaats is alleen uit di-
dactisch oogpunt gerechtvaardigd. In de praktijk beïn-
vloedt de specifieke vestigingsplaats de hoogte van de omzet

en.derhalve de mate, waarin de aanwezige koopkracht wordt

gemobiliseerd. Dit vereist een simultane beschouwing van
de factoren, die relevant zijn voor de bepaling van vesti-
gingsplaats en vestigingsgebied.

Overeenkomst met centrale magazijnen

Het probleem van de vestigingsplaats van detailhandels-
zaken heeft enige overeenkomst met de vestigingsplaats-

problematiek van centrale magazijnen (,,warehouses”). Dit
artikel is niet de plaats om hier diep op in te gaan
5).
We vol-
staan slechts met de opmerking, dat naar onze mening de
s’estigingsplaatsprobleniatiek in de detailhandel complexer
is dan het magazijnvestigingsvraagstuk, aangezien het aantal

niet-beheersbare factoren bij het eerstgenoemde type vesti-

gingen groter is. We worden in deze mening gesterkt door het feit, dat uit de literatuur een groot aantal geavanceerde

magazijnlocatiemodellen bekend is, terwijl er voor de detail-

ha ndelsvestiging nauwelijks acceptabele modellen bestaan:
de veel geciteerde modellen van Reilly, Converse en Huff

moeten als een part iële benadering van dit probleem worden aangemerkt 6).

Zowel bij de vestiging van centrale magazijnen (,,ware-
houses”) als bij de vestiging van detailhandelszaken kan men
naar onze mening uitgaan van twee mogelijkheden:
een oneindige verzameling mogelijke vestigingsplaatsen,
de z.g. ,,infinite set approach”;

een eind ige verzameling mogelijke vestigingsplaatsen, de
z.g. ,,feasible set approach”.

A. Rosman en A. R. van Goor. Dc keuze van een vestigingsplaats
toetsing in een noordelijke regio,
Kroniek van hei Ambacht,
februari en mei
1975.
De huidige inkomensgegevens van het CBS dateren van 1965;
begin 1975 komen de gegevens over 1969 beschikbaar.
Groot genoeg dieni nader te worden gedefinieerd.
A. R. van Goor.
Liieraiuuroi’erzjchi van de modellen, ontwikkeld
voor (Ie ve.v1i’ing van centrale magazijnen (,. narehouses’), RU
Groningen. IEO-rappori nr. 3. 1974.
W. .1. Reilly.
The Lan’ of retail gravitalion,
New York, The
Kniekerhoeker Press. 1929.
P. D. Converse. New laws of reiail gravitation,
JournalofMarkei-
ing,
Volume 14. januari 1949, hlz.379-384.
11 t.. Huff. Defining and eslimating a trading area,
Journal of
Marketing.
Volume 28. juli 1964, blz. 34-38.

ESB 19-2-1975

165

Gebruikmakend van de door Kuehn en Hamburger met
betrekking tot de magazijniocatie gehanteerde eerste heuris-
tische regel zouden we willen stellen, dat voor een detail-

hindelsvestiging alleen plaatsen in aanmerking komen, die
gelocaliseerd zijn in de directe omgeving van een geconcen-

treerde vraag 7). Aldus ontstaat een beperkte verzmeling
alternatieven; deze verzameling duiden we aan met M. Pro-

blemen, die nu rijzen zijn:

• wat is een geconcentreerde vraag, m.a.w. hoe moet de
verzameling M worden gespecificeerd?

• hoe moet de verzameling M worden geëvalueerd?

Beantwoording van de eerste vraag is naar onze mening

mogelijk op basis van de
koopkracht
gegevens in guldens

per gebied. Dit betekent, dat een te beschouwen gebied,

hijv. Nederland, moet worden opgedeeld in standaard-
koopkrachtgebieden, afgekort SKG. Van een SKG mag

worden gesproken als de koopkracht groter dan z gulden

per jaar is. Aldus moeten dunbevolkte gebieden met weinig
koopkracht per hoofd van de bevolking worden gebundeld

tot een SKG, terwijl dichtbevolkte gebieden met een hoge
koopkracht opgedeeld kunnen worden in verschillende

SKG’s (opgemerkt dient te worden dat de mogelijkheden
dunbevolkt – hoge koopkracht en dichtbevolkt – lage
koopkracht natuurlijk ook kunnen worden waargenomen).

Op deze wijze is het mogelijk de verzameling M te specifi-
ceren, bestaande uit een aantal SKG’s. Het aantal SKG’s
in M is afhankelijk van de waarde, die men aan z geeft.

Als de verzameling M eenmaal is gespecificeerd, kunnen
we met een variatie op de regels van Kuehn en Hamburger
en Feldman, Lehrer en Ray twee mogelijkheden onderschei-

den 8).
Voeg één voor één vestigingen uit de verzameling M toe
aan het distributie-systeem (,,add-heuristic”);

Ga uit van de opening van alle M vestigingen en bekijk
vervolgens welk effect het één voor één laten vervallen van
een vestiging (,,drop-heuristic”) heeft op de doelvariabele

bijv. de totale distributiekosten.

Mogelijkheid twee lijkt ons niet realistisch, aangezien dit
betekent, dat een onderneming beschikt over een zodanig
produktie- en transportapparaat, dat alle M vestigingen
kunnen worden bevoorraad. Ook de magazijnen zullen op
een dergelijke capaciteit veelal niet zijn berekend. Hiermee
komen we tevens op een belangrijke vooronderstelling, die

we in eerste instantie bij dit vestigingsplaatsmodel willen
invoeren, namelijk uitgaan van een
gegeven
distributiekanaal
met gegeven locaties van de magazijnen. Dit is realistisch

‘oor het merendeel der kruideniersbedrjven. In een later
stadium kunnen ook de magazijnlocaties ter discussie wor

den gesteld. Een andere andere vooronderstelling, die we

invoeren, is, uit te gaan bij de detailhandelsvestiging van één
type winkel van bijv. 1.000 m
2
vloeroppervlakte met een
standaardassortiment. Ruim geformuleerd, luidt de pro-
bleemstelling dan: bepaal het optimale aantal vestigingen,
gegeven het distributiekanaal. Enigszins geconcretiseerd

betekent dit: moet in ieder van de M SKG’s een winkel van
het standaard-type worden gevestigd?

Om bovengenoemde reden zullen we abstraheren van de
..drop-heuristic” en proberen de ,,add-heuristic” nader Uit te
werken voor ons probleem. Zoals voor vele bedrijfsecono-
mische problemen geldt, kan men ook de analyse van een
distributiesysteem splitsen in een kostenzijde en een op-
brengstenkant. Een analyse van een potentiële vestigings-

plaats vanuit bedrijfseconomisch gezichtspunt moet dan ook
op deze basis geschieden. Alvorens we nu de variabelen in

het omzetmodelen het kostenmodel gaan specificeren wil-
len we nog drie kenmerken noemen, waarin ons ,,romp-

model” voor de ondernemer zich onderscheidt van enige
recent verschenen vestigingsplaatsmodellen.
1. Ons model tracht in vergelijking met een door Janknegt

beschreven model naast de omzetprognose expliciet
aandacht te schenken aan de kosten, verbonden aan het

functioneren van een winkel op een potentiële vestigings-

plaats 9).
Ons model besteedt in vergelijking met het distributie-

planologisch rompmodel geen aandacht aan de openbare

financiën en de gevolgen van de vestigingen voor het land-
schap en de hygiëne van het milieu 10). Voor de onder-

neming kan men dit aggregeren tot een kostenpost, die
nauw verbonden is aan de vaste kosten van het vestigings-
punt.
In vergelijking met een door Tiemstra beschreven sterk
regionaal-economische en historisch gerichte benadering

staat in dit artikel het bedrijfseconomische aspect bij de
keuze van de vestigingsplaats nadrukkelijk op de voor-

grond II).

De basiscomponenten van het ,,rompmodel” voor de on-

dernemer hebben we schematisch samengevat in figuur 1.

De omzelprognose wordt gebaseerd op gegevens m.b.t. de bevolking, de concurrentie en de bereikbaarheid en atrrac-
tie van de potentiële vestigingsplaats. De kostenprognose
bestaat uit de kosten van het vestigingspunt zelf, de voor-

raad-, de transport- en de magazijnkosten. Tevens zijn in
figuur 1 enige relaties getekend tussen de basiscomponen-

ten. De relatie tussen de hoogte van de omzet, die de hoogte

van de kosten beïnvloedt is daarbij wel de meest voor de

hand liggende. In de rest van dit artikel zullen we een begin
maken met de specificatie van de basiscomponenten van het
..rompmodel” voor de ondernemer.

1. Het omzetmodel

Een prognose van de op een vestigingsplaats te realiseren
omzet dient te worden gemaakt op basis van de volgende
gegevens.

A.
Concurrentie: typering van het reeds aanwezige detail-
handelsapparaat

A. 1.
Aantal
deta ilhandelsvestigingen. Het
aantal
vestigingen
dient te worden onderscheiden in:
A. 1.1. detailhandel in een
warenhuis,
verdeeld in:
• voedings- en genotmiddelen;
• duurzame consumptiegoederen;
• overige goederen.

A. 1.2. detailhandel niet in een warenhuis, verdeeld in:
• voedings- en genotmiddelen;
• duurzame consumptiegoederen;
• overige goederen.
Toelichting:

Een warenhuis heeft naast de attractie van het assortiment
nog een additionele attractie.

A.2. I)e
bedrijfsvloeroppervlakte per vestiging dient te wor-
den onderverdeeld in:

• verkoopvloeroppervlakte;
• opslagruimte; • overige ruimte,

A.2. 1. De bed rijfsvloeroppervlakte van de detailhandel in
een warenhuis dient te worden onderverdeeld naar het aan-
tal m
2
gereserveerd voor:

A. A. Kuchn en M. J. Hamhurger, A Heuristic program for lo-
cating warchouses.
Management Science,
Volume
9,
juli
1963, blz.
643-666.
E. Feidman. F. A. Lchrer en T. L. Ray, Warehouse Location
under Continuous Economies of Scale. Management Science, Vo-
lume 12, mei
1966, blz. 670-684.
A.
J. Janknegt, Verkennen van vestigingsplaatsen,
Intermediajr,
nt.
31, 10
augustus
1973.
Zie distributie-planologisch-rompmodel, blz. II.
N. Tiemstra, Vestigingsplaatsproblematiek in de detailhandel,
Maandschrjfl Economie,
januari en februari
1973.

166

Concurrentie

1

L

!E.

– – – – – r

Voorraadsysteem

Bevolking

0
Omzetmodel

4HJs:nmodd ]
_

Transportsysteem

i
E

G.

eikbaar

azinen
III.

heid en at-
tractie
Winstmodel

• voedings- en genotmiddelen;

• duurzame consumpt iegoederen.

Toelichting:
Het aantal m
2
vloeroppervlakte geeft een indicatie voor de
breedte van het. assortiment, die een zaak kan voeren. De

opslagruimte geeft een indicatie over de hoogte van de aan te
houden voorraad en derhalve een aanwijzing voor eventuele

neen-verkopen.

Reistijd. resp. afstand tot de vestigingen
A.3.1. Indien de onderneming reeds een specifieke vesti-
gingsplaats op het oog heeft, dient de ligging van het gevon-
den aantal vestigingen van de concurrentie nader onder

verdeeld te worden in:

• op
een afstand van 5 minuten reistijd;

• op
een afstand van 10 minuten reistijd;
• op een afstand van 20 minuten reistijd.
A.3.2. Indien een bepaling van de afstand in een dimensie reistijd niet mogelijk is moet volstaan worden met:,
• het aantal concurrenten binnen een straal van l km;
• het aantal concurrenten binnen een straal van 5 km;

• het aantal concurrenten binnen een straal van 10 km.

Toelichting:
Ruwe bepaling van de attractiegraad op basis van de reistijd,
resp. afstand in km.

Voorts dient de
overige dienstverlening,
zowel qua
aantal als qua vloeroppervlakte te worden geïnventariseerd.

Het betreft:

• horeca-bedrijven;
• wasserettes en stomerijen;
• hankvestigingen;

• PTT;
• kappers;
• schoenreparateurs;

• reisbureaus. Toelichting:
Overige dienstverlening speelt een belangrijke rol bij het
attractie-vermogen van een vestiging, resp. winkelcentrum.

AS. Het aantal detailhandelsvestigingen dient onderver-
deeld te worden in:

• z.elfbediening;
• geen zelfbediening.

A.6. Tevens dient een onderverdeling te worden gemaakt in:

• zelfstandige ondernemers;
• filiaalbedrijven.
A.6. 1. De categorie filiaalbedrijven onderverdelen in:

• eigendom van een plaatselijke onderneming; • eigendom van een regionale onderneming;
• eigendom van een landelijke onderneming.

Toelichting:
Bepaling van de capaciteiten van de concurrentie om op ge-
wijzigde omstandigheden te reageren (,,aanpassingsvermo-

gen”).

A
.7.
Omzet gegeven.s mb. t. de aanwezige detailhandeisves-

tigingen • huidige omzet;
• omzetontwikkeling t.o.v. één of meer voorgaande jaren:

gestegen, gelijk gebleven, gedaald;
• om7etverwachting: toename, gelijk of afname.
Toelichting:
Vergelijking van de omzet met de koopkracht per gebied
geeft een aanwijzing over de latente koopkracht. Bovendien

geeft relatering van de om7.et aan het aantal m
2
verkoop-

vloeroppervlakte als uitkomst het kengetal: vloerproduktivi-

teit.

Welk
prijsbeleid
wordt door de aanwezige detailhandels-

vestigingen gevoerd?
• overwegend discount;

n
• overwegend verkoop tegen adviesprijzen.

Toelichting:
Prijsbeleid als indicator voor de gevoerde marketing-rhix

per vestiging.

Is
de detailhandelsvestiging wel of niet
geconcentreerd?

ESB 19-2-1975

.

.

167

TWEEDE KAMERFRAKTIE

PARTIJ VAN DE ARBEID

De Tweede Kamerfraktie van de Partij van dë Arbeid
roept sollicitanten op voor de funktie van

medewerk(st)er

ter assistentie van de fraktiekommissie Economische
Zaken annex Midden- en Kleinbedrijf.

Vereist is:
– doctoraal economie of gelijksoortige opleiding;
– duidelijke verwantschap met de politieke lijn van de P.v.d.A. in de eerste plaats gericht op het af-
stemmen van de ekonomie op de maatschappelijke
behoeften van de ekonomisch en sociaal zwak-
keren;
– aktieve deelname aan het teamverband van, deels
op basis van zelfbestuur funktionerende, jonge
personeelsbestand;
– het vermogen zich vlot schriftelijk te kunnen
uitdrukken.
Geboden wordt:
– afwisselende werkkring waarin creativiteit op
prijs wordt gesteld;
– salaris volgens tabel (assistent) wetenschappelijk
medewerker, beginsalaris max. f. 33.000,—.
bruto;
– behoorlijke secundaire voorzieningen, zoals
25 vakantiedagen, 10% vakantiebijslag, goede
ziektekostenverzekering etc.
Sollicitaties moeten binnen 14 dagen gericht worden
aan het secretariaat van de Tweede Kamerfraktie van
de PvdA.. Binnenhof
la,
Den Haag.

• in een winkelcentrum;

• solitaire vestiging.

Toelichting:
Een solitaire vestiging moet in tegenstelling tot een vestiging

in een winkelcentrum volledig zijn eigen attractie bepalen.

B.
Bevolking

BI. Bevolkingsomvang
• ontwikkeling gedurende de laatste 5 jaar;
• verwachting van de bevolkingsomvang in de komende

ja ren.

Bevolkings/eefiijd

• <20
• 20 <40
• 40 < 65

• >65

Burgelijke
staat

• gehuwd:
• ongehuwd + gehuwd geweest.

Toelichting:
Leeftijd en burgelijke staat zijn van belang voor een onder-
neming, die zich op één of meer marktsegmenten richt.

Bevolkingsspreiding d.w.z. het aantal inwoners binnen
de tijdisochronen van:
• 5 minuten; –
• 10 minuten;,

• 20 minuten.
Toelichting:
Reistijd als indicator voor de attractie.

Ontwikkeling woningvoorraad (
prognose)

• aantal huurwoningen;
• aantal koopwoningen.
Toelichting:
Relatering van de woningprognose aan de bevolkingsprog-
nose geeft het te verwachten gemiddelde aantal bewoners per

woning. De verdeling koop- en huurwoningen kan even-

tueel als ,.surrogaat”-koopkrachtfactor worden gebruikt.

Koopkracht
• gemiddeld inkomen per inwoner per plaats of wijk;
• inkomensontwikkeling komende
5
jaar.

Toelichting:
Koopkracht als input voor de specifiçatie van SKG’s en der-

halve als meest belangrijke vestigingsplaatsfactor.

Autohezit
van de bevolking in het vestigingsgebied. Dit

hetreft het aantal huishoudingen met:

• 0 auto’s;

• 1 auto:
• > 2 auto’s.

Toelichting:
Deauto als hulpmiddel bij het doen van aankopen.

1.8. Hoe is het aankoopgedrag van de bevolking?
• hoge of lage bezoekfrequentie;

• wel of geen voorkeur dag van de week; • wel of geen voorkeur type winkel;
• wel of geen voorkeur winkeltijdstip;
• wel of geen voorkeur winkelcentrum.

Toelichting:
Gegevens, die nodig zijn om enig inzicht te verkrijgen met
betrekking tot het consumentengedrag in het potentiële

vest igingsgehied.

C.
Bereikbaarheid
en attractie van de (‘potentiële) vestigings-

,laai.r

Cl.
Aard van de
aanvoerwegen

• aantal rijstroken per weg:
• aanwezigheid fietspaden:

• zijn het doorgaande wegen of ontspringen, resp. eindigen
zij hij de (potentiële) vestigingsplaats;

• alleen bereikbaar met eigen vervoer of ook met openbaar
vervoer?

• frequentie van het openbaar vervoer.

C.2.
Aard van de
parkeergelegenheid
• direct naast de potentiële vestigingsplaats of verder af-
gelegen?
• vrije of te betalen parkeerruimte?
• hoeveel parkeerplaatsen?

C. 3.
Aanwezigheid overige dienstverlening
• dit betreft dezelfde vraag als A.4.

C.4. Autohezit bevolking
• dit betreft dezelfde vraag als B.7.

C. 5.
Uiterlijke verschi/ningsvorni
• aantal bouwlagen

• moderne of behoudende bouw; • gebruikte materialen en kleuren.

C
.6. Innerlijke versch ijningsvorm
• aanwezigheid roltrappen en/of liften;
• aanwezigheid air-eonditioning;
• achtergrondmuziek.

Toelichting:

De bereikbaarheid en attractie van een vestigingsplaats be-
treft in het algemeen het opsporen van de factoren, die naast

de aanwezigheid van een assortiment goederen, aantrekkings-
kracht op de consumenten uitoefenen. . -•

168

Fiscaal-sociale aspecten van de

ondernemingsvorm voor zelfstandigen

DRS. A. J. G. LEIJTEN

C. WEIJ

Fiscaal gezien is het aantrekkelijk eenmans-

zaken met een jaarwinst van J 70.000 en meer

om te zetten in besloten vennootschappen. In

dit artikel constateren Drs. A. J. G. Leijten en

C. Weij, dat ook veel eenmanszaken met een

lagere winst in een BV worden omgezet vanwege

de sociale wetgeving. Onvoldoende verzekering

tegen arbeidsongeschiktheid leidt ertoe dat

veel BV’S worden opgericht met als doel het

kunnen profiteren van de sociale verzekeringen.

De auteurs geven hiervan voorbeelden en beslui-

ten hun artikel met het noemen van enkele sug-

gesties om aan het daarmee gepaard gaande on-

eigenlijke gebruik van sociale verzekeringen een

eind te maken.

Waarom worden zoveel eenmanszaken omgezet in een BV?

Banken, belastingconsulenten, verzekeringstussenperso-nen, accountants e.d. worden regelmatig benaderd door re-
laties, die van hun bedrijf een Besloten Vennootschap wen-
sen te maken. De ondernemingsvormen die voor omzetting
in een BV in aanmerking komen, zijn eenmanszaken, maat-
schappen en vennootschappen onder firma. Hierna wordt
alleen nog de eenmanszaak genoemd, alhoewel daar even

goed de maatschap of de vennootschap onder firma ver-
meld had kunnen worden. In het bijzonder de zelfstandige

met een winst uit zijn onderneming van f. 20.000 tot
f. 70.000 vindt het heden ten dage maar een angstige zaak

C.7.
Fysieke
barrières tav. de bereikbaarheid

• kanalen en rivieren;
• stoplichten;
• spoorwegovergangen.
In het aldus gespecificeerde omzetmodel hebben we een
overzicht gegeven van de belangrijkste factoren, die de omzet
op een (potentiële) vestigingsplaats bepalen. In het tweede

artikel over de vestigingsplaatsproblematiek zullen we ver-
volgens het kostenmodel van een inhoud voorzien. Tevens
zu’llen we in dat artikel een tweetal benaderingen bespreken,
waarvan naar onze mening een minstens zo goede oplossing
voor het vestigingsplaatsvraagstuk mag worden verwacht
als van de veel gehanteerde graviteitsmodellen.

A. R. van Goor

nog langer alle risico’s van de eenmanszaak te blijven dra-

gen. Geïnteresseerden in de ondernemingsvorm van de BV

in genoemde inkomenscategorie zien bescherming van de

sociale wetgeving veelal als voornaamste reden voor het op-

richten van een BV.
Een tweede argument dat in allerlei bewoordingen naar
voren werd gebracht, vormt de angst voor het uithollen van
het bedrijf door de eisen van personeel en vakbonden. Met
name gaat het hier om dure afvloeiingsregelingen, die ge-

voelige aanslagen op bedrijfs- en privévermogen kunnen

doen. Alhoewel deze laatste kwestie hierna niet verder
wordt uitgediept, dienen wij wel te wijzen op de conse-
quenties die daarvan onder meer kunnen uitgaan op de in de onderneming gereserveerde gelden voor de oudedags-

voorziening van de eigenaar.

Sociale verzekeringen stimuleren het oprichten van BV’s

Berekeningen tonen aan dat omzetting van eenmans-

zaken in BV’s veelal eerst fiscaal aantrekkelijk is in geval
van jaarwinsten van f. 70.000 of meer. Desondanks treffen
we in de praktijk tal van voorbeelden aan, dat onder-
nemingen toch een BV-vorm verkrijgen, wanneer de jaar-

winst onder dit grensbedrag ligt. Zelfs in situaties, waarin
het
bedrijf
nog geen f. 30.000 aan winst per jaar oplevert,
wordt er overgegaan tot het creëren van een BV. In het

voorgaande is reeds vermeld, dat bij het oprichten van
een BV, het meer opgenomen worden in sociale verzekerin-
gen, de voornaamste drijfveer bleek te zijn. Ook bij jaar-
winsten van f. 70.000 tot f. 100.000 spelen naast de fiscale
voordelen de sociale verzekeringen een belangrijke rol bij
de motieven voor het oprichten van een BV. In die situaties
gaat echter het bedrag, dat aan belasting wordt bespaard
grotendeels op aan premies voor sociale verzekeringen en

pensioenkosten. Navraag daarover bij betrokkenen levert een

merkwaardig antwoord op: voor premies voor sociale ver-
zekeringen en pensioenen krijgt men nog wel wat terug; van
bedragen, die men betaalt aan belasting, komt nooit meer
iets terug.
Uit cijfervoorbeelden is samenstellers en oôk anderen (zie

onder meer de in april 1974 dienaangaande verschenen stu-
die van de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf), over-
duidelijk gebleken, dat voor de eenmanszaak – zelfs indien

de jaarwinsten groter dan f. 70.000 zijn —door belasting-
besparingen dezelfde voorzieningen bereikt kunnen worden

als in de BV via premies voor sociale verzekeringen en
pensioenvoorzieningen. Daartoe dient in de éenmanszaak
gebruik te worden gemaakt van de voor de inkomsten-

belasting aftrekbare lijfrentepremie en de fiscale oudedags-
reserve, terwijl bovendien dan een behoorlijke invaliditeits-
verzekering afgesloten moet worden. Voor eenmanszaken

met een winst boven ca. f.45.000 komt
daarbij,
dat de fis-
cale aftrek van kosten voor genoemde voorzieningen door
de werking van het schijventarief der IB meer besparing op-

ESB 19-2-1975

169

levert via de inkomstenbelasting dan via de vennootschaps-
belasting. Vanaf een belastbaar jaarinkomen ad f. 41.000 is
het schijventarief immers in 1974 al 58%, tegenover een ta-

rief voor de vennootschapsbelasting over iedere meer ver-
diende gulden van 45%. Uit rekenvoorbeelden blijkt dat in

tal van gevallen, bij een gelijke jaarwinst en met genoemde

voorzieningen voor respectievelijk de BV en de eenmans-
zaak, laatstgenoemde ondernemingsvorm voor de zelfstan-

dige meer besteedbaar inkomen oplevert.

Opbouw van de oudedagsvoorziening: belegging van pensi-
oenen in eigen bedrijf heeft risico’s voor de verzorging van

de oudedag

Dank zij de invoering van de fiscale oudedagsreserve kan

de zelfstandige in combinatie met de lijfrente veelal dezelfde pensioenvoorziening verkrijgen als de directeur van een BV.

De fiscale oudedagsreserve biedt de mogelijkheid om voor
de oude dag te zorgen en de via de IB-aftrek opzij gezette
gelden daarvoor toch min of meer, al naar gewenst, als

bedrijfskapitaal aan te wenden. Ook in BV’s treffen we

vaak de situatie aan, dat de directeur zijn pensioen,,geld”
in het eigen bedrijf belegt. Voor de garantie van middelen
voor de oude dag houdt deze handelwijze risico’s in – in

het bijzonder wanneer de gelden nog geheel of gedeeltelijk
in het bedrijf belegd blijven – als de betrokkene de leiding

aan anderen heeft overgedragen. Aan de andere kant mani-
festeert de ondernemer daarmede enerzijds de waarde, die
hij aan zijn bedrijf hecht en anderzijds het vertrouwen, dat

hij daaraan schenkt.
Van belang voor de vergelijking van de pensioenvoorzie-
ning van de eigenaar van de eenmanszaak met die van de
directeur van de BV is, dat de laatste in de privé-sfeer veelal

geen gebruik maakt van de f. 7.500 aftrek voor lijfrente-
premie. Met name komt dit voor in die situaties, dat de di-
recteur van een BV zijn pensioengelden geheel of gedeelte-

lijk in eigen bedrijf belegt.

De belastingvrije reservering voor de oude dag

De eigenaar van een eenmanszaak kon in 1973 maximaal

f. 7.500 belastingvrij opzij leggen voor zijn oude dag – via
de lijfrente-aftrek en f. 3.7.50 via de fiscale oudedagsreserve.

Voor 1974 is laatstgenoemd bedrag f.4.1860 en voor 1975
f. 6.000 en, volgens het thans geldende programma, in 1976
maximaal f. 8.529. Uitgaande van het maximum voor de

fiscale oudedagsreserve van f.6.000 geldend voor 1975 kan
in totaliteit dus f. 13.500 jaarlijks belastingvrij worden

gereserveerd voor de oude dag. Op basis van een IB-tarief

van 66% vergt dit bij volledige belegging buiten het bedrijf een liquiditeitsoffer van circa f. 4.590. Bij gedeeltelijke be-
legging (verzekeringspremie f. 7.500) buiten het bedrijf kan
er zelfs sprake zijn van een verbetering van liquiditeit van

ongeveerf. 1.410.
Voor de directeur van een BV vindt een andere aanpak

van de pensioenvoorziening plaats. De directeur-eigenaar van een BV kan zich recht op pensioen verwerven, dat af

hankelijk is van zijn salaris, de tijd van dienst bij de BV, als-
mede een bepaald percentage per dienstjaar, te weten 1
3
/
4
%
tot 3%. De aanvankelijke pensioenkosten bedragen in de
praktijk gemiddeld 20% â 25% van het jaarsalaris. Een jaar-
lijkse pensioenlast van ca. f. 15.000 correspondeert dan met
een jaarsalaris van ongeveer f. 70.000. De totale kosten

voor de BV aan salaris, pensioenbijdragen en premies voor
sociale verzekeringen vergen een winst van ca. f. 95.000, wil
men genoemde kosten in één boekjaar kunnen verrekenen.

Het relevante verschil tussen een eenmanszaak en een BV
zit in het feit dat de huidige wettelijke regelingen voor de

eenmanszaak niet veel aanpassing van de oudedags-
voorzieningen aan de inflatie toelaten. In de BV kunnen de
pensioenkosten jaarlijks steeds stijgen, zolang de relatie met

verstreken diensttijd, te bereiken dienstjaren en salaris-

stijgingen, de pensioenaanspraken maar binnen bepaalde

perken houdt. Voor de eigenaar van de eenmanszaak wor-
den de voor de IB maximaal aftrekbare lijfrentepremie en

stamrechtvrijstelling ex art. 19 niet automatisch aangepast

aan de inflatie.
Door verandering van de betreffende wettelijke regelin-

gen kan er uiteraard wijziging in deze situatie worden ge-

bracht. Met name geldt dit voor de gebondenheid van de
fiscale oudedagsreserve aan de omvang van het bedrijfs-

vermogen en koppeling aan de stamrechtvrijstelling, ex arti-

kel 19 van de wet op de inkomstenbelasting. Geconstateerd

kan worden dat momenteel de BV voor de pensioen-
voorziening meer mogelijkheden biedt voor salarissen bo-
ven ca. f. 70.000, ervan uitgaande dat de fiscale oudedags-

reserve gebracht wordt op een jaarlijkse dotatie van

f. 8.529 en gekoppeld aan het ondernémingsvermogen,
waardoor het maximum reeds vrij snel kan zijn bereikt.

Aan een belangrijk aspect van de mogelijkheden tot het belastingvrij reserveren voor de pensioenvoorziening mag
hierbij niet voorbij worden gegaan. De meeste ondernemers

plegen namelijk niet vrijwillig te doen, datgene wat in de
BV door de fiscus mogelijk wordt gemaakt. Zoals in het

voorgaande is aangegeven, bestaan er voor de eigenaar van
de eenmanszaak, via de combinatie van fiscale oudedags-

reserve en lijfrente, tot bepaalde inkomensgrenzen dezelfde
mogelijkheden als voor de directeur-eigenaar van de BV.
Het stimuleren tot het meer gebruikmaken van deze

mogelijkheden vormt voor verschillende instanties een taak,
die dringend moet worden aangepakt. Daarbij moet niet al-

leen gedacht worden aan de verzekeringswereld, maar ook

aan de ondernemers-, c.q. standsorganisaties van de betrok-
ken bedrijven, alsmede de adviseurs van de zelfstandigen.

Kosten van particuliere en sociale verzekeringen: ziekte- en

invaliditeitsuitkeringen

De situatie van het vrijwillig nalaten, of zelfs verwaarlo-
zen, door eigenaren van eenmanszaken komt niet alleen

voor bij de pensioenverzorging, maar ook ten aanzien van
de voorzieningen voor uitkeringen in geval van ziekte en/of

invaliditeit. In het bijzonder de ondernemers met een jaar-
winst van f. 50.000 of minder kijken dienaangaande nog wel
eens met jaloerse blikken naar hun werknemers. Laatst-
genoemden zijn verzekerd van waardevaste uitkeringen in

geval van ziekte en/of invaliditeit. Zodra de eigenaar van

de eenmanszaak al pijn in de rug heeft, kan hij zich niet
goed of zelfs in het geheel niet meer verzekeren. Onderzoek
naar de praktijk van de particuliere ziekte- en invaliditeïts-
verzekeringen, levert het merkwaardige gegeven op, dat de

problematiek niet zozeer in het premievlak ligt. De kern
van de moeilijkheden in deze betreft voornamelijk de
acceptatie- en uitkeringscriteria. Zelfs de duurdere verzeke-
ringsmaatschappijen vragen voor arbeidsongeschiktheids-

verzekeringen lagere tarieven dan het totaal van de premies
voor ziektewet en wet arbeidsongeschiktheid, zij het dan

wel voor de jongere leeftijden.
Momenteel is er bij een salaris van ca. f. 25.000 ongeveer
f. 4.000 jaarlijks aan premie voor ziektewet en WAO ver

schuldigd. Deze 16%-premie levert maximaal een uitkering

van f. 20.000 op, in geval van ziekte of invaliditeit. Gegevens
van particuliere verzekeringsmaatschappijen tonen aan dat
dekking van een uitkering in geval van arbeids-

ongeschiktheid, van genoemd bedrag, met een wachttijd
van 14 dagen, zelfs op middelbare leeftijd nauwelijks meer

dan f. 4.000 per jaar aan premie kost.

Acceptatie- en uitkeringscriteria van particuliere
invaliditeitsverzekeringen

In tegenstelling tot de ziektewet en de WAO komt het bij

170

particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen nogal eens
voor dat er uitsluitingen van recht op uitkering vanwege be-paalde kwalen en hogere premies worden toegepast. Bij het
aangaan van een particuliere verzekering vinden er strenge

medische keuringen plaats. In het bijzonder leveren die
uitslüitingen van recht op uitkering voor eigenaren van
eenmanszaken vaak problemen op. Bij genoemde sociale

verzekeringen vindt een duidelijk andere aanpak plaats dan

bij de particuliere verzekeraars. De uitgangspunten van
deze sociale verzekeringen zijn een verzekeringsplicht en een recht op uitkering voor iedere werknemer.

Het is bekend, dat momenteel de particuliere verzeke-

raars van alles in het werk stellen om hun ongunstige

concurrentiepositie tegenover de volksverzekeringen te
doen opheffen. Helaas is een onbeperkte acceptatie voor

particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen moeilijk

te realiseren. Wanneer daartoe zou worden overgegaan, zou
iedereen tot het laatste moment wachten met het afsluiten
van een dekking. Alhoewel door de particulere verzekeraars

natuurlijk geijverd zal moeten worden voor afsluiting van

verzekeringen op zo jeugdig mogelijke leeftijd, zit de kern
van het probleem bij de concurrent, de sociale ver-
zekeringen.

Gevolgen van de uitvoeringspraktijk van ziektewet en
WAO

Wanneer een eigenaar van een eenmanszaak overgaat tot
het oprichten van een BV, komt hij automatisch onder de
sociale verzekeringen te vallen. Zelfs indien de ondernemer

na zijn 65e jaar blijft werken en hij niet langer ziek is dan
50 dagen per half jaar, heeft hij recht op uitkering. Door

het oprichten van een BV kan een 62-jarige in feite dus een
aanvulling verkrijgen op de WAO-uitkering. In dit verband

is van belang, dat de indruk bestaat dat de bedrijfs-
verenigingen weinig of geen gebruik maken van hun recht
om een uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren. Reden

daartoe is echter beslist aanwezig, wanneer bij het toetreden

tot de bedrijfsvereniging, i.c. bij het oprichten van de BV,
de betrokkene in feite reeds arbeidsongeschikt is.

De stimulans voor het vluchten door de kleine zelfstan-dige naar de bescherming van het werknemerschap via de
BV is maar al te goed te begrijpen. Wanneer de eigenaar
van een eenmanszaak door ziekte of ongeval niet meer in
staat is zich een bedrjfsinkomen te verwerven, en daarvoor
geen particuliere verzekering heeft afgesloten, dient hij inge-
volge de thans geldende regelingen van de Bijstandswet

eerst zijn bedrjfs- en privé-vermogen grotendeels op te ma-
ken, voordat hij uit gemeenschapsgelden steun ontvangt.
Wanneer bedrijfsverenigingen regelmatig uitkeringen geheel

of ten dele zouden weigeren, zouden de sociale verzekerin-
gen niet zo vaak een motief vormen voor omzetting van een
eenmanszaak in een BV.

Gelijke uitkeringscriteria voor volks- en particuliere
verzekeringen

De in het voorgaande uiteengezette praktijk van de
ziektewet, en in mindere mate geldt dit ook voor de WAO,

moet beslist aangeduid worden als een vorm van oneigen-

lijk gebruik van de sociale verzekeringen. De oorzaken voor
het ontstaan daarvan worden in belangrijke mate weg-
genomen door uniforme criteria van uitkering voor beide
groepen van verzekering, de particuliere en de sociale. Voor
de uitvoering daarvan kan gedacht worden aan het in-
schakelen van een onafhankelijk keuringsinstituut voor
beide.

Het alternatief voor het uitblijven van een dergelijke aan-
pak is dat de overheid, indien deze dit oneigenlijk gebruik

van sociale verzekeringen wenst te voorkomen, ook de eige-

naren van eenmanszaken gaat verplichten tot deelname

daaraan. Alhoewel landbouw- en middenstandsorganisaties
zich al lange tijd beijveren voor de volksverzekering

arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen, rijzen er toch wel
vragen over de juistheid van een dergelijk streven. In ver-

band daarmede is ook van belang, dat arbeids-

ongeschiktheid voor een zelfstandige niet altijd dezelfde
mate van inkomensverlies oplevert als voor een loon-
trekkende.

Gevolgen van het opnemen van eigenaren van

eenmanszaken onder sociale verzekeringen

De directeur van een BV geniet een bepaald salaris dat,
afgezien van de eventuele groei van zijn bedrijf, aangepast

zal worden aan de geldontwaarding. Hoe de omvang van

het financiële resultaat van de BV ook is, het salaris ligt in
beginsel vast. Er bestaat dus een vaste basis voor de premie-
aanslag ingevolge de sociale verzekeringen.

Het inkomen van de eigenaar van de eenmanszaak is af-
hankelijk van de winst van het bedrijf, die pas enige tijd na

het verstrijken van het boekjaar bekend is. Hoogstens ach-

teraf is er een basis voor de premie-aanslag van de sociale

verzekeringen. Deze aanslagbasis zal jaarlijks variëren, in-
dien de bedrijfswinst aan fluctuaties, bijv. door de conjunc-
tuur, onderhevig is. Worden er uniforme premies voor soci-

ale verzekeringen gehanteerd, dan houdt dit in dat in jaren
met geen of nauwelijks winst de eigenaar van de eenmans-

zaak zal moeten interen op zijn vermogen voor het opbren-

gen van deze premies. Wanneer de lasten van sociale ver-
zekeringen afhangen van de omvang van de winst, dan ont-

staat de situatie dat de totale premie-inkomsten van deze
categorie van verzekerden fluctueert met het verloop van de
conjunctuur. Ter verduidelijking daarvan zij gewezen op de
in juni 1974 gepubliceerde kerngegevens voor het Midden-
en Kleinbedrijf 1972-1974 van het Economisch Instituut
voor het Midden- en Kleinbedrijf.

Zelfs in het geval dat het hier alleen gaat om het verstrek-
ken van basisvoorzieningen, ingevolge sociale verzekerin-
gen, rijst toch de vraag of de jaarlijkse premies, zowel voor

vele individuele zelfstandigen, alsook voor het totaal, wel
kunnen worden opgebracht. Het is dan ook niet ver

wonderlijk, dat in studiegroepen over de inmiddels be-
faamde VAO voor zelfstandigen naar voren is gekomen,
dat deze voorziening beslist niet zo duur mag worden als de
huidige WAO. De lasten van de VAO dienen voor de zelf

standigen in de eerste plaats op te brengen te zijn. Het laat-
ste geldt thans ook voor de eigenaar van de eenmanszaak,
die, ten einde te kunnen profiteren van de sociale ver-
zekeringen, overgaat tot omzetting van zijn onderneming in
een BV.

Inkomensnivellering door de BV-hausse

De economisch-sociale verhoudingen in Nederland zijn
sedert enige tijd van dien aard, dat beloning naar prestatie,

winst en vermogensvorming aan veel kritiek onderhevig
zijn. Fiscale redenen, maar meer nog de sociale verzekerin-

gen, drijven vele zelfstandigen ertoe hun eenmanszaak in
een BV om te zetten. Het zou van struisvogelpolitiek getui-

gen, indien dienaangaande geen aandacht geschonken
wordt aan eventuele, verdere doorvoering van het nivelleren
van inkomens. De BV biedt namelijk eenvoudige mogelijk-

heden daartoe. Het verscherpen van de richtlijnen voor de
inspecteurs van de vennootschapsbelasting kan al een cao-

loon voor de directeur-grootaandeelhouder opleveren.
De consequentie daarvan is wel dat de drang tot presta-
ties voor het creëren van winst dan nog verder zal worden
aangetast. Klaarblijkelijk wordt dan ook vergeten dat, on-
geacht de rechtsvorm van de onderneming, niet vermogen,
maar winst nodig is voor het betalen van salarissen, premies

voor sociale verzekeringen en pensioenvoorzieningen.

ESB 19-2-1975

171

Beleidsoverwegingen aangaande pensioenvoorzieningen en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandigen

Het operéren van de zelfstandigen in een onderneming
met de juridische vorm van een eenmanszaak vereist drin-
gend de aanpak van een aantal zaken op korte termijn.

1. Aangaande de oudedagsverzorging zal het volgende

moeten gebeuren.
a. Uitbouw van de maximale jaarlijkse dotaties voor de fis-

cale oudedagsreserve en ook voor lijfrenten. In dit ver-
band is bovendien een automatische aanpassing aan de
geldontwaarding van de daartoe belastingvrij te reserve-

ren bedragen noodzakelijk. Tevens zal de maximale IB-
aftrek voor koopsommen van lijfrenten e.d. op een hoger

bedrag dan f. 7.500 per jaar gebracht moeten worden.

b. Zelfstandigen zullen, zowel door de verzekeringswereld als

door de betrokken ondernemersorganisaties, meer dan tot

op heden gewezen moeten worden op de noodzaak tot het
vormen van oudedagsvoorzieningen, te beleggen binnen
en/of buiten hun bedrijf. In geval van belegging binnen

het bedrijf dienen de adviseurs van de zelfstandigen meer
dan tot op heden erop te wijzen, dat het, na overdracht
of liquidatie van het bedrijf, fiscaal voordelig is bedoelde

belastingvrij gereserveerde gelden om te zetten in een lijf-
rente. Ook dient het gebruik van de stamrechtvrij-

stellingen meer in overweging te worden genomen in het
kader van de oudedags-, weduwen- en wezenverzorging.

2. a. In de huidige praktijk van de sociale verzekeringen
dient beslist zo spoedig mogelijk verandering te ko-

men. In dit verband attenderen wij nog eens op het

id

I0
de rijksoverheid vraagt

jurist of econoom
(mnl./vrl.

voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat

t.b.v. de Rijksdienst voor de lisselmeerpolders, Afdeling Stedelijke en. Recreatieve

Vestigingen

De Rijksdienst voor de lJsse’lmeerpolders brengt de drooggevallen, gronden von de

vroegere Zuiderzee in cultuur, legt bossen en recreotiegebieden aan, ontwerpt en voert

stedebouwkundige plannen uit en brengt de sociaal-economische ontwikkeling op gang.

In dit kader is de Afdeling Stedelijke en Recreatieve Vestigingen o.m. belast met

bevordering van de werkgelegenheid door het aantrekken van industrieën, instellingen,

middenstands- en recreotiebedr,ijven.

Taak: meewerken aan voorbereiding en, uitvoering van het beleid m.b.t. bevordering

van de werkgelegenheid; aktief betrokken, zijn bij het aantrekken van bedrijven in het

werkgebied van de Rijksdienst voor de lJsselmeerpolders; beoordelen van economische
en financiële gegevens van bedrijven die voor vestiging in aanmerking wensen. te

komen.

Vereist: voltooide universitaire opleiding en enige ervaring op genoemd werkterrein.

Leeftijd: vanaf 30 jaar.
Standplaats: Lelystad.

Salaris, afhankelijk van leeftijd en ervaring, max. f3937,- per maand.
Een moderne eengezinswoning kan op korte termijn beschikbaar worden gesteld.

Schriftelijke sollicitaties onder vermelding van vacaturenummer
5-028910936
(in

linkerbovenhoek van brief en enveloppe) zenden aan de Rijks Psychologische Dienst,

Prins Mauritslaan 1, ‘s.Gravenhage.

Het salaris is exclusief 7 % vakantie-uitkering en eén toeslag van

max. f45,- per maand.

172

Alternatieve beleggingsvorm

In deze tijd van ongekend grote injiatie tt’ordt hei
steeds meer mensen duidelijk dat zij hun vermogen

goed moeten beleggen. Daar een belegging in de
vorm van aandelen tegenwoordig niet zo winstgevend

is, wordt naar andere beleggings vormen gezocht,
zoals schilderijen, antiek, goud, diamant t) en ook
munten.

In een artikel in het weekblad
Beleggingsexpres 2)
wordt deze laatste beleggings vorm onder de loep
genomen. Uit onderstaand schema (overgenomen uit

het artikel) blijkt hoe winstgevend deze heleggings-
vorm is geweest.

Gouden munten
Jan. ’63
jan. ’73
Jan. ’74 Jan. ’75

Gouden Rijder of 14 Gulden Stuk (origineel)
f. 375
f.

170
f.

775
f.

585
f. 1.800
f.

875
f. 2.800
f.

1.300
5 Gulden Willem
l

………………….

Zilveren munt 3 Gulden Willem
1
………
f. 250
f. 2.150 f. 2.350 f. 2.350

De waarde van deze munten is vooral toegenomen
door de prijsstijging van het goud en -zilver. Men moet daarom, wil men hierin gaan beleggen, inzicht hebben
in de toekomstig(
,
ontwikkeling van de prijzen van
deze edele metalen. In het artikel mt’orden enige rede-
nen gegeven op grond tt’aarvan men redelijkerwijs
kan verwachten dat de prijzen verder zullen stijgen.
Deze redenen zijn:

in een periode van recessie neemt de vraag naar
tastbare goederen, waaronder goud, toe;

de inflatie, waarmee men in 1975 wordt gecon-
fronteerd,’

de monetaire onrust, vooral veroorzaakt door de

waardedaling van de Amerikaanse dollar en het
recyclingprobleem van de Arabische oliedollars.
Men kan op grond van deze redenen vertt’achten,
aldus het blad, dat de prijs van goud verder omhoog

zal gaan, al zal dit wel met jluctuaties gepaard gaan.
Ik plaats hierbij enkele kanttekeningen.

Door vele economen wordt op hei ogenblik be-
weerd dat de economie zich in de loop van 1975 zal
herstellen. Hierdoor wordt punt
/
tvat a/ezwakt.
Tevens heeft men kunnen lezen dat voor het recycling-
probleem van de oliedollars inmiddels een oplossing
is gevonden. Dit zal een positieve invloed hebben
op de monetaire onrust. De positie van de Amerikaan-
se dollar is op het ogenblik weliswaar zmt’ak als gevolg
vooral van de rente-ontivikkeling en de economische
recessie in de Verenigde Staten, maar men mag ver

wachten dat er in het jaar 1975 een herstel zal op-
treden. Onlangs schreef NRC
Handelsblad
3) dat het
zeifs niet helemaal onwaarschijnlijk is dat er in de
komende weken een teruggang van het Amerikaanse

injiatiepercentage zal optreden. Al deze fa(.-toren
zullen de monetaire situatie gunstig beïnvloeden.

Hierdoor wordt ook het gevaar verminderd dat de olie-
landen zich door de waardedaling van de dollar ge-

noodzaakt zien de olieprijs verder te verho gen.

Gezien deze bovengenoemde ft,ctoren blijkt de toe-

komstige ontwikkeling van de goudprijs niet zo zeker
te zijn, zodat men mi., wat dit betref), niet gemoti-
veerd zou zijn om in munten te beleggen. Verder zal
men, aldus
Beleggingsexpres,
inzicht moeten hebben
in de vraag- en aanbodf(-toren. Het is duidelijk dat
de prijs van de edele metalen niet de enige reden zal
zijn waarom men munten als beleggings vorm kiest.
Zoals bij alle goederen ts’ordt de waarde van munten

mede bepaald door de vraag- en aanbodfactoren. Vol

gens het genoemd artikel is de vraag naar munten door
de grote angst voor de sterke inflatie toegenomen.

Hierdoor is de prijs gestegen. De onttt’ikkeling van de

vraag naar munten is dus onzeker. Wie garandeert
de potentiële belegger dat de belangstelling voor
deze nieust’e beleggingsvorm van blijvende aard is?
Verder moet ts’orden bedacht dat beleggen in munten

een zaak van lange termijn is, vooral ti’anneer de op-
lage van een munt erg groot is. Dit zal het enthou-

siasme voor deze beleggingsvorm mi. niet vergroten.

Hoe gunstig het schemaatje er op het eerste gezicht
ook uitziet, de tijd zal m.i. moeten leren of deze be-
leggingsvorm mt’el zo winstgevend is. Uit het schema
blijkt dat de prijs van de zilveren munt al stabiel is

geworden. Men kan dus concluderen dat de zilver-
prijs noch de vraag naar deze munt is vergroot. Men
krijgt dan ook de indruk dat de periode van grote
winsten op haar retour, misschien al ivel voorbij is.

De nog steeds enthousiaste lezer, die nochtans
enthousiast is voor beleggen in munten, kan op zijn
vt’enken worden bediend, gezien de advertenties die
op dit gebied in
Beleggingsexpres
zijn opgenomen.
Aan het eind van het desbetreffi’nde artikel tt’ordt

onder meer geconcludeerd dat men bij een beleg-
ging in munten in de eerste plaats interesse in mun-
ten moet hebben. Deze uitspraak zou men ook als
volgt kunnen interpreteren: wanneer bij nader inzien
de belegging niet zo ;i’instgevend is als zich in het

begin liet aanzien, dan houdt men er in ieder geval een
collectie munten aan over, die het oog van elke geïnteres-
seerde belegger zal sirelen.

J.K.

Zie Th. E. Mebius, Belegging in briljant is ook nu nog aan-
trekkelijk,
ESB, l
mei 1974.
Beleggen in munten; metaalwaarde, zeldzaamheid en
kwaliteit van belang,
Beleggingsexpres,
18 januari 1975.
NRC Handelsblad,
23 januari 1975.

voorbeeld van de Zelfstandige van 62 jaar, die Zijn
eenmanszaak omzet in een BV, ten einde de bescher-
ming van de ziektewet te genieten.
b. Het is beslist noodzakelijk, dat er zo spoedig mogelijk

uniformiteit komt in de criteria van uitkeringen en
vooral acceptatie ingevolge de ziektewet en de WAO
enerzijds en de betreffende particuliere verzekeringen

anderzijds. In dit verband verdient ook de inschakeling
van een onafhankelijk keuringsinstituut aandacht voor
beide soorten verzekeringen. Verder dienen zelf-

standigen meer gewezen te worden op het belang van

het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering

op jeugdiger leeftijd dan thans meestal plaatsvindt.
De-inkomensvorming in een eenmanszaak is afhanke-
lijk van de winst uit de onderneming; deze kan jaarlijks
in aanzienlijke mate varieren. Het per definitie niet sta-

biele karakter van de inkomens van zelfstandigen

maakt opname van deze categorie van de bevolking
onder het stelsel van sociale verzekeringen zeer proble-
matisch. Tegen arbeidsongeschiktheid bijvoorbeeld zal
voor zelfstandigen via een volksverzekering hoogstens
een basisvoorziening kunnen worden gecreëerd. Wel

blijft ook dan het feit bestaan, dat het verplichte ka-
rakter van een volksverzekering niet te combineren

ESB 19-2-1975

173

De huidige economische situatie

in de Bondsrepubliek Duitsland

en de vooruitzichten voor 1975

DRS. D. C. BREEDVELD*

In de laatste maanden zijn de vooruitzichten omtrent

de wereldconjunctuur steeds ongunstiger geworden.

In hoeverre Nederland en andere landen van de Euro-

pese Gemeenschap hiervan de weerslag zullen onder-

vinden, zal in niet onaanzienlijke mate afhangen

van de ontwikkeling in de Bondsrepubliek Duitsland,
die van de totale produktie in de Gemeenschap onge-

veer eenderde en van de handel binnen de Gemeenschap

bijna eenvierde voor haar rekening neemt.

In dit artikel wordt aandacht geschonken aan de

economische situatie in dit land en de perspectieven

voor 1975.

Zwakke conjunctuur

Sedert het voorjaar van 1974 geeft de economische ont-

wikkeling in de Bondsrepubliek een duidelijke vertraging te
zien. In eerste instantie werd dit vooral toegeschreven aan
moeilijkheden van meer structurele aard in bepaalde sec-

toren zoals in de automobielindustrie, de textielindustrie
en de bouwsector. In de laatste maanden echter heeft deze

ontwikkeling een meer algemeen en duidelijker conjunctureel
karakter gekregen en geven ook sectoren die tot yoor kort

nog krachtig expandeerden, zoals de chemische industrie,
thans een langzamere groei te zien.

als gevolg van een minder snelle expansie van de
buitenlandse vraag

Terwijl de binnenlandse vraag in feite reeds sedert bijna

twee jaar nauwelijks meer is toegenomen en zelfs in de laatste

tijd is teruggelopen, heeft de buitenlandse vraag zich lange
tijd krachtig uitgebreid. Pas sedert de zomer van 1974 is het

ook wat de uitvoer betreft tot een rustigere ontwikkeling
gekomen. De snelle stijging van de buitenlandse vraag

gedurende de afgelopen jaren is een opmerkelijk verschijnsel,

vooral omdat de concurrentiepositie van de Duitse expor-
teurs door de appreciatie van de DM aanzienlijk werd belast.

Dit nadeel werd echter grotendeels gecompenseerd door de
veel snellere prijsstijging in vrijwel alle belangrijke afnemer-

landen. Daarnaast hebben echter andere dan prijsover-

wegingen een belangrijke rol gespeeld. Bij de hoge mate van
specialisatie van een groot deel der Duitse uitvoerprodukten

bleek de prijsgevoeligheid namelijk relatief beperkt te zijn.
Van groot belang is ook dat bij de slappe binnenlandse

vraag de Duitse industrie relatief korte levertermijnen in
acht kon nemen. Voorts schijnt het bedrijfsleven bij de

scherper wordende concurrentie in versterkte mate krediet-faciliteiten aan het buitenland te hebben verleend. Naar alle waarschijnlijkheid zal de Duitse export in 1975
aanzienlijk minder snel toenemen. Reeds wijst de ontwikke-
ling van de exportorders gedurende de laatste maanden in

deze richting. De conjuncturele perspectieven zijn in vrijwel
alle landen in de laatste tijd duidelijk pessimistischer ge-

worden. Met name moet worden verwacht, dat de investerin-

gen in outillage – waarop een belangrijk deel van de Duitse
exportindustrie is georiënteerd – in vele landen, althans
in de eerstkomende maanden, een zeer ongunstige ontwikke-
ling te zien zullen geven. Overigens maken de in samenhang met de oliecrisis steeds toenemende betalingsbalanstekorten

van een aantal belangrijke industrielanden het gevaar van

verstoringen in het internationale handels- en betalings-

* De auteur is hoofd van de afdeling ,,Duitsland” bij de Commissk
van de Europese Gemeenschappen.

valt met de vrijheid van inkomstenbesteding, die zelf-

standigen nodig hebben voor de opbouw van hun be-
drijf, het kweken van financiële reserves enz.
Slotopmerkingen

In het voorgaande is in de eerste plaats geprobeerd aan

te geven dat de fiscaal-sociale situatie van zelfstandigen
dringend aanpak behoeft op het terrein van voorzieningen
voor pensioenverzorging en arbeidsongeschi ktheids-
verzekering. Dienaangaande bestaan er momenttel tal van
misstanden door het niet of onvolledig gebruiken van rege-

lingen, alsmede oneigenlijk gebruik daarvan en door de

onvolledigheid van de betreffende regelingen zelf. Vervol-
gens hebben we getracht aan te geven, hoe een en ander ge-

wijzigd kan en moet worden, opdat de juridische onder-
nemingsvorm van de eenmanszaak weer perspectief ver-

krijgt.

Bij dit alles is het uitgangspunt steeds geweest, dat er in

onze economische orde plaats en mogelijkheden worden
verstrekt om zich als zelfstandige een inkomen te verwerven
en om een bedrijf tot ontplooiing te brengen. De eenmans-
zaak is daarvoor beslist noodzakelijk, daar deze op tal van terreinen de kleine ondernemer minder verplichtingen op-

legt en daarmede ook meer vrijheid verleent, zoals geen en-

kele plicht tot publikatie van financiële jaarstukken, een-
voudiger fiscale voorschriften vpor de administratie, kleine
ondernemersregeling voor de BTW en dergelijke.

A.
J. G. Leijten
C. Weij

174

verkeer verre van denkbeeldig. Ook indien men ervan uitgaat,

dat op grond van de minder snelle prijsstijging in de Bonds-

republiek de concurrentiepositie van de Duitse exporteurs
zich eventueel zou kunnen verbeteren, zal de toeneming van
de uitvoer als gevolg van de minder gunstige wereldconjunc-

tuur vrij beperkt blijven. De sterke stijging, die de uitvoer
naar de staatshandelslanden en naar sommige olieproduce-
rende landen waarschijnlijk nogmaals te zien zal geven, zal
daarbij niet opwegen tegen de langzamer expanderende
afzet naar de traditionele handelspartners.

Al met al een perspectief, dat duidelijk afwijkt van de ont-
wikkeling tijdens de recessie van 1966/1967, toen een on-

veranderd expansieve ontwikkeling van de uitvoer een
belangrijke steun voor de Duitse conjunctuur betekende.

en verdere afzwakking van de binnenlandse vraag

De reeds in het voorgaande aangeduide slapte van de

binnenlandse vraag manifesteert zich met name op het gebied
van de investeringen. De ,,Sachverstandigenrat zur Begut-
achtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung”, een
commissie van vijf deskundigen, die de Bondsregering om-
trent het te voeren economische beleid adviseert, spreekt in

dit verband in zijn laatste jaarrapport van een ,,Verkramp-
fung des Herzmuskels einer wachsenden Wirtschaft”. Reeds
gedurende een aantal jaren hebben de ondernemingen
hun investeringen slechts in beperkte mate uitgebreid.

Evenals in Nederland hangt deze ontwikkeling voor een deel samen met een verslechtering van de rentabiliteitspositie van

het bedrijfsleven. De sterk gestegen loonkosten konden
slechts ten dele in hogere prijzen worden doorberekend.

Deze ontwikkeling is uiteraard bij de minder gunstige
conjuncturele ontwikkeling in het afgelopen jaar steeds
duidelijker tot uiting gekomen. Daarnaast heeft het zeer
restrictieve monetaire beleid van de afgelopen jaren, dat zich

in een zeer krappe liquiditeitspositie van het bankwezen en de
ondernemingen en voorts in een hoge rentestand weer-
spiegelde, in steeds sterkere mate een rem op de investerings-
activiteit gezet. De thans verrichte investeringen hebben
daarbij niet zo zeer ten doel de bestaande bedrijfsinstallaties

uit te breiden, doch vooral om door versterkte rationalisatie
de produktiefactor arbeid te vervangen om daarmede de hoge

loonkosten zoveel mogelijk te ontgaan. Het is ook deze
overweging, die in toenemende mate Duitse ondernemin-
gen ertoe heeft gebracht een deel van hun produktie naar het
buitenland over te brengen.

Een zeer moeilijke periode kent voorts de bouwsector.

De woningbouw ondervindt sedert medio 1973 de weerslag

van een ongebreidelde bouwactiviteit in de drie daaraan
voorafgaande jaren. Met de zich versterkende inflatie nam

sedert 1970 de ,,Flucht in die Sachwerte”, met name in
onroerende goederen, zozeer toe dat de bouw van nieuwe

woningen de behoefte op middellange termijn ver over-
schreed, vele huizen geen bewoners vonden en talrijke bouw-

ondernemingen failliet gingen. Ook de investeringen in bedrijfsgebouwen zijn aanzienlijk teruggelopen. Welis-
waar wordt van overheidswege getracht door snellere uit-

voering van openbare werken de moeilijkheden in de bouw-

nijverheid te beperken, doch de daartoe getroffen maat-
regelen compenseren de teruggang in de andere sectoren
slechts voor een beperkt deel.

Of het in het komende jaar tot een blijvende opleving van
de ondernemingsinvesteringen zal komen, is moeilijk te voor-
spellen. Ongetwijfeld zal een snellere expansie van de parti-
culiere consumptie, waarover later, een gunstig effect op de
investeringen kunnen hebben. Men doet er echter goed aan

dit effect, gegeven de lage bezettingsgraad van de produktie-
capaciteiten, niet te overschatten. In december heeft de
Bondsregering maatregelen genomen ter stimulering van de

investeringsactiviteit in de ondernemingssector. Er zal een
premie van
7½%
worden uitgekeerd voor alle investeringen, waarvoor in de periode van 1 december 1974 tot 30juni 1975

orders worden geplaatst. Men heeft tot deze methode en

niet, zoals in 1967, tot een verruiming van de afschrijvings-

faciliteiten besloten, omdat deze bij de ongunstige winst-
situatie minder effectief zou zijn. Naar alle waarschijnlijk-
heid zal de investeringspremie in de komende maanden tot

een zekere opleving van de investeringsactiviteit leiden. In
eerste instantie zullen ondernemers er vooral naar streven om investeringen die in ieder geval in de nabije toekomst zouden

moeten plaatsvinden in de genoemde periode tot stand te
brengen. Of aldus de basis kan worden gelegd voor een
duurzame verbetering van het investeringsklimaat zal

echter in feite afhangen van de winstvooruitzichten. Het is
vooral met het oog hierop, dat van vele zijden voor te sterke
loonsverhogingen wordt gewaarschuwd. Vrijwel zeker is dat

een dergelijke verbetering voorlopig slechts, van beperkte
omvang zal zijn, daar in een aantal belangrijke sectoren

structurele moeilijkheden remmend op de investeringsnei-
ging zullen blijven werken.

De particuliere consumptie die zich in het afgelopen jaar
nauwelijks uitbreidde, zal waarschijnlijk in 1975 een duide-
lijke expansie te zien geven. Een en ander hangt vooral

samen met een hervorming van de inkomstenbelasting en het kinderbijslagsysteem, als gevolg waarvan per saldo in
1975 DM 13 â 14 mrd. minder aan belastingen door de
gezinshuishoudingen zullen moeten worden afgedragen.

Tegenover deze conjunctureel ongetwijfeld wenselij ke posi-
tieve impuls staat echter de nadelige invloed van de on-

gunstige werkgelegenheidssituatie op de inkomensontwikke-ling. Deze laatste factor schijnt daarenboven de besparingen,
vooral uit voorzorgsoverwegingen, te stimuleren.

Geringe uitbreiding van de produktie en toenemende
werkloosheid

Op grond van de in het voorgaande geschetste ontwikke-

ling van de afzonderlijke vraagcomponenten is het reële bruto nationaal produkt in 1974 nauwelijks toegenomen

(0,4%) en lag de industriële produktie zelfs onder het niveau
van het voorafgaande jaar. De ramingen, die voor 1975
zowel in de Bondsrepubliek zelf als in internationaal verband

zijn opgesteld, resulteren meestal in een snellere stijging van
het BNP (ca.
2%).
Bij deze raming wordt er doorgaans van
uitgegaan, dat het na een verdere conjuncturele teruggang in

de eerstkomende maanden in de tweede helft van het jaar
tot een zekere opleving kan komen. Een dergelijke ont-
wikkeling is echter alleen mogelijk indien de veronderstel-
lingen, die aan de ramingen ten grondslag liggen, zich opti-
maal kunnen realiseren.

Tabel 1. Middelen en bestedingen in 1973, 1974 en 1975
(procentuele mutaties)

973 a)
1974 a)
1975 b)

volume
waarde volume waarde waarde

Middelen:
Bruto nationaal produkt
5,3
11,5
0,4
7,0
8

9
invoer

…………..9.8
14,9
6,3 30,2
14

-15
Bestedingen:
Particuliere consumptie
2,9
10,2
0,2
7,5
9
-to
Overheidsconsumptie
4,0
15,1
4.5
16,0
105-tI5
Bruto-investeringen:

.
1.1
5,8

8,5

2.3
4

6
0,3
6.9

8,4

2.2
t


3
in bouwwerken
……
in outillage

……..
2,0
4,3

8,7

2,5
7

9
Uitvoer

…………….
16,2 18.9 14.7
32,6
12

-13

Statistisches Bandesamt
Economisch jaarrapport 1975 van de Bondsregering

De werkgelegenheidssituatie is in het afgelopen jaar aan-

zienlijk ongunstiger geworden. De werkloosheid, die jaren
lang in Duitsland te verwaarlozen was geweest, werd daar-
mee een probleem van de eerste orde voor de economische
politiek. Het aantal werklozen, dat reeds in 1973 duidelijk

ESB 19-2-1975

175

toegenomen was, heeft zich in 1974 nogmaals verdubbeld en

beliep eind januari ca. 1.150.000 dat is meer dan 5% van het

totaal aantal werknemers. Daarenboven werd in steeds meer

bedrijven werktijdverkorting ingevoerd; eind januari waren

daarbij ca. 900.000 werknemers betrokken.
Een en ander betekent, dat de voorspelling van de vijf
instituten voor economisch onderzoek in de Bondsrepubliek,
volgens welke de werkloosheid in deze winter een hoogte-

punt van 1 mln. zou bereiken reeds werd overtroffen.

Het feit, dat de werkloosheid reeds geruime tijd on-
afhankelijk van de conjunctuur is toegenomen, maakt voorts
duidelijk, dat de huidige werkloosheid voor een deel een
structureel karakter heeft. De maatregelen die de Bonds-
regering onlangs genomen heeft ten behoeve van gebieden

waarde werkloosheid bijzonder groot is – de toekenning van

een loonkostentoeslag van 60% gedurende zes maanden voor
ondernemingen die voor 1 mei 1975 werkloze arbeiders in
dienst nemen en een uitkering ter bevordering van de mobili-

teit van langdurig werklozen – zullen waarschijnlijk in de

komende maanden een vermindering van het aantal werk-

lozen bewerkstelligen. Een duurzame verbetering van de

werkgelegenheidssituatie hangt uiteraard van een fundamen-
tele verbetering van het economische klimaat af.
Weliswaar is het aantal buitenlandse gastarbeiders,

dat medio 1973 een hoogtepunt van ca. 2,5 mln. bereikte
vooral sedert de in november ’73 aangekondigde stop op de
recrutering van arbeidskrachten uit niet-EG-landen niet

meer toegenomen, een vermindering van het aantal buiten-
landse arbeidskrachten heeft deze maatregel echter niet kunnen bewerkstelligen. Buitenlandse werknemers, die

werkloos worden, geven er veeleer thans de voorkeur aan in de Bondsrepubliek te blijven, dit in tegenstelling tot de

jaren 1966/1967 toen zij in groten getale naar hun land

terugkeerden.

Afnemende infiatoire druk

Een lichtpunt in dit Vrij sombere conjunctuurbeeld is

ongetwijfeld de prijsontwikkeling. Ook al wordt het huidige
tempo van prijsstijging – de prijsindex voor de gezinscon-
sumptie lag in januari ca. 6% hoger dan een jaar tevo-
ren – in een land als de Bondsrepubliek, dat traditioneel

aan prijsstabiliteit grote betekenis hecht als veel te hoog be-
schouwd, toch moet worden vastgesteld dat het aanzienlijk

geringer is dan ongeveer een jaar geleden na het uit-

breken van de oliecrisis, onvermijdelijk werd geacht. Het is
ook veel lager dan in alle andere EG-landen: in Nederland

en Luxemburg liggen de laatstbekende stijgingspercentages

bij II, in alle andere landen bij IS of daarboven. Afgezien van enkele bijzondere factoren, zoals de relatief gunstige
ontwikkeling van de prijzen Van levensmiddelen, heeft

zeker ook de zwakke binnenlandse vraag de ondernemers tot
een grotere terughoudendheid bij hun prijsbeleid genood-
zaakt. Deze laatste factor zat ook in het komende jaar een

rol spelen zodat in het algemeen een minder sterke druk op de

prijzen wordt verwacht. Deze ontwikkeling wij’kt duidelijk af
van die in Nederland, waarde infiatoire krachten nog weinig
aan betekeni hebben verloren.
Uiteraard zijn ook in dit verband de hoogte van de loon-

stijgingen van doorslaggevende betekenis. Naar het zich laat
aanzien zou – vooral nu de samenhang tussen loonniveau en
werkgelegenheid steeds duidelijker tot uitdrukking is ge-
komen – ook hier van een grotere terughoudendheid dan in

de voorafgaande jaren sprake zijn. Een en ander wordt
overigens bevorderd door de reeds vermelde hervorming van
de inkomstenbelasting en de kinderbijslagregeling: veel min-

der dan in andere jaren zal thans het progressieve karakter
van de loon- en inkomstenbelasting de ontwikkeling van de
netto-lonen beïnvloeden.

Aanhoudend grote overschotten op de handelsbalans

Ook de externe positie van de Bondsrepubliek is aanzien-

lijk gunstiger dan die van andere landen. Zowel de uitermate
snelle ontwikkeling van de uitvoer als een in samenhang met de zwakke binnenlandse vraag slechts aarzelend verloop van

de invoer leidden ertoe, dat het overschot op de handels- en
dienstenbalans in het afgelopen jaar een recordniveau van

DM 38,5 mrd., dat is ongeveer 4% van het bruto nationaal
produkt, bereikte. Dit is des te opmerkelijker daar als gevolg
van de sterk gestegen prijzen van aardolieprodukten en
andere grondstoffen de ruilvoet aanzienlijk ongunstiger

werd.
Ook indien het overschot in 1975 iets geringer zou zijn dan

in het afgelopen jaar – dit zou met name het geval zijn
wanneer de uitvoer minder snel zou expanderen en door een

weer aantrekkende binnenlandse conjunctuur de invoer zou
worden gestimuleerd – blijft de vraag naar de wenselijkheid
van een verdere waardestijging van de DM actueel. Zij

zou tendentieel tot een verdere vermindering van deze over-

schotten kunnen bijdragen en bovendien een gunstige invloed

op de prijsontwikkeling kunnen uitoefenen. Vrij algemeen

bestaat in de Bondsrepubliek de neigingeen verdere apprecia-
tie toe te laten, voor zover deze het resultaat van endogene

krachten op de deviezenmarkt zou zijn.

Expansief fiscaal en budgettair beleid

Hoewel de Bondsregering en de centrale bank nog steeds
aan de infiatiebestrijding een hoge prioriteit toekennen,
is het economische beleid in het afgelopen jaar toch steeds

meer in expansieve richting omgebogen. Dit geldt met name
voor de budgettaire en fiscale politiek. Reeds kort na het uitbreken van de oliecrisis werd het grootste deel van de

enkele maanden tevoren genomen stabiliteitsmaatregelen

ongedaan gemaakt. Zo werden o.m. in december 1973
wederom de afschrijvi ngsfaciliteiten voor bedrijfsinvesteri n-
gen en woningen toegelaten en de investeringsheffing van
11% afgeschaft. In februari en september 1974 werden door

de regeringen van de Bond en de deelstaten extra bedragen
van in totaal resp. DM 600 mln, en DM 950 mln, uitgetrok-

ken voor aanvullende openbare werken met name in gebieden
met een hoge werkloosheid. De in december jI. getroffen
maatregelen gaan een aanzienlijke stap verder. Zij beogen
niet alleen de overheidsinvesteringen te stimuleren, maar
hebben ook ten doel de particuliere investeringen te bevor-
deren en voorts door specifieke maatregelen de werk-
gelegenheid te vergroten.

Deze maatregelen dienen te worden geplaatst in een bud-
gettair kader, dat gekenmerkt is door sterk stijgende tekorten.
Zo zal het financieringstekort van de gehele overheidssector
van ca. DM 10 mrd. in 1973 en ca. DM 30 mrd. in 1974
volgens de huidige ramingen in 1975 tot ca. DM 50 mrd.

oplopen. Voor een belangrijk deel weerspiegelt zich hier de

conjuncturele druk op de belastingopbrengsten, terwijl in
1975 tevens de reeds genoemde fiscale hervorming in belang-
rijke mate tot de stijging van het overheidstekort bijdraagt.

De investeringspremie zal daarentegen slechts in beperkte
mate de begroting van 1975, veel meer daarentegen de begro-
tingen van 1976 en 1977, belasten.

Ongetwijfeld gaat van deze tekorten een stimulerende
werking op de economie uit. Zij beperken echter tevens de

mogelijkheid van een actieve uitgavenpolitiek, dit in tegen-stelling tot 1967. Veeleer is men thans gedwongen een voor-zichtig uitgavenbeleid te volgen. Zo is in de ontwerpbegro-

ting van de Bond voor 1975 een stijging van sleçhts ca. 9%
voorzien. Het is om deze reden ook, dat de ,,Sachverstan-
digenrat” ervoor heeft gepleit dat uitgaven voor eventueel
aanvullende werkgelegenheidsprogramma’s worden opge-
vangen door een vermindering van uitgaven, waar het werk-
gelegenheidseffect geringer is.
De overheidstekorten zullen voor een deel worden gefinan-

176

cierd met middelen, welke in het kader van de restrictieve

politiek van de afgelopen jaren in de vorm van stabilisatie-

leningen, conjuncturele heffingen of z.g. conjunctuuregali-

satiereserves door de Bond of de deelstaten bij de centrale
bank werden gestort. Het gaat hier om een bedrag van ca.

DM 6 mrd. Het restant zal op de kapitaalmarkt moeten wor-
den gedekt. Daarbij wordt erop gerekend dat bij stijgende

besparingen en een Vrij zwakke ontwikkeling van de parti-

culiere investeringen voldoende ruimte voor de financiering
van de overheidsbehoeften zal bestaan. Men hoopt dan ook te

kunnen vermijden, dat de rentestand als gevolg van het aan-
zienlijke beroep van de overheid onder druk zou komen,

hetgeen een opleving van de particuliere investeringen nog
extra zou bemoeilijken.

Soepeler monetair beleid

Om de ruimte voor prijsstijgingen zo gering mogelijk te

houden heeft de centrale bank tot in de herfst van 1974 een
zeer stringent monetair beleid gevoerd. Niet alleen droeg zij
door haar discontobeleid bij tot de handhaving van een hoge

rentestand op de geld- en kapitaalmarkt, maar tevens werd
een zeer restrictieve liquiditeitspolitiek gevoerd, welke er

te zarnen met de zwakke investeringsneiging in het bedrijfs-
leven toe leidde, dat de kredietverlening slechts zeer matig toenam. In tegenstelling tot Nederland, waar het vooral op
grond van een aanzienlijke uitbreiding van de kredietver-
lening aan de particuliere en de overheidssector nogmaals tot

een krachtig monetaire expansie kwam, nam in de Bondsre-
publiek de binnenlandse liquiditeitenmassa veel minder snel

toe dan in de voorafgaande jaren (december 1974/december
1973: +
5,8%).
In feite werd aldus aan de economie de liquidi-
teit onthouden die nodig zou zijn geweest om de inflatoire

druk, die zich in 1974, met name als gevolg van de sterk geste-
gen energieprijzen en de krachtige loonsverhogingen aankon-
digde, te financieren.

In de laatste maanden heeft de centrale bank het monetair

beleid duidelijk versoepeld. Zo werden, gedeeltelijk in samen-
hang met de afvloeiing van deviezen, de kasreserveverplich-
tingen verlaagd en werd het wisseldisconto van 7% op 5/2% ge-

bracht. Een en ander leidde tot een daling van de rentevoet,

zowel op de geld- als op de kapitaalmarkt. De centrale bank

stelt zich ten doel in 1975 het volume van het ,,centrale

bankgeld” 1) met 8% en daarmede sneller dan in het afge-lopen jaar te doen stijgen. Aldus hoopt de bank een bevre-
digende economische groei te kunnen financieren, zonder dat
daarbij een versterkte druk op de prijzen zou ontstaan. Het is

binnen dit kader dat zich de geldschepping ten behoeve van

de particuliere sector en van de overheidssector zal dienen te voltrekken. De beoogde vrijmakingvan geblokkeerde midde-
len door de Bond en de deelstaten moet tevens in dit kader
worden ingepast. Het feit dat de centrale bank voor het ko-
mende jaar de door haar nagestreefde doelstellingen heeft

bekend gemaakt is een novum in de Duitse economische
politiek en draagt ongetwijfeld tot een grotere duidelijkheid

voor de economische subjecten bij.
Door de in het voorgaande geschetste ,,policy mix”, waar-

bij de budgettaire en fiscale politiek vooral ten doel heeft een
ongewenste teruggang in de economische groei en in de

werkgelegenheid tegen te gaan en de monetaire politiek – zij
het in een meer flexibele vorm dan voorheen – de mogelijk-

heid van prijsverhogingen beperkt dient te houden, hopen
de Duitse autoriteiten een zo optimaal mogelijke ontwikke-
ling van produktie, werkgelegenheid en prijzen te kunnen

bewerkstelligen.

Slotopmerkingen

Een duurzaam herstel van de Duitse conjunctuur zal zich
waarschijnlijk eerst geleidelijk voltrekken. Van een krachtige
economische groei zal voorshands geen sprake kunnen zijn. Dat de Bondsrepubliek een belangrijke bijdrage zal leveren
tot een conjuncturele opleving in andere EG-landen is
onder deze omstandigheden dan ook nauwelijks te ver-

wachten. D. C. Breedveld

1) Hieronder wordt verstaan het geldvolume voor zover dit direct
door de centrale bank kan worden gereguleerd, t.w. chartaalgeld als-
mede kasreserves over binnenlandse tegoeden op basis van constan-
te kaspercentages.

Bedrijfseconomie

Beslissingsprocedures

van de produktie

Keuzevraagstukken met betrekking tot de grootte

van de produktieseries (1)

DRS. K. BOSKMA
DRS. M. GEERSING

IR. C. A. TH. TAKKENBERG

1.
Inleiding

In de voorgaande artikelen werden keuzevraagstukken
m.b.t. de tijdstippen van het toewijzen van taken aan pro-

duktiemiddelen besproken. De nadruk lag daarbij op het
streven naar een gunstige bezettingsgraad van de produktie-
middelen en het realiseren van de gevraagde opleverdata van
de orders.

In dit artikel en het hierop volgende wordt nagegaan hoe

door de keuze van de seriegrootte de doelmatigheid en de
kosten van de produktie kunnen worden beïnvloed. Wij
denken hierbij vooral aan ondernemingen, die met serie-

produktie werken. Ook geven wij een schets van enkele be-
naderingen van het vraagstuk van de keuze van de grootte
der produktieseries. Tevens wordt aandacht geschonken
aan de samenhang van de beslissingen omtrent de grootte
der produktieseries met andere beslissingen in de onder-

neming.

ESB 19-2-1975

177

,OO,,fld
bflflikboo,
6Ii,Wqn

2.
Voorraden, efficiëntie van de produktie en seriegrootte
Figuur 2. De grootte van de voorraad, afhankelijk van de
grootte van de produktieseries
De mogelijkheid en de wenselijkheid tot het achtereen-
volgens uitvoeren van gelijke taken kan zich op verschillende

wijzen in het produktieproces voordoen. Om dit toe te
lichten beschouwen wij een proces van serieproduktie, waar-

bij bepaalde aantallen produkten van gelijke technische speci-
ficatie per planperiode benodigd zijn. Zo’n proces vertoont
vaak de volgende kenmerken.

• Het per tijdseenheid benodigde aantal eenheden produkt

(de vraagsnelheid) is veelal lager dan het aantal eenheden,

dat door het desbetreffende produktiemiddel in één tijds-eenheid kan worden gemaakt (de produktiesnelheid).
• Meerdere produkten leggen geheel of gedeeltelijk beslag op

dezelfde produktiemiddelen, waarbij een gelijktijdig ge-
bruik niet mogelijk is.

• Bij de overgang van de produktie van het ene op het andere
goed treden omsteltijden en kosten op.
In een dergelijke situatie treedt onvermijdelijk voorraad-

vorming op. Dit kan worden toegelicht met figuur 1, waarin
voor een sterk vereenvoudigd geval schematisch wordt

aangegeven hoe een en ander zou kunnen verlopen bij drie

produkten A, B en C, die op dezelfde machine worden ge-
maakt.

Figuur 1. Schematische weergave van het gebruik van een
produktiemiddel en het verloop van de voorraden in het

magazijn

OMSTELLEN

1

Fk1
1

lijd

P,OdUUti,

p,OdukIio

p,a:ktre

1

[auii.

Het bovenste gedeelte van de figuur geeft aan wanneer
wordt geproduceerd en wanneer wordt omgesteld. De om-
steltijd is in dit geval langer voor het geval dat van A naar B
wordt omgesteld dan voor omstellen van B naar C. Aangeno-
men is dat de produkten direct na het gereedkomen van de
serie naar het magazijn worden gebracht en dan direct voor

aflevering beschikbaar komen (onderste gedeelte van figuur
1). Het geproduceerde aantal eenheden van A(Q
A
), moet vol-
doende zijn voor de vraag bij het magazijn tot een volgende
serie van A voor aflevering beschikbaar komt (wordt ,,vrij-
gegeven”). Naarmate er een langere tijd ligt tussen het pro-
duceren van een serie van hetzelfde produkt zal er dus meer

van het produkt moeten worden gemaakt of m.a.w. zal

QA
hoger moeten worden gekozen. Het verloop van de
voorraad voor seriegrootten van Q
resp.
½Q
wordt gedemon-
streerd in figuur 2.

Onder de vooronderstellingen van het geschetste geval van
o.a. constante afzet per periode is de gemiddelde voorraad

Q
A
+O

__
=
A De constante kosten van voorraadhouden

per eenheid per jaar c , zullen ertoe leiden, dat de totale
kosten van het aanhouden van voorraden lineair afhankelijk
zijn van de grootte van de produktiesene en ‘AQA.c
1
per jaar bedragen.

VOO,
,Oad

200

100

200

100

Zouden wij de produktieseries nu klein willen kiezen om de
voorraden laag te houden, dan heeft dit drie categorieën
van effecten. In de eerste plaats zal er frequenter moeten

worden omgesteld. Het aantal omstellingen zou bij een jaar-
lijkse behoefte aan A van
DA
eenheden gelijk zijn aan de
jaarbehoefte gedeeld door het aantal eenheden gemaakt per
serie, dus er zou per jaar D
A
/QA keren moeten worden om-gesteld. De totale variabele kosten van omstellen zouden bij

Deze rubriek wordt verzorgd door de
afdeling Bedrijfseconomie van de

Rijksuniversiteit te Groningen

verlaging van de seriegrootte dus toenemen volgens

D
A

c (c
0
= extra kosten per omstelling). De keuze van de
seriegrootte zal dan ook in eerste instantie inhouden, dat de
kosten van het aanhouden van voorraden moeten worden af-

gewogen tegen de kosten die met omstellen gepaard gaan.
Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven.

Figuur 3. Het afwegen van de kosten van voorraadhouden
en omsiellen

C Voor minimum

seriegrootte 0A

Bij de bespreking van de eenvoudige seriegroottemodellen
komen wij hierop terug.

Een tweede categorie van effecten omvat het beslag op pro-
duktiemiddelen, dat via de keuze van de seriegrootte wordt
beïnvloed. Naarmate vaker wordt omgesteld, zal er, voor een
bepaalde planperiode gerekend, meer tijd voor het omstellen
worden gebruikt. Uitgaande van een bijna volledige bezetting

van een produktiemiddel zal een verdere verkleining van de
produktieseries tot gevolg hebben dat op zeker moment de
totale beschikbare produktietijd minus de som van de omstel-tijden
(=
netto-produktie-uren) kleiner wordt dan de beno-

178

digde produktietijd. Een verdere verkleining van de series

zou ten koste van de aantallen te produce’ren produkten
gaan. Omgekeerd zou een vergroting van de produktieseries

tot meer netto-produktie-uren kunnen leiden. De netto-

capaciteit is dus afhankelijk van de gekozen seriegrootte.
Verder wordt via de keuze van de seriegrootte de gemiddelde
grootte van de voorraden en via deze het beslag op vermogen
en op magazijnruimte beïnvloed. De tweede categorie van

effecten kan zeer belangrijk zijn, daar het beslag op

schaarse produktiemiddelen de keuze van de grootte der
produktieseries in relatie brengt met vele andere beslissingen.
Een derde categorie van effecten van de seriegrootte houdt

verband met het optreden van leren bij het achtereenvolgens
maken van dezelfde produkten. Uit onderzoek in de praktijk
is gebleken dat leren tot uitdrukking komt in een ,,inleer-
periode”. Deze ,,inleerperiode” kan door drie leereffecten

worden beïnvloed: geïnduceerde, exogene en autonome leer-

effecten.
Geïnduceerde leereffecten doen zich voor wanneer een

proefopstelling wordt gebruikt om na te gaan welke moeilijk-
heden in het produktieproces kunnen worden verwacht. In
dit stadium kunnen nog wijzigingen worden aangebracht in
het ontwerp van het produktieproces en voorzieningen wor

den getroffen, in de opleiding van het bedienend personeel.
Deze maatregelen verbeterende effïciency in het uiteindelijke

produktieproces en verkleinen de inleerperiode. Leereffec-
ten tijdens de uitvoering spelen daarna een geringe rol.
Exogene leereffecten kunnen optreden door gebruik te
maken van informatie van machinefabrikanten, concurren-

ten enz., waardoor de produktiesnelheid kan worden ver-

hoogd, zowel in de inleerperiode als daarna.
Autonome leereffecten treden op door training tijdens de
uitvoering. Deze zijn vooral afhankelijk van de algemene ervaring van het personeel, de specifieke ervaring met de
betreffende bewerking, de opleiding, de leeftijd enz. Meestal
blijkt een verschil in leereffecten voor de individueel uitge-voerde taken en voor de in groepen uitgevoerde taken.
Figuur 4. Schematische weergave van de produktiesnelheid
en de voorraad met en zonder leereffect en bij directe af-

le vering aan het eind van de produktieperiode

P,od,,kIfln.Iheide,,oc,,aad

lid

p,0d,,ktla,,th.l,

Figuur 5. Schematische weergave van het kostenverloop

met en zonder leereffect op een bepaald tijdstip T

koster,

kOstencurves
t
onderbroken t
zonde, Leeretfect

etrekken met
de

\’

\:

-1

1

2

eriegrootte

De relatie tussen de produktiesnelheid met leereffect en de
geproduceerde hoeveelheid van een produkt q kan door de
volgende vergelijking worden beschreven:

Q=p(l__(a+1q))
(1)

waarin:

Q
= de produktiesnelheid nadat q eenheden zijn geproduceerd;
P = de gewenste produktiesnelheid:
= maatstaf voor de leersnelheid; a = een maatstaf voor de startefficiëntie van het produktieproces,
ni.

Q. =P(l—e)

Geïnduceerde en exogene leereffecten beïnvloeden vooral de parameter a, terwijl autonome leereffecten vooral invloed
uitoefenen op i . Bovendien leidt een hogere a tot een lagere
i 1).

Deze leereffecten kunnen we toepassen op het seriegrootte-

model (zie figuur 3) door de volgende vereenvoudigende
veronderstellingen te maken. We nemen aan dat de kosten van voorraadhouden kunnen worden weergegeven als een

bepaald percentage van de variabele produktiekosten. Dit is
een Vrij realistische veronderstelling, indien de kosten van
het in voorraad geïnvesteerde vermogen de dominerende

component vormen. Ten gevolge van het (in)leereffect zal de
benodigde produktietijd voor de eerste eenheden hoger zijn

dan voor de latere. Dit kan leiden tot lagere voorraden

(A
V) (zie figuur 4) en daarmee tot lagere voorraadkosten.
Evenzo kan men zich voorstellen dat de omsteltijd t.a.v.
het (in)leereffect zal gaan dalen, zodat de omstelkosten in

het begin hoger zijn dan zonder leereffect. In figuur 5 is een
schematische weergave gegeven voor het leereffect dat na

enige tijd optreedt. Deze figuur geldt dan ook alleen maar

op een bepaald tijdstip. Een driedimensionale figuur waarin
de tijdas is opgenomen zou het verloop van de seriegrootte
in de tijd bij leren kunnen aangeven. De tekening geeft de
situatie in de ,,steady state” aan. Door het leereffect kan de
optimale seriegrootte stijgen van
Q1
naar
Q
,
zoals in figuur 5 is aangegeven 2).

3.
Het bepalen van de
gewenste seriegrootte

3.1.
Inleiding

In het begin van de 20e eeuw, omstreeks 1915, begonnen
verschillende onderzoekers het vraagstuk van de optimale
grootte van produktieseries te bestuderen. Deze onderzoe-
kers, die in de pionierstijd van de ,,management science”
leefden, hebben het vraagstuk onder sterke vereenvoudigin-

gen en in sterke mate geïsoleerd van andere beslissingen be-
studeerd. Wij zullen nu een korte schets geven van de meest
bekende modellen voor het bepalen van de optimale serie-

grootte. We beginnen met de eenvoudige modellen en gaan

vervolgens over op de meer realistische, maar gecompli-
ceerde modellen.

3.2.
Meest eenvoudige model

In het meest eenvoudige model, waarvan in figuur 3 een
grafische weergave is gegeven, wordt de seriegrootte bepaald

door de kosten van voorraadhouden en de kosten van

omstellen te minimaliseren door de keuze van de seriegrootte

Q.
De totale kosten (= TK) zijn:

Zie F. K. Levy, Adaption in the production process,
Management
Science, vol. II,
no.
6,
april,
1965, blz. B
136,
e.v.
Zie voor een uttgebreidere beschouwing W. Baur,
Neue Wege der
Betrieblichen Planung,
Berlijn,
1967.

ESB 19-2-1975

179

rijd

tijd

TK=c
0
.-++cQ

(2)

De seriegrootte bij een minimum in de totale kosten wordt verkregen door de totale kosten te differentiëren naar
Q
en
deze gelijk nul te stellen.

(2a)
dQ

Dit geeft een QoV—-_

(2b)

Er moet dan aan de voorwaarde worden voldaan dat voor
de resulterende
Q:

d2TK<0

(2c)

dQ

De veronderstellingen achter dit model zijn de volgende:

• de produkten zijn onmiddellijk na produktie voor afleve-
ring! gebruik beschikbaar;

• de produktiesnelheid is oneindig;

• de kosten van tekorten zijn oneindig;
• een constante en deterministische vraag;

• de planhorizon is oneindig; • onafhankelijkheid van de produkten;
• één produktiefase;
• de tijdstippen van de produktie en de volgorde van de ver-

schillende series blijven buiten beschouwing;
• geen restricties met betrekking tot capaciteit, produktie-

middelen, beschikbare insteluren, in voorraad geïnvesteerd
vermogen, magazijnruimte, enz.;
• stationaire kostenstructuur..

Grafisch kan
Q0
als functie van de vraag per jaar ( D)
als volgt worden weergegeven.

Figuur 6. De seriegrootte als functie van de vraag per jaar

IM-

3.3. Eenvoudig model mei een produktiesnelheid ongelijk
aan oneindig

Laten we nu de veronderstelling van de oneindige produk-
tiesnelheid (= P) vallen, maar handhaven we het onmiddellijk

na produktie voor aflevering/gebruik ter beschikking komen,
dan ontstaat figuur 7.

De gemiddelde voorraad kan worden weergegeven met

(P – D), zodat de jaarlijkse kosten van het voorraadhou-
2P

den zijn:

fcQ(l — )
P

De jaarlijkse omstelkosten zijn evenals bij het vorige model

cD
0

Q

waarbij:

D = vraagsnelheid in eenheden perjaar;
Q = seriegrootte in eenheden;

Figuur 7. Schematische weergave van deproduktiesnelheid,

produktie en voorraadniveau van hei eenvoudige serie-

groottemodel met P
:P’-
oo

produktie
flIhid

Ijd

p,oduktle
per Se,ie

voor ,o Cd

P

produktiesnelheid in eenheden per jaar;
c
0
= kosten van omstellen per omstelling;
C,
= kosten van voorraadhouden per eenheid perjaar.
De totale kosten TK zijn nu:

TK=+±cQ(l_)

(3)

dTK = levert Q=

(3a)

3.4. Seriegroottemodel met restriclies

Bij de bepaling van de seriegrootte kunnen zich beper-
kingen voordoen m.b.t. de magazijnruimte, het geïnvesteerde
vermogen, de voorraden enz. Opnemen van een restrictie

voor het geïnvesteerde vermogen in de voorraden levert het
volgende op. Voor een produkt i krijgen we voor de totale
kosten in navolging van (3):

TK=i2!-i-c,(P.—D.)

(4)
Q

V
2P.

Om aan een beperking op het in voorraad geïnvesteerde
vermogen inhoud te geven, kan worden gedacht aan een bud-

getbeperking op de kosten van het voorraadhouden in de
vorm van vergelijking (5):

c. Q.

(5)

waarbij:

c = het budget van de kosten van voorraadhouderi.

180

We definiëren nu een nieuwe variabele  (de z.g.

Lagrange-multiplier), waarbij:

X=O,als c
.Q.

2

Men zal dan dienen over te gaan op een techniek van mathe-

matisch programmeren 3).

3.6.
Seriegroottebepaling voor meerdere produkten met één

vaste opeenvolgingsrelatie

Vermenigvuldiging van vergelijking (5) met
x
levert altijd 0,

zodat

TK=T +LcL Q.
..—c)
2

De optimale waarde voor
Q
wordt gevonden door de par-

tiële afgeleide van TK naar
Q
gelijk aan 0 te stellen. Dit

levert op:

r

2c..D.P.

Q*=

1

(5a)
°’

c.(P.—D.)
+)..c.(P.—D.)
VI

1

VI

t

Zie voor een grafische weergave figuur 8.

Figuur 8. Seriegroottebepaling met een rest rictie op de

voorraadk ossen

kosten

oorraadhouden
,est,tti

1

r1

•_•_

0
o

Voor restrictie 1 op de voorraden blijft
Q0
de optimale

seriegrootte; voor restrictie 2 wordt
Q0*
de optimale serie-

grootte. Op dezelfde wijze zou een beperking op het aantal insteluren omgerekend naar omstelkosten in de figuur kun-

nen worden weergegeven.

3.5.
Seriegroottebepaling voor meerdere produkten met

meerdere restricties

Gaat men meerdere restricties tegelijk opnemen en onder-
scheidt men meerdere produkten, dan levert de gehanteerde
methode m.b.v. de Lagrange-multiplier moeilijkheden op.

Bij alle voorgaande modellen zijn de tijdstippen van pro-
duktie en de volgorde van de series buiten beschouwing

gebleven. Voor het eenvoudige geval waarbij wordt uitgegaan
van één vaste opeenvolging van de produktie (zie later) en
van één produktiefase wordt de vraagstelling als volgt.
Bepaal de optimale cyclustijd waarbinnen alle produkten
in de vaste volgorde moeten worden gemaakt en bepaal voor

ieder produkt de seriegrootte. Het aantal c.ycli per jaar.kan
dan worden gevonden uit de formule:

N*= •

c. D.(l – D/P.)

(6)

Hierbij is c
0
de totale kosten van omstellen voor alle produk-

ten. Meestal kiest men de opeenvolging tussen de series zo,
dat de totale omstelkosten minimaal zijn 4). De optimale

seriegrootte vindt men dan uit:

(7)

4. Seriegrootte als instrument

De keuze van de grootte van de produktieseries is in de
laatste modellen in par. 3 in verband gebracht met de beschik-

baarheid van de produktiemiddelen en de eigenschappen. In
het laatste geval wordt de opeenvolging van de produkten
een extra keuzegrootheid. Voor het integreren van de onder-
neming zullen meerdere factoren in de beschouwing moeten
worden betrokken. Met de beslissing omtrent de serie-

grootte komt immers een instrument beschikbaar waarmee
de grootte van de voorraden eindprodukten en halffabri-

katen, en het daarmee samenhangende vermogensbeslag in
voorraden, kan worden beïnvloed. In een volgend artikel

zullen wij modellen bespreken die de nadruk leggen op de
samenhang met andere beslissingen en dit toelichten aan de

hand van enig onderzoek. K.
Boskma M. Geersing

C. A.
Th. Takkenberg

Zie bijv. W. L. Maxwell, The scheduling of economic hot sizes,
naval research,
Logistics Quarier/y, vol.
II, 1964,
nrs. 2-3.
Zie bijv. J. W. Gavett, Three heuristic rules for sequencingjobs to
a single production facility,
Managemeni Science, vol. II,
no. 8, juni
1965.

RECTIFICATIE

In
ESB
van 5 februari ji. staan in, het
artikel: ,,De YF 16, maar wat nu?” een
tweetal storende drukfouten. Op blz. 125
is in de 13e regel boven het kopje: ,,Kos-

tenoverschrijdingen en contractvormen”
gedrukt:,, wild competitïve bidding”.
Er had moeten staan: ,,wide competitive
bidding”. Op blz. 126 is in de eerste

regel van de 2e alinea gedrukt: ,,ln
Engeland heeft men wat dat betreft
gunstige ervaringen opgedaan”. Er had
echter moeten staan
.
.. …. …heeft men

wat
dat betreft minder gunstige ervarin-
gen opgedaan.

ESb’
Mededeling

Openbaar bestuur

Op 24 en 25 april 1975 organiseert
de Vereniging voor Bestuurskunde een

congres over: ,,Onderzoek ten behoeve
van het openbaar bestuur”.

Inleiders zijn: Jhr. Drs. P. A. C. Bee-

laerts van Blokland en Dr. H. van Ruller.
in discussiegroepen zullen voorts onder-

zoekervaringen op dit.gebied worden uit-
gedragen door: Prof. Dr. W. Buikhui-

sen, Dr. L. A. Clarenburg, Dr. S. Faber,
Prof. Dr. A. J. .Hendriks, Dr. A-. C. M.
de Kok, Drs. F. van Pijpen en Ir. K.

Zeldenrust.

Deelnemers mogen op het congres

zelf werkstukken ter discussie stellën.

Het congres zal worden afgerond met
een slotbeschouwing door Dr. H. A.
Brasz.

Plaats: Evert Kupersoord, Stichtse
Rotonde II, Amersfoort. Kosten: f. 100
(voor leden en studenten, met over

nachting); f. .85 (voor leden en studen-
ten, zonder overnachting). Voor niet-
leden worden de bedragen met f. 25 ver

hoogd. Inschrijfgeld overmaken op post-

giro nr. 29 79 600 t.n.v. de secretaris-
penningmeester van de Vereniging voor

Bestuurskunde. Aanmelding: Drs. H.
Prins, p/a Oranjestraat 8, ‘s-Graven-

hage, tel.: (070) 6245 51.

ESB 19-2-1975

.181

Fisconomie

Een Franse conjunctuurheffing

MR. A. E. DE MOOR

Medio 1974 is in Frankrijk het idee geopperd een nieuwe belasting in te

voeren, bedoeld als middel om de inflatie te bestrijden. Men was tot de con-

clusie gekomen dat de klassieke middelen in de strijd legen de inflatie niet

meer voldeden, nu prijsmaatregelen geacht werden te globaal te werken en

het monetaire instrument te star zou zijn. Men zocht naar een fiscaal instru-

ment dat selectiever en soepeler zou werken en dacht dit te vinden in een

taxe conjoncturelle”.

Door een commissie-Chavanon – genoemd naar de voorzitter, lid van de

Raad van State – werd gedurende de zomermaanden van 1974 een studie

verricht die leidde tot een ontwerp van een wet dat in het najaar van 1974 aan

het parlement werd aangeboden. Het parlement heeft het ontwerp snel maar

grondig behandeld en op 19 december 1974 aanvaard. De wet is gepubliceerd

in het Franse staatsblad (Journal Officiel) van 2-3 januari 1975. In dit artikel

zal de systematiek van de heffing globaal worden besproken.

Geen belasting

Hoewel de ontwerpers bedoeld hadden

een ,,taxe conjoncturelle” in te voeren is
het uiteindelijk een ,,prélèvement con-
joncturel” geworden. Het verschil

schuilt daarin dat de taxe een gedeelte-

lijk definitieve heffing zou zijn, terwijl
de prélèvement voor het geheel een tij-
delijke heffing is die, nadat bepaalde
voorwaarden zijn vervuld, zal worden

gerestitueerd (dus een soort strafdeposi-

to).
De heffing bedraagt
33V%
van de
,,excédent-marge” (zie hierna). De
heffing is niet aftrekbaar voor de fiscale

winstberekening; de latere restitutie be-
hoeft uiteraard niet aan de winst te
worden toegevoegd.

De basis van de heffing

De heffing is gebaseerd op de veron-

derstelling dat men de inflatie kan
beperken door een boete te leggen op

excessieve vergrotingen van de marge.
Het begrip marge wordt (art. 6 der Wet)
globaal gedefinieerd als het verschil tus-
sen enerzijds de verkopen en anderzijds
de som van de inkopen en de winstdeling
van de werknemers. Voor het begrip
marge wordt ook wel de uitdrukking
toegevoegde waarde gebruikt. In de na-
dere uitwerking blijkt dat de meeste

elementen van de toegevoegde waarde
in de marge zijn begrepen. De marge

omvat namelijk de som van:

• de loonsom met uitzondering van de
winstdeling van de werknemers;

• de afschrijvingen;

• dotaties aan de voorzieningen;

• de fiscaal niet aftrekbare kosten,
alsmede reiskosten en representatie-
kosten;
• de winst.

De maatstaf van de heffing is nu het
verschil in de marge van een bepaald

boekjaar (voor de eerste maal het boek-
jaar
1975
of het boekjaar waarvan een
gedeelte in het kalenderjaar 1975 valt), hierna te noemen het heffingsboekjaar,

en de marge van het z.g. referentie-
boekjaar (doorgaans het voorafgaande
boekjaar, dus als het boekjaar met het
kalenderjaar samenvalt, het boekjaar
1974).

Zowel op de marge van het heffings-
boekjaar als op de marge van het
referentieboekjaar worden echter cor-

recties toegepast, zodat niet over het
totale verschil van de marges wordt ge-
heven, maar slechts over het excessieve

verschil dat hierna ,,excédent-marge” zal
worden genoemd.

Correcties op de marge

Exporicorre clie

De totaal berekende marge wordt
verminderd naar rato van het deel van de

totale omzet dat is geëxporteerd. Men
beziet dus niet welke marge in feite op de
export is gerealiseerd, maar gaat ervan

uit dat de totale marge evenredig kan
worden toegerekend aan binnenlandse

afzet en export.
Men kan van de toepassing van de

exportcorrectie afzien. Dat zal voordelig
zijn als ten opzichte van het referentie-

boekjaar de export in het heffingsboek-
jaar terugloopt of minder sterk toeneemt

dan de totale omzet. Men zou dan eerder

aan een ,,excédent-marge” toekomen.

Anderzijds zal bij een relatieve toene-
ming van de export ten opzichte van de
totale omzet in het heffingsboekjaar

wat minder snel een ,,excédent-marge”
bereikt zijn. De exportcorrectie kan dus
export bevorderend werken.

Correcties op de marge van het
referentie boekjaar

Terwijl de exportcorrectie eventueel

zal worden toegepast zowel op het refe-
rentieboekjaar als op het heffingsboek-

jaar, bestaat er ook een aantal correcties
die uitsluitend worden toegepast op de
marge van het referentieboekjaar en wel,

naar ik begrijp, nadat de correctie wegens

export is geschied. Deze correcties zijn
de volgende.
a. Correctie voor de wijziging van de
ingezette produktiefacioren.
Als in een
onderneming de omvang van de ingezet-

te produktiefactoren kapitaal en arbeid
wordt gewijzigd, zal dit invloed hebben
op de marge. Voor deze wijzigingen

wordt een correctie aangebracht en wel
als volgt. De marge van het referentie-
boekjaar wordt gecorrigeerd voor de

toename of afname van het aantal
gewerkte uren bij vergelijking van het

referentieboekjaar en het heffings-
boekjaar. Op de wijziging in het aan-

tal gewerkte uren wordt eventueel

nog een correctie aangebracht bij wijzi-
ging in de opbouw van het personeels-

bestand (bijv. bij een toegenomen inzet
van hoger geschoold personeel). Even-
eens wordt een correctie aangebracht
voor de wijziging in de inzet van de factor

kapitaal. Dit geschiedt door te verge-
lijken de totale aanschaffingskosten van

het bestand aan voor afschrjving in

182

aanmerking komende kapitaalgoederen
aan het einde van elk der beide boekja-
ren. De wijzigingen in de produktie-

factoren kapitaal en arbeid worden ver-
volgens gewogen om te komen tot een
totaalcorrectie. M.a.w. als het (gecor-
rigeerde) aantal gewerkte uren bijv. met

5%
en het totaalbestand aan voor af-
schrijving in aanmerking komende ka-
pitaalgoederen met 10% is toegenomen,

terwijl de loonkosten tweemaal zo hoog

waren als de afschrijvingen, wordt de
correctie:
(2/3
x
5%)
+ (‘/ x 10%) =
62/
3
% (
ik mis hier nog een verfijning in

de vorm van een correctie voor ver-
schillen in capaciteitsbenutting in de
boekjaren).

Correctie voor de verwachte pro-duktiviteiisstijging.
Elk jaar wordt wet-
telijk vastgesteld van welke verwachte
stijging van de produktiviteit kan wor-
den uitgegaan. De marge van het refe-
rentieboekjaar wordt verhoogd met het

percentage van de verwachte produkti-
viteitsstijging in het boekjaar.

Correctie voor de verwachte prijs-
stijging.
De marge van het referentie-
boekjaar wordt vervolgens verhoogd met

het percentage van de verwachte prijs-
stijging in het heffingsboekjaar (aante-
kening: de correcties onder b. en c. be-
doeld, zijn voor het jaar 1975 vastgesteld

op 4,2% en 9,7%, gecumuleerd dus

14,3%).
Correcties wegens wijziging van
het wettelijk minimumloon,
In Frankrijk
worden de laagste beloningen gebaseerd
op het SMIC (Salaire Minimum Inter

professionel de Croissance). Het is niet
de bedoeling van de conjunctuurheffing
de verhoging van deze laagste salarissen,
die ik maar zal aanduiden als het wette-
lijk minimumloon, te belemmeren.

Daarom mag men tenslotte nog een
correctie aanbrengen door de marge

van het referentieboekjaar te vermeer-
deren met een som die gelijk is aan 5%
van de lonen die lager zijn dan 120% van
het wettelijk minimumloon.

waarin:

S
= de heffing (de letter S staat voorde gees-
telijke vaders van de heffing, de heren
Serisé en Stoléru)
M
2
= de marge van het heffingsboekjaar v6dr
toepassing van de exportcorrectie
M
1
= de marge van het referentieboekjaar
eveneens v6r toepassing van de export-correctie
vt
2

en

Ve
2
= de omzet en de export in het heffings-
boekjaar
vt
J

en
Ve
1
= de omzet en de export in het referentie-
boekjaar
T = het percentage van de correctie voor stij-
ging van prijzen en produktiviteit (bij
een heffingsboekjaar
1975
en het refe-
rentieboekjaar
1974
is dit percentage
14,3)
H
2
= het aantal gewerkte uren gedurende het
heffingsboekjaar, indien de personeels-opbouw ongewijzigd is gelaten
H
1
= het aantal gewerkte uren in het referen-tie boekjaar
1
3
= de aanschaffingskosten van de voor af-
schrijving in aanmerking komende
kapitaalgoederen aan het einde van het
heffingsboekjaar
1
1
= de aanschaffingskosten van de voor af-
schrijving in aanmerking komende ka-
pitaalgoederen aan het einde van het
refere ntieboekjaar
A = de afschrijvingen
P = de loonkosten
P = de loonkosten van personeelsleden die
minder dan 120% van het
SMIC
ver-
dienen

Bij het vorenstaande moet ik wel de

aantekening maken dat de formule en de gegeven correcties een simpel beeld van
de heffing geven. Er zijn namelijk nog

Deze rubriek wordt verzorgd door het Fiscaal-Economisch Instituut van de
Erasmus Universiteit Rotterdam

correcties mogelijk voor wijziging in de

voorziening voor koersfluctuaties, voor
invoering van nieuwe sociale of parafis-
cale heffingen in het heffingsboekjaar,

voor verliezen op debiteuren (behalve
bij exporttransacties) en tenslotte voor
verliezen die men in het referentieboek-jaar heeft geleden.

Wie betaalt de
heffing?

Men is de heffing verschuldigd als de
marge van het heffingsboekjaar de

marge van het referentieboekjaar over-
schrijdt, nadat op de marge van beide

boekjaren de exportcorrectie en op de
marge van het referentieboekjaar de
diverse andere correcties, hiervoor ge-

Ç’
i’A+P 5%pJ

1

correcties:
gewerkte

investe- wettelijk
uren

ringen

minimumloon (SMIC)

noemd, zijn toegepast. De heffing is ech-
ter alleen verschuldigd als de onderne-

ming een bepaalde omvang heeft.
Produktie- en handetsondernemingen en nog enkele andere categorieën vallen
in de heffing, indien de jaarlijkse omzet
(excl. belasting) meer is dan Fr. 10 mln.
indien de ondernemingen meer dan 150

werknemers hebben, of Fr. 30 mln. onge-

acht het aantal werknemers. Bij de
overige ondernemingen (hoofdzakelijk

dienstverlenende bedrijven) ligt de grens
bij Fr. 3 mln., indien de onderneming

meer dan 150 werknemers heeft, of
Fr. 8 mln, ongeacht het aantal werk-
nemers.

Ondernemingen met een aandelenka-
pitaal voor meer dan de helft aangehou-

den door een moederonderneming, die

aan de heffing is onderworpen, zijn zelf
ook de heffing verschuldigd. Op deze
hoofdregel bestaan uitzonderingen waar-

op ik niet nader zal ingaan.
Op basis van bovenstaande criteria

zijn bijna 15.000 Franse ondernemingen
potentieel heffingsplichtig. Of zij in
feite ook de heffing zullen moeten beta-
len, hangt af van de vraag of zij een
,,excédent-marge” hebben, maar o.a.
ook – zoals wij hierna zullen zien – van
de algemene prijsontwikkeling.
De reden dat de heffing slechts op de

15.000 grootste ondernemingen wordt
gelegd, is dat deze ondernemingen meer
dan de helft van het BNP voortbrengen,
dat deze ondernemingen goede boek-
houdingen hebben waardoor zij de

ontwikkeling van hun marge voldoende

kunnen volgen en dat de belasting-
administratie bij een uitbreiding van het
aantal heffingsplichtigen niet meer vol-

doende controlepersoneel zou hebben.

Wijze van
heffing

De ,,excédent-marge” kan pas defini-
tief worden berekend aan het einde van het heffingsboekjaar. Omdat het instru-
ment snel moet werken, wordt de heffing

echter bij wijze van voorschot geïnd aan
het einde van elk kwartaal. De betaling

moet geschieden binnen een maand na
afloop van het kwartaal.

Het voorschot moet door de onderne-ming worden bepaald hetzij via analyse

van de gegevens over het kwartaal, hetzij
door uit te gaan van de ,,excédent-
marge” in het reeds verstreken boekjaar.
In dit laatste geval zal men zich in 1975

moeten baseren op de vergelijking
1973/74, waarbij als gecumuleerde cor-

rectie voor de produktiviteits- en prijs-stijging toe te passen op het referentie-
boekjaar 1973,
16%
dient te worden
genomen.

De methode die men voor het eerste
kwartaal kiest, dient men voor het
gehele boekjaar aan te houden. Over de

aldus geschatte ,,excédent-marge” moet
de heffing worden betaald en wel aldus
dat voor het eerste kwartaal
10%,
voor
het tweede kwartaal
15%,
voor het derde
kwartaal 25% en voor het vierde kwar-

taal 30% van het totaal geschatte hef-
fingsbedrag moeten worden betaald. Een
maand na het einde van het boekjaar is
dus reeds 80% van de heffing gestort. Als
de onderneming haar verplichtingen te

laag schat, wordt bij de definitieve hef-
fing een verhoging van 15% voor de niet

Het voorgaande kan worden vastge-
legd in een formule die volgens
Le Figaro
van 29 december 1974 als volgt luidt:

S=
-IM
(l.

Ve

-i)_M
(l—
Ve
J) (1+T
)
L
2

Vt
2

Vt
1

exportcorrecties

ESB 19-2-1975

183

of niet tijdig betaalde bedragen ver-

schuldigd.
Binnen vier maanden na het einde van
het heffingsjaar moet de onderneming

een definitieve aangifte doen en het nog
niet betaalde bedrag betalen. Als de voor-
schotten het verschuldigde bedrag over-
schrijden, wordt het verschil onmiddel-
lijk terugbetaald. Alle stortingen worden

gedaan op een speciale rekening van de

Banque de France.
De invordering van de heffing ge-

schiedt, behoudens de uitzonderingen die in de wet zijn gemaakt, volgens de rege-

len die gelden voor de invordering van
de omzetbelasting terwijl ook de sancties

zijn ontleend aan de omzetbelasting-

bepalingen.

Het achterwege blijven van de heffing
Ook al is er sprake van een ,,excédent-
marge”, dan betekent dit niet dat men de
heffing in feite moet betalen. Er be-
staan nog de volgende mogelijkheden.

De bevoegdheid tot inning moet elk
jaar door het parlement worden ver-

leend. Het parlement zou deze be-
voegdheid kunnen weigeren, bijv.

indien samengaand met een hoge infia-
tiegraad de economische activiteiten

te sterk afnemen.
De heffing wordt afgeschaft wanneer
de maandelijkse stijging van de index
van de kleinhandelsprijzen van be-

paalde goederen gedurende drie

achtereenvolgende maanden 1 ‘A%
niet heeft overschreden. De afschaf-
fing geschiedt bij ministerieel besluit
en heeft werking vanaf de eerste dag

van de vierde maand.

De regering kan de verplichting tot het
storten van voorschotten opschorten,
indien conjuncturele omstandigheden
of de financieringspositie van het
bedrijfsleven zulks wenselijk maken.

De restitutie

Als de bevoegdheid tot het continue-
ren van de heffing door het parlement
wordt geweigerd of als de heffing wordt
afgeschaft omdat gedurende drie ach-

tereenvolgende maanden de prijsindex

met niet meer dan
1/2%
is gestegen, wor-

den de reeds gedane betalingen aan de
onderneming gerestitueerd. De geresti-
tueerde bedragen moeten binnen twee
jaar worden aangewend voor het doen
van investeringen. Het is mij niet duide-
delijk wat de sanctie is, indien de onder-
nemingen niet aan deze voorwaarde vol-

doen.

De heffingscommissie

Als een onderneming ook na alle cor-
recties een ,,excédent-marge” heeft en als
de heffing niet buiten werking is gesteld,
bestaat nog ue mogelijkheid ontheffing

van de heffing te vragen. In de artikelen

12 en 13 van de wet is namelijk de instel-

ling van een heffingscommissie, die als
beroepsinstantie fungeert, voorzien.

De commissie staat onder voorzitter-

schap van een rechterlijke ofadministra-
tieve magistraat, terwijl de leden afkom-
stig zijn uit de rechterlijke macht, uit

ambtelijke kringen en uit kringen van het
bedrijfsleven.
De taak van de commissie bestaat uit
het voorkomen van onbillijkheden die zouden voortvloeien uit de toepassing

van de wet. Het ,,freies Ermessen” van de commissie lijkt groot. Men kan vra-

gen om gehele of gedeeltelijke ontheffing
van de heffing, indien men meent te kun-

nen aantonen dat de ,,excédent-marge”

het gevolg is van bijzondere omstandig-

heden en niet van infiatiebevorderende handelingen van de onderneming. Ver-
der kan men vragen om uitstel van beta-
ling.

Onder ,,bijzondere omstandigheden”

kan men vele za ken rangschikken. In de
parlementaire behandeling is genoemd

het voorbeeld dat een vergroting van de

marge ontstaat, doordat de produktivi-
teitsstijging in een bepaalde sector of
onderneming de genormeerde produkti-
viteitsstijging overschrijdt. Verder valt
te denken aan vergrotingen van de marge.
die zijn ontstaan doordat de onderne-
ming overgaat op nieuwe produkten of

produktiewijzen. Of men kan aantonen
dat in het referentieboekjaar grote inves-

teringen zijn gedaan die in dat boekjaar
nog niet volledig in bedrijf waren, maar
in het heffingsboekjaar wel. Aan bekwa-
me adviseurs worden hier vele mogelijk-

heden geboden. Op de beslissingen van
de heffingscommissie staat beroep in

cassatie open bij de Raad van State.

Conclusie

Vergelijkt men het rapport van de
commissie-Chavanon en het ontwerp

van wet met de uiteindelijke wetstekst,
dan blijkt dat vele bezwaren van het

bedrijfsleven zijn weggenomen. Enkele
belangrijke verschillen som ik op.

De heffing is uiteindelijk een straf-
deposito geworden in plaats van een
definitieve heffing.
Het tarief van de heffing is
33’/%
ge-
worden, terwijl de commissie-Chava-
non een progressief tarief, oplopende
tot 75%, voorstelde.
De mogelijkheden tot het aanbrengen
van correcties op de marge zijn toege-

nome n.
Elk jaar moet het parlement haar toe-
stemming geven tot verlenging van de
wet, dit in afwijking van het oor-
spronkelijke voorstel.
De heffing wordt afgeschaft, indien
de prijsstijging gedurende drie ach-
tereenvolgende maanden de 1 ½% niet
overschrijdt. Het ontwerp noemde een percentage van 0,5.
Er zijn ruimere beroepsmogelijkheden
geschapen.

Al deze wijzigingen (en nog vele ande-
re) zijn er de oorzaak van dat het Franse

bedrijfsleven, dat aanvankelijk hevig

protesteerde, niet veel bezwaren tegen de

nieuwe wet schijnt te hebben. Ik neem
aan dat men verwacht dat het in de prak-

tijk met de heffing wel zal meevallen,
bijv. omdat de relevante prijsindex wel

minder dan 1 % per maand zal stijgen
(de prijsstijging vertoonde in de loop van

1974 reeds een afnemende tendens). Als
deze veronderstelling juist is, kan de

Franse regering erop wijzen dat zij met
deze nieuwe wet de hyperinfiatie heeft

bedwongen, zonder dat het bedrijfsleven
veel pijn van de nieuwe heffing heeft
ondervonden. Ik merk overigens op dat
het idee van de Franse wet niet geheel

oorspronkelijk is, de heffing wil in hoofd-

zaak de stijging van de lonen en/of
de winsten afremmen. Deze gedachten-

gang is in eenvoudiger vorm reeds te

vinden in het idee van de ,,excess-wage-
profittax”, geponeerd door H. C. Wal-
lich in de
New York Times
van 16 decem-
ber 1970 en S. Weintraub in
Lloyds
Bank Reviet’
van januari 1971.
Uit het vorenstaande blijkt dat ik

enig sceptisme heb met betrekking tot de
mogelijkheid dat de wet op ruime schaal
zal worden toegepast. Maar de systema-

tiek van de wet kan ook worden gevolgd
met wijziging van allerlei criteria, bijv.
door de toegestane margevergroting
lager te stellen, door hogere eisen te
stellen aan de afremming van de prijs-

stijging en door de heffing niet terug-
vorderbaar te maken. De vraag rijst dan
of deze wet een goed instrument zou zijn

om de inflatie af te remmen zonder de
werkgelegenheid te schaden.
De wet zou in een strengere vorm tot
gevolg kunnen hebben dat vestiging van

bedrijven in Frankrijk een onaantrekke-
lijke zaak zou worden en dat getracht

wordt de ,,excédent-marge” naar het
buitenland te verschuiven.
De systematiek van de wet is niet

neutraal omdat de heffing alleen wordt
toegepast bij grotere ondernemingen en omdat bedrijven die hoofdzakelijk voor
de export werken er minder last van
hebben dan bedrijven die op de binnen-
landse markt zijn gericht.

Een onjuiste situatie lijkt mij tenslotte
dat een sterkere groei van de produktivi-
teit dan de genormeerde groei, op straffe
van heffing (behoudens dispensatie van

de heffingscommissie), niet aan de onder-
neming of aan de werknemers ten

goede mag komen, maar via de prijzen
moet worden doorgegeven aan de consu-

menten, terwijl daarentegen de onder-
neming die geen of een geringe produk-
tiviteitsstijging realiseert, het percentage,

dat is gehanteerd voor de genormeerde
groei, kan bezigen voor winstvergroting
of loonsverhoging.

A. E. de Moor

184

ESb
In gezonden

Ingezonden

In
ESB
van 8 en 15 januari 1975 on-
derneemt F. J. Clavaux een poging om
enkele werkloosheidscomponenten na-
der te kwantificeren. Hij maakt daarbij
onderscheid tussen structuurwerkloos-
held, conjuncturele werkloosheid, sel-

zoenwerkloosheid en ,,ijzeren” werk-

loosheid. Centraal staat in zijn artikel de
kwantificering van de structuurwerk-

loosheid en van de seizoenwerkloosheid.
De ,,ijzeren” werkloosheid is bij hem een
gegeven, ni. 0,8% van de afhankelijke be-
roepsbevolking. De omvang van de con-

juncturele werkloosheid wordt dan ten-
slotte als restpost bepaald.
Berekeningen omtrent de grootte van
de werkloosheidscomponenten in ons

land dragen – gezien de aard van het
beschikbare cijfermateriaal – hoofd-zakelijk een globaal karakter. In het

hierbedoelde artikel wordt dit ook te-
recht beklemtoond. De verkregen uit-
komsten dienen desondanks wél enige
realiteitswaarde te bezitten. Dit impli-
ceert o.a. dat de veronderstellingen, welke impliciet of expliciet zijn ge-

maakt, plausibel moeten zijn. Dit is in het onderhavige artikel niet steeds het
geval.

Zo becijfert Clavaux de omvang van
de structurele werkloosheid aan de
hand van de geregistreerde openstaande
aanvragen van werkgevers en de geregi-
streerde arbeidsreserve. Als zodanig is
deze benadering niet nieuw. Ook Nent-

jes deed dit bijvoorbeeld enkele jaren
geleden 1). Hij vergeleek toen de ni-
veaus van beide cijferreeksen met el-
kaar en leidde hieruit onder meer de

omvang van de kwalitatieve discre-
pantie tussen vraag en aanbod af. Een

groot bezwaar van deze werkwijze is
dat het aantal vacatures in ons land niet
exact bekend is. Slechts een zeer gering
deel hiervan wordt door de Geweste-

lijke Arbeidsbureaus geregistreerd. Po-

gingen om langs deze weg de omvang

van de kwalitatieve discrepanties tussen
vraag en aanbod van arbeid te bepalen

zijn daardoor reeds bijvoorbaat tot mis-
lukking gedoemd.
Clavaux tracht dit bezwaar kennelijk

te omzeilen door de omvang van de

B. L. DE GROOT*

structurele werkloosheid te benaderen

via de verhouding tussen geregistreerde
arbeidsreserve en openstaande aan-

vragen in een bepaalde basisperiode.

Hij kiest hiervoor de jaren 1950-1964.

Met de gevonden relatie berekent hij
het hypothetische niveau van de
arbeidsreserve voor de jaren na 1964.
Dat is het werkloosheidsniveau dat
aanwezig zou zijn, wanneer voor die ja-
ren tussen arbeidsreserve en open-

staande aanvragen nog eenzelfde relatie
zou bestaan als voorheen. Uit het ver-
schil met de feitelijke arbeidsreserve in

die jaren leidt de schrijver de grootte
van de structurele component af.
Bij deze werkwijze wordt aan het be-

grip structurele werkloosheid echter een
wel zeer beperkte inhoud toegekend.
Als regel verstaat men onder structurele
werkloosheid (in enge zin) immers niet
alleen de werkloosheid uit hoofde van

de kwalitatieve discrepanties tussen
vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, doch ook de werkloosheid welke een

gevolg is van een structureel tekort aan
arbeidsplaatsen. Deze laatste vorm kan

men met de hier gehanteerde methodiek
echter niet kwantificeren. Zeker niet
wanneer het tekort aan arbeidsplaatsen
gepaard gaat met een dienovereen-
komstige daling van de vraag naar ar-

beid. De relatie tussen arbeidsreserve en
openstaande aanvragen zal dan, on-

danks de toeneming van de structurele
werkloosheid, niet veranderen. Dat dit
juist in de laatste jaren in bijzondere
mate speelt, wordt aannemelijk ge-
maakt door recente onderzoekingen
omtrent de samenhang tussen de ont-

wikkeling van de werkgelegenheid en de
reële loonkosten 2).

De hier gesignaleerde mogelijke on-
derschatting van de feitelijke structurele
werkloosheid kan ook consequenties

hebben voor de grootte van de
conjunctuurcomponent. Deze wordt
immers als restpost bepaald. De werk-

loosheid welke verband houdt met het

structurele tekort aan arbeidsplaatsen
wordt door Clavaux ten onrechte als

conjuncturele werkloosheid beschouwd.
Er zijn mi. ook nog andere bezwaren
tegen de hier vermelde berekeningen

van de structurele werkloosheid aan te

voeren. Bijvoorbeeld de keuze van de

periode waarop de relatie tussen

arbeidsreserve en openstaande aanvra-
gen is gebaseerd. Voor het gebruik dat
van deze relatie wordt gemaakt, mag

men toch eisen, dat een periode wordt

gehanteerd waarin de relatie tussen
beide gegevens niet wordt verstoord

door een aanwezigheid van structurele

werkloosheid. Schrijver baseert zich
echter op de jaren 1950-1964. Zeker in

de eerste helft van de jaren vijftig was er echter sprake van een Vrij omvang-
rijke structurele werkloosheid 3).

Een ander bezwaar is dat aan wijzi-

gingen in de relatie tussen arbeids-

reserve en openstaande aanvragen ook
andere factoren ten grondslag kunnen

liggen dan uitsluitend kwalitatieve
discrepanties tussen vraag en aanbod

op de arbeidsmarkt. Een eenvoudige
verklaring hiervoor zou immers kunnen

zijn, dat de aanbieders van arbeid bij
het aanvaarden van een nieuwe werk-
kring thans selectiever te werk gaan dan

in het verleden en dat de arbeids-
bemiddelaars het criterium passende ar-

beid stringenter hanteren dan Vroeger.
Dat met die mogelijkheid ernstig reke-

ning moet worden gehouden, blijkt wel
uit het feit, dat de inschrijvingsduur –

of zo men wil de werkloosheidsduur –
sinds 1966 langer is dan voorheen bij

overeenkomstige arbeidsmarktsituaties
het geval was 4). Dit verschijnsel zou

men dan moeten aanduiden als een toe-
neming van de frictiewerkloosheid en
niet als een stijging van de structuur-
werkloosheid in enge zin.

Een zeer duidelijke oorzaak van de gewijzigde verhouding tussen de om-

vang van de geregistreerde arbeids-
reserve en die van de geregistreerde

openstaande aanvragen is gelegen in
registratiewijzigingen. Onder invloed

van de opheffing van de loongrens

(1965) – hierdoor was voortaan iedere

werknemer verzekerd tegen het

werkloosheidsrisico – en de zeer sterke
optrekking van de premie-inkomens-

grens (1967) is het aantal geregistreerde werklozen ongetwijfeld toegenomen ten

koste van wat gewoonlijk als onzicht-
bare arbeidsreserve wordt betiteld. De

invoering van de algemene bijstandswet (1965) heeft deze tendens eveneens ver

sterkt, omdat schoolverlaters en ex-

* De schrijver is hoofd van de Afdeling ar

beid, lonen en prijzen van het Centraal Plan-bureau te ‘s-Gravenhage.
A. Nentjes, De verschillende vormen van
werkloosheid in Nederland,
ESB, 8
en 16
augustus
1972.
Zie: H. den Hartog en H. S. Tjan,
Inves-
teringen, lonen, prijzen en arbeidsplaatsen,
Occasional Papers, Centraal Planbureau,
Den Haag, no. 211974.
Vergelijk: Th. van de Klundert. Structu-
rele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt,
Maandschrfl Economie,
no.
2,
november
1974.
Zie:
Macro Economische Verkenning
1974, blz.
59.

Kwantificering van
werkloosheidscomponenten

ESB 19-2-1975

185

dienstplichtigen sedert dat jaar voor een
uitkering ingevolge deze wet in aanmer-
king komen, doch uitsluitend indien zij

zich als werkzoekend bij een gewestelijk
arbeidsbureau hebben laten registreren.

Uit het voorgaande blijkt dat er nog
al wat bezwaren kleven aan de wijze

waarop door de auteur de omvang van

de structurele werkloosheid wordt bere-

kend. Ook de becijfering van de con-

juncturele component is m.i. echter wei-
nig gelukkig te noemen. Zoals reeds is

opgemerkt, hangt dit ten dele samen

met het feit dat een onjuiste benadering

van de omvang van de structurele werk-

loosheid automatisch zijn weerslag
vindt in het berekende aantal

conjunctuurwerklozen. Een andere
grootheid waarmee – ter bepaling van

de conjuncturele component – de to-
tale werkloosheid wordt verminderd, is

de ,,ijzeren” werkloosheid. Dit is alleen

aanvaardbaar, indien men mag ver-

onderstellen dat dit een werkloosheids-

niveau is waarin geen conjunctu-
rele en structurele componenteri voor-
komen. Als benadering voor de ,,ijze-
ren” werkloosheid is evenwel het laag-

ste niveau van na de oorlog genomen.
Dit niveau kwam voor in het begin van

de jaren zestig, toen er op de arbeids-
markt een extreme spanning aanwezig
was. In de aldus gedefinieerde ,,ijzeren”

werkloosheid is dan ook een Vrij om-

vangrijke negatieve conjunctuurwerk-

loosheid begrepen.
Tenslotte nog een opmerking over de
omvang van de seizoenwerkloosheid.

Schrijver geeft hiervan geen expliciete
kwantificering. Het aantal seizoenwerk-
lozen is impliciet begrepen in zijn ,,ijze-
ren” werkloosheid. Weliswaar heeft het
tweede deel van zijn artikel betrekking
op het bepalen van de seizoencorrecties,
doch daarmee is nog niet de seizoenwerk-
loosheid vastgesteld. Seizoencorrecties
op de werkloosheidscijfers en het aantal
seïzoenwerklozen zijn namelijk geen

identieke zaken.

B. L. de Groot

Naschrift

Voor de uitvoerige reactie van de
heer B. L. de Groot op mijn artikelen in

ESB
van 8 en 15 januari wil ik graag

mijn dank betuigen. Hierdoor ben ik
ook in de gelegenheid om op een aantal
punten terug te komen, ten aanzien
waarvan mij i’s gebleken dat ook bij an-

dere geïnteresseerde lezers vragen zijn

gerezen 1).

Algemene opmerkingen

V66r ik op de afzonderlijke, door De

Groot aangeroerde kwesties, nader
inga, wil ik eerst een tweetal opmerkin-
gen van meer algemene aard maken.

De Groot merkt op, dat in mijn ar-

tikel, naast de kwantificering van de

structurele werkloosheid, die van de
sei-

zoen werkloosheid cent raal
staat (zie

eerste alinea). Hier is kennelijk van een

nogal

fundamenteel

misverstand

sprake. Het gaat mij namelijk om de

onderscheiding in de geregistreerde

werkloosheid tussen
conjunctuur-
en

structuurwerklozen.

De

gevonden

structurele werkloosheid speelt wel een

belangrijke rol bij de berekening van de

seizoencorrecties op de maandelijkse

werkloosheidscijfers, waarop in het
tweede artikel is ingegaan. Wellicht ten
overvloede zij erop gewezen, dat de re-

latie tussen de openstaande aanvragen

van werkgevers en de werkloosheid in

de periode 1950-1964 is onderzocht op

basis van seizoenvrje cijfers. De con-
statering in de slotalinea van De Groots
kritiek, dat ik geen expliciete kwantifi-
cering van de omvang van de seizoen-

werkloosheid geef en dat het aantal
seizoenwerklozen bij mij impliciet zou
zijn begrepen in mijn ijzeren werkloos-
heid, volgen kennelijk uit het bedoelde
misverstand. Blijkbaar gaat De Groot
uit van een andere, minder gebruike-
lijke, definitie van het begrip seizoen-
werkloosheid. In mijn opvatting is deze

in de jaarcijfers per definitie gelijk aan 0.

Mijn opponent merkt op, dat bere-
keningen omtrent de grootte van de

werkloosheidscomponenten slechts een

globaal karakter kunnen hebben en
voegt daaraan terecht toe dat de verkre-

gen
uitkomsten
desondanks wel enige

realiteitswaarde
dienen te bezitten, het-

geen volgens hem impliceert dat de
veronderstellingen plausibel moeten

zijn. Wat zijn eerste opmerking betreft,

zou ik nog eens op de volgende punten
willen wijzen:
de afwijkingen in de regressieverge-
lijkingen van de seizoenfiuctuaties
per maand, die na 1964 steeds groter

werden, zijn grotendeels verdwenen

na correctie van de maandelijkse cij-
fers voor de berekende structurele

werkloosheid;
een alleszins plausibel verloop van de

gevonden reeks voor de structurele
werkloosheid: lichte geleidelijke groei
van 1966 tot 1972, plotselinge sterke

stijging sedert eind 1973 (oliecrisis);
idem, ten aanzien van de ontwikke-

ling van de conjuncturele werkloos-
heid: tijdens de top van de hausse in
1970 was deze vrijwel exact nul; se-dert medio 1974 stijging ingetreden;
overigens zeer gelijkmatige ont-

wikkeling per maand;
de – hoe globaal in eerste instantie

ook berekende – uitkomsten van de
onderscheiding in de werkloosheid
per sector c.q. categorie naar struc-
tuur- of conjunctuurwerkloosheid,

zijn alleszins realistisch;
de correlaiiecoëfficiënten van de rela-
ties in de maanden april en november

tussen openstaande aanvragen van
werkgevers en werkloosheid zijn uit-

gesproken hoog en de standaard-

afwijkingen van de betrokken

regressiecoëfficiënten uitgesproken
laag; de gedaante van beide verge-lijkingen voor genoemde maanden

was vrijwel identiek.

Ten aanzien van De Groots twijfel

aan de plausibiliteit van mijn veronder

stellingen, zou ik in het algemeen wil-

len opmerken, dat mijn benadering in

principe dezelfde is als die van het
CPB. Onderzocht wordt namelijk de

omvang van de conjuncturele afwij kin-

gen van de toppen van de hoog-

conjunctuur. Het CPB baseert zich
daarbij op de industriële produktie,

mijn methode hanteert als maatstaf de

openstaande aanvragen naar werk-

krachten.
De praktische bruikbaarheid van elk
van deze methodes zal uiteindelijk de

doorslag moeten geven. Op basis hier-

van en na kennis te hebben genomen

van de opmerkingen van De Groot (zie

ook ,,Afzonderljke kritiekpunten”),
ben ik ervan overtuigd dat mijn bij-
drage in deze de toets der kritiek kan

weerstaan, waar nog bijkomt, dat mijn
benadering tevens inzicht verschaft in

de ontwikkeling op korte termijn. Deze

laatste omstandigheid vormde oven-

gens de voornaamste overweging voor
mij om tot publikatie van mijn bevin-
dingen over te gaan.

Afzonderlijke kritiekpunten

Wat betreft de meer specifieke kritiek

van De Groot het volgende.
a. De Groot signaleert terecht een

mogelijke onderschatting door mij van
de grootte van de structurele werkloos-
heid, in verband met het hanteren van een engere definitie van dit begrip. Ik
heb hierop zelf ook gewezen in mijn
eerste artikel. Het optreden van structu-

rele werkloosheid als gevolg van een structureel tekort aan arbeidsplaatsen
in het begin van de jaren vijftig valt niet

te ontkennen (zij het dat de omvang
hiervan m.i. sterk wordt overschat door
als beginjaar 1950 te nemen; de werk-
loosheid in 1948 lag namelijk weinig
hoger dan bijv. in 1956; de sterke stij-

ging in de jaren 1950/1952 hangt voor
een belangrijk deel samen met de grote

effecten van de Korea-crisis en de daar-
mede gepaard gaande sterke ruilvoet-
verslechtering voor de industrielanden).
Ik acht het echter weinig waarschijnlijk

dat deze vorm van werkloosheid de
laatste jaren een belangrijke omvang

1) Bij de publikatie van mijn twee artikelen
heb ik verzuimd te vermelden dat ik veel
dank verschuldigd ben aan Drs. G. van
Drecht, die een groot deel van het omvang-
rijke rekenwerk heeft verzorgd

en verder ook
een waardevolle steun voor mij is geweest bij
het uitwerken van de gepresenteerde metho-
die ken.

186

zou hebben aangenomen; voor zover

dit verschijnsel zal zijn opgetreden, is

overigens het effect hiervan op de
werkloosheidscijfers afgezwakt door de

sterke uitbreiding van de WAO e.d.
Het lijkt mij zeker goed mogelijk,

zoals De Groot stelt, dat de frietje-
werkloosheid door verschillende oorza-

ken is opgelopen; men kan erover twis-
ten of meer een dergelijk verschijnsel

als een hogere frictiewerkloosheid dient
te beschouwen dan wel dat hier sprake
is van een structurele verandering,

die derhalve onder de structuurwerk-
loosheid dient te worden onderge-
bracht. Hoe dit ook zij, op de bere-

kende omvang van de conjuncturele
werkloosheid heeft een dergelijk ver-
schil in interpretatie geen invloed (zie

ook c.). Hetzelfde geldt voor de door
De Groot gesignaleerde ,,structurele”

uitbreiding van de registratie van werk-
lozen in het midden van de jaren zestig.

Het is niet zo, dat in mijn methode

de conjuncturele werkloosheid de sluit-
post vormt, hoewel ik moet toegeven

dat de opbouw van mijn betoog aanlei-
ding tot dit misverstand kan hebben ge-

geven. Deze vorm van werkloosheid (in
eerste instantie mcl. een uit het model

volgende constante component aan
frictiewerkloosheid; deze laatste wordt

dus niet beïnvloed door eventuele feite-
lijke veranderingen in de frietje-

werkloosheid) wordt rechtstreeks afge-
leid uit het verloop van de openstaande
aanvragen van werkgevers. De niet-
conjuncturele werkloosheid vormt der-

halve de sluitpost.

De Groot meent dat in de jaren
zestig in mijn ijzeren werkloosheid een
vrij omvangrijke negatieve werkloos-
heid is begrepen. Dit is niet het geval.
Ik ga er namelijk – evenals het CPB –
vanuit dat de conjuncturele werkloos-

heid wordt bepaald door de afwijkingen
die optreden, vergeleken bij de situatie
tijdens de top van de conjunctuur; er
kan dus slechts sprake zijn van margi-

nale negatieve uitkomsten hiervoor.
Ook het CPB vindt in de jaren zestig –

zoals uit de grafiek in
MEV 1975
valt af
te lezen – geen enkel jaar met een ne-

gatieve conjuncturele werkloosheid.
Het valt overigens op dat volgens deze
grafiek dit in één enkel jaar wel in

belangrijke mate het gevat is, namelijk
in het jaar 1970. De conjuncturele werk-
loosheid in dat jaar kan worden geschat op -15.000 â -20.000. Volgens de CPB-
benadering zou hier dus sprake zijn van
een jaar met een extreme hoogconjunc-
tuur. Volgens diverse conjunctuurindica-

toren, zoals de door mij gebezigde reeks
van openstaande aanvragen naar werk-
krachten, doch ook volgens de diverse
uitkomsten van de conjunctuurtests van het CBS, was de conjunctuur in dat jaar
echter minder uitbundig dan in de eerste
helft van de jaren zestig.

Ter illustratie van hetgeen onder c.
en d. is te berde gebracht, zijn in onder-

staande tabel enige resultaten van mijn
becijferingen gegeven:

Mannelijke werkloosheid x 1.000 in au-

gustus
964
1967
1970
1974

Totaal (ongecorrigeerd)
9
63
34
102
+
4
+13
+
3
+

II

Trend van de werkloosheid.
23
76
37
113

Seizoencorrectie

………..

waarvan:
l
45
1
32
conjunctureel

………..
2
23
23
24
ijzeren

……………..
structureel

…………..
0
8
13
57

Methode CPB

Tenslotte zou ik een enkele opmer-
king willen maken over de door het

CPB gevolgde methode ter berekening
van de conjuncturele werkloosheid en de daarbij gevonden resultaten. De als
conjunctuurindicator gebezigde reeks
van de industriële produktie is naar

mijn mening in dit verband te globaal,

aangezien het gaat om de situatie op de
gehele arbeidsmarkt. Men dient zich
namelijk te realiseren, dat de werkgele-genheid in de industrie slechts 30% uit-

maakt van de totale werkgelegenheid.

De verminderde activiteit gedurende de
laatste jaren in de zeer arbeidsintensieve

bouwsector valt dus buiten de analyse.
Ook het achterblijven van de produk-
tie in de arbeidsintensieve diensten-
sectoren vergeleken bij uitgesproken

kapitaalintensieve groeisectoren als che-
mie en aardgas leidt in de onderhavige

analyse tot vertekeningen, waardoor
mi. de conjuncturele ,,gap” recentelijk
belangrijk onderschat is. Een globale,
tentatieve berekening mijnerzijds op ba-

sis van de totale produktie van bedrij-
ven geeft aan dat het hier om een ver-
schil van enkele tienduizenden conjunc-
turele werklozen kan gaan. De minder
plausibele uitkomsten t.a.v. de conjunc-

turele werkloosheid in 1970 (zie onder
d.) vindt hierin mogelijk ook zijn ver-
klaring.

Trendontwikkeling

Ik zou van deze gelegenheid gebruik
willen maken om in herinnering te
brengen, dat door mij in mijn tweede
artikel de verwachting is uitgesproken,
dat de officiële voor seizoen gecorri-

geerde cijfers tav. de mannelijke werk-
loosheid in januari 1975 lager zouden
liggen dan in november 1974, dit tegen

het algemene conjunctuurverloop in.
Deze voorspelling is inmiddels uit-

gekomen. Dit impliceert in mijn
veronderstelling dan tevens, dat in de

komende maanden met name tot april
een sterke stijging in deze reeks zal

gaan optreden. Tenslotte zij opgemerkt,
dat mijn cijfers over de laatste twee
maanden een stijging van de conjunctu-

rele werkloosheid aangeven van ca.

10.000 en een besch3iden groei van de

structurele werkloosheid.
F.
J. Clavaux

Mr. A.
Plate: Niet
volgestorte aande-
len. Vennootschaps- en rechtspersonen-
recht, Kluwer, Deventer, 1974, 172 blz.
Het boek behandelt de belangrijkste

vraagstukken rondom niet volgestorte aandelen naar Nederlands recht. Hier-

bij worden ook de economische aspec-
ten van het hanteren van niet vol-

gestorte aandelen betrokken. Verder
wordt er een onderscheid gemaakt tus-
sen de financieringsfunctie, de garantie-

functie en de zeggenschapsfunctie, en
wordt er kritiek geleverd op een aantal
voorstellen van de Europese Commis-
sie, gedaan in het ontwerp Tweede EEG-

richtlijn tot harmonisatie van het
vennootschapsrecht.

Het Kromme-Rijnlandschap, een ekolo-
gische visie.
Verslag van het Kromme-Rijnproject 1970-1974. Reeks ,,Natuur

en Milieu”, nr. 4, KRP-rapport nr. 30,
Uitgave Stichting Natuur en Milieu,
Amsterdam, 1974, 104 blz., f. 12,50.

In deze uitgave zijn de resultaten
vastgelegd van een vierjarig onderzoek

betreffende het Kromme-Rijnlandschap.
Het onderzoek had in de eerste plaats
tot doel uitgangspunten aan te geven
voor een ecologisch evenwichtig beheer
van het Kromme-Rijnlandschap en in

de tweede plaats een bijdrage te leveren
tot het ontwikkelen van ecologische

onderzoekmethoden ten dienste van de
praktijk. Het rapport is als volgt opge-
zet: na een inleiding over doel, organi-

satie en werkwijze van het project wordt
in het tweede hoofdstuk een algemene
beschrijving van het ontstaan en van de
structuur van het Kromme-Rijnland-
schap gegeven. In het derde hoofdstuk wordt nader ingegaan op de betrekkin-
gen tussen de levende en de niet-levende

natuur op het land en in het water. In
het vierde hoofdstuk wordt aangegeven

hoe de resultaten van het wetenschap-

pelijk onderzoek bruikbaar kunnen
worden gemaakt voor ruimtelijke or

dening en milieubeheer. Hiervoor werd

een methode ontwikkeld die ook voor
andere landschappen kan worden toe-

gepast. In het laatste hoofdstuk worden
de bestaande plannen in Midden- en

Zuidoost-Utrecht, met name het streek-
plan voor dit gebied, kritisch bespro-

ken. Dit rapport, dat planologen en
politici wil helpen bij het uitstippelen
van een zo verantwoord mogelijk ruim-
telijk beleid, is zowel voor onderzoekers

en beheerders als voor bewoners van

het landschap belangwekkende lectuur.

ESB 19-2-1975

187

TECHNISCHE HOGESCHOOL


TWENTE

TECHNISCHE HOGESCHOOL
J

_
TWENTE

Aan de Technische Hogeschool Twente wordt een
nieuwe studierichting

BESTUURSKUNDE

ontwikkeld, die zal starten in september 1976. Deze
opleiding wil een bijdrage geven aan de opleiding en

vorming van hen die in leidinggevende of adviserende

functies meewerken aan de voorbereiding, vast-
stelling en effectuering van overheidsbeleid.

De disciplinaire basis van deze studierichting is maat-
schappij-wetenschappelijk: recht, economie en

sociologie zijn kernvakken in het studieprogramma.

De bestuurskundige studie zal een volledige opleiding
zijn, die begint met het eerste jaar.

Een thans te vormen startteam zal de verdere uit-
werking en de uitvoering van het plan ter hand

moeten nemen. Met het oog daarop moet in de Onder-
afdeling der Bestuurskunde worden voorzien in de
bezetting van een

0 rdinariaat

beleidsprocessen

in het

openbaar bestuur

met als taak het geven van een bijdrage aan de studie
van overheidsbeleid, procesmatig bezien, en voorts
betrokken op inhoud en effecten. Deze taak houdt
tevens in het ontwikkelen van methodieken en tech-

nieken van onderzoek van beleid, en omvat verder de
behandeling van de rol van beleidsadviseur.
De taakvervulling zal m.n. dienen te geschieden in

nauwe werkrelatie tot de organisatiekunde.
Een redelijk aandeel in de bestuurswerkzaamheden
wordt eveneens tot de taak gerekend.

Voor belangstellenden is nadere schriftelijke infor-
matie beschikbaar; de secretaris van de benoemings-adviescommissie, mr. drs. M. Oosting (THT, postbus

217, Enschede, tel. (053) 89 20 48), zal deze op
aanvraag gaarne toezende.n-. Vragen om inlichtingen
kunt
t
bôk riéhten tot de voorzitte var de bènoemings-
adviescommissie, Prof. dr. W. Hessel, tel. (053)

89 27 91 of (053) 91 38 37 en (030)31 7757 (thuis).
Het Voorlopig Bestuur van de Onderafdeling der
Bestuurskunde nodigt hen die voor deze functie in
aanmerking menen te komen dan wel de aandacht
willen vestigen op mogelijke kandidaten uit zich,
uiterlijk 3 weken na het verschijnen van dit blad, te richten tot de secretaris van de benoemingsadvies-
commissie.

Aan de Technische Hogeschool Twente wordt een
nieuwe studierichting

BESTUURSKUNDE

ontwikkeld, die zal starten in september 1976.
Deze opleiding wil een bijdrage leveren aan de

opleiding en vorming van hen die in leidinggevende

of adviserende functies meewerken aan de voor-
bereiding, vaststelling en effectuering van overheids-

beleid.

De basisdisciplines van deze studierichting zijn: recht,
economie en sociologie.

De bestuursku rdige studie zal een volledigeopleiding
zijn
;
die begint inet het eerste jaar.
Een thans te vormen startteam zal de verdere uit-
werking en de uitvoering van het plan ter hand moeten nemen. Met het oog daarop moet in de
Onderafdeli ng der Bestuurskunde worden voorzien
in de bezetting van een

0 rdinariaat

b estu u rsrecht

met als taak onderwijs en onderzoek in het bestuurs-
recht; binnen deze taak valt ook de verantwoordelijk-
heid voor het staatsrecht. Een redelijk aandeel in de

bestuurlijke werkzaamheden wordt eveneens tot de
taak gerekend.

Voor belangstellenden is nadere schriftelijke infor-
matie beschikbaar; de secretaris van de benoemings-
adviescommissie, mr. drs. M. Oosting (THT, postbus 217, Enschede, tel. (053) 89 2048), zal deze op aan-
vraag gaarne toezenden. Vragen om inlichtingen
kunt u ook richten tot de voorzitter van de be-
noemingsadviescommissie, Prof. dr. ir
. P. J. Zand-
bergen, tel. (053) 89 45 48 (THT) ôf (05428) 17 94

(thuis).
Het Voorlopig Bestuur vande Onderafdeling der
Bestuurskunde nodigt hen die voor déze functie in
aanmerking menen te komen dan wel de aandacht

willen vestigen op mogelijke kandidaten uit zich, tot
uiterlijk 3 weken na het verschijnen.van dit blad, te
richten tot de secretaris van de benoemings-

adviescommissie.

188

Auteur