Ga direct naar de content

Jrg. 60, editie 2988

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 5 1975

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

5
FEBRUARI 1975

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

6OeJAARGANG

INSTITUUT
No. 2988

Onzin over groei

De laatste jaren staat de economische groei terecht ter
discussie. Het is echter jammer dat dit gepaard gaat met het

lanceren van allerlei nonsens over zowel de economie als de
groei. Ik zal hieronder enige voorbeelden geven. Alvorens

ik daartoe overga, zal ik eerst in het kort ingaan op de vraag
wat economische groei is.
Economische groei is eigenlijk een dwaas begrip, want
wat betekent economie? Economie is a. de wetenschap die
zich met het welvaartsstreven van de mens bezighoudt en
b. het geheel van bedrjvigheden van een volkhuishouding,

gericht op het streven naar welvaart 1). Het is mijns inziens

beter de uitdrukking economische groei te vervangen door
welvaartsgroei. Om uit te leggen wat welvaart betekent,
grijp ik naar een oud boek van Prof. Bordewijk dat jaren

geleden verplichte literatuur was op de middelbare scholen 2).
Bordewijk definieert welvaart op een niet te verbeteren wijze.
,,Gelijk nu de behoefte een gevoel van onbevredigdheid, van
gemis, van armoede geeft, zo schenkt de bevrediging een

gevoel van genot, dat wij
11e/vaart
noemen”, schrijft hij reeds
in de inleiding en hij vervolgt: ,,Heel het economisch leven

en handelen beweegt zich tussen de menselijke behoeften en

haar bevrediging”. Hieruit kan men afleiden dat welvaarts-
groei gelijk is aan het overbruggen van de kloof tussen
behoefte en bevrediging. Welvaartsgroei nu is mogelijk door

a. het verminderen van de behoeften en b. het vergroten van
de bevrediging. Alles wat het gevoel van genot vergroot is
economische groei. Economische groei hoeft niet gepaard
te gaan met de produktie van materiële goederen. Immers,

deze kunnen weliswaar bepaalde (materiële) behoeften
bevredigen, maar ook andere (vnl. immateriële) behoeften
oproepen. De conclusie die men uit het bovenstaande kan
trekken is, dat er eigenlijk geen tegenstanders van de econo-
mische groei bestaan.
Het bestrijden van economische groei is dwaas, in tegen-
stelling tot het bestrijden van de materiële produktie voor

zover die (bijv. door vervuiling van het milieu) de kloof

tussen behoeften en bevrediging vergroot in plaats van ver

kleint. We raken nu aan het probleem van de selectieve groei.

Bij de selectieve groei gaan wij de produktie zodanig richten
dat ze de genoemde kloof verkleint. We houden dan reke-

ning met alle materiële en immateriële effecten van de
produktie.

De groei van de nationale produktie neemt af naarmate

in een volkshuishouding de diensten ten opzichte van de
landbouw en industrie een belangrijker plaats gaan in-
nemen. Dit behoeft niet te betekenen dat de welvaart min-
der snel gaat groeien; immateriële diensten kunnen namelijk
veel genot verschaffen. Het is dan ook begrijpelijk dat velen
pleiten voor het stimuleren van de tertiaire sector of dien-
stensector. Het is echter de vraag of zo’n stimulans helpt.

Immers, het belangrijker worden van de tertiaire sector is een
economisch proces dat zich automatisch en geleidelijk vol-
trekt. We zouden dit als volgt kunnen verklaren. Naarmate

de mens welvarender wordt, besteedt hij een groter deel van

zijn inkomen aan immateriële goederen. Een voorwaarde is

echter dat hij welvarend moet zijn. Hij moet geld verdiend

hebben in de landbouw of de industrie, anders kan hij de
diensten niet betalen. We zouden daarom de volkshuishou-

ding grote schade toebrengen door fabrieken af te breken ten
gunste van de diensten. Veel bestuurders van de grote ge-

meenten begrijpen hiervan niets. Zo worden in Rotterdam
kantoren uit de grond gestampt omdat de tertiaire sector

moet worden bevorderd. Dat stampen zal echter alleen po-
sitieve welvaartseffecten hebben als er tevens meer industria-
lisatie plaatsvindt. Selectieve groei is namelijk moeilijk te

bereiken door zich slechts te richten op de symptomen van
die groei.
Voorts wil ik even ingaan op de economische onzin die
wordt uitgekraamd doordat velen de micro-economie met de

macro-economie verwarren. Als de Nederlandse economie
met een bepaald percentage selectief moet groeien, betekent

dat niet dat iedere regio met dat percentage moet groeien.
Nee, het nationale groeipercentage is een macro-economisch

gemiddelde dat moet worden verdeeld in regionale micro-

percentages. Het is dan ook best mogelijk dat een aantal
regio’s een negatieve groei zullen moeten doormaken, terwijl
andere regio’s zullen blijven groeien.

Zo zullen wellicht ook de in welvaartsnood verkerende
grote gemeenten kunnen blijven groeien. Het is fraai dat het

Rotterdamse gemeentebestuur onlangs met zijn beleidsnota
in de macro-economische valkuil stortte. Dit bestuur
rechtvaardigde zijn misstap door tegen stopzetting van

de economische groei te zijn 3). De economische theorie
bewijst echter dat dit geen misstap is. De groei van de

regio wordt bepaald door de structuur van die regio. Het
Noorden des lands zal daarom vnl. een agrarische regio

blijven, terwijl het Rijnmondgebied georiënteerd zal blijven
op de industrie. Het is weinig relevant of hun inwoners dit

prettig vinden, tenzij slechts naar het regionale belang
wordt gekeken. Dit kan tot gevolg hebben dat het zonder

meer stimuleren van bijv. de dienstensector in Rijnmond en
van de industrie in Friesland tot verspilling leidt en de
welvaart doet afnemen.
Het is tragisch dat de simpele les die Prof. Bordewijk des-

tijds aan vele scholieren heeft meegegeven thans zo weinig
effect sorteert.

L. Hoffman

In de economie behoren welvaart en welzijn identieke begrippen
te zijn. Degene die ze een verschillende inhoud geeft, kan veel
misverstanden veroorzaken.
Mr. Dr. H. W. C. Bordewijk,
Grondbeginselen der economie,
Groningen/Batavia, tweede druk,
1937, blz.
5.
Gemeentebestuur van Rotterdam, Beleidsnota ’75,
Rotterdam,
1974, blz.
3.

109

Inhoud
ECONOMISCH STATISTtSCHE BERICHTEN

r=m7
0

A

Drs. L. Hoffman.’

Onzin

over

groei

………………………………………
109

Column

Indexering van
het sparen,
door Prof Dr. F. Rogiers

………….
III

Dr. W. Drees Sr.:

De werkloosheid en haar ,,vaste kern” (1)

……………………
112

Notitie

De taak van de accountant bij de milieudefensie,
door 1. van der Ploeg
115

Drs. T. Zuidema:

Kosten-batenanalyse. Commentaar op het eerste deelrapport van de
werkgroep ,,Normen en maatstaven voor kosten-batenanalyses”

…..
116

Prof Dr. M. P. Gans.’

Inflatie

en

financiering

………………………………….
119

Prof Dr. A. Kolnaar:

Vermogensherverdeling
7

…………………………………
123

Toets op
taak

De YFI6, maar wat nu?, door Drs. N. C. M. van Niekerk

………
125

Mededeling
…………………………………………….126

Europa-blad wij zer

Industriële eigendomsrechten en het recht van de Europese gemeen-
schappen, door Europa Instituut Leiden ………………………
127

Boekennieuws

E. J. Bijnen: Cluster analysis; survey and evaluation of techniques,
door Drs. L. Hordijk …………………………………..
130

H. G. Johnson: Infiation and the monetarist controversy,
door Drs.

P. D. van Loo

………………………………………..
131

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Co,nniissie van redactie: H. C. Bos.
R. lu’e,na, L. H. Klaassen, H. W. Lamhers,
P. .1. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hof/man.
Redactie-medewerkster: Mej. J. Koenen.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterda,n-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 14 55 II, toestel 3701.
Bij adres wijziging s. v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tlt’eevoud/,
getrpt. dubbele regelafvtand, brede marge.

Abonnementsprijs:
f 109,20 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 67,60
(mcl.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van slortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945
t. n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerJ 3.-
(incl. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers uitsluitend door o verniaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 8408
t.n. v. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam
Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.

Onderzoek

is nodig. Het NEJ heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast

het pure onderzoekwerk houdt het zich bezig met het uit-

voeren van opdrachten van overheden en bedrzjfsleven in

binnen- en buitenland. Het heeft thans ervaring op vele ge-

bieden, in een spreiding over 50 landen. Er heeft in die
periode een specialisatie plaatsgevonden, maar door de

samenwerking in teams van economislen, econometristen,

wiskundigen, sociologen, sociaal-geografen, stedebouw-

kundig ingenieurs en civiel-ingenieurs wordt een brede

aanpak van de problemen gewaarborgd.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
Rotterdam-3016; tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

4
rbeidsmarktonderzoek

Balanced International Growth

Bedrijft- Economisch Onderoek

Economisch- Technisch Onderzoek

VestigingspatrOnen

Macro- Economisch Onderzoek

Projecistudies Ontwikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch-Mathematisch Onderzoek

Transport- Ecjmomisch Onderzoek

110

Prof. Rogiers

Indexering

van het sparen

De in 1973-1974 doorgevoerde ge-

zinsbudgetenquête – waarvan tot nog

toe slechts enkele globale resultaten

werden bekend’gemaakt, die in de eerste

plaats zullen moeten dienen voor een

grondige herziening van de berekenings-

basis van het indexcijfer der consumptie-

prijzen – braèht aan het licht dat de

Belgische bevolking een betrekkelijk

hoge spaarneiging heeft. Inderdaad,

we krijgen, vergeleken bij de gezins-

budgetenquête van 1961, het volgende

beeld:

Spaarquote van:
1961
.1973-1974

8,9%
13,6%

arbeidersgezin
………..
8,9%
15,8%

bediendengezin

……
….

gezin niet-actieven (gepen-
sioneerden)

.
………….
7,4%
9,6%

(Bron: NIS)

Houdt men er rekening mee dat het

niveau van het inkomen tussen 1961 en

1973-1974 gemiddeld met een coëfficiënt

3 is gestegen, dan is de toeneming be-

paald merkwaardig te noemen, aan-

gezien er gemiddeld nominaal viermaal

meer besparingen werden genoteerd.

De vraag is nu evenwel of de
inflatie

op deze spaarinspanning geen invloed

zal uitoefenen. Het samengaan van een
aanhoudende inflatie (op jaarbasis ste-
gen de prijzen in januari 1975 opnieuw

met meer dan
11%)
met de economische

stagnatie (,,stagflatie”) brengt deze

vraag alleszins onder een nieuwe spe-

ciale belichting. Op het eerste gezicht zou

men geneigd kunnen zijn er, met enige

zekerheid een antwoord op te kunnen

vinden. Immers, de spaarders en geld-
verstrekkers komen bedrogen uit bij de

huidige infiatiegraad, omdat hun spaar-

tegoed en hun inkomen uit spaarver-

mogen in koopkracht sterk worden aan-

gevreten. Bovendien, voelen zij deze

relatieve ,,verarming” des te sterker aan,

omdat aan de andere zijde de schulde-

naar er ,,onechtmatig” voordeel uit

haalt. De schuld kan namelijk worden

terugbetaald of met de interest worden

vereffend, nadat de muntdepreciatie de

reële last ervan aanmerkelijk heeft ver-

licht. In die omstandigheden kan het niet

anders of de spaarders worden ont-

moedigd, waardoor een daling van de

spaarneiging onvermijdelijk wordt.

Gelet nochtans op ket feit, dat in

België nagenoeg. tweederde van het

nationale inkomen is geïndexeerd en in

bepaalde gevallen zelfs welvaartsvast is,

betwijfel ik het of de inflatie weldegelijk

bovengeschetste ontwikkeling met zich

zal meebrengen, wat de spaarneiging

betreft. In de huidige omstandigheden

en op korte termijn, heb ik eerder de

indruk
van het tegendeel. Rekening

houdend met de geleidelijke verdwijning

van de overuren, de toenemende par-

tiële werkloosheid en de sterke stijging

van de volledige werkloosheid, lijdt het
weinig twijfel dat in 1975 het nationale

inkomen, in constante prijzen uitgedrukt,

weinig of niet zal toenemen. Men blijkt

evenwel -een teruggang van de parti-

culiere consumptie waar te nemen, zo-

dat aanvaard kan worden dat de gezins-

besparingen een lichte stijging vertonen.

Maar zal dit zo aanhouden? Zal de

inflatie toch niet leiden tot ontmoedi-

ging?

Met deze implicatie van de inflatie

voor ogen, verheffen zich dan ook steeds

meer stemmen om de binding met een

prijsindexcijfer niet alleen op lonen en

wedden, sociale uitkeringen en transfers

toe te passen, maar eveneens op het

spaarwezen. Op de lijst van de gen-

dexeerde spaarvormen staan dan spaar-

boekjes, deposito’s op termijn, kasbons,

schatkistbons, obligaties, hypothecaire

schuldvorderingen ed. (maar als het geld

wordt aangepast, moet het dan worden

geïndexeerd?). Sommigen gaan zelfs

verder en bepleiten deze binding voor

alle mogelijke geldwaarden, die aan

munterosie blootstaan. De huidige dis-

cussie in economische kringen over de

voor- en’nadelen van de indexering zou

waarschijnlijk niet zo’n vaart hebben

gekregen, indien de vôoistanders zich
niet konden beroepen op het ,,succes-

volle” voorbeeld van Brazilië, waar

nochtans lonen en wedden niet ge-

indexeerd blijken te zijn.

Er valt heel wat te zeggen in het

voordeel van de indexering van spaar-

gelden. Hoofdzakelijk hoort men

sociale argumenten in verband met d

tegoeden op spaarboekjes en deposito’s
op termijn: het komt erop aan de kleine

spaarder te beschermen tegen het koop-

krachtverlies. Maar is dit sociale argu-

ment wel economisch te rechtvaardigen?

Anderzijds wordt eveneens als sterk

argument aangehaald, dat indexering

het enige mogelijke verweerniiddel is om

de dreigiiig van de afneming van de

gezinsbesparingen tegen te gaan. Maar

het is verre van bewezen dat de spaar-
neiging door de inflatie wordt vermin-

derd. Is het overigens wel juist dat de

indexering een goed middel is om tegen

de inflatie ten strijde te trekken? De

voorstanders ‘wijzen erop dat indien de

overheidsschuld geïndexeerd zou wor-

den, de strijd tegen de inflatie efficiën-
ter zou worden aangepakt. Nu is het zo

dat de overheid eigenlijk het meestge-

baat is bij de inflatie: meer belasting-

ontvangsten wegens de progressiviteit

der belastingschalen en relatief minder

uitgaven voor de dienst van de leningen.

Indien men de spaarrekeningen

indexeert; treden er verschuivingen op

in de nationale kapitaalmarkt (zëlfs in

internationale markten), en om deze te

neutraliseren, moeten andere financiële

activa indexgebonden worden, hetgeen

een kettingreactie uitlokt tot steeds meer

indexering, waardoor partiële indexe-

ring ,,universele” indexering wordt.

‘En dan is men zeker niet dichter bij een

oplossing. . .

ESB5-2-1975′

.

111

De werkloosheid

en haar ,,vaste kern” (1)

DR. W. DREES SR.

De werkloosheid en haar ,,vaste kern”

Wat is er in ons land met de werkloosheid aan de hand?

De economische ontwikkeling, die gekenmerkt wordt door

een sterke stijging van de werkloosheid, wekt terecht bezorgd-
heid. De toestand is nog ongunstiger dan uit de cijfers der

werkloosheid blijkt. De werktijdverkorting, die bij vele be-
drijven is ingevoerd, is in wezen ook werkloosheid, terwijl achter de toeneming van het aantal voor arbeid ongeschikt
verklaarden in wezen de werkloosheid van vele ouderen

schuilgaat. Een vakbondsbestuurder merkte onlangs op dat
in Twente de werkloosheid van vele oudere textielarbeiders

langs deze weg uit de statistiek verdween. Natuurlijk man-
keert hun wel iets, maar als bedrijven niet inkrompen, zouden

ze vermoedelijk hebben doorgewerkt.

Oorzaken van werkloosheid

In tal van gevallen is de oorzaak der werkloosheid duidelijk.

Een aantal arbeidsintensieve bedrijfstakken, die voorname-

lijk voor het binnenland werken, kunnen als gevolg van de stijging der loonkosten moeilijk meer concurreren met het

buitenland, vooral met andere EG-landen waartegen ze niet door invoerrechten worden beschermd. De confectie en een

deel van de textiel zijn sprekende voorbeelden. Ze zijn echter
niet de enige. (Er is een streven om noodlijdende bedrijven op
de been te houden door rij kssteun. In bepaalde gevallen kan
dit verantwoord zijn. Een systeem kan het echter niet worden.

Het bedrijfsleven moet niet leven van het rijk, maar omge-
keerd het rijk, direct en indirect, van de opbrengst van het bedrijfsleven). Vakverenigingen streven uiteraard naar zo

hoog mogelijke lonen, maar bij de kwestie van de mogelijkhe-
den moet het gevaar voor werkloosheid mee inbegrepen zijn.
Vermogensaanwasdeling of winstdeling kan zinvoller zijn

dan loonsverhoging, omdat er dan eerst winst moet zijn voor-
dat men meer gaat uitdelen. Een oplossing, waarbij de baten
dan verdeeld worden over alle loontrekkenden is bovendien aantrekkelijk.
Een speciaal geval is de grote werkloosheid in de bouw.
Men moet vrezen dat de teruggang van de bouw voor een

groot deel van blijvende aard is. Er is, buiten de grote steden,

een afnemende behoefte aan woningbouw. Men kan niet
verwachten dat permanent jaarlijks driemaal zoveel wonin-
gen zullen worden gebouwd als voor de oorlog. De hoge
bouwkosten en de hoge rente werken ook remmend, zowel op
de woningbouw als op de investeringen in bedrijfsgebouwen.

De minder gunstige bedrijfsresultaten hebben hierop ook
reeds een beperkende invloed.
Op dit terrein kan de miljardeninjectie, waartoe de regering
het initiatief heeft genomen, het meeste effect hebben, omdat
hier rechtstreeks op bepaalde objecten wordt gericht. Men zal

er wel zorgvuldig op moeten toezien dat de bouw verantwoord
is en niet alleen met het oog op de werkloosheidsbestrijding.
De kosten zijn hoog in verhouding tot het aantal tijdelijk be-
schikbaar komende arbeidsplaatsen en wat men bouwt, moet
zin hebben en moet niet onnodige exploitatiekosten veroor-

zaken. Een deel van de bouwvakarbeiders zal werk in een

andere bedrijfstak moeten aanvaarden, zo nodig na herscho-
ling.

Een nieuwe bron van zorg is de wijziging, die zich voordoet

bij de uitvoer. Deze wist zich tot voor kort niet alleen te hand-
haven, maar ook nog uit te breiden. Blijkbaar kon men de

concurrentie goed aan, waarschijnlijk doordat het in hoofd-

zaak ging om kapitaalintensieve, sterk gemechaniseerde
bedrijven. Dat het niet zo goed zou blijven gaan, lag echter
voor de hand; er is een oliecrisis, die haar gevolgen heeft voor

ons land, niet alleen omdat we zelf meer voor olie moeten
betalen, maar omdat landen waarheen onze uitvoer zich
richt, een veel groter deel van hun beschikbare middelen voor
de betaling van ingevoerde olie moeten besteden en zich dus

in andere opzichten moeten beperken. In ons land schijnt men
te menen dat het ,,onredelijk” zou zijn als men vanwege de

hogere kosten voor olie en aardgas, op andere uitgaven
enigszins zou moeten bezuinigen. Men eist integendeel volle-

dige compensatie en nog iets daarboven. Men kan andere lan-
den echter niet dwingen evenveel van ons te blijven kopen en

de rijk geworden olielanden zullen nog niet dadelijk door

toenemende vraag van hun kant voor compensatie zorgen.
Op dit gebied is door miljardeninjecties stijging der werk-

loosheid niet tegen te gaan.
Ik verbeeld me niet met het bovenstaande veel nieuws te
hebben gezegd. Het gaat meer echter om in het licht te stellen,

dat die bekende en veel besproken oorzaken de bestaande

werkloosheid toch slechts zeer ten dele verklaren.

Passende arbeid

Voordat de bovengeschetste factoren zich deden gelden,
was er reeds een vrij grote werkloosheid. Over de oorzaken
daarvan heeft men veelal gezwegen. Wel is gesproken van een

,,vaste kern” van ongeveer 120.000 werklozen, die een struc-
tureel probleem vormt. Er komt nu van regeringswege een
commissie, die het probleem onderzoekt. Daarbij zal een be-

roep worden gedaan op de medewerking van de universitei-
ten. Wat mij in een persbericht opviel, is dat men aanneemt
dat het werk der commissie drie jaar zal vergen. Dat is voor

een vraagstuk van de hoogste urgentie wel een lange tijd. Is de

zaak zo ingewikkeld? Zeker is de oplossing niet eenvoudig,

maar van de oorsprong is al veel duidelijk.
Nog betrekkelijk kort geleden was er in Nederland sprake
van volledige werkgelegenheid. Meer dan 100.000 arbeids-
plaatsen zijn echter door buitenlanders vervuld over het al-

gemeen niet omdat Nederlanders dat werk niet zouden heb-•
ben kunnen verrichten, maar omdat ze er niet toe bereid w-
ren. Deze onwil werd ook als gerechtvaardigd beschouwd,
omdat het geen ,,passende arbeid” was.

In een nota heeft de regering te kennen gegeven dat nadere
bezinning op dat begrip nodig is, tevens laat minister Boersma

112

een onderzoek instellen of nadere formulering van omstan-

digheden, die de weigering van werk rechtvaardigen, wense-

lijk is. Hij verklaart overigens al dadelijk dat hij daarvan geen

grote resultaten verwacht. Het is, zegt hij, geen wonderolie.

Intussen is de gedachte alleen dat het begrip ,,passende

arbeid” wel eens anders zou kunnen worden opgevat dan tot
nu toe, reeds bekritiseerd.
In de vermelding van de feiten ligt nog geen verwijt. Ik kom
op motieven van weigering. Overigens betreft het, ondanks de

omvang en de ernst van de zaak, nog slechts een randver-
schijnsel. Er zijn miljoenen Nederlandse arbeiders, die wel werken, waarbij velen ook de soorten van werk verrichten,
die veelal aan buitenlanders worden toevertrouwd. Tot de
achtergrond behoort een factor, die blijvend zal leiden tot
een van de pijnlijkste en moeilijkste problemen waarvoor we
komen te staan.

Onlangs werd een conferentie gehouden onder de titel:
,,Opgeleid
…….
waarvoor?” Het vraagstuk is ook wel aan-
geduid als de ,,groeiende kloof tussen onderwijs en werk”.

In ESB 1) werd er al op gewezen, dat onder dejonge generatie

het aantal ongeschoolden snel afneemt, terwijl geschat wordt
dat het te verrichten werk voor de helft geen scholing vereist.

Het volgen van onderwijs tot het 18e jaar zal verplicht wor-

den, terwijl steeds meer jongeren verder gaan, tot aan het

hoger wetenschappelijk onderwijs toe. Velen studeren voor
functies, die blijken niet beschikbaar te zullen zijn.
Zou men ,,volwaardig werk” blijven eisen, zoals nu de
leuze luidt, dan zou veelal blijken, dat men voor werkloze zal

hebben gestudeerd. De druk op de overheid om overbodige

functies te scheppen, zal dan ook heel zwaar worden. Minis-ter Boersma heeft al gezegd, dat als er over 6jaar, zoals men
aanneemt, 4.000 psychologen te veel zullen zijn, er wel de
mogelijkheid zal bestaan werk voor hen te vinden, daar er nog
zovelen behoefte aan begeleiding zullen hebben.
Wat men ook op dit gebied aan werkverschaffing gedaan
moge krijgen, in hoofdzaak zal het toch voor vele academici
noodzakelijk blijken werk te aanvaarden op een lager niveau
dan waarvoor ze zijn opgeleid. Dit is slechts een in het oog
vallend onderdeel van een situatie die zich voor een groot deel
van de beroepsbevolking zal voordoen.

Men kan stellen dat het volgen van onderwijs tot het 18e

jaar zijn waarde heeft voor algemene vorming en voor de be-
steding van vrije tijd; het behoeft niet perse het werk te

betreffen. Wie echter zo lang onderwijs heeft genoten, zal
daarvoor ook gevolgen verwachten voor het te verkrijgen

beroep. Laten we hopen dat de verhouding tussen geschool-
de en ongeschoolde arbeid gunstiger wordt dan de huidige
schatting, maar vooralsnog zal voor ongeveer de helft slechts ongeschoolde arbeid beschikbaar zijn. Wanneer geschoolden

deze arbeid niet hoeven te aanvaarden, en het dan ook niet
doen, zou dat tot de onmogelijke consequentie leiden dat die

helft van het werk door buitenlanders zou moeten worden
gedaan en dat de helft van de Nederlandse arbeiders zonder
werk zou zijn. Het is duidelijk dat men het zover niet kan en

niet zal laten komen. Het is goed zich nu reeds hiervan reken-
schap te geven en het niet als vanzelfsprekend te aanvaarden

dat voor geschoolden ongeschoold werk geen passende arbeid
is.

Op den duur zal men het verrichten van ongeschoold werk
mogelijk financieel aantrekkelijker moeten maken en de af-
stand van de beloning tot die van geschoolden moeten ver-

minderen. Te ver kan men daarmee ook weer niet gaan, want
bij velen moet de wil blijven zich te scholen voor bepaalde
functies, ook na de 1 8-jarige leeftijd.

Sociale zekerheid

De weigering om werk te verrichten dat ongeschoold is of
om andere redenen minder aantrekkelijk wordt geacht, is mo-
gelijk geworden door ons systeem van sociale zekerheid. Nu

is reeds bij de totstandkoming van de Wet Wachtgeld en

Werkloosheidsverzekering, die gedurende een halfjaar 80%

van het loon garandeert onder het voorbehoud dat men bereid
is passende arbeid te aanvaarden, voorzien en geaccepteerd

– ook door mij, die verantwoordelijk was voor het ontwerp
– dat de gegeven sociale zekerheid ertoe zou leiden dat

arbeiders minder gemakkelijk elke mogelijkheid zouden aan-
grijpen. Het is redelijk dat een arbeider eerst uitziet naar werk

dat hem ligt, zo mogelijk in zijn beroep of in daaraan verwant

werk, in zijn woonplaats en niet met voor hem onaantrekke-
lijke kanten. Ik ben echter van mening dat het begrip ,,pas-
sende arbeid” een andere betekenis moet krijgen als de werk-
loosheid een tijd heeft geduurd en uitzicht op het gewenste

werk niet of nauwelijks bestaat. Werkloos blijven is dan naar

mijn stellige overtuiging ook voor de arbeider niet te verkiezen
boven het aanvaarden van ander werk dan hij zou wensen.
Intussen is de op verzekering gebaseerde wet gevolgd door
de Wet Werkloosheidsvoorziening, die door het rijk wordt

gefinancierd. Deze geeft, na het halve jaar van de eerste wet,

gedurende twee jaar 75%, onder dezelfde voorwaarde van
aanvaarding van passende arbeid. Daarna geldt dan even-
tueel de rijksgroepsregeling voor werklozen, vastgesteld bij

algemene maatregel van bestuur, ingevolge de Algemene
Bijstandswet, die een uitkering toekent voor onbeperkte

duur, voor gehuwden ter hoogte van ht minimumloon. Drie

regelingen dus, waarvan de twee eerste onder de verant-woordelijkheid van het Departement van Sociale Zaken

vallen en de derde onder die van het Departement voor
Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk valt.

Organisatorische fout

Dit is op zich zelf reeds een ernstige organisatorische fout.
De werkloosheidszorg behoort in haar geheel bij één departe-
ment te berusten. Dit spreekt te sterker waar CRM gemeend
heeft in de rijksgroepsregeling, die in de praktijk met een wet

gelijk is te stellen, van een andere gedachte uit te moeten gaan

dan voor de twee wetten. Uitgangspunt is vroeger geweest,
zoals dat, voor zover mij bekend, in alle andere landen geldt
bij de werklozenzorg, dat er een zekere marge moet zijn tussen
loon en uitkering, zodat de werkloze er enig financieel belang
bij houdt werk te vinden.

Voor hen die onder de rijksgroepsregeling van CRM vallen

is, als ze gehuwd zijn en het minimumloon ontvingen of naar
de aard van hun werk zouden ontvangen, de uitkering gelijk
aan het loon. Tot 25% boven het minimumloon is de regeling
voordeliger dan de Werkloosheidswet. Voor een nog groter

aantal is de regeling gunstiger dan de Wet Werkloosheids-
voorziening.
Deze tegenstelling heeft ertoe geleid dat de minister van

Sociale Zaken heeft voorgesteld de beide wetten in

zoverre aan te passen bij de rij ksgroepsregeling, dat voor ge-
huwden ook krachtens deze wetten het minimumloon als
,,vloer” geldt. Zo komt men tot een aantal gevallen waarin

men door te gaan werken geen enkel financieel voordeel
geniet. Men gaat er zelfs mee achteruit, omdat men allicht
meer kosten moet maken voor kleding, vervoer enz., terwijl in
een veel groter aantal gevallen nog wel een marge bestaat,
maar een heel kleine.

Recht op beroep

Dat er een derde regeling is gekomen, los van het Departe-

ment van Sociale Zaken, heeft nog een andere onaanvaard-

bare consequentie, namelijk ten aanzien van recht op beroep.
Als het arbeidsbureau tot de conclusie mocht komen dat een

werkloze geen passende arbeid zoekt of wil aanvaarden en

intrekking van de uitkering volgens een van de twee wetten

voorstelt, moet een bedrijfsvereniging daarover beslissen.

De werkloze kan van een beslissing in beroep gaan bij de

1) Dr. F. J. M. van Oudenhoven en Drs. R. Willems, Kloof tussen
onderwijs en werkgelegenheidsniveau,
ESB.
26juli 1972.

ESB 5-2-1975

113

Raad van Beroep en in hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep. Als ook de laatstgenoemde beslist dat er reden is zijn
uitkering in te trekken, kan hij echter dadeljk een beroep

doen op de rijksgroepsregeling. Van een directeur van een
Arbeidsbureau las ik een uiteenzetting hoe men bij de toe-

passing daarvan ervan uitgaat dat men voor het verlenen van
algemene bijstand slechts heeft te vragen of inkomen ont-
breekt en niet wat daarvan de oorzaak is. Met het verleden
heeft men niets te maken. Wel zal men eisen dat, als de werk-

loze eenmaal bijstand geniet, hij bereid is passende arbeid te
aanvaarden, maar dat zal dan opnieuw moeten worden

bekeken. Op dt ogenblik is het echter een gemeentelijke zaak. Van een beslissing van een ambtelijke dienst kan de werkloze

een beroep doen op B en W, daarna nog op Gedeputeerde

Staten en tenslotte op de Kroon, wat praktisch wil zeggen op

de Raad van State.
Inschakeling van deze colleges voor zulke individuele ge-
vallen is wel een bijzonder ongelukkige gedachte geweest.

Weer een gevolg van de verdeling van de werklozenzorg over

twee departementen. Voor een ambtenaar van een arbeids-
bureau zal het, ook wanneer het bureau in wezen volstrekt

gelijk heeft, dikwijls niet gemakkelijk zijn een formeel be-

wijs te leveren. Vaak wordt werk niet geweigerd, maar is de

houding van degenen die een bepaald werk niet willen – als

zij zich vervoegen bij de door het arbeidsbureau opgegeven
werkgever – zodanig dat deze hen niet aanneemt. Wil de
werkgever dan in beroepscolleges als getuige optreden? Men

zal begrijpen dat arbeidsbureaus niet licht voorstellen een
uitkering in te trekken.

Financiële aspecten

Dat er in vele gevallen geen of slechts een gering financieel

belang bestaat om werk te aanvaarden, of dat er financiële

schade uit zou kunnen voortvloeien, is niet alleen het gevolg
van de CRM-regeling. De in de Werkloosheidswet vermelde
80% van het loon, die indertijd door mij in overeenstemming
met de Stichting van de Arbeid is voorgesteld, is op zich zelf
reeds een gunstig percentage; ook in vergelijking met de rege-

ling in andere landen. Het verschil is kleiner dan 20%, omdat
van de uitkering minder aan sociale premies en loonbelasting

afgaat dan van het loon. Bovendien ontvangen werklozen met

kinderen voor hen de volle 100% van de kinderbijslag.
De uitleg, bij de toepassing van de wetten veelal aan het

begrip ,,dagloon” gegeven, heeft het verschil met lonen vol-
gens collectieve contracten nog verkleind. Het heeft soms

zelfs tot gevolg dat de uitkeringen hoger worden dan deze lo-
nen, zodat men ook werk in het eigen beroep niet behoeft te

aanvaarden. De bedrijfsverenigingen plegen uit te gaan van
het laatstverdiende loon,
mci.
extra verdiensten door tarief-

werk, overwerk, de betaling – geheel of gedeeltelijk – van
,,pendel”-uren. Wanneer grensarbeiders, die in Duitsland heb-

ben gewerkt, werkloos worden, komen ze in Nederland vaak
in aanmerking voor een uitkering, die hun bij aanvaarding
van werk tegen in ons land in het algemeen geldende voor-

waarden in inkomsten achteruit zou doen gaan. Niemand kan
hun verwijten dat ze dergelijk werk dan niet gaan verrichten.
Bekend is ook het geval dat zich een paar jaar geleden in
Amsterdam voordeed van schilders, die in de nieuwbouw heel

wat meer verdienden dan het contractloon. Toen ze werkloos

werden, was er werk voor schilders bij onderhoudswerk, maar
tegen contractloon. Dergelijke gevallen kunnen zich dikwijls
voordoen. Aan gemeenten, die bij de toepassing van de Wet
Werkloosheidsvoorziening uitgaan van het contractioon, is

daarvan wel eens een ver’ijt gemaakt.
Naast werkloosheidswetten en de rijksgroepsregeling van
CRM zijn er nog de afvloeiingsregelingen, die vakverenigin-

gen weten te bedingen als een bedrijf, dat sluit of inkrimpt
en dus personeel ontslaat, nog enige draagkracht heeft.

Men tracht veelal gewaarborgd te krijgen dat gedurende
bijv. een halfjaar uitkeringen zullen worden aangevuld

tot 100% van het loon. Het ligt voor de hand dat de vak-

beweging van de bedrijven iets voor de ontslagen arbeiders

tracht gedaan te krijgen. Het zou echter veel beter zijn

indien een uitkering ineens werd gevraagd. Dat zou het
voor de arbeiders ook wel vergemakkelijken niet elk hun ge-

boden werkgelegenheid te benutten, maar zou toch niet

betekenen dat men bij aanvaarding geen direct financieel

voordeel heeft.

CRM-regeling en schoolverlaters

Ik kom nog eens terug op de CRM-regeling. Deze verschilt van de wettelijke bepalingen ook doordat ze niet, als deze, als

voorwaarde voor ondersteuning als werkloze stelt, dat men
tenminste een bepaald aantal dagen moet hebben gewerkt.
Volgens de rijksgroepsregeling kon aanvankelijk iedere

,,schoolverlater”, ook de 15-jarige, voor een werkloosheids-
uitkering in aanmerking komen. Even heeft men dat voor de

15- en 16-jarigen laten vervallen. Er werd geprotesteerd,

zodat men de 16-jarigen weer in de regeling heeft opgenomen.

Hierbij wordt de kinderbijslag, die hun ouders voor hen ge-

nieten, op hun uitkering in mindering gebracht. Het inkomen
van het gezin wordt niet in aanmerkinggenomen. Volgens mij
is dit in strijd met de geest van de Bijstandwet, die spreekt van

vergoeding van de kosten van het noodzakelijke levensonder-

houd. In het levensonderhoud van minderjarige, in het gezin
wonende kinderen wordt normaal door de ouders voorzien.

Dat ze van school komen is geen reden om hen plotseling te
beschouwen als verstoken van het noodzakelijke levens-

onderhoud, ook als de ouders ruime inkomsten hebben.
Toch krijgt men dadelijk steun als men maar het bewijs toont
van inschrijving bij het gewestelijk arbeidsbureau. Wel is in

deze gevallen de uitkering aan een maximum van een
halfjaar gebonden. Het is intussen een verkeerde introductie van jongeren in de maatschappij, om hen dadelijk aan onno-
dige steun te wennen. Het is ook een geldverspilling. Het

draagt ertoe bij dat jongeren zich vaak slechts beschikbaar

stellen voor een bepaald soort werk, wat door arbeidsbureaus
geaccepteerd wordt.

Werkloosheid onder jongeren

De werkloosheid onder.de
jongeren is sterker gestegen dan
onder ouderen. Dat hoeft geen verwondering te wekken, daar

de minimumlonen voor de jongeren belangrijk hoger zijn
gesteld dan hun gewoonlijk werd uitbetaald. Bovendien, moet
hun, naar gelang hun leeftijd, een of twee dagen vrij worden

gegeven voor vormingswerk.
Onder de meisjes zijn er velen als werkloos ingeschreven, terwijl er tegelijkertijd veel vraag naar meisjes is, ook boven
de leeftijd waarop ze vormingswerk moeten volgen. Onlangs

werd het verpleegstersdiploma uitgereikt aan een aantal meis-
jes uit Indonesië en uit de Filippijnen. Mijn respect voor de
prestaties. Ze hebben de niet eenvoudige verpleegsters-
opleiding met succes gevolgd.en hun taak goed verricht, ter

wijl ze tegelijkertijd een taal-barrière moesten overwinnen.
Maar zijn er in Nederland niet genoeg meisjes, geschikt om

verpleegster te worden en die daartoe ook bereid zijn? Als
men ze maar tijdig wijst op de wenselijkheid om in die richting

te gaan, zodat ze niet een opleiding gaan volgen, waarbij reeds
een teveel bestaat, zoals bijv. bij de kleuterleidsters. En
waarom gaat een meisje of vrouw niet in een verzorgend be-
roep2.Er is een tekort, niet alleen in ziekenhuizen, maar ook in

bejaardenoorden en verpleeghuizen. Dit tekort aan verzor-
gend personeel gaat gepaard met een werkloosheid van dui-

zenden vrouwen en meisjes, die dit werk zeer wel zouden kun-
nen doen. Hët bestrijden van de werkloosheid door verschaf-ging van meer werkgelegeiiheid is een moeizame zaak, maar

als men maar eerst in de bestaande werkgelegenheid voorziet.

W. Drees Sr.

114

De taak van de accountant

bij de milieudefensie

De vervuiling

Uit het internationaal overleg in Colmar kan de con-

clusie worden getrokken, dat de milieuvriendelijke
zoutopslag door de Franse kalimi/nen verder wordt
uitgesteld. Van uitstel dreigt afttel le komen. De door

de Rijn meege voerde zoutlast van 500 kg per seconde

zal in lager stroomgebied onder meer de kostprijs van
tuinbouwgewassen verhogen onder invloed van pro-

duktieverliezen en dure ontziltingstechnieken. De
waterleidingbedrijven wentelen de hoge zuiveringskos-

ten van verontreinigd water qf op industriële afnemers

en za delen anderen op met hoge nota’s. Ook
chemische bedrijven hebben dure zuiveringsinstalla-
ties hetgeen blijkt uit onderstaand overzicht:

Jaar
Aantal chemische
Investering
bedrijven

f.

.3000
.
ç.

2.I34000
1970

…………………………
5

1972

………………………..
f.

7.403.000.—
1971

…………………………
5

20
.I
f. 19.064.000.
1973

…………………………
1974

…………………………
l5
t. 52.086.000.—

(ontleend aan
Woierschopsbe/angen
van de Unie van Waterschappen, d.d.
21 augustus 1974).

De vervuiler betaalt niet altijd

Het maakt een belangrijk verschil uit
of
grote bedra-
gen worden geïnvesteerd onder invloed van heffingen
van de overheid ten laste van een vervuilend bedri,j
of
voortvloeien uit de behoefte aan schone grondstof

bi/ het eigen produktieproces. De slogan ,,de vervuiler
betaalt” als moderne versie van het rechtsbeginsel

dat degene die schade veroorzaakt ook gehouden is
die te vergoeden gaat lang niet altijd op. Zolang de

kalimi/nen zout lozen op de Rijn zal de groente uit het

Westland relatief te duuren de kali relatief te goedkoop
zijn. Indien door toenemende geluidshinder rondom

Schiphol mensen gaan verhuizen op dok tersadvies
zijn de verhuiskosten en de dokterskosten thans nog
geen offers, die de prijs van het passagebijet van de over-
vliegers hebben beïnvloed.

Welke taak heeft de accountant?

Bij de milieudefensie zal de accountant zowel in zijn
adviesfunctie als bij de controle van de jaarstukken in

de toekomst kunnen worden betrokken en zal hij zich met
de juristen mogen aansluiten in de lange rij van deskun-digen, die tot dusverre voorop liepen.

Het zou wel eens kunnen zijn, dat het juist de ac-
countants en de juristen zijn, die de sleutel bij zich heb-
ben om het probleem rondom de slogan ,,de vervuiler

betaalt” op te lossen. Volledige doortverking van het

principe zal kosiprjsverschuit’ingen nodig maken en zou
zo indirect milieu verbeterend werken.

• De accountant zal in eerste instantie de jurist,

die de toepassing van de rechtsrege/ probeert qf te

dwingen, met bedrijfseconomisch cijfermateriaal Ier
zijde kunnen staan. Hiertoe zal hi/ behulpzaam zijn om de

milieukosten vast te stellen, waarbij onder milieukosten
alle offi’rs tvorden verstaan, die een gevolg zijn van

bodem-, lucht- en waterveront reiniging. In ruime
zin vallen hier ook geluidshinder en natuuraantasling
onder.

• In zijn adviesfunctie bij bedrijven, die milieu-o ver-
lost ondervinden, zal de accountant kunnen wijzen op het

ontstane produktieverlies en op de bijzondere lasten, die ontstonden door milieuhinder.

Hij zal kunnen adviseren juridisch te onderzoeken
of
deze kosten mogelijk doorberekend kunnen tvorden aan de vervuilers ten einde de kost prijs te verlagen.

• In zijn adviesfiinctie bij bedrijven, die anderen milieu-
overlast bezorgen, zal de accountant wijzen op die
overlast en op de gevolgen. Hij zal in voorkomende

gevallen adviseren tot hei treffen van een
voorziening voor mogelijke schadeclaims. Met het op-
toeren van een , .milieuvoorziening” behoef niet te wor-

den gewacht tot het door de Stichting ,,Rein water” aangespannen proces tegen de Franse kalimijnen is
gewonnen. Of en in hoeverre de fiscus die voorzie-
ning zal accepteren als een afirekpost op de fiscale
winst valt buiten het bestek van deze notitie.

• In het kader van de controle van de
.
/aarreke-
ning zal de accountant moeten overwegen
of
een re-
ser ve voor milieukosten bedri/fieconomisch noodza-
kelijk is,. bij lopende schadeclaims zal de omvang van
de voorziening moeten tvorden afetvogen. Andersom

zal de accountant bij een bedrijf; dat milieuschade lijdt
of
bijzondere voorzieningen heeft moeten treffen, moe-
ten onderzoeken
of op
de balans onder de activa een
P.M.-vordering op vervuilers behoort voor te komen.
Een mogelijke incasso buiten de jaarrekening om zou

bijzondere maatregelen vereisen. Het in guldens uit-
drukken van deze P. M. -vordering is een bedrijfseco-nomische uitdaging, welke de accountant van morgen
niet uit de weg behoeft te gaan.

1. van der Ploeg

(De auteur
ts
vennoot van het accountantskantoor Dijker en
Doornbos)

ESB 5-2-1975

115

Kosten-batenanalyse

Commentaar op het eerste deelrapport van de werkgroep

,,Normen en maatstaven voor kosten-batenanalyses”

DRS. T. ZUIDEMA*

In 1971 is een interdëpariementale commissie voor

de beleidsanalyse opgericht; verder aan te duiden als

Coba. Deze commissie heeft onder meer tot taak de

toepassing van beleidsanalyse bij de ministeries te
stimuleren en het aangeven van mogelijkheden tot

verbetering van bestaande vormen van beleids-

analyse. Om deze taken goed te kunnen vervullen

heeft Coba o.a. de werkgroep ,, Normen en maatstaven
voor kosten-batenanalyses” ingesteld. Deze werkgroep

heeft inmiddels haar eerste deelrapport gepubliceerd 1).

Dit deelrapport bevat een aantal aanbevelingen waar-

van de bedoeling is dat ze worden toegepast bij kosten-

batenanalyse. Deze respectabele poging om een

grotere
uniformiteit
te bereiken bij de behandeling van

een aantal technische aspecten verdient alle
lof.

De werkgroep heeft de aanbevelingen op deskundige

wijze opgesteld en besteedt ook de nodige aandacht

aan de theoretische fundering van haar voorstellen.

Toch zijn er nog wel enkele punten waar meer over

ie zeggen vqlt. Onderstaande opmerkingen vormen

een reactie op de voorstellen van de werkgroep.

In dit artikel wordt alleen op een paar punten com-

mentaar geleverd. In de eerste plaats betreft dit de voor-

gestelde keuze van de disconterïngsvoet. In de tweede

plaats wordt getracht aan te tonen dat de werkgroep

uitgaat van de impliciete vooronderstelling dat een
investering in de particuliere sector het enige alter

natief is van een overheidsinvestering. Tenslotte

worden enige opmerkingen gemaakt over het begrip

alternatieve kosten.

De disconteringsvoet

Het begrip disconteringsvoet komt in het rapport in twee
betekenissen voor. Bij de bepaling van de kosten en baten van
een project wordt echtër één van de twee betekenissen toe-
gepast. In dit gedeelte volgt een uiteenzetting over de twee
betekenissen die het begrip disconteringsvoet kan hebben.
De eerste manier waarop het begrip disconteringsvoet
gebruikt wordt, is als maatstaf voor de maatschappelijke
tijdvoorkeur, verder aan te duiden als MTV. Het begrip
MTV kan op grafische wijze worden toegelicht (zie figuur 1).

Uitgegaan wordt van een volkshuishouding waarin één

goed C voorkomt, dat zowel voor consumptiegoed als voor
investeringsgoed kan dienen. Het aantal perioden is tot twee
beperkt. De curven 1,,
12
en 1
3
zijn indifferentiecurven, die
aangeven op welke wijze de volkshuishouding indifferent is

t.a.v. consumptie in periode t en t
+
1.

De MTV kan nu nauwkeurig gedefinieerd worden omdat
in elk punt van een indifferentiecurve geldt dat de MTV ge-lijk is aan de absolute waarde van de eerste afgeleide minus

Figuur 1.

c
t+1

12

13

‘1

c
t

één (MTV = Itgaj

1). De MTV is de interest die de volks-
huishouding
wenst
voor haar besparingen.
Behalve als maatstaf voor de maatschappelijke tijd-

voorkeur komt het begrip disconteringsvoet ook nog in een
andere betekenis voor: namelijk als rendement van een

investering. Dit is de disconteringsvoet, waarmee de toe-
komstige baten van een investering verdisconteerd moeten

worden om ze gelijk te maken aan de contante kosten van

de investering. Ook dit begrip wordt grafisch toegelicht
(zie figuur 2).

De curve BD is de transformatiecurve van de volkshuis-

houding. Het punt P geeft aan dat OA wordt geconsumeerd
in periode t en AB geïnvesteerd, zodat in periode t + 1 OC

consumptiegoederen beschikbaar zijn:
Het rendement – dit is de disconteringsvoet – in punt P
is tga

1. Het rendement geeft aan hoeveel interest
mogelijk is.
Om de hoogte van de optimale disconteringsyoet te bepalen
moeten de transformatiecurve en de indifferentiecurven in

één figuur worden getekend (figuur 3).

Het punt P, dat raakpunt is van de transformatiecurve en
de indifferentiecurve 12, is een optimumpint. Het punt ligt
immers op de hoogst bereikbare indifferentiecurve. De raak-

lijn in dit punt geeft zowel de MTV als het rendement weer.
Op het punt P is van toepassing:

* De auteur is wetenschappelijk medewerker bij de Rijksuniversiteit
te Groningen.
1) Het rapport is gepubliceerd in
Beleidsanalyse.
74-1.
2)1k ga ervan uit dat Z rechts van P ligt, omdat – voor zover ik weet
– algemene overeenstemming bestaat over het feit, dat de investe-
ringen lager dan de -optimale zijn.
3) S. A. Marglin, The opportunity costs on public investment,
The
Quarierly Journal
of
Economics,
1963, blz. 274-289.

116

…de ideaal-typische situatie waarin de marktrente zowel de
tijdsvoorkeur (aanbodkant van de kapitaalmarkt) als de marginale
opbrengstvoet (vraagkant van de kapitaalmarkt) weerspiegelt.
In een dergelijke situatie kan de disconteringsvoet – afgezien van
risico-elementen – gelijk gesteld worden aan de marktrente, die op haar beurt weer gelijk is aan de tijdsvoorkeurvoet en de marginale opbrengstvoet” (blz. 17 en 18 van het rapport).

Op blz. 18 is vermeld:

,,Ten gevolge van verscheidene imperfecties. ….
….bestaat deze
ideaal-typische situatie echter niet. Marktrente, tijdsvoorkeur en
marginale opbrengsten zullen daarom uiteenlopen”.

Dit betekent dat we ons niet in het punt P bevinden, maar
bijv. in het punt Z 2). Omdat in deze situatie de MTV af-

wijkt van het rendement – immers
Y :#
P –
is het van be-

lang te onderzoeken welke disconteringsvoet dient te

worden genomen. In het gedeelte ,,eigen voorstellen” wordt
getracht deze vraag te beantwoorden.
In welke betekenis gebruikt de werkgroep de disconte-

ringsvoet? In het rapport is het volgende vermeld;

11
….de keuze van de disconteringsvoet dient te worden bepaald
door overwegingen ten aanzien van de allocatie. Een dergelijke opti-
male situatie ten aanzien van de factor kapitaal kan het best be-
naderd worden door de voor de discontering gebezigde rentevoet gelijk te stellen aan het rendement, dat, voor belastingheffing, bij
aanwending van produktiefactoren in een andere richting gemid-
deld verkregen zou kunnen worden” (blz. 19).

En op blz. 23 is vermeld:

,,Op grond van deze indicaties meent de werkgroep dat het ge-
rechtvaardigd is om een disconteringsvoet van 10% aan te bevelen”
(het rendement is geschat op 10%).

Omdat de werkgroep de disconteringsvoet bepaalt door

het marginale rendement in de particuliere sector te bereke-
nen is het duidelijk dat de disconteringsvoet hier in de tweede
betekenis gebruikt is. Door te disconteren tegen een disconteringsvoet van 10%
kan worden onderzocht of het rendement van het desbetref-

fende project groter of kleiner dan 10% is. Indien namelijk

bij discontering tegen 10% de contante waarde der baten
groter is dan de contante waarde van de kosten is het rende-
ment groter dan
10%.
Zijn de baten kleiner dan de kosten,
dan is het rendement lager dan
10%.
In feite wordt dus het
rendement van het project vergeleken met
10%;
dit wordt
geacht gelijk te zijn aan het rendement van de marginale

investering in de particuliere sector.
Uit het bovenstaande valt als conclusie te trekken dat de

aanbeveling die de werkgroep doet ten aanzien van de dis-

conteringsvoet in feite een aanbeveling is om het rendement
van het desbetreffende project te vergelijken met het margi-

nale rendement in de particuliere sector.

Figuur 2

c
t+1

Impliciete voorondersteHingen
De doelstelling waarvan
bij
kosten-batenanalyse wordt

uitgegaan – mits er wordt afgezien van verdelingsaspecten
– luidt: optimale consumptie voor de subjecten van een

volkshuishouding. Om deze optimale consumptie te kunnen
verkrijgen moeten de produktiemiddelen, die een volkshuis-
houding ter beschikking staan, optimaal gealloceerd worden.
De produktiemiddelen kunnen op de volgende vier ver-

schillende wijzen worden aangewend: voor de produktie van
consumptiegoederen, de voortbrenging van investeringen in
de particuliere sector, de voortbrenging van overheids-

investeringen en ze kunnen braak liggen.

Zoals reeds is aangetoond, doet de werkgroep de aan-
beveling het rendement van het desbetreffende project te

vergelijken met het marginale rendement in de particuliere
sector. Hieruit blijkt dat het project wordt vergeleken met een

particuliere investering. De werkgroep gaat dus kennelijk

uit van de impliciete vooronderstelling dat het alternatief
van het project een investering in de particuliere sector is.

Vervolgens wordt in dit artikel nagegaan in hoeverre boven-

genoemde vooronderstelling reëel is.

Op blz. 19 staat:

,,De opvattingen ten aanzien van de maatschappelijke tijds-
voorkeur kunnen nI. tot uitdrukking worden gebracht in het over-
heidsbeleid met betrekking tot het gewenste niveau van besparingen
en investeringen. Zo zal een in deze opvatting te laag investerings-
niveau tot consequentie
kunnen
hebben, dat maatregelen worden
getroffen gericht op de vergroting van de omvang van de investerin-
gen. Het omgekeerde geldt voor een te hoog investeringsniveau”.

De werkgroep zegt wel
kunnen,
maar ze gaat er kennelijk
impliciet van uit dat het gebeurt door alleen met het rende-

ment te werken. Mijn interpretatie van bovengenoemd citaat
is, dat de werkgroep ervan uitgaat dat de optimale be-
sparingen en investeringen tot stand komen en dat de over-

heid bepaalt welk gedeelte van de investeringen door de

overheid en welk gedeelte door de particuliere ondernemers
worden verricht. In deze gedachtengang is het vanzelf-
sprekende dat een overheidsinvestering ten koste gaat van

een investering in de particuliere sector. De werkgroep maakt echter niet duidelijk op welke wijze

wordt bereikt dat het totale niveau van de investeringen
optimaal is.

Ik ben van mening dat een overheidsinvestering niet ten
koste hoeft te gaan van een particuliere investering. Andere

mogelijke alternatieven zijn consumptie en de situatie dat de
produktiemiddelen braak liggen. De overheid kan toch de
investeringen stimuleren ten koste van de consumptie. Bij
financiering van een project uit belastinggelden had de over-

Figuur 3

c
tl-1

1T

A B

ESB
5-2-1975

7

c
t

C
t

117

heid ook kunnen beslissen het project niet uit te voeren en in

plaats daarvan de belastingen te verlagen. Dit laatste zou de
consumptieve bestedingen hebben aangemoedigd.
Volgens mij moet voor elke overheidsinvestering onder

zocht worden wat het alternatief van het desbetreffende
project is. In het vervolg van dit artikel wordt deze gedachte

nader uitgewerkt.

Alternatieve kosten

Op blz. 17 van het rapport staat:

.dat langzamerhand een konsensus is ontstaan ten gunste
van de toepassing van een disconteringsvoet, die aangeeft welke
netto-voordelen gerealiseerd zouden kunnen worden bij aanwending van de voor een bepaald project beschikbare middelen in een andere
richting (opgeofferde alternatieve opbrengsten; opportunity costs)”.

De werkgroep besteedt verder nauwelijks aandacht aan

het zeer belangrijke begrip alternatieve kosten (=opportunity

costs).

Toch is het wel van belang om te benadrukken dat alter-

natieve kosten eigenlijk geen kosten, maar baten zijn. Het
zijn de baten die verkregen zouden zijn bij alternatieve aan-

wending van de produktiemiddelen. Het zijn dus de baten
die worden opgeofferd door het project uit te voeren. Bij
kosten-batenanalyse geldt de paradox, dat de kosten geen rol

spelen, maar dat het alleen gaat om de baten.

Eigen voorstellen

Het behoeft geen betoog dat bovenstaande opmerkingen
consequenties kunnen hebben voor de aanbevelingen van de

werkgroep. Dit artikel bevat geen nieuwe afgeronde aan-
bevelingen. Wel wordt hieronder een alternatieve methode aangegeven, die kan worden toegepast t.a.v. de grootheden
alternatieve kosten en disconteringsvoet. De werkgroep ver-

gelijkt alternatieve kosten en baten door te disconteren tegen
het marginale rendement in de particuliere sector. Deze

methode kan echter alleen worden toegepast, als veronder-

steld wordt dat het alternatief een investering in de parti-
culiere sector is. In andere gevallen dient de methode van de

werkgroep te worden aangepast. Ondergetekende is een

voorstander voor het afzonderlijk berekenen van de alter-
natieve kosten en baten en het vergelijken van deze twee
grootheden met elkaar. Deze methode, die dus afwijkt van

die van de werkgroep, is als volgt.
In de eerste plaats moet worden onderzocht wat het alter-

natief van het project is. Misschien kan hierbij het

schema 1 tot steun zijn. –

Uitgangspunt bij dat schema is dat de wijze van finan-

ciering van het project en het feit of de produktiemiddelen
al of niet volledig worden benut bepalend zijn voor het alter

natief van het project. Uit dit schema blijkt dat bij finan-

ciering uit belastinggelden het project niet uitsluitend ten

koste gaat van een investering in de particuliere sector. In

dit geval is de vooronderstelling waarvan de werkgroep uit-

gaat weinig reëel.

in de tweede plaats moeten de alternatieve kosten be-
rekend worden. Voor zover het alternatief uit consumptie
bestaat zijn de alternatieve kosten gelijk aan het nominale
bedrag van de consumptie. Als het alternatief echter een in-

vestering in de particuliere sector is, moeten de baten, die

deze investering geeft, berekend worden. Voor zover deze
baten niet opnieuw geïnvesteerd worden, dient het nominale
bedrag ervan genomen te worden. Van de baten, die op-

nieuw geïnvesteerd zijn, moeten ook weer de baten bepaald

worden enz. De bedoeling is dus om alle baten te bepalen,
die de investering oplevert. De alternatieve kosten zijn nu
gelijk aan de contante waarde van de bovengenoemde baten.
Voor bovengenoemde berekeningen zijn formules afgeleid;
hiervoor kan het beste Marglin geraadpleegd worden 3).

Schema 1

Volledige benutting der produktiemiddelen

financiering uit

financiering uit

belassinggelden

leningen

alternatief!:

alternatief/t:

gedeeltelijk particuliere

particuliere

consumptie

investeringen

gedeeltelijk particuliere
investeringen

Produktiemiddelen liggen braak

financiering uit

financiering uit

helastinggelden

leningen

alternatief III:

alternatief! V:

% particuliere

geen economische

consumptie

activiteit

In de derde plaats moet de disconteringsvoet worden be-

paald, in het gedeelte ,,disconteringsvoet” werd de vraag ge-
steld welke disconteringsvoet in het punt Z (zie figuur 3) ge-

nomen dient te worfen. Bij het beantwoorden van deze vraag
zijn twee punten van belang. In de eerste plaats dat bij
kosten-batenanalyse wordt uitgegaan van de preferenties
van de economische subjecten en in de tweede plaats dat

getracht wordt om zo dicht mogelijk bij de optimale situatie
te komen. Aan beide eisen wordt door de MTV voldaan.
Immers, de MTV brengt de preferenties van de economische

subjecten tot uitdrukking. Bovendien zullen bij discontering

tegen de MTV, die lager is dan het marginale rendement,
de investeringen toenemen. Dit laatste houdt in dat we

dichter bij het optimum komen. Er ontstaat nu echter een
belangrijk probleem. Doordat de overheid disconteert tegen

de MTV zal er een scheeftrekking ontstaan tussen de over-
heidsinvesteringen en de investeringen in de particuliere

sector. Dit kan weer recht getrokken worden door de parti-
culiere investeringen te stimuleren. Hierbij kan worden
gedacht aan het verlenen van investeringssubsidies en be-

lasti ngfaci Ii tei ten.
Het grote probleem is het bepalen van de hoogte van de
MTV. Ik kan niet aangeven welke waarde deze grootheid

heeft. Wel kan worden vastgesteld, dat in het punt Z de MTV

kleiner is dan het marginale rendement in de particuliere
sector. Ook kan geargumenteerd worden dat de MTV lager
is dan de individuele tijdvoorkeur. D.e individuele tijd-
voorkeur wordt namelijk bepaald door drie grootheden:
de sterftekans van het individu, het afnemende marginale

nut van de consumptiegoederen en de zuivere tijdvoorkeur.
Het belangrijkste verschil tussen de twee grootheden wordt

veroorzaakt door de sterftekans. Is deze laatste grootheid bij
een individu altijd groter dan nul, bij de maatschappij mag
hij gelijk aan nul worden gesteld, omdat we mogen aan-
nemen dat de maatschappij blijft bestaan. Voor het af

nemende marginale nut van de consumptiegoederen geldt
dat deze zowel voor de MTV als voor de individuele tijds-

voorkeur aan betekenis verliest, omdat de economische groei

waarschijnlijk over haar hoogtepunt heen is.
Het blijkt dus dat de hoogte van de MTV grotendeels door
de zuivere tijdsvoorkeur bepaald wordt. Het is zeer de vraag

of deze gelijk aan 10% is.
Tenslotte moeten de contante waarden van de baten en
de alternatieve kosten met elkaar worden vergeleken en
wordt aan. de hand van een beslissingscriterium vastgesteld

of het project wel of niet voor uitvoering in aanmerking

komt.
T. Zuidema
118

Inflatie en financiering

PROF. DR. M. P. GANS*

In dit artikel 1) wordt een aantal effecten besproken

van de inflatie op de ondernemingsfinanciering.

Inflatie beïnvloedt de vermogensbehoefte, de rentabi

liteit, de financieringskosten en de financiële structuur

van de onderneming. Waar mogelijk wordt getracht

deze verbanden te toetsen aan empirisch materiaal.

Zowel theoretische overwegingen als de cijfers lij-

ken de conclusie Ie rechtvaardigen dat de inflatie leidt

tot het vastlopen van het financieringssysteem. Eén

van de grondslagen van onze economische orde, t. w.

de gedecentraliseerde financierings beslissing, komt

hierdoor op losse schroeven te staan.

Inflatie en vermogensbehoefte

Voor de meeste ondernemingen geldt dat een stijging van
de geldomzet leidt tot een vrijwel evenredige stijging van de
behoefte aan vermogen (eigen vermogen en schulden bij el-

kaar genomen, dus de totale vermogensbehoefte). In vak-
jargon wordt de verhouding tussen omzet en totaal vermo-
gen aangeduid met de term
om/oopsnelheid.

Bij wijze van illustratie diene dat de omzet van Philips van
1964 t/m 1973 is toegenomen van f. 7,0 mrd. tot f22,6 mrd.,

en het totale vermogen van f. 8,8 mrd. tot f. 24,2 mrd. De
omloopsnelheid steeg van 0,80 naar 0,92, doordat de omvang

van het totale vermogen iets minder toenam dan de omzet. Zonder verhoging van de omloopsnelheid zou Philips eind

1973 f. 4,0 mrd. meer vermogen nodig hebben gehad.
Uitgaande van een ongewijzigd beleid ligt een dergelijk
verband tussen omzet en vermogensbehoefte ook voor de
hand. Als de verkoopprijzen en de diverse kosten-
componenten in guldens uitgedrukt stijgen, zal dit ook gel-
den voor de bedragen die nodig zijn voor de financiering
van voorraden, afnemers alsmede – zeker na feitelijke ver-
vanging – vaste activa, zoals machines en gebouwen. Het
is hierbij niet relevant of de stijging van de omzet haar oor-

zaak vindt in een stijging van de verkochte hoeveelheden
dan wel in die van de verkoopprijzen. In tijden van inflatie

zal laatstgenoemde factor normaliter een rol spelen.

Natuurlijk kan de onderneming trachten om onder de
vaste relatie tussen omzet en benodigd vermogen uit te ko-
men. Gestreefd kan worden naar het verkorten van krediet-

termijnen, het terugbrengen van voorraden grondstoffen,

produkt-in-bewerking of eindprodukt, met als oogmerk de
omloopsnelheid van het vermogen groter te maken. In de

praktijk blijken de mogelijkheden hiertoe evenwel beperkt
te zijn, omdat dergelijke maatregelen repercussies plegen
te hebben op de produktie-efficiency en de afzetmogelijk-
heden. Zelfs als een wijziging van dit ,,activa-beleid” resul-
taten afwerpt zal dit normaliter het toenemen van de ver-
mogensbehoefte ten hoogste kunnen matigen, al kan dit op
zich zelf reeds de moeite waard zijn.

Inflatie en rentabiliteit

Alvorens in te gaan op het effect van de inflatie op de
rentabiliteit van het in de onderneming werkzame vermo-

gen, volgt eerst een schema van een resultatenrekening.

Omzet (volume x prijs)

Exploitatiekosten (lonen, grondstoffen, verkoop- en alge-
– mene kosten)

Exploitatiesaldo

– Afschrijvingen

Bruto resultaat
(,,winst” vôcSr rente en belasting)
– Betaalde rente

Winst voor belastingen

Belastingen

Netto winst

Onder invloed van de inflatie stijgen zowel omzet als
exploitatiekosten, alsmede al dan niet met vertraging; dit
wordt bepaald door het afschrijvingssysteem dat wordt toe-

gepast – de afschrijvingen. De eerste vraag die rijst is welk

effect al deze prijs- en kostenstijgingen hebben op de abso-
lute omvang van het bruto-resultaat. Uiteraard hangt dit,
behalve van de toeneming der arbeidsproduktiviteit, af van
de stijgingspercentages van in- en verkoopprijzen enerzijds, van de fasering van de stijging anderzijds. Als de verkoop-

prijzen méér en éérder stijgen dan de kosten, dan zal het
brutoresultaat een stijging ondergaan, en omgekeerd. Dit

betekent dat alle externe factoren, die maken dat de
verkoopprijzen minder of later stijgen dan de kosten, een
daling van het bruto-resultaat tot gevolg zullen hebben. In
het huidige tijdsbestek is een reeks van dergelijke externe
factoren op te sommen, zoals:

v66r-indexatie van de lonen; prjscontrole-voorschriften; concurrentie uit landen met lagere kostprijzen;
d.concurrentie uit overige landen, onder toepassing van
,,dumping”;

e. streven naar verhoging van de arbeidsinkomens-compo-nent van het nationale inkomen.

Alleen ondernemingen die in een markt werkzaam zijn,
welke mogelijkheden biedt om bovenstaande factoren te
compenseren, mede via een verhoging van de arbeids-
produktiviteit, zullen erin slagen om een daling van het
bruto-resultaat te voorkomen.

* De auteur is buitengewoon hoogleraar voor de ondernemings-
financiering, Stichting Bedrijfskunde tc Delft.
t) Dit artikel is een bewerking van een college voor de Collegedag
van de Vereniging van Afgestudeerden der Nederlandse Eco-
nomische Hogeschool, gehouden op 17december 1974.

ESB 5-2-1975

119

Een tweede \’raag is hoe het bruto-resultaat zich zal ont-

wikkelen
als een percentage van de omzet,
anders gezegd,

wat het verloop zal zijn van de
bruto-marge.
Het is uiter

aard zeer wel mogelijk dat het bruto-resultaat in guldens

uitgedrukt toeneemt, maar niet voldoende om de marge op

peil te houden.
Een derde vraag, en dit is in feite de meest essentiële, is
hoe het bruto-resultaat zich zal ontwikkelen
in verhouding

tot het vermogen
dat nodig was om dit bruto-resultaat te
verkrijgen. Dit verhoudingscijfer kan worden aangeduid

met de term
bruto-rentabiliteit:

bruto-rentabiliteit = bruto-resultaat

100%.
totaal vermogen

Als het bruto-resultaat minder stijgt dan het totaal vermo-

gen daalt de bruto-rentabiliteit. Dit begrip vraagt om en-

kele kanttekeningen.
In de eerste plaats kan de bruto-rentabiliteit worden be-
schouwd als het produkt van twee factoren die beide hier-

boven reeds ter sprake zijn gekomen, nI. de omloop-
snelheid en de bruto-marge. Dit blijkt uit een andere
schrjfwijze van de definitie van bruto-rentabiliteit:

bruto-resultaat = bruto-resultaat

omzet

totaal vermogen

omzet

totaal vermogen

De eerste factor is de bruto-marge, de tweede de omloop-

snelheid. Indien het nu juist is dat de omloopsnelheid van

jaar tot jaar weinig verandering pleegt te ondergaan, dan
wordt de wijziging van de bruto-rentabiliteit op korte termijn

vooral bepaald door veranderingen in de bruto-marge.
In de tweede plaats wordt opgemerkt dat in het vak fi-

nanciering nog een ander rentabiliteitsbegrip wordt gehan-

teerd, nI. de
netto-rentabiliteit.
Dit is de netto-winst als een
percentage van het eigen vermogen. Deze netto-rentabiliteit
is een maatstaf voor de winstgevendheid – nadat de ver

strekkers van leningen en kredieten, alsmede de fiscus
betaling hebben ontvangen – van het eigen vermogen van

de onderneming. Dit bestaat uit aandelenkapitaal en reser-

ves, voor zover ontstaan uit ingehouden winst, aandelen-
emissies tegen een koers hoger dan de nominale waarde van

de aandelen (agio-reserve) en herwaardering van activa.

Een derde kanttekening is dat de netto-rentabiliteit van
een onderneming wordt beïnvloed door de verhouding tus-
sen de bruto-rentabiliteit en het rentepercentage dat over

het geleende geld is verschuldigd. Dit geldt bij iedere

belastingvoet. Als de bruto-rentabiliteit hoger is dan dit
rentepercentage, leidt financiering met vreemd geld tot een
hogere netto-rentabiliteit dan financiering zonder vreemd geld. Maar als de rente hoger is dan de bruto-rentabiliteit,
dan doet schuldfinanciering de netto-rentabiliteit dalen.
Bovendien zal bij iedere
daling
van de bruto-rentabiliteit de

netto-rentabiliteit sterker dalen als er met schulden werd
gefinancierd dan indien dit niet het geval zou zijn geweest.

In de appendix worden deze stellingen met enkele cijfer-

voorbeelden geïllustreerd.
Een daling van de bruto-rentabiliteit heeft derhalve een
meer dan evenredig effect op de netto-rentabiliteit in het ge-
val van schuldfinanciering, zeker als tegelijkertijd een stij-

ging van de rentestand optreedt! Hoe is het nu in feite met
de bruto-rentabiliteit van de Nederlandse onderneming ge-

steld? Helaas zijn hierover bij mijn weten geen onder-
zoekingen gedaan – al zou zulks zeker aan de hand van

jaarverslagen mogelijk zijn 2). Wel heeft het Centraal Plan-
bureau in 1973 cijfers gepubliceerd over het ,,rendement” in
een aantal bedrijfstakken en voor alle bedrijven. Dit

rendementsbegrip verschilt echter in belangrijke mate van

het begrip bruto-rentabiliteit zoals dat hierboven werd
gèdefinieerd. In de eerste plaats omvat het in de teller niet
alleen netto-winst, belastingen en rentelasten, maar even-
eens de afschrijvingen. In de tweede plaats is het ,,totale

vermogen” uit onze definitie door het CPB benaderd ,,met

het produkt van bruto-kapitaal-coëfficiënten, produktie-
omvang en investeringsprjsniveau. Dit is dan echter een

zuiver hypothetische becijfering van de vervangingswaarde
van de kapitaalgoederenvoorraad”, aldus het Centraal
Planbureau. Op deze wijze worden cijfers verkregen die qua

absoluut niveau niet vergelijkbaar zijn met de bruto-renta-

biliteit, maar die desalniettemin qua
verloop
hieromtrent

een indicatie kunnen geven 3).

Tabel 1. Rendement per bedrijfstak 1969 en 1973 (1964168

=
100)

1969

1973

Landbouw, bosbouw, visserij
……………………
127

70

Nijverheid (cxci. bouwnijverheid)
…………………
.
08

90

Diensten
……………………………………
102

87

Bedrijven
……………………………………
102

90

Bron: Centraal Planbureau.

Uit de tabel volgt dat het rendement zich in 1969 nog op
een hoger niveau bevond t.o.v. de basisperiode, maar dat tot

1973 een daling voor alle bedrijven met bij na 12% heeft plaats-

gevonden.
Inflatie en financieringskosten

Geconstateerd kan worden dat bij persistente inflatie een
stijging optreedt van de rentestand. Zo bedroeg het rende-

ment op staatsobligaties in 1957 gemiddeld 3,8%, in 1965

was dit
5,5%,
in 1969 7,5% en in 1973 7,8%, terwijl dit ge-

middelde in 1974 op ca. 10% kan worden getaxeerd. Een

verklaring hiervoor, die reeds door lrving Fisher 4) werd

gegeven, is dat beleggers in de rente gecompenseerd wensen
te worden voor het koopkrachtverlies dat zij bij inflatie lij-den door belegging in nominale waarden. De pendant hier-

van is dat zij, die schulden aangaan, profiteren van de infla-
tie en dus best in staat zijn van die infiatiewinst (een deel)

aan de geldgevers af te staan. Degene die dit artikel ten
einde leest zal ontdekken dat schrijver dezes de stelling dat
een debiteur per definitie van inflatie profiteert geenszins in haar algemeenheid kan aanvaarden. Ook indien scepticisme

in dit opzicht gerechtvaardigd is, doet dit nog niets af aan
de opvatting dat inflatie leidt tot een
verhoging van de

rendementseis van beleggers,
eventueel dan los van de ge-

schiktheid van de debiteur om aan die rendementseis te vol-

doen.
Over het verband tUssen inflatie en rentestijging zijn, ook in Nederland, verschillende econometrische onderzoekingen

gedaan. Tabel 2 is ontleend aan een artikel van Nieuwen-

burg en Leemreize 5).

Tabel 2. Overzicht van de resultaten van verschillende e.co-
nometrische onderzoekingen over het verband tussen infla-

tie en rentestand

Onderzoeker Offect op rentestand
van t punt prijsstijging
Na
kwartalen

Fase

………………..
0,6

punt
vier
Driehuis

…………….
0,45 punt
vijftien
Nieuwenburg/Leemreixe
0.15 punt
vijftien

Bron:
Economisch Kwartaaloverzicht,
Amsterdam-Rotterdam
Bank
NV, maart
1974,
blz.
7.

In een jaarlijkse bijlage van
NRC Handelsblad
,,Ondernemen”
(zie de editie van 22 oktober
1974) is
o.a. de ,,basisrentabiliteit”
van ruim 100 Nederlandse ondernemingen gepubliceerd. Dit is het
bruto-resultaat (excl. bijzondere baten) als een percentage van het
z.g. gebonden vermogen. Het gebonden vermogen is het totale ver

mogen verminderd met renteloze, kortlopende schulden (o.a.
leverancierskrediet, belastingschuld). Aangezien geen totaal- of
groepscijfers worden verstrekt is het helaas moeilijk het resultaat
van jaar tot jaar te volgen.
Vergelijk
De Nederlandse economie in 1973,
blz. 122 cv. en
Centraal Economisch Plan 1973,
blz.
140 cv.
Irving Fisher,
The theory
of
ingerest,
New York,
1930.
C. K. F. Nieuwenburg en H. J. Leemreize, De kapitaalmarktrente
in Nederland,
Economisch Kwartaaloverzichi,
Amsterdam-Rotter-
dam Bank NV, maart
1974.

120

Hoewel de onderzoekers tot verschillende uitkomsten zijn
gekomen qua omvang en vertraging van het inflatie-effect,

blijkt er qua richting eenstemmigheid te bestaan: de rente-
stijging kan inderdaad (ten dele) worden verklaard uit de
inflatie.

Voor de financiering van de onderneming heeft dit een

aantal consequenties. In de eerste plaats zal menige onder-

neming in de huidige constellatie worden geconfronteerd
met een daling van bruto-marge en bruto-rentabiliteit.

Bovendien leidt de inflatie ook nog tot een stijging van de
rentekosten. De combinatie van deze factoren zet de netto-
rentabiliteit van de onderneming die met schulden finan-
ciert extra onder druk. De
geschiktheid
van de onder-
neming om zich met schulden te financieren neemt derhalve
uit rentabiliteitsoogpunt af. Een tweede gevolg van de stij-ging van de rente is dat
alle
rendementseisen omhoog gaan,
niet alleen die met betrekking tot belegging in nominale

waarden. Bij een gelijkblijvende winst per aandeel dalen

hierdoor de koersen van aandelen. Dit is niet alleen on-

plezierig voor aandeelhouders, maar het belemmert boven-
dien de onderneming bij het uitgeven van nieuwe aandelen.

Een verhoging van de rendementseis van aandeelhouders
betekent in de praktijk dat de z.g. koerswinstverhouding 6)
in tijden van inflatie een dalende trend zal vertonen. Tenzij
de winst per aandeel met een even groot percentage stijgt
als de koerswinstverhouding daalt onder invloed van de
verhoging der rendementseis, zal de aandelenkoers een daling
vertonen. Dat aandelen niet zonder meer, zoals de legende

tot voor kort leerde, een soort automatische bescher-

ming bieden tegen inflatie, hebben wij de laatste jaren kun-
nen ervaren. Op basis van 1963 = 100 stond de algemene
ANP-CBS-beurswaarde-index in november 1973 op 76,4.

De aandeelhouders onder ons zijn dus niet slapende rijk ge-
worden.

Theoretische conclusies

De inflatie gaat voor menige onderneming gepaard met

een daling van bruto-marge en bruto-rentabiliteit. Op basis
van CPB-gegevens kan worden gesteld dat voor het
bedrijfsleven als geheel van een daling sprake is, al zijn er
ondernemingen die zich hieraan kunnen onttrekken. De in-flatie gaat bovendien gepaard met hogere rendementseisen

van hen die hetzij in guldensleningen hetzij in aandelen be-
leggen.

Tenslotte leidt inflatie tot een toeneming van de
vermogensbehoefte. Wordt hierin voorzien door rente-

dragende schulden op te nemen dan leidt de combinatie van
dalende bruto-rentabiliteit en stijgende rente tot een druk
op de netto-rentabiliteit. Dezelfde rentestijging leidt evenwel
tot lagere koerswinstverhoudingen en lagere aandelen-

koersen, zodat uitbreiding van het eigen vermogen via aan-
delen-emissies ernstig wordt bemoeilijkt.

Voor zover het de onderneming niet gelukt om in de stij-

gende vermogensbehoefte te voorzien door het uitgeven van

nieuwe aandelen, zal dit moeten geschieden door:

vergroting van de ingehouden winst en/of
herwaardering van activa.

Het eerste alternatief kan worden bereikt door verminde-ring van het uitkeringspercentage (uitkering van dividend in

aandelen in plaats van in contanten vindt in Nederland
veelvuldig toepassing) dan wel door vergroting van de netto-.
winst. Herwaardering van in prijs gestegen activa is het

tweede alternatief, maar hierbij dient wel te worden bedacht
dat rekening moet worden gehouden met (latente)

belastingclaims, terwijl een hogere waardering van activa

tevens meebrengt dat de afschrijvingen een dienovereen-
komstige verhoging dienen te ondergaan, zonder dat de fis-
cus afschrijvingen op basis van de hogere waardering zal er

kennen 7). De zichtbare netto-rentabiliteit daalt dus bij her

waardering zowel onder invloed van de stijging van het ei-
gen vermogen als ten gevolge van een lagere netto-winst.

Tenslotte bedenke men nog, dat, bij een jaarlijkse
stijging van de vermogensbehoefte van 10% â
15%,
ook het
eigen vermogen met dit percentage zal moeten toenemen

wil de verhouding eigen vermogen : schulden gelijk blijven.

Zelfs als geen cent aan dividend wordt uitgekeerd zou de
netto-rentabiliteit dus 10% â 15% moeten bedragen om zon-
der aandelen-emissie de financiële structuur van de onder

neming te handhaven. In feite is het uitkeringspercentage

van Nederlandse ondernemingen ongeveer 50% 8), zodat de
netto-rentabiliteit bij de gemaakte veronderstellingen
20% â
30% zou
moeten bedragen.
In werkelijkheid was de netto-
rentabiliteit bij de Nederlandse bnursondernemingen (excl.
financiële instellingen) in 1972 slechts 7%.

Deze constellatie leidt vrijwel onherroepelijk tot de nood-

zaak om in de toeneming der financieringsbehoefte te voor-
zien door het opnemen van schulden, hoe ook de verhou-
ding tussen bruto-rentabiliteit en financieringskosten moge
zijn.

Inflatie en de Nederlandse beursonderneming

De lezer van dit betoog zal al dan niet onder de indruk

zijn van het lot dat de onderneming in tijden van inflatie uit
financieringsoogpunt is beschoren, maar zal zich hoe dan
ook afvragen of mét cijfers kan worden aangetoond dat de geschetste theorie in overeenstemming is met de praktijk.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert in haar
Maandstatistiek voor hei Financiewezen
vanaf 1965 interes-
sante gegevens over die Nederlandse ondernemingen, waar-
van de aandelen ter beurze zijn genoteerd. Men zou wensen

dat van het doorploegen der jaarverslagen gebruik werd ge-maakt om de gegevens wat vollediger te maken, maar de er-
kentelijkheid over wat gedaan wordt prevaleert.
Tabel 3 geeft een samenvatting van de gegevens inzake de

gezamenlijke beursondernemingen, evenwel met uit-

zondering van de financiële instellingen 9), voor een drietal
jaren, nl. 1965 en 1972 (het eerste en het laatste jaar waar

voor zij beschikbaar zijn) en als tussenliggend jaar 1969.
Dit tussenliggende jaar is gekozen omdat zich sedertdien
een absolute daling van de winst heeft voorgedaan, welke in
de jaren 1970 t/m 1972 bedroeg:
6,1%,
1,9% en 2,3%.

Tabel 3. Enkele financiële gegevens van Nederlandse

beursondernemingen”, excl. financiële instellingen

965
1969 1972

Totaal vermogen a)

………………..
62.859
92.890
117.587
waarvan:
Egen vermogen a)

b)

……………
36.906
47.745 50.860
Eigen vermogen als
%
totaal

……….
59% 51%
43%
Netto-winst a)

………………….
2.624
3.977
3.550
Netto-rentabiliteit

……………….
7,1%
8,3%
7,0%
Cash flow c) minus uitgekeerd dividend a)

4.207 6.580 6.953

In mln.gld.
IncI. minderheidsbelang.
Netto-winst plus afschrijvingen.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

In een periode, waarin de pnjsindex voor de gezins-
consumptie toenam met
60%,
terwijl de regelingslonen voor

De koerswinstverhouding
(=
koers : winst per aandeel) is het
omgekeerde van de winst als een percentage van de koers, en dit is de z.g. ,,earnings yield”, naast het dividendrendement (dividend als
een percentage van de koers) een norm voor het rendement. Een
hogere eis inzake de ,,earnings yield” is identiek met een lagere
koerswinstverhouding.
Dit betekent dat de cash flow geen verandering ondergaat, door-
dat de netto-winst evenveel daalt als de afschrijvingen stijgen.
Maandsiatistiek voor hei Financiewezen,
1974, blz. 185.
De financiële instellingen zijn buiten beschouwing gebleven, om-
dat zij enerzijds met relatief weinig eigen vermogen kunnen werken
en anderzijds een relatief sterke groei van het totale vermogen
manifesteren. Hierdoor hebben zij een ,,verstorend” effect bij de
verificatie van het inflatie-effect.

ESB 5-2-1975

121

volwassenen ruimschoots verdubbelden, vertoonde ook het

balanstotaal van de gezamenlijke niet-financiële beurs-

ondernemingen vrijwel een verdubbeling. Het eigen vermo-
gen nam evenwel slechts toe met een kleine
40%,
zodat zich
in de financiële structuur van de ondernemingen een duide-

lijke verschuiving heeft voltrokken. Er wordt met relatief
minder eigen vermogen gewerkt, en met relatief meer schul-
den.

In de periode 1965-1969 heeft dit echter geen nadelige ge-

volgen gehad voor de netto-rentabiliteit, deze liep zelfs op

van 7,1% tot 8,3%. Van 1969-1972 evenwel is de renta-
biliteitsvooruitgang van de voorafgaande jaren geheel on-
gedaan gemaakt. De netto-winst is zelfs, absoluut gezien,
gedaald, zodat de winst per aandeel moet zijn afgenomen.
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroeg

deze per f.1.000 nominaal aandelenkapitaal in 1972 f.419,
tegen f.505 in 1969 en f.379 in 1965 10).

Op het eerste gezicht lijkt de ontwikkeling in de tweede
subperiode de ,,theorie van de financiering bij inflatie” te

bevestigen, en die in de eerste subperiode hiermee in strijd te zijn, weliswaar niet wat betreft de verschuiving in de fi-

nanciële structuur, maar wel inzake de netto-rentabiliteit.

De verklaring hiervoor zal kunnen worden gezocht in de
ontwikkeling van de bruto-rentabiliteit: uit tabel 1 is geble-

ken dat volgens de berekeningen van het Centraal Plan-

bureau de rendementen zich in 1969 nog bevonden boven
het gemiddelde niveau van de periode 1964/1968, terwijl zij

eerst daarna op een lager niveau zijn gekomen. Denkbaar is

ook dat het effect van de stijgende rentestand eerst na ver-

loop van een aantal jaren zijn invloed op de netto-renta-
biliteit volledig doet gevoelen, voor zover de rentevoet van
(middel)-lange leningen niet onmiddellijk wordt aangepast.
Een enkel woord nog over het verloop van de cash flow.

Deze is, vergeleken met de netto-winst, ook in de tweede
subperiode blijven toenemen. Er moge minder zijn ver-
diend, er werd echter ruimschoots meer afgeschreven. Men
dient zich evenwel te realiseren dat deze cash flow kan wor-

den beschouwd als een maatstaf voor de capaciteit van een
onderneming om haar schulden, indien nodig of gewenst, af
te lossen. In tabel 4 is de cash flow uitgedrukt als een per-

centage van de lange en korte schulden van de niet-finan-
ciële instellingen.

Tabel 4. Cashfiotv en schulden van Nederlandse ,,beurson-
dernemingen”, excl. financiële instellingen.

1965 1969
1

1972

Lange en korte schulden a) (in mln. gld.)
21.880
38.362
56.627
Cash how b) (in mln. gld.)
…………..
4.207 6.580
6.953
Cash how als
%
schulden
……………
19.2%
17,1%
12,3%

a) Excl. voorzieningen.
bI Minus betaald dividend.
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

Duidelijk blijkt dat de absolute stijging van de cash flow
gepaard gaat met een uitgesproken daling van de aflossings-
capaciteit.

Samenvatting
In totaal bezien lijken de cijfers een bevestiging te zijn

van de conclusies die op theoretische overwegingen werden
getrokken, waarbij erop wordt gewezen dat de beursonder-
nemingen ruim 40% representeren van het door alle Neder-

landse NV’s en BV’s geplaatste aandelenkapitaal II). De
capaciteit van de Nederlandse onderneming om zich met
schulden te financieren neemt onder invloed van een da-
lende bruto-rentabiliteit, stijgende rentelasten en een in on-

voldoende mate toenemende cash flow niet toe, maar af. De
netto-rentabiliteit staat onder druk, en daarmee de moge-

lijkheid om in de toeneming van de financieringsbehoefte te
voorzien door een uitbreiding van het eigen vermogen, het-

zij door winstinhouding, hetzij door uitgifte van nieuwe

aandelen, waarvan de koersen te lijden hebben onder stij-

gende rendementseisen en een druk op de winst per aan-
deel. Herwaardering van activa leidt weliswaar tot een ver

groting van het eigen vermogen, maar tot eèn verlaging van

de netto-rentabiliteit, zonder dat de cash flow stijgt, zolang
de fiscus hogere afschrijvingen niet erkent.
Kortom, de financiering van de onderneming is in een
impasse geraakt.

M. P. Gans

Literatuur

F. W. C. Blom, Inflatie is funest voor financiering van onderne-
ming,
NRC Handelsblad,
Speciale Bijlage,
22
oktober
1974.
A. Bothof, Financiering van de onderneming in de toekomst,
ESB,
1974,
no.
2943.
M. P. Gans,
Inflatie en vermogensstrucluur,
Oratie Rotterdam,
Deventer
1966.
L. Traas, Inflatie en financiering,
Bedrijfskunde, vol.
46,
no. 1.

Appendix

Cijfer voorbeelden inzake verband tussen bruto-rentabiliteit, finan-
ciële structuur, rentevoet en neuo-ren,abiliteii

We gaan uit van de volgende veronderstellingen

Onderneming

A

8

C

Eigen vermogen in gid. ……………..

lOO

50

50
Vreemd vermogen in gid. (schulden)

0

50

150

Hierbij worden de volgende situaties onderscheiden:

Situatie

i
ii
iii
Iv

Bruto-rentabiliteit

……………………..
IS
10
IS
hO
Rentevoet vreemd vermogen

……………..
10
10
12
12
Belastingpercentage

…………………….
50
50
50 50

Tabel 5. Berekening van de netto-rentabiliteit, voor de ver-
schillende ondernemingen en situaties
Situatie
i
ii
iii
IV

Onderneming
A
B
A
B
A
IS
A
B
C

Bruto-resultaat
Rente

………..

Winst

voor beiasting
Belasling
………..

Netto-winst

……..
Netto-rentabiliteit

IS

IS

7(4
7(4%

IS
S

10
S

S
10%

10

10
5
IS

IS
6
10

10
6
20
18

10

5 5


IS

9
7(4

4(4
10

4
5

2
2
1

5


5%

5%
754


7(4%

9%
5

2
5%

4%
1
2%

Situatie 1

De netto-rentabiliteit bij B is hoger dan bij A, daar financiering,
met schulden de netto-rentabiliteit verhoogt als de bruto-renta-
biliteit hoger is dan de rentevoet.

Situatie II

De netto-rentabiliteit is gelijk met of zonder schuldfinanciering (bruto-rentabiliteit = rentevoet). T.o.v. situatie 1 zakt de netto-rentabiliteit meer bij B dan bij A,
daar de rentelasten zijn gefixeerd (,,hefboom-effect”).

Situatie Iii

Het effect van rentestijging op de netto-rentabiliteit is vergelijk-
baar met een daling van de bruto-rentabiliteit.

Situatie IV

Bij C ziet men het gecombineerde effect van een toeneming der
vermogensbehoefte, een relatieve vermeerdering van schulden, een
10) Aangezien deze cijfers niet zijn gecorrigeerd voor claim-emis-
sies en uitkeringen in aandelen heeft de vergelijking slechts een be-perkte betekenis.
II)
Maandstotistiek voor het Financiets’ezen,
jaargang
1974,
blz.
181.

122

Vermogensherverdeling ?

PROF. DR. A. KOLNAAR

Reeds geruime tijd staat de vermogensaanwasde-

ling in Nederland in de belangstelling. De regering

kwam zelfs mei hei voorstel de vermogensherver-

de/ing als onderdeel van de economischepolitiek ie
beschouwen. In dii artikel heschrijfi Prof: Kolnaar,

hoogleraar economie aan de Katholieke Hoge-

school ie Tilburg, hei recente verloop van de ver

mogensverhoudingen. Hij komt onder meer tot de

conclusies dat hei a. niet zal meevallen, de door de

werknemers ge vormde vermogens via pensioenen

en levensverzekeringen waarde vast ie houden en h.

niet duidelijk is vt’ie mag beslissen waarvoor het

maatschappelijke vermogen wordt benut.

Inleiding

In een op privé-eigendom gebaseerde maatschappij vormt
de vermogensverdeling een van de centrale sociale problemen.
Als de oorspronkelijke kapitaaleigenaren steeds meer ver-
mogens accumuleren en de bezitsloze werknemers niet sparen,
zal zich op het eerste gezicht een groeiende vermogens-
ongelijkheid aftekenen. Dat dan de mogelijkheden van her-

verdelingen in deze sfeer een geregelde belangstelling genie-
ten is vanzelfsprekend en bovendien terecht. In ons land is
aan de hiermee samenhangende vragen meermalen aandacht

besteed, onder andere in het SER-rapport over de vermo-

gensaanwasdeling in 1968, of van veel vroegere datum in de
publikaties van bijv. Ch. Glasz ter zake 1).

Nu recentelijk de vermogensherverdeling naast de afro-
ming van .,overwinsten” (wat dat ook zijn moge) als een

onderdeel van de economische politiek van onze regering
opnieuw aan de orde is gesteld, rijst de vraag, wat de even-

tuele opbrengsten van een herverdeling zijn. Wie het elan be-schouwt, waarmee deze plannen naar voren worden gebracht,
moet de indruk krijgen dat het om erg veel gaat. Wie zich de

berekeningen daaromtrent uit vroegere jaren herinnert, zal
zich misschien verbaasd afvragen hoe dat dan wel mogelijk is.

daling van de bruto-rentabiliteit en een stijging van de rentestand. Helaas is het voorbeeld realistischer dan men zou willen geloven.

Een algemene formule, voortvloeiend uit de gehanteerde defi-
nities en het resultatenschema, luidt: netto-rentabiliteit =

t
rTV—iVV

TV—EV
_-(1—t) r-s
” lOO!

EV

‘ EV

waarin:
t = belastingperunage (als belastingvoet = 50%, dan is t: 0,50) = bruto-rentabiliteit (perunage)
= rentevoet schulden (perunage)
TV = totaal vermogen = balanstotaal
VV = schulden
EV = eigen vermogen.

Wie vanuit een misschien al te grote gewenning aan wat in vroegere jaren gebruikelijk was, vraagt hoe het plan van de
campagne van de betrokkenen eruit ziet waarin het antwoord
op zulke vragen mogelijk te lezen staat, komt tot de ontdek-

king dat zo’n plan van regeringswege niet is gepubliceerd,
noch met de sociale partners in goed overleg is doorgespro-
ken. In dit artikel zal getracht worden het feitelijke, recen-

te verloop rond de vermogensverhoudingen te schetsen.

Maatschappelijke en private vermogens

Onder economen is het gebruikelijk een onderscheid te ma-

ken tussen het actieve gemeenschappelijke of maatschappe-
lijke vermogen en het passieve vermogen. Het totale vermo-
gen in een land wordt gevormd door de kapitaalgoederen-
voorraad, nI. de optelsom van machines, bedrijfsgebouwen,

dijken, wegen en wat dies meer zij. Dit produktieve vermogen

speelt een belangrijke rol in de totale voortbrenging van een
land, dus bij de totstandkoming van het nationale inkomen.
Het is gevormd door de investeringen van bedrijven en de

overheid, en bestaat uit gemeenschappelijke en passieve ver-
moge ns.

De term passieve vermogens wordt gereserveerd voor de persoonlijke vermogenstitels van particulieren zoals aande-

len, obligaties, woningbezit enz. Het passieve vermogen geldt

als een arbeidsloze inkomensbron voor de kapitaaleigenaren.
Juist daarin is het aantrekkelijke ervan gelegen. Vermogen
dat niets opbrengt is niets waard. In de vragen rond de ver-

mogensverdeling speelt het passieve vermogen een centrale

rol. Herverdeling van het gemeenschappelijke vermogen heeft
sociaal-economisch weinig zin: het zou een vestzak-broekzak-
politiek zijn.

Afgezien van een abrupte socialisatie of onteigening kan
een herverdeling van het passieve vermogen slechts gaan langs

de weg van de herverdeling van de eruit voortvloeiende ar-

beidsloze inkomens. In de discussies hieromtrent is er steeds
van uitgegaan dat aan de oorspronkelijke kapitaaleigenaren
een redelijke beloning over het door hun geïnvesteerde ver-
mogen moest blijven toevallen. Wat in dit kader redelijk of
rechtvaardig is blijft voor mij een open vraag, maar gezien de
feitelijke ontwikkelingen zoals deze hierna geschetst zullen
worden, lijkt zij alleen nog maar academisch van aard.

Aandelen en dividenden

Onder het passieve vermogen neemt het aandelenbezit een
belangrijke plaats in. Officiële gegevens hierover zijn van min-

der goede kwaliteit dan wij mogelijk zouden wensen. (Voor

1) Prof. Dr. C. H. Glasz,
Nieun’e vermogens verhoudingen,
Dies-rede
NEH, Stenfert Kroese NV, Leiden, 1958 of Tien jaar ontwikkeling van de vermogensstructuur in de Herstelbankbundel
Tien/oor eco-
nomisch leven in Nederland,
Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1955.

ESB
5-2-1975

123

het maatschappelijke vermogen geldt dit overigens in nog veel
sterkere mate). De dividendinkomens zijn slechts indirect via

de opbrengsten van de dividendbelasting te achterhalen, en-

kele sporadische gegevens in de inkomens- en vermogens-
statistieken van het CBS daargelaten.

In tabel 1 zijnde dividendinkomens voor enkele jaren weer-

gegeven. In verhouding tot de produktie van bedrijven tegen
factorkosten als wel in verhouding tot de bedrijfswinsten

neemt het aandeel ervan af in de naoorlogse jaren, nadat ten
opzichte van de periode voor de tweede wereldoorlog reeds
een sterke teruggang is opgetreden 2). De gegevens zijn ont-

leend aan de nationale rekeningen van het CBS.

Tabel 1. Dividenden

Jaar
Divid.belas-
Belasting-
Dividenden Dividenden Dividenden
ting (mln,
tarief
(mln. gld.)
in
36
prod. in
%
netto
gld.)
factorkosten
bedrijfs.
winsten

1954
93
5%
620
3.3
12,9
958
64
5%
1093
4,3
18,8
1962
134
15%
893
2,6
11,8
384
25%
536
3,0
16,8
966
………
970……..492
25%
968
2,5
4,6
1973……..506
25%
2023
1,8
10.9

In tabel 1 wordL onder netto-bedrjfswinst het overig

inkomen van bedrijven verstaan, verminderd met de toegere-
kende inkomens van zelfstandigen en met de vennootschaps-
belastingen. Volgens de uitgevoerde berekeningen zijn de

aandeelhouders er niet in geslaagd hun relatieve inkomens-

aandeel, noch in procenten van de produktie noch in die van
de winsten te handhaven. Daarbij zij aangetekend dat het

hier gaat om bruto-dividenden. Gezien het gestegen tarief van

de dividendbelasting en van de (progressieve) inkomsten-
belasting zal deze tendentie voor de netto-dividenden na be-
lasting nog sterker zijn. Een veelbetekenende aanwijzing

omtrent de macht van deze groep, ondanks de populaire ver-

halen over hun invloed via de bedrijfsdirecties en het hoger
personeel als hun z.g. ,,vazallen”! Het is bovendien een eerste

aanwijzing omtrent de maatschappelijke betekenis van het
aandelenbezit als passief vermogen.
Het in tabel 1 naar voren komende beeld kan verder
worden ontwikkeld met behulp van tabel 2. Daarin is aan de
hand van de winststatistieken van het CBS weergegeven wat

het gemiddelde rendement (weer v66r belasting) van aande-

len in de achter ons liggende periode heeft gedaan; hierbij
wordt een onderscheid gemaakt tussen de nominale en de
reële cijfers.

Uit tabel 2 blijkt het nominale rendement zich te handha-ven, terwijl het reële rendement op aandelen negatief is ge-

worden 3). De stabilisering van het nominale rendement ging
daarbij ten koste van vermogensverliezen, daar de koersen
sinds 1965 ook mcl. ,,stocks” afbrokkelden. Informaties
daaromtrent geeft de Algemene Beursindex welke gepubli-
ceerd wordt in de Maandstatistiek Financiewezen
van het
CBS: in juni 1974 is volgens deze index de beurswaarde zelfs
6 punten lager dan in 1963, ondanks de inflatie. Men kan
hieruit opmaken dat het aandeel van dit passieve vermogen in

ons totale vermogen moet zijn teruggelopen; de opstellingen

in tabel 2 geven bovendien aan dat het aandelenbezit als
reële inkomensbron totaal is gedegradeerd. Een inkomens-

bron, die reëel gezien geen positieve beloningsvoet meer op-

levert, heeft zijn betekenis verloren. De kapitalisten hebben
het evoluerende kapitalisme niet kunnen overleven: reëel

gezien is er geen passief vermogen in de vorm van aandelen-

bezit meer. Wat dat betreft is er dus alleen nog gemeen-
schappelijk vermogen.

Met de bovenstaande cijferopstellingen en de daaruit
voortvloeiende gevolgtrekkingen is raadselachtig wat in deze
vermogenssfeer nog moet worden herverdeeld. Bij constante

koersen zou het dividend in 1973 ongeveer moeten worden
verdubbeld, ten koste van bijv. de ingehouden winsten om de
oude kapitaaleigenaren de ,,redelijke” reële beloning van 0%

Tabel 2. Het gemiddelde rendement van Nederlandse Ier

beurze genoteerde gewone aandelen

Jaar
Gemiddelde
Dividend
Gem.rende.
Prijsmutatie
Itebel rem
koers
(verstreken
mml (nomi-
van cons.
ment a)
boekjaar,
naal, in %)
goederen
in %)

255
11,3
4,4
3,9
0,5
1958
352
14,6
4,1
1,6
2.5
502
18,1
3,6 2,6
1,0

1954
………

372
19,4
5,2
5,4
-0,2
1962
………

463
22,4
4,8 4,5 0,3
1966
………
1970
………
1971


4,7 b)
8,1
-3,4
1973
– –
4,3 b)
9,0
-4,7

Bron: Winslstalistieken 1964 en 1970, CBS. Berekend Uit Gemiddeld rendement en prjsmntatie van Consumptiegoederen.
Bron: Maondsiatisnek Financiee’ezen,
CBS, 1974, blz. 559.

te geven (v6ör belasting, na belasting blijft zij dan nog nega-
tief). Ik neem aan dat dit met de huidige vermogensherverde-

lingsplannen niet wordt beoogd. Anderzijds kan ik ook niet
geloven dat het doel van deze plannen het overhevelen van
reële negatieve, passieve vermogens naar de werknemers is,
want dan zou men deze groep met inkomensverlagingen op-

zadelen. Maar dan blijven nog maar twee mogelijkheden

over: 6f de waarheid ligt in het midden hetgeen impliceert dat

de ideeën wel worden gelanceerd zonder dat men ze ook uit
wil voeren, 6f de plannenmakers beseffen niet wat ze precies
voorstellen.

Het is niet moeilijk om na te rekenen dat het met de bezit-
ters van rentedragende vermogenstitels als obligaties niet veel

beter gesteld is dan met de aandeelhouders. Voor zover de
reële beloningsvoet van deze titels – hoewel inmiddels zeker
na belasting ook negatief – iets hoger uitvalt dan die van de
aandelen zou men kunnen spreken van uitbuiting van de ene
vermogensbezitter door de andere. Maar daar worden we in
het kader van de vermogensherverdeling ook niet veel wijzer
van.

Slot

Het zal in ons land een hele toer zijn om de door de werk-
nemers gevormde vermogens via pensioenen en levensver-
zekeringen waardevast te houden. Dit gezien de ontwikke-
lingen bij de passieve vermogens in de vorm van aandelen.
De laastbedoelde inkomensbron moet immers inmiddels als

een negatieve worden gekwalificeerd. Daardoor valt er in het
vlak van de vermogensherverdeling vooralsnog ook niets

meer te bereiken: er is alleen nog maar gemeenschappelijk
vermogen.

Open blijft de kwestie wie mag beslissen over de aanwen-

dingsrichting van dat maatschappelijk vermogen en de aan-
was ervan. Een principiële zaak kan daarvan, juist omdat het

om gemeenschappelijk vermogen gaat, nauwelijks worden

gemaakt. Integendeel, meer dan ooit is de kwestie van belang
op basis van welke criteria beslist gaat worden. Het aanwij-
zen van degenen die met zulke criteria uitgerust de investe-
ringsbeslissing uiteindelijk gaan nemen zal via goede selectie-
procedures moeten geschieden. Of een tot nivelleren

neigende democratie zo’n selectiesysteem kan vervangen is
zeer twijfelachtig, al was het alleen maar omdat de goeden dan

minder kansen hebben om met hun kwaliteiten ontdekt te
worden. Vanzelfsprekend staat de noodzaak van een demo-cratische controle achteraf buiten kijf.

A.
Kolnaar

De ,,dividendinkomensquote” lag in 1938 nog op ongeveer 4,5%
(mcl. tantièmes). Zie bijv. Prof. Ch. Glasz,
Nieuti’e vermogensver-houdingen.
Rekening houdend met een gezamenlijke dividend- en inkomsten-
belasting van 50% over het nominale rendement worden positieve
netto reële rendementen in de naoorlogse periode bijna helemaal niet
meer aangetroffen.

124

n
1I~-)

Toets op taak

De YF 16, maar wat nu?

DRS. N. C. M. VAN NIEKERK

De stuurgroep van deskundigen uit België, Denemarken, Noorwegen en
Nederland heeft de YF 16 van General Dynamics aanbevolen als opvolger

van de nu in gebruik zijnde starfighier; de F104 G. Een definitieve beslissing

is daarmee nog niet gevallen, maar bij de huidige stand van zaken is het on-

waarschijnlijk dat de bewindslieden van Defensie van de betreffende landen
dit advies niet zullen volgen. Betekent dit, dat als het parlement zijn flat aan

de aankoop heeft verleend, deze zaak verder aan de regering moet worden

overgelaten?
Wij
menen van niet. Met de wijze waarop aan dit besluit uitvoe-

ring zal worden gegeven, zijn zulke grote financiële belangen gemoeid dat

ook het verdere verloop de aandacht van het parlement

en dan niet alleen

van de defensiespecialisten

èn van de publieke mening behoort te houden.

Dat geldt met name voor de wijze waarop de afsluiting van de contracten gaat

plaatsvinden.

Het
belang van investeringsprojecten

De vervanging van de F 1040 heeft

in brede kring veel aandacht gehad. Te-
recht, want volgens ramingen in de
Defensienota
is er een bedrag van f. 2,3
mrd. mee gemoeid 1). Minder bekend is,

dat de
vervanging
van de
,,oude”
star-
fighter
maar een
onderdeel is van
het

totale investeringsprogramma
van

Defensie, waarbij volgens de
Defensie-

nota voor de jaren 1974 tot 1984 een
bedrag van ruim f. 17 mrd. is gemoeid
(in constante prijzen van 1974) 2). De
uitgaven
van
de belangrijkste investe-
ringsprojecten worden geraamd, zoals

in tabel 1 is aangegeven 3).

Besluitvorming

Dat de internationale stuurgroep uit-
eindelijk de YF 16 heeft gekozen, wekt

niet zo’n verbazing. Vanuit internatio-

naal-politiek en militair-technisch oog-
punt hébben de Amerikaanse toestellen
YF 16 en YF 17 bij’de luchtmachtdes-
kundigen vanaf het begin de voorkeur
gehad. Het is jammer dat er over de
vorm’waarin het afwegingsproces is ge-
goten en het
criterium
waarmee de alter-
natieven zijn. vergeleken, zo weinig naar

buiten is gekomen.

Nu is dat ook een uiterst gecompliceer-

de zaak. Ervaringen in de Verenigde

Staten hebben geleerd dat een zuivere
afweging van voor- en nadelen of, meer

toegespitst, van kosten en opbrengsten,

ernstig kan worden vertroebeld. Dat
heeft dan met name betrekking op het

Tabel 1. Belangrijkste
in vesteringspro-

jecten
van
het Ministerie
van Defensie a)

197411978
197911983

5-fregaiten (Ie, 2e en 3e serie)
. . .
805
1.336

Opvolger F 1040
570 .550
(excl. bijkomende koslen) ……..

vervanging Centuriontank
698

Vervanging wielvoertuigen
247
315

a) In miljoenen guldens; in constante prijzen van 1974..

kostenaspect. Zo hebben Amerikaanse

schrijvers erop gewezen dat een onder-

neming

om een militaire opdracht te

krijgen

vaak een bod doet dat aan-

zienlijk beneden de feitelijke kosten-
raming ligt. Heeft de regering vervolgens
voor de aankoop de goedkeuring van het

Congres verkregen, dan zal de onderne-

ming niet schromen alsnog van de
overheid de ,,onvoorziene kosten” ge-

financierd te krijgen 4).

In veel gevallen is er in het geheel geen
sprake van een keuze
Uit verschillende

aanbiedingen. Daarmee doelen we op de
eveneens in de Verenigde Staten gesigna-
leerde verschuiving in de naoorlogse

periode van het aangaan van contracten
op basis van ,,wild competitive bidding”
naar contractafsluiting ,,behind closed

doors”. Dat is het gevolg geweest van de
zogenaamde ,,Armed Services Procure-

ment Act” uit 1947, waarmee het Penta-
gon vrijwel volledige vrijheid van hande-

len kreeg bij het afsluiten van contrac-
ten 5).
Bekende auteurs als Galbraith,
Melman en Kaufman trekken al jaren-
lang flink van leer tegen dit verschijnsel
dat in de Angelsaksische literatuur be-

kend staat als het ,,Military-lndustrial
Complex” 6).
Kostenoverschrijdingen en
contracivormen

Nu mag men de in het verleden en he-

den in de Verenigde Staten geconstateer-
de nauwe relaties tussen militaire top en

ondernemers niet zonder meer van toe-
passing verklaren op de vervanging van

de huidige starfighter. Wel blijft deze vervanging een gecompliceerde zaak.
Door elkaar zullen, bij een definitieve
keus op de YF 16, betrekkingen plaats-
vinden tussen de Nederlandse regering
en die van de Verenigde Staten en tussen
beide landen afzonderlijk en General
Dynamics, de fabrikant van het nieuwe

toestel. Onverminderd van toepassing

blijft ook het sluipende gevaar van toe-

Zie
Defensienota,
1974, blz. 66.
Defensienota,
blz. 27.
Defensienota,
1974, bIg. 58-68.
S.
Melman,
Pentagon
capitalism,
1970.
Vgl. Arthur Smithies,
The budgetary
process in the United States,
New York,
Toronto, Londen, 1955, blz. 298 e.v.
Zie o.a. The economies of the military-
industrial complex, The .4merican Economic
Review, mei 1972, blz. 279-319. J. K. Gal-
braith, How to control the military,
New
York, 1969.

ESB 5-2-1975

125

komstige kostenoverschrijdingen. Niet

alleen als gevolg van de nu eenmaal
moeilijk te stuiten inflatie, maar even-

zeer van een mogelijk te lage raming van

General Dynamics.
Op het moment dat de YF 16 de defi-
nitieve vervanger van de huidige star-

fighter wordt, ontstaat een nieuwe fase

in het aankoopproces: die van het feite-
lijke afsluiten van het contract. Daarbij

gaat het om de uiteindelijke prijsvaststel-
ling, het opvangen van onvoorziene kos-ten, leveringstijden e.d. Het zal duidelijk
zijn dat een optimale vaststelling van het
contract althans een deel van de moge-
lijke kostenoverschrjdingen kan tegen-

houden.
In Engeland heeft men wat dat betreft

gunstige ervaringen opgedaan. Op 24
januari 1964 zag de Britse regering zich

genoodzaakt een onafhankelijk onder-

zoek te laten instellen naar ,,the
circumstances in which the prices agreed

by the Ministry of Aviation fora contract

for the supply of guided weapons may

have allowed an excessive profit to the

firm concerned” 7). In de rapporten naar
aanleiding van dat onderzoek wordt veel

aandacht besteed aan de verschillende
contractvormen. De rapporteurs onder-

scheiden 8):
fixed price;
cost plus;

target cost.

Ad t.
Bij een ,,fixed-price”-contract

komen de producent en de koper een
prijs overeen op basis van verwachte

kosten aangevuld met een vast winst-

percentage. Het risico bij kostenover-

schrijdingen is in dit geval geheel voor de
producent. In het algemeen geldt als een
belangrijk nadeel van een dergelijk con-

tract dat de producent pas definitief het
contract afsluit wanneer hij een behoor-
lijke winst heeft weten veilig te stellen.

In bepaalde omstandigheden, met name
wanneer er sprake is van ,,equality of in-
formation” tussen beide partners kan de

,,fixed price” toch de aangewezen weg

zijn.

Ad2.
Wanneer de opdrachtgeverzich

volledig garant stelt voor de kosten plus
een winstpercentage, wordt gesproken

van een ,,cost-plus”-contract. Algemeen
wordt deze contractvorm zonder beper-

kende clausules als de meest verwerpelij-
ke gezien. De producent ontvangt zijn

geld of hij nu goed of slecht, snel of traag

werkt. Dat deze contracten toch zo’n
hoge vlucht hebben kunnen nemen, is
wel verklaarbaar. Enerzijds vanwege de
eerder genoemde relatie tussen de mili-
taire leiding en de producenten. Ander-
zijds, en dat staat niet los van, het voor-
gaande, wordt bij een bepaalde produ-
cent vaak een eerste order geplaatst

voordat de research- en ontwikkelings-
fase van het nieuwe materiaal is vol-
tooid. De producent kan zich dan beroe-

pen op onwetendheid of onzekerheid
over de nog te maken kosten.

Ad 3.
Bij de zogenaamde ,,target-
cost”-contracten trachten de partijen de

te verwachten kosten zo nauwkeurig

mogelijk vast te stellen. Deze kosten

worden dan de ,,target”-kosten genoemd.

Het winstpercentage kan op basis hier-
van, maar ook op basis van de feitelijke

kosten worden vastgesteld. Bij een der-

gelijk contract moet overeengekomen
worden, wie in welke mate het risico

draagt bij een overschrijding van de

,,target”-kosten. in het omgekeerde
geval, wanneer de feitelijke kosten lager

uitkomen dan de ,,target”-kosten, zal er
een verdeelsleutel moeten zijn voor deze
meevallers. In feite is hier sprake van een

contractvorm die tussen de ,,fixed price”
en de ,,cost plus” in ligt. Al naar gelang

de verdeelsleutel in het voordeel van de
producent of de koper uitvalt, komt het
contract dichter bij de ene resp. de ande-
re vorm uit.

Deze rubriek wordt verzorgd door het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven

Met deze drie contractvormen zijn al-

leen de hoofdvormen aangegeven. Aller-
lei verfijningen zijn mogelijk. Zo valt

bijv. te denken aan een. overeen te komen
vaste winstsom in plaats van een per-

centage. De Britse rapporteurs spreken

hun voorkeur uit ten gunste van de
,,fixed-price”-contracten, mits de prijs
kan worden gerelateerd aan een duidelijk

omschreven taak en beide partijen

genoeg kennis hebben om de werkelijke produktiekosten in een vroeg stadium te

kunnen vaststellen.
Tot welke contractvorm uiteindelijk

wordt besloten, is in het algemeen vooral
afhankelijk van:
• de mate waarin de koper bindingen
heeft met de producent in de vorm van
bestaande samenwerkingsverbanden

en verleende opdrachten;
• de mate waarin de koper geïnformeerd

is over de wijze waarop de kostenra-
mingen bij de producent tot stand
komen en kostenontwikkelingen tij-

dens de produktie kan volgen 9);

• de machtspositie van de koper ten
opzichte van de producent.

Slotopmerkingen

Het is voor het parlement op dit
moment een uiterst moeilijke zaak om

het binnenkort te nemen regeringsbe-
sluit te kunnen toetsen door een gebrek
aan informatie. Het parlement zal moe-
ten aandringen op die informatie van de

uitgebrachte adviezen, opdat een ver-
antwoord oordeel kan worden gevormd.
Men zou kunnen stellen dat de rol
van het parlement nadat het zich met de
keuze van het nieuwe vliegtuig heeft ver-

enigd en daarvoor de nodige gelden
beschikbaar heeft gesteld, in dit verband

is beëindigd. Het afsluiten van het

contract en de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden zouden in die opvatting

een zaak van de uitvoerende macht zijn

en het parlement zou dan alleen achteraf

controle kunnen uitoefenen. Daarbij

zou men echter voorbijgaan aan het feit

dat het hier gaat om een meerjarige beste-
ding. Het parlement moet ook in de be-

grotingen voor de komende jaren bedra-
gen beschikbaar stellen. Bovendien zijn
de aan te gane overeenkomsten van grote

invloed op de bedragen die in de komen-
de tien jaren nodig zullen zijn. Onze
conclusie luidt dan ook dat het parle-

ment, meer dan tot nu toe het geval is
geweest, zijn aandacht zal moeten rich-

ten op de wijze waarop de regering zich
op dit moment aldoor overeenkomsten

heeft gebonden aan bepaalde produ-
centen of leveranciers en de wijze

waarop dit in de toekomst gaat gebeuren.
Wat dit betreft kunnen parlements-

leden aansluiting vinden bij wat Richard

Kaufman in 1972 schreef ten behoeve

van het Amerikaanse Congres:
,,Congress ought to require by statue that

it be kept fully and currently informed
with respect to all military procurement

activities. There is presently an appelling

lack of information about military
contracts” 10).

Niko
van Niekerk

First and second report
of
the inquiry into
the pricing
of
Ministry
of 4
viation contracis,
Londen,
1964, 1965,
blz. 1.
De rapporteurs noemen ook nog een vierde
vorm: ,,maximum price”. Deze kan echter als
een bijzonder geval van de ,,cost plus” worden
gezien.
Een belangrijke aanbeveling van de schrij-
vers van het Britse rapport is dat de koper het
recht op ,,equality of information” moet vei-
ligstellen door middel van een contractvoor-
waarde.
Richard Kaufman, MiRVing the
Boondaggle: contracts, subsidy and welfare
in the aerospace industry,
The American
Economic Review,
mei
1972,
blz.
295.

Esb
Mededeling

Studiereis Shoppingcentra naar
Duitsland

De studiegroep Shoppingcentra orga-

niseert op 21, 22 en 23 april 1975 een

studiereis naar Duitsland, met name
naar het gebied in en om Keulen.

Tijdens deze studiereis zal uitgebreid
aandacht worden geschonken aan de

renovatie van stadscentra, en zal in
samenwerking met het Institut fOr

Selbstbedienung onder leiding van
Dr. Henksmeier een evaluatie worden
gehouden over de ontwikkeling van de
distributiekanalen in Duitsland. Pro-
gramma voor deze reis kan worden
aangevraagd bij: Stichting Studie
Centrum Distributie, Nijverheidstraat 3,
‘s-Hertogenbosch, tel.: (073) 14 16 70.

126

.
Europa-bladwijzer

Industriële eigendomsrechten

en het recht van de

Europese Gemeenschappen

Tot de belangrijkste arresten die

het Hof van Justitie van de Europese

Gemeenschappen het vorige jaar

heeft gewezen, behoren ongetwijfeld

de drie arresten die de verhouding

betreffen tussen de industriële

eigendomsrechten, vooral het oc-

trooi- en merkrechi, en het Euro-

pese gemeenschapsrecht. Het betreft

hier het arrest in de zaak HA G 1)

en de twee arresten in de zaak Cen-

trafarm 2). Deze arresten spelen niet

alleen een belangrijke rol bij de ont-

wikkeling van het Europese recht,

maar zij zijn ook economisch van

belang in verband met de gevolgen

die deze rechtspraak heeft enerzijds

voor het vrij verkeer van goederen

en anderzijds voor de uitoefening

van de industriële eigendomsrechten

binnen de EG.

In deze bladwijzer zal van beide

arresten een korte analyse worden

gegeven. Om ze in hun kader te

plaatsen zal eerst iets worden gezegd

over de spanning die er bestaat

tussen de nationale industriële eigen-

domsrechten en het Europese ge-
meenschapsrechi. Vervolgens zal
worden bekeken welke oplossing

het Hof van Justitie tot nu toe voor

deze problemen heeft gevonden.

Dan volgt een uiteenzetting van de

inhoud van de arresten en tot slot

zullen enkele conclusies worden

getrokken.

Spanning tussen de industriële eigen-
domsrechten en het Europese gemeen-
schapsrecht

Industriële eigendomsrechten geven
degene die er recht op heeft een wettelijk
beschermd monopolie. Zij zijn dus terri-
toriaal begrensd, in die zin dat deze
rechten slechts gelden in het land dat ze

heeft verleend. De inhoud ervan wordt
door iedere nationale wet bepaald. De

houder van een Nederlands octrooi
bijv. heeft het in de octrooiwet erkende
en omschreven uitsluitende recht om het

door het octrooi beschermde produkt
in Nederland te fabriceren en als eerste

op de markt te brengen. Indien een

ander, bijv. iemand die in België een

octrooirecht heeft op hetzelfde produkt,

het produkt als eerste in Nederland op
de markt brengt, kan de Nederlandse

octrooihouder een inbreukactie tegen
hem instellen.

Het Europees gemeenschapsrecht be-
oogt een juridisch kader te scheppen
voor een gemeenschappelijke markt van
de negen landen van de EG met onder

meer een volledig vrij verkeer van goede-

ren. Het gemeenschapsrecht heeft ten doel alle economische grenzen tussen

de lidstaten te laten verdwijnen en een
onvervalste mededinging tussen onder-

nemingen in de EG te verzekeren.
Op twee manieren kan er nu een

spanning ontstaan tussen de nationale
industriële eigendomsrechten en het
gemeenschapsrecht. In de eerste plaats
kunnen de industriële eigendomsrech-
ten onderwerp zijn van overeenkomsten,
waardoor de mededinging op de gemeen-

schappelijke markt wordt beperkt. Een
octrooihouder die in meerdere lidstaten
parallelle octrooien heeft kan bijv. zijn
recht in één lidstaat overdragen en

daarbij bepalen, dat degene aan wie hij
dit recht heeft overgedragen, het moet
gebruiken om import van hetzelfde

produkt uit andere lidstaten tegen te
gaan. Een dergelijke overeenkomst kan

in strijd zijn met de mededingingsregels
in het
EEG-Verdrag
(art. 85).

Ten tweede is het ook mogelijk dat de

uitoefening van industriële eigendoms-

rechten, ook zonder dat er sprake is van
een overeenkomst, in strijd komt met
het gemeenschapsrecht. Dit is bijv. het

geval indien een oetrooihouder zijn
recht gebruikt om import uit andere lid-
staten te weren. Een dergelijk gebruik
van het octrooirecht kan in strijd komen

met de regels inzake het vrij verkeer
van goederen (art. 30 e.v.
EEG- Verdrag).
Weliswaar bevat het
EEG- Verdrag
een
uitzonderingsbepaling op deze regels

(art. 36), welke zegt dat beperkingen op
het vrij verkeer van goederen toegestaan
kunnen zijn indien zij ,,gerechtvaardigd

zijn . . . . uit hoofde van bescherming
van de industriële en commerciële eigen-

dom.”, maar artikel 36 voegt eraan toe

dat ze geen middel mogen zijn ,,tot wille-

keurige discriminatie noch een verkapte

beperking van de handel tussen de lid-
staten vormen”. De vraag rijst of art. 36
EEG- Verdrag
de md ustriële eigen-
domsrechten geheel immuun maakt voor

de toepassing van de regels betreffende

het vrij verkeer van goederen of dat deze
regels toch nog enige beperking kunnen
vormen op de industriële eigendoms-
rechten.

Over deze problematiek heeft het Hof
van Justitie sinds 1966 een aantal arres-
ten gewezen, waarvan wij hieronder een korte samenvatting zullen geven.

De jurisprudentie van het Hof van
Justitie tot 1974

Voorop moet worden gesteld dat het

Hof van Justitie in alle arresten ter zake een onderscheid maakt tussen het speci-

fieke voorwerp en de uitoefening van de

industriële eigendomsrechten 3). Uit
artikel 36
EEG-Verdrag
leidt het Hof
af dat het
spec(fleke
voorwerp
van de
industriële eigendomsrechten door het
gemeenschapsrecht onaangetast blijft,
maar dat aan de
uitoefening
van het
recht het gemeenschapsrecht beperkin-
gen kan opleggen. Wat tot het specifieke

voorwerp behoort, wordt niet bepaald
door het nationale recht, zoals veel

Duitse auteurs lange tijd dachten, maar

door het gemeenschapsrecht.
Het eerste hierboven genoemde span-

Arrest van 3juli 1974, zaak 192/73, nog
niet gepubliceerd.
Arresten van 31 oktober 1974, zaken 15/74
en 16174, nog niet gepubliceerd.
Arrest van 13 juli 1966, gev. zaken 56 en
58/64 (Grundig/Consten), Jurisprudentie
XII, blz. 449. Arrest van 29 februari 1968,
zaak 24/67 (Parke Davis), Jurisprudentie
XIV, blz. 81. Arrest van 18 februari 1971,
zaak 40/70 (Sirena/ Eda), Jurisprudentie
Xvii, biz. 69. Arrest van 8 juni 1971, zaak 78/70 (DGG/Metro), Jurisprudentie XVII,
blz. 487. Vgl. H. W. Wertheimer, Europees kartelrecht anno 1973,
Europese Monogra-
fieën
nr. 16, Deventer, 1973, blz. 113 e.v.
en dezelfde
in
European compefition po/icy,
Europa Instituut Leiden, 1973, biz. 203 e.v.

ESB 5-2-1975

127

ningsveld, de eventuele onverenigbaar-

heid van de uitoefening van de indu-

striële eigendomsrechten met het Euro-
pese mededigingsrecht (artt. 85, 86
EEG-

Verdrag), is
in twee arresten betreffende

het merkrecht, Grundig/Consten en

Sirena/Eda, aan de orde gekomen.
In de zaak Grundig/Consten ging het

om een overeenkomst waarbij Grundig
aan Consten het merk GINT in Frankrijk
overdroeg. Deze overeenkomst was een onderdeel van een hele operatie, die ten

doel had Consten in Frankrijk een

absolute gebiedsbescherming te geven.
De tweede zaak, Sirena/Eda, betrof

eveneens een merkoverdrachtsovereen-

komst, die echter al in 1957 was ge-

sloten tussen een Amerikaanse onder-
neming Mark Allen en Sirena voor de
Italiaanse markt. Terzelfder tijd had

Mark Allen hetzelfde merk ook overge-

dragen aan een Duitse onderneming.

Zowel Consten als Sirena probeerden
nu met behulp van hun merkrecht import

uit andere lidstaten van produkten met
hetzelfde merk tegen te gaan.
Ofschoon het in de eerste zaak ging

om een overeenkomst welke een markt-
verdeling ten doel had en dit in de tweede

zaak niet het geval leek te zijn, oordeelde
het Hof beide overeenkomsten onver-

enigbaar met artikel 85
EEG- Verdrag.

De uitkomst lijkt wel bevredigend wat
betreft de zaak Grundig/Consten: een
verdeling van de markt is immers een

van de ernstigste overtredingen van art.

85
EEG-Verdrag.
Anders is het echter

in de zaak Sirena/Eda, waarin het Hof

uitspreekt: ,,dat, indien met een beroep
op het merkrecht de invoer wordt ver-hinderd van uit verschillende lidstaten

afkomstige produkten, welke hetzelfde
merk dragen, dan artikel 85 van het

EEG-Verdrag
van toepassing is, wan-
neer de merkgerechtigden dat merk, of
het recht op gebruik ervan, hebben ver-
kregen ingevolge hetzij tussen hen zelf,
hetzij met derden gesloten overeen-komsten”. Dit zou betekenen dat de
merkgerechtigde zijn recht niet kan ge-
bruiken tegen derden met wie hij in geen
enkele juridische, economische of orga-

nisatorische relatie staat. Het is de vraag
of het Hof dit zo heeft bedoeld. In ieder

geval kan men uit deze arresten afleiden

dat degene aan wie een merkrecht door

overeenkomst is overgedragen, in strijd
handelt met art. 85
EEG- Verdrag
indien

hij zijn recht gebruikt om import te
weren van produkten die hetzelfde merk
voeren en indien hij in een juridische,

economische of organisatorische relatie
staat tot degene wiens produkten hij wil
weren. Dit geldt echter alleen voor het

merkrecht; over het octrooirecht heeft
het Hof nog geen uitspraak gedaan.
De verhouding tussen de industriële eigendomsrechten en de regels inzake
het vrij verkeer van goederen, het tweede
spanningsveld, is onderwerp geweest

van het arrest in de zaak DGG/Metro.
Het ging hier om het recht op geluids-
dragers, een door het Duitse recht erkend

industrieel eïgendomsrecht, dat door

het Hof bestempeld werd als een aan het

auteursrecht verwant recht, maar naar

onze mening ook veel lijkt op het octrooi-
recht. Metro had volgens DGG inbreuk

gemaakt op dit recht door grammofoon-
platen, die in Frankrijk door een

dochteronderneming van DGG waren
vervaardigd in te voeren en onder de

vastgestelde prijs te verkopen. Het Hof
van Justitie, dat hierover een vraag

kreeg voorgelegd in het kader van de

prejudiciële procedure (art. 177
EEG-

Verdrag),
oordeelde dat het in strijd is

met de regels inzake het vrij verkeer van

goederen binnen de EG wanneer een
fabrikant van geluidsdragers zijn wette-
lijk erkend uitsluitend recht uitoefent

om te verhinderen dat in die lidstaat

produkten in de handel worden gebracht

die door hem zelf of met zijn toestem-
ming in een andere lidstaat op de markt

zijn gebracht. We zien dus dat ook hier

de uitoefening van het industriële
eigendomsrecht niet in strijd mag zijn

met het fundamentele beginsel van het
vrij verkeer van goederen binnen de EG.
Na de hier besproken arresten bleven

nog enige vragen over. Deze vragen be-
treffen vooral de kwestie of overeen-
komsten over de uitoefening van het

octrooirecht onder art. 85
EEG- Verdrag

kunnen vallen en het punt of de recht-spraak van het DGG/Metro-arrest van
toepassing verklaard kan worden op het

octrooi- en merkrecht. Op deze vragen

is in de arresten HAG en Centrafarm een

antwoord gegeven.

Het arrest HAC

De verhouding tussen het gemeen-
schapsrecht en het nationale merkrecht

kwam ter sprake in de zaak HAG. HAG
is een bekend merk voor koffie van de
Duitse onderneming HAG AG. in de
jaren dertig had deze onderneming het

recht op het merk HAG in België en
Luxemburg overgedragen aan haar
Belgische dochteronderneming. Na de
oorlog werd het vermogen van HAG in
België geconfisceerd en daartoe behoor-

de ook het recht op het merk HAG.
Dit recht is vervolgens verkocht aan een

Belgische onderneming die nu voortaan
koffie onder het merk HAG in België

en Luxemburg op de markt brengt.
De Duitse HAG verkocht ook koffie

op de Belgische en Luxemburgse markt,
maar onder het merk Decofa. De ver

koop hiervan liep echter niet goed en

daar kwam bij dat de consumenten in een
groot deel van België en Luxemburg
de Duitse televisie kunnen ontvangen

en daarop reclame zien voor koffie van

het merk HAG. Het was dus heel be-

heel begrijpelijk dat de Duitse HAG-
koffie onder zijn Duitse merk HAG op
de Belgische en Luxemburgse markt
wilde verkopen. Toen hij dit in Luxem-
burg deed, werd hij echter onmiddellijk

door de Belgische rechthebbende op het

merk HAG voor de rechter gedaagd

wegens inbreuk op het merkrecht. De Luxemburgse rechter legde een vraag

van uitlegging van het gemeenschaps-

recht op dit punt voor aan het Hof van

Justitie (art. 177
EEG-Verdrag).

Het Hof ging in de eerste plaats na of

er inbreuk was gepleegd op de mede-
dingings regels van het
EEG- Verdrag

(art. 85). Het beantwoordt deze vraag
ontkennend, omdat er tussen de beide

huidige
rechthebbenden op het merk-

recht geen enkele juridische, finan-

ciële, technische of organisatorische
band bestaat. Het Hof verduidelijkt

hier dus het arrest Sirena/Eda in de
zin zoals wij dit arrest hierboven hebben
geïnterpreteerd.
Vervolgens onderzocht het Hof de
vraag of het merkrecht was uitgeoefend

op een wijze die strijdig was met de
regels van het vrije verkeer van goederen

binnen de EG. Daarbij beklemtoont het

Hof dat datgene, dat tot het
specij7eke

voorwerp
van het merkrecht behoort,

op grond van art. 36
EEG- Verdrag
niet

kan worden aangetast, d.w.z. de merk-

gerechtigde mag zijn recht altijd blijven
gebruiken tegen personen die geen enkele

rechtstitel hebben, bijv. nabootsers. Het

merkrecht mag echter niet zodanig wor-

den
uitgeoefend
dat daardoor wordt ver-

hinderd dat er in de ene lidstaat goederen
in de handel worden gebracht die in een andere lidstaat rechtmatig op de
markt zijn gebracht onder een identiek

merk dat dezelfde oorsprong
heeft,

omdat anders nationale markten worden
afgescheiden. Wanneer dus een merk

dat oorspronkelijk in één hand was,
om een of andere reden in meerdere

handen komt, kunnen alle merkgerech-
tigden produkten onder dit merk vrije-
lijk op elkaars gebied in de handel
brengen. De regel van DGG/Metro is
dus uitgebreid tot het merkrecht.
In dit geval lijkt deze oplossing niet

gerechtvaardigd omdat beide onder-

nemingen niets met elkaar te maken
hebben of hebben gehad 4). De casus-positie zal zich overigens niet zo vaak

kunnen voordoen, omdat er slechts

weinig geconfisceerde merken zijn.

De arresten Centrafarm

Een uitgelezen gelegenheid om duide-

lijke regels neer te leggen aangaande

de relatie tussen het gemeenschapsrecht
en de industriële eigendomsrechten,
kreeg het Hof van Justitie toen de Hoge
Raad hem twee nagenoeg identieke

prejudiciële vragen (art. 177
EEG-

Verdrag)
– de eerste prejudiciële vragen

van de Hoge Raad na 16 jaar
EEG-
Verdrag –
voorlegde. Het interessante

was dat de ene vraag het octrooirecht

4) Vgl. Giltay Veth in
NRCHandelsblad
van
25 november 1974. Hij trekt echter een te ver-
gaande conclusie Uit het arrest.

128

betrof en de tweede het merkrecht. Nu
kon eindelijk de in de literatuur veel be-

sproken vraag opgelost worden of er op

dit gebied enig verschil moet worden
gemaakt tussen het octrooi- en merk-

recht.
De casuspositie was de volgende. De
Amerikaanse onderneming Sterling
Drug heeft in verschillende landen
parallelle octrooien op een bepaald

geneesmiddel. In Groot-Brittannië en

Nederland heeft zij fabricage- en/of
verkooplicenties gegeven aan dochter-
ondernemingen. Deze dochteronderne-

mingen zijn tevens rechthebbenden resp.

in Groot-Brittannië en Nederland op het
merk Negram, onder welk merk het ge-

neesmiddel wordt verhandeld. De
Nederlandse onderneming Centrafarm

koopt nu dit geneesmiddel op de Engelse
markt, waar de overheid de prijzen
kunstmatig laag heeft gehouden, en voert

het in Nederland in, waar de normale
prijs voor het produkt veel hoger is.
Sterling Drug, de octrooihouder, daagde
daarop Centrafarm voor de rechter
wegens inbreuk op het octrooi en tege-
lijkertijd deed haar Nederlandse

dochteronderneming, de merkgerech-
tigde, hetzelfde wegens inbreuk op het

nationale merkrecht.
Wat betreft de verhouding tussen de

industriële eigendomsrechten en art. 85

EEG- Verdrag
heeft het Hof niet zoveel

nieuws gezegd. Voor het octrooirecht
werd bevestigd wat het Hof al in een
aantal arresten ten aanzien van het

merkrecht had verklaard: als de
uit-

oefening
van het octrooirecht het voor

werp, middel of gevolg is van een onder

nemersafspraak, kan art. 85
EEG-

Verdrag
van toepassing zijn.
De nadruk van beide arresten valt

daarentegen op de verhouding tussen
de regels van het vrij verkeer van goede-
ren en het octrooi- en merkrecht. Daar-
bij maakt het Hof geen verschil tussen
het octrooirecht en het merkrecht. In

beide arresten verklaart het Hof dat de

houder van een octrooi- of merkrecht dit
recht niet mag gebruiken om het in de

handel brengen van een produkt in een
lidstaat te verhinderen als dat produkt
al in een andere lidstaat rechtmatig door
hem of met zijn toestemming op de
markt was gebracht. Dit zou onverenig-

baar zijn met regels inzake het vrij ver-

keer van goederen binnen de EG, omdat
anders de nationale markten geïsoleerd

zouden kunnen worden.
Wat het merkrecht betreft, vloeit deze

uitspraak logisch voort uit het arrest

HAG. Met betrekking tot het octrooi-
recht is dit echter een geheel nieuwe
uitspraak, die velen niet in deze vorm
hadden verwacht. Het octrooi- en merk-
recht verschillen nogal wat van elkaar.

Bij het octrooirecht ligt de nadruk meer
op de beloning van de uitvinder en
bovendien is de bescherming bij het

octrooirecht van kortere duur dan bij het

merkrecht. Niettemin heeft het Hof,
naar onze mening terecht, gemeend het

octrooi- en merkrecht gelijk te moeten

behandelen wanneer het gaat om de een-

heid van de gemeenschappelijke markt
te verzekeren. Deze eenheid is zo wezen-

lijk voor de rechtsorde van de Gemeen-
schap dat ook de uitoefening van het
octrooirecht daarvoor in bepaalde geval-len moet wijken.
Conclusies

Uit de hierboven besproken recht-
spraak van het Hof van Justitie kunnen
de volgende conclusies worden getrok-

ken ten aanzien van de verhouding tussen

de industriële eigendomsrechten, in het
bijzonder het octrooi- en merkrecht, en
het recht van de Europese Gemeen-

schappen.
Uit art. 36
EEG-Verdrag
kan worden

afgeleid dat het bestaan, het
specijieke voorwerp
van de industriële eigen-
domsrechten, niet kan worden aange-

tast door het gemeenschapsrecht. Wat
tot het specifieke voorwerp behoort,
wordt door het gemeenschapsrecht
bepaald.

De
uitoefening
van de industriële
eigendomsrechten kan aan beperkin-
gen worden onderworpen op grond

van de mededingingsregels (artt. 85,

86
EEG- Verdrag)
of de regels betref-

fende het vrij verkeer van goederen

(art. 30 e.v. EEG- Verdrag).

De
mededingingsregels
kunnen van
toepassing zijn wanneer aan de toe-

passingsvoorwaarden voor deze regels
is voldaan, wanneer dus de uitoefening
van het industriële eigendomsrecht

voorwerp, middel of gevolg van een

ondernemersafspraak is (art. 85
EEG-
Verdrag)
of misbruik van een machts-
positie oplevert (art. 86
EEG- Verdrag).
De regels inzake het vrij verkeer van

goederen
beperken de uitoefening
van industriële eigendomsrechten in zoverre dat de houder van zo’n recht
zijn wettelijk erkend uitsluitend recht niet mag gebruiken om het verhande-

len van produkten in een lidstaat

tegen te gaan indien deze produkten
door hem of met zijn toestemming

reeds rechtmatig in een andere lid-
staat op de markt zijn gebracht.

Evenmin mag een merkgerechtigde
de invoer beletten van produkten met
een identiek merk van dezelfde oor

sprong.

Het staat de merkgerechtigde wel vrij

om het op de markt brengen te ver-
bieden van produkten met eenzelfde
merk als zijn eigen produkten hebben,
indien de merken niet van dezelfde
oorsprong zijn en de produkten niet
door hem zelf of met zijn toestem-

ming op de markt zijn gebracht.
Evenmin kan aan de octrooihouder

worden verboden de invoer te beletten
van produkten die in de lidstaat

waaruit ze afkomstig zijn, niet octrooi-

eerbaar zijn, indien het produkt niet
door hem of met zijn toestemming

op de markt is gebracht of indien de
oorspronkelijke octrooihouders juri-

disch en economisch onafhankelijk

zijn.

Indien een produkt op de markt
wordt gebracht door een 100%
dochteronderneming van de octrooi-
houder, wordt dit geacht te zijn ge-
schied met de toestemming van de
octrooihouder.
Het ontwerpverdrag betreffende het
Europese octrooi voor de gemeen-
schappelijke markt van begin 1975

dat één octrooi beoogt te scheppen

voor de gehele gemeenschappelijke
markt, zal moeten worden gewijzigd.

Er wordt een overgangsperiode van

5
jaar in voorzien gedurende welke

de nationale octrooirechten nog gel-
dend gemaakt kunnen worden tegen
invoer uit andere lidstaten. Deze be-
paling zal geschrapt moeten worden,

omdat hij strijdig is met de recht-
spraak van het Hof van Justitie.

Europa Instituut Leiden

sinds 1917

sinds 1917

STENOG RAF EN BUREAU

W. STEMMER
&
Zn. B.V.
Schiebroekseweg 22-24, telefoon (010) 22 38 66
postbus 35007, Rotterdam

vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Best, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, ‘s-Her

togen-
bosch, Hilversum, Maastricht, Rheden, Rotterdam,
Tilburg en Veldhoven. Wij
leve!en ook

notulen van directie- en

aandeelhoudersvergaderingen

De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toepassing
van moderne geluidsopnametechniek en vooral onze eerste-klas
medewerkers garanderen snel en accuraat werk, uitgevoerd op
uiterst betrouwbare en discrete wijze.

I.M.

ESB 5-2-1975

129

E. J. Bijnen: Cluster analysis; survey and evaluation of techniques.
Tilburg U niversity

Press, 1973, 112 blz., f45.

Dit boek is de vertaling van een door

Bijnen in 1969 verdedigd proefschrift,
getiteld: ,,Cluster analyse, overzicht en

evaluatie van technieken” 1). Zijn toen-

malige promotor, Prof. Dr. Ph. C. Stout-

hard, schrijft in een voorwoord bij deze
Engelstalige uitgave dat het de bedoeling

van de schrijver is ,,not to write a

,,cookery-book” but a text for scholars
who need a reliable guide to pilot them

through an extensive and widely scatter-
ed literature”. De auteur zelf kondigt in

zijn
voorwoord aan dat het in dit boek

zal gaan over de beschrijving en de voor-
en nadelen van de door hem te behande-

len procedures: ,,so that the research
worker can make an informed choice

between them”.

Het boek is onderverdeeld in een inlei-

ding en vijf hoofdstukken. In de
inleiding

behandelt de auteur het karakter en de

toepassingsmogelijkheden van de cluster-
analyse. Over het karakter vonden we

een vijftal opmerkingen.
..Cluster analysis is applied in forming
,,homogeneous” groups of research
varia bles”.
..The most important area of applica-

tion for clustering techniques is in

forming groups of objects”. ,,The purpose of cluster analysis is to

group and distinguish comparable
units, and to separate them from dif-

fering units”.
,.Cluster techniques can also be consi-

dered as methods for discovering ty-
pes
..Hence factor as well as cluster analy-

sis are methods which aim… at data

reduction”.

Samenvattend kan men stellen: cluster-
analyse is een methode om homogene

groepen te vormen. In de inleiding mis ik
een verwijzing naar recenter werk op het
gebied van data-analyse 2).

Hoofdstuk /
vermeldt 12coëfficiënten
ter bepaling van de mate van gelijkheid
van onderzoekeenheden: de hellings-

hoekmethode van Du Mas, de coëfficiënt
van Catteli, de D-coëfficiënt, de coëffi-

ciënt van Cohen, de index van Zubin, de
gelijkheidsindex van Jaccard, de index
van Rogers en Tanimoto, de G-index van
Holley en Guilford, de coëfficiënten van
Hyvarinen en van Smirnov, de waar-

schijnlijkheidsindex van Goodall en de
afstandsmaat van Williams. De conclu-
sie van Bijnen is, dat het niet mogelijk is
een coëfficiënt aan te geven die in het al-

gemeen het meest aan te bevelen is. Ove-

rigens geeft de auteur geen regels om per

geval te kunnen beslissen over de toepas-
baarheid van de coëfficiënten. Volgens
hem zal men telkens moeten nagaan

welke coëfficiënt de meest optimale lijkt.

Enige opmerkingen over de criteria die
hij een gefundeerde keuze moeten gelden

waren hier wel op hun plaats geweest.

Twee aanbevelingen worden gedaan:

de .,agreement score of McQuitty” en

,,the association gamma coëfficiënt of
Goodman and Kruskal”. Het merkwaar-
dige van deze aanbevelingen is dat beide
niet in het eerste hoofdstuk worden be-

handeld. McQuitty komt pas in hoofd-
stuk 4 aan bod, terwijl Goodman en
K ruskal nergens vermeld staan, zelfs niet
in het literatuuroverzicht 3).
De titel van
hoofdstuk 2
luidt: ,,Me-

thods developed for forming cluster of

variables or objects”. De onderscheiding

,,variables-objects” komt ook in de inlei-
ding aan de orde. De auteur heeft echter
verzuimd een duidelijke omschrijving
van beide te geven. Een tweede opmer-

king over dit hoofdstuk betreft de titel.
Gesuggereerd wordt, dat het gaat over
..variables” en ,,objects”. De laatste zin

van paragraaf 2.1 echter luidt als volgt:

,,In this chapter we will limit ourselves to
the methods which are useful for variables”.

Behandeld worden: de matrix-diago-
naal-methode, de methodes van Beum en
Brundage, Coleman en McRae, Weissen van Spilerman, ramifying-linkage-analy-

sis, de methode van Gengerelli, de ap-
proximate-delimitation-method, de B-coëfficiënt van Holzinger en Harman,
iteratieve factoranalyse (achtereenvol-
gens technieken van Wherryen Craylord,
Bass en Boon van Ostade), de methodes

van Sneath, Srensen, Wishart, Miche-
ner en Sokal, Bridges, King en Tryon.
Michener en Sokal genieten naast Brid-

ges de voorkeur van Bijnen. De eerste
twee op grond van het feit dat hun me-

thode ,,gives each new member the same

weight as the total of the old group mem-

bers”, de laatste omdat aan de andere ge-
noemde methoden meer bezwaren kle-

ven dan aan deze.
In
hoofdstuk
3
krijgt de lezer de in de

titel van hoofdstuk 2 reeds aangekon-

digde methoden ter formering van dus-
Iers voor onderzoekeenheden (de ,,ob-
jects”) aangeboden. Achtereenvolgens
worden behandeld de methode van

Thorndike, die van Sawrey, Keller en

Conger, de methodes van Ward,

Johnson, Constantinescu, Rogers enTa-
nimoto, Hyvrinen en Bonner, de Bool-

ean-cluster-search-methode, de metho-
des van Gengerelli, van Mattson en

Damman, en van Edwards. De methode
van Ward en die van Johnson genieten

Bijnens voorkeur. De auteur doet nog

enige aanbevelingen om de genoemde

technieken te verfijnen (op resp. blz. 42
en 44).

Hoofdstuk 4 is
gewijd aan methoden
voor het opstellen van typen volgens

McQuitty. Deze vanuit de klinische psy-
chologie ontwikkelde methoden zijn de
volgende: agreement-, elementary-lin-

kage-, elementary-factor-, hierarchical-

linkage-, hierarchical-syndrome-, multi-

ple-rank-order-typal-analysis, classifica-
tion by reciprocal pairs, intercolumnar

correlational-, nominee-selectee- en mul-

tiple-agreement-analysis. Deze metho-den zijn door McQuitty ontwikkeld als

reactie op factoranalyse. De uitkomsten
van MeQuitty-methoden en factorana-

lyse wijken in de door Bijnen geciteerde
artikelen niet veel van elkaar af.

Hoofdstuk 5
levert enkele toepassin-

gen. De methodes van Thorndike, Sa-
wrey e.a., Ward, McQuitty (syndrome-
analysis) worden evenals factoranalyse

toegepast op uitslagen van in 1963
gehouden Tweede-Kamerverkiezingen

voor 25 gemeenten. De verschillende me-

thodes leiden tot verschillende aantallen clusters, hoewel ze een ongeveer gelijke uitkomst geven indien men ze alle door-

rekent tot uiteindelijk twee clusters over-
blijven. Een uitkomst die in dit geval

nogal voor de hand ligt: in 1963 was het
Zuiden van Nederland nog duidelijk
KVP-gezind, wat dan ook in de clusters
naar voren komt.
Tenslotte nog een aantal opmerkin-

gen. De introductie voorafgaand aan
hoofdstuk 4 had m.i. wat uitgebreider en
diepgaander gekund, zodat naast een uit-

puttende opsomming van technieken

ook de nood7.akelijke achtergrond aan
studenten (voor wie dit boek immers be-

stemd is) wordt meegegeven. Behande-

ling van een aantal algemene problemen,
zoals de interpretatie van de verkregen
clusters, had het boek waardevoller ge-maakt. Ook een nadere aanduiding van

de toepassingsmogelijkheden van de ver-
schillende technieken had kunnen bijdra-
gen aan een dieper inzicht in problemen

De Engelstalige uitgave bevat
7
coëffi-
ciënten en methodes meer dan het oorspron-
kelijke proefschrift. Dit brengt het totaal van
behandelde onderweroen
00
55.
J. P.
Benzécri,
LAnalyse des données,
1973,
Dunod, Parijs.
J.
L. Guigou,
Analyse
éconornique ei analyse mulijdimensionelle,
1972,
Université de Dijon.
De gamma-coëfficiënt komt Uit het arti-
kel: L. H. Goodman en W. H. Kruskal,
Measures of association for cross classificat-
ions, in:
J.
Amer,
Siatist. Ass., 1954, vol. 49,
blz.
732-764.

130

van cluster-analyse. Het boek bevat een

aantal voorde econoom onbekende tech-
nieken waarmee hij zijn voordeel kan

doen. Bijnen heeft die onbekendheid

weggenomen; het is nu aan de onderzoe-
ker de onbemindheid te toetsen. Mijn
laatste punt van kritiek betreft de afwe-
7.igheid van enig soort register. In een

boek waar zo’n grote hoeveelheid metho-

den en namen voorkomt is dit een omis-

Inflatie vormt voor zeer veel lan-

den een hardnekkig economisch

probleem. Van de talloze theorieën,

die clii t’e,schi/n.sel trachten te ver-

klaren, krijgt de monetaristische (of

neo-k t’antiteit.stheoretische) in ons

land amper aandacht. Deze ziens-

wijze houdt in, dat de prijzen op

langere termijn op zijn minst nauw

samenhangen met de nominale

gelcihoeveelheicl. De F. de Vries-le-

zingen, die Harry Johnson in 1971

in A insterdam heef gehouden, ge-

ven een uitstekend overzicht van

deze theorie en haar implicaties t).

Uitgangspunt voor alle lezingen i.s

John.sons op de empirie gebaseerde

voorkeur voor de moneiaristi,sche

visie op de werking van de eco-

nomie ho ven de Kel’nesiaanse:

,,The Keynesian position is that the real
economy is highly unstable and that mone-
tary management has both littie relevance to
it and littie control over it; the monetarist
position on the contrary is that the real eco-
nomy is inherently fairly stable, but can be
destabilized by monetary developments,
which therefore need to be controlled as far as possible by intelligent policy” (blz. 6-7).

De eerste lezing
De
eerste lezing is
behalve voor theo-

retisch georiënteerde economisten ook
erg belangwekkend voor z.g. ,,policy
makers”, omdat hierin vooral de eco-
nomisch-politieke aspecten van de na-

oorlogse inflatie worden besproken.
Aan het eind van de Tweede Wereld-
oorlog bestond Vrij algemeen de vrees,
dat een depressie als in de jaren dertig alleen zou kunnen worden voorkomen

door de bestedingen krachtig te stimu-
leren. In werkelijkheid hebben de wes-
terse landen sedert 1945 vrijwel steeds
een hoge mate van werkgelegenheid ge-

kend, wat evenwel gepaard ging met

inflatie. De vraag is in hoeverre de in-
vloed van Keynes in deze ontwikkelingen
herkenbaar is.

Keynesianen verklaren het hoge

werkgelegenheidsniveau vaak uit het
succes waarmee overheden erin ge-

slaagd zijn invloed uit te oefenen op de
vraag naar goederen en diensten.
Johnson plaatst hierbij twee kantteke-

sie die de gebruiker zeer zal betreuren.

De schrijver heeft, zoals hij in zijn slot-

beschouwing opmerkt, gepoogd een kri-

tisch overzicht te geven van technieken
van cluster-analyse. Wij zijn van mening

dat hij daarin is geslaagd, met de aante-
kening dat soms het kritische wat mager
is. Aanbevolen.

L. Hordijk

ningen. Allereerst heeft de Keynesi-
aanse theorie en politiek in zijn opvat-

ting buiten Groot-Brittannië en de Ver-
enigde Staten relatief weinig invloed ge-
had. Daarnaast zijn er diverse

aanwijzingen (ook niet-monetaristische)
dat onder normale omstandigheden een

hoog werkgelegenheidsniveau in kapita-
listische landen kan worden gehand-
haafd. Ik vraag me af of eerstgenoemde

kanttekening voor Nederland wel juist
is. Ondanks. monetaristisch getinte op-

vattingen van Holtrop e.a. telt de (neo-)
Keynesiaanse denkwijze in ons land
nog steeds relatief veel aanhangers.
Het belang van de z.g. Keynesiaanse
revolutie ziet Johnson op het gebied

van de economische politiek, nI. de
introductie van een hoge mate van

werkgelegenheid als nieuwe doel-
variabele. Dit heeft verregaande gevol-

gen. In de eerste plaats gaat een hoge
prioriteit \’oor de werkgelegenheid ten

koste van het beheersen van het loon-
en prijsniveau. Dit leidt enerzijds tot

het
accepteren
van inflatie in plaats van
er tegen te vechten en anderzijds tot het
zoeken van een zondebok op inflatie-

gebied. Nu eens krijgen de ondernemers
de schuld en dan weer de vakbonden

met als resultaat een inkomenspolitiek,
waarmee men behalve het oplossen van
het inflatieprobleem ook nog andere
doeleinden tracht te bereiken. In de
tweede plaats staan politici, die beslis-

singen nemen over de economische Po-
litiek, regelmatig voor de verleiding

maatregelen te nemen die meer op elec-
toraal gewin dan op het welzijn van de
bevolking gericht zijn. In de derde plaats

speelt het gedrag van de bevolking een
belangrijke rol zowel bij het schatten

van de kans dat een regering voldoende
tijd zal hebben om bepaalde plannen
uit te voeren, als bij het uitoefenen van

politieke druk.
Het chronische karakter van de infla-

tie leidt tot de paradoxale situatie dat
enerzijds aan prijsstabiliteit blijkbaar
geen hoge prioriteit wordt toegekend en

anderzijds voortdurend wordt gespro-
ken over de noodzaak van inflatie-

bestrijding. Johnson zoekt de ver-
klaring hiervoor in het feit dat de ,,soci-
ale kosten” van inflatie, zoals bijv. de

inkomensherverdeling van crediteuren
naar debiteuren, relatief klein zijn, zo-

dat het bereiken van andere macro-

economische doeleinden belangrijker
wordt geacht dan het bestrijden van de

inflatie. Deze sociale kosten kunnen
volgens de auteur worden gecompen-

seerd door institutionele maatregelen,
mits er voldoende concurrentie is, het
afsluiten van contracten voldoende
flexibel is en de inflatievoet niet te wissel-
vallig is.

Economische kosten van inflatie kun-

nen niet door institutionele maatregelen
worden geëlimineerd. Een voorbeeld

hiervan is de verslechterende betalings-
balans. Johnson tekent hierbij aan, dat

de overheden dit door het handhaven
van vaste wisselkoersen in de hand wer

ken: zij pretenderen de koopkracht van
de munteenheid te stabiliseren, terwijl deze in werkelijkheid wordt uitgehold

door de inflatie die zij toelaten (zie ver

der de derde lezing). Zijn conclusie is,
dat de economische kosten van inflatie
in ontwikkelde landen relatief klein

zijn, maar in ontwikkelingslanden met
een labiele overheid hoog kunnen zijn.
Het laatste deel van de eerste lezing

handelt over de optimale stijgings-
percentages van geldhoeveelheid en
prijsniveau in een groeiende economie.
De tweede lezing

De
iweede lezing
begint met de be-
kende monetaristische controverse om-
trent de werking van de economie. De
moeilijkheden, waarmee het zoeken
naar een adequate formulering van de

kwantiteitstheorie als oudste monetaire
theorie gepaard is gegaan, hebben in

feite de grondslag gelegd voor de Key-
nesiaanse revolutie. Een belangrijke
bron van verdeeldheid is de macro-eco-
nomische rol van het geld in de eco-

nomie geweest: tot voor enkele jaren
werd het bestaan van geld in een mone-
taire economie gepostuleerd. Een door-
braak op dit gebied heeft de informatie-

en transactiekostentheorie veroorzaakt
(Brunner). Verder heeft vooral de

concentratie van de kwantiteitstheorie
op de lange termijn problematiek het

succes mogelijk gemaakt van de Keyne-

siaanse aanpak, die de aandacht op de
korte termijn richtte.
Johnson maakt de volgende onder-
verdeling van bezwaren tegen het mo-

netarisme:
• de geidhoeveelheid kan, ook bij af-

wezigheid van rentepolitiek, niet door
de monetaire autoriteiten worden be-

heerst wegens invloed, die publiek en
bankwezen erop uitoefenen;

• ook al is de geldhoeveelheid beheers-

baar, een perfecte substitueerbaarheid
tussen geld (eng gedefinieerd) en geld-
substituten maakt de rente-elasticiteit
van de geldvraag oneindig groot;

1) Sedert 1971 zijn weer talrijke publikaties
over dit onderwerp verschenen, waarbij zich
veel duidelijker dan voorheen verschillende
stromingen binnen het monetarisme af-
tekenen.

H. G. Johnson: Infiation and the monetarist controversy.
Prof. Dr. F. de Vries lec-

tures, North Holland Publishing Company, Amsterdam, 1972, 108 blz., f. 19.

ESB 5-2-1975

131

• ook al is deze substitueerbaarheid

niet perfect, de gevolgen van mone-

taire politiek hebben toch (bijna) geen
invloed op de reële zijde van de eco-

nomie.
De eerste twee bezwaren vindt hij on-

juist voor zover de gedragsrelaties, die

verstorend
kunnen
werken, in
werkelijkheid stabiel en voorspelbaar

zijn. Vervolgens spitst Johnson de be-

spreking van monetaire theorieën toe op

het probleem van de inflatie. Tot aan
de Keynesiaanse revolutie was de

inflatietheorie gebaseerd op de kwanti-

teitstheorie. Tijdens de Tweede Wereld-
oorlog stond het overheidsgebeuren
dermate onder overheidscontrole dat

inflatie geen probleem was. Na de oor-

log ontstonden diverse Keynesiaans
georiënteerde inflatietheorieën, waar-

van de ,,demand-pull”- en de ,,cost-

push”-theorie de bekendste zijn. In geval
van bestedingsinfiatie is de Keyne-

siaanse remedie het terugdringen van

de bestedingen via fiscale maatregelen.

De (geringe) invloed van monetaire po-
litiek loopt dan via rentevoet en vooral

via kredietrantsoenering. In geval van
kosteninflatie dient een in nominale ter

men geformuleerde inkomenspolitiek
het reële inkomen te verdelen, waarbij
geld alleen de rol van rekeneenheid ver

vult! M onetaristen brengen hiertegen
in, dat de geldhoeveelheid juist een
doorslaggevende rol speelt, mede door

dat naast financiële ook reële activa een

substituut \’oor geld vormen. Als meest

belangrijke bijdrage van de Keynesi-
aanse theorie ziet de auteur de Phillips-
curve, maar ook daar kleven bezwaren

aan.

Tenslotte behandelt Johnson de ople-
‘ing van de kwantiteitstheorie na de

Tweede Wereldoorlog, vaak aangeduid
als ,,the risc to monetarism”. Als leiders
van deze ontwikkeling beschouwt hij
Milton Friedman, Karl Brunner en Al-lan Meltzer. De belangrijkste drijfveer
was het falen van Keynesiaans georiën-

teerde politiek bijv. in de VS de verho-ging van de inkomstenbelasting in 1968

en in Groot-Brittannië de devaluatie
van 1967. De opkomst van het mone-

tarisme heeft op zijn beurt weer een
tegenaanval (o.a. van Tobin) uitgelokt met als resultaat een discussie die nog

steeds voortduurt.

De derde lezing

De
derde lezing is
met name voor

Nederland zo interessant, omdat hierin

het ook in ons land vaak verwaarloosde
internationale karakter van inflatie aan
de orde komt. Terwijl Hume reeds in de
18de eeuw met zijn ,.,price-specie-flow-
theory” dit iiterst belangrijke aspect
onderkende, is het met Keynes’
General
Theory
in de vergetelheid geraakt. Dit
werd versterkt door de leidende rol van

Amerikanen in het economisch denken. Voor hen is de veronderstelling van een gesloten economie niet zo onrealistisch.

De theorie van de internationale eco-

nomie, die vervolgens mede op basis

van Keynes ontwikkeld werd (Meade), is gebaseerd op de veronderstelling dat

de monetaire gevolgen van betalings-

balanstekorten of -overschotten door

de monetaire autoriteiten worden

geneutraliseerd.
De moderne monetaristische theorie

gaat ervan uit, dat deze neutralisatie
niet
plaatsvindt, zodat de binnenland-

se geldhoeveelheid wordt beïnvloed.

Johnson heeft deze benadering aan de
hand van diverse modellen uitgewerkt.

In deze lezing behandelt hij alleen het

eenvoudigste en dus het minst realis-

tische model 2).
Zo worden binnenlands prijspeil en

rentevoet gelijkgesteld met het mondi-
ale niveau van deze groothheden. Nu-
ancering van deze veronderstellingen

laat echter de uitkomsten in essentie

ongemoeid. Verder geldt dat de theorie

vooral van toepassing is op landen met
weinig of geen belemmeringen in het
internationale handels- en kapitaal-

verkeer. De mondiale inflatievoet is in
deze aanpak op langere termijn gelijk
aan het verschil tussen de mondiale
groei percentages van internationale

reserves en reële produktie. Belangrijk

hierbij is dat individuele landen deze inflatievoet niet kunnen ontlopen zo-
lang ze vaste wisselkoersen handhaven.

De centrale bank kan dan, althans op

langere termijn, immers de geld-
hoeveelheid niet meer beheersen, zodat
het publiek via kapitaalverkeer met

het buitenland de nominale geld-

hoeveelheid bepaalt. Monetaire politiek

heeft slechts invloed op de verdeling
van de geldhoeveelheid over de binnen-

landse en buitenlandse bronnen van
basisgeld. Binnenlandse economische

groei
verbetert
hier cet.par. de be-

talingsbalanspositie via een vergrote
vraag naar geld (stabiele functie!) en,
bij ongewijzigde binnenlandse geld-
creatie, naar internationale reserves.

Dit is in tegenstelling met de uit-
komsten van de Keynesiaanse ge-

dachtengang. Een andere interessante

implicatie van de monetaristische aan-
pak is, dat creatie van internationale re-
serves (bijv. SDR’s) de wereldinfiatie

vergroot. In het laatste deel van deze le-
zing vergelijkt Johnson zijn model met

Holtrops monetaire model van de Ne-
derlandse economie, waarbij hij laat
zien dat beide benaderingen veel ge-

meen hebben.

Dit, ondanks enkele erg lange zinnen

(zie blz. 42), vlot geschreven bundeltje
is geen gemakkelijke literatuur. Zeker voor lezers, die niet zo goed thuis zijn

in de monetaire economie, vragen vele
uitspraken om een nadere toelichting.

Soms kunnen andere publikaties van de auteur daarbij uitkomst bieden 3). Toch
bevatten de lezingen ook voor ,,leken”
tal van begrijpelijke passages, die ertoe
stimuleren het inflatieverschijnsel ook

eens van een in ons land (nog?) minder

aanvaarde zijde te bezien. De moneta-

ristische visie lijkt me die aandacht ze-

ker waard.

Peter D. van Loo

2)Voor enkele andere modellen wordt verwe-
zen naar zijn lezing The monetary approach
to balance-of-payments theory, 1971, die
o.a. is opgenomen in zijn bundel
Furiher es-
says in inoneiary economics,
Londen, 1972.
3) Zie in het bijzonder de bundels
Essays in
monetar)’ economics,
Londen, 1967 en
Fur-
(her essa’s in nioneiary economics,
Londen,
1972.

Paul Moedikdo: Sociologie en recht.

Boom, Meppel, 1974, 118 blz., f. 12,90.

De auteur, wetenschappelijk hoofd-

medewerker aan het Willem Pompe-

instituut voor strafrechtswetenschappen

te Utrecht, behandelt in dit boek de
hedendaagse opvattingen over het straf-
recht en hun maatschappelijke beteke-

nis. Hij schreef dit boek omdat zijns
inziens in de praktijk van de rechts-
wetenschappen de sociologie nog nau-

welijks aan bod komt. Daarom is dit

boek geschikt voor sociologen die in-

teresse hebben voor het recht als so-
ciaal verschijnsel en voor juristen die

sociologische kennis in hun beroeps-
uitoefening willen inpassen.

Prof. Dr. P. J. Roscam Abbing: Kleine
ethiek van de inkomensverdeling. Klu-

wer, Deventer, 1974, 187 blz., f. 24,50.
Bevat een korte weergave van het
omvangrijke boek
Ethiek van de in-
koniensverdeling,
dat in 1973 verscheen
en dat in
ESB
van 21 november 1973
werd besproken. Om dit boek voor ve-

len beschikbaar te maken, schreef de
auteur deze gecomprimeerde versie,
waarin de evenwichtige logische opzet
werd behouden en de indeling bewaard is gebleven. Het boek werd geschreven
met als doel het beschrijven van een

zedelijk verantwoorde personele in-
komensverdeling.

Dr. K. van der Heeden: Tarief van de
inkomstenbelasting.
K luwer, Samsom,
Deventer, Alphen aan den Rijn, 91
blz., f. 19,50.

Dit geschrift no. 5 van het Fiscaal-
Economisch Instituut van de Erasmus

Universiteit Rotterdam bevat micro- en
macro-economische beschouwingen
over het inkomstenbelastingtarief. De
bedoeling van het boek is dit tarief voor

een aantal aspecten nader te bezien.
Daartoe worden met het tarief samen-
hangende begrippen omljnd. Vervol-gens wordt aandacht geschonken aan

enkele bijzondere problemen die het ta-
rief betreffen. Zoals de theorie van het evenredige nutsoffer, correctie van het
tarief voor inflatoire inkomensontwik-
kelingen en de invloed van inkomens-
en belastingaftrekken op de progressie

van het tarief. Het boek wordt afgeslo-
ten met een historisch overzicht, te be-
ginnen met het formuletarief van 1948.

132

Auteur