Ga direct naar de content

Jrg. 59, editie 2970

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 25 1974

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

25 SEPTEMBER 1974

STICHTING HET NEDERLANDS

59e JAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT

No. 2970

Landbouwinkomens

De tumultueuze gebeurtenissen die zich de laatste tijd in
agrarische kringen hebben afgespeeld, hebben natuurlijk een

dieper liggende oorzaak dan de ontvangst van aanslag-
biljetten voor de inkomstenbelasting, hetgeen door sommi-
gen als de directe aanleiding wordt gezien. Die dieper
liggende oorzaak zou dan moeten zijn de inkomenspositie
van de land- en tuinbouw. Over dit onderwerp heeft de

minister van Landbouw en Visserij onder de druk van het
groene front, die aanvankelijk niet sterk genoeg was om de

minister ertoe te bewegen zijn vakantie te onderbreken, een
nota geproduceerd die op 16 augustus jI. aan de Tweede
Kamer werd aangeboden 1). Het is een nota van geringe
omvang die bovendien weinig informatie biedt, niet
alleen omtrent de inkomenspositie van de land- en tuin-
bouw, maar ook ten aanzien van de voorgenomen maat-
regelen. De nota verschaft bijv. geen duidelijkheid over de
vraag om welk bedrag het bij deze steunmaatregelen gaat,
hoewel in het verslag van het mondelinge overleg met de
minister een bedrag van f. 200 mln. wordt genoemd 2).
Daarenboven zullen er algemene maatregelen worden ge-
troffen waarover bij de aanbieding van de Mi//oenennola
1975 mededelingen zijn gedaan.
nteressanter dan de nota zelf is het in voetnoot 2 genoem-
de verslag. Met name de opmerking van de minister dat het
de regering niet ging ,,om het inkomensniveau zelf maar
om de ontwikkeling daarvan” (blz. 4, Ik) verdient de aan-

dacht. Deze opmerking zou een aanwijzing kunnen zijn dat
de wisselvalligheid van het ondernemersinkomen 3) een
grotere rol speelt dan de relatieve inkomenspositie van de
agrarische sector, namelijk ten opzichte .van andere bedrijfs-

categorieën. Juist deze laatste factor zou naar mijn mening
een belangrijke overweging dienen te zijn bij de beleids-
bepaling. Dat dit evenwel nauwelijks mogelijk is, vindt zijn oorzaak ten dele in het op een ander terrein gevoerde beleid
van het vorige en het zittende kabinet. De in het kader van de
spreiding van rijksdiensten voorgenomen verhuizing
naar Heerlen van de Afdeling Financiële Statistieken van
het CBS dreigt nu, en in de toekomst in versterkte mate, de
door velen voorspelde desastreuze gevolgen inderdaad te

gaan oproepen. De regionale inkomensstatistiek van 1969,
die reeds lang gepubliceerd zou moeten zijn, is nog altijd
niet verschenen. Het is ook zeer de vraag of de volledige
inkomensstatistiek van 1970 wel Ooit zal worden gepubli-
ceerd, terwijl men evenzeer zijn twijfels kan hebben omtrent
de kwaliteit van de statistieken die in de toekomst zullen

worden gepubliceerd. Het zou mij niet verbazen indien juist deze voorgenomen verhuizing als belangrijkste oorzaak zou

moeten worden aangewezen van het feit, dat de minister
van Sociale Zaken in gebreke zal blijven om nog dit jaar
een nota over inkomenspolitiek aan de Tweede Kamer

aan te bieden.

Het meest recente jaar waarin de inkomenspositie van
de landbouw (mcl. de visserij) met die van andere bedrijfs-
categorieën kan worden vergeleken, is 1967. Ik zal me daarbij
beperken tot de zelfstandigen, omdat
57,5%
van de in de
land bouw werkzame personen tot de zelfstandigen behoort.
Dit komt tot uiting in het feit dat van alle zelfstandigen

36.5%
werkzaam was in de landbouw. Het gemiddelde in-
komen van deze laatste groep bedroeg 2/3 van het gemid-
delde inkomen van alle zelfstandigen. Daarbij kan worden

aangetekend dat de inkomensongelijkheid in de landbouw,

vergeleken met de andere bedrijfscategorieën in 1967, gering
was. Bij de inkomensopbouw valt het arbeidsinkomen van de
gehuwde vrouw op; in de landbouw is dit relatief belangrijker
dan in andere sectoren. Dit alles suggereert dat de inkomens-
positie van de zelfstandigen in de landbouw in het algemeen
wel eens relatief slecht zou kunnen zijn, hoewel met name in de lisselmeerpolders uitzonderingen zullen voorkomen.
Overigens mag wel bedacht worden dat het gemiddelde in-

komen van de werknemers in de landbouw slechts 1/3 be-
draagt van dat van de zelfstandigen in deze bedrijfscateorie.
Het lijkt dus niet onwaarschijnlijk dat het zonnige beeld, dat
Dr. R. Tamsma in zijn in 1967 gehouden oratie nog van de
land bouwinkomens kon schilderen, inmiddels aanzienlijk meer schaduwzijden is gaan vertonen 4). Wellicht zou het
groene front zijn belangen beter kunnen bepleiten aan de
hand van gegevens over relatieve inkomensniveaus dan met

behulp van gegevens over de ontwikkeling van de land-

bouwinkomens op zich zelf. Maar dan moeten die gegevens
eerst beschikbaar zijn. Misschien wordt de verhuizing.van
het CBS nog wel onmogelijk gemaakt door een blokkade
van tractoren.

M. P. van der Hoek

Nota inzake de inkomenspositie van de land- en soinhouu’.
zitting
1973-1974, 13020,
nr.
2.
Zitting
1973-1974, 13020,
nr.
3.
blz.
2
linker kolom.
Voor de landbouw was
1973
een goed jaar.
Hij baseerde zich daarbij voornamelijk op gegevens uit
1960.
Er was dus sprake van een vertraging van zeven jaar. Het geeft te
denken dat de vertraging nu weer zeven jaar is.

829

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

mg

Drs. M. P. van der Hoek.

Landbouwinkomens

…………………………………….829

Column

Kwaadaardig,
door Prof: Dr. N. H. Douben …………………
831

Mededeling
…………………………………………….
848

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Co,nn,issie lan redactie: H. C. Bos.
R. /n’e,na, L. H. Klaassen, H. W. Lamhers,
P. J. Monlagne, J. H. P. Paelin’k.
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Ho/fnian.
Redactie-niec/ewerksier: Mej. J. Koenen.

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
Rottercla,n-3016: kopij voor de redactie: posthis 4224. Tel. (0 10) 14 55 II, toestel 3701.•
Bij adreswi/ziging s.v.p. steeds adreshandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getipt, dubbele
regelafrtand,
brede marge.

Abonnementsprijs:
f
93,60 /,er kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 57,20
(mci. 4%. BTW, franco per post voor
Nederland, België. Lu.remburg, overzeese
rijksdeien (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na om i’angst i’a,i stortingsjgiro-
occeptkaari) op girorekening no. 122945
t. n. i’. Economisch Statistische Berichten
ie Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummer/ 3.-
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 8408 t.n.v. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.

Prof Dr. H. C. Bos:

Particuliere buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden

832

Mr. H. Versloot:

t ndustriepolitiek en energiebeleid

836

Prof Dr. G. P. Hoefnagels:

Maatschappelijke rituelen rond misdaad

839

Drs. M. Kok:

De Antilliaanse economie

840

Ingezonden

Eigenlijke en oneigenlijke spaargelden,
door Drs. H. A. de Werker
met
naschrift van
Dr. C. J. Rijnvos ……………………………
845

Boekennieuws

W. J. Slagter met medewerking van J. Th. M. Palstra en J. C.
K. W.

Bartel: Compendium van het ondernemingsrecht,
door Prof Mr. Drs.

J. Th. Degenkamp ……………………………………….
847

Sleutelhangers
S…

et
C
oP
\e
t€

te0


1ei.
ae

Wat U wel ontvangt is veel interessante
achtergrondinformatie. Iedere week weer artikelen,
columns en rubrieken door, een keur van auteurs.

Voor abonnementen: tel. (010) 14 55 11, toestel 3701.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
Rouerdam-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

A rbeidsmark tonderzoek

Balanced International Growth

Bedrijfs-Economisch Onderfoek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vestigingspatronen

Macro- Economisch Onderzoek

Pro jectstudies Ontwikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mat hematisch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

830

Prof Douben

Kwaadaardig

Veel is er in het verleden —en ook

thans nog – gediscussieerd over

de mogelijkheid om het verschijnsel

van de voortdurende nominale

loon- en prijsstijgingen te beteuge-

len. In het algemeen is de perma-

nente inflatie, waarvan het tempo

steeds hoger is geworden, negatief

beoordeeld. Zozeer zijn de kwalijke

kanten van dit verschijnsel uitge-

meten, dat er gesproken is van

,,volksvijand” nummer één en van

een ontwrichting van het maat-

schappelijk bestel. Dit laatste is voor-

al door de president van de cen-

trale bank op regelmatige tijden be-

nadrukt als één van de belang-

rijkste gevaren van de trendmatige

prijsstijging.

De afwijzing in brede kring van

het infiatieverschijnsel staat echter

in schrille tegenstelling tot de

serieuze bestrijding ervan. De mid-

delen, welke de uitvoerders van de

economische politiek ter beschikking

staan om ervoor te zorgen dat de

voorwaarden voor een stijgende

welvaart zo goed mogelijk vervuld

zijn, blijken in het verleden tekort

te zijn geschoten om de inflatie ook

maar enigszins aanmerkelijk in te

dammen. Velen hebben reeds be-

weerd, dat de traditionele instru-

menten waarvan de economische
politiek zich kan bedienen, totaal

zijn dolgedraaid als het gaat om de

bestrijding van de inflatie. Daarbij

laat ik dan nog in het midden of men

de bestrijding, moet interpreteren

als het wegnemen van de oorzaken,

of als het verzachten van de gevolgen

die de prijsstijging oproept. Tussen

bestrijding van de bron en die van

het symptoom is meestal geen hel-

der onderscheid gemaakt.

Een blik op de prijsstijgings-

percentages leidt nogal gauw tot de

gevolgtrekking, dat er weinig van

de stabiliteit van de gulden (en ook

van andere valuta) terecht is ge-

komen. Dat heeft sommigen de uit-

spraak ontlokt, dat we moeten leren

leven met de inflatie. Maar wat be-

tekent deze uitspraak precies?

Het lijkt er steeds meer op dat de

elkaar voor de voeten lopende

maatschappelijke groeperingen ieder

hun eigen uitleg eraan geven. Dat

is trouwens niet verwonderlijk ge-

zien hun uiteenlopende belangen.

Ergens mee leren leven, kan name-

lijk uitnodigen tot een passief onder-

gaan van de moeilijkheden en be-

zwaren, maar het kan ook beteke-

nen dat men zich terdege gaat

wapenen tegen de consequenties

van het verschijnsel. De laatste tijd

komen er voorbeelden op de prop-

pen die grond geven aan de ge-

dachte, dat elke groepering maar

moet trachten om te redden wat er

nog van zijn positie te redden valt.

Er is aldus een nieuw wachtwoord

in circulatie gekomen: indexering.

Voorop in de race tot beperking

van de infiatieschade is de vak-

beweging gegaan. Door opneming

van indexeringsclausules in de col-

lectieve arbeidsovereenkomsten
heeft deze institutie getracht, de

inflatiegevolgen zoveel mogelijk af

•te wentelen op andere deelnemers

aan de economische kringloop. De

reacties welke deze gedragslijn heeft

opgeroepen bij de rivaliserende

maatschappelijke groeperingen tre-
den steeds meer aan het licht.

Een tweede acteur in het econo-

mische spel, die ook is gaan denken

aan mogelijkheden zich enigszins

in te dekken tegen de prijshausse,

is de centrale overheid. Als dit stukje

wordt afgedrukt, zal ons bekend zijn

of er voor de komende jaren een

,,totale ruimtenorm” voor de nor-

mering van de rijksfinanciën wordt

gehanteerd, en of daarin (achteraf)
een indexeringsclausule verschijnt

waarmee de overheid de gevolgen

van de inflatie voor haar eigen

(en dus ook onze) huishouding

tracht te beperken.

De volgende stap die kan worden

genomen, is indexering van de rente.

Zoals bekend, is de Engelse regering

van plan op bescheiden schaal te

gaan experimenteren met de uit-

gifte van geïndexeerde rentespaar-

brieven. Daarmee is dan officieel de

capitulatie uitgesproken, waardoor

de prijsstijging als uiteindelijke

,,overwinnaar” na jarenlange strijd

wordt erkend.

Gezien de uitlatingen van de presi-

dent van De Nederlandsche Bank

zal het in ons land moeilijk zijn om

geïndexeerde leningen uit te geven.

Want daarmee erkent deze mone-

taire autoriteit dat een belangrijk

onderdeel van de taak der Bank

niet meer te vervullen is (stabilisatie

van de munteenheid). Bovendien is

het de vraag of een indexatie van

de rente wel tot een hogere spaar-

neiging leidt; dit wil men in Enge-

land althans gedaan krijgen. Een

belangrijk bezwaar van indexatie is

– naast het erkennen van de on-

macht om de inflatie te bestrijden –

dat de financieringskosten van

vreemd vermogen voor het bedrijfs-

leven hoger worden, zodat het ren-

dement over het geïnvesteerde eigen

vermogen nog meer omlaag wordt

gehaald dan nu al het geval is. Op

deze wijze gaan leven met de inflatie

betekent het bevorderen van een

kwaadaardig economisch gezwel.

Daaraan heeft niemand behoefte,

want de economische heelmeesters

ontbreken om dit gezwel radicaal

weg te nemen.

Zelfs partiële indexering – of-

schoon op zich misschien goed be-

doeld – blijft een gevaar.

ESB 25-9-1974

831

Particuliere buitenlandse investeringen

in ontwikkelingslanden

PROF. DR. H. C. BOS
*

Sedert enkele /aren is een intensieve discussie over de
betekenis van particuliere buitenlandse in s’esteringen
(PBij en multinationale ondernemingen (MNO’s) aan de
gang. Een belangrijk deel van deze discussie (haagl een

steinig zakelijk en objectief karakter. Het schilnt zo te
tiweten zijn (lat (le meningen over PBI en MNO 5cr-
deeld zijn in tss’ee kampen, die van soor- en tegen-
standers, waarbij elke partij haar passende ci/fers en

voorbeelden aandraagt om de eigen mening te onder-
steunen of te rationaliseren. Het
hoefi
geen betoog (lat
deze state of the deha,’e” over zon belangrijk en con,-
ple.v onderwerp Iwogsi onbevredigend is en st’eini).’ ge-
schikt on, tot een s’oor alle betrokkenen aanvaardbare
visie
0/)
de rol van particuliere buitenlandse in veste rit
1-

gen te komen.

Dit artikel geefi een zo concreet mogelijk overzicht

van een aantal aspecten die voor de bepaling san (le be-
tekenis van P8! voor ontwikkelingslanden van belang
zijn. Ter inleiding s’olgen enkele algemene opmerkingen.
In het volgende zal over P81 en niet over MNO’s ss’or-
den gesproken. Onder PB! wordt verstaan buitenlandse
directe investeringen. Het kenmerk daarvan is dat het
niet alleen gaat om een financiële investeringstransactie,
maar ook om de overdracht van knosv-how, technologie

en management. Bij projecten van directe investeringen
blij/t de particuliere buitenlandse ins’esteerder controle
uitoefenen op zijn overzeese investering. De voorkeur te
spreken over P8! i./). s’. over MNOs heeli een aantal
voordelen. De MNO is geen duidelijk o,nlijnd hegri,,,
P8! wl en ss’e zi/n (laarover statistisch iets beter s,’eïnfi
,
r-
meerd. terwijl P81 de investeringen van de MNO’.s stel
insluit.

Dit overzicht laat buiten beschouwing de betekenis
san P81 in ontss’ikkelingslanden voor de ontss’ikkelde
landen, evenals P81 in onts4’ikkelde landen
zelf:
Even-
min zal uitvoerig svorden ingegaan op die aspecten van
P8! (lie van algemene betekenis zijn en niet specifiek
voor ontss’,kkelingslanden. De problemen verbonden

aan het overheersen van buiten land.ve in s’e.steringen zijn

bi/s’. s’oor Canada to. v. Amerikaanse investeringen even

belangrijk als bi/s’. voor Thailand en Indonesië to. v. Ja-
panse particuliere investeringen.

Met (leze qfperking van het onderwerp bli/fi het ter-
rein overigens groot genoeg om verdere beperking in de

behandeling noo(lzakeli/k te maken. Zoals een goede
/)reek zal (Iit overzicht uit drie (leien bestaan: 1. een
korte /iteli/ke beschrijving van omvang en structuur

van P8!; 2. de (,ffecten van P8! en hun evaluatie; 3. het
beleid to.”. P8!.

Omvang en aard van de buitenlandse directe investeringen
in ontwikkelingslanden

Volgens gegevens van de OECD was eind 1970 ongeveer
$ 39 mrd. particulier buitenlands kapitaal geinvesteerd in

ontwikkelingslanden, in de zgn. ontwikkelde landen echter
driemaal zoveel
1).
Toch is de relatieve betekenis van dit
buitenlandse kapitaal voor de ontwikkelingslanden groter.
Voor deze bedraagt de voorraad van direct gemnvesteerd ka-
pitaal ongeveer 9% van het BNP van die landen, voor de
ontwikkelde landen is dit ongeveer 6% van hun BNP in
1970. Ca. 6% van de nationale produktie in de ontwikke-
lingslanden wordt geproduceerd door buitenlandse bedrij-
ven waarin ongeveer 1,6 mln, personen werkzaam zijn.
Naar
geografische verdeling
over de ontvangende
ontwikkelingslanden naar wereiddelen vinden we dat onge-
veer de helft van dit buitenlandse kapitaal in Latijns-Ame-
rika is geïnvesteerd, nI. ca. $ 20 mrd. Vér daarna volgen
Afrika met $ 7,5 mrd., Azie met $ 5,5 mrd., Midden-Oosten
met $ 3,5 mrd. en Zuid-Europa met $ 2,5 mrd. In de tijd ge-

zien is de groei van het kapitaal in Azië het sterkst, die van

Latijns-Amerika en het Midden-Oosten relatief stagnerend.
Naar
bedrijfstakken
verdeeld neemt de petroleum-
industrie met $ 13 mrd. éénderde van het totaal geïnves-
teerde kapitaal voor haar rekening, de industrie $ 12,3
mrd,, de mijnbouw $ 4 mrd. en de overige sectoren (bank-
wezen, toerisme, landbouw, openbare nutsbedrijven) $ 9,7
mrd. De groei van de industrie is het sterkst.

Bij de samenstelling van het geïnvesteerde kapitaal naar
kapitaal-exporter(
,
nde landen
zijn de Verenigde Staten
verreweg het belangrijkste met $ 17,5 mrd. Het Ver-

enigd Koninkrijk komt op de tweede plaats met $ 6,7 mrd.,
gevolgd door Frankrijk met $ 2,9 mrd., Nederland: $ 1,8
mrd., West-Duitsland: $ 1,2 mrd., Canada: $
1
mrd. en an-
dere landen met minder dan $
1
mrd. Hieronder is Japan
snel in opkomst met name door zijn investeringen in Zuid-
oost-Azië.

Bezien we tenslotte de
/aarlijkse stroom
van netto directe
investeringen naar ontwikkelingslanden dan kunnen we
constateren dat deze stroom in 1972 ca. $ 4,3 mrd. bedroeg

* Dit artikel is een bewerking van de voordracht door de sçhrijver
gehouden op het congres gewijd aan het thema ,,De multinationale ondernemingen” georganiseerd door de Faculteit der Economische
Wetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam ter gele-
genheid van de viering van haar 25-jarig bestaan op 22 maart 1974.
De auteur is directêur van het Nederlands Economisch Instituut en
hoogleraar in de ontwikkelingsprogrammering aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam.
l) Deze en de volgende statistische gegevens zijn gepubliceerd in
Grant L. Reuber (et al.), Private foreign investment in (leve/op-
ment,
Clarendon Press, Oxford, 1973.

832

bij een totale netto-stroom van particulier kapitaal (d.w.z.

inclusief exportkredieten en portefeuille beleggingen) van $ 8,4 mrd. en van officiële hulp van $ 8,7 mrd. In absolute zin
heeft de omvang van directe investeringen zich tussen 1967
en 1972 verdubbeld.

De directe investeringen hebben in 1970 ongeveer 8% bij-
gedragen tot de netto kapitaalvorming in de ontwikkelings-

landen, de overige soorten particulier buitenlands kapitaal
1
0%, het officiële kapitaal 20% en de binnenlandse bespa-
ringen de resterende 62%.

Bovenstaande greep uit het cijfermateriaal geeft uiteraard
slechts een indruk van de kwantitatieve betekenis van de di-
recte investeringen voor de gehele groep van ontwikkelings-

landen. Voor individuele ontwikkelingslanden kan de bete-
kenis sterk afwijken van dit gemiddelde beeld.

Het is in dit verband eveneens zinvol erop te wijzen dat
de aanduidingen directe investeringen, PBI of MNO micro-
economisch een grote verscheidenheid van economische

activiteiten omvatten, een verscheidenheid die van belang is
bij de beoordeling van de betekenis van PBI of MNO. Het
gaat hierbij niet alleen om het onderscheid naar groot en

klein, goed en slecht, maar vooral om de economische func-
ties die de bedrijven of investeringen vervullen. De volgende
indeling brengt deze verschillende functies tot uitdrukking.

1. Exploratie en exploitatie van natuurlijke hutpbronnen.
Deze vindt plaats in:

de petroleumindustrie met zijn geheel eigen structuur en
problematiek;
de mijnbouw (koper, bauxiet, nikkel);

de landbouw en bosbouw (thee, rubber, bananen).
In al deze gevallen is de produktie gericht op export van
grondstoffen.
2. Industriële produktie gericht op voorziening van de bin-
nenlandse markt van het ontwikkelingsland. Het gaat hier

meestal om invoervervangi ng van consurnptiegoedercn

(voedingsmiddelen, huishoudelijke artikelen e.d.).
3. Export van industriële halffabrikaten ofeindprodukten.
Deze kan ontstaan als een ontwikkeling van de produktie
ouder 2, maar kan ook een geheel eigen karakter hebben
(zie onder 4).
4. Halffabrikaten worden ingevoerd uit de ontwikkelde
landen en verder be- of verwerkt voor arbeidsintensieve on-
derdelen en vervolgens geëxporteerd naar de ontwikkelde
landen (voorbeelden: elektronische industrie, kleding, auto-
onderdelen bewerkt in Hongkong, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan) 2). Deze produktie is bij uitnemendheid geba-
seerd op goedkope arbeidskracht.
5. Zgn. nationale bedrijfstakken: openbare nutsbedrijven,
bank- en verzeke ingswezen, toerisme.

Ook zonder nadere toelichting zal het duidelijk zijn dat
de gevolgen van deze verschillende soorten activiteiten sterk
uiteenlopen.

De effecten van
PBI

Wat is nu de betekenis van de particuliere buitenlandse
investeringen voor de ontwikkelingslanden? Vormen zij een

zegen of een vloek? Dragen zij bij tot de werkelijke ontwik-

keling of vergroten zij de kloof Zijn ze een vorm van
ontwikkelingshulp of een middel van uitbuiting van de
arme landen door de rijke? In deze emotionele termen
wordt de discussie over de beoordeling van PBI vaak ge-
voerd. De concrete argumenten die pro en contra worden
aangevoerd zijn eveneens zeer tegenstrijdig.
De
positieve
betekenis van PBI wordt naar zijn definitie
allereerst gezien in de overdracht van kapitaal die gepaard gaat met overdracht van know-how, of technologie en van
management. Daarmede samenhangend wordt aan de di-
recte investeringen een positieve invloed op de nationale
produktie en de werkgelegenheid toegeschreven. De buiten-

landse bedrijven zouden een belangrijke bijdrage tot de

belastingopbrengsten van de overheden van de ontwikke-
lingslanden leveren. Zij zouden de concurrentie op de bin-
nenlandse markt stimuleren en een impuls vormen voor een

dynamischer instelling van de lokale ondernemers. Zij zou-
den ook een belangrijke functie vervullen bij de opleiding

en training van lokale arbeid, de lokale salarissen omhoog trekken en ook infrastructuur helpen verbeteren. Door ex-

port- of invoervervanging dragen de buitenlandse bedrijven
ook bij tot verbetering van de betalingsbalans.
Door de
critici
van PBI wordt daartegenover gewezen op
de negatieve invloed van PBI op de betalingsbalans, omdat
de stroom van winsten en dividenden die het ontwikkelings-land verlaat de inkomende stroom van nieuwe investeringen

overtreft. De overdracht van technologie wordt ook als iets
negatiefs gezien, omdat deze niet aangepast zou zijn aan de
omstandigheden van de ontwikkelingslanden, m.a.w. er
worden te kapitaalintensieve technieken gëintroduceerd.
Deze scheppen onvoldoende werkgelegenheid, die verder
benadeeld wordt omdat de moderne buitenlandse bedrijven

de kleine arbeidsintensieve lokale bedrijfjes wegconcurreren.
Ook aan het opleidingsargument wordt weinig waarde toege-

kend, nI. als gevolg van de kapitaalintensieve produktie-
wijzen en de voorkeur met eigen management te werken.
Verder wordt aangevoerd dat buitenlandse ondernemingen
de investeringsmogelijkheden voor de lokale ondernemers

afromen, het vraag- en smaakpatroon ten gunste van
buitenlandse luxe consumptiegoederen bëinvloeden en de
ongelijkheid in inkomensverdeling (personeel en regionaal)
vergroten.

Het is niet moeilijk de lijst van gesuggereerde positieve en
negatieve effecten nog met vele andere uit te breiden. Maar
de genoemde aspecten illustreren voldoende hoe verschil-
lend men de PBI kan beoordelen. Welke waarde moet nu aan deze argumenten pro en con-tra PBI worden gegeven, wat zijn de effecten en hoe evalu-

eren we deze? Hierover moeten eerst een aantal algemene
opmerkingen worden gemaakt. In de eerste plaats blijkt uit
de gegeven voorbeelden dat men het soms niet eens is over
de feiten. Dit verschil van mening moet natuurlijk het ge-
makkelijkst uit de weg kunnen worden geruimd. De rele-
vante vraag hier is wat weten we feitelijk, empirisch en sta-

tistisch over het gedrag van buitenlandse ondernemingen en
de gevolgen van hun gedrag in ontwikkelingslanden? Het
antwoord daarop moet luiden: ontstellend •weinig van

werkelijke waarde en van voldoende representativiteit. De
feiten betreffen meestal partiële gegevens voor een project,
bedrijf of op z’n best een bedrijfstak in een bepaald
ontwikkelingsland in een bepaald jaar. Het zijn meestal

incidentele voorbeelden die generaliserende uitspraken over
de positieve dan wel negatieve betekenis van PBI moeten ondersteunen of ,,bewijzen”. Enigszins breed en systema-
tisch opgezette verzamelingen van gegevens en empirische
onderzoekingen zijn bijzonder schaars. De feitelijke basis
voor een verantwoord algemeen oordeel over PBI is der-

halve verre van voldoende. De betekenis van incidentele fei-
ten wordt hiermede overigens niet terzijde geschoven.

In de tweede plaats, de criteria en methoden die bij de
evaluatie worden gehanteerd, kunnen vaak de toets van
objectiviteit en wetenschappelijkheid niet doorstaan. De be-
spreki ng van betali ngsbalanseffecten, waarover later, vormt

hiervan het bekendste voorbeeld. Het vaststellen van de ef-

fecten van PBI is overigens ook niet altijd een eenvoudige
zaak. Het principe daarvoor is de situatie of ontwikkeling
niet P131
te vergelijken met die
:on(Ier
P131. Het vaststellen
wat precies de situatie zonder PBI is en deze kwantitatief te
schatten, is niet altijd een eenvoudige en ondubbelzinnige zaak, terwijl ook niet alle effecten meetbaar zijn.

Tenslotte, en bovenal, een volledige en finale beoordeling

2) Voor een interessante analyse van.deze produktie, zie G. K. Het-
teiner, Manufactured exports from tess developed countries and
multinationat firms,
The Economie Journal,
maart 1973,
btz. 21-
47.

ESB 25-9-1974

833

van de betekenis van buitenlandse investeringen zal niet uit-
sluitend economisch, zuiver objectief en wetenschappelijk
kunnen zijn. De effecten van PBI zijn niet slechts van eco-
nomische aard, maar ook sociaal, cultureel en politiek. Bui-

tenlandse investeringen worden vaak gezien als een bedrei-

ging van de politieke soevereiniteit en onafhankelijkheid
van een ontwikkelingsland en van de onafhankelijke ont-

wikkeling van zijn sociale en culturele leven. De waardering

van deze effecten op zich zelf en t.o.v. de economische effec-
ten is geen objectieve en wetenschappelijke zaak, maar be-
rust op een politieke weging van de belangrijkheid van elk
van deze aspecten. De genoemde niet-écdnomische overwe-
gingen zijn in het oog van sommige ontwikkelingslanden en
critici van PBI wellicht belangrijker dan de economische
effecten. Maar ook hier geldt dat een afweging tussen alle

aspecten moet plaatsvinden.
Economische evaluatie

De economische betekenis van PBI voor een ontwikke-

lingsland bestaat in de bijdragen die worden geleverd tot de

doeleinden van de ontwikkelingspolitiek van het land,
waartoe kunnen behoren de verhoging van het nationale in-
komen, verbetering van de werkgelegenheid, een gelijk-

matiger personele en regionale inkomensverdeling en in de
evt. positieve externe effecten, zoals opleiding van arbeid en
management, overdracht van know-how en van tech-

nologie. Als kosten moeten worden beschouwd de alterna-
tieve kosten van het gebruik van complementaire binnen-
landse produktiefactoren en cvi. .negatieve externe effecten.
Tot deze laatste kunnen behoren het introduceren van
niet-aangepaste technologie, het veroorzaken van werkloos-
heid in lokale industrieën die worden verdrongen.

Empirische studies van enige representatieve waarde die PBI aan de hand van bovenstaande criteria pogen te beoor

delen ontbreken. Slechts enkele studies hebben gepoogd

inkomens- en betalingsbalanseffecten te schatten. Wat deze laatste betreft, het is een veel gebruikte maar weinig weten-
schappelijke methode om deze effecten te berekenen als het
verschil tussen de invoer van particulier buitenlands kapi-

taal en de uitgaande stroom van winsten en dividenden. De
cijfers daarover laten in vele gevallen inderdaad een netto-
overschot van uitgaand kapitaal zien. De methode is echter
onjuist, omdat met de directe en indirecte invloed op
alle

posten van de betalingsbalans rekening moet worden ge-

houden, dus ook op de in- en uitvoer van goederen en
diensten. PBI kan invoer overbodig maken (invoersubsti-

tutie) of de uitvoer bevorderen, daarentegen zullen gewoon-
lijk investeringsgoederen en tussenprodukten ten behoeve
van de produktie ingevoerd moeten worden.
Door de Engelse econoom Paul Streeten is erop gewezen
dat op deze wijze de (betalingsbalans-)effecten alleën juist worden gemeten wanneer er geen alternatief voor PBI zou

bestaan 3). In beginsel zijn er echter verschillende andere
mogelij kheden:

het ontwikkelingsland kan het produkt geheel met eigen

middelen produceren;
het kan afzonderlijk kapitaal aantrekken via leningen,
licenties aankopen en managerscontracten sluiten. Men

koopt dan a.h.w. de losse componenten van het pakket van
kapitaal, technologie en know-how waaruit de directe in-

vesteringen bestaan;
een combinatie van 1. en 2., hetgeen zich voordoet bij

,.joint-ventures”;
het produkt importeren;
geheel van het produkt afzien, bijv. geen Coca Cola

maar inheemse vruchtendranken maken.

Wanneer één of meer van deze mogelijkheden bestaan

dan dient men vervolgens de effecten bij PBI te vergelijken
met het beste alternatief dat aanwezig is. Het verschil tussen
beide vormt dan het effect van de particuliere buitenlandse

investering. Op deze wijze zijn onder leiding van Streeten in

studies voor de UNCTAD inkomens- en betalingsbalans-
effecten geschat voor 159 bedrijven in Kenya, Jamaica, In-

dia, Iran, Colombia en Maleisië. De resultaten laten een
grote variatie in effecten zien. De conclusie van de studies
luidt dan ook:

,,It is unfortunate but hardly surprising, that no dear and general
conclusion about foreign investment emerges from our work. What
is dear is that one invesiment differs greatly from another, and
that each must be analysed, and the appropriate policy prescribed,
on a case-by-case basis” 4).

In de onder auspiciën van het OECD Development Cen-

tre uitgevoerde studie van het Nederlands Economisch In-
stituut zijn o.a. met de ontwikkelde methodologie macro-
economische gevolgen geschat van het totaal aan PBI naar
bedrijfstakken voor de Philippijnen, India, Ghana, Guate-

mala en Argentinië 5). Ook hierbij blijkt een grote variatie
in resultaten, mede al naar gelang van de veronderstellingen

die men maakt. Van bijzonder belang blijkt de (negatieve)
invloed van het ten dele financieren van buitenlandse inves-

teringen met lokale financiële middelen.

In de door de Canadese econoom Grant L. Reuber ge-
leideaadere OECD-studie zijn met name de kenmerken van

een 80-tal projecten van buitenlandse investeringen geana-
lyseerd 6). Inkomens- of betalingsbalanseffecten worden
door hem niet geschat. Deze laatste acht Reuber niet rele-

vant, omdat naar zijn mening de algemene financiële poli-

tiek van het ontwiklcelingsland en een juiste vaststelling van
de wisselkoers moeten zorgen dat de betalingsbalans in
evenwicht is. Het zou te ver voeren hier op alle aspecten
van dit standpunt in te gaan. Volstaan moet worden met
hiertegenover te stellen dat deze opvatting het structurele
karakter van de betalingsbalanstekorten der ontwikke-
lingslanden ernstig onderschat. Wél is het juist dat de
betalingsbalanseffecten niets zeggen over de invloed die een

investering op de economische ontwikkeling heeft.
De belastinginkomsten die buitenlandse bedrijven voor

de ontwikkelingslanden opbrengen worden door Reuber ge-

schat op $ 3,2 mrd. tot $ 4 mrd. in totaal, waarvan $ 1 mrd.
tot $ 1,2 mrd. uit de industriële sector. Hij verbindt daaraan
echter de opmerking dat het onbekend is wat de reële of

netto-inkomsten zijn, omdat men van deze bedragen dient
af te trekken het verlies aan inkomsten als gevolg van het
verstrekken van subsidies aan de buitenlandse bedrijven
langs directe of indirecte weg (tariefprotectie,

belastingfaciliteiten).
Over de aanpassing van de gebruikte produktietechnolo-

gie aan lokale omstandigheden zijn de gegevens schaars en
niet eenduidig. De technische keuzemogelijkheden zijn
veelal beperkt. Het constateren dat in het ontwikkelings-
land dezelfde technieken worden gebruikt als in het ontwik-

kelde land betekent niet noodzakelijk dat nagelaten is meer
arbeidsintensieve technieken toe te passen. Zulke technie-
ken kunnen geheel ontbreken. De bedrijfseconomische..
prikkel deze technieken te ontwikkelen kan echter ook af

wezig zijn.
Het zijn niettemin waarschijnlijk de overdracht van ken-nis en technologie en het verschaffen van management die

als de belangrijkste functies van de directe investeringen
voor de ontwikkelingslanden beschouwd moeten worden.
Hiervoor zijn moeilijker alternatieve bronnen aan te geven

O.a. in: The multinational enterprise and the theory of develop-
ment’policy,
World Det’elopmeni, Vol. 1,
no. 10, oktober 1973,
blz. 1-13.
P. P. Streden en S. Lali,
Main/inding.r of a
SIw/l
(?f privale
fèreign in vestment in selectecl cle veloping countries, UN
CTA D, Doe.
TD/B/C.3/ It, 23 mei 1973.
H. C. Bos, Martin Sanders en Carlo Secchi,
Prit’aie foreign
ini’estment in cle’eloping countrie.v. A c/uanhila!il’e stucIl
,
0fl
the
el’aivation of the macro-economie e/jeet.v.
D. Reidel Publishing
Company. Dordrecht-H olland/ Boston-USA, 1974.
Grant L. Reuber (et al.),
op.cit.

834

dan voor kapitaalverschaffing. De betekenis voor de werk-

gelegenheid, ca. 1,6 mln. in buitenlandse bedrijven op een
totale beroepsbevolking van 600 mln., is gering. Onvol-
doende inzicht bestaat in de rol die de buitenlandse bedrij-

ven vervullen bij de training en opleiding van lokale arbeid.
Evenmin is voldoende duidelijk in hoeverre van de kennis-
overdracht ook een spreidingseffect op de rest van de econo-
mie uitgaat. Ook hierover zou meer feitelijk onderzoek
moeten plaatsvinden.

Reuber komt in zijn studie tot een voorzichtige positieve beoordeling van particuliere investeringen voor ontwi kke-
lingslanden. Hij wijst evenals anderen op het ontbreken van

voldoende gegevens voor een gefundeerd generaliserend

oordeel, op de grote variatie in de effecten van PBI en op
het feit dat deze effecten ten dele afhangen van de politiek
die het ontwikkelingsland voert. Deze laatste conclusie leidt
tot het laatste deel van deze beschouwingen.

Het beleid t.o.v. PBI

Dit beleid kan worden bezien vanuit het standpunt van
de particuliere buitenlandse bedrijven, van de ontvangende
ontwikkelingslanden en van de landen waaruit de buiten-
landse bedrijven afkomstig zijn. Het beleid van elk van deze

drie betrokkenen zal gebaseerd zijn op de betekenis die aan de investeringen wordt toegekend. De criteria die bij de be-
oordeling van deze betekenis worden aangelegd zullen ver-

schillend zijn.
Directe investeringen vormen een particuliere commer-

ciële transactie en geen ontwikkelingshulp in de formele zin

zoals door het Development Assistance Committee van de
OECD gedefinieerd. Volgens deze definitie is er alleen
sprake van hulp wanneer de kapitaaloverdracht een conces-

sioneel karakter heeft met een schenkingselernent van ten-
minste
25%.
Van enige schenking is bij particuliere investe-
ringen geen sprake. Een en ander betekent niet dat dus deze
investeringen niet (kunnen) bijdragen tot de economische
ontwikkeling. Een commerciële transactie kan zeer wel voor
beide partijen voordelen opleveren, en wil zij tot stand ko-
men dan zal ook op zijn minst de verwachting moeten be-
staan dat dit het geval is. Sommige critici van PBI schijnen,
ten onrechte, te geloven in de juistheid van het gezegde dat ,,als er twee ruilen, moet er één huilen”, ofwel het voordeel
van de een (de winst van de buitenlandse investeerder) is
een verlies voor de ander (het ontwikkelingsland). Elemen-
taire economie leert echter anders.
De belangen van buitenlandse investeerder en ontwikke-
lingsland kunnen en zullen voor een belangrijk deel sa-

mengaan. Dit is echter niet noodzakelijk en in alle opzich-
ten het geval. De redenen waarom en de omstandigheden

waaronder de belangen niet parallel lopen zijn grotendeels
dezelfde als die welke verklaren waarom een project be-
oordeeld vanuit nationaal-economisch standpunt andere
resultaten kan opleveren dan een beoordeling vanuit
privaat-economisch standpunt, met name in de om-
sta id igheden kenmerkend voor ontwikkelingslanden. Deze redenen zijn, in liet kort:
Het verschil in criterium van beoordeling. Nationaal-
economisch zijn van belang de bijdragen tot de doeleinden
van de ontwikkelingspolitiek, bedrijfseconomiscli in hoofd-
zaak overwegingen van rentabiliteit, continiitei,t en vermin-
dering van bedrijfsrisico. Het streven van de regering van
een ontwikkelingsland werkgelegenheid te scheppen in een
achterblijvende regio bijv. kan in strijd zijn met de bedrijfs-economisch meest aantrekkelijke keuze van vestigingsplaats
en produktietechniek.
Positieve en negatieve externe effecten zullen in de
bedrijfseconomische beoordeling buiten beschouwing wor-
den gelaten, maar niet in de nationaal-economische (bijv.
liet opleidingseffect en de beïnvloeding van consumptie-

gewoonte n).
Ondeelbrheden in de produktie (hoge vaste kosten)

leiden met name bij een relatief klein afzetgebied tot mono-

polistische of oligopolistische marktsituaties en overeen-
komstige prijszettingen. Het constateren dat bedrijven winst
maken is geen bewijs van zgn. exploitatie of uitbuiting.

Wanneer de winsten echter lange tijd excessief 7.ijfl, zal er in
liet algemeen sprake zijn van een monopoliepositie en
-prijsvorming die overheidsingrijpen en correctie vraagt.
Ook om vele andere redenen zal het prijzenstelsel in
ontwikkelingslanden meestal vervalst zijn. Marktprijzen,
waarop bedrijfseconomische calculaties zich zullen baseren,
kunnen voor goederen, arbeid, kapitaal en valuta geen

juiste uitdrukking zijn van hun werkelijke nationaalecono-
mische waarde. Berekeningen iii reken- of schaduwprijzen
zullen deze waarde nioeten benaderen.

Naast deze algemene factoren die veroorzaken dat pri-
vaat- en nationaal-economische beoordelingen van elkaar
kunnen verschillen, kan ook de multi-nationale aard van
het bedrijf een oorzaak van discrepantie vormen. Het multi-
nationale bedrijf zal zijn beleid richten op het geheel van
activiteiten van moeder- en dochtermaatschappijen over de
gehele wereld, terwijl het ontwikkehingsland alleen met zijn

nationale belang rekent. Het verbod tot exporteren voor
een dochtermaatschappij, in het algenieen of naar landen

waar andere dochtermaatschappijen zijn gevestigd, kan
bedrijfseconomisch verantwoord zijn vanuit het standpunt

van liet centrale hoofdkantoor; dit is niet liet geval voor de
het rokken ontwikkelingslanden waar de dochtermaatschap-
pijen gevestigd zijn. Het is ook de vraag of dit beleid van-

uit wereldstandpunt optimaal is.
Ook de problemen rond de zgn. transferprijzen, met
name het overfactureren van de invoer ten behoeve van het
multinationale bedrijf en het onderfactureren van de uit-
voer, vormen een ander voorbeeld van mogelijke conflicten

t ussen bedrijfseconomische en nationaal-economische be-
langen veroorzaakt door het multinationale karakter van
het buitenlandse bedrijf.

Van de buitenlandse particuliere investeerders kan moei-
lijk worden gevraagd of verwacht dat zij ontwikkelingshulp
zullen geven. Wel zullen zij de kritische instelling van de
ontwikkelingslanden niet kunnen verwaarlozen. Het is
daarbij zelfs niet altijd relevant of men vindt dat deze kri-
tiek ten onrechte wordt uitgeoefend. De kritiek komt na-
melijk niet uitsluitend van de regeringen, maar met name
wanneer zij een sociaal, cultureel of politiek karakter draagt
ook van grote groepen uit de bevolking. Men denke bijv. aan de anti-Japanse demonstraties tijdens het bezoek van
de Japanse premier Tanaka aan Zuidoost-Azië in het begin
van dit jaar. Buitenlandse bedrijven die economische,
sociale en culturele enclaves in ccii ontwikkelingsland

vormen, roepen snel sterke weerstanden op.
Op verschillende manieren kan men trachten evt. conflic-
ten van belangen te beperken. Een zo groot mogelijke open-
heid en inzicht in het bedrijfsbeleid en in de bedrijfs-
resultaten kan onjuiste kritiek voorkomen. Een te sterke
afhankelijke positie van het ontwikkelingsland kan vermin-
derd worden door ,,joint ventures” niet een meerderheids-
aandeel voor de lokale overheid. Dit middel heeft overigens
duidelijke beperkingen. Het zwakt de financiële voordelen
van de buitenlandse investering voor liet ontwikkelingsland
af. Het is bovendien hoofdzakelijk geschikt voor invoer

verva ngende bedrijven werkzaam voor de binnenla ndse
markt en niet voor verticaal gëintegreerde bedrijven of
grondstoffenexploitatie. Afspraken om binnen een bepaalde
vastgestelde periode, mits niet te kort, maar bijv. 20 â 30
jaar, het buitenlandse bedrijf geleidelijk in binnenlandse
handen te doen overgaan en het opnemen van personen uit
de ontwikkelingslanden in de raden van bestuur of van

commissarissen kunnen de vrees, die al dan niet terecht is,
voor buitentandse overheersing helpen matigen. 1 nternati-
onale afspraken zullen ook de buitenlandse bedrijven moe-
ten beschermen tegen evt., oneerlijke behandeling door rege-

ringen van ontwikkelingslanden en tegen de gevolgen van
evt. nationahisatie.

ESB 25-9-1974

835

De ontwikkelingslanden zullen een duidelijk en systema-
tisch beleid t.o.v. PBI moeten voeren. Dit beleid zal geba-

seerd moeten zijn op een concreet inzicht in een viertal aspecten die bij elke aanvraag tot vestiging van buiten-
landse bedrijven onderscheiden kunnen worden:

Is de binnenlandse produktie van een bepaald produkt
nationaal-economisch aantrekkelijk, of kan het beter uit
het buitenland worden betrokken dan wel kan het land

beter geheel van het produkt afzien?
Indien binnenlandse produktie wenselijk is, hoe kan deze
het beste plaatsvinden? Door lokale particuliere bedrijven,
door de ovcrheid, door buitenlandse bedrijven, of tussen-
vormen?
Hoe moeten de economische gevolgen gewaardeerd wor

den tegenover de sociale, culturele en politieke aspecten?
Hoe kunnen in concrete onderhandelingen met buiten-

landse bedrijven de voorwaarden zodanig bepaald worden
dat de voordelen voor het ontwikkelingsiand zo groot mo-

gelijk zijn?

De antwoorden op deze vragen zijn niet onafhankelijk
van elkaar. Nauwkeurige antwoorden zijn ook niet altijd

mogelijk, maar alleen op basis van een zo concreet mogelijk

inzicht in deze aspecten zal een verantwoord beleid t.o.v.
PBI in het algemeen en bij individuele beslissingen over het
toelaten en aantrekken van buitenlandse investeringen mo-

gelijk zijn.
De bewegingsvrijheid die het ontwikkelingsiand heeft in
zijn onderhandelingen over nieuwe buitenlandse investe-
ringen is beperkt. Stelt het zijn eisen te hoog of conflicteren
deze met de belangen van het buitenlandse bedrijf dan
loopt men het risico dat het bedrijf zijn belangstelling ver-
liest en, althans voor sommige typen investeringen, naar

een buurland gaat dat minder veeleisend is.
Om dit te voorkomen zouden ontwikkelingslanden min-

der onderling moeten concurreren om buitenlandse inves-

teerders aan te trekken, zoals vaak gebeurt. Hierbij kan de
Andesgroep als positief voorbeeld dienen, waarbij vijf lan-den een gemeenschappelijke politiek t.o.v. buitenlandse in-

vesteringen voeren. In hoeverre de concrete inhoud van

Industriepolitiek en energiebeleid

MR. H. VERSLOOT

In ESB van II september en 18 sepiember/.

tterc/en cle inleidingen van Drs. W. J. van Ge/t/er

en Drs. .1. Louu’man, t/je zij hielden op een con-
gres van de Wiardi Beckman Stichting over indu-

striepolitiek, afgedrukt. De heer Van Gelder gaf

een socialistische, de heer Louwman een werkge-

versvisie. Deze t’eek wordt cle inleiding van Mr.

H. Versloot, lid van cle Eerste Kamer der Staten

Generaal voor cle PvdA, over iii cl u.vtriepo/itiek en

energie hele id geplaatst. De recente oliecrisis

hee/ duidelijk gemaakt dat beide onlosmakelijk

aan elkaar zijn verbonden. De heer Versloot
noemt enkele maatregelen iiie ertoe moeten

leiden t/al cle wereld ook in cie toekomst vol-

tloenc/e energie ter beschikking heet;’.

Lange tijd lag één van de vanzelfsprekende grondslagen
van onze industriepolitiek in de mogelijkheid dat relatief
goedkope energie in ruime mate voor de industrie beschik-

baar was. Najaar 1973, na het voltooien van het WBS-rapport
Industriepolitiek,
gebeurde onverwacht, wat reeds eerder
werd gevreesd: de regeringen van de Arabische olieproduce-
rende landen beperkten om politieke en economische redenen

hun produktie, en verhoogden hun heffingen tot het vièr– â
vijfvoud.

Het feit dat de voorraden fossiele energiedragers, voor zo-

ver tegen lage kosten toegankelijk (en daarvan beheren de
Arabische landen het leeuwedeel), snel uitgeput dreigen te ra-
ken was één van de aanleidingen tot dit produktiebeleid. De
concrete politieke situatie in het Midden-Oosten, en de daarin
geboden eensgezindheid, leverde een andere, meer spectacu-laire aanleiding. Beide te zamen hebben teweeg gebracht dat sedert 1973 de leverantie van ruwe olie naar omvang en prijs
onzeker is geworden en zal blijven.

Daarmee zijn nu de westelijke industrielanden en Japan ge-
noodzaakt, hun economisch beleid aan te vullen met een uit-
d rukkelj k energievoorzieningsbeleid. Voor zover een over-
eenkomstige ontkkeling op de overige grondstoffenmark-
ten duurzaam zou blijken, zal hetzelfde gaan gelden voor de
voorziening met grondstoffen; in elk geval echter is het nu
reeds onmogelijk een industriebeleid te bespreken zonder
daarin alsnog het energiebeleid te betrekken. Een samenle-

ving als de Nederlandse heeft in elk geval een ruime voorzie-
ning met niet-biologische, ,,externe” energie nodig.

,
..a

.a2′
z

9
noS

1

1000v. Chr.prim.mens alleen
*
vuur
ea.

2,1
ca.

10)
ca

20
000 n. Chr.mens
+
dieren, vuur
ca.

10
ca.

5(?)
ca

500
1700 n. chr.mens
*
wind, dieren, vuur, water
ca.

50
ca.

10
ca

5.000
1972 n. Chr.mens

foss. energie
540
135
730.000

Om circa 14 mln. inwoners op ongeveer 40.000 km
2
te laten
leven, moeten aanzienlijke hoeveelheden voedsel, grond- en

836

deze politiek de investeerders heeft afgeschrikt is een andere
vraag.

De ontwikkelingslanden zouden hun onderhandelings-
positie ook kunnen versterken door meer onderlinge con-

currentie tussen buitenlandse ondernemingen werkzaam op eenzelfde terrein uit te lokken. Thans laat de werkelijkheid
vaak het tegendeel zien. Sommige ontwikkelingslanden

doen hun uiterste best buitenlandse investeringen binnen te
halen en verlenen daarbij tal van faciliteiten in de vorm van

belastingvrijstellingen of -verlagingen, protectie t.o.v.

concurrerende invoer, vrijstelling of verlaging van invoer-

rechten op produkten ten behoeve van het buitenlandse be-

drijf. Vele ontwikkelingslanden lijken zich niet altijd vol-
doende te realiseren dat deze faciliteiten de betekenis van de
investering verminderen. Het is bovendien op zijn minst

twijfelachtig of dergelijke faciliteiten van wezenlijke beteke-
nis zijn voor het buitenlandse bedrijf bij zijn investerings-

bes lissing.
Het onderhandelen blijft overigens een zaak waarvoor
moeilijk vaste regels gegeven kunnen worden. Slechts de al-

gemene beginselen zijn duidelijk. Particuliere bedrijven ves-

tigen zich in ontwikkelingslanden, omdat zij daar bedrijfs-
economisch voordeel in zien. Ontwikkelingslanden trekken
buitenlandse bedrijven aan, omdat zij dit voor hun nationaal-
economische onvikkeling als voordelig beschouwen. Deze

beoordeling zal rekening moeten houden met evt. andere
beschikbare middelen die de ontwikkeling kunnen bevorde-

ren. Het is voor de ontwikkelingslanden zaak een beleid te

voeren dat de nationaal-economische voordelen van PBI zo
groot mogelijk maakt zonder de buitenlandse investeerders
af te schrikken. Het is in het belang van de buitenlandse be-

drijven dat zij door hun beleid zo weinig mogelijk in con-

flict komen met de nationale belangen van het ontwikke-
lingsland. Op vele punten zullen de wederzijdse belangen gelijk gericht zijn, op andere daarentegen niet. Het beleid
van alle betrokkenen zal erop gericht moeten zijn zulke
helangenconflicten te voorkomen of te beperken.

H.
C.
Bos

hulpstoffen worden aangevoerd en bewerkt, terwijl daarnaast
omvangrijke verplaatsingen nodig zijn van personen en infor-

matie voor het vervullen van de bestuurlijke, commerciële,
culturele en recreatieve functies, evenals verwarming van wo-

ningen en werkplaatsen. Zelfs als op het energieverbruik per
hoofd een ,,verspilling” van 15 i 25% bespaard kan worden,
resteert een totale energiebehoefte in Nederland van 550.000
tot 620.000 x
106
kWh perjaar; 110 tot 125 x het ,,natuurlijke”
energieverbruik in de 18e eeuw.
Een laag-energetische samenleving met een verbruik van 50
i 100 x
106
Joule per hoofd per dag kan niet anders zijn dan
een technisch laag ontwikkelde dunbevolkte samenleving met
geringe communicatie. Wel kan een meer efficiënt gebruik
van energie worden bereikt (met behoud of verbetering van
welzijn) vanuit de huidige situatie door:

in de bestaande vormen van energiegebruik verspillingen
weg te nemen of voor gelijke bestemming efficiëntere me-
thoden toe te passen;
het energiebebruik te verminderen of te beëindigen voor die

bestemmingen die de laagste welzijnswaarde per eenheid
energie (bijvoorbeeld kWh = 860 kcal = 3,6 x 106 Joule) op-
leveren;

als nieuwe bestemmingen voor energiegebruik die te kiezen
met de hoogste welzijnswaarde per eenheid energie.

De ,,welzijnswaarde” is niet identiek met de bijdrage aan
het bruto nationaal produkt per hoofd: consumptieve waar-

den, veiligheidswaarden, aantasting van milieuwaarden ko-
men daarin immers niet adequaat tot uitdrukking. Voor het
voeren van een industriebeleid is overigens de toevoeging aan
het bruto nationaal produkt (mits gecorrigeerd voor aantas-
ting van milieu- en veiligheidswaarden) per toevoegende een-heid verbruikte (primaire) energie een nuttige maatstaf ter be-
oordeling van de aanwending van energie.
Het verdient de aandacht dat in de laatste tien jaren, geme-
ten aan de toeneming van het bruto nationaal produkt, de toe-
gevoegde hoeveelheden van in Nederland verbruikte energie
(over alle toepassingen te zamen gerekend) een sterk afne-
mende meeropbrengst hebben vertoond: in constante prijzen van 1964 daalde de toename van het bruto nationaal produkt
per hoofd der bevolking van f. 143 per toegevoegde 1.000

kWh omstreeks 1960 tot f. 93 per toegevoegde 1.000 kWh
omstreeks 1970. Daarbij heeft uiteraard een sterke toeneming
van het energieverbruik voor woonhuisverwarmingen parti-
culier vervoer een rol gespeeld.

Innovatie

De onzekerheid over leverbaarheid en prijs van primaire

energiedragers heeft ernstige gevolgen voor de onafgebroken
noodzakelijke vernieuwing en aanpassing van ons produk-
tiestclsel. Daartoe is investering nodig van kapitaal in re-
search, produkt-en systeeniontwikkeling de planningen uit-
voering daarvan wordt door onvoorzienbare ontwikkelingen
in hoeveelheid en prijs van beschikbare energie ernstig belem-
nierd of onmogelijk gemaakt. Voor deze innovatie (die zelfs
bij nulgroei noodzakelijk is) is het een voorwaarde van wezen-

lijk belang dat er een voorziening met energie bestaat van vol-
doende gestabiliseerde omvang tegen voldoende gestabili-
seerde prijs.

Daarom zal het door de overheid, ook de Nederlandse, te
voeren energiebeleid zich moeten richten op drie fundamen-
tele doelstellingen:
verhoging van efficiëntie van het energieverbruik in termen
van welzijn;

veilig stellen van de energievoorziening in voldoende om-
\’a ng;

stabiliseren van de energieprijs op een niveau dat deze om-
vang van energievoorziening duurzaam waarborgt.

1-let is zonder meer duidelijk dat vooral de laatste beide

doelstellingen alleen afdoende gerealiseerd kunnen worden in
een internationaal beleid op wereldschaal. Dat zal echter nog
voor een onberekenbaar lange tijd tot de vrome wensen beho-ren, in elk geval zolang de mogelijkheid blijft bestaan vooraf-
zonderlijke.staten om zich met rechtstreeks voordeel op korte
termijn, of zelfs alleen maar met relatief voordeel op lange ter-
mijn, aan zo’n internationaal beleid te onttrekken. De be-
staande politieke moraal zal immers in vele staten een rege-
ring niet toestaan zulk voordeel voor de eigen staat in het alge-
meen wereld belang voorbij te laten gaan. Het blijft dus nodig
rekening te houden met min of meer ernstige storingen in toe-
voer en prijs van primaire energiedragers tot in een Vrij verre
toekomst. Het is duidelijk dat daarbij ook een onverwachte

prijsdaling (,,dumping”) tot stoornis leidt en bijvoorbeeld kan leiden tot het plotseling moeten afbreken van de ontwikkeling
van een nieuw energievoorzieningssysteem, met alle in zo’n

verbreking begrepen verlies aan geïnvesteerd kapitaal. Zoals
de geforceerde hoge prijsstijging de opkomst uitlokt van olie-

vervangende energiesystemen, zo kan ook een plotselinge da-ling die vervanging weer afweren. Het huidige tamelijk wille-keurige prijsniveau biedt daartoe meer dan voldoende ruimte.

Diversiteit en decentralisatie

Tegengestelde ontwikkelingen (nog verdere beperking van

de toevoer of verhoging van de prijs) blijven echter evenzeer
mogelijk, al naar gelang machtsverhoudingen, politieke doel-

ESB 25-9-1974

837

stellingen en economische inzichten daartoe ruimte en aanlei-

ding bieden. Een nationaal energiebeleid zal daarom moeten

streven naar voorziening met behulp van een zo groot moge-

lijke
diversiteit
van primaire energiedragers. Een niet onbe-

langrijk aandeel zal daarin moeten worden nagestreefd voor

energiedragers met een stroomkarakter, zoals windkracht,

getijden, geothermische stromen en vooral zonnestraling.
Dit aandeel zou zo snel mogelijk tot tenminste 10% van de

totale energievoorziening moet stijgen en liefst tot ca. 25%.

Gegeven het meestal zeer onregelmatige karakter van derge-
lijke stromen zal gestreefd moeten worden naar het ontwikke-
len van een goed in voorraad te nemen en tevens goed vervoer-
bare finale (of intermediaire) energiedrager. Elektrische
stroom beantwoordt alleen aan de eis van vervoerbaarheid;
wellicht kan waterstof deze taken overnemen of aanvullen.

De overige primaire energiedragers zouden eveneens in Vrij
grote diversiteit in ons energievoorzieningssysteem moeten
worden betrokken, welke diversiteit ook in vindplaatsen en
politieke beheersing daarvan moet worden nagestreefd (olie
uit Arabische landen naast olie uit Zuid-Amerika, het Noord-
zeegebied, leisteen en teerzand; steenkool – als slurrie – uit
arctisch gebied en uit Australië; aardgas uit eigen bodem, ura-
ni um uit Afrika en ande.re voorkomens). Bij de omzetting van
primaire energiedragers in finale (elektriciteit, benzine, gaso-

Iie, stookolie, methaan, waterstof) zou bovendien een pas-

sende, zover mogelijk
gedecentraliseerde
produktie moeten

worden nagestreefd, waar mogelijk in aansluiting op een ge-

meenschappelijk distributienet.

Vrije concurrentie onmogelijk

Te zamen dragen diversiteit en decentralisatie bij tot een zo

groot mogelijk aanpassingsvermogen van het totale systeem
van energievoorziening in geval van technische storingen, wij-
zigingen in de toevoer van commerciële of politieke oor-
sprong, of calamiteiten van andere aard, zoals sabotage of ter-

reuracties. Onder het bestaande stelsel van in beginsel vrije
concurrentie op het punt van levering van primaire energie-
dragers en omzetting daarvan in finale energiedragers, kan

een dergelijke eis van diversiteit en decentralisatie niet gereali-
seerd worden. Weliswaar zijn er belangrijke prijsverschillen
per Joule mogelijk voor finale energiedragers, afhankelijk
van hun bijzondere gebruikseigenschappen, de eigensçhap-
pen van gespecialiseerde verbruiksapparatuur, de praktische
monopolieposities die bij sommige distributiesystemen ont-
staan, en van andere marktbeperkingen. Ver mag de prijs ech-
ter op den duur niet uiteen blijven lopen, zeker niet voor de
primaire energiedragers. Daardoor zou een eenzijdige ge-

richtheid op de goedkoopste primaire energiedrager ontstaan.

mede in verband met de meest efficiënte, dus grootschalige wijze van omzetting daarvan, en dat is dus het lijnrechte te-
gendeel van datgene waarop een energiebeleid zich moet rich-

ten.
Daardoor mag ook niet de laagst mogelijke prijs worden
nagestrcefd, waarop energie in de voorgebruikers meest wen-
selijke vorm ter beschikking kan worden gebracht. Die laagst
mogelijke energieprijs impliceert grootschaligheid, eenvor-
migheid, snelle uitputting van de goedkoopste primaire ener-
giedragers, kwetsbaarheid en politieke afhankelijkheid, en

schoksgewijze ontwikkeling van prijzen en leveringsomvang.
Gegeven de lange tijd die nodig is om technische innovaties op

het gebied van de energievoorziening in enigszins ruime om-
vang tot stand te brengen, zal ook herhaaldelijk energie-

schaarste blijven optreden.
De afleveringsprijs voor finale energiedragers zal hoger
moeten zijn dan de laagst mogelijke, ten einde een betrouw

baar en gelijkmatig systeem van energievoorziening te kun-
nen doen ontstaan en te laten voortbestaan. Het deel van de afleveringsprijs boven het laagst mogelijke niveau fungeert
dan als waarborg voor tijdige innovatie van het stelsel en als
premie tegen stoornissen en andere instabiliteit. Dit leidt tot

twee bijzondere conclusies.

Produktie van finale energie uit verschillende primaire
energiedragers, met andere kosten voor ,,grondstof” en

produktieproces zal leiden tot zeer verschillende winstmar-
ges, en, als men niet zonder meer op de kostprijs van de
duurste van alle betrokken produktiewijzen wil gaan zitten,

soms zelfs tot verliesmarges. Dat is alleen uitvoerbaar bin-
nen een economisch nauw verbonden systeem van energie-
voorziening, waarbinnen diversiteit bewust wordt nage

streefd.
De bestemming van overschotten boven rechtstreekse pro-
duktiekosten in het systeem of in onderdelen daarvan ver-

kregen, dient controleerbaar gericht te worden op de
continuïteit van het systeem en dus van zijn tijdige vernieu-

wing (research, ontwikkeling, investering) en aanpassing.
De overschotten dienen daartoe ook genoegzaam te zijn.
De bepaling en stabilisatie van het prijsniveau vereist open-

bare besluitvorming en controle, en dientengevolge de

winstbepaling en -bestemming evenzeer, evenals ook de
hoofdzaken van het innovatiebeleid, terwijl het gehele sys-
teem van de voorziening van gebruikers (ondernemers of
eindgebruikers) als één samenhangend geheel bestuurd

moet kunnen worden.

Ondernemingsvrijheid

Dit alles behoeft een ondernemingsgewijze produktie niet

uit te sluiten, maar houdt wel belangrijke beperkingen van de
ondernemingsvrijheid in, in deze zin dat afzonderlijke onder-
nemingen verantwoordelijk zullen moeten zijnjegens de over-
heid voor de vervulling van hun aandeel in de energievoorzie-
ning en in de innovatie van het stelsel, en zich binnen dat aan
de overheid verantwoordelijke stelsel moeten coördineren.
De rechtsvorm daarvoor is dus niet noodzakeljkerwijs één
grote centrale staatsproduktiemaatschappij; wel is het nood-
zakelijk dat binnen het stelsel en naar de overheid toe zake-
lijke informatie volledig, vrij en zonder vertraging circuleert,
en dat algemene doelstellingen en de uitwerking en distributie
daarvan over belangrijke onderdelen van het stelsel in goede
coördinatie worden opgesteld. Niet in de laatste plaats moet
ook de stroom van beschikbare middelen binnen het stelsel in
overeenstemming met die algemene doelstellingen en hun uit-
werking geleid kunnen worden. Zolang zulk een beleid niet op
ruime schaal (tenminste op Europese schaal) internationaal

wordt opgesteld en uitgevoerd, ontstaan er twee problemen:
dat van prijsverschillen met het buitenland, en dus van con-
currentievertroebeling, en dat van de multinationals.
Beide problemen veroorzaken beperkingen voor de speel-
ruimte van nationaal beleid. Voor het eerste probleem biedt
de export van energiedragers enig soelaas: overschotten die
ontstaan kunnen worden gebruikt om verschillen in prijsni-

veau van finale energie waar nodig te compenseren, bijv. in ta-
riefreducties voor de produkten van energie-intensieve ex-
portgoederen. Wat de samenwerking met multinationals be-
treft, ligt er grond voor hoop op enig succes in het feit dat deze
steun en medewerking van de regeringen in hun afzetgebieden
nodig hebben om niet al te afhankelijk te worden van de rege-ringen in hun winningsgebieden. Hun afhankelijkheid van na-
tionale regeringen is niet zo groot als met vele uitsluitend nati-
onale ondernemingen het geval is, maar zij zijn stellig niet
onafhankelijk van nationale regeringen. Bovendien is hun
voortbestaan, niet gesteund door enige nationale ideologie,
veel sterker nog afhankelijk van pure rationaliteit dan dat bij

nationale ondernemingen het geval is. De beperkingen vô’or
een nationaal energiebeleid maken een dergelijk beleid nog

niet onmogelijk.
In afwachting van een internationaal beleid, dat, ook al is

de kans niet groot, toch altijd nog sneller kan ontstaan dan wij
durven te hopen, zou het hier in grote hoofdlijnen geschetste
nationale beleid teweeg brengen dat wij wat minder afhanke-
lijk worden van het beleidvan andere staten. Daardoor kun-
nen wij gemakkelijker meewerken aan een passend energie-
voorzieningssysteem op grotere schaal, zodat wij niet zo vlug

838

Maatschappelij
* *ke rituelen

rond misdaad

PROF. DR. G. P. HOEFNAGELS*

Misdaad is een begrip dat afhankelijk is van betekenisverle-
ning door anderen dan de dader. Wanneer een gebeurtenis
onverenigbaar is met de officieel opgeëiste sociale waarden en
normen, dan krijgt zij de status van
een incident.
Dit is met de
traditioneel bekende misdaad zo. Ook al zitten bepaalde mis-
daden in het maatschappelijke systeem ingebakken, zoals de
vermogensdelicten voor de produktie waarvan alle mogelijke
factoren op maatschappelijk geoorloofde wijze worden aan-
gedragen (indringende reclames op steeds grotere schaal,
drempelverlaging van banken, attractieve verkoopmethoden

met weinig personeel enz.), dan nog krijgt de diefstal, de
bankroof, de warenhuisdiefstal de status van incident toege-

kend. De gepakte dader wordt, door krant en strafsysteem
geïsoleerd, benaderd als het incidentele mannetje in de marge.

Bij het gebruik van de term burgerlijke ongehoorzaamheid
zien we het omgekeerde plaatsvinden. De strafbare overtre-
ding wordt gedé-incidentaliseerd, wordt als een normale pro-
duktie van een maatschappelijk systeem gepresenteerd. Op
deze wijze wordt met de term burgerlijke ongehoorzaamheid

de wens uitgesproken om de strafbare overtreder van prjsbe-
palingen, benzinedistributiebepalingen, belastingwetgeving,
lokaalvredebreuk (bezetting), de status van normaal gedrag

toe te kennen. Het wordt uit de sfeer van incident en misdaad
gehaald en door betekenisverlening binnen de rituele maat-
schappelijke orde gebracht. Als de officiële autoriteiten deze
mening nu maar willen delen, dan is de wet haar benoemings-
kracht ontnomen en bovendien zullen ,,de anderen” (,,pu-
blike opinie” genaamd) dan niet de kans krijgen de strafbare

handelingen als crimineel te onderkennen. Het gebruik van de
term burgerlijke ongehoorzaamheid levert op deze wijze een vorm van decriminalisering op door middel van andere bete-
kenisverlening 1).

De benoemingskracht tot misdaad (en dus ook de macht
tot feitelijke decriminalisering) gaat in eerste en laatste instan-

tie uit van de officiële machthebber. Op dit stuk wordt met

name de macht van het Openbaar Ministerie onderschat. Bij
het doorbreken van de immuniteit van reëel ernstige witte-
boorden-criminaliteit, zoals milieumisdaden, zou de beteke-
nis van het Openbaar Ministerie veel groter kunnen zijn. Ver-

volging en openbare strafprocessen van bodem-, lucht- en wa-

genoopt zullen zijn om uit lijfsbehoud zo’n grotere meerom-
vattende regeling tegen te werken. Door de gang van zaken in eigen land bestuurbaarder te maken, zullen wij ook in regelin-
gen op grotere schaal gemakkelijker kunnen toetreden en een
aanvaard baarder partner kunnen zijn.
Tenslotte zal het hier aanbevolen beleid kunnen leiden tot
experimenten, waaruit ook voor andere landen elementen
voor een energievoorzieningssysteem, bijv. in de vorm van
kleine nieuwe technologie of van bestuurs- en samenwer-

kingsvormen beschikbaar komen.
H. Versloot

tervervuilers zouden de vervuilingen uit de sfeer van ,,het nor

male systeem” halen. De norm wordt dan geëxpliciteerd door
de officiële benoemer en verwacht mag worden dat deze aan-
sluit op de huidige sociale normen van de burger. D.w.z. in de
vervolging van milieucriminaliteit zit een democratisch ele-
ment.

Wel zal bij vervolging weer de reactie van de verdachten
verwacht mogen worden dat zij in ,,een politiestaat” leven 2).
Deze reactie tracht dan het overheidshandelen als ,,abnor

maal” en ,,incident” te bestempelen. Deze reactie is een anti-
ritueel tegen het ritueel van het correctieve proces. Er zijn

twee methoden om dit verwijt te ontkrachten, welke metho-
den beide berusten op een reële meting van de schade:
een fair proces waarin met name de norm en de aan anderen
toegebrachte schade wordt vermeld, zodat het milieudelict
tot dezelfde noemer wordt herleid als andere vermogens- en
geweldsdelicten. (Wat zijn de kosten van waterzuivering?

Wat kunnen mensen voor ziekten krijgen van cadmium en

andere giftige stoffen in de lucht?);
een straftoemeting die niet uit de (strenge) duim wordt ge-
zogen, maar gericht is en berekend wordt op vergoeding
van de schade. (Ergo: de kosten van waterzuivering, van
zieke en dode dieren en – het moeilijkste maar belang-
rijkste het laatst – de kosten van genezing van mensen en
dus van voorkoming). Deze schadesanctie zou via een bij-
zondere voorwaarde bij een voorwaardelijke hoofdstraf
kunnen worden opgelegd. Nog beter ware een civielrechte-lijke procedure.

Een nadeel van de civielrechtelijke procedure tegen ,,white-
collar-criminals” is het feit dat de strafprocedure nog wel
voorbehouden is aan de ,,blue-collar-criminals”. D.w.z. de ci-
vielrechtelijke procedure (terugvordering van het gestolene,
vergoeding van de schade uit onrechtmatige daad) komt, hoe-
wel effectief met name voor delicten met grote schade, in strijd
met de distributieve rechtvaardigheid, wanneer daarnaast
niet tevens een strafproces plaatsvindt. Daarom zou ook bij

de ,,blue-collar-crime” een algemene voorkeur voor de civiel-

rechzel(jke reactie
beleid sregel moeten worden. De reactie dat

men van een ,,kale kip” geen veren kan plukken, is mij be-
kend, maar met zo’n veronderstelling komen we nooit te we-
ten a. hoeveel kippen kaal zijn; b.
hoe
kaal ze dan wel zijn. Die

veronderstelling kan trouwens de dubieuze effecten van een
strafproces niet legitimeren. De voorkeur voor een strafver-
volging boven een civielrechtelijke vordering in gevallen van
,,blue-collar”-misdrijven past meer bij onze rituele behoef-
ten aan een correctief proces dan in een rationeel beleid van

rechtshandhaving.

* De auteur is hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Over het onzorgvuldig gebruik van de term ,,burgerlijke ongehoor-
zaamheid” zie mijn artikel in
ESB
van juli
1974.
Aldus in maart
1974
een verzekeringsmaatschappij als verdachte
ten processe wegens tegenwerken van de fiscale opsporingsdienst.

ESB 25-9-1974

839

De Antilliaanse economie

DRS. M. KOK

De Nederlandse Anti//en hebben een zwakke

economie. De ongunstige economische struc-

tuur veroorzaakte een hoge werkloosheid en veel

inflatie. Drs. M. Kok, medewerker bij het

Departement van Economische Zaken van de

Nederlandse Anti//en, geefi in dit artikel een be-

schrijving van de Antilliaanse economie. in cle

eerste plaats besteedt hij aandacht aan de macro-

economie. Ter sprake komen (le c’cono,,iische

structuur en een aantal economische kengetal-

len, clie hi! zoveel mogelijk uitsplitst over de ei-

/ancien. In cle tit’eecle plaats behandelt hij cle he-

langrijksie sectoren van cie Nederlandse A ntii-
lerm: toerisme, olie-in(hustrie en:. I-iier en daar

geeft Drs. Kok commentaar
0/)
cle huidige

economische situatie en geefi hij aanbevelingen

om cie huidige problemen op te lossen.

1. Macro-economische beschouwing
1.1 /Iuidij,’e c’cononusthe .vIrt,cltulr

Macro-economisch gezien zijn dc zes bewoonde eilanden
van de Nederlandse Antillen te beschouwen als vrij geiso-
leerde deelmarkten, waarvan er slechts twee namelijk
Aruba en Curaçao een omvang van enig belang hebben.
Het totaal aantal inwoners per 31 december 1972 was ruim
230.000, daarvan woonde 65%, dat is 150.000, op Curaçao en 26,6%, dat is ruim 61.000, op Aruba. De geïsoleerdheid
van de markten heeft in de eerste plaats de grote afstand

tussen Bovenwindse 1) en Benedenwindse 2) eilanden als

oorzaak en in de tweede plaats de geringe vervoers-
capaciteit en de slechte en weinig frequente zeeverbindin-

gen.
In feite kan worden gesproken van zes minivolkshuis-
houdingen, die ieder voor zich een eigen infrastructuur no-
dig hebben. Zo beschikken alle ei landen over eigen havens

en vliegvelden en hebben Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Bonaire ieder een water- en elektriciteitsbedrijf. Deze rela-
tief zware infrastructuur vormt temeer een aanzienlijke be-
lasting voor de economie van de Nederlandse Antillen, daar

niet geprofiteerd kan worden van schaalvoordelen. De
overheid heeft door de eilandenstructuur ook een relatief
zwaar administratief apparaat 3). Het ontbreken van vol-
doende schaalvoordelen speelt verder een rol bij de vesti-
ging of uitbreiding van invoervervangende industrieën. De

kleine deelmarkten verhinderen een voldoende bedrijfs-

grootte.
Ook voor de niet op binnenlandse afzet gerichte indu-

strieën is de geringe bevolkingsomvang een probleem. Dc
exportindustrieën worden namelijk geconfronteerd met een

kwantitatief en kwalitatief kleine arbeidsmarkt.

Een ander probleem voor de vestiging van industrieën is

de geringe aanwezigheid van grondstoffen wat uiteraard sa-

menhangt met de kleine geografische omvang.

De vestiging van nieuwe bedrijven is nodig in verband

met de vrij hoge werkloosheid en in verband met de weinig

veelzijdige economische structuur. Er zijn twee zgn. stu-
wende bedrijfstakken, het toerisme en de olieraffinage, ter

wijl de derde belangrijke bedrijfstak, de handel, slechts een
verzorgende functie heeft. Door de overheersende betekenis
van het toerisme en de olieraffinage zijn de Nederlandse

Antillen sterk afhankelijk van het buitenland. Deze econo-
mische afhankelijkheid wordt nog versterkt door de ge-
ringe zeggenschap in de grote ondernemingen van de Ne-

derlandse Antillen, die nagenoeg alle in buitenlandse han-
den zijn. Ook zijn de twee stuwende bedrijfstakken te geïso-
leerd in de Antilliaanse economie. Zo zijn er te weinig

toeleveringsbedrijven voor het toerisme en ontbreekt er bij-

voorbeeld een uitgebreide petrochemische industrie.
De openheid en daardoor de afhankelijkheid is voorts dui-
delijk te zien bij de binnenlandse prijsbeweging. De prijs-
stijging van 13% in 1973 was zelfs groter dan in Nederland
en in de Verenigde Staten. Aangezien in de meeste cao’s

aanpassingsclausules voorkomen, zullen ook de lonen gaan
stijgen. Dit kan een geringere aantrekkingskracht voor de

buitenlandse investeerders tot gevolg hebben. Daarbij moet
nog worden gesteld dat het loonniveau van ongeschoolde

arbeid op Curaçao al 30-40% hoger ligt dan op Jamaica,

Barbados en Trinidad.
Via de associatie van de Nederlandse Antillen met de

Europese Gemeenschap per 1 oktober 1964 is geprobeerd

het probleem van de kleine deelmarkten op te lossen. De
associatie maakt in beginsel vrije toegang van Antilliaanse

industriële produkten tot de grote EG-markt mogelijk.
Voor een klein land als de Nederlandse Antillen met weinig

grondstoffen blijken de strenge originebepalingen van de

EG echter vaak onoverkomelijke bezwaren op te leveren.
De verplichte wederkerige preferenties die overigens

praktisch symbolisch zijn, blijken verder voor de Verenigde
Staten een doorn in het oog te zijn. Bij invoering van het Amerikaanse Algemeen Preferentieel Systeem, zullen de

Sint Maarten (Nederlandse deel), Saba en Sint Eustatius.
Aruba. Curaçao en Bonaire. 15% van de beroepsbevolking werkte in 1970 bij de overheid
(10.800 arbeidsplaatsen).

11
* Zie ESB 1967 bIs. 438-440 en bis. 463-465 artikel van Cor
Brakel: ,,Dc Antilliaanse economie: al te veel handen, al te weinig
monden”. De schrijver is drs. Th. G. M. Tijssen dankbaar voor zijn
opmerkingen. Een iets andere versie van dit artikel is onlangs ,er-
schenen in het blad
Economische Notities
(onder verantwoordelijk-
heid van het Departement van Economische Zaken van de Neder-
landse Antillen).

840

14′,/Ie,n.vu,cl: Koningin Juliana Brug met cruise-schip.

Nederlandse Antillen bij handhaving van de wederkerige

preferenties ten opzichte van de EG waarschijnlijk niet daar-
van mogen profiteren.

1.2
Werkgelegen/ieic/, ii’erk/oosheic/ en
loonniveau

De werkloosheidscijfers variëren nogal per eiland. Was
het totale cijfer in januari 1972 14,6%; voor Aru’ba, Bo-

naire, Curaçao en de Bovenwindse eilanden bedroeg de
werkloosheid respectievelijk 17,3%, 17,3%, 13,8% en 9,7%.
Meer recente cijfers zijn niet beschikbaar; veel verbetering

is er echter sindsdien niet opgetreden. Wel is de werk-
gelegenheid op Aruba in 1972 sterk gestegen door de bouw

van een tweede ontzwavelingsfabriek bij de olieraffinaderij.
Deze projectgebonden werkgelegenheid is echter tijdelijk
van aard, zodat het probleem van te geringe duurzame
werkgelegenheid blijft bestaan.

De oorzaak van de huidige werkloosheid is voor een be-langrijk deel terug te voeren tot de teruggang van de werk-
gelegenheid bij de twee olieraffinaderijen op Curaçao en

Aruba, die in de jarer vijftig onder invloed van mechanise-

ring en automatisering begon. Voor een klein deel was de afstoting van bedrijfsvreemde activiteiten oorzaak van de
afname van de werkgelegenheid en werd deze weer gecom-
penseerd door de stijging van het aantal werknemers bij de

aannemers, die werken uitvoeren voor de olieraffinaderijen.
Vervangende werkgelegenheid werd verder voor een deel

gevonden bij het groeiend hoteltoerisme, bij de sinds 1968
op Curaçao gevestigde elektronische industrie van Texas
Instruments en bij de sterk uitgebreide Curaçaose Dok-

maatschappij. Zoals te verwachten is, liggen de lonen in de
hotels en bij Texas Instruments op een lager niveau, dan die in de zwaar kapitaalintensieve olie-industrie, als gevolg van
kwalitatief andere eisen, die aan de factor arbeid worden
gesteld.

Ten einde een inzicht te krijgen in de omvang van de pro-

blematiek is onlangs door het Bureau voor de Statistiek een
prognose gemaakt voor het benodigd aantal arbeids-
plaatsen op de Benedenwindse eilanden tot 1985 4). Daar-
bij is van een tweetal veronderstellingen uitgegaan:
gelijkblijvend niveau van de werkloosheid (peil per 1 ja-
nuari 1972);

volledige werkgelegenheid in 1985 (inloop te beginnen in
januari 1974).

Tabel 1. Benoclii,’a’ aantal arhei(/s/)/aa(sen op le /3eneden-iiindse eilan(Ien tot 1985.

Aruba
Bonaire
Curaçao
Samen

Totaal
Per jaar
Toiaai
Per jaar
Toiaai
Per jaar
Totaal
Per jaar

7.372
11.319
670
1.029
1.267
1.765
115
160
19.822
27.095
1.802
2.463
28.461
40.179
2.587 3.652

Indien we streven naar een opheffing van de structurele
werkloosheid en een zo klein niogelijke wrijvingswerkloos-
heid dan zijn er op Curaçao ruim 2.000 arbeidsplaatsen per

4)
Zie
Economische Notities,
jaargang 3, no. 1 (februari 1974).

ESB 25-9-1974

841

een hoger inkomen per capita. Dat de Nederlandse Antillen

desondanks ontwikkelingshulp kunnen gebruiken, blijkt uit

de gemiddelde jaarlijkse groeigraad van het inkomen per
capita over de periode 1960-1970. Deze bedroeg voor de

Nederlandse Antillen namelijk – 1,3%, met Cuba, Haïti en
Uruguay het enige land in het werelddeel Amerika met een
negatieve
groei van deze grootheid.

GEMEENTE LEIDEN

Bij de afdeling
Algemeen
Financieel Beleid van de
Dienst van Financiën
is de functie vacant van

financieel

beleidsmedewerker

De werkzaamheden van deze functie zijn gericht opde
fina nciële beleidsbeoordeli ng. Tot deze werkzaam-
heden worden gerekend de beoordeling van alle be-
leidsvoorstellen waaraan financiële gevolgen voor de
gemeente zijn verbonden, het verrichten van onder-

zoekingen op het terrein van de gemeentelijke inkom-
sten en uitgaven en het deelnemen aan algemeen be-

leidsvoorbereidende werkzaamheden ook in teamver-

band. Bovendien zal deze functionaris een inbreng
moeten kunnen geven bij de financiële beleidsplan-
ning en programmering.

Van een gegadigde voor deze functie wordt verwacht
dat hij, gegeven een grote mate van delegatie, zijn
taak zelfstandig kan verrichten. Daartoe moet hij be-
schikken over een kritische instelling, analytisch ver

mogen en een grote mate van inventiviteit. Evenzeer
van belang is een goede schriftelijke en mondelinge
uitdrukkingsvaardigheid en goede contactuele eigen-
schappen.

Een voltooide academische opleiding (economie,
rechten of openbare financiën) is vereist.

Aanstelling zal, rekening houdend met reeds opge-

dane ervaring, plaatsvinden in één der hoofdcommie-
zenrangen. Salarisgrenzen f2240,— en f3472,— per
maand.

Een psychologisch onderzoek kan tot de selectie-
procedure behoren.

Belangstellenden wordt verzocht hun eigenhandig
geschreven sollicitatie, met vermelding van nummer
74072, binnen 3 weken te zenden aan burgemeester
en wethouders van Leiden, Stadhuis, Leiden.
jaar nodig, op Aruba tegen de 1.000 en op Bonaire zo’n
150. De investeringen, die daarvoor moeten plaatsvinden,
zijn door het ontbreken van een kapitaalmarkt nog niet

op de Nederlandse Antillcr zelf te financieren. Om cniger-
mate het beleid van diversificatie van de economie en van
vergroting van de economische onafhankelijkheid mogelijk
te maken is ondermeer voortgezette ontwikkelingshulp een

eerste vereiste.

1.3
Nationale inkomen, economische ontwikkeling cii
0!?,-

o’ikkelingshulp

Volgens een zeer globale raming van de Wereldbank be-
droeg het bruto nationaal produkt per hoofdvan de bevol-

king in de Nederlandse Antillen in 1970 bijna 1400 Ameri-kaanse dollars 5). In het Caribische gebied hebben alleen de
Bahama’s, de Amerikaanse Virgin Islands en Puerto Rico

De te verstrekken ontwikkelingshulp dient mede gericht

te zijn op verhoging van de binnenlandse spaar- en
investeringsgraad en moet worden ingepast in een macro-

economisch ontwikkelingsplan om een optimale benutting
van de hulp mogelijk te maken. Tot nog toe werd slechts

gewerkt met een projectenlijst van voornamelijk overheids-

investeringen, die ten onrechte de naam ,,Meerjarenplan”

kreeg. De overheidsprojecten beperkten zich veelal tot de
economische infrastructuur en recent ook tot de sociale

infrastructuur. Deze projecten verhogen slechts de lopende

uitgaven van de overheid en dragen vrijwel niet bij tot een

hogere duurzame werkgelegenheid.

De ontwikkelingshulp dient meer gericht te worden op
het creëren van directe werkgelegenheid, aangezien de hoge

werkloosheid op het ogenblik het kernprobleem in de Ne-
derlandse Antillen is. Er zou een ontwikkelingsbank moe-
ten worden opgericht, die mede kan zorgen voor mobilisa-

tie van de reeds aanwezige binnenlandse besparingen, zodat
deze in mindere mate naar het buitenland afvloeien 6).

1.4
Sociale en economische infrastructuur

Dank zij de ontwikkelingshulp zijn de aanwezige basis-
voorzieningen in de Nederlandse Antillen als zeer redelijk te kwalificeren. In de eerste fase van het Meerjarenplan (1962-
1966) bedroegen de investeringen in de sociale en economi-
sche infrastructuur bijna 80% van het totale hulpbedrag. In

de tweede (1967-1971) en in de derde (1972-1976) fase zijn

de percentages resp. 66 en 71 (het laatste cijfer is een ra-

ming). Door het ontbreken van een centrale toetsing is er

vooral bij de economische infrastructuur soms sprake \’an
verkeerde investeringen.

Eén van de conclusies van de officiële commissie, die een
onderzoek heeft ingesteld naar de oorzaken van de ernstige
onlusten op 30 mei 1969 op Curaçao, was, dat de sociale
voorzieningen ten achter waren gebleven bij de overige.

Deze achterstand wordt wel enigszins ingelopen. Zo zijn in
1972 een nieuwe regeling voor onredelijk ontslag en een
stelsel van minimumlonen ingevoerd waarvan de economi-
sche consequenties echter slechts gering waren. Ook wordt
er steeds meer geld uitgegeven aan het onderwijs. Het grote
probleem met het onderwijs is de kleine schaal, waardoor

het moeilijk is de behoefte goed te voorspellen en daarmee
de aansluiting onderwijs-maatschappij te verbeteren. Ge-
werkt wordt nog aan een algemene ziektekostenverzekering. Sociaal wenselijk zouden ook een werkloosheidsvoorziening
en een minimum vakantiebijslagregeling zijn.

2. Sectorbeschrijving

2.1
Toerisme

Het vreemdelingenverkeer op de Nederlandse Antillen

In de loop van 1974 komen meer betrouwbare gegevens over
1972 beschikbaar. (Een team van het NEI is bezig nationale reke-ningen op te stellen).
De Antilliaanse besparingen brengen in het buitenland uiteraard
minder rente op dan betaald moet worden voor de harde leningen
van dc .,ontwikkelingshulp”.

842

brengt de meeste werkgelegenheid met zich mee 7). Econo-
misch gezien is er sprake van export van diensten en
daarom is het tot de stuwende bedrijven gerekend. Door
het al genoemde relatief lage loonniveau is de bijdrage tot
het nationale inkomen waarschijnlijk nog geringer dan de

bijdrage van de olieraffinaderijen.
Aanvankelijk bloeide vooral het cruise-toerisme op de Ne-

derlandse Antillen. De Caribische eilanden zijn door hun
milde tropische klimaat en door hun culturele en fysieke
verscheidenheid bijzonder aantrekkelijk voor vakantie-

reizen per schip vanuit de Verenigde Staten. Van de eilan-

den van de Nederlandse Antillen is Curaçao tot nu toe het

meest in trek, mede dank zij de lage prijzen van diverse luxe
artikelen (vaak belastingvrij) en dank zij de bunker-
faciliteiten. Daar Sint Maarten gunstig ligt voor de korte

cruises, is dit eiland sterk in opkomst, zoals blijkt uit tabel
2.

Tabel 2. /1011/al erllise-/oerislen per jaar

1967
1968 1970
1971
1972 1973

Curaçao

……………..
66.782 92.255
110.854.
93.551 112.300
160.677
St.

Maarten

………….
23.575
51.071
57.841
80.561
110.996
Aruba

………………
10.815
35.885
44.659
27.474
45.358
44.532
Bonaire

……………..
425 3.545
4.362
2.399
1.196
5.180
Ned. Antillen

…………
101.597
182.756
217.716
203.985
269.850

De tweede vorm van toerisme — liet verhlijfstoerisme is
zich pas recent gaan ontwikkelen onder invloed van externe

en interne factoren. Van de externe factoren zijn de steeds
stijgende koopkracht in de Verenigde Staten en liet wegval-
len iii 1959 van C uha als Amerikaans va ka it ieoord. bela lig-

rijk. Intern spelen een rol: fysieke eigenschappen als gunstig
klimaat en mooie stranden (vooral Aruba en Sint Maarten)
en de stimulerende overheidspolitiek. Zo werd er toestem-
ming gegeven voor casino’s bij de luxe hotels, verkregen de

hotel-maatschappijen belastingvrijdom voor 10 jaar en ver-
leende de overheid garanties en ook geldleningen voor de

bouw. De eilandgebieden Aruba en Curaçao richtten zelf
NV’s op, die hotels bouwden.

Economisch gezien is het aantal overnachtingen een be-
langrijk cijfer, daar dat iets zegt over de bezettingsgraad.

Iedere uitbreiding van de capaciteit van hotelkamers blijkt
namelijk in het begin een negatieve invloed op de gemid-
delde bezettingsgraad te hebben. Het aantal overnachtingen
in hotels (in duizendtallen) en het aantal beschikbare hotel-
kamers staan in tabel 3.

Tabel 3. /1 atnal overnachtingen in hotel.r cii aantal /ioielka-
,3ierS

Overnachtingen
Hotelkamers

1971
1972
1973
1971
1972 1973

413 462
567
952
996
996
338
335
421
1.334
1.334
1.334
Aruba

……………….
Curaçao

………………
221
293
1.040
1.132
1.132
St. Maarten

…………..
Bonaire

……………….
17
26
41
110
118
118

De ontwikkeling op Aruba en Sint Maarten is dermate
gunstig dat afgevraagd zou kunnen worden of het blijven
verlenen van belastingfaciliteiten, van casinovergu nni ngen
cii van garanties nog zin heeft. Op Curaçao is de ontwikke-
ling onregelmatiger, doch doet het cijfer voor 1973 vermoe-

den dat dc vooruitzichten niet ongunstig zullen zijn.
Bonaire is nog problematisch, hoewel het aantal over-
naclitingen in 1973 aanzienlijk is gestegen. Ecn positieve be-
slissing om het vliegveld aldaar geschikt te niaken voor het
ontvangen van vliegtuigen van het type DC-8 of Boeing 707
zal :ongetwijfeld.gunstig werken.op de toeristische ontwik-
keling 8).

Hoewel vooral het verblijfstoerisme voor een toenemende

werkgelegenheid heeft gezorgd, die de afneming van het atntaF arbeidsplaatsen bij de olie-industrie enigszins kon
compenseren, heeft deze bedrijfstak toch een aantal nega-
tieve kenmerken. Allereerst is het toerisme seizoengevoelig,

slechts een deel van de werkgelegenheid is permanent. Ook

is de afhankelijkheid van de conjuncturele situatie groot.

De Amerikaanse recessie van 1970 was bijvoorbeeld op Cu-
raçao goed merkbaar. De afhankelijkheid wordt nog ver

sterkt door het feit dat er voornamelijk luxe hotels zijn en

weinig goedkope hotels, die ingesteld zijn op sociaal toe-
risme uit Zuid-Amerika en uit Europa. Ook de Antillianise-

ring van de staf zou verder doorgevoerd kunnen worden.
De vestiging van een middelbare hotelvakschool zou hier
gunstig kunnen werken.
Tenslotte kan nog vermeld worden dat alleen op Aruba

nieuwe hotels in aanbouw zijn.

2.2
Olie-industrie

Na de vestiging van de olieraffinaderijen in de Neder-

landse Antillen 9) veranderde de primair handels-

georiënteerde en weinig welvarende economie in een relatief

rijke, mono-industriële volkshuishouding. De belangrijkste

vestigingsfactoren in het voordeel van deze eilanden waren:

De kolonie Curaçao gaf een veel grotere zekerheid voor
de investeringen dan het roerige Venezuela.

Aruba en Curaçao beschikten over goede, natuurlijke ha-
vens, die toegankelijk zijn voor grote tankers. Het meer

van Maracaibo was door zandbanken slechts bevaarbaar
voor kleine tankers.
De belastingwetgeving op de Nederlandse Antillen was
zeer soepel, de normale winstbelasting behoefde niet be-

taald te worden, daarvoor in de plaats gold er tot voor

kort een bijna symbolisch invoerrecht.

De enorme stijging van de werkgelegenheid maakte im-
migratie noodzakelijk. De staf kwam voornamelijk uit de
Verenigde Staten, Engeland en Nederland, terwijl ook veel

arbeidskrachten van Bonaire, de Bovenwinden, de overige
Caribische eilanden, Venezuela, Colombia, Madeira en Su-
riname op Aruba en Curaçao werden tewerkgesteld.

Met een kleine onderbreking in de jaren dertig en ecn top
tijdens de tweede wereldoorlog duurde de welvaart van de
Nederlandse Antillen dank zij de olieraffinaderijen tot in het
begin der jaren vijftig voort. De technische ontwikkeling
maakte een vergaande mechanisering en automatisering van
de olie-industrie mogelijk. Toenemende concurrentie i.v.m.
een aanhoudend overschot van olie op de wereldmarkt 10) deed de olieconcerns besluiten inderdaad te meehaniseren,

zodat liet aantal arbeidsplaatsen drastisch moest dalen.
(Shell en [ago te zamen).

Tabel 4. .4 antal arbeidsplaatsen in cle olie-inclu.çtrie

1952 1966
1967
1968 1969
1970
1971
1972

Absoluut

21.101 a)
Relatief

00
5.82 1
28
5.526
26
5.243
25
5.045
24
5.087
24
5.132
24
4.828 b)
23

Hoogste aantal sverknemers sinds oprichting.
4.828 werknemers venegenwoordigden 8.5% van de beroepsbevolking (in 1961 nog
23.2%).

De directe werkgelegenheid in de hotels varieerde in
1972
naar
schatting tussen 3.500 en 5.000. In het hoogseizoen vertegenwoor-
digt dit aantal werknemers ongeveer
8%
van de totale beroeps-
bevolking.
Inmiddels heeft de EG haar goedkeuring gehecht aan het project
startbaanverlenging op Bonaire. De Nederlandse minister Mr. W. F. de Gaay Fortman wees dit project af met de woorden: ,,Onverkoop-
baar aan..de Nederlandse, achterban”.

Shell in
1916
op Curaçao en Lago in
1928
bp Aruba.
Voornamelijk door Russische olie, waarvan de prijs niet aan
kartels gebonden was.

ESB 25-9-1974

843

De Venezolaanse regering stond tot voor enige tijd aan

de concerns niet toe dat de capaciteit op Aruba en Curaçao
werd uitgebreid. De plaatselijke raffinage in procenten van
dc totale Venezolaanse produktie in Venezuela steeg van

12,5% in 1950 tot 25% in 1969. Ook in Wes(-Europa werd
dc raffinagecapaciteit sterk uitgebreid: in 1950
75Çj
van de
plaatselijke consumptie en in 1970 135%.

Vanaf 1967 is de teruggang in de werkgelegenheid bij de olie-industrie echter een stuk geringer geworden. Oorzaken daarvan zijn de bouw van ontzwavelingsfabrieken en gedu-

rende de laatste jaren toch een toeneming van de raffinage-
capaciteit. Niet langer wordt namelijk alleen Venezolaanse
ruwe olie geraffineerd. De relatief lagere vrachtkosten van

de nieuwe supertankers maakten dit mogelijk. De gezamen-
lijke capaciteit van de twee raffinaderijen is al tot omstreeks

een miljoen barrel per dag gestegen. Shell en Lago verschillen in een aantal opzichten. Shell is
een zgn. ,,balancing” raffinaderij, die overal ter wereld kan

leveren waar er vraag is en ook is haar produktie-pro-

gramma minder eenzijdig dan dat van Lago. Zo vertegen-

woordigt de geproduceerde smeerolie in waarde ongeveer
10% van de totale olieproduktie van Shell op Curaçao. De

afzet van Lago is vrijwel geheel op de Verenigde Staten ge-
richt.

De toekomstperspectieven van de olie-industrie op de

Nederlandse Antillen zijn nogal onoverzichtelijk. Enerzijds

is er in de Verenigde Staten nog een tekort aan diepzeeha-
vens, die de supertankers kunnen ontvangen (wat de nieuwe

overslagprojecten op Aruba, Bonaire en Curaçao aantrek-

kelijk maakte). Anderzijds is er de beslissing van de Ame-rikaanse regering om de olievoorraden in Alaska en elders
te gaan exploiteren en verder de beslissing van de nieuw ge-
kozen Venezolaanse president om sneller te nationaliseren.
Voor een uitputting van de Venezolaanse olie behoeft niet

meer te worden gevreesd. De stijging van de prijzen van
olieprodukten maakt de exploitatie van de enorme olie-
reserves in het Orinocogebied waarschijnlijk uitvoerbaar II).

Ook op eigen gebied zijn er mogelijkheden: reeds in 1966
schijnt Mobil Oil Aruba NV positieve aanwijzingen te heb-
ben gevonden voor de aanwezigheid van olievoorraden bij
de kust van Aruba. Binnenkort gaat ook Shell seismologi-
sche onderzoekingen doen o.a. in de kustwateren van

Aruba, Curaçao en Bonaire. Het is hierbij zaak, dat de
eventuele winsten van de mogelijke olie-exploitatie zoveel
mogelijk ten goede komen aan de eigen gemeenschap. In dit

verband kan ook worden gewezen op de inmiddels herziene
belastingwetgeving t.a.v. oliemaatschappijen. De gestegen
olieprijzen hadden namelijk geen enkele invloed op de
belastingopbrengsten. Het belastingbedrag is nu meer aan-
gepast aan de feitelijke winstcapaciteiten der olieraffinade-

rijen.
De vestiging van een overslagstation van ruwe olie op
Bonaire is zeker. De betreffende Amerikaanse Maatschap-
pij Northville overweegt ook een raffinaderij te bouwen.

Voor Curaçao en Aruba zijn de diverse overheden nog in
onderhandeling over gecombineerde overslag! raffinaderij-

projecten. Mocht het Amerikaanse invoerrecht op geraffi-
neerde olie inderdaad omhoog gaan, dan worden de ram-
naderijprojecten daardoor onzeker.

2.3 Overige bedrijvigheid

Wat betreft het aantal arbeidsplaatsen is de overheid de
belangrijkste werkgever. Een geringe werkgelegenheid bren-
gen de beleggingsmaatschappij e.d. met zich mee, daarente-

gen is de door deze bedrijven betaalde winstbelasting aan-

zienlijk (in 1972: f. 23,4 mln.). Daar de vestiging van derge-

lijke instellingen voor een deel wordt beïnvloed door in het
buitenland genomen fiscale en andere maatregelen, moet

helaas rekening worden gehouden met een aflopend karak-

ter van dit soort vestigingen of althans van een belangrijk

deel daarvan. Ten einde een breder terrein te kunnen be-
strijken en de uitbouw tot een financieel centrum te bevor-

deren, wordt thans gewerkt aan een trustwetgeving.

Op Curaçao zijn afgezien van Shell nog een aantal grote
bedrijven gevestigd. De Curaçaose Dokmaatschappij is de
grootste met nu al over de 1.000 werknemers. De overheid

heeft m.b.v. ontwikkelingshulp geparticipeerd in het nieuwe
dok van 120.000 dwt. Enkele toeleveringsbedrijven zijn af-hankelijk van de CDM. Een aparte plaats nemen de op Cu-

raçao gevestigde elektronische assemblagebedrijven in

(Texas 1 nstruments, Rockwell International en Schlumber-

ger te zamen ca. 1.800 arbeidsplaatsen). Deze bron van werk-
gelegenheid hangt voor een deel samen met het loonniveau op
de Nederlandse Antillen en voor een deel met de voordelen
verkregen uit de associatie met de Europese Gemeenschap.

De relatief labiele basis van deze vestigingen zou ver-
breed resp. verdiept kunnen worden door verticale integra-

tie na te streven. Van de vrije zone op Curaçao, die op
doorvoer is gericht, is de nieuwe vestiging van Volkswagen

voor onderdelen en auto’s vermeldenswaard. Op de andere
eilanden zijn slechts enkele exportbedrijven werkzaam. De
kunstmestfabriek op Aruba is in 1970 gesloten, alleen de

ammoniaproduktic is voortgezet. In aanbouw is echter een

rumfabriek. Op Sint Maarten opereert reeds lang een Ja-
panse visverwerkingsfabriek en er is ook een rumfabriek.

De zoutwinning op Bonaire is vorig jaar weer in ere her-
steld (jaarproduktie ca. 400.000 ton). Van de op locale produktie c.q. dienstverlening gerichte

bedrijven is de Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij de
grootste met 654 werknemers op Curaçao en 82 op Aruba.

Uiteraard zijn in de handel en bij het vrij sterk ontwikkelde
bankwezen een groot aantal arbeidsplaatsen aanwezig.

Bij de overige bedrijven die op de lokale markt opereren
kan het onderscheid worden gemaakt tussen bedrijven, die
zich op de markt van de gehele Nederlandse Antillen rich-

ten en de bedrijven, die slechts de markt van één eiland be-
strijken. Tot de eerstgenoemde bedrijven behoren de meel-
en veevoederfabriek en de bierbrouwerij op Curaçao, de si-
garettenfabrieken van Aruba en Curaçao en de kledingfa-
briek van Bonaire. Op Curaçao en Aruba worden verder

gemaakt: matrassen, verf, accu’s en limonade. Ook is er op
Curaçao nog een fabriek van plastic produkten.
Michiel Kok

II) Aangezien de Orinoco-olie bijzonder zwaar is en een hoog
zwavelgehalte heeft, zijn aanpassingen aan de technische installa-
ties uiteraard noodzakelijk.

S
,chakel bij vacatures voor leidende functies steeds ESB in: in vrijwel

elk groot bedrijf wordt dit blad veelvuldig gelezen.

Advertentie-opdrachten te richten aan:

ADVERTENTIE-AFDELING ESB, POSTBUS 42, SCHIEDAM, TELEFOON
(010) 260260
844

Esb
In gezonden

Ineen artikel in
ESB
van 26juni 1974

bekritiseert Dr. Rijnvos de toepassing
van het omloopsne!heidscriterium voor

de splitsing van spaargelden bij de
geldscheppende banken in eigenlijk en

oneigenlijk spaargeld 1).
Zijn kritiek spitst zich toe op de
volgende punten:
Niet zakelijke deposito’s en spaar-
gelden zijn in Vrij grote mate identiek
en vragen daarom om een gelijke be-
handeling. Ze worden in de monetaire
analyse ten onrechte verschillend be-

naderd.
Doordat niet zakelijke deposito’s
en spaargelden als afzonderlijke cate-

gorieën worden opgevat, kunnen over-

boekingen van spaarrekeningen naar

depositorekeningen en omgekeerd van
depositorekeningen naar spaarrekenin-
gen de omvang van de liquiditeitenmassa
onjuist beïnvloeden. De onivang van de

liquiditeitenmassa is hierdoor ten on-
rechte afhankelijk van de wijze waarop
zij is samengesteld.
Doordat Voor de splitsing in eigen-
lijk en oneigenlijk spaargeld de gemid-

delde omloopsnelheid van het totaal
der spaargelden bij een bank als uit-
gangspunt wordt genomen, kan het in
bepaalde gevallen voorkomen dat
spaargelden met een langere looptijd
dan 2 jaar ten dele als oneigenlijk
worden aangemerkt of omgekeerd dat

spaargelden met een looptijd van korter
dan 6 maanden gedeeltelijk als eigenlijk
worden beschouwd. De omloopsnelheid is een registra-
tie achteraf terwijl het erom gaat hoe

de spaarder eventueel in de toekomst
over zijn tegoed zal beschikken.

Ad a. Met dit punt kunnen wij het
eens zijn. Vooral ook door de ontwik-
keling, die medio 1973 is ingezet, is het
onderscheid tussen niet-zakelijke depo-
sito’s en spaargelden sterk vervaagd.
Er is derhalve veel voor te zeggen om
niet-zakelijke deposito’s en spaargelden
identiek te behandelen. Het meest voor de hand zou dan liggen ze als één cate-
gorie op te vatten.
Ad b. Ook op dit punt zijn we het met

Rijnvos eens. Door niet-zakelijke depo-

sito’s en spaargelden als één categorie op te vatten, wordt echter ook dit pro-

DRS. H. A. DE WERKER*

bleem ondervangen. Overboekingen bin-
nen deze ene categorie zijn dan niet meer
van invloed op de berekening van de

omloopsnelheid.
Ad c. De kritiek, die hier tot uit-
drukking wordt gebracht, is niet nieuw.
Reeds meerdere malen is erop gewezen
dat de methode, zoals die door De
Nederlandsche Bank wordt toegepast
voor de splitsing in eigenlijk en oneigen-
lijk spaargeld, de mogelijkheid openlaat
dat spaargelden met een looptijd van
minder dan 6 maanden gedeeltelijk als
eigenlijk worden beschouwd of dat
spaargelden met een looptijd van meer
dan 2 jaar gedeeltelijk als oneigenlijk 2)

worden beschouwd. De vraag is echter
of dit in principe zo bezwaarlijk is. Wan-
neer een gedeelte van de spaargelden met

een looptijd langer dan 2 jaar als on-
eigenlijk wordt aangemerkt, vormtdit de
uitdrukking van een hoge omloop-

snelheid op de overige spaargelden. Het
om loo psne 1 hei dsc ri ten um, toegepast
op het totaal van de spaargelden bij een

bank, houdt hier naar onze mening te-
recht rekening mee. De omloopsnelheid
is naar onze opvatting in principe het
belangrijkste criterium voor de mone-
taire relevantie van vorderingen op het
bankwezen. Het is niet juist te stellen
dat uit monetair oogpunt spaargelden
meteen omloopsnelheid van 0,50en 0,20

Totaal spaargelden
…………….
Waarvan eigenlijk
………………
oneigenlijk
…………….
Omioopsnelheid
………………..

niet verschillen. Spaargelden met een
looptijd van 2 jaar zijn beslist monetair
relevanter dan spaargelden met een
looptijd van 5 jaar. Voor zover dit tot
uitdrukking komt in de methode die bij
de splitsing van spaargelden wordt toe-
gepast, is dit volkomen terecht. Zelfs
ware er voor te pleiten, dat vooral in het

kader van het systeem van indirecte
kredietbeheersing over het totaal van de
door ingezetenen toevertrouwde gelden
per bankinstelling rekening wordt ge-

houden met verschillen in de gemiddel-
de omloopsnelheid. Dit thema wil ik
hier verder echter buiten beschouwing

laten.
Ad d. Dat de omloopsnelheid een
registratie achteraf is, is juist. Dat zou
natuurlijk ook moeilijk anders kunnen.
Dit hoeft evenwel niet weg te nemen dat

de berekende omloopsnelheid over de
meest recente of over meerdere recente

perioden een redelijke indicatie kan
verschaffen voor de omloopsnelheid in
een volgende periode. Op zich lijkt het
een onvoldoende argument om het cri-
terium, zoals het thans wordt toegepast,
te laten vervallen. Het heeft in ieder
geval dit voordeeldat het minder concur-
rentieverstorend werkt dan het voorstel
waarmee Rijnvos op de proppen komt.

Alternatief Rijnvos

Als ,,second-best”-middel dat minder
bezwaren oproept dan de omloop-
snelheid geeft Rijnvos ter overweging
om een vooraf bepaald percentage va’
de spaargelden bij banken als secundaire

liquiditeit, dat wil zeggen als oneigenlijk
spaargeld, aan te merken. Hij stelt dan:

,,De keuze daarvan is arbitrair. Indien het
daarbij echter met name de bedoeling is om
de verstorende invloed van de omloop-
snelheid, welke in 1973 is opgetreden te
elimineren zou 1972 als Öniëntatie kunnen
dienen. In dat jaar waren de oneigenlijke
spaargelden 3,3% van het totaal”.

Het lijkt of Rijnvos hiermee wil
suggereren als zou voor alle geld-
scheppende instellingen, ongeacht de
verschillen in omloopsnelheid, eenzelfde
percentage van de spaartegoeden als on-
eigenlijk kunnen worden beschouwd.
Het percentage van 3,3 is namelijk

berekend als het oneigenlijk spaargeld
bij handelsbanken ten opzichte van het

totaal aan spaargelden bij handels-
banken én landbouwkredietinstellingen
in 1972.

Wat betreft de spaargelden bij han-
delsbanken en landbouwkredietinstellin-
gen lag in 1972 de verhouding als volgt:

8.370

18.835
7.478

18.835
892


0,64

0,44

* De auteur is hoofd van de afdeling
Economisch Onderzoek binndn de Studie-
dienst van de Centrale Rabobank. Dr. C. J. Rijnvos, Liquiditeiten en mone-
tair beleid.
Prof. Dr. W. Eizenga, Het liquiditeits-
karakier van spaartegoeden,
De Economist
1968,
no. 1, Drs. M. P. H. Strijers. Het tijds-
element bij spaartegoeden,
ESB,
15mei1968.
Drs. A. J. van Straaten, Enkele aspecten van
de stijging van de omloopsnelheid van te-goeden op spaarrekening,
Se/ecte studies
ot’er sparen, omloopsnelheid, ge/dvraag,
Coöp. Centr. Raiffeisenbank, januari 1969.

Eigenlijke en oneigenlijke

spaargelden

Spaargelden bil hancle/shanken en landbouis’kredietinstel/ingen in 1972 (‘tnln. gid.)

Handelsbanken

Landbouwkredietinsteilingen

ESB 25-9-1974

845

Ultimo 1972 werd op basis van de om-

loopsnelheid 10,7% van de spaar-
gelden bij handelsbanken als oneigen-
lijk beschouwd. Bij de landbouwkrediet-

instellingen komt op basis van een om-

loopsnelheid lager dan 0,5 uitsluitend
eigenlijk spaargeld voor. Het zal duide-
lijk zijn dat alleen al door de weinig

objectieve presentatie het voorstel van
Rijnvos in een minder gunstig daglicht
komt te staan. Een gelijke behandeling

van spaargelden bij de afzonderlijke

bankinstellingen ongeacht de aanzien-
lijke verschillen in omloopsnelheid is niet

reëel. Het zou een stap terug betekenen
op de weg die met de introductie van het

omloopsnelheidscriterium in de mone-
taire analyse is ingeslagen, doch dat niet
alleen. Tevens zou door een benadering

van de spaargelden, waarbij geen of in
mindere mate rekening wordt gehouden

met verschillen in omloopsnelheid, in
sterkere mate dan thans reeds het geval
is er sprake zijn van een concurrentie-
verstoring.
Rijnvos stelt in zijn artikel dat de
progressieve invloed van spaargelden
met een relatief lange rusttijd op de om-

loopsnelheid tot discriminatie bij de
toepassing van de indirecte krediet-

restrictie kan leiden. Wij hebben deze
opvatting hiervoor reeds bestreden.
Niet
in het feit dat eigenlijke spaargelden
bij een gemiddeld hoge omloopsnelheid

ten dele als oneigenlijk kunnen worden aangemerkt, ligt in het huidige systeem
een bron van discriminatie. Wél echter
in het feit dat in het kader van de indi-
recte kred ietrestrictie geen liquiditeits-

verplichtingen gelden tegenover de
totale spaargelden per bankinstelling

die proportioneel verschillen met de om-
loopsnelheden. Uitgaande van de hui-
dige percentages aan liquide middelen
die dienen te worden aangehouden
tegenover de korte en lange gelden van
resp. 9% en 6%, kan de gemiddelde
liquiditeitseis ten opzichte van de spaar-
gelden bij handelsbanken op basis van
de spaarcijfers ultimo 1972 worden

berekend als:

892 x 9% + 7.478 x 6% = 6,3%

8.370

Dit is een slechts fractioneel hogere
liquiditeitseis dan die van de (oepassing
op de spaargelden bij landbouwkrediet-
instellingen bij een omloopsnelheid die
45% hoger ligt. Bij een liquiditeitseis
van 14% tegenover de korte gelden komt
deze verhouding slechts weinig beter te

liggen. De liquiditeitseis zou dan name-
lijk uitkomen op 6,9%. Naar onze op-
vatting ligt het uit een oogpunt van
juiste concurrentieverhoudinge.n veel
meer in de rede om in sterkere mate dan
thans het geval is rekening te houden

met verschillen in omloopsneheid.

Door afschaffing van het omloop-
snelheidscriterium neemt de concurren-

tieverstorende invloed nog verder toe.

Conclusie

De eerste twee bezwaren, zoals Rijn-
Vos die aanvoert tegen de huidige metho-

de van splitsing van spaargelden, zijn

naar onze mening terecht. Aan deze
bezwaren kan worden tegemoet ge-
komen door spaargelden en niet-

zakelijke termijndeposito’s als één
categorie op te vatten. Spaargelden en
niet-zakelijke deposito’s worden dan op
een gelijke wijze behandeld, terwijl over-

boekingen tussen deze vormen van toe-

vertrouwde gelden dan geen invloed

meer hebben op de berekening van de
omloopsnelheid. De verwerping van het

omloopsnelheidscriterium op grond van

het feit, dat spaargelden met een loop-
tijd langer dan twee jaar ten dele als

oneigenlijk zouden kunnen worden
aangemerkt en omdat de omloopsnel-

heid eerst achteraf kan worden ge-
registreerd, is niet terecht. Zowel uit
monetair oogpunt als op grond van

juiste concurrentieverhoudingen zou,
zelfs in sterkere mate dan in het huidige
systeem van kredietbeheersing het geval
is, rekening moeten worden gehouden

met verschillen in omloopsnelheid op de
door ingezetenen toevertrouwde gelden
per bankinstelling.

H.
A.
de Werker

Naschrift

In het artikel ,,Liquiditeiten en mone-
tair beleid” is niet gesuggereerd om bij
alle geldscheppende instellingen – on-
geacht verschillen in omloopsnelheid –
eenzelfde percentage van de spaar-
tegoeden als oneigenlijk te beschouwen;
het voorstel om ,,een vooraf bepaald
percentage van de spaargelden bij ban-
ken als secundaire liquiditeit aan te

merken” is als ,,second-best”-oplçssing
ondubbelzinnig, klaar en duidelijk ge-
daan. Het onaangename verwijt dat
,,alleen al door de weinig objectieve
presentatie” het gedane voorstel ,,in
een minder gunstig daglicht komt te
staan” mist dan ook elke grond. Voorts
passen bij de beschouwing van De
Werker de volgende opmerkingen:
Ad a. de ongelijke behandeling van
niet-zakelijke deposito’s en spaargelden
bevat geen kritiek op de omloopsnel-
heid, zoals De Werker stelt. Die onge-
lijke behandeling is niet in overeen-
stemming met het criterium dat substi-
t ueerbare liquiditeitsvormen gelijkelijk
moeten worden benaderd bij de bereke-ning van de liquiditeitenmassa;
Ad b. het omloopsnelheidscriterium

maakt de liquiditeitenmassa qua omvang
afhankelijk van haar compositie. Dit is
voor de hand liggend want als spaar-
gelden, die voor x% eigenlijk van aard
zijn, worden opgevraagd, leidt dit toteen
liquiditeitscreatie van x% en een liqui-

diteitsmutatie van 100 – x%,
plus
een

vergroting van de oneigenlijke spaar

gelden door de impliciete stijging van

de omloopsnelheid. Uiteraard kan dit

niet worden opgelost – zoals De

Werker voorstelt – ,,door niet-zakelijke
deposito’s en spaargelden als één cate-

gorie op te vatten”. In alle gevallen,
waarin op een andere wijze over spaar

gelden wordt beschikt dan door over-

schrijving naar niet-zakelijke deposito’s
– zoals door chartale opvraag of door

overschrijving naar een giraal geld-

rekening – blijft ook bij de voorgestelde

gelijkstelling de ongewenste afhanke-
lijkheid bestaan. Dit is in de be-
schouwing van De Werker geheel over
het hoofd gezien;

Ad c. het gebruikelijke criterium be-
tekent dat spaargeld met een hoge om-
loopsnelheid als eigenlijk kan worden

aangemerkt, terwijl in het tegenover-
gestelde geval – dus bij een lange rust-
tijd het als oneigenlijk kan worden

gekwalificeerd. De Werker acht dit in
beginsel juist want ,,spaargelden met een
looptijd van twee jaar zijn beslist mone-

tair relevanter dan spaargelden met een

looptijd van vijf jaar”. Op die wijze ver-

valt men in een oeverloos liquiditeits-
begrip oftewel in de fout van het Rad-

cliffe Committee, waar Korteweg te-
recht voor waarschuwt 1). Voorts zijn
i ngevolge het omloopsnelheidscriterium,
dat De Werker wil handhaven, spaar-
gelden met een looptijd van twee jaar
monetair niet-relevant, zodat voorgaan-
de geciteerde zinsnede de vraag oproept
wat minder relevant is dan niet-relevant.
Dit moet een negatieve relevantie zijn,

welke uiteraard elke grond mist. Toch
aanvaardt De Werker haar met als con-
sequentie dat spaargelden die eigenlijk
secundaire liquiditeiten zijn, niet als
zodanig worden aangemerkt. Daarmee
is tevens aanvaard dat – inherent aan
het omloopsnelheidscriterium – de Ii-
quiditeitenmassa afhankelijk is van haar

compositie, hoewel het elimineren van

deze afhankelijkheid voor De Werker

hét motief vormt om spaargelden en
niet-zakelijke deposito’s in
één categorie
onder te brengen. Wanneer dit laatste
niet gebeurt, is de omvang van de liqui-
diteitenmassa immers ,,ten onrechte af-
hankelijk van de wijze waarop zij is

1) Prof. Dr. P. Korteweg, inflatie en de
monetairisten; een naschrift,
ESB, 4
septem-
ber
1974,
bi?.. 771.
Overigens meent Korte-
weg ten onrechte dat onze beschouwing aan-
leiding geeft tot de Radcliffe-fout. De ge-
dachtengang van Korteweg schijnt nog niet
afgerond te zijn. Enerzijds bekritiseert hij
De Nederlandsche Bank, want die liet in
1973
de primaire en secundaire liquiditeiten
stijgen met f.
10.274
mln.
(22%).
Anderzijds
wenst hij het liquiditeitsbegrip te beperken
tot het chartaie en girale geld
(ESB, 4
septem-
ber
1974,
blz.
772).
Dit steeg in
1973
met f. IS
mln.; procentueel is dat te verwaarlozen.
Hierbij blijft de vraag, hoe men de kritiek op
DNB in overeenstemming moet brengen
met de groei van de hquiditeitenmassa vol-
gens de. omschrijving van Korteweg, on-
beantwoord.

kl

846

W. J. Slagter met medewerking van J. Th. M. Paistra en J. C. K. W. Harte!:

Compendium van het ondernemingsrecht.
Tweede druk, Kluwer, Deventer, 1973,

431 blz., f. 50.

Dit compendium is een vervolg op

het compendium van het
vennoot-

schapsrecht, dat in 1968 verscheen.

De verandering in de titel geeft de ver-
andering in het recht aardig weer. In de
afgelopen jaren is een verschuiving op-

getreden van vennootschapsrecht naar
ondernemingsrecht. De term ,,vennoot-
schap” werd gebruikt, omdat de belang-

rijkste rechtsvorm van de onderneming
de vennootschap was en binnen dit
,,schap” voornamelijk de vennoten –
de kapitaalverschaffers – en met ven-

noten geliëerde groepen, zoals bestuur
en commissarissen, het voor het zeggen
hadden. De ,,arbeidsverschaffers” – de
werknemers – kwamen in het vennoot-
schapsspel zo goed als niet voor.
In

deze situatie nu is enige verandering
gekomen: ook de werknemers hebben op het ogenblik enkele bevoegdheden
binnen de juridische Organisatie.
Een tweede factor die invloed heeft
uitgeoefend op het rechtsgebied dat voor-
heen met ,,vennootschapsrecht” werd
aangeduid, is de Europese economische
integratie. De eerste Richtlijn van de
EG heeft er o.a. toe geleid dat ons recht

samengesteld”. Dit is een merkwaardige
contradictie;

Ad d. de omloopsnelheid is een
registratie achteraf van het liquidi-
teitskarakter der spaartegoeden, ter-
wijl de algemene omschrijving van de
secundaire liquiditeiten vöôraf vereist,
reeds direct bij de inleg, te weten in hoe-
verre spaargeld liquiditeit is of niet.

De Werker erkent dit bezwaar, maar
stapt er vlug overheen, met als argument

dat uit een oogpunt van concurrentie-
verhoudingen de omloopsnelheid relatief
weinig bezwaren oproept. Nu is de grond-

gedachte dat spaargelden met een loop-
tijd van een half jaar of korter zonder
meer secundaire liquiditeiten zijn;
spaargelden met een looptijd van twee
jaar of langer vallen buiten de liquidi-
teitenmassa. Wanneer de looptijd tussen
een half en twee jaar ligt, vindt er een

gedeeltelijke toerekening plaats. Het

gaat er nu om – ter voldoening aan de eis van neutraliteit met betrekking tot
de concurrentieverhoudingen – aan
deze basisgedachten zo goed mogelijk

uiteoering te geven in die zin, dat een
geldeenheid op zich genomen geheel,

is uitgebreid niet een nieuwe onder-
nemingsvorm: de besloten vennoot-
schap mt beperkte aansprakelijkheid
(de BV). Voorts staat nog op stapel de

Europese NV, een geesteskind van o.a.
de Rotterdamse hoogleraar P. Sanders.
Tenslotte kan worden vermeld de
hercodificatie van het Nederlandse
privaatrecht, diè o.a. wat betreft het

rechtspersonenrecht in een verge-
vorderd stadium is.
Aan al de hiervoor genoemde ver-
schijnselen wordt in het compendium

ruime aandacht besteed. Om een indruk
te geven van de rijke inhoud volgt hier-
onder eerst een verkorte inhouds-
opgave.

Hoofdstuk 1. Ondernemingsrecht alge-
meen, bevat beschouwingen omtrent het
karakter van de onderneming, de mede-
zeggenschap, vertegenwoordiging enz.
Hoofdstuk 2. Behandelt de vennoot-
schappen zonder rechtspersoonlijkheid zoals
de vennootschap onder firma.
Hoofdstuk 3. Beschrijft die rechtsvor-
men van de onderneming die geen vennoot-
schap zijn: de stichting en de coöperatieve
vereniging.

gedeeltelijk, of niet tot de liquiditeiten
wordt gerekend, ongeacht de instelling
waarbij zij wordt aangehouden.

Het omloopsnelheidscriterium is hier-
voor ongeschikt. Zoals wij in ,,Liquidi-
teiten en monetair beleid” reeds schreven,
is eigenlijk een classificatie van de spaar-
gelden op basis van de mogelijke op-

vraagbaarheid in de loop van de tijd te
prefereren. Maar dat is praktisch niet
toepasbaar omdat vele spaargelden
weliswaar direct opvraagbaar zijn, maar
de facto lange tijd uitstaan. Met het oog

daarop is als ,,second-best”-oplossing
het voorstel gedaan een bepaald per-
centage van de spaargelden als liquidi-
teit aan te merken. De Werker verwerpt
dit voorstel en kiest voor de omloop-

snelheid, omdat die – met alle tekorten
welke zij heeft – ertoe leidt dat elke be-
spaarde gulden bij de coöperatieve

banken een looptijd heeft van minstens
twee jaar. Dat deze gedachtengang
steunt op neutraliteit met betrekking

tot de concurrentieverhoudingen is niet
erg geloofwaardig.

C. J. Rijnvos

Hoofdstuk 4. Behandelt het algemene
deel van het recht met betrekking tot de NV
en de BV.
Hoofdstuk 5. Geeft een beschrijving van
de Structuurwet: de rechtsregels die gelden
met betrekking tot grote NV’s en BV’s. Hoofdstuk 6. Bevat de bijzondere rege-
lingen met betrekking tot de BV.
Hoofdstuk 7. Behandelt het onderne-
mingsrecht dat van toepassing is op verschil-
lende rechtsvormen van ondernemingen: de
Wet op de Ondernemingsraden, de Wet op
de Jaarrekening enz.
Hoofdstuk 8. Behandelt samenwerkings-
vormen tussen ondernemingen en Omvat
onderwerpen als: joint-venture, fusie en
fusiegedragsregels, concernrecht en de Euro-
pese NV.
Goed verzorgde bijlagen en registers slui-
ten het boek af.

Zoals uit de voorgaande verkorte in-
houdsopgave blijkt, worden door de
schrijvers zeer veel onderwerpen behan-
deld. Zeer instructief acht ik daarbij de

integratie van ,,handelsrecht” en be-
lastingrecht. Vooral ,,de praktijk” zal
hier genoegen aan beleven.
In het Voorwoord wordt mede-

gedeeld dat de tekst gedeeltelijk in
een klooster is geconcipieerd; het

universitaire bedrijf is naar Slagters in-
zicht zo onrustig ,,dat men zelfs in zijn
studeerkarner de rust niet kan her-
vinden”. Deze mi. enigszins overtrokken
,,constatering” brengt mij op wat naar

mijn inzicht het belangrijkste bezwaar is
tegen het boek: het geheel is een bonte
mengeling van beschrijvingen en waar-

deringen. Slagter is, naar hij mededeelt,
van mening dat grote terreinen van de

rechtswetenschap binnen bepaalde
vooronderstelli ngen waardévrij kunnen
worden beoefend, dat dit echter t.a.v.
sommige onderdelen, en naar zijn in-
zicht behoort het ondernemingsrecht
tot deze onderdelen, niet mogelijk is.

Het waarom van deze stelling ontgaat

mij. Als het ondernemingsrecht qua
wetenschapsbeoefening niet waardevrij
is, waarom dan ook niet bijv. het
staatsrecht? Hoe gepassioneerd de spe-

lers in het rechtsspel ook tegenover el-
kaar mogen staan, het is mi. t.a.v. alle

rechtsgebieden mogelijk een ,,buiten-
spel”standpunt in te nemen. Dat een
buitenspelpositie wordt gekozen, welke
buitenspelpositie wordt gekozen en

welke bril de buitenspeler opzet, zijn
kwesties van beleid, die op grond van
waardering worden beslist. Ik ontken
derhalve de onvermijdelijkheid van de
,,waardevolle” behandeling van het
o nde mcmi ngs recht.
In het kader van deze bespreking
past het niet een uitgebreide kritiek
m.b.t. verschillende onderdelen van de
inhoud te leveren. Ik kies enkele voor-
beelden ter illustratie.
Op de blz. 27/28 wordt uit de om-
standigheid, dat blijkens een enquête
werknemers een voorkeur hebben voor
verbetering van primaire arbeidsvoor-

waarden boven verbetering van secun-
daire, geconcludeerd dat erop korte-

ESB 25-9-1974

847

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,

..
medicijnen en techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL

t
;

.

..
ROTTERDAM B.V.

Waarin opgenomen:
De Wester Boekhandel
Stamboekhandel Rotterdam

Rochussenstraat
223, Rotterdam 3003
Tel. (070) 76 11 88

Vestiging in de Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010) 14 55 11,
toestel 31 15.

(I.M.)

termijn wordt gedacht en dat de werk-

nemers geen verantwoordelijkheid voor
hun eigen leven willen aanvaarden.

Daarna wordt de vraag gesteld: ,,Hoe

kan de werknemer, die al geen

verantwoordelijkheid voor zijn eigen le-
ven wil aanvaarden, verant-
woordelijkheid voor de gang van zaken

in de onderneming gaan dragen?”. De
,,goede” verstaander – die suggesti-
viteit en validiteit van redeneringen
weet te ondersheiden – weet het ant-
woord op de vraag: uit de gegevens kan

de conclusie niet worden afgeleid; een
schoolvoorbeeld van een petitio princi-

Pi i.

Nog een voorbeeld van debetrekke-lijk suggestieve betoogtrant: zoals be-
kend zal zijn, worden rechtsregels o.a.

geformuleerd in wetten. Deze wetten

leggen o.a. verplichtingen op aan

individuen, behorende tot bepaalde
groepen of verschaffen aan indivi-
duen die tot bepaalde groepen be-

horen bepaalde bevoegdheden. De ter-

men waarmede de hiervoor genoemde
groepen worden aangeduid, kunnen zeer
verschillend zijn: eigenaren, NV’s, elk belanghebbende enz. De omschrijving
kan dus meer of minder precies zijn.
Wie bijvoorbeeld onder ,,belangheb-

bende” valt, wordt in ons rechts-
stelsel beslist door degenen die op grond
van daartoe verleende bevoegdheden
een beslissing daaromtrent nemen. In
het Nederlandse recht bestaat niet het

bevoegdheidsvoorschrift dat rechts-
geleerden een dergelijke bevoegdheid
toekent. Als Slagter dan ook op blz.

244 van zijn, boek sëhrijft dat aandeel-
houders niet tot de kring ,,belangheb-
benden” behoren, die een bepaalde
handhavingsbevoegdheid hebben t.a.v.
de Structuurwet, dan wordt daarbij on-
voldoende duidelijk aangegeven dat
deze uitspraak slechts een voorspelling
of een wens is en niet een vastliggend
,,juridisch feit “.

Tenslotte nog een enkele opmerking
ter geruststelling van aanstaande lezers
die zich wellicht ,,white colour cri min-

als” zouden kunnen gaan voelen. OP
blz. 289 schrijft Slagter dat verkoop
van tot zekerheid overgedragen goede-

ren (ekerheidseigendom) door degene
die deze tot zekerheid heeft over-
gedragen aan zijn crediteur, het misdrijf
van verduistering oplevert voor de ver-

koper. Het is m.i. zeerde vraagofSlagter
hier het geldend recht juist weergeeft; de
stelling dat zekerheidsoverdracht altijd

degene die hem toebehorende goederen
tot zekerheid heeft overgedragen

beschikkingsonbevoegd maakt, is mi.
naar Nederlands recht in zijn algemeen-heid niet te verdedigen. Overdracht van
dergelijke goederen behoeft dan ook
niet het misdrijf van verduistering op te

leveren.
De hiervoor gemaakte opmerkingen

zijn naar mijn inzicht typerend voor het
boek. Gaarne laat ik het aan de lezer

over zelf een expeditie te ondernemen
ten einde krepten, stenen en noten zelf

op te sporen. Tijdens deze ontdekkings-

reis wordt ,,en passant” de stof van een
handboek voor het ondernemingsrecht
door de lezer verwerkt.

J. Th. Degenkamp

Marie-Françoise Lanfant: Sociologie

van de Vrije
tijd. Aulaboeken nr. 515,
Het Spectrum, Utrecht, Antwerpen,

1974
1
228 blz., f. 8,50.

De sociologie van de vrije tijd is een
jonge tak van wetenschap. Het belang-
rijkste thema van dit boek is het ver-
zamelen en ordenen van diverse op-

vattingen over Vrije tijd. In kort bestek worden de ideeën uit de Oudheid en de
19e eeuw (Sam-Simon, Lafargne, Ve-
bleu) belicht. Daarna volgt een uiteen-
zetting van de twee belangrijkste stro-
mingen: de liberaal-kapitalistische en
de marxistische, en hun wederzijdse
kritiek. Tenslotte onderwerpt de schrijf-
ster het bijeengebrachte materiaal aan
een kritische analyse en tracht zij een
bruikbaar begrippenapparaat op te
bouwen. Dit boek verscheen oorspron-
kelijk in Frankrijk onder de titel: Les

ihéories du Loisir.

H. J. Bronkhorst en S. J. Vermaas:

Arresten over Europees
recht. H. D.

Tjeenk Willink, Groningen, 1974, 178

blz., f. 19,25.
Supplement 1974 van de rechtspraak
van het Hof van Justitie van de Euro-
pese Gemeenschappen.

H. G. Johnson en
A.
R. Nobay (ed.):
Issues in monetary economics.
Oxford

University Press, Londen, 1974, 595
blz., £3.50 (paperback) en £8.00 (ge-
bonden).
Bevat de preadviezen van een confe-
rentie van de ,,Money Study Group” te Bournemouth in 1972. De preadviezen
behandelen de volgende onderwerpen:
geld in en internationale economie;
recente ontwikkelingen in de mone-
taire theorie; geld en economische ac-
tiviteit; recente ontwikkelingen in de
Britse monetaire politiek. Deze onder

werpen werden ingeleid door resp. H. G.
Johnson, F. Brechlin, D. Laidler en M.

Parkin, en A. R. Nobay. De preadvie-

zen waren van: Don Patinkin, A. James
Meighs, A. K. Swoboda, 1. F. Pearce,

F. Hirsch, J. S. Flemming, R. J. Barro,

A. M. Santomero, G. R. Fisher, D. K.
Sheppard, E. L. Feige, G. Clayton, J. C.
Dodds, J. L. Ford, D. Ghost, W. R.
White, J. P. Burman, J. H. Wood, M. J.
Artis, R. L. Harrington en D. F. Lomax.

Richard T. Gui: Economics: a text in-

cluded readings.
Goodyear Publishing
Company Pacific Palisades, California,

1973, 846 blz., £650.
Theorieboek over algemene economie.
Bevat de volgende delen: 1. Basic eco-nomie systems; 2. Macroeconomics; 3.
Microeconomics; 4. Contemporary eco-
nomie problems. De ‘auteur heeft de
theorie aangevuld met stukken tekst van
belangrijke economisten. Drs. W.
Siddré besprak dit originele leerboek in

zijn column in
ESB
van 13 maart jI.

Prof. Mr. T. Koopmans: De macht van
de feiten.
Kluwer BV, Deventer, 1974,

19 blz., f. 3.
Bevat het decanaal openingscollege
op 18 september 1973 uitgesproken bij

de aanvang van het collegejaar 1973/
1974 van de juridische faculteit der

Rijksuniversiteit te Leiden,
De macht

van de feiten
en het doctoraalcollege op
13 november 1970 te Leiden uitgespro-
ken, ter gelegenheid van het overlijden
van Charles de Gaulle,
Persoonlijk-

heden, politiek en staatsrecht.

ESb
Mededeling

Miljoenennota

0p dinsdagavond IS oktober organi-
seert Panta Rei, de Kring van Afge-
studeerden der NEH, een openbare

bijeenkomst over de
Miljoenennota
1975. Inleider is Prof. Dr. L. Koopmans,
hoogleraar Openbare Financiën aan de
Erasmus Universiteit Rotterdam.
Aanvang: 19.30 uur;
Plaats: Erasmus Universiteit Rotter

dam, Burg. Oudlaan 50, zaal D-6.
Inlichtingen: Drs. J. Hartog, tel.:
(010) 1455 II, tst. 3494.

848

Auteur