Ga direct naar de content

Jrg. 59, editie 2969

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 18 1974

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

18 SEPTEMBER 1974

STICHTING HET NEDERLANDS

59e JAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT

No. 2969

Balanceren

Bij oppervlakkig doorlezen van
Maero Economische

Verkenning 1975
en
Miljoenennota 1975
valt het nauwelijks

op dat de oliecrisis een nadelige invloed op de Nederlandse
economie heeft gehad. Immers, de economische kern-

gegevens tonen voor 1975 een beeld dat aardig past in de

economische ontwikkeling van de afgelopen jaren. Uiteraard

past 1974, waarin het hoogtepunt van de oliecrisis ligt, niet
in die ontwikkling. Het jaar 1974 zal er niet erg florissant
gaan uitzien. Wïoeten echter niet overdrijven. De reële
produktie, het volume van.de bruto-investeringen, het reële vrij beschikbare inkomen en het volume van de particuliere
consumptie zullen dit jaar namelijk met resp. 3,5%, 25%,
2% en 3°,b stijgen; zolang deze percentages nog positief zijn,
mogen we niet klagen. In 1974 zal de ontwikkeling van de
prijzen, de loonsom en de werkgelegenheid echter slecht zijn.
Bij een stijging van de loonsom per werknemer van 14,5%
blijkt het prijspeil van de particuliere consumptie te groeien
met 10,5%, terwijl 140.000 personen werkloos zullen zijn.
In deze laatste drie cijfers openbaart de oliecrisis zich duide-
lijk. We mogen overigens niet stellen dat bij afwezigheid
van die crisis de inflatie en de werkloosheid zouden zijn uit-

gebannen.
Hoe zal 1975 eruit zien? Volgens
MEV 1975
zullen de

stijging van de loonsom per werknemer en van de prijzen
omlaag worden gedrukt tot resp. 13% en 9,5%, terwijl de
reële produktie met 3,5% â 4% zal groeien. Het resultaat hier-

van is een grotere stijging van het reële beschikbare inkomen
(2,5% á 3%) en van het volume van de particuliere consump-

tie
(4%).
De werkgelegenheidssitûatie verslechtert evenwel tot een werkloosheid van 155.000 personen of 3,5% van de
beroepsbevolking. Conclusie: de oliecrisis heeft nauwelijks
invloed op de economische lange-termij nontwikkeling.

Toch is deze conclusie mijns inziens onjuist. Ze ontstaat
namelijk – ik herhaal – bij oppervlakkig doorlezen van de

regeringsstukken voor 1975. Het zal nog moeten blijken of
de nadelige gevolgen van de oliecrisis binnen een jaar worden

opgevangen. Het in
MEI’ 1975
geschetste beeld ontstaat pas

indien een inzinking van de wereldconjunctuur wordt voor

komen. Veel zal daarom afhangen van het internationale
overleg. Indien bijv. de Verenigde Staten een restrictief beleid
zullen gaan voeren, zal de Westeuropese economie gevoelige
klappen moeten incasseren. Bovendien blijft de grondstof

fenvoorziening – vooral die van olie – onzeker. De Ara-
bieren hebben hun politieke doelstelling nog lang niet bereikt

en zij weten dat velen in het Westen gauw door de knieën
gaan indien de oliekraan wrdt dichtgedraaid. Dat uit het

internationale overleg niet gemakkelijk de resultaten zijn te
verwachten die de regering wenst, blijkt duidelijk uit de
vorige week verschenen
Prospeci.s fbr international trade
van het GATT.

De regering-Den Uyl weet dat trouwens ook wel.
Minister Duisenberg schrijft bijv. in het voorwoord van de
Miljoenennota
dat wij nog lange tijd op een grote mate
van labiliteit in de internationaal-economische ontwikke-
ling moeten rekenen. Minister Lubbers merkt hetzelfde op

in de
MEV.
Vandaar dat het Centraal Planbureau onzeker-
heidsvarianten berekende ten aanzien van de internationale
conjunctuur. lndien de wereldhandel in 1975 niet met 5%
zal groeien, zoals de regering optimistisch voorspelt, maar gelijk zal blijven (en dienovereenkomstig de grondstoffen-

prijzen zullen dalen), zal de investeringsgroei dat jaar 1,2%
minder bedragen dan in de kerngegevens is vermeld. Mede
hierdoor kan in 1975 de produktiegroei lager zijn en kan de
werkloosheid met 13.000 personen extra toenemen. De ge-
volgen van een eventuele extra stijging van de grondstoffen-
prijzen – hetgeen niet door de regering wordt verwacht –
zijn niet in de
MEV
berekend.
Mede door haar optimisme kan de regering een beleid
presenteren waarvoor men respect moet hebben. Zij blijft
streven naar een rechtvaardiger verdeling van kennis, macht
en inkomen en manoeuvreert daarom handig tussen de
oppositionele klippen door. In 1975 zullen bijv. de sociale-
premie- en belastingdruk niet worden verhoogd, terwijl de
infiatiecorrectie voor 80% zal worden doorgevoerd. De mede
door de aardgasbaten veroorzaakte sterke extern-econo-

mische positie stelt de regering daartoe in staat. Bovendien
behoeft de minister van Financiën dank zij een andere be-
rekening van de begrotingsruimte (volgens de methodiek van
de totale ruimte) niet meer zo ingewikkeld te passen en te
meten om begrotingstekorten te kunnen verdedigen. De
regering baseert zich overigens ook ten aanzien van de
binnenlandse loonbeweging op een zeer optimistische visie.

De tijd zal ons leren of het optimisme van de regering
gerechtvaardigd is. Mijns inziens balanceert het kabinet-Den Uyl .op het scherp van het mes.

L. Hoffman

Binnenkort zal
ESB
uitvoerig aandacht besteden aan

Macro Economische I’erkenning en Miljoenennota.

805

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

esb

Inhoud

Drs. L. Hoffman:

Balanceren

…………………………………………..805

Column

Imagobouw in Nederland,
door ProJ Dr. J. Wemelsfe/der ………
807

Drs. J. Louwman:

lndustriepolitiek ……………………………………….808

Ir. H.
A.
van der Meiden:

Te weinig bos in Nederland ………………………………812

Mededelingen
…………………………………………..815

Drs. F. J. Hogewind:

Arbeidsproduktiviteit en een gedifferentieerde loonpolitiek ………816

Energiekroniek

De politicus en de kernenergie,
door Dr.
A. A.
de Boer ………..
817

Fisconomie

Ontwikkelingssamenwerking en belastingen,
door Prof Dr. J. H.
Christiaanse

…………………………………………..
819

Mededeling
………………………………………………820

Au courant

Sleutelen aan de indexering,
door A. F. van Zweeden ………….
821

Boekennieuws

E. Malinvaud: Lectures orI.micro-economic theory,
door Drs.. P. J.
Uitermark

………………………………………………
822

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Co,nniissie
1011
redactie: H. C. Bos,
R. /ltena. L. H. Alaa.v.ven, H. W. La,nhers, P. J. Moniagne, J. H. P. Paelinck. A. de Wit.
Redacteur-.vei-re,arjs: L. Hofjnian.
Redactie-mede werkster: IV/e/. J. Koenen.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rot terdan,-30/6: kopi/ voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 II. toestel 3701..
Bij adreso-i/ziging s. i./,. steeds adreshand/e
,?Ieesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweei’oud.
getipt. dubbele rei,’elofSvtand. brede marge.

Abonnementsprijs:f:
93,60 per kalender/oor
(mcl. 4% BTW): studenten!. 57,20
(mcl.
4% B1’W),
franco
per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
.4 bonnenienten en contributies
(na Out vangst i’an stort ings/giro. –
acceptkaart)
0/)
girorekening no. 122945
t. n. i’. Economisch Siatistische Berichten
te Rotterdan;.

Losse nummers:
-Prijs van dit nummer!: 3.-
(‘mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers


uitsluitend door overmaking van de hierho een
vermelde pri/s op girorekening no. 8408
t. n. i’. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Ronerdam niet vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
.4honnemnenten kttnnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts word/en
beëindigd per ultimo van een kaletder/aar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.

B
ehoeft uw staf

.uitbreidin?

Verzuimt dan niet ESB voor uw
oproep in te schakelen.

ESB biedt u . een grote trefzeker-

.heid, éSk bij aspirant-leidinggevende
functionarissen in de commerciële,
administratieve of aanverwante seâ-
toren.

Adv.-afd ESB

Postbus .42

SCHIEDAM

Stichting
Het Nederlands Economisch ln.s’tituut

Adres:
Burgemee.vter Our/laan 50.
Rotterdamn-3016; tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

4 rheidsmark tonclerzoek

Balanced International Gromt’th

Bedrijft-Economisch Onder foek

Economisch- Technisch Onderzoek –

Irestigingspatronen

Macro- Economisch Onderzoek
Pro/ectstudie.v Ontwikkelingslanden.
Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mat heniat isch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

806

Het gaat er op lijken dat politici in ons

land steeds meer tijd en energie gaan
steken in het verkenaande make-up van
het eigen imago. Het is twijfelachtig of

we daar blij mee moeten zijn. Alvorens
onze droefenis over dit verschijnsel na-

dci

toe te lichten, lijkt het goed om voor
ogen te houden wt de doelstellingen van
iniago-vornling zijn. Het publiek oor-
deelt over politici vaak op grond van
vage indrukken. Bij die indrukken spelen
echter wel een aantal elementen een rol

die het beeld bepalen van de politicus
waa rover men oordeelt.
a. De politicus moet activiteit en ijver

demonstn.
h. Hij moet (alt hans in het land van Co-
lijn. Drees en de Jong) laten blijken
dat hij eenvoudig en rustig is.

Hij moet (eveneens in ons land) doen
vermoedeii dat hij een goed gezins-

leven leidt.
Hij moet (het meest vage van de vier
ingrediënten) een .,public appeal”

lie h he ii.

Negatief gesproken moeten alle karak-
terfouten zoveel mogelijk worden geca-
moulleerd. Een leidend politicus, waar-
van bekend i,ou zijn dat hij thuis wel eens
liet het vaatwerk smijt, zou – ondanks
voortreffelijke capaciteiten onherstel-
bare schade aan liet imago oplopen.
Eeii vrij uitgebreid i nst runientariu m
aan middelen staat ter beschikking om
deze doeleinden na te streven. De meest gehanteerde middelen zijn de volgende:
1. Er moeten door de politicus cii zijn

hel pers pseudo-activiteiten worden ont-
worpen. Pseudo-activiteiten zijn activi-

teiten die normaliter niet zouden worden
ondernomen, maar die worden gepland

in de vooronderstelling dat pers, radio
en televisie erover zullen rapporteren.
Vooral liet aan al pse udo-act i viteitcn
lijkt iii ons land hand over hand toe te
nemen. We doen ter illustratie een greep
uit de overvloed (soniniige politici pro-
duceren er meer dan andere). Een politi-
cus trekt ccii overall aan en gaat in deze
kledij (niet dainadat hij Televiz.ier heeft
gewaarschuwd) een week inë’en fabriek
werken. Dezelfde politicus verschijnt in
liet publiek niet ccii vcchtpet, in de blij k-
baar juiste veronderstelling dat dit de
aandacht van dc fotograferende pers zal
trekken. Een ander politicus strekt zich

0

omringd door fotografen – vriend-
schappelijk uit tussen opde Dam levende
suhculturen. Weer een ander politicus
coniponeert een strijdlied voor de CDA

omdat de media niet van plan waren om
een politieke bijeenkomst van deze partij
te verslaan (zi
.
j bleken overigens uit-

sluitend bereid om liet strijdlied op te
nemen zonder de rest van
,
de bijeen-

komst). Nog weer anderen maken ver-

nioeiende dag- cii fietstochten van Aar-
denburg naar Delfzijl, maar daar is de
originaliteit inmiddels vanaf. (Het is een

activiteit waarvoor mcii niemand nieer
uit H ilversiim k rijgt: misschien dat nien
daar alsnog goedgunstig beschikt als
iemand iets per bakficts of niet rol-

schaatseti bedenkt).

De tweede categorie van niiddelcn
om de geschetste doeleinden te bereiken
wordt gevornid door geselecteerde iii-
forniatie. Geselecteerde informatie is
die informatie die bijdraagt tot liet
bereiken van de gestelde doeleinden,
met wegla t ing van info rniat ie die er
afbreuk aan doet. Een voorbeeld van ge-
selecteerde informatie is wanneer een

leidend regeringspoliticus wél vrij om-
sta ndig aan liet publiek laat weten, dat
hij niet autootje en tent ergens op een
caniping gaat logeren, maar géén infor

matie verschaft over de keren dat hij in
hotels van betere klasse vertoeft. Een
ander voorbeeld is de politicus die de
televisie-ca mera’s omsta ndig in liet
gezinsleven toelaat (tot het naar bed gaan
toe), maar met weglating van informatie

die aan het beeld van het goede gezin af-

breuk zou doen.
l)e derde categorie van middeleii
wordt gevormd door ,,overactiviteiten”.

Overactiviteiten zijn overbodige, ofaaii
liet overbodige grenzende activiteiten
die attenthieid en alertheid demonstre-

ren. Het is een euvel waarover zelfs
kanierleden klagen. Het zijn vragen aan de minister over onbenullige verschiijn-
selen als een grapje van de secretaris-

generaal van de NAVO,-.over- een mis—
plaatst woord van een minister e.d. Het
is ook het opgevoerde

vermogen tot
interrumperen wanneer zich ergens in
de vergaderzaal op het binnenhof een

televisie-camera bevindt. De overactivi-
teit grenst uiteraard aan de pseudo-

activiteit.
Tenslotte zijn er nog – als vierde
categorie – de geregistreerde handelin-
geii. Het zijn de haardracht, de kleding,
de mimiek, liet gebaar. en die ene pak-
kende zin voor de kop in de krant die van
tevoren worden geregisseerd, waardoor het handelen van de politicus tot aan de grcnzeii van het acteren komt.

De bezwaren tegen liet steeds vaker
hanteren van bovenstaande middelen
zijn. dat dc aandacht wordt afgeleid van

de geconipliceerdheid van de zaken
waarom liet gaat, dat men elkaar steeds
meer heconcurreert met pseudo-activi-
teiteli oni H ilversuni en de krant gunstig

te stcmnien, dat de hypocrisie onder
pohitici erdoor wordt bevorderd en dat dat allemaal schadelijk is voor een eer-
lijke. zakelijke, zo niin mogelijk gemani-
puleerde democratie. De vraag is natuur-
lijk hoe nien het euvel kaii bestrijden.

Journalisten lokken liet kwaad helaas
uit en wa kkereii het daarna aan. Zij wor-
dcii echter weer opgejaagd door de con-
currentie van de andere oniroep of de

andere krant. die ieder voor zich op
zoek zijn naar boeiend circusverniaak voor liet hooggeëerd publiek. Pohit ci
zouden tegenover de mcd ia ccii kartel
kunnen proberen te vormen niet de af-
spraak dat zij zich zullen onthouden van
activiteiten en informaties zoiider strikt
zakelijk karakter.
.lournalisten zijn echter ook niet
machteloos. Zij zouden meer daii tot nu
toe liet geval is, van de nood een deugd
kunnen ma kei. Zij zouden méér vinding-ri.j k heid kunnen toneii en activiteit kun-
nen ontplooien om pscudo-activiteiteii,

geselecteerde inforniaties, overativiteit
en geregisseerde haiidclingeii als i.odanig
te ontniaskeren. Zodra zij namelijk als
zodaiiig worden ontiiiaskerd, is liet effect

weg of zelfs iiegatief. Toeii een krant
meldde, dat t wee poli t ici op advies van
een recla iiichureau tussen de lii ppies
op de Daiii giiigeii zitten, had deze pseu-
do-activiteit een negatief effect. Het pu-
bliek voelt zich genomen en de politicus
gaat zich scliaiiieii. Niets is zo gezond
voor de democratie als waniieer politici
zich gauii schaiiien voor de overdrijving.
de gekuiisteldheid en vooral de oiizake-
lijkheid vaii de reclanie voor eigen zaak.
Er is een niooie taak voor de jouriialis-
tiek weggelegd. -.Jouruia listen aller kran-

ten vereiiigt u.

Prof We,nelsfrlder

Imagobouw

in Nederland

ESB 18-9-1974

807

Industriepolitiek

DRS. J. LOUWMAN

In ESB van 11 september /1. werd de inlei-
ding van Drs. W. J. van Gelder afgedrukt, ge-

houden
0/)
het congres van de Wiardi Beeknian

Stichting over industriepolitiek op 27 april ji.

De heer Van Gelder gaf een socialistische visie.

Hij beoogt met industriepolitiek een optimale

allocatie te bereiken van de beschikbare pro-

duktiefactoren over de diverse
bedrijfstakken
en

projecten. Vooral de overheid dient een inc/u-

sirieheleid ie voeren omdat zijns inziens hei vrije

spel der inarkikrachien niet of onvoldoende lol

een optiniale situatie leidt. Deze indusiriepoliliek

moet met indicatieve planning gepaard gaan.
Deze week geeft Drs. J. Louwman, directeur

van A lusuisse en bestuurslid van het VNO, een

werkgeversvisie op de industriepolitiek. Hoewel

de heer Louwman meer waarde hecht aan het

vrije spel der marktkrachten wijkt zijn visie

niet essentieel af van die van de heer Van Ge/

t/er. Ook hij pleit voor een indicatieve planning.

In een volgende aflevering zal Mr. H. Versloot

ingaan op industriepoliiiek en energieheleid.

Industriepolitiek ter discussie

De opleving van de discussie over inhoud en vorm van de
industriepolitiek is een dringend nodige zaak. Zij roept her-inneringen op aan de jaren ’50. Gesproken werd toen echter

van industrialisatiepolitiek, ni. om tot uiting te brengen dat
het ging om uitbreiding van de Nederlandse industrie en
stichting van nieuwe industrieën, dus om een krachtige groei.
Dit industrialisatiebeleid vloeide voort uit de grote zorg, die
in de eerste jaren na de oorlog naar voren kwam bij het be-
schouwen van onze economische situatie, die gekenmerkt
werd door verlies van vooroorlogse welvaartsbronnen en
door groei van de bevolking. De klemmende vraag was, hoe vinden wij werkgelegenheid voor de groeiende bevolking en
hoe vergroten wij het nationaal inkomen ter compensatie

van de blijvende schade, die onze economie had geleden. Pas
daarna zou aan stijgende welvaart kunnen worden gedacht.

De taakstellingen ten aanzien van nieuwe werkgelegen-

heid en produktievermeerdering – en de daartoe benodigde
investeringen – die in industrialisatienota’s werden neerge-
legd, werden door velen moeilijk realiseerbaar geacht. Ze
werden echter al spoedig overtroffen en de ontwikkeling ver-
liep zo gunstig dat zich na het midden van de jaren ’60 een

stemming in Nederland aftekende, die enigszins neerkwam
op: ,,Het bezit van de zaak is het einde van ‘t vermaak”.

Daarvoor bestonden enkele redenen.

• In de eerste plaats volgde op een krachtige groei van de

industrie een expansie van de dienstensector, die de rol van

de industrie als verschaffer van additionele werkgelegen-
heid in Nederland feitelijk overnam. De industriële groei
voltrok zich meer en meer in de vorm van produktivi-teitsstijging, dus zonder vermeerdering van het aantal
werknemers. Vanuit het gezichtspunt van nieuwe werk-

gelegenheid werd de industrie minder belangrijk.
• In de tweede plaats begon de industriële groei met zijn

uiterlijke verschijnselen bezwaren te ontmoeten. De in-
dustrie of nijverheid houdt zich volgens definitie bezig met

bewerking en omwerking van grondstoffén. Het zijn be-zigheden, die ruimte vragen en die de omgeving kunnen
hinderen met geluid, lozingen in de atmosfeer en in het
water. De industrie kwam in kwade reuk te staan en be-
paalde typen van industrie in het bijzonder.

Deze ontwikkelingen, nog aangevuld met het verschijnsel

van tekorten op de arbeidsmarkt in plaats van de gevreesde

overschotten, alsmede de opkomende twijfel aan het nut
van economische groei als zodanig, hebben onzekerheid in
het industriebeleid ten gevolge gehad.
Wel werden belangrijke elementen van het vroegere indu-
striebeleid gecontinueerd. Met name het streven naar indu-
strievestiging in minder ontwikkelde regio’s en de bevorde-ring van nieuwe technologische ontwikkelingen bleven be-
leidstaken. Daarnaast kwam de nadruk te liggen op zorg voor
bedrijven en bedrijfstakken, die met bijzondere. problemen

geconfronteerd werden. Dit dreigt een dusdanige omvang
aan te gaan nemen dat bijna niet meer van bijzondere pro-
blemen kan worden gesproken. Het werd immers duidelijk,
dat in de dynamische wereld tegenover groeiprocessen ook
afbrokkeling ofwel mortaliteit optreedt.

Het besef is dan ook groeiende, dat wij met onze indu-
strie weer in de gevarenzone raken. Enerzijds zijn er bran-ches, die met problemen te kampen hebben, waarbij regel-
matig slachtoffers vallen en anderzijds wordt minder groei
‘gerealiseerd, zodat een contractie – in plaats van een groei-
proces – dreigt te ontstaan. Het volume aan investeringen
in de bedrijven is te laag geworden, zeker indien men in aan-

merking neemt dat thans de investeringen voor een groot

deel gericht zijn op mechanisatie en arbeidsbesparende mo-

derniseringen, alsmede op vermindering van milieubezwaren.
Er is niet veel voorstellingsvermogen voor nodig om te ko-

men tot prognoses met onrustbarende werkloosheidcijfers,
indien men deze ontwikkelingslijnen doortrekt.
Wat wij thans opnieuw dringend nodig hebben – nl. even-
als ca. 25 jaar geleden – is in de eerste plaats een zo goed
mogelijk
gek wanlificeerde taakstelling
voor de industriële
groei in ons land, afgewogen aan de welvaartseisen, die men
in dit land stelt – collectief en individueel – en rekening

houdend met de bijdragen, die van andere sectoren, vooral
de dienstensector, te verwachten zijn. Men kan geen beleid
voeren, indien men niet de doelstellingen formuleert. Hier-
van uitgaande zou ik
industriepolitiek
kort willen definiëren

809

I.i:ine/ahriek rnn DStI

als: het geheel van overheidsmaatregelen, waarmede een in-
dustriële ontwikkeling wordt nagestreefd, welke is gericht

op een gekwantificeerde doelstelling in het kader van de

velvaartsdoeleinden van het land.

Externe voorwaarden

In mijn definitie heb ik geen aanduiding opgenomen met
betrekking tot externe voorwaarden waaraan de industriële
ontwikkeling zou moeten voldoen. Dit is geen veronacht-

iaming van andere maatschappelijke desiderata,die veelal als
,,randvoorwaarden” naar voren komen voor de industrie-
ontwikkeling. Het is wel een reactie op het feit, dat bij be-
schouwingen over industriepolitiek veelal de primaire doel-
stelling van een gezonde groei van de industrie overspoeld

wordt door een aantal andere wenselijkheden en eisen, die
men in de industriepolitiek wil incorporeren. Van het indu-
striebeleid wordt dan gevraagd een veelheid van uiteenlopen-de desiderata te vervullen, waarbij aan de industriële doelstel-

ling zelf minder aandacht wordt gegeven, uitgaande van de

gedachte, dat er een sterke autonome groeidrang aanwezig is.
Hoewel ik waardering heb voor het WBS-cahier over in-
dustriepolitiek, voel ik toch vooral het zo juist genoemde
bezwaar, ni. de neiging om de industriepolitiek op te knap-
pen met een totaliteit van doelstellingen uit zeer verschillen-
de sferen.
Industriepolitiek moet in de eerste plaats gericht zijn op
concrete doelstellingen ten aanzien van produktie en werk-
gelegenheid. Milieubeleid heeft tot taak de eisen ten aanzien
van ons milieu te formuleren en dit zal tot consequenties
voeren voor de uitwerking van het industriebeleid – even-

als trouwens voor andere menselijke activiteiten. Maar om-
gekeerd zal ook hèt milieubeleid de nood,.akelijkheden van
industrie-ontwikkeling moeten verwerken. [)e verschillende
heleidssectoren moeten derhalve allereert vanuit de eigen

problematiek worden aangepakt door daartoe aangewezen
organen. Bij het integreren tot een algeheel beleid moeten
dan vanuit het industriële gezichtspunt ,,randvoorwaarden”
voor anderen worden gesteld, evenals in omgekeerde rich-

-ting: Er is een afweging van belangen en urgenties nodig, die

wathet centraal beleidsniveau betreft in interdepartementaal

overleg tot stand zou moeten komen.
Ik realiseer me wel, dat de bestaande procedures vermoe-

delijk slecht opgewassen zijn tegen de complexiteit van de

problemen en dat voor een goed gefundeerd totaalbeleid
een meer wetenschappelijke en meergekwantificeerde behan-
deling nodig zou zijn dan met bestaande apparaten mogelijk
is. Naarmate men erin slaagt, kan men spreken van een
integreerd beleid”, dat aan de diverse eisen van onze samen-
leving recht doet toekomen. Hieruit volgt dan een industrie-
beleid, dat niet erop gericht is branchevreemde doeleinden
te realiseren, doch dat wél in voldoende mate rekening houdt

met de desiderata uit andere beleidssferen. Dit onderwerp samenvattend, pleit ik voor doelstellingen
en ook beleidsorganen, die in de eerste plaats op de indu-
strie-ontwikkeling zelf gericht zijn. Dit pleidooi heeft der-
halve ook consequenties voor de Organisatie van het over

heidsapparaat en met name komt het ook erop neer dat ik
degenen, die een industriepolitiek moeten ontwerpen of Uit-voeren, zou willen beschermen tegen schizofrenie of nog er-

ger. Het betekent verder, dat ik meen te moeten waarschu-
wen tegen ontikkelingen, waarbij het industriebeleid geen

eigen stem meer heeft, zodat dit beleid vervolgens de facto

wordt gevoerd vanuit andere invaishoeken, zoals ruimtelijke ordening, milieubeleid e.d.

Gericht beleid

Nadat eenmaal in hoofdlijnen de verhoudingvan indu-
strie-ontwikkeling tot andere maatschappelijke eisen is vastge-
steld, zal uiteraard bij de concrete beleidsuitwerking reke-

ning moeten worden gehouden met voor de industrie aan-
vaarde randvoorwaarden. Dit gaat een des te grotere rol
spelen naarmate men meer de kant op gaat van een ,,ge-
richt” md ustriebeleid, een md ustriële
secior-struezuurpoli-
tiek.
Bij een gericht beleid komen een aantal aspecten aan
de orde:

• de concurrentiekracht van bedrijfstakken in internationaal

verband;
• de natuurlijke voordelen/nadelen van ons land voor ver-

schillende bedrijfstakken;
• de bijdrage tot het BNP en de werkgelegenheid, ook kwa-

litat ief;
• degeschiktheid in het regionale spreidingsstreven;
• beslag op infrastructuur of behoefte aan nieuwe infra-

structuur;
• gevolgen voor milieu enz.

ESB 18-9-1974

809

Deze opsomming is niet volledig en kan aangevuld worden.

Ik heb echter bewust weggelaten het element ,,maatschap-

pelijk nut” of ,,maatschappelijk rendement”.

Voor zover het bij de hantering van dit begrip gaat om

het laten doorwerken van maatschappelijke kosten, zoals
infrastructuur, betreft het een duidelijke zaak. Bij een be-

drijf dat hoge eisen stelt aan infrastructuur, is het onder-
nemingsrendement niet identiek aan het maatschappelijk
rendement. Onduidelijk is echter het verlenen van meer of
minder appreciatie aan bepaalde produkten, voor zover deze

appreciatie niet via de consumentenvoorkeur tot uitdruk-
king komt. Men zou dan zeer goede argumenten moeten

hebben dat de marktprijzen niet op de juiste wijze tot stand
komen.

ik kan meegaan met de gedachte, dat de overheid zou
moeten komen tot. een ,,indicatieve programmering” waarin
uiteenlopende beleidselementen zijn verwerkt en waaruit een
beleid volgt dat een zekere selectieve of discriminerende wer-

king heeft. In feite gebeurt dit reeds in belangrijke mate op
grond van omstandigheden ad hoc. Het komen tot bedoelde

programmering biedt daartegenover zekere voordelen, nI.
dat het de
rechtszekerheid
verhoogt. De ondernemer kan
daardoor beter in een vroeg stadium gewaar worden of zijn

plannen passen in het wensprogramma of niet.
Het ontbreken van programmering op landelijk niveau plaatst niet alleen de ondernemingen voor onzekerheden,
doch ook de beleidsorganen van lagere overheden. Hoezeer

ik ook inspraak en eigen beleidsvorming van deze overheden
van belang acht, zij hebben thans te weinig nationaal-eco-
nomische achtergrond bij hun beleid. Deze achtergrond is
ook nodig bij inspraakprocedures ten aanzien van de plaatse-

lijke bevolking. Deze procedures worden terecht steeds be-
langrijker, doch ook daarbij moet naar voren komen welke
economische belangen er op het spel staan.

De ontwikkelingen in het Waterweggebied zijn voor het voorgaande een sprekend voorbeeld. Gemeente Rotterdam
en Openbaar Lichaam Rijnmond zoeken naarstig naar cri-
teria voor een selectief vestigings- en uitbreidingsbeleid en
leggen daarbij een zeer zwaar accent op de saneringsbehoefte

inzake milieu. Daarbij worden middelen gebruikt, die de
speciaal voor het milieubeleid bij wet ingestelde procedures
doorkruisen. Ik denk daarbij aan milieubeleid via het grond-
uitgiftebeleid van Rotterdam en via het Streekplan Rijn-

mond. De rol van de voor de industriepolitiek verantwoor-
delijke minister van Economische Zaken is bij dit alles te

gering en de niet op industrie-ontwikkeling gerichte over-
wegingen krijgen veelal eenzijdig de overhand.

Voorwaarden

Voor het ontwikkelen vn een indicatieve programmering

en een gericht en selectief beleid zou ik enkele voorwaarden
willen noemen, die daarbij in acht dienen te worden geno-
men.

In de eerste plaats moet deze programmatige uitwerking
steeds in direct verband met het geheel van de globale doel-

stelling worden gezien. De optelsom van de sectoriële pro-
gramma’s moet het nagestreefde totaal opleveren waarbij de
nodige veiligheidsmarges moeten worden ingebouwd, d.w.z.
dat de optelsom ex ante een hoger totaal moet uitmaken, ge-

zien de onvermijdelijke tegenvallers bij realisatie. Ik zie
thans te veel het uit-selecteren van zaken die men liever
niet wil,
zonder voldoende rekenschap t.a.v. de vraag wat er
dan overblijft.

In de tweede plaats moeten de bedrijfstaksgewijze doel-

stellingen tot stand komen in nauw overleg met de bedrijfs-

takken zelf. Tot nog toe bestaan hiervoor nog onvoldoende
overlegstructuren en het is zaak deze te verbeteren of nieuw

te vormen. Alleen langs deze weg krijgen zulke programma’s

of doelstellingen goede kansen op realisatie. Er zij op ge-
wezen dat bij bedrijfstakken – en vooral bij de kapitaal-

intensieve – de behoefte groeiende is om te komen tot be-

tere afstemming van de gezamenlijke expansieplannen op de

groeimogelijkheden, die de vraagontwikkeling toelaat. De
programmatische schema’s vormen richtsnoeren voor het

beleid van overheden, doch geven ook een houvast voor de
ondernemingen.

In genoemde twee opzichten loop ik, naar ik meen, wel

parallel met de gedachten in de studie van de WBS. Ik zie

daar evenwel ook uitspraken, die aan de programma’s een strakkere betekenis toekennen, zodat zij niet zozeer richt-

lijnen zijn voor genuanceerd beleid, doch veel meer uit-
voeringsprogramma’s. Zij tenderen dan naar ,,blauwdruk”
voor de ontwikkeling en naar ,,opdracht” tot uitvoering. In
deze zin zou de programmering echter onaanvaardbaar wor-
den, aangezien met name het wel of niet ter hand nemen van
nieuwe projecten een zaak is die van meer factoren afhan-
kelijk is dan in de doelstellingen werden verwerkt. We ko-

men daarmee op de ondernemersfunctie, de economische

orde en het marktmechanisme.

Ondernemingsgewijze produktie

In de laatste jaarvergadering van het VNO heeft oud-
minister Van den Brink, die een groot stuk industrialisatie-

beleid op zijn naam heeft staan, erop gewezen, dat de
on-
dernemingsgewijze produktie,
functionerend onder de wer-
king van het marktmechanisme, in Nederland een stevige

traditie heeft. Het moge zo zijn, dat onder invloed van snelle

veranderingen in onze maatschappij op velîlei gebied een
roep om vernieuwing wordt gehoord, toch gaât dezi’ meestal
niet.zo ver, dat men weldoordacht dit fundament door iets anders wil vervangen. Er zijn slechts weinigen, die conse-

quent voor een andere economische structuur kiezen, doch
vrij algemeen wordt erkend, dat beperkingen of correcties
nodig zijn.

Het marktmechanisme kan men beïnvloeden, bijv. door
heffingen of subsidies, waardoor andere evenwichten tot
stand komen dan zonder dit ingrijpen het geval zou zijn.

Gevaarlijker is het uitschakelen van dit mechanisme door

bijv. prijzen van produktiefactoren of produkten te fixeren.
Ook in de WBS-studie wordt de ondernemingsgewijze

produktie en het daarbij behorende marktmechanisme, zij
het wat schoorvoetend, aanvaard. Af en toe krijg ik evenwel
de indruk, dat de uitgesproken behoefte tot bijsturen en cor-
rigeren zover dreigt te gaan dat hei fundament van onze

economische orde zou worden aangetast. Wil men echter de
grondstructuur handhaven, dan is het nodig dat men de

interventies in het systeem zodanig tracht te beperken en te

modclleren, dat daarbij de bedoelde structuur kan blijven
functioneren en dat men deze niet verlamt.
Voor het blijven functioneren van de ondernemingsgewijze

produktie is essentieel, dat er voldoende speelruimte blijft
voor het ondernemershandelen, voor het
kiezen
uit
mogelijk-
heden
en het
realiseren van de optimale oplossingen.
De uit-
eindelijke beslissingen over het investeren en produceren

moeten op het niveau van de onderneming worden getrof-
fen, weliswaar met inachtneming van de beperkingen, die de

maatschappij daarbij heeft gesteld, doch deze beperkingen
moeten bewegingsvrijheid laten.

Speelruimte en beslissingsmogelijkheid voor de
onderne-
ining
zegt nog niets over de vraag hoe
binnen
de onderne-
ming beslissingen tot stand komen. De typische ,,onderne-
mer” is in de tegenwoordige organisatievorm van onderne-
mingen meestal niet meer als een one-man-show terug te

vinden. In plaats van een ondernemer treedt het begrip on-
dernemingsleiding, waarbij verschillende vormen mogelijk
zijn, mits er maar een duidelijke leiding aanwezig blijft.

Investeri.Ij.,ut

Bij een ondernemingsgewijs georganiseerde produktie ont-
staan beslissingen inzake investeren in een soort natuurlijk

810

proces van binnen uit. Zij komen op als planten of als nieuwe

loten aan een plant. De omstandigheden, die daarop inwer

ken, vat men samen als ,,investeringsklimaat”. Men kân de natuurlijke gegevens in een gebied, de infra-
structurele voorzieningen en de arbeidsmarkt enz. als de

voedingsbodem opvatten. Het ,,klimaat” is dan het geheel
van overheidsmaatregelen, dat invloed uitoefent op de indu-
striële investeringslust, doch daarnaast ook de sociale situ-

atie en de publieke opinie ten opzichte van de industrie. Dit
klimaat is een optelsom van positieve en negatieve invloeden
en het lijkt me een eerste vereiste voor de industriepolitiek

om naar een dusdanig evenwicht te streven, dat men de ver

wezenlijking van de gestelde doeleinden mag verwachten.

Indien men nieuwe negatief werkende maatregelen invoert
en daardoor de verhouding verschuift, zal men daartegen-
o.ver weer nieuwe positieve maatregelen moeten nemen.

Het lijkt me niet voor bestrijding vatbaar, dat in de laatste
jaren de negatieve klimaatsfactoren sterk zijn toegenomen:

hogere fiscale lasten en vermindering van speciale inves-
teringsfaciliteiten, scherpere sociale tegenstellingen en sterke
arbeidskostenstijging, milieumaatregelen en ongunstige wen-
ding van de publieke opinie, zeer gestimuleerd door de zgn.

media. Positieve maatregelen om de zaak weer in evenwicht
te brengen, werden vooral als noodmaatregel toegepast, dus
alleen daar waar het dringend nodig werd. Ook onder de hui-

dige moeilijkheden in onze economie dreigt het zwaartepunt

van de regen ngsmaat regelen te gaan liggen bij korte-termijn-
impulsen om bestedings- dus vraagvermindering te bestrij-
den, in plaats van bij structurele verbetering van het klimaat.

In dit verband wees Prof. Heertje er in
Hei Financieele
l)aghlad
van 20 februari jI. reeds op, dat zich een structure-le werkloosheid begint te ontwikkelen. Kort gezegd conclu-deert hij, dat de uitholling van de winsimarges
en de
voort-
durende kritiek op het private ondernemende
investeringsnei-
ging hebben verminderd. Mi. is het tweede – de kritiek –
even belangrijk als het eerste. Het heeft de omvang van een
mode-verschijnsel aangenomen en is ook een geliefd thema

in besturende lichamen. Deze instelling leidt dan soms tot voor het bedrijfsleven frustrerende maatregelen, waarvoor
een reële grond ontbreekt en waarbij men desnoods rechts-
beginselen geweld aandoet, zoals in het geval van het zgn.
sociaal statuut van de Gemeente Rotterdam.
De noodzaak om via verbetering van de rendementen op

investeringen de investeringsgeneigdheid aan te moedigen
ten einde verdere groei van structurele werkloosheid
te voor-
komen, werd inmiddels ook benadrukt door de uitlatingen
van de directeur van het Centraal Planbureau en de presi-

dent van De Nederlandsche Bank. Een ongunstige ontwik-keling van de werkgelegenheid zal uiteraard meer en meer
aandrang uitlokken tot verlenen van overheidshulp bij tot-

standkoming van bedrijven en tevens tot het ontplooien van overheidsinitiatieven. Ik heb met instemming gezien, dat de
WBS-studie in de paragraaf over regionale ontwikkelings-
maatschappijen bepaald minder op dit laatste aanstuurt dan
het geval lijkt te zijn in de opzet van de inmiddels opgerichte
Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij. Daarin is name-
lijk zonder duidelijke beperkingen de mogelijkheid tot het
zelf oprichten van bedrijven opgenomen.

Beduchtheid in ondernemersk ring voor overwegende
staatsdeelneming en overheidsinitiatieven moet men niet te
snel opvatten als het opkomen voor eigen belang, nI. de
vrees voor uitschakeling van het particuliere initiatief. De be-
duchtheid komt vooral voort uit de gedachte, dat een der-

gelijke oprichting zal plaatsvinden zonder dat er sprake is
van een voldoende gezond project en dat daardoor vervol-
gens een dergelijke onderneming marktverstorend zal gaan

opereren, hetgeen men zich kan veroorloven, aangezien de
financiële kracht van de staat erachter staat.

Wij zien uiteraard voorbeelden, waarin een staatsbèdrjf
wel degelijk op een verantwoorde wijze werkzaam is, doch

dat kan alleen dan indien zeer consequent ervoor wordt ge-
zorgd, dat zo’n onderneming zich in het economisch leven

strikt als onderneming gedraagt, gelijk als anderen. In tijden

dat het moeilijk gaat en pijnlijke aanpassingen aan de markt
nodig zijn is dit echter zeer veel gevraagd. Het naast elkaar
functioneren van overheidsbedrjven en particuliere bedrij-

ven in dezelfde bedrijfstak geeft licht complicaties, en daar-
door ook ongunstige uitwerking op de bereidheid tot parti-
culiere initiatieven.

Terugkomende op mijn eerdere opmerkingen zou ik wil-

len stellen, dat bij aanwezigheid van mogelijkheden voor gezonde projecten vooral door middel van een ,
,goed kli

maat”
getracht moet worden initiatieven van de grond te
krijgen. In sommige gevallen kunnen echter bijzondere ri-
sico’s aanwezig zijn, vooral als het om iets geheel nieuws in

ons land gaat. In zulke gevallen is het aanvaardbaar, dat de
overheid inspringt, liefst in samenwerking met een bestaan-

de onderneming. Daarbij dient ernaar te worden getreefd

het staatsaandeel aan de particuliere onderneming over te
dragen wanneer de bijzondere redenen niet meer aanwezig

zijn. De staat kan zich daarbij strikt zakelijk opstellen en de

volle prijs vorderen, die dit aandeel inmiddels waard gewor-
den is. Dit is bijv. met succes gebeurd bij Breedband, een
onderneming die op de zojuist bedoelde wijze tot stand was

gekomen. De omvangrijke staatsparticipatie heeft hier gun-
stig gewerkt, doch men mag m.i. stellen, dat de verdere ont-

wikkelingen bij Hoogovens zeer zouden zijn bemoeilijkt in-dien de staat 90% aandeelhouder van de Breedband-dochter
zou zijn gebleven.

Goed samenspel

U zoudt na het voorgaande van mij wellicht verwachten
dat ik de rol van de overheid zou willen beperken tot het
creëren van een goed klimaat. In mijn opmerkingen over
programmering heb ik reeds van het tegendeel laten blijken,

doch ik wil aan het slot beklemtonen, dat ik het samenspel
tussen overheid en bedrijfsleven op het gebied van de indu-strie onvoldoende vindt en intensivering nodig acht.

Hoewel wij in Nederland nog een geluk met ons aardgas
hebben, behoren wij tot een deel van de wereld, dat nog
moeilijke tijden tegemoet gaat. De geldstromen naar de lan-
den, die de energiedragers en de grondstoffen bezitten en de
nieuwe ontwikkelingen, die door deze geldstromen zeker ge-
activeerd zullen worden, betekenen, dat het deel van de we-
reld waarin wij leven in hoge mate zijn bestaan zal moeten

waarmaken door op zeer doordachte wijze mede (niet alleen)
als industriële ,,workshop” actief te zijn. Daarbij is te be-

denken, dat het pakket industriële activiteiten in ons land

niet bijzonder sterk geacht moet worden. De groei van de
laatste 15 â 20 jaar heeft een nogal eenzijdig karakter gehad
en wij zullen naar diversificatie moeten streven. In dit ver

band past grote voorzichtigheid bij de gedachte om in het
kader van een beterç mondiale produktie-specialisatie de
,,verhuizing” van industrieën naar ontwikkelingslanden te
bevorderen.

Op het niveau van de centrale overheid is nodig dat:
• in sterkere mate dan thans de industriële aspecten in het
regeringsbeleid naar voren komen;
• meer dan thans richtsnoeren voor lagere overheden wor-

den gegeven;
• in meerdere mate het verantwoordelijke ministerie ge-
sprekspartner van de industrie is.

Het is te hopen, dat door een intensieve aandacht voor de

industrie de overheid ook minder kritisch tegenover de indu-
striële onderneming komt te staan, doordat er meer overleg
vooril in allerlei zaken zou zijn. Het vraagt uiteraard een

vergaande openheid
Ymn 4et
bedrijfsleven~ de &ant van

de overheid. Zonder dat
ik
daarvoor van mijn plaats af be-

paalde garanties kan geven, meen ik met goed recht het ver-
trouwen te kunnen uispeken, dat deze c~eid bij ge-
leidelijke opbouw van het overleg kan worden verkregen.

J. Louwmsn

ESB 18-9-1974

.

.

811

Te weinig bos in Nederland

IR. H. A. VAN DER MEIDEN

In clii artikel worden twee rapporten bespro-

ken, t.w. een aan de regering gezonden nota van

de papierindustrie en een rapport van het Bos-

schap, samengesteld door een commissie onder

leiding van Prof Dr. Th. Thurlings. Deze rap-

porten i’ijzen beide op de noodzaak van een aan-

zienlijke uitbreiding van ons bosareaal. Verder

i orden de reacties in het parlement op de nota
van de papierindustrie weergegeven. De schrij-

ier, die directeur is van de Stichting Industrie-

Hout, beëindigt zij, artikel met een beschouwing

over de mogelijkheden van en voorwaarden voor

hosuitbreiding in Nederland. Hij komt tol de

conclusie dat een duidelijk beleid van de regering

een eerste vereiste is voor de verwezenlijking van

cle noodzakelijke uitbreiding van ons bosareaal.

Een bosarm land

In het begin van dit jaarzijn twee rapporten verschenen, die beide wijzen op de noodzaak van een aanzienlijke uitbreiding
van ons bosareaal. Het betreft, in chronologische volgorde,
een aan de regering gezonden nota van de papierindustrie en
een rapport van het Bosschap, samengesteld door een com-
missie onder leiding van Prof. Dr. Th. Thurlings. Zezullen in
het kort worden besproken, waarna de reacties in het parle-
ment op de eerstgenoemde nota zullen worden weergegeven.
Verder zal er een beknopte beschouwing volgen over de mo-
gelijkheden van en voorwaarden voorbosuitbreiding in Ne-derland. Eerst echter iets over de huidige toestand.
Vooral doordat verreweg de meeste Nederlandse gronden
van oudsher zeer geschikt waren of later geschikt gertiaakt
konden worden voor landbouw en veeteelt, is het bos alleen
op de armste gronden overgebleven. In tabel 1 is een overzicht
gegeven van de bospercentages in verschillende Europese lan-

den, alsmede van de bosoppervlakte per 1.000 inwoners. Ver-
der is vermeld de produktie van gezaagd hout en van papier.
Het is duidelijk dat Nederland, wat betreft de bosoppervlakte,

zeer ongunstig afsteekt tegen andere landen, maar ook dat
ons land een relatief belangrijke papierindustrie heeft. De Ne-

derlandse papierindustrie staat qua produktie op de twaalfde
plaats in de wereld (v66r bosrjkelanden als Noorwegen en
Oostenrijk). Dat deze industrie zich in verband met de grond-
stoffenpositie ernstige zorgen maakt over haar toekomstige
concurrentiepositie is dan ook alleszins verklaarbaar.
Er zijn drie bronnen te noemen voor de toenemende vraag
naar bos in de laatste 10 â I5jaar: de behoefte aan recreatie,
de behoefte aan meer boselementen in het landschap en de be-
hoefte aan hout. Het is echter tot voor kort nimmer gekomen

tot een kwantificering van de benodigde extra oppervlakte
bos.

De nota van de papierindustrie

Sinds ruim tien jaar heeft de Nederlandse papierindustrie,

vooral via haar Stichting Industrie-Hout, op vele wijzen (be-
nadering van regering en parlement, subsidie, voorlichting)

de aandacht gevestigd op de noodzaak de houtproduktie in
ons land te verhogen. Daarbij wordt gesteld dat houtschaar-
ste niet slechts een industrieel probleem is, maar de maat-

schappij als geheel aangaat. Merkwaardig overigens dat dit
voor onze milieuproblemen algemeen wordt geaccepteerd,
maar in het geval van grondstoffen, zolang schaarste daaraan
niet voor, een ieder voelbaar is, niet of slechts met moeite
wordt erkend.

In het begin van dit jaar heeft de Vereeniging van Neder-
landsche Papierfabrikanten een door de Stichting Industrie-
Hout te Wageningen opgestelde nota:
De Nederlandse hout-
produktie in het kader van een grondstoffenpolitiek,
gezon-
den aan de ministersvan Economische Zaken, van Landbouw
en Visserij, van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
van Sociale Zaken en van Verkeer en Waterstaat. In de nota
wordt gewezen op de ongunstige ontwikkeling van de wereld-houtbalans 1) en op de consequenties die dit heeft voor gebie-
den met een groot houtdeficit, zoals West-Europa. Vooral de

papierindustrie wordt hier geconfronteerd met een vrijwel wegvallen van de mogelijkheden tot import van rondhout,

met toenemende moeilijkheden om in voldoende mate hout-pulp te Importeren en met zeer sterk gestegen grondstofprij-

zen (70% tot meer dan 100% in anderhalf jaar tijds).
De papierindustrie heeft de regering verzocht een aantal
maatregelen te nemen. Zij vraagt om de instelling van een
commissie van vertegenwoordigers van de betrokken depar-tementen en van het bedrijfsleven, die op korte termijn rap-
port moet uitbrengen over maatregelen om de beschikbaar-

heid van hout in Nederland te stimuleren en aldus de omvang
van het schaarsteprobleem, ook voor de verdere toekomst, te
beperken. Aangedrongen wordt op uitbreiding van het Ne-
derlandse bosareaal met rond 220.000 ha in de loop van de ko-
mende I5jaar; daarmee zou de mate waarin de Nederlandse
papierindustrie haar houtpulpbehoefte uit eigen pulpproduk-
tie nu dekt
(14%)
niet verder teruglopen, terwijl aldus tegen
het eind van deze eeuw bovendien 20% van de anders te im-
porteren pulp uit Nederlands hout zou kunnen worden ge-
maakt.

Essentieel bij de wensen van de papierindustrie is het voe-
ren van een grondstoffenbeleid door de regeringen de koppe-

ling daarvan met het bosbouwbeleid. De houtproduktie dient

t) H. A. van der Meiden, Een toekomstig wereldhouttekort?,
ESB. 28
februari 1973.

812

Tabel 1. Bosoppervlakte en produktie van gezaagd hout en papier

Land Boxoppervlakte
Produktie
Produktie
rondhoutzagerijen (ms)
papierindustrie (ton)

in
%
eau landopp.
per 1.000
mw.
(ha(
totaal (x

.000)
per 1.000
mw.
totaal (x

.000)
per 1.000
mw.

Nederland
7 19
278
22
1.498
119
België
19
61
700
73
771
80
Luxemburg
31
242
30 90
-•
Frankrijk
20
222
9.721
196
4.226
85
West-Duitsland
.
29
116
9.929
166
5.578
93
Italië
21
115
2.555
49
3.288
63
Ver. Koninkrijk
7
30
631
II
4.336
79
Ierland
3
66
60
21
110
38
Denemarken
9
79
845

.
175
274
57

EG
/8
110
24.749
100
20.081
81

Zweden
53
2.790
12.707
1615
4.238
539
Finland
69
4.536
7.540
1617
4.423
948
Noorwegen
28
2.251
1.984
524
1.359
359

Canada
46 20.000 30.562
1495
10.944
520
Ver. Slalen
32
1.500
86.416
434 46.321
230

USSR
34
3.100
.

123.223
523
7.086
25

China
10
120
15.097
19
4.390
5

Bron:
Vearhook
of
Forest Prodt,ets.
FAO. 1971.

een van de belangrijkste uitgangspunten van het bosbouwbe-leid te worden.

Het rapport van de Commissie-Thurlings
van het Bosschap

Het rapport, getiteld
Beleidsprogramma voor de bosin-
standhouding en bosuitbreiding in Nederland,
begint met een
analyse van de functies van het bos, alsmede van hun onder-linge verwevenheid die als een rode draad door het hele rap-port loopt. Bij de bespreking van de accenten van het bosbe-heer wordt bijvoorbeeld gesteld:

..Benadrukt dtent te worden dat uiteen oogpunt van beheer
bij elk bos aan de veelzijdigheid der functies recht moet wor-
den gedaan …..Ook in verband met de lange levensduur
van een bos en de onbekendheid op het moment van aanleg
met de doelstellingen waaraan in de toekomst het meeste ge-

wicht Zal worden toegekend, is het onverantwoord het beheer
eenzijdig te richten op één of enkele van de potentieel door het
bos te vervullen functie(s)”.

Het rapport komt tot de essentiële conclusie dat het bosare-aal in Nederland met 270.000 ha uitgebreid en derhalve onge-
veer verdubbeld dient te worden (het loopt daarmee parallel

met de eerdergenoemde nota van de papierindustrie). Deze
conclusie is vooral gebaseerd op de hoefte aan hout en aan ob-
jecten voor de dagrecreatie.
Op basis van de te verwachten
houtbehoefte
en uitgaande van de doelstelling dat de behoefte aan buitenlandse hout-
produkten procentueel in ieder geval niet mag toenemen,
wordt berekend dat het areaal bos ten minste met 220.000
ha zal moeten worden uitgebreid. Het rappert stelt: ,,De
hier genoemde doelstelling ten aanzien van de dekking van

de houtbehoefte moet in het licht van het toenemend hout-
tekort in de wereld alleszins reëel worden geacht”. Men kan
deze bosuitbreiding overal in het land situeren.

De noodzakelijke bosuitbreiding ten behoeve van de
dagre-
reatie
wordt op 80.000 ha becijferd. Ruim de helft van dit

areaal zal moeten worden aangelegd binnen de regio’s
Groot-Rijnmond, Groot-Amsterdam en de agglomeratie

Den Haag. Ter wille van de bereikbaarheid vanuit de grote

steden zullen de boscomplexen in deze regio’s op korte af

stand van die steden moeten worden aangelegd.

De behoefte aan bos voor verbetering van het regionale
leefklimaat en voor de verblijfsrecreatie is moeilijk te kwanti-
ficeren, maar meestal is combinatie mogelijk met de hiervoor

genoemde doelstellingen. Bij de berekening van de noodzake-
lijke uitbreiding van het Nederlandse bosareaal is uitgegaan
van het feit dat bos tegelijkertijd verschillende functies kan
vervullen.

Bij de beschouwing van de vraag wie het bos kan aanleggen,
is gesteld dat ditzowel in de particuliere als in de overheids-
sfeer moet plaatsvinden: De overheid zal met name die bossen

moeten aanplanten die primair op de dagrecreatie zijn gericht
en derhalve een kostbaar voorzieningenniveau kennen. Bij de
aanleg van andere bossen heeft inschakeling van particuliere

grondeigenaren volgens de Commissie-Thurlings om. het
voordeel dat een intensievere benutting van het kapitaalpo-
tentieel mogelijk is, verder dat de diversiteit en daardoor de
aantrekkelijkheid van het landschap wordt bevorderd. Bij de
behandeling van de maatregelen voor bosinstandhouding en
bosuitbreiding wijst de commissie op de noodzaak van een

meerjarenplan voor de bosbouw ,,als een eerste fase ter reali-
sering van de beleidsvisie op lange termijn op het functioneren
van het Nederlandse bos”.

Reacties in het parlement

De nota van de Stichting Industrie-Hout werd door de pa-
pierindustrie enkele weken vdör de behandeling van de Be-
groting 1974 van Landbouw aan regering en parlement ge-
zonden, zodat de Kamerleden de gelegenheid hadden haar in
hun beschouwingen te betrekken. Dit is in ruime mate ge-

beurd. Hierna volgen enkele belangwekkende citaten. Voort-
man (PvdA):

,,Direct aansluitend maak ik enkele opmerkingen over het
bosbouwbeleid …..Natuurlijk krijgt de Regering ook in

deze bewindsman onze steun bij haar streven naar een even-wichtig beheer van landelijke gebieden en naar een beheerst
herinrichtingsbeleid. Maar daarin past geen exaltatie over re-
creatie en zeker geen verwaarlozing van produktieve funkties.

ESB 18-9-1974

.

813

sinds 1917

sinds 1917

STENOG RAF EN BUREAU

W. STEMMER
&
Zn. B.V.

Schiebroekseweg 22-24, telefoon (010) 22 38 66
postbus 35007, Rotterdam

vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Best, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, ‘s-Hertogen-
bosch, Hilversum, Maastricht, Rheden, Rotterdam,
Tilburg en Veldhoven.
Wij leveren ook

notulen van directie- en

aandeelhoudersvergaderingen

De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toepassing
van moderne geluidsopnametechniek en vooral onze eerste-klas
medewerkers garanderen snel en accuraat werk, uitgevoerd op
uiterst betrouwbare en discrete wijze.

I.M.

Voedings- en grondstoffen zullen nog heel lang binnen ons ei-

gen landelijk milieu moeten worden voortgebracht, wat de
laatste (met name hout) betreft wellicht zelfs in toenemende
mate. Mag ik in dit verband het oordeel van de Minister ver-
nemen over de studie van de Stichting Industrie-Hout te Wa-
geningen?”.

Tuijnman (VVD):

,,De Vereeniging van Nederlandsche Papierfabrikanten
heeft onze vaste commissie een indringende nota gezonden
over de Nederlandse houtproduktie in het kader van haar
grondstoffenpositie. Omdat je met de houtproduktie enige
tientallen jaren vooruit moet zien en ook omdat in ons land
het bos een belangrijke recreatieve functie vervult, zou een ge-
dachtenwisseling tussen Regering en Kamer zeker waardevol
kunnen zijn”.

Berger (DS’70):

,,ln
Econopnisch Statistische Berichten
‘van februari 1973
staat een publSkatie van Ir. van der Meiden en ik heb later een

rapport van de papierfabrikanten gelezen. Kenmerkend voor
beide verhalen is: gebrek aan hout, dusgrqndstof, gebrek aan
papier, . . . Ik zou graag van Minister van der Stee horen, wat
zijn oordeel hier over is

Als het waar is, wat daar wordt ge-
steld – zelfs als het maar voor de helft waar is, – ligt hier een
geweldige taak . . . Zou de Minister daarover zijn oordeel wil-
len geven?”.

Van Rossum (SGP):

,,Is het regeringsbeleid er voldoende op gericht dat de hout-
produktie enigszins in overeenstemming wordt gebracht met
de groeiende vraag naar papier en houtvezelplaten? Is een be-
langrijke uitbreiding en diversificatie van het bosbestand zo-
wel op marginale landbouwgronden als in de nieuwe polders
niet dringend noodzakelijk?”.

Deze voor de bosbouw ongekend grote en verheugende be-langstelling van de zijde van onze parlementariërs vond uiter-
aard weerklank in het antwoord van Minister Van der Stee,
die uitgebreid op de houtproblematiek inging. Doordat het
rapport van de Stichting Industrie-Hout nog zeer recent was, kon hij er nog geen definitief oordeel over geven; de materie
noemde hij zeer complex. Hij vervolgde:

,,Studies, die de laatste jaren onder verantwoordelijkheid
van de FAO zijn verricht, maken duidelijk dat in West-

Europa van een louttekort sprake is. In de nabije toekomst
geldt dit ook in mondiaal verband. In aansluiting op mijn in-
leidende woorden over het ontwikkelen van een beleidsvisie

ten aanzien van de bosbouw, zoals genoemd in de oriënte-

ringsnota, stel ik mij voor, in overleg met de andere ministers

en het bedrijfsleven, een commissie in te stellen om een en an-
der voor te bereiden. In financieel opzicht is hout vrijwel de
enige opbrengst, die bos levert. De houtproduktie is een be-
langrijk element bij de instandhouding van het bos; hierdoor
is die produktie ook van belang voor de andere functies die
het bos vervult”.

Naar aanleiding van dit antwoord merkte de heer Van Ros-
sum nog het volgende op:

,,(De Minister) heeft gezegd, dat hij op de hoogte is van de
moeilijkheden op dit gebied en dat een rapport over het indu-

striehout nog maar kort op zijn departement is. De moeilijk-
heden in de bosbouw zijn echter van vroegere datum dan dit
rapport. Nu is deze Minister natuurlijk ook nog nieuw, maar
het bosbouwbeleid is nu eenmaal een beleid op lange termijn

en dat er grote tekorten zijn, was al veel langer bekend. Als er

veel hout uit het buitenland nroet worden ingevoerd kan dat
op een gegeven moment – wij hebben het met de olie ervaren
– grote moeilijkheden geven. Ik meen dan ook, dat er be-
paald iets op dit gebied zal moeten worden gedaan”.

Daarmee zijn, nog voordat het rapport van de Commissie-
Thurlings uitkwam, de problemen rond bos en hout nadruk-
kelijk in de politieke sfeer gekomen, waar zij in dit stadium

mijns inziens ook thuishoren. Dit hoop ik in de volgende en
laatste paragraaf van dit artikel nader te motiveren.

Mogelijkheiden van en voorwaarden voor bosuitbreiding
in
Nederland

Wil bosuitbreiding gestalte kunnen krijgen, dan is in de eer-
ste plaats een hierop gericht duidelijk beleid van de regering

noodzakelijk. In dit verband willen wij enkele conclusies cite-
ren uit de beide in dit artikel genoemde rapporten.

Uit de nota van dë papierindustrie:

,,De grondstoffenproblematiek ligt in volstrekt onvol-

doende mate ten grondslag aan het bosbouwbeleid, zoals ook blijkt uit de uiterst geringe aandacht die hieraan in de Memo-
rie van Toelichting bij de begroting 1974 van het Ministerie van Landbouw en Visserij wordt besteed”.

Verder

,,is het dringend gewenst dat de regering …
direkt een aan-
tal tnaat regelen
in het kader van een nationaal en EG-grond-stoffenbeleid neemt respectievelijk bevordert, welke beogen

de houtproduktie in Nederland drastisch te verhogen en aldus
een Nederlandse bijdrage te leveren tot een beperking van de zich ontwikkelende crisis in de West-Europese hout-en hout-
pul pvoorzlening”.

De Commissie-Thurlings:

,,Er zal een actief bosbouwbeleid gevoerd moeten worden
dat niet alleen gericht is op instandhouding van het bestaande
bosareaal maar ook op aanzienlijke uitbreiding ervan”.

Het voorgaande betekent een beroep op de regering om een
werkelijk bebossingsbeleid te gaan voeren, dat kërneljk tot
dusverre ontbreekt.

In ons land, de lisselmeerpolders buiten beschouwing gela-

ten, zal de aanleg van meer bos alleen kunnen plaatsvinden op
gronden die nu door de landbouw worden gebruikt. Dit im-
pliceert dat een beleid, gericht op een verdubbeling van het
bosareaal, sterk gekoppeld is aan het te voeren landbouwbe-

leid en dat een ruimtelijk landbouwplan dringend gewenst is.
Vervolgens doet de vraag zich voor wie waar zal moeten be-

814

bossen. Het rapport van de Commissie-Thurlings is duidelijk in zijn conclusie dat de relatiefdure bossen, ingericht voor de

dagrecreatie, in het algemeen door de overheid dienen te wor-den aangelegd. In de andere gevallen evenwel kan volgens dit

rapport een ruime plaats worden ingeruimd voor het particu-
liere initiatief. Daarvoor komen op grond van onze ervarin-
gen hoofdzakelijk drie groepen in aanmerking:

personen of ondernemingen die grond als beleggingsobject

bezitten of verwerven en deze produktief willen maken;
landbouwers die een deel van hun bedrijf niet meer kunnen

of willen gebruiken voor de landbouw;
landbouwers die de landbouw willen verlaten, uit andere
bronnen inkomsten hebben en hun grond willen behou-

dcii.

Voor het aanleggen van bos door deze grondeigenaren is in

de eerste plaats een adequaat stimuleringsbeleid van de over-
heid van belang. Dit dient gericht te zijn op het verschaffen
van een eerlijke concurrentiepositie aan de bosbouw ten op-
zichte van de landbouw, zowel tot uiting komend in propa-
ganda en voorlichting met betrekking tot de bestemming van
vrijkomende landbouwgronden als in het verlenen van flnan-

ciële steun. Hiervoor geven beide besproken rapporten sug-
gest les.
Als hét grote probleem bij de bebossing van landbouw-
gronden wordt niet genoemd de rentabiliteit 2), maar het ont-

breken van inkomsten uit bosbezit gedurende de periode tus-
sen aanleg en eerste opbrengsten. In dit verband is gepleit
voor snelle goedkeuring van de door de Europese Commissie
opgestelde richtlijn voor de bebossing van landbouwgronden.

E)aarin werd namelijk voorgesteld, een jaarlijkse overbrug-
gingsprenlie, gelijk aan de pachtwaarde van de grond, gedu-
rende ten minste 9 jaar uit te keren aan grondeigenaren die
lancbouwgrond bebossen. Zowel de Commissie-Thurlings
als de papierindustrie kenden evenwel ten tijde van de indie-
ning van hun rapporten nog niet de definitieve tekst van deze
richtlijn, gepubliceerd in februari jI. In deze laatste versie,
voorgelegd aan de Raad van Ministers, is de jaarlijkse over-
bruggingspremie vervangen door een uitkering ineens van
maximaal f. 720 per ha. Dit is een voor ons land ongunstige
wijziging, die ernstige kritiek verdient.

Voor de bebossing van landbouwgronden is het van het
grootste belang dat bepaalde beperkende maatregelen wor-

den ingetrokken. In beide rapporten wordt hierbij met name,
de herplantplicht genoemd, welke destijds is ingesteld ter be-
scherming van het bestaande bos, maar die nu sterk remmend
werkt op de aanleg van nieuw bos. Voorgesteld wordt om
voor nieuwe bebossingen van landbouwgronden dein de Bos-
wet vastgelegde mogelijkheid tot vrijstelling toe te passen. De Commissie-Thurlings wijst verder op de beperking van de fle-
xibiliteit in het bodemgebruik door planologische maatrege-
Ie ii:

rik 1 . 1

GEEFT U EEN EIGEN HUIS ZONDER ZORGEN

Totale financiering van
uw
eigen
huis
(oud of nieuw),
met alle bijkomende kosten. Normale rente over ge-
hele lening, geen afsluitprovisie. Adviezen na bestu-
dering van uw koopakte.

Vraag budget-schema aan:

Het Voorlichtingsbureau voor Academici, hogere amb-
tenaren, staffunctionarissen, leraren etc.

Mallebaan
98,
Utrecht, tel.
030

31 9747*

,,Ten aanzien van bossen blijkt het planologisch beleid een
conserverend karakter te verkrijgen; dit is met name het geval
in landschappelijke en natuurwetenschappelijk waardevolle

buitengebieden. De vrees dat gronden waarop bossen worden
aangelegd een zodanige planologische bestemming zullen ver-
krijgen, dat overschakeling op andere vormen van bodemge-
bruik onmogelijk wordt gemaakt, zal vele grondeigenaren er-
van weerhouden tot bebossing over te gaan. De hier gesigna-
leerde remmende werking op de aanleg van nieuw bos door
particulieren zal zoveel mogelijk moeten worden beperkt”.

Ik wil hier niet nader ingaan op andere door de Commissie-

Thurlings en de papierindustrie voorgestelde maatregelen.
Zoals uit het voorgaande blijkt, is volgens beide in de eerste plaats een duidelijk regeringsstandpunt t.a.v. de bosbouw en
vooral de uitbreiding van het bosareaal noodzakelijk. Een be-
bossingsbeleid van de overheid dient te worden ingepast in
een met de meeste spoed te ontwikkelen lange-termijnpolitiek
met betrekking tot het bodemgebruik in ons land. Dat de
Tweede Kamer zich nu intensiever dan ooit tevoren met de
problemen rond het bos en de grondstof hout is gaan bezig-
houden, zal naar ik hoop resulteren in de dringend gewenste

stimulering van het tot stand komen van een duidelijk rege-
ringsbeleid in deze kwesties.

H. A. van der Meiden

2) Deze is bij het bestaande bos op de arme gronden meestal gering,
maar bij bebossing van landbouwgronden met produktieve hout-
soorten zeer redelijk zoals blijkt uit publikaties die overigens v66r de
recente houtprijsstijgingen
(70-100%)
zijn verschenen
(Ned. Bos-
homv Tijdschrift,
extra no. april
1971,
en
Populier,
extra nummers
januari
1969
en januari
1971).

Mededelingen
Ir. A. Maas. Drs. A. .1. Schölvinck.
Plaats: Nederlands Congresgebouw,

Churchillplein, Den Haag.
Kosten: f. 80 voor leden, f. 110 voor

Rendabel maken

Op donderdag 17 oktober a.s. organi-
seert het Nederlands Instituut voor
Marketing (NIMA) een congres over:
,,Rendabel marketen; het doelmatig
integreren van rendementscriteria in

de onderneming”.
Sprekers: Drs. C. van Wijk, Drs.
T. C. van den DooI, L. Oevermans,

niet-leden.

Aanmelding v66r 7 oktober a.s. en
inlichtingen: NIMA-secretariaat, Park-straal 18, Den Haag.

Produktiesysteem en voorraadplanning

Op vrijdag 27 september a.s., 13.30
uur, zal onder auspiciën van NEVEM,
Nederla ndse Vereniging voor Physical

Distribution & Material Management,
in samenwerking met de VVP, Vereni-
ging voor Voorraadbeheeren Produktie-
besturing, een bijeenkomst worden ge-houden met als thema
‘:,, Keuze van het
prod uktiesysteem en voorraadplanni ng”.
Sprekers: Ir. P. H. van der Lee en
P. M. T. Canals.
Plaats:

H oog-Brabant-Meyerijzaal,
Hoog Catharijne, Stationsstraat-Rad-

boudkwartier, Utrecht.
Kosten: f.20 voor NEVEM-en VVP-
leden, f. 30 voor niet-leden.
Aanmelden vödr 20 september as. en
inlichtingen: NEVEM, Parkstraat 18,
Den Haag. tel.: (070) 61 49 91.

ESB 18-9-1974

815

Arbeidsproduktiviteit
en een gedifferentieerde loonpolitiek

DRS. F. J. HOGEWIND*

In de discussienota
A rheidst’oorttaardenhe/eid 1975

wordt door de vakbeweging ten aanzien van het loonbeleid
voor 1975 gesteld:

.Het loonbeleid wordt in beginsel afgesteld op wat
geinickleld
in
het bedrijfsleven mogelijk is . . . Consequentie hiervan is, dat in sek-
toren met een produktiviteits- en mede dientengevolge winststijging
die boven het gemiddelde uitgaat, een stuk .,ruimte” blijft zitten. Het
omgekeerde geldt voor sektoren met een lagere produktiviteits- en
winststijging. Gepoogd zal echter veelal worden dit via de prijzen op
te vangen …..en verder ,,Tegen deze achtergrond ziet de vakbewe-
ging de mogelijkheid tot een grotere flexibiliteit in het loonbeleid,
waardoor meer rekening gehouden wordt met de economische
situatie per sektor”.

Dè suggesties, die in de nota naar voren komen om een
dergelijk beleid te realiseren, zijn enigerniate inconsequent
omdat de sterkere bedrijfstakken een veer moeten laten,
waarbij genoemd worden een winstdelirtgsregcling en verbe-
tering van de secundaire arbeidsvoorwaarden (ni.n. pensi-
oenen). [)e zwakkere bedrijven mogen echter geen geringere
loonstijging doorvoeren. Zij zullen, aldus de nota, prijs-
verhogingen moeten toepassen dan wel door de overheid
moeten worden gesteund via een actief investeringsbeleid,
tijdelijke ondersteuning, directe overheidsdeelname of zelfs
stichting van overheidsbedrjven. Behalve een prijsstijging
betekent dit ook een afrenimen van de groei en dus van de
werkgelegenheid in de sterkere sectoren en instandhouding
met collectieve middelen van structureel zwakke bedrijven.
In dit artikel wil ik enkele algemene kanttekeningen
plaatsen bij de relatie tussen lonen, arbeidsproduktiviteit,
inflatie en werkgelegenheid.

Een effectieve op produktiviteitsveranderingen geba-

seerde loonpolitiek zal moeten zorgen voor evenwicht op de

arbeidsmarkt, terwijl er van de loonontwikkeling zelf geen
invloed op de algemene prijsontwikkeling mag uitgaan.
Loonstijgingen, die gelijk zijn aan de toename van de
arbeidsproduktiviteit, betekenen gelijkblijvende loonkosten
en kunnen in dat geval geen oorzaak lijn van prijs-
stijgingen. Alles loopt glad indien:
a. per bedrijfstak de arbeidsproduktiviteit gelijk is: h. per bedrijfstak de loonstijging gelijk is;
c. de loonstijging gelijk is aan de produktiviteitsstijging.

In de praktijk evenwel zijn er tussen de bedrijfstakken
grote verschillen in de stijging van de arbeidsproduktiviteit, zodat ten einde een onevenwichtige ontwikkeling van lonen
cii prijzen te voorkomen een sterk gedifferentieerde loon-
stijging per bedrijfstak en zelfs per bedrijf op zijn plaats
lijkt. Zou in een land de loonsom in alle sectoren toenemen
met de
gemiddelde
stijging van de arbeidsproduktiviteit,

dan zal dit voor deeconomisch zwakke sectoren resutteren
in prijsstijgingen en! of winstdalingen. Voor bedrijven,
waar de arbeidsproduktiviteitsstijging boven het gemiddelde
ligt, zal een over de gehele linie gelijke loonstijging extra
winsten betekenen.
Wat zijn hiervan de gevolgen voor prijzen en werkgele-genheid? In de zwakke sectoren betekenen prijsstijgingen,
die dan ook relatieve prijsstijgingen zijn, een dalende afzet

en dus werkloosheid. Dalende winsten zullen resulteren of
in afnemende investeringen en mogelijk zelfs faillisse-
menten, waardoor de werkgelegenheid afneemt, of in
arbeidsbesparende investeringen, die afgezien van de nega-
tieve werking op de werkgelegenheid zullen moeten worden
gefinancierd met geleend kapitaal, wat hogere kosten
betekent.

In de-sterke sectoren zullen de extra winsten veelal leiden
tot toenemende investeringen. E)e invloed hiervan op de
werkgelegenheid zal afhangen van de richting van deze in-

vesteringen: arbeids- dan wel kapitaalbesparend. E)aarnaast zal in een al infiatoir bestedingsklirnaat een toename van de
investeringen de inflatie aanwakkeren. Hierbij is nog geen

rekening gehouden met verschillende inkomenselasticiteiten
voor de produkten der onderscheiden sectoren, waarover
later meer.

Conclusie:
Een even grote loonstijging in alle sectoren
leidt, bij ongelijke arbeidsproduktiviteitsstijging, tot inflatie en/of werkloosheid. De oplossing hiervoor zou kunnen zijn:
• een vrijwillige of gedwongen prijsverlaging in de sterke
sectoren;

• een /.eer grote arbeidsmobiliteit, waardoor de in de
zwakke sectoren vrijkomende arbeid in de sterke sectoren
te werk kan worden gesteld. Dit vereist dan tevens, dat
de investeringen in deze sectoren niet arbeidsbesparend
zijn.

E)e vraag rijst nu en dit brengt me weer op de discussie-
notd, of aan een en ander te ontkomen valt door een

/’,e,,iiee,de loonpolitiek.
Ook dan zijn er echter proble-
men. [)e bedrijven met een hoge arbeidsproduktiviteits-
verbetering zien hun lonen het sterkst stijgen. I)at zal, bin-
nen bepaalde – mi. niet al te onrealistische
veronderstellingen kunnen leiden tot arbeidsbesparende in-
vesteringen. E)it leidt tot een vicieuze cirkel, want de
arbeidsbesparende investeringen induceren overtollige ar-
beid, waardoor eerst de arbeidsproduktiviteit stijgt en
daarna de lonen stijgen, hetgeen weer tot arbeidsbesparende
investeringen leidt.
In de zwakke bedrijfstakken zullen de economische pro-
blemen kleiner zijn, maar de achterblijvende lonen zullen er
wel toe leiden, dat de jonge en meest geschoolde arbeiders
vertrekken.

Mijns inziens valt daaruit – zij het met enig voorbehoud
– te concluderen dat een sterk gedifferentieerde loon-
politiek over het algemeen weinig inflatoir zal werken. Het
zal echter wel een negatieve invloed op de werkgelegenheid
hebben.

* De auteur is medewerker bij de vakgroep Macro-economie van
de Universiteit van Amsterdam. Een modelmatige uitwerking van
deze analyse is te vinden bij K. Lancaster, Produetivitygeared wage
policies,
Ec-onomiea,
augustus 1958.

816

[)e oplossing zal moeten worden gezocht in een wat min-
der dan maximaal mogelijke loonstijging in de sterke secto-
ren, gekoppeld aan prijsverlagingen (eventueel relatief).
Naast de minder grote tendens tot arbeidsbesparende diepte-
investeringen zal bij dalende prijzen, mits de inkomens-
elasticiteit in deze sectoren niet te kleiti is en bij een totale
stijging van het reëel beschikbare loon de vraag stijgen, het-
geen uitbreidingsinvesteringen zal induceren. Het dalen van
de prijzen in de ene sector betekent dat
in
de andere sector

de prijzen kunnen worden verhoogd, zodat de lonen meer
kunnen stijgen dan de toename in de produktiviteit. In ge-

val van werkloosheid kunnen de door hogere prijzen stij-
gende winsten voor investeringen worden gebruikt.
Cruciale problemen in deze analyse zijn de arbcids-
mobiliteit, de prijsflexibiliteit, de inkornenselasticiteiten en
de richting van de investeringen. Zoals ook in de nota

.4
r/eidsi’oor;i’aa,ï/e,,heleu/
wordt aangestipt, vereisen de
eerste twee een grote o’verheidsinvloed en medewerking van

alle betrokkenen.

Wat betreft de inkomens- en prijselasticiteit zal bij een
gedifferentieerde loonpolitiek een relatief hoge elasticiteit in
de sectoren met een grotere stijging van de arbeidsproduk-
tiviteit aannemende dat de lonen reëel stijgen, maar met
minder dan potentieel mogelijk en dat de prijzen worden
verlaagd — de vraag toenemen. De hieruit voortvloeiende
grotere produktie drukt de kostprijs (large scale economies)
en heeft uitbreidingsinvesteringen en verbetering van de
werkgelegenheid tot gevolg. In de zwakke sectoren zullen
omgekeerd lage elasticiteiten voordelig werken.

Kijken we naar de werkelijkheid, dan lijken deze elasti-
citeiten gunstig te liggen. De snel groeiende bedrijven met hoge arbeidsproduktiviteitsstijging produceren veelal goe-

deren met een hoge inkomenselasticiteit, zoals chemische
produkten, duur,.ame consumptiegoederen en nieuwe pro-
dukten. De zwakkere sectoren zijn sterk geconcentreerd in
de zgn. ,,Engel”-goederen zoals textiel, levensmiddelen en
andere dagelijkse levensbehoeften.
Voor de richting van de investeringen zijn van belang de
mogelijkheid tot factorsubstitutie – als arbeid en kapitaal

makkelijk substitueerbaar zijn, zal een loondifferentiatie lei-
den tot vervanging van arbeid door kapitaal, hetgeen resul-
teert in werkloosheid en een nôg sterkere arbeidsproduk-
tiviteits- en loonstijging – en de richting van de techno-
logische ontwikkeling die aan de arbeidsproduktiviteits-
toename ten grondslag ligt. Is deze vooral arheidsbesparend
(diepte-investeringen) dan zal hierdoor de loonstijging de
neiging hebben nog sterker uiteen te gaan lopen.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat een
ongedifferentieerde loonpolitiek zal leiden tot ernstige
structurele moeilijkheden. Op zich is het in de discussie-
nota vermelden van de mogelijkheid tot meer differentiatie
dan ook toe te juichen, maar de consequenties, die hieraan

verbonden zijn, zijn nog onuitgewerkt. Differentiatie zonder
meer is zeker geen panacee voor het probleem van de loon-
prijsspiraal en de structurele werkloosheid.

F. J. Hogewind

Energie kroniek

De politicus en de kernenergie

I)R. A. A. DE BOER

Hoewel het moeilijk is te voorspellen,
staan op dit moment waarop deze kro-
niek verschijnt de kranten misschien
wel vol van de discussie over de energie-

politiek van minister Lubbers; nu, tien
dagen tevoren, is het al duidelijk dat
daarbij één belangrijk onderwerp aan de

orde zal komen, namelijk de vraag of
gedurende een bepaalde periode de toe-
passing van de kernenergie taboe zal
worden verklaard. De druk, die op mi-
nister Lubbers wordt uitgeoefend om de
regering voor te stellen een moratorium
af te kondigen, is tot buiten zijn werkka-
mer•vt)elbaar
.
de vraag is alleen wie onze
energievoorziening de grootste dienst be-
wijst, degeen die een positieve bijdrage
van de kernenergie verwacht of degeen
die ons bang maakt met de gevaren, die
aan het gebruik van de kernenergie zou-
den zijn verbonden.
Ik wil niet proberen hier in dit korte

bestek een volledige analyse van dit
probleem te geven. Wel wil ik graag mijn

eigen opinie – die ik bekend veronder-
stel – toelichten en bovendien wil ik wel
graag enige principiële uitspraken kwijt
over de lessen die uit dit vreemde stukje
geschiedenis der beleidsvorming te trek-

ken zijn.
De moeilijkheid is dat er bij de uitwis-
seling van meningen gewerkt wordt met
de resultaten van studies, die in feite te
ingewikkeld zijn om dienst te doen als
basis voor een publieke discussie. Toch zijn mi. de meest recente publikaties op
de twee gebieden, waarvoor dit bij uit-
stek geldt, zonder meer overtuigend:
zowel de kans op een ramp als dein-
vloed van het stralingsnivea u ten gevolge
van de exploitatie van kerncentrales ge-
ven mi. geen steun aan de eis van een
moratorium.
Het z..g. Rasmussenrapport
1) voegt

nieuw materiaal toe aan de bestaande
berekeningen van de rampenkans.
Wanneer een dergelijke kansberekening

voor het huidige reactortype leidt tot een
getal van de orde van grootte van één
ramp met honderd doden per mln.. jaar
per reactor, of tot een kans van 1 op 300
mln. bm, wonend in de nabijheid van
een reactor, door een reactorongeluk te
worden gedood, dan is dat een risico dat
in het niet valt bij risico’s die wij in
het dagelijks leven gewend zijn te ver-
waarlozen.

De discussie over deze onderwerpen
wordt echter bijzonder bemoeilijkt door
het onvoldognde rekeriing’houden (of
bekend zijn) met het feit dat dergelijke

t) Rasmussen c.s.,
As.vessnwnt of aceident
risks in US commercial nuclear power planis.
US Atomic Energy Commission, 1974.

ESB
1
8-9-1974

817

uit het verband gerukte getallen een vol-
komen vertekend beeld geven van de

werkelijke betekenis van een dergelijke
studie. Auteurs en andere experts zijn

zelf zo vertrouwd met het werken met dit
soort stof dat ook zij te weinig oog heb-

ben voor deze communicatiemoeilijk-
held. Voor het publiek, waaronder zich
een aantal politici bevinden, lijkt het of
met de bouw van de kernreactor een
soort roulette in werking wordt gesteld.
In feite zijn berekeningen als die, waar-
van het
Rasmussenrapport
verslag doet,
echter
geen prognoses,
ondanks de for-
mulering in termen van zoveel doden in
zoveel jaren. Het zijn echter
moment-
opnamen niei betrekking tot de hui(lige
stand ton de techniek.

Soortgelijke misverstanden bestaan
met betrekking tot het andere genoemde

probleem, namelijk de invloed van een

verhoging van het stralingsniveau, als
gevolg van de bouw van kerncentrales en
‘erwa nte industriële installaties. Dc
radiohiologen Van Bekkum, Barendsen
en Van Putten hebben in april een onder-

zoek gepubliceerd over de stralingsrisi-
co’s, waarmee het gebruik van kerncen-
trales gepaard gaat 2). Wij staan norma-
liter bloot aan straling en de kern-
industrie zal in het geval van een snelle
ontwikkeling rond.het jaar 2000 een toe-
neming daarvan veroorzaken, die hoog-
uit 1% van dit natuurlijk niveau be-
draagt. Nu worden er op aarde verschil-
len in het natuurlijke stralingsniveau ge-
signaleerd die 10, 20, soms 100% van het
gemiddelde stralingsniveau bedragen,

maar er bestaat geen aanwijsbare corre-
latie tussen dit stralingsniveau en het
aantal mede aan straling toegeschreven
ziektegevallen als tumoren.

Het spreekt vanzelf dat het niettemin
mogelijk is om door bewerking van het statistisch materiaal een getalwaarde te
berekenen, die de bijdrage van 1% aan
het stralingsniveau kwantitatief weer-

spiegelt, ook al correleert zo’n model
slecht met de realiteit. Het getal dat men
dan krijgt is dan echter een
fractie
san
een promille
van het huidige niveau van
de jaarlijks geregistreerde spontane
genetische afwijkingen en tumoren. Ook
hier geeft het resultaat van de bereke-
ningen geen enkele steun aan de acties tegen de kernenergie. Van Bekkum es.
concluderen dan ook dat het absurd zou
zijn op deze gronden bezwaar te maken
tegen de kernenergie ten gunste van
andere energiebronnen waarvan de risi-co’s minder goed bekend zijn 3). Ik hen mij er zeer van bewust dat het
bovenstaande geen uitputtende behan-
deling van het probleem is. Naast de hier-
boven gegeven waarschuwing ten aan-
zien van de betekenis van risicoschat-
tingen vind ik echter de laatste helft
van de conclusie van belang. Wie on-
danks de methodologische bezwaren wil
doorborduren op het thema van de 100
doden per miljoen reactorjaren, of de
,,tol die voor de kernenergie betaald
moet worden”, moet niet vergeten dat
ook alternatieve energiebronnen men-
senlevens kosten. Zo is volgens vrij re-
cente Amerikaanse berekeningen daar
de tol voor één miljoen centrale-jaar
bi/na een mil/oen ,ni/nss’erkers
die het
leven verliezen. Er is een nuance: de reac-

torramp is altijd nog een veronderstel-
ling, de mijnramp een harde werkelijk-

heid; dit is uiteraard een illustratie en
geen argument; in het laatste geval zou
het ten voordele van andere alternatie-

ven kunnen worden gehanteerd 4).
Over de
economische
argumenten wil
ik kort zijn. Ik geloof dat men voorzich-
tig moet zijn met korte-termijngegevens
als basis voor een Iange-termijnbeslis-
sing; wel wil ik aan het vele wat hierover

al is gezegd en geschreven nogmaals
toevoegen dat men bij de bouw van een
oliecentrale een verschrikkelijk on-
zekere wissel trekt op de toekomt in
verband met de rol die de olieprijs speelt
in de kosten per kWu. Daar staat dan
tegenover dat de uraniumkosten bij de
kernenergie zo’n kleine fractie uitmaken
van de kosten per kWu en dat men ten
aanzien van de toekomstige verwach-
tingen met betrekking tot de kosten veel grotere zekerheid heeft.

Afzien van de kernenergie, al was het maar voorlopig, zou een bescheiden bij-
drage tot een diversivicatie van bronnen,
en dus tot een besparing van olie, elimi-
neren. Belangrijker is, dat een ,,full

speed” hervatting van activiteiten op het
gebied van de kernenergie na een mora-
torium naar alle waarschijnlijkheid
moeilijk is. De mate, waarin besparingen
van olieverbruik
noo(Izake/i/k
zijn, is
moeilijk kwantitatief te begroten en

bovendien bestaat er op dit punt een
heel gamma van onderling afwijkende
meningen. In ieder geval zouden een
eventuele opschorting van de kernener-
gie en dc moeilijkheden om daarna weer
aan de gang te komen een vertraging

opleveren in de gedeeltelijke overscha-
keling, die nog jaren zal nawerken.
Inmiddels begint een nieuw element
de belangstelling te trekken, dat zeker
aandacht verdient. Men moet bij argu-
menteringen betreffende het uiteindelijk
grondstoffenverbruik rekening houden
met de omstandigheid dat ook de ener-

gieproduktie zelf energie vraagt; zelfs
kernenergie vraagt olie, waterkracht
en/of kolen. Men kan echter ook over-
drijven. Zo las ik in
Business Week
dat
de verrijking van uranium voor kern-
centrales een hoeveelheid energie kost
die 60% bedraagt van de hoeveelheid

energie, die later uit het verrijkte
uranium wordt geproduceerd. Op grond
van een voorlopige berekening ben ik ge-
neigd dit verhaal naar het rijk der fabe-
len te verwijzen. In dat geval zouden
namelijk de produktiekosten van een
hoeveelheid verrijkt uranium ter waarde
van één gulden onder meer de kosten
moeten dekken van 35 â 40 cent aan na-
tuurlijk uranium en twee gulden aan
steenkool. Ik vind dat geen serieuze ver-
onderstelling; het zou mij niettemin nau-

welijks meer verwonderen als ook dit

verhaal binnenkort ongecontroleerd in
Nederland wordt gehanteerd als argu-
ment tegen de kernenergie 5).

De centrale vraag is of de in het voor-
gaande genoemde en andere problemen met betrekking tot de kernsplijting naar
redelijke verwachting kunnen worden
opgelost, parallel aan de constructie vn,
de eerste centrales. Ik geloof dat het
antwoord bevestigend is, omdat de hui-

dige stand van de techniek op zich zelfl
zeer bevredigend is en er geen reden is te
veronderstellen dat we voor de oplossing

van nog bestaande moeilijkheden in t’ijd
nood zouden komen. De gehele ontwik-
keling van de kernenergie is van meet af
aan in zo sterke ‘mate gekarakteriseerd
door het betrekken van veiligheids-
overwegingen bij planning, constructie
en bedrijf dat enig vertrouwen in dezen

wel gerechtvaardigd is. Ter illustratie
zou ik eraan kunnen herinnneren dat na
de explosie in Flixborough in de Brit-
se pers werd gesteld, dat de chemische
industrie een voorbeeld zou moeten
nemen aan en gebruik zou moeten ma-
ken van de veiligheidsfilosofie en de
ervaringen in de nucleaire sector. Niette-
min beredeneert een Nederlandse krant,
hoe kan het anders, dat men aan die ex-
plosie weer eens kon zien hoe gevaarlijk

kerncentrales wel waren . . . 6).

Ik geloof, dat de moratoriumgedachte
is geïnspireerd door de angst, bij sommi-
en door de overtuiging, dat de techniek

juist in deze sector zal falen. Daardoor
blijft de politieke discussie te veel in
algemeenheden steken en is er te weinig
aandacht voor het feit dat de bouw van
iedere individuele kerncentrale kan wor-
den begeleid door onderzoek op basis
van milieu- en veiligheidsoverwegingen.
Bestaande eisen zijn vaak onbekend;

De siudie verscheen in
Medisch Comac,
en werd uitgebreid beschreven in
de Volks-
krant
van 13 april 1974 en
Het Financieele
Dagblad
van 1 mei 1974.
Niettemin presteerde een arts (n.b.!)
het in een televisie-uitzending op 6september,
de hierboven geciteerde radiobiologen ten to-
nele te voeren (,,van TNO, dus van onverdach-
te huize!” zei hij), als was hun werk een argu-
ment tegen de kernenergie. Hij had er dus
niets van begrepen, maar had zoveel succes
dat een deelnemer aan de discussie verheugd
riep: ,,Nu hoort u eens wat een deskundige er-van zegt!”
Verschillende onderzoekers zijn van me-
ningdat de gezondheidsschade verbonden aan
de produktie van elektriciteit groter is voor
conventionele methodes dan voor kernenergie,
of men die schade nu uitdrukt in dodelijke
ongevallen, ongevallen in het algemeen of
werkverzuim. Zie hierover o.a. Lave en Free-
burg, Health effects of electricity generation
from coat, oil and nuclear fuel,
Nuclear Safi’ti’,
oktober 1973, vol. 14, blz. 409; verder
David Rose, Energy policy in the US,
Scien-
tifi(- Anserican.
vol. 230, blz. 20 e.v.
The new math for figuring energy cosis,
Business Week,
8juni1974, blz. 88. Mijn kri-
tiek op een gegeven uit dit artikel neemt niet
weg, dat de problematiek van de
ne!-energ
.
s’
bepaald een nader onderzoek waard is.
De Volkskrant,
4juli1974, blz. 4.

818

Fi.sconomie

Ontwikkelingssamenwerking
en belastingen

PROF. DR. J. H. CHRISTIAANSE

Voor de tweede wereldoorlog ver-

schenen er in
ESB
regelmatig artikelen
over het internationale belastingrecht.
Vooral de toenmalige directeur-generaal
op het Ministerie van Financiën,
Dr. J. H. R. Sinninghe Damsté, rappor

teerde over de voortgang van het werk

dat tot binnen de Volkenbond op dit
terrein werd verricht. Ook Dr. B.
Schendstok roerde dit onderwerp aan.

De basis van dit werk van de Volken-
bond was gelegd in het rapport van 1923
van de z.g. vier wijze mannen, waar-

onder de Nederlandse Prof. Bruins, één
van de eerste hoogleraren aan de NEH.
Dit rapport hield zich bezig met de
economische gevolgen van de inter

nationale dubbele belasting en met
enige algemene beginselen voor de
competentie van de staten op het gebied
der belastingen. Het internationale
belastingrecht behoort zich namelijk in
hoofdzaak bezig te houden met de af-
bakening van de belastingsoevereiniteit
der staten.

de mogelijkheid om te komen tot een

waterdichte controle, bijv. door het
eisen van ecologische voorstudies voor
industrievestigingen naar Amerikaans
model, zijn te weinig onderzocht. Van de
problemen, die bij toepassing van kern-
centrales op grote schaal moeilijkheden
met zich mee zouden kunnen brengen,
wordt te weinig onderkend dat zij voor-
alsnog nog niet de schaal van werkelijke

problemen hebben bereikt en dat de aan-
loopperiode lang genoeg is om aan de op-
lossing ervan te werken. Ik denk in
dit verband aan de opslag van radioactief
afval. Men zal vanzelfsprekend door-

gaan met onderzoek, terwijl de eerste
centrales worden gebouwd. Deze nor-
male ontwikkeling van de techniek lijkt
mij niet gediend met een veto op de
bouw van kerncentrales.
De politicus, die in dezen een beslis-
sing moet nemen en verdedigen, moet de
onheuse elementen onderkennen die in

de discussie een rol spelen. Hij moet de
moed hebben zich na kennisneming van
de feiten te ontdoen van elementen in

Internationale dubbele belasting ont-
staat wanneer meer dan één staat ge-

lij ktijdig dezelfde belastingplichtigen
voor hetzelfde belastingobject in een

gelijksoortige belasting betrekken. De
gevolgen hiervan kunnen ernstig zijn.
Niet alleen ontstaan hogere kosten bij
internationaal opererende ondernemin-gen, maar ook kunnen door de dubbele

Deze rubriek wordt verzorgd door het
Fiscaal-Economisch Instituut van de
Erasmus Universiteit Rotterdam

belasting investeringen en beleggingen

dan wel ter beschikbaarstelling van
know how achterwege blijven. Vandaar dat reeds gedurende decennia wordt ge-
tracht door het sluiten van z.g. belasting-

verdragen tussen twee staten of zçlfs
door eenzijdige maatregelen in één staat
deze dubbele belasting zoveel mogelijk te voorkomen, c.q. te verzachten.
Het in 1929 ingestelde Comité Fiscal

het oordeel van zijn achterban die voort-
komen uit onjuiste beïnvloeding van
het publiek. Daar ligt een probleem
dat veel belangrijker is dan de steeds weer
opduikende klacht dat parlementariërs
zo weinig wetenschappelijke begelei-
ding hebben die onlangs nog eens weer
door Terlouw is geuit. De wetenschap-

pelijke begeleiding is hier en daar
gebrekkig, maar daar is vaak wel een

mouw aan te passen. De moeilijkheid is
echter dat ook in het ideale geval de
vruchten van een wetenschappelijke

begeleiding van de politiek door de poli-

ticus zo moeilijk te verkopen zijn aan
de kiezer. De journalist ervaart eenzelf

de moeilijkheid met betrekking tot zijn
lezerskring en beiden, politicus en jour-
nalist, blijken dan ook vaak de starheid
in de ideeën van hun volgelingen niet te
kunnen doorbreken of niet te willen be-
schamen. Reden om de bewindslieden,

die zich de komende tijd met deze mate-

rie moeten bezighouden, sterkte toe te

wensen.
A. A. de Roer

van de Volkenbond heeft, gesteund met
geld van de Rockefeller-Foundation,

nuttig werk gedaan. Onder meer leidde
dit nog tot de opstelling van een model-
verdrag ter voorkoming van dubbele

belasting in Mexico-City in 1943 en in
eengewijzigde versie in 1945 in Londen.

De ECOSOC van de Verenigde Naties
stelde op 1 oktober 1946 de z.g. Fiscal
Commission in. Op de 4e zitting in 1953
hield deze commissie zich o.a. bezig

met het onderwerp: ,,Fiscal incentives
to increase the international f1ov of
private capital for the economic
development of under-developed coun-
tries”. De commissie werd echter in
1954 opgeheven, mede onder Russische
invloed, Inmiddels was echter binnen
de OECD met voortvarendheid (de
Nederlander Van den Tempel speelde

een belangrijke rol) gestart met de op-
stelling van een model-verdrag, de z.g.
Draft Double Taxation Convention on
Income and Capital, dat in 1963 ver

scheen (in 1972 werd een gewijzigde
tekst gepubliceerd). Dit model voor het
sluiten van een belastingverdrag tussen
twee staten heeft in zeer belangrijke mate
de na de tweede wereldoorlog gesloten
verdragen tussen de z.g. ontwikkelde
landen beïnvloed.

Aangezien dit model vooral is ge-
baseerd op een zekere reciprociteit in de
economische betrekkingen was en is het
OECD-model niet aanvaardbaar voor
het sluiten van een verdrag tussen een
ontwikkelde staat en een ontwikkelings-
land. Toch ontstond in toenemende mate

de behoefte aan verdragen tussen deze

twee typen van landen. Inmiddels zijn
er ook vele gesloten, waarbij Nederland
enigszins is achtergebleven. Deze ach-

terstand lijkt de laatste jaren minder
te worden. Ons land heeft overigens
eenzijdig in de nationale wetgeving zo-
danig gunstige regelingen ter voor-
koming van internationale dubbele be-
lasting, dat de behoefte aan een verdrag minder dringend is dan bijv. in de rela-
tie Verenigde Staten of West-Duitsland
ten opzichte van ontwikkelingslanden.
Voor royalties en interest hebben wij in
Nederland sedert enige jaren zelfs een
voorziening in de wetgeving die uit-

ESB 18-9-1974

819

beginsel wordt gevonden in het regio-

nale verdrag van de z.g. Andean Pact

landen (Bolivia, Chili, Columbia,
Ecuador en Peru). Deze landen hebben
ook een model-verdrag, gebaseerd op
het bronlandbeginsel, opgesteld voor

onderhandelingen met derden-landen 4).

Het is een fraaie tegenhanger van het
OECD-mdel.
Op het congres van de International
Fiscal Association, dat dit najaar in

Mexico-City wordt gehouden, wordt een
speciaal seminarium gewijd aan dit
model-verdrag uit de Latijnsamerikaan-

se wereld. Moge ook dit congres bij-
dragen bij een beter begrip van de diver-

gerende standpunten tussen de ontwik-
kelde en de ontwikkelingslanden.

(l.M.)

sluitend geldt in de relatie tot ontwikke-
Ii ngslanden.
Het zou wel eens aardig zijn, indien
globaal zou worden becijferd, in mil-joenen, hoeveel Nederland verborgen

via de belastingwetgeving bijdraagt aan
de ontwikkelingssamenwerking. Mis-

schien is het meer dan het directe budget
van minister Pronk! Het heeft de Neder-

landse belasti ngwetgeving altijd gesierd,

dat belangrijke stimulansen in deze
wetgeving zijn verwerkt voor het inter-
nationale verkeer.

De flscale problemen tussen de ont-
wikkelde staten en de ontwikkelings-
landen werden zo klemmend, dat de

ECOSOC van de VN op 4 augustus
1967 gelukkig een resolutie (nr. 1273,
1507th plenary meeting) aanvaardde,
waarbij de instelling van een z.g. Ad Hoc

Group of Experts on Tax Treaties
between Developed and Developing
Countries werd mogelijk gemaakt. Het
is mijn bedoeling met dit korte artikel

in deze rubriek de aandacht te vestigen
op de rapporten die deze Ad Hoc Group

inmiddels het licht heeft doen zien l)

De groep (ca. 20 personen) is over-
wegend samengesteld uit regerings-

deskundigen van enige belangrijke ont-

wikkelde en ontwikkelingslanden, die
echter niet hun regeringen binden.
Nederland is ook lid in de persoon van
de oud-staatssecretaris Van den Berge.
Zij handelen in hun persoonlijke kwali-
teit, maar hun werk ter overbrugging van
belangrijke tegenstellingen in belangen tussen de staten kan onmiskenbaar veel vrucht dragen op regeringsniveau. Wie,
zoals ik, het voorrecht had de besprekin-

gen als waarnemer te kunnen bijwonen,
zal ervan overtuigd zijn dat de Verenigde
Naties terecht opnieuw op dit moeilijke
terrein een initie
•rende functie vervullen.

• Englishin•managemeht
• English in marketing
• English in computing • English in banking

mi.
(03490) 2 90 97
Het ideaal om een model op te stellen

voor een verdrag tussen staten van ge-
heel verschillende niveaus van econo-
mische ontwikkeling zal niet spoedig
worden vervuld. Maar wel kunnen de
gedelegeerden op onderdelen gezamen-
lijke richtlijnen ontwikkelen, die het
later sluiten van een verdrag verge-
makkelijken. Het grote voordeel van

het bestaan van de Ad Hoc Group is dat
in de gepubliceerde rapporten wordt
omschreven waar de knelpunten liggen

en soms welke oplossingen mogelijk
zijn. Vele, ook niet in de Ad Hoc Group

vertegenwoordigde ontwikkelingslan-
den, die meestal bij de onderhandelingen

met de ontwikkelde landen een zwakke
positie innemen, kunnen hiermede hun
voordeel doen 2).

Het is zonder meer duidelijk dat de
ontwikkelingslanden grote voorstanders

zijn van het z.g. bronlandbeginsel
(source or territoriality principle). Dit
houdt in dat het exclusieve recht tot be-
lastingheffing toekomt aan het land
waarin de winst wordt behaald of waar-
uit het inkomen vloeit. De ontwikkelde
landen passen in meerderheid bij voor-
keur het z.g. woonlandbeginsel (princi-
ple of domicile) toe, waarop ook ingrote
trekken het OECD-model is gebaseerd.
Deze voorkeur van de ontwikkelings-
landen berust niet alleen op budgettaire
overwegingen, maar ook wensen zij
eventuele stimulerende maatregelen op

fiscaal terrein om buitenlandse inves-
teingen aan te trekken niet teniet

gedaan zien worden door het belasting-
systeem van de investerende landen.
Met name in de relatie tot de Verenigde
Staten is dit een groot probleem, waar

voor allerlei oplossingen zijn bedacht 3).
Een mooi voorbeeld van een syste-
matische toepassing van het bronland-

w Françaisdansledomainedu
management
* Françaiséconomiqueet
commercial
* Wirtschaftsdeutsch
J. H. Christiaanse

Tax ireaties beiween developed and
cle veloping countries (first report,
1969,
sales
no. E
69 XVI.2;
second report,
1970,
E
71
XVI.2;
third report, E
72 XVI.4;
fourth
report E
73 XVII).
Zie ook J. H. Christiaanse, Tax treaties
between developed and developingcountries,
(‘ahiers (Ie drol, fiscal international,
Volume
LIV c, 1969.
3)
Zie bijv.
United States inconie ta.ration of
pri i’aie in %’estnients in developing couniries
(UN.E
70 XVI.2).
4)
Zie vÔor tekst en toelichting
Bulletin lor
international jiscal docunientation, Vol.
XXVIII, augustus
1974,
no. 8, International
Bureau of Fisca! Documentation, Arnster-
dam.

ESb
Mededelingen

NIVE-lezingencyclus op
Efficiencybeurs 1974

Van 9 oktober t/m 16 oktober a.s.
orga niseert de Nederla ndse Vereniging

voor Management in samenwerking
met andere organisaties, in het kader

van de Efficiencybeurs 1974 een zestal
bijeenkomsten.

Dc lezingen, die in het RAI-gebouw
te Amsterdam zullen worden gehouden,
worden gegeven door:
Prof. Ir. H. Bosch, A. van der Laan,

M. Switzar: Informatie-voorziening
ten bate van het bedrijfsleven;
Dr. A. M. C. i-Ielmer, J. van der Kuijl,
Jhr. Mr. G. F. Boxel, Drs. A. A. Soete-
kouw: Professionele dienstverlening in
de automatisering;
C. Stuve, Drs. A. van Stuijvenberg:
Extrapolatie als hulpmiddel bij beleids-
beslissingen;

A. van ‘t Hof: Informatie-waarde-
analyse: wat mag kantoorarbeid kosten?;

Volder: Ge7.ondheidszorg voor be-
drijven is een noodzaak; L. C. van
Zutphen: EDP-auditing;

C. Goüd, H. Kalff: Marketing en
computer.

Kosten: f. 25 per bijeenkomst. Aan-
melding en nadere inlichtingen: NIVE.
Parkstraat 18, Den Haag, tel.: (070)
614991.

TALENPRAKTIKUM AMERSFOORT

820

Au
courant

Sleutelen aan de indexering

A. F. VAN ZWEEDEN

Bij het komende overleg over het
arbeidsvoorwaa rdenbeleid voor
1975
zal de discussie zich opnieuw toespitsen
op de prijscompensatie. De initiële
loonsverhogingen vormen sinds dc
invoering van het automatische aan-
passi ngsmecha nisme niet zo’n groot
probleem meer. Over 2 of 3% word je het gemakkelijker eens dan over loon-
eisen van veel hogere orde. Het probleem

van de loonsomstijging is daardoor wel
vat verdoezeld. Pas in de loop van een

jaar kun je aan de hand van de loonsta-
tistiek vaststellen hoeveel er nu werke-
lijk van de ruimte is opgeslokt door
loo tist ij gingen.
Tussen juli 1973 en juli 1974 blijken
bij’. de ii ii rlone n van mannelijke hand-
arbeiders met ongeveer 20% te zijn ge-
stegen, hoewel macro-economisch gere-
kend was met percentages die voor
1974 tussen 12 en 13 hadden moeten
liggen. De werkelijke uitkomst komt er Juist door de indexering heel anders uit
te zien dan de theoretische voorcalcula-
ties, die in de onderhandelingssfcer
worden gebruikt.
In hun discussienota vragen de vak-
centrales voor volgend jaar weer om een
‘ol lcd ige prijscompensatie overeen-
komstig de ontwikkeling van de prijs-index. l)e werkgevers zijn al begonnen
daarop af te dingen. j-let Verbond van
Nederlandse Ondernemingen heeft de
stelling ingenomen dat de hogere kosten
van levensonderhoud, die het gevolg zijn
van de aangekondigde verhoging van de
aardgasprijzen, niet voor compensatie
in de lonen in aanmerking mogen
komen. Het verbond volgt daarbij een
vat vreemde redenering. Het zegt dat de
hogere aardgasprijzen het gevolg zijn van
een autonome overheidsbeslissing waar-
aan geen hogere kosten ten grondslag
liggen en waarvan de baten geheel aan de
schatkist ten goede komen. Het effect
van de hogere aardgasprijzen is, zo zegt
het VNO, derhalve gelijk aan dat van
een belastingverhoging. Daar de SER
nu eenniaal eens heeft gezegd dat de ge-volgen van fiscale maatregelen niet voor
compensatie in de lonen in aanmerking
behoren te komen, ligt de conclusie voor
de hand.
Met meer recht wil het VNO ook het

voorgenomen huur- en subsidiebeleid
van het kabinet indediscussie betrekken.
Volgens liet voorgestelde systeem van
inkoniensliuren behoeven huurders met
een inkomen rond het minimumloon niet
meer dan 0% van hun inkomen aan
huur te betalen. Voor liet deel van de huur dat boven dit maxiniu ni uitgaat
krijgen de huurders een subsidie. Zouden
zij daarnaast nog via de index van de
kosten van levensonderhoud een coni-
pensatie krijgen voor gestegen huren,
dan worden zij in feite overgecompen-
seerd. Het VNO wil. bij invoering van
een systeem van inkomenshuren, daar-
om ook de huurcomponent in de prijs-
compensatie nader bezien.

Ongetwijfeld zullen de werkgevers,
die in. liet a’rgemeen van oordeel zijn dat
de indexering op de helling moet, terug-komen op hun bezwaar dat de achteruit-
gang van de ruilvoet geheel wordt mee-
genomen in de compensatie. Het is dc
vraag of dit vraagstuk ook volgend jaar
aan de orde komt, indien door de verho-
ging van de exportprijzen van ons aard-
gas de stijging van de invocrprijzen zal
worden geneutraliseerd. De verwachting
die hier en daar is uitgesproken, dat de
lopende ie keni ng van de betalingsbalans volgend jaar een recordoverschot zal ver-

tonen. d uidt erop dat de ruilvoet een
aanzienlijke verbetering zal ondergaan.

Een principiële discussie niet de vak-
beweging over voortzetting van een
systeem van indexering, dat alle remmen
tegen de inflatie opheft, lijkt nog niet erg
zinvol. Voor de vakbeweging is het enige
alternatief liet stellen van looneisen
waarin rekening wordt gehouden met de
verwachte stijging van de kosten van
levensonderhoud. Dat betekent dat al bij het begin van het contractjaar ccii
enorme inflatie-impuls wordt gegeven,
die ongetwijfeld zal worden gevolgd door
nieuwe impulsen wanneer de prijsstijgin-
gen iii de loop van het jaar nieuwe
loonaanpassingen zullen vereisen.
Een na-indexeringssysteeru, met en-
kele ingebouwde remmingen zoals een
drempel voor het ‘uitschakelen van fis-
cale invloeden, lijkt te verkiezen boven

loonvorming op basis van toekomstige
in flat ie.

Charles Levinson, de internationale
vakbondsleider die de oorzaak van de wereldinfiatie toeschrijft aan de kapi-
taalaccumulat ie van multinationale on-
dernemingen, zei mij onlangs in ccii
interview, dat loonindexering een van de scherpste wapens van de vakbewe-
ging is in haar strijd tegen ondernemin-
gen, die door hun cash-flow-politiek niet
alleen de inflatie gaande houden, maar
ook de werkgelegenheid vernii nderen.
Zij gebruiken hun vrijkomende middelen
immers niet in de eerste plaats voor
breedte-, niaar voor diepte-i nvestcri n-

ge n.
Het vraagstuk van de prijsconipensa-
tie heeft bij liet overleg over de arbeids-
voorwaarden nog een anderë dimensie
gekregen sinds de vakbeweging dit me-
chanisnie als een doeltreffend instrument voor herverdeling van inkomens wil ban-
telen. De vakcentrales vragen om een

niininiuni in de prijscompensatie van
f. 175 voor elke procent prijsstijging op
jaarbasis. In hun discussienota noemden
zij geen maximum. Voor 1973 achtten zij
nog een plafond nodig om de vloer te
kunnen financieren. Uit de reacties van
de bi1 de cetitrales aangesloten bonden
op de nota is inmiddels gebleken dat de
industriebonden en het CNV wel dege-
lijk een plafond in de compensatie wen-
sen. Het CNV noemt een maximum bij
een inkonien vaii f. 50000. De twee in-
dustriebonden van NVV en NKV willen

de vraag bij welke inkomensgrens dc
coni pensaties moeten worden ,,afgetopt”
laten afhangen van de vraag in hoeverre
oids maatregelen al n ive 11e re nd

werken op de inkomensverdelitig.
De werkgeversverbonden zullen zich
opnieuw principieel tegen elke vorm
van aftopping verzetten. Het Nederlands
Christelijk Werkgeversverbond gaf on-
langs een lijstje van uitgelekte of alaan-

gekondigde overheidsmaatregelen, die
ertoe zullen leiden dat in 1975 ,,een
nivelleringsgolf” over ons komt. Het ver-
bond verstrekte daarbij de waarschu-
wing dat extra nivelleringsmaatregelen
in de loonsfeer moeilijk voor de werk-
gevers te verteren zouden zijn.

Toch heb ik het gevoel dat de ,,open”

opstelling van de industriebonden en de
vakcentrales een redelijke discussie
mogelijk zalmaken. Ik ben er niet meer

ESB 18-9-1974

821

Een vorige bespreking in dit blad 1)
besloot ik met op te merken, dat het een
gelukkige ontwikkeling is dat de tijd-

schriftliteratuur van de laatste twee de-
cennia eindelijk zijn neerslag vindt in

inleidende handboeken en in de voetno-

ten 7 en 8 aldaar werd aangegeven hoe
de kloof tussen oud en nieuw mogelijk
het best kon worden overbrugd. Meer
nog dan bij het boek van C. Abraham

en A. Thomas bestaat voor gemelde
vaststelling aanleiding bij het boek dat
thans ter bespreking voorligt. Al is het
natuurlijk mogelijk om vol te houden,

dat de nadere – een recensent in het
Economie Journal
sprak optimistisch
over ,,second year undergraduates” –

kennismaking met het vak welke Ma-
linvaud biedt beter zonder die ezelbrug-
gen tot stand kan komen en louter een
grondiger scholing in de wiskunde ver-
eist.

In de verwerking van de bedoelde

(tijdschrift)literatuur – Allais, Arrow,

Debreu, Koopmans en vele anderen –

is het boek van Malinvaud volledigeren
consequenter dan het eerdervermelde. Een nadeel is mi. wel, dat de schrijver
nauwelijks de moeite heeft genomen

zijn tribuut aan dit recente verleden ook
in voetnoten of in een bibliografie te
verantwoorden; natuurlijk ontbreken
literatuurverwijzingen niet geheel, maar

veelalbetreft het hier aanwijzingen voor
hen die een vollediger bewijs voor een
stelling op prijs zouden stellen. Welis-
waar verontschuldigt de auteur zich hier-

voor in het voorwoord, maar bevredi-
gen zal zulks menig lezer toch niet 2).

Ook voor deze opzet is vanzelfspre-
kend een argument te bedenken: zonder
veel omslag wordt de lezer gebracht tot
de problemen die nog openstaan en naar
sommiger overtuiging is het juist dit

1.0
zeker van dat geforceerde nivellering
nog hoven aan het verlanglijstje van
de vakbeweging staat. Ik meen zelfs een
kentering in de opvattingen van de vak-
beweging te kunnen bespeuren als zij in
haar discussieiota preludeert op een
flexibeler arbeidsvoorwaardenbeleid.
Interessanter dan de strijdvraag over
de nivellering of de prijscompensatie
wordt het pakket voorstellen, waarin de
vakbeweging haar gedachten over een beleid dat ruimte laat voor bescheiden

dat het vak ook voor – de meest intel-
ligente – studenten aantrekkelijk moet
maken 3). Waar het hier een vertaling

en bewerking van een oorspronkelijk in
het Frans verschenen boek betreft 4),

zou de literatuurverantwoording echter
hebben kunnen bijdragen tot het inzicht

hoezeer aan de theorievorming zoals

die hier wordt gepresenteerd aan beide
zijden van de Atlantische oceaan – ie.
Amerika en Frankrijk – fundamentele

bijdragen werden geleverd. Voor de le-
zer zou dan ook de ironie van de ont-
wikkeling zijn gebleken die ertoe heeft
geleid, dat een boek dat de neerslag

vormt van inleidende colleges voor
voordrachten die Allais te Parijs gaf,
thans – naar moet worden aangeno-

men – door deze niet met het welgeval-
len zal worden bezien dat men zou mo-

gen verwachten. Onlangs heeft Allais
namelijk op niet mis te verstane wijze
de staf gebroken 5) over een ontwikke-

ling die mede door hem werd in gang
gezet en waarvan doorgaans waarschijn-
lijk is kennis genomen in de vorm die
daaraan door Debreu in zijn
Theory of
value. A n axiomatic analysis of econo-mic
equilibrium
(1959) is gegeven.
Op zichzelf genomen vormt het boek
van Malinvaud, wat betreft opzet en
uitwerking, op dat van Debreu een wel-
kome aanvulling en aangezien makke-
lijk zou zijn aan te tonen, dat de breed
uitgemeten verwijten van Allais op een
merkwaardig misverstand berusten –
hij verwart in genoemd artikel namelijk

het adequaat beschrijven van de wer-
kelijkheid met het axiomatisch formu-

leren van noodzakelijke veronderstel-
lingen inzake algemeen ingeburgerde

opvattingen over de bestaanbaarheid
van economisch evenwicht, waardoor
hij de suggestie wekt, ten eerste, dat

afwijkingen per bedrijfstak zal con-
cretiseren. Die gedachten lijken dc vorm
te gaan aannemen van een coherent sys-
teeni. waarin overwinsten in sterke sec-
toren zullen worden afgeroomd ten bate
van zwakkere sectoren en waarin een
methode van vermogensaanwasdeling
zal worden voorgesteld dat kan worden gebruikt voor een algemeen aanvullend
pensioen voor alle werknemers.

4.
F. van Zweeden

zulks onbelangrijk is en, ten tweede, dat
bijvoorbeeld Debreu iets anders wilde
,,bewijzen” dan dat laatste 6) – bestaat
er geen enkele reden aan Malinvauds –

ook voor het beantwoorden van de voor
Allais opgeworpen vragen — bijzonder
aantrekkelijke boek geen nadere aan-
dacht te besteden.

Oppervlakkig gezien volgt het boek

de in de gangbare boeken over micro-
economie gebruikelijke indeling: het

gedrag van de consument, resp. de pro-
ducent, het economisch optimum, even-

wicht bij volkomen concurrentie 7) en onvolledige mededinging, maar neemt

het een definitieve wending in de hoofd-

stukken 8 t/m II, waarin de vraag aan
de orde komt hoe in een centraal geleid
stelsel een optimum kan worden bereikt

(8), welke de invloed is van externe
effecten, collectieve goederen en vaste

kosten (9) en waarin tenslotte wordt in-
gegaan op de introductie van de tijd(l0)

en van de onzekerheid (11). Tot zover
de buitenkant, d.w.z. de inhoudsopgave,
die inmiddels al wel te yermoeden heeft

gegeven, dat het boek handelt over het
algemene evenwicht en de welvaarts-
theorie.
De inhoud zelf vertoont voor de met
– om wat te noemen – Delfgaauw,
Liebhafsky en Henderson & Quandt
opgevoede oppervlakkige bladeraar
weinig bekends, noch in de vorm van fi-
guren (te zamen leveren bedoelde leer-

boeken vijf maal een Edgeworth box-
diagram op waarvan geen enkele de
indruk wekt dat het tot het machtige en

t) Zie
ESB
van
3
maart jI., blz.
228.
Voor een indruk zie men bijv. M. Allais,
Les théories de l’équilibre économique gé-
néral ei de l’efficacité maximale, impasses
récentes ei nouvelles perspectives.
Revue
c/’e(-ono,nie isolitique,
mei/juni
1971,
blz.
331-409: T.
Negishi, The stability of a com-
petitive economy: a survey article,
Econo-,nelriea.
oktober
1962,
blz.
632-669; P.
New-
man, Approaches to stability analysis,
Eco-
nomica,
februari
1961,
blz.
12-29
en F. H.
Hahn, Some adjustment problems,
Econo-
met rica,
januari
1970,
blz.
1-17.
Aldus 0. Morgenstern, Thirteen critical
points in contemporary economic theory: an
interpretation, Journal of Economic Litera-
twe,
december
1972,
blz.
1163/1164.
Leçonv de thorie miero-économique,
Dunod, Parijs,
1969.
Zie M. Allais, art. cit. Voor de huidige
stand van zaken zie men eveneens K. J. Ar-
row en F. H. Hahn,
General competitive
analysis,
San Francisco en Edinburgh,
1971.
Opvalt, dat in de bibliografie van Allais hij-
zelf zo’n twintig keer voorkomt en dat hij
voorts minutieus aangeeft in welke gevallen
hij eerder dan anderen bepaalde resultaten
bereikte en dat in de bibliografie van Arrow
en Hahn de âfwezigheid van de naam van
Allais wordt gecompenseerd door de ver-
melding van een veertiental publikaties van
de hand van Arrow.
Zie hierover nader nog J. Kornai,
Anti-
equilibrium,
Amsterdam en Londen,
1971,
i.h.b. blz.
348/ 349
en blz.
355
en F. H. Hahn,
On the notion
of
equilibrium in economics, Cambridge Ilniversity Press,
1973.
De volgorde van deze laatste twee is onge-
bruikelijk, maar past voortreffelijk in de op-
zet van het gehele boek.

Boek

ieuws

E. Malinvaud: Lectures on micro-economic theory.
North-Holland Publishing Corn-
pany, Amsterdam en Londen en American Elsevier Co., New York, Inc., 1972, IX, 318 blz., f.40.

822

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
medicijnen en techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
;

.

..
ROTrERDAM B.V.

Waarin opgenomen:
De Wester Boekhandel
Stamboekhandel Rotterdam

Rochussenstraat 223, Rotterdam 3003
Tel. (070) 76 11 88
Vestiging in de Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010)14 55 11,
toestel 31 15.

(l.M.)

duidelijke hulpmiddel kan worden ont-

wikkeld waarvan Malinvaud in zijn
boek op kritieke momenten in de ana-
lyse een demonstratie geeft 8)), noch in
de vorm van symbolen. Natuurlijk komt

dat gedeeltelijk doordat het boek zich

richt op ,,students who dispose of a good
background in mathematics” 9) (Voor-

woord, blz. V). Hoopvol is dan welis-

waar, dat verondersteld is, dat ,,their
power of abstractïon is not considered

as high enough to allow them to take
immediate full advantage of the most

rigorous and condensed works such as
that of Dèbreu” (blz. V), maar dat voert
dan vervolgens tot de frustrerende waar

schuwing, dat de uiteenzetting ,,does
not attempt to achieve the greatest ge-

nerality that is possible today”. De le-
zer kan echter – in het besef dat alle
beetjes helpen – toch beginnen in de
geruststellende wetenschap, dat ,,the
accent is placed on the logical structure
of the theory rather than on the state-

ment of its results”.
Bij de afbakening van het terrein van
de micro-economie hakt Malinvaud
kordaat de knoop door die voor sommi-
gen ontstaat wanneer zij ontdekken, dat
L. Robbins en 0. Lange voor het ken-
object vin de economische wetenschap verschillende definities hanteren. Rob-
bins’ definitie laat enerzijds belangwek-
kende zaken onberoerd, zoals de om-
standigheid dat de economie een sociale
wetenschap is en roept anderzijds het
probleem op van de afbakening van het
object van de economie en dat van de
politicologie. Lange’s definitie kan niet
de kritiek ontlopen, dat de begrippen
,.social laws” en ,,material means” veler-
lei interpretatie toelaten of te beperkt zijn
en in ieder geval dreigen te versluieren,
dat ,,the social nature lies in the analysed

phenomena, production and distribution,

rather than in the permanent relations
which we establish between them” (blz.
1). Een dergelijk kort en krachtig ge-
formuleerd uitgangspunt, dat vervolgens
wordt samengevat in een werkbare de-finitie van eigen makelij, mag de auteur
aanspraak doen maken op de welwil-

lende aandacht van lezers die in maat-
schappijopvatting even ver uiteen liggen

als de twee genoemde personen. Voor
allen geldt, dat ,,in so far as it is a po-
sitive, that is, explanatory science, eco-

nomics must analyse the behaviour of
agents who enjoy some freedom, but

are subject to the constraints imposed
on them by nature and institutions. It must investigate the consequences of
such individual behaviour for the state
of affairs which is realised in the corn-

munity” (blz. 2).

Het komt mij voor, dat een dergelijk

uitgangspunt veel vruchteloze polemiek
over het karakter van de economie vol-
strekt overbodig maakt. De omschrij-
ving van wat normatieve economie is,
nI. ,,the conceptual tools which enable
us to asses the comparative advantages

of different forms of organisation”, laat
evenmin veel ruimte voor hooglopende

pennestrjd. Wie vervolgens nog onge-
voelig blijft voor het argument, dat van-

uit de hier geformuleerde tweeledige
taakstelling ,,our science has come to
attribute a central role to the prices
which regulate the exchange of goods
among agents” (blz. 2), zal het nooit
leren. Hij kan zich ook de moeite be-
sparen de auteur verder in zijn abstrac-
ties te volgen; het thema van het boek is
inmiddels duidelijk aangegeven 10).
Na het verplichte nummer van de af-

bakening van de begrippen goed, han-

delend subject ,,economy” II) en ,,state
of the economy” en na vermelding van
wat niet aan de orde komt, nI. de over-
heid – zie echter hoofdstuk 9 -, het
bankwezen, het buitenland, het absolute
prijsniveau 12), volgt de uiteenzetting

van de theorie van het consumenten- en van het producentengedrag.

Kern van het hoofdstuk over het
consumentengedrag vormt het bewijs
voor het bestaan van een evenwicht on-

der de vigeur van de ter spraké gebrach-
te veronderstellingen en eigenschappen
van verzamelingen. Niet zonder reden

merkt Malinvaud in dit, verband op, dat
,,this will illustrate how to carry out a

rigorous proof of a question in economie
theory” (blz. 26). Voordien heeft hij dan

al duidelijk gemaakt hoe ,,our theories

are based on a given system of preferen-
ces rather than on a given function de-

fining use-values in the sense of the
nineteenth-century writers” (blz. 17) en
heeft hij aangegeven, dat, hoewel de

,,notion of utility is not necessarily men-
tioned”, het gebruik van een nutsfunctie
toch wel enige voordelen heeft (blz. 19).
Malinvaud draagt er zorg voor het con-
tact te bewaren met de bekende margi-

nale gelijkheden en de toepassing van
,,analytic calculus” (blz. 24 en blz. 29

e.v.). De gebruikte ,,symboliek” is daar-bij minder uitbundig dan de voorgaande
vaststelling zou doen vermoeden, maar overigens bevat dit hoofdstuk alles wat
de met de gebruikelijke handboeken op-
gegroeide kân weten. Een korte karak-

teristiek van de cardinale nutsopvatting
en de ,,revealed preference” – een be-
nadering die afwijkt van de voorgedra-

gen theorie, maar deze niet tegenspreekt
(blz. 40) – besluit dit hoofdstuk.
Zoals de theorie van het voorgaande

hoofdstuk werd opgebouwd op basis
van een systeem van voorkeuren en de

zgn. ,,market constraints” (prijzen en
inkomen), zo. ontmoeten we bij de pro-

ducent de ,,technical constraints” en

,,a certain institutional context” (voor-
lopig: volledige mededinging). Het is

echter niet wel doenlijk om langs deze
lijnen de bespreking van dit boek – wil
deze niet geheel buiten haar oevers tre-
den – voort te zetten. Derhalve zal ik
mij verder beperken tot een aanduiding
van wat de meest opvallende kenmerken
van de verdere analyse zijn.

Bijzonder verhelderend – nadat eerst in hoofdstuk 4 het optimum, d.w.z. het
welvaartsaspect, is geanalyseerd – is de
lijn die in hoofdstuk 5, handelend over

evenwicht onder de veronderstelling van
volledige mededinging, loopt van de

theorie van het consumentengedrag via
de analyse van het evenwicht in een lou-
ter ,,distribution”-model (blz. 106 e.v.)
en een ,,exchangc”-model (waarin de

Zie recent en op zeer inleidend niveau ech-
ter H. T. Koplin,
Micro-economic analysis,
New York enz., 1971, hoofdstuk
5.
En dan natuurlijk niet alleen de oudbak-
ken ,,calculus”, met de eerste en tweede orde
condities, maar ,,general topology” en ,,set
theory”; zie bijv. de desbetreffende delen in
Schaum,
Qui/me Series,
New York enz.,
McGraw-Hill.
0) In dit verband verdient z€ker vermelding
hetgeen Kornai, op. cit., blz.
358,
opmerkt:
,,In our view, equilibrium theory is poliii-
cally a completely indifferent, sterile theory”
en ,,equilibrium theory can be given many
kinds of political interpretation”. Eveneens
Hahn, op. cit., blz. 32-33, waaruit ik citeer:
,,The social institutions of property and
markets have the dominant role”.
II) De laatste zijnde ,,a list of goods, a list
of consumers, a list of producers, and a vee-
tor of initial resources”, zodat duidelijk
wordt dat ,,the definition will vary according
to the particular model” (blz.
5).
Op blz. 231
wordt, i.v.m. de intertemporele analyse, nog
het onderscheid tussen ,,comrnodity” en
,,good” geïntroduceerd.
12)
…..
prices are defined only up to a mul-
tiplicative constant and can be referred to
any numéraire. In real life, prices are expres-
sed as a function of money, which serves as
a medium of exchange”. Deze abstractie
maakt het model tot een ,,barter econorny”,
maar ,,better justice is done to the concep-
tual power of the model if we assurne an
,,accounting econorny”, in which the value
of each economie operation is properly re-
corded in accounts that are held for cach
agent and use the ,,numéraire” as unit of
value” (blz. 10-11).

ESB 18-9-1974

.

. .

823

„verdelers” tevens de bezitters van de
,,resources” zijn; blz. 109 e.v.) naar het
uiteindelijke model waarbij de produk-

tiebeslissingen worden geïntroduceerd
(blz. 117 e.v.). Vooral dit laatste bevat

voor diegenen, die onder de indruk zijn
van de opleving die m.b.t. de opvattin-

gen van Ricardo/Marx/Sraffa over de
waardeleer valt waar te nemen 13) op

een luttel aantal pagina’s, ampel stof tot
overweging. Waarschijnlijk is het su-
perieure gevoel dat Malinvaud, naar de
lezer vermoedt, hier ontleent aan zijn

presentatie van de theorie van het al-
gemene evenwicht er de oorzaak van dat
hij van de hier bedoelde debatten voet-

nootsgewijs géén gewag maakt. In ieder
geval zou een opmerking als ,,the Marxi-
an analysis of value and prices insofar
as it is comprehensible to me, seems to

be describing an economy in equili-
brium” 14) in dit gedeelte van het boek niet uit de toon vallen.

Het hoofdstuk eindigt met een be-
spreking van het/de ,,tâtonnement”

proces/procedure en daarmee is de theo-
rie in zijn algemene en elementaire ge-

daante rond; de stabiliteit van het sys-
teem is namelijk onderzocht.

Introductie van de speltheorie en dan
m.n. van begrippen als ,,core”, coalitie
15),
arbitrage en ,,stable allocations”,
levert twee bijzonder boeiende hoofd-
stukken op, namelijk 6 en 7, waarin,

de volgorde van Cournot aanhoudend,
eerst gevallen, afwijkend van die van de
volledige mededinging, worden onder

zocht en vervolgens ,,economies with

an infinite number of agents” (en alweer

via de Edgeworth box aanschouwelijk
voorgesteld). Lezers van het laatste deel
van Kornai’s
A
nhi-equilibrium
zullen
na lezing van deze twee hoofdstukken
bij Malinvaud moeite hebben met het
aanvaarden van de mistroostige con-
clusies van de eerste inzake de algemene

evenwichtstheorje en hellen wellicht

over naar de optimistische verdediging
ervan door Hahn in zijn voormelde
uiterst strijdbare inaugurele rede te Cam-
bridge.

Hoofdstuk 9 over externe effecten en
collectieve goederen verdient in dit ver-
band eveneens aandacht, terwijl de be-spreking in hoofdstuk 8 van de proble-

men en verschillende mogelijkheden die

,,a central agent, which we shall cail the
planning bureau” heeft eveneens bijzon-
der helder is. Gehoopt mag worden dat

zij, die geïnteresseerd zijn in de ,,eco-
nomic theory of socialism” (welke uit-

drukking ,,should not be taken as co-
vering the economic analyses of socia-
list thinkers who were almost exclusively
concerned with the capitalist society
which they wished to reform ordestroy”;

bI,.. 185 en wier kennis wat dat aan-
gaat niet verder reikt dan de idee, dat

de opstelling, uitwerking en aanpassing
van plannen nu eenmaal met ,,trial and
error” moet geschieden, in elk .geval
van deze uiteenzetting van Malinvaud
zullen kennisnemen. Zij, die meer geïn-

teresseerd zijn in de zgn. ,,indicative
planning”, vinden hun weg wel naar
Meade 16).

Hoofdstuk 10 geeft ,,highlights” uit
de kapitaaltheorie, uitlopend op de de-
monstratie van de mogelijkheid dat de
kapitaalintensiteit niet in een eenduidige
relatie staat tot de rentevoet. Ook hier

onthoudt Malinvaud zich van een expli-
ciete gedachtewisseling met anderen die

van dit probleem de kern maken bij hun

aanval op de overgeleverde neo-klassieke

theorie 17) en dat zal er mogelijk toe
leiden, dat deze zich verslikken in de

serene geljkmoedigheid die Malinvaud

hier, evenals bij zijn opmerkingen over
de ,,decomposition of global income”
(bla. 254-257), ten toon spreidt 18).

Het boek eindigt met een kort hoofd-
stuk over onzekerheid (en een wiskun-
dige appendix over extreme waarden

van functies met meer variabelen, ge-

schreven door J. C. Milleron).langs de
lijnen van Bernoulli, Neumann & Mor-

genstern, Savage e.a., welke behande-
ling uitloopt op de constatering:

,,Aversion to risk, which, according to pre-vailing opinion characterises the behaviour
of firms, is thus a new cause for the existence
of positive profits. Apart from competitive
imperfections, apart from disequilibria relat-
ed to innovations, the caution of firms in the
face of the risk of loss explains why pure
profits are on average positive” (blz. 297).

Voordat dit punt in het boek is be-
reikt, heeft de le.cr natuurlijk – – ik zou
dat haast vergeten te vermelden — uit-
voerig kennis gemaakt met het Pareto-
opt i mum; in het verlengde waarva ii
volgens schrijver het ,,politico-econoniic

equilibriuni” ligt (Hz. 215-218 en blz. 222-224). De behandeling, die Malin-

vaud liet Pareto-optimum te beurt doet
‘allen, ligt geheel in dc lijn van een op-
nierking van Hahn:

,,Before 1 start there is a tiresome matter
to get out of the way. It is well known that
on certain assumptions an Arrow-Debreu
equilibrium of an economy can be shown to
be Pareto-efficient. Everyone who has under-
stood this latter concept and the assumptions
required to prove the result also understands
that to claim this efficiency for any actual
economy would be a singularly weak claim
in an argument designed to persuade us that
the economy is also in some sense morally to
be approved” (art. cit., blz. 4).
P. J. Uitermark

Zie bijv. M. Morishima,
Marx’s econo-
mics. A dual theory of value and grow:h,
Cambridge, 1973 en M. Dobb,
Theories of
value and disiribution since ,4dam Smith.
Cambridge, 1973.
Hahn, op. cit., blz. 1.
Nader hierover Hahn, op. cit., blz. 10-12
en A. Rapoport, N-person game theory. Con-
cepzs.and applications,
Ann Arbor, 1970.
J. E. Meade, The theory of indicative
planning,
Manchester, 1970; J. E. Meade,
The control/ed econo.my,.
Londen, 1971, deel
3 en 4.
Voor een overzicht zie men G. C. Har-
court, Some Cambridge contro versies in the
theory
of
capital,
Cambridge, 1972.
De naam van Walras duikt in dit ver-

band ook herhaaldelijk op ten einde zich er-
tegen af ie zetten. Zie voor een rechtzetting
D. Collard, Léon Walras and the Cambridge
caricature, The Econornic Journal,
juni 1973,
blz. 465-476.

Onderzoek naar het functioneren van nieuw gebouwde kleine winkelcentra

met een onvolledig assortiment op

buurtniveau. Economisch Instituut
voor het Midden- en Kleinbedrijf, Den

Haag, 1973, 138 blz., f.25.

Onderzoek, uitgevoerd in opdracht

van de staatssecretaris van Econo-
mische Zaken. Enkele belangrijke con-
clusies zijn:

bij veel winkelcentra is de beschik-

bare bedrijfsvloeroppervlakte over te veel vestigingen verdeeld, waar-

door er verliesgevende situaties ont-
staan;

in een ,,afgeschermd” invloedsgebied

is
de koopkrachtbinding groter dan

in een ,,open” invloedsgebied;
artikelen waarvoor de consument in-

different is ten aanzien van het
aankoopadres, worden bij voorkeur

aangeschaft in de dichtstbijzijnde
winkel.

Mr. J. A. Vreeswijk: De susrséance van

betaling en het akkoord. Serie recht

en praktijk 18, Kluwer BV, Deventer,
1974, 117 bI,.., f. 19,50.

In dit proefschrift worden de vol-
gende onderwerpen behandeld: 1. Al-

gemene beschouwingen en geschiedenis
van de surséance. De auteur beoogt

hiermee een beter begrip en meer waar-dering voor de surséance bij te brengen.
Hiertoe stelt hij wetswijzigingen voor
en behandelt hij de bestaande wets-

artikelen met jurisprudentie. 2. Het
onderhands akkoord waarvoor een
wettelijke regeling ter discussie wordt
gesteld. 3. De werking van de surséance
in het internationale privaatrecht. Er
wordt een overzicht gegeven van de

thans geldende regelingen. 4. De Wet
Toezicht Kredietwezen in verband met
art. 250 a Fw.
5.
De surséance van het bankiershuis Teixeira de Mattos.

Ten einde de bruikbaarheid van dit
boek te verhogen zijn achterin het boek
formulieren voor de rechtspraktijk toe-
gevoegd.

Commerce and industry in the Nether-

lands; a base for business operations in
Europe.
Amsterdam-Rotterdam Bank,
Amsterdam, 1974, ’64 blz.
Deze brochure die speciaal bestemd is
voor buitenlandse ondernemers, die hun
werkzaamheden willen uitbreiden tot
Nederland, bevat, naast algemene ge-
gevens over Nederland .en de Neder-
landse economie, o.a. bijzonderheden
over het bankwezen, financieringen,

belastingen, verzekeringen, rechtsvor-
men van ondernemingen, vestigingsfa-ciliteiten en de procedure voor het ves-
tigen of overnemen van ondernemingen
in Nederland.

824

Auteur