Ga direct naar de content

Jrg. 59, editie 2946

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 10 1974

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

esb

UITGAVE VAN DE 10 APRIL 1974

STICHTING HET NEDERLANDS 59eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 2946

Democratie en economie

Financiering van een bedrijf met aandelen moet als een

democratische financieringsvorm worden beschouwd. Tot
deze conclusie komt Prof. Dr. J. Wemeisfelder in een interes-
sante beschouwing ,,Aandelen en democratie” die hij schreef

in de bundel
Aspecten van effecten.
Deze bundel verscheen
onlangs ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de
Vereniging Effectenbescherming 1). Prof. Wemeisfelder

maakt duidelijk dat in de laatste jaren de positie van de factor
arbeid steeds verder is versterkt ten kosten van de factor kapi-
taal. Indien dit proces doorgaat, zal er, aldus Prof. Wemels-

felder, een zgn. volledig gedemocratiseerde bedrijfsvoering
ontstaan waarbij de factor arbeid alle zeggenschap in de be-
langrijkste beslissingen heeft. De aandeelhouder zou dan
langzaam worden geliquideerd.
En toch is er dan geen sprake van meer democratisering

volgens Prof. Wemelsfelder, daarmee aantonend dat het be-
grip democratie moeilijk te definiëren is en te pas en te onpas

wordt gebruikt. Dit wordt duidelijk gemaakt door twee fi-
nancieringsmogelijkheden te analyseren. Bij de eerste
mogelijkheid beslist elk individu afzonderlijk welk deel van

het arbeidsinkomen ten behoeve van expansiefinanciering
in het bedrijf wordt gestoken. Hierbij kunnen er afschuwelijke

machtsproblemen ontstaan tussen de bedrijfsgenoten die niet
of bescheiden en de bedrjfsgenoten die veel investeren. Aldus
ontstaat een pseudo-democratisering.
Bij de tweede financieringsmogelijkheid worden deze pro-
blemen vermeden omdat de bedrijfsgenoten collectief beslis-
sen over de omvang van de investering. Volgens Prof. We-
melsfelder is ook deze vorm niet aantrekkelijk omdat de

bedrijfsgenoten de beslissingsmacht over de hoofdsom ver-
liezen, zodat het voordeliger is de hoofdsom op te nemen en
als spaardeposito te beleggen. Investeringen kunnen dan uit
leningen (= vreemd kapitaal) worden gefinancierd. Dit be-

tekent dat de risico’s van het bedrijf op de bedrijfsgenoten
worden afgewenteld. Prof. Wemelsfelder acht dit ondemo-
cratisch, want werknemers die geen risico willen dragen,
worden daartoe toch gedwongen. Op grond hiervan komt hij
tot de conclusie dat door meer democratische beslissings-

mogelijkheden door te voeren, veel democratische vrijheid verloren gaat zodat aandelenfinanciering past bij de demo-
cratische eisen.

Ik vraag mij af of deze conclusie geheel juist is. Immers,
ook bij de huidige organisatievormen klaagt men over het
gebrek aan democratie. Prof. Wemelsfelder heeft echter in ieder geval aangetoond dat democratie een moeilijk begrip
is. Democratische modellen zijn moeilijk te formuleren.

Misschien is democratie wel een vaag ideaal waarnaar we
steeds zoeken, maar dat we nooit zullen vinden.
Ook in enkele andere bijdragen komt de democratie – zij
het ter zijde – ter sprake. De aandeelhouder lijkt overigens in

principe weinig aandacht aan de democratie te schenken.
Alleen als zijn positie wordt bedreigd, wordt hij zenuwachtig.
Daarom zullen theoretische beschouwingen als van Prof.

Wemelsfelder zijn aandacht niet zo trekken. Het verhaal
van Drs. J. H. D. van der Kwast, directeur van de jaar-

beurs, over ,,De Nederlandse middelgrote onderneming in
een progressief klimaat”, slaagt hierin beter. Drs. Van der
Kwast heeft geen twijfels en zal dus niet theoretiseren. Hij schiet de democratie recht voor haar raap.
In Nederland wordt er volgens hem – anders dan in Duits-

land en België waar werknemers nog harde werkers zijn en tot
discipline geneigd zijn – steeds meer gepraat. Dat kost geld,

want er is dan steeds meer tijd nodig om tot een zelfde resul-
taat te komen. Als dit zo doorgaat, gaan er volgens Drs. Van
der Kwast steeds meer bedrijven om zeep. Drs. Van der Kwast heeft het dus niet zozeer op de demo-

cratisering begrepen. Niet omdat hierdoor de democratie in
de weg wordt gelopen, zoals Prof. Wemelsfelder schrijft,
maar omdat de economie erdoor naar de verdoemenis wordt

geholpen. De eerste boden hiervan dienen zich reeds aan.
Hij wijst op het ziekteverzuim, op de ongunstige hoge premie-

en belastingdruk en op de inkomensnivellering. Uiteindelijk
zal het winstvermogen van de onderneming steeds meer wor-
den aangetast. Vooral de kleine en middelgrote ondernemin-
gen, waar ca. 50% van de beroepsbevolking werkzaam is,
zullen hiervan de lasten ondervinden.

In dezelfde bundel wijst Prof. Dr. F. Hartog in zijn artikel

,,Nivellering en inflatie” op het gevaar van meer zeggenschap
van de werknemers. Met eenvoudige berekeningen toont
hij aan dat nivellering en inflatie hand in hand gaan. Thans
bevordert inflatie de nivellering zodat de vakbeweging voor-
deel heeft van inflatie. Dit kan tot gevolg hebben dat zij al-
leen tot inkomensmatiging bereid is indien haar kostbare
collectieve wensen kunnen worden verwezenlijkt, aldus Prof.
Hartog.

Drs. Van der Kwast had zijn artikel met het betoog van
Prof. Hartog kunnen funderen. Hoewel de conclusies van bei-

den voor een groot deel overeenstemmen, zit er echter toch een groot verschil in. Anders dan Drs. Van der Kwast trekt
Prof. Hartog niet ten strjde tegen de democratisering. Prof.

Hartog is namelijk bang dat de werknemers meer invloed
krijgen doordat ze een sleutelpositie bezetten, die ze gemak-
kelijk kunnen uitbuiten. Aldus leidt meer inspraak tot minder

democratie. Deze paradoxale conclusie ligt in dezelfde lijn als
Prof. Wemelsfelders conclusie.

De Vereniging Effectenbescherming zou er goed aan doen

deze paradox nader te laten bestuderen. Ik heb de indruk
dat door deze actieve medewerking aan de beleidsombuigin-

gen in de maatschappij de belangen van haar leden meer wor-
den behartigd dan door frustrerende artikelen als van Drs.
Van der Kwast.

L.
Hoffman

1) Aspecten van effecten,
Universitaire Pers, Rotterdam, 1974, 77
blz. Deze bundel bevat bijdragen van H. P. J. van Ketwich Ver-
schuur, Mr. J. A. Freseman Gratama, Prof. Dr. A. 1. Diepenhorst,
Mr. M. Drielsma, Prof. Mr. N. E. H. van Esveld, Prof. Mr. W. L.
Haardt, Prof. Dr. F. Hartog, Drs. J. H. D. van der Kwast, Mr. N. J.
Polak, Mr. G. A. Wagner en Prof. Dr. J. Wemeisfelder.

301

Inhoud

‘i

Drs. L. Hoffnian:

Democratie en economie

.

301

Column

Tien jaar (en langer) uitbuiting van spaarders,
door Prof Dr. J.

Wenielsfr/c/er

………………………………………….
303

Dr. S. Sideri:

De oliecrisis en de gevolgen daarvan ………………………..306

Notitie

Geld op straat
door W. D. Franekena ……………………..
307

Drs. P. Puisier en Drs. D. Schouten:

Hypothecair krediet

……………………………………308

Mededelingen

…………………………………………..312

Prof. Drs. R. Buigen:

In memoriam Prof. Dr. Ir. J. Goudriaan ……………………313

Au courant

Inkomensbeleid als vanouds,
door A. F. van Ziveeden ………….
314

Ingezonden

Ontwikkeling van de arbeidsmarkt in zeehavengebieden, door Th. E. van
Vark,
met naschrift
van Drs. L. Hoffina
,
i ……………………
315

Boekennieuws

Dr. J. C. K. W. Bartel: Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst
van aandelen,
door Mr. T. Radenaker ……………………..
316

Mededeling……………………………………………..318

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Redactie

Co,,,n,issie van redactie: H. C. Bos.
R. Iwenia. L. H. A’laassen, H. lV. Lanibers.
P. J. .tloniagne, J. H. P. Paelinck. A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoff
,
nan.
Redactie-medewerker: W. D. Franckena,

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterc/aui-3016: kopij voor iie redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 ii. toestel 3701. Bij adresuii:igmg s. v.p. steeds adreshatulje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in i;t’eevoud.
getipt, dubbele regelafstand. brede marge.

Abonnementsprijs:
f 83.20 per kalenderjaar (mci. 4% BTW): studentenf 52
(mci. 4% BTw), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg. overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
4 bonnenienten en contributies
(na 0,7/vangst van storlings/giro-
(neeptkaart) op girorekeningno. 122945
Economisch Statistische Bericluep,
te Rotierda,n.

Losse nummers:
Prijs %a?z dii nu,niner [2.50
(inc/. 4% BTW en portokosmen).
Bestellingen van losse nummers
u,isluiiend door overmaking lapt de hierboven
vernielde prijs op girorekeningno. 8408
Stichting hei Nederland/s Economisch
Instituut te Rotierdani met vermelding
van datum en nummer i’a,, hei gewenste
e.reinpiaar.
.4bonnen,enten kunnen ingaat, op elke
gewenste da tun;. maar slechts worden
beëindigd ,,er ultinio lapt een kalenderjaar.

Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelanis – Schieda,,,
Lange Hai’en 141. Schieda,n,
pel. (010) 26 0,
2
60. toestel 908.

Sleutelhangers…
eet’

r
-,
VO(

ei”
t

e
t

t’
.
e
t
oV

1te 1101

evl`
le
,
be
e

ec
esb

Wat U wel ontvangt is veel interessante
achtergrondinformatie. Iedere week weer artikelen,

colunins en rubrieken door een keur van auteurs.

Voor abonnementen: tel. (010) 14 55 11, toestel 3701.

Stichting Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50.
Roiterdam-3016; pel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen:

4 rbeidsmarktonderzoek

Balanced International Growth

Beclrijfs- Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek

Vestigingspatronen
t’! acro- Economisch Onderzoek
Project.s’tudies Om wikkelingslanden

Regionaal Onderzoek
Statistisch- t’lathematisch Onclerzoek

Trantport Economisch
Onderzoek

302

Prof. IVe,ne/sfrlder

Tien jaar

(en langer)

uitbuiting

van spaarders

Economen kunnen achteraf zeggen

wat er vooraf had moeten gebeuren.

Dat is niet zo’n steriel vermaak als het op
het eerste gezicht lijkt, want men kan uit

de geschiedenis altijd wel iets leren. Zo
is het nuttig om van tijd tot tijd eens na

te gaan hoe men als spaarder in de afge-
lopen jaren (zeg bijv. over een periode
van 10 jaar) is gevaren en hoe men
had kunnen varen. Wanneer we uitgaan
van de rente op overheidsleningen en een
(laag geschatte) marginale belasting-

druk van 25% en voor ieder jaar van de

nominale interest de prijsstijging af

trekken dan is aldus berekend het ver-loop van de rede opbrengst van beleg-

gers in overheidsleningen over de af-
gelopen ruim 10 jaren als volgt geweest.

Opbrengst per jaar op lang lopende

overheidsieningen na aftrek van de

prijsstijging in dat jaar

1963

………

0.7%
1968

………
+
2,9%
964

………

3.2%
1969

………

0,4%
965

………

1.1%
1970

………

1,2% 966

………

0.1%
1971

………

2.4%
1967

………
+ 1.4%
1972

………

2.8%
1973

………
-2%’

Het kopen van staatsobligaties is een

verliesgevende zaak en dat is geen op-
wekkend beeld. Wanneer men daarbij

bedenkt, dat men voor houders van
spaardeposito’s de verliezen met t â 2%
kan verhogen wordt het beeld zelfs triest.

Het is een eenvoudig rekensommetje
om te zien hoe snel de verliezen dan in
een betrekkelijk korte periode oplopen.
Wie in 1963 honderd gulden spaarde
hield er, rente op rente gerekend, vijf
en zeventig gulden aan over. Wie echter

– wonderlijke paradox – eenzelfde

bedrag in schoenen en lederwaren zou
hebben gestoken zou er (even afgezien
van opslagkosten verlies door modee.d.)

bijna honderd gulden aan hebben ver-

diend. Zou men voor dat bedrag textiel-
goederen hebben opgeslagen, dan zou
dat wat minder hebben opgeleverd,

maar toch enige niet te versmaden voor-

delen hebben gegeven boven de aankoop
van verliesgevend overheidspapier, laat

staan boven deponering op een spaar-
bank. Zeer goed af is ook iemand die dit
geld in zij.n woning heeft belegd, want
die heeft aan de prijsstijging ongeveer

de volledige aankoopsom overgehouden.
Dit zijn enkele eenvoudige voorbeeldjes
om aan te geven dat onder deze omstan-
digheden een negatieve reële opbrengst
op besparingen, economisch bezien, een
nogal dwaze situatie is.

4,

Het paradoxale wordt ook duidelijk

wanneer men nagaat dat het Centraal
Planbureau over de hele zoëven ge-
noemde periode voor het hele Neder-
landse bedrijfsleven (bij calculatie tegen

vervangingswaarde) – na aftrek van
belasting – een kapitaalrendement van

4 â
5%
berekent t). Gezien het reële

rendement, dat met investeringen aller-

wege blijkbaar wordt bereikt of kan worden bereikt, moeten elders in de

economie de profiteurs zitten die goede
sier maken met andermans spaargeld.
Immers, de schuldenaar verdient door

de bank genomen alleen aan de prijs-

stijging meer dan de interestlast be-
draagt. Zo’n profit’eur is vooral de
zoëven genoemde huizenbezitter die

met geleend geld een huis heeft gekocht
dat ergens door een spaarder werd ver

schaft. Zo’n profiteur is de overheid die
met te goedkoop geld investeert. Zulke
profiteurs zitten in het bedrijfsleven enz.
Het paradoxale zit hierin dat, wanneer

de rentevorming tot stand zou komen
volgens de voorspellingen van de

theorie, een inflatieverwachting van 3%,

d.w.z. prijsstijging van 3% per jaar in
een stijging van de rentevoet met een-
zelfde bedrag tot uitdrukking zou
moeten komen. Immers, wie 3% prijsstij-
ging verwacht en een huis koopt zal,

wanneer hij daarvoor geld leent, norma-
liter bereid zijn om een toeslag van 3%
te betalen op de normale rentevoet. Wie
daartegenover geld uitleent en dezelfde

prijsstijging verwacht zal met eenzelfde
bedrag gecompenseerd willen worden
voor verlies op de nominale waarde van

het uitgeleende bedrag. Niemand ver-
liest of wint dan door inflatie. Bij de

jaarlijkse prijsstijging van 6 â 7% die wij
thans in onze economie meemaken, zou
de echte rentevoet voor staatspapieren
10 á 11% moeten zijn, (als we bijv. aan-

nemen dat de interestvoet voor deze

papieren bij afwezigheid van inflatie

4% zou bedragen).
In de Verenigde Staten blijken de

spaarders géén verliezen te lijden. Daar
komt de inflatieverwachting (die weer

aardig overeenkomt met de gerealiseer-
de inflatie) nagenoeg geheel in de rente-
voet tot uitdrukking, zodat de spaar-
ders reëel op hun spaargelden ver-
dienen 2). Zij verdienen gemiddeld

reëel zoveel als in een situatie zonder

inflatie het geval zou zijn geweest. Ook is
het in de afgelopen eeuwen – voor zo-

ver mij bekend – in ons land nimmer
voorgekomen dat spaarders bereid

waren om overheid en banken geld toe
te geven in ruil voor rentèloze obligaties

respectievelijk renteloze deposito’s.
Toch kan de huidige situatie hiermee

in feite worden vergeleken.
Er is dus kennelijk iets mis bij ons 3).

Is het niet mogelijk dat het publiek
als maar slachtoffer is van geldillusie

en belastingillusie? Men houdt bij zijn

spaargedrag. geen of onvoldoende reke-
ning met prijsstijging door geldontwaar-
ding en met aftrek van belasting. Men
kan veel méér goederen nt.î aanschaffen

in plaats van later. Nog weer anders ge-
zegd: Er wordt te veel gespaard en er

worden te weinig schulden gemaakt.
Wat is hieraan te doen? Klaarblijkelijk

moet er – zoals dat tegenwoordig
heet – worden overgegaan tot harde

acties voor bewustmaking van het
publiek over wat er aan de hand is met
het geld. Dat klinkt nogal opruierig

(maar dat mag in deze rubriek). Immers

– ook als het gestelde niet juist is —(en men kan zich best enkele relativerende
discussies voorstellen) dan nog heeft het
spaarderspubliek recht op onverhullen-

de voorlichting, waarin de aandacht
wordt gevestigd op de voordelen en de gevolgen van het maken van schulden.

De spaarpropagandisten met hun fleu-
rige affiches en kleurige folders geven

deze onverhullende voorlichting uiter-
aard niet. Als het publiek dan inderdaad

de dupe is van geld- en belastingillusie

kan het zijn spaargewoonten herzien
door minder te sparen en meer schulden
te maken. Op die manier kan de rente-

voet stijgen en kan deze gebracht worden
op het niveau waarde spaarder en koper
van staatspapieren weer in de loop der


jaren er reëel op vooruitgaan en niet

door voortdurende verliezen de dupe
worden van hun spaarzin. Natuurlijk zal
hierdoor de inflatie een ietsje aange-
wakkerd worden, maar bij een forse ver-
schuiving van sparen naar schulden
maken kan de rentevoet snel dat peil be-

reikt hebben, waar na aftrek van de prijs-
stijging de natuurlijke rentevoet over-

blijft.
Wie durft, ten bate van wat meer
economische rechtvaardigheid, de klok

wat harder te Iüiden?

t) Men mag geen al te grote betekenis toe-
kennen aan de absolute hoogte van dit be-
drag, maar het is in ieder geval verre van
negatief.
Wij gaan af op een onderzoek van W. E.
Gibson, Inierest rates and inflaiionary
explication, A
merican Economie Revien’,
december
1972.
Volgens de interessante onderzoekingen
van Dr. M. M. G. Fase
(Economisch kvar,aal

overzicht AMRO Bank
30
september
1972)
en Dr.
W. Driehuis
(Economisch ki’arwa/-
overzicht
AMRO Bank 1juni
1973)
wordt
maar een deel van de interestverandering in
ons land verklaard uit infiatieverwachtingen.

7

t

0det

st

19001! bu

blad

eft’3t

perS01

aSTt.

‘:-.

°:-‘-‘
ei

B
ev,”h
0
u
d

ver

o

b12

kracht

al%e adrn. l3ie

haar jeet er/a’ ‘faCtUîCT

d

w:rread.,

%ot valt

v

el voo
rta

re-

1
de’ egtP

f 450ç
pttt.

spot

e
rtet1
f
je
pers chef.

rgefl 13e1
0

aafl

ngadv
ies

vat eelt

11

1.

ties

bla’
Een

304

Biedt zich aan.

denieuweNCR299

burocomputer, die..„

…factureert, administreert en rapporteert, rekent met
elektronische snelheid en programma’s en gegevens

feilloos in z’n interne geheugen bewaart.

Van de problemen op de arbeidsmarkt hoeft u dus niet

langer wakker te liggen;
De NCR 299 is de revolutionaire

opvolger van de oude vertrouwde boek-

houdmachine. Uw hulpmiddel bij alle

voorkomende administratieve werkzaam-

heden, zoals facturering, grootboek,
kostprijsberekening, loon- en voorraad-

administratie. Op zichzelf klassieke

handelingen, die door de NCR 299 sneller

en efficiënter worden uitgevoerd.

Dat betekent actuele en optimale

informatie. De NCR 299 kan ook als

intelligente terminal fungeren.

* Reeds vanaf f 652,- per maand

heeft u een NCR 299 burocomputer

Program meren?

Geen probleem meer!
De NCR 299 is op verrassend eenvoudige

wijze te programmeren. Als onderdeel
van het NCR-servicepakket kunnen wij dit

voor u verzorgen, maar u kunt het ook zelf.
Een korte instructie van NCR leert het u

binnen enkele dagen.

Speciaal gekwalificeerd bedienings-

personeel is overbodig. Een eenvoudige

handleiding voor de dagelijkse bediening

is al voldoende.

Nieuwsgierig?

Documentatie ligt voor u klaar.

Stuur een open, ongefrankeerde envelop
met uw naam en adres naar NCR,
Antwoordnummer 56, Amsterdam en we

sturen u dadelijk alle informatie. Bellen kan

natuurlijk ook: 020-442922, toestel 232.

131312

Computers & Terminals

NCR Nederland NV,

Buitenveldertselaan
3,

Amsterdam,

telefoon
020-442922,

toestel
232.

305

De oliecrisis

en de gevolgen daarvan

DR. S. SIDERI

Dr. S. Sideri, lector internationale economie
bi! het Institute of Social Studies te Den Haag,

geefi in dit artikel een korte analyse van de zgn.

oliecrisis. Hij gaat o.a. na hoe deze crisis moge-

lijk kon ttorden, wie erdoor wordt bevoordeeld

en viat de consequenties kunnen zijn.

De gevolgen van de zogenaamde oliecrisis kunnen niet
geanalyseerd worden zonder zich vooraf de vraag te stellen:
waarom eigenlijk een crisis?

Sinds de tweede wereldoorlog is goedkope olie uit het
Midden Oosten, d.w.z. goedkoop in verhouding tot de

produktiekosten in de Verenigde Staten, van wezenlijk be-
lang geweest voor het herstel van Europa en Japan, of

schoon hierdoor hun afhankelijkheid van die energiebron

gevaarlijk toenam. De prijs van de olie uit het Midden Oos-
ten 1) werd evenwel zodanig vastgesteld dat in de VS de pro-

duktie werd beschermd en prjsstabiliteit werd gewaar-
borgd. Bovendien ging het kostenverschil tussen de produk-
tie van Amerikaanse en Arabische olie, grotendeels naar de

voornamelijk Amerikaanse multinationale oliemaat-
schappijen vanwege hun oligopolistische positie in de pro-

duktie, raffinage en handel van olie. Deze situatie
veranderde aan het eind van de jaren vijftig toen de oligo-
polistische positie van de grootste zeven oliemaatschappijen
verzwakte door het verschijnen van nationale maat-

schappijen (voornamelijk die van Italië en Frankrijk), Rus-
sische olie en de opkomst van de atoomenergie. Om deze
ontwikkeling te vertragen, moesten de multinationale olie-
maatschappijen belangrijke contracten op lange termijn
sluiten met de nieuwe Europese energieproducenten.
De daaruit voortvloeiende concurrentie veroorzaakte een
zekere verlaging van de olieprijzen. Aldus kon een gedeelte
van de ,,rent” doorgegeven worden aan de verbruikers, hoe-
wel het uiteindelijk verenigde en georganiseerde eenheids-
front van de olieproducerende landen sinds 1970 een toene-
mend aandeel verkreeg, merkwaardigerwijs zonder veel

verzet van de multinationale maatschappijen. In feite waren
deze landen bezig het scenario voor te bereiden tot een
verhoging van olieprijzen. Een dergelijke verhoging was

enerzijds nuttig voor de oliemaatschappijen die op deze
wijze een deel van hun gederfde winst goed konden maken

en anderzijds’voor de Verenigde Staten. Deze waren im-
mers in toenemende mate een netto-invoerland geworden
voor olie – niettegenstaande kwantitatieve invoer-
beperking (1958-1963) van goedkope buitenlandse olie. Te-
vens werden zij door de hogere prijzen gestimuleerd de nati-
onale olieproduktie 2) op te voeren; quota’s konden dit niet
bewerkstelligen.

De Arabisch-Israëlische oorlog kwam van pas om de no-

dige voorwaarden te stellen waaronder de crisis doeltref

fend aan de verbruikers kon worden opgedrongen, die dus

uiteindelijk de rekening moeten betalen. Dit was zo goed

geregeld dat de aanvoer niet per se verminderd behoefde te
worden. Enkele verminderingen in aanvoer die toch optra-

den waren voornamelijk te wijten aan distributieproblemen.

In feite tonen gegevens van het ministerie van Financiën

van Japan – het land dat de grootste klap heeft gekregen
van de ,,crisis” – dat de olie-invoer van Japan in december

1973 met 5,4% is gestegen, vergeleken bij november en met
0,9% in verhouding tot dezelfde maand een jaar daarvöör.

De Petroleum Association van Japan had reeds verklaard
dat de olie-invoer vanaf 1972 6,9% was gedaald.

Wie wordt bevoordeeld?

Door bestudering van enkele bijzondere kenmerken van
de oliecrisis kan gemakkelijk worden nagegaan wie door
deze crisis werden bevoordeeld.

De Amerikaanse concurrentiepositie wordt versterkt
door de verhoging van de olieprijzen omdat de Amen-
kaanse olie-import veel kleiner is dan die van Europa of

Japan. Daarom zal de Amerikaanse handelsbalans
verbeteren en de positie van de dollar versterken. Toch
ligt het belangrijkste effect van deze prijsverhoging in de

bijdrage tot herstel van de binnenlandse economie. De

benodigde investering kan gedeeltelijk worden gefinan-
cierd uit de toegenomen opbrengsten van de olie-
producerende landen. Met een betere handelsbalans en
een kapitaalstroom naar de VS, zal voor de VS de moge-
lijkheid om in het buitenland te investeren worden
versterkt, terwijl deze relatieve kapitaalstroom ertoe zal
bijdragen dat de druk op de dollar wordt verlicht, het-
geen de twee eerste zaken, namelijk de uitvoerexpansie en
de buitenlandse leningen, op gang zou brengen.

De effecten op de multinationale oliemaatschappijen –
voornamelijk Amerikaanse – zijn zo klaar als een klont-
je als wij letten op de verhoging van hun opgegeven

Men zou voorzichtig moeten zijn met het gebruik van het
woord ,,prijs” in verband met olie; in feite erkent M. A. Adelman dat de krachten van vraag en aanbod irrelevant zijn voor de prijs-
bepaling (,,het regeringsbeleid levert grotendeels de uitleg voor gel-
dende olieprijzen”,
The World Pe,ro!eum Market.
blz. 1). De inter-
nationale olieprijsstructuur is tot stand gekomen doordat het groten-
deels een verlengstuk was van de Amerikaanse Structuur en ten
tweede doordat het werd vastgesteld veeleer met betrekking tot een gewenste situatie dan door de feitelijke ontwikkeling van de markt.
Met andere woorden, de olieprijs wordt veeleer vastgesteld door
strategische en politieke overwegingen dan door zuiver econo-
mische.
Het eerste rapport van de US Presidential Commission dat
handelsliberalisatie voorstond ten einde een verlaging van de olie-prijs te bewerkstelligen werd door Nixon openlijk terzijde gelegd; er werd een andere Commissie benoemd die beter begrip had voor
de strategische noodzaak de nationale produktie van olie te
vermeerderen, een vermeerdering welke inflatie van de té lage pro-
duktieprijs van het Midden Oosten afdwong.

306

winst in 1973 vergeleken mét die in het jaar daarvoor:
Exxon
59%,
Texaco
45%,
Mobil
47%,
Shell
28%,
Union
48%, Cities Service
37%.
Deze winsten ,,zijn niet ont- –
staan uit prjszetting in de VS, maar grotendeels,uit grote

verkopen overzee, waar de vraag zelfs groter is dan in’

Amerika…. De Amerikaanse binnenlandse operaties wa-ren betrekkelijk’minder winstgevend” 3). Zelfs al zouden.
deze grote winsten tot extra belasting.leiden of tot een

verlaging van enige voor de oliemaatschappijen winst-
gevende belastingvoordelen, alleen de Amerikaanse ver-

bruikers worden beschermd. Uitstel of een gedeelielijk

afstel van de wet tégen de milieuvervuiling-kan de Ame-
rikaanse verbruikers dit voordeel echter ontnemen, ter

wijl het de hegemonie van de producenten opnieuw ves-
tigt. In het hiervddr aangehaalde artikel adviseert
Time
het Amerikaanse congres of de olieprijzen hoog te hou-
den, of de belastingprotectie te handhaven om de bin-
nenlandse olieproduktie te laten stijgen.

De Europese en Japanse concurrentie werd .belangrijk
verminderd door de omhoog geschoten olieprijs en tenge-
volge daarvan wordt de economische expansie in Europa
en Japan aan banden gelegd. Het proces van de Europese
integratie werd doeltreffend tot stilstand gebracht aange-
zien het gemeenschappelijke gevaar de middelpunt-

vliedende krachten heeft vèrsterkt. Evenals in de VS,
heeft de ,,oliecrisis” ook in Europa de roep naar anti-
vervuilingsmaatregelen getemperd.
De positie van Rusland werd versterkt vanwege haar re-

latieve onafhankelijkheid van ingevoerde dlie en dienten-
gevolge is de Europese militaire afhankelijkheid van de

VS toegenomen.
Behalve voor de VS is de ,,oliecrisis” ook uitermate gun-
stig voor andere olieproducerende landen (zie ook de
voordelen die onder 1 zijn genoemd). Hun aanzienlijk

vermeerderde olie-opbrengsten kunnen worden, aange-

wend voor de binnenlandse ontwikkeling (of voor
aankoop van wapens) en zullen aldus grotendeels worden
omgezet in toename van de invoer Uit . ontwikkelde.
landen. Of ze zullen niet voor binnenlandse zaken wör

den aangewend, maar worden omgezet in kapitaaluitvoer. • naar voornamelijk ontwikkelde landen. De verdeling van

deze kapitaaluitvoer kan bijdragen tot een herverdeling
•van macht. Aangezien de VS de grootste, meest liquide
en meest gevarieerde financiële markt bezitten, wordt

verwacht dat dollars verdiend met olie aanvankelijk naar
de VS zullen vloeien. Als de dollars hierdoor elders duur-
derworden gemaakt, zullen de Amerikaanse exportprij-

zen stijgen, zodat de huidige concurrentiepositie van de
VS zal verslechteren. De vrees dat Arabische oliedollars
industrieën in ontwikkelde landen zouden overnemen
door middel van directe investering, lijkt weinig realis-

tisch. Het werkelijke gëvaar ligt in het aanwenden van
deze olie-opbrengsten voor andere doeleinden zoals bijv.
valuta-speculaties. In dit, geval zouden zij het reeds ver-
minkte intérnationale monetaire stelselernstig verstoren.
Aangezien de dollar zich echter goed heeft gehouden
tijdens crises, is het hoogstwaarschijnlijk dat van alle ont-wikkelde landen de VS het minst door dergelijke omstan-digheden.zullen worden getroffen. Olie-opbrengsten zou-
den ook gebruikt kunnen worden voor het overnemen
van enige raffinage- en distributiebedrijven die thans in
handen zijn van multinationale ondernemingen. Dit zou
geen bnredelijke prijs zijn voor het betrekken van de olie-

producerende landen bij de handhaving van internati-‘
onale orde en handelsstabiliteit.
De onbetwiste verliezers van dit spel zijn zoals altijd de
niet-olieproducerende landen van de Derde Wereld. De
stijgingvan de olieprijzen en de daaruit voortvloeiende stijging van de prijzen voor industrieproduktén (vooral
kunstmest) zullen de reeds bestaande.tekorten op hun
betalingsbalansen vergroten. Deze extra tekorten kunnen

niet geheel worden gecompenseerd door prijsverhoging

an sommige grondstoffen die de DerdeWereld uitvoert.

ESB 10-4-1974

Geld op straat

1

,,l diegeiteit (niaar die gro p
is
niet ,ii grinht). in
OIC
hel
san hirinen siddert en trilt van ingehouden dadendrang. \i ensen met een veroveringsnientaliteit en heiield met -.

oiiteinbare werkdrift en gloeiend van heilig 5uur. Aan wie
het guld toebehoort dat op straat ligt en waaraan de slap-
pelingen hun dagelijks brood te danken hebben’.
Viie hij (leze heschrijsingen denkt aan een citaat uit een

pssehologsch leerhoek, dat ds ngiieurosen hesi hrijft.
heeft het hij het serkeerde eind. Vi int solgens t itgesers-

maatschappij Bonaventura gaat het hier om ..liet vlot en
spoulI
aan geschreven pr.ikiijkboek”
Het ge/el
‘1:!
0/)
s/coat;
harudelende oser management met als enige richtsnoer:

pure praktijk en gesciuresen door Lambert Fokkema,
(llre(teuur San de Nederlandse Export Combinatie.

\og enkele citaten uit dit hoekje niet
s
nislregels:
.,
er-
liaaltjes (hoe har(inekki
g
ook) dat (‘en onderuieiniiig soor-
al een sociale ta,ik heeft
lijn
natuurlijk sprookjc.’
,.l
)c
falers hebben de mond vol over sociale hen ogen-
heid, (le medezeggenschap en de geëngageerdlucid van de

medeuserker”. ,.Cetty, Deterding en Onassis hadden nog
nooit san computers of wetenschappelijke benadering gehoord toen zij de juiste besluiten namen en hun int-
inense
S
erinogen crecerden . 1 )aar mag u gerti’,t
ccii
paar
innnitrn ii’, er nadenken”.

Na (lie bedenktijd rees luj
mis
het sernu)eden dat het
hier oni een zeer geslaagde \prilgrap san de iijde van

Bouias entura moet handelen. Degene die van dcce l)arOdie
nil
genieten, moet in de winkel f. 950 neertellen s’oo
128 karig hedrukte pagina’s.

Bovendien wordt de ontwikkelingshulp van de ontwik-kelde landen negatief beïnvloed, terwijl het er niet naar

uitziet dat hulp uit de olieproducerende ontwikkelings-
landen in de naaste toekomst zal worden gerealiseerd.

Een mogelijk positief’ resultaat voor deze landen zal
hierna worden behandeld.

Samenvatting

De meer algemene consequenties van de ,,oliecrisis” kunnen
als volgt worden samengevat.

1. De oliekroducenten (VS, olieproducerende landen van de
Derde ‘Wereld en multinationale ondernemingen) zullen
veelal maatregelen hebben .getroffen om. hun gemeen-
schappelijke belangen zeker te stellen.: Zij zullen dit
5
‘sneller en effectiever kunnen doen dan de’ verbruikers

(Europa, Japan en niet-olieproducerende landen van de

Derde Wereld). ‘De verbruikers kunnen dit misschien.
voorkomen door het sluiten van speciale internationale

handelsverdragen, die in het verleden zo moeilijk te berei-
ken waren 4).

‘2. Het succesvolle optreden van de olieproducerende landen
kan een stimulans zijn voor de Derde wereld ten einde de

prijzen’ van haar produkten op peil te houden. Wrazilië,
Columbia en Ivoorkust proberen dit reeds te doen met

Time, 4
februari
1974,’
blz.
34,,,…
Exxon meldde een winst-
verhoging van
83%
uit olie aangekocht, geraîfine’erd en verkocht in
Europa en elders in het Oostelijk Halfrond, tegenover een ver-
hoging van slechts 16% uit, haar transacties in de VS”.


Volgens de suggestie van minister Pronk moeten deze overeen-komsten niet alleen trachten de produktie, de voorraadvorming en
de distributie te coördineren, maar zouden ze ook van toepassing
moeten kunnen zijn op kapitaal.

307

Hypothecair krediet

DRS. P. PUISTER

DRS. D. SCHOUTEN

In de
Consumentengids
la,? oktober 1973

verscheen een artikel, naar!n de meest i’oorko,nencle

vormen van hrpothecair krediet onderling iterden

vergeleken. In dat artikel n’erden slechts cle belang-
rijkste uitkomsten vermeld, teritijl niet diep
O
de ge-
bruik te veronderstellingen ii’erd ingegaan. Hieronder

behandelen Drs. P. Puister en Drs. D. Schouten,
resp. /ioo/d en ,nedenerker van cle a,fdeling Econo-

misch Onderzoek van (le Consumenienhond het bi-pothe(-air krediet gedetail/eerder clan destijds in cle

Consumentengids
nercl gedaan.

Het belangrijkste doel van dit artikel is de aspirant-
kredietnemers zodanige informatie te verschaffen, dat deze
op eenvoudige wijze kunnen constateren welke van de drie
meest voorkomende vormen van hypothecair krediet onder

diverse omstandigheden het voordeligst is. Wij denken deze
doelstelling te kunnen verwezenlijken door in een coördina-

tenstelsel break-even-curven te construeren.
Allereerst lijkt ons een beschrijving van de drie vormen zinvol. Het belangrijkste verschil schuilt in het aflossings-

schema.

Bij de lineair dalende lening wordt met gelijke tijds-

intervallen telkens eenzelfde bedrag aan aflossing be-
taald.
Bij de annuïteitenlening wordt met gelijke tijdsinter-
vallen telkens een zodanig bedrag aan aflossing betaald,

dat de som van aflossing en rente op iedere betalings-

datum gelijk is zolang het rentepercentage niet wordt

veranderd. Bij de lening die levensverzekeraars verstrekken vindt de
aflossing in zijn geheel aan het eind van de looptijd of
bij eerder overlijden van de kredietnemer plaats. De kre-dietnemer is verplicht een gemengde verzekering op zijn

leven af te sluiten met dezelfde looptijd als de lening. Bij

een gemengde levensverzekering wordt het verzekerde
bedrag uitgekeerd direct na het binnen de looptijd over-
lijden van de verzekerde, dan wel aan het eind van de
looptijd indien de verzekerde nog in leven is. Met de
uitkering, wanneer dan ook gedaan. moet de hypotheek-

schuld worden afgelost. Wanneer de verzekering winst-
delend is, kan de uitkering groter zijn dan de schuld.

Bij de kredietvormen A en B zijn er alleen uitgaven. Deze

bestaan uit afsluitprovisie, aflossingen en rente. Bij krediet-
vorm C is er behalve van uitgaven ook sprake van een ont-

vangst. De uitgaven bestaan uit rente, premies en. aan het
eind van de looptijd of bij eerder overlijden van de krediet-
nemer, aflossing. De ontvangst bestaat uit de verzekerings-
uitkering, wanneer ook gedaan.
Wij zouden de vergelijking kunnen uitvoeren door alle
uitgaven die de kredietnemer in verband met elk van de drie kredietvormen-sec na aftrek van de eventuele besparing aan

inkomstenbelasting moet verrichten op het tijdstip van be-
taling te waarderen in guldens van het jaar van aangaan
van de kredietovereenkomst en tenslotte bij kredietvorm C
de zo verkregen som te verminderen met de verzekerings-

uitkering, gewaardeerd op het moment van betaling in gul-

hun pas opgerichte multinationale marketingorganisaties.
Maar zij moeten niet uit het oog verliezen dat de succes-
volle tactiek van de olieproducerende landen mogelijk
werd gemaakt door de grootste olieproducent: de Vere-
nigde Staten. Dat de belangen van de Verenigde Staten
slechts gedeeltelijk en tijdelijk samenvallen met die van de andere olieproducenten wordt bewezen door de druk

die Saudi Arabië nu uitoefent op de andere Arabische
producenten om verdere olieprijsverhogingen te vermij-

den, nu de VS de verhoging heeft verkregen welke vol-
doende lijkt om hun binnenlandse produktie op te voe-

ren.
De ,,oliecrisis” helpt de VS in hoge mate in hun pogingen

om weerstand te bieden aan de recentelijk ontstane
economische blokken 5) en om opnieuw enkele van de om-
standigheden te scheppen waarbinnen zij hun globale be-

langen kunnen nastreven. Ten einde dit te bereiken moet
de olieprijs worden gestabiliseerd op het nieuwe hogere
niveau en moet het’ internationaal monetair stelsel niet
geheel worden verstoord, anders zou er een algemene

economische oorlog kunnen ontstaan.

Gezien de huidige situatie van onzekerheid en weder-

aanpassing, zou de Derde Wereld, of zouden enige
landen van de Derde Wereld, enig voordeel kunnen beha-

len indien zij in staat zouden zijn het ene ontwikkelde
land tegen het andere uit te spelen.
Een positief gevolg van de ,,oliecrisis” is dat iedereen ge-

dwongen wordt te gaan nadenken over het stellen van pri-
oriteiten. Het is dan niet onmogelijk dat dit een herstruc-
turering van de maatschappelijke orde tot gevolg heeft, in

die zin dat eerbied voor ecologisch evenwicht de basis
wordt voor economische beslissingen, en dat de rijke
landen tot het inzicht komen dat het voor hen wel eens

gunstig zou kunnen zijn de belangen van de arme landen
als hun eigen belangen te beschouwen.

S. Sideri

5) Zie het artikel van schrijver dezes in de
/n,erna,ionale Sj,ectaior.
8 december 1972.

dens van het jaar van aangaan van de kredietovereenkomst.

De aflossing en de verzekeringsuitkering zouden bij krediet-

vorm C met behulp van bekende sterftecijfers in de vergelij-
king kunnen worden betrokken. Voor de constructie van de

break-even-curven zou vervolgens kunnen

worden nage-
gaan onder welke omstandigheden de berekeningen voor
twee kredietvormen tot dezelfde uitkomst leiden.

Wij geven echter de voorkeur aan een ander uitgangs-

punt. Wij veronderstellen dat de kredietnemer bij de kre-
dietvormen A en B een overlijdensrisicoverzekering sluit die

bij zijn overlijden een bedrag uitkeert ter grootte van de
restantschuld. Deze veronderstelling sluit aan bij de dage-
lijkse praktijk, waarin inderdaad het sluiten van een risico-
verzekering door de hypotheekgever bij de kredietvormen

A en B vaak voorkomt. De uitkering bij overlijden wordt verder bij elk van de drie kredietvormen buiten beschou-
wing gelaten. De vergelijking kan nu uitgevoerd worden
door van de drie kredietvormen alle uitgaven (bij de kre-dietvormen A en B met inbegrip van de premies voor de

risicoverzekering) na aftrek van de eventuele besparing op
inkomstenbelasting, op het moment van betaling te waarde-
ren in guldens van het jaar van aangaan van de krediet-

overeenkomst, vervolgens te sommeren en bij kredietvorm

C tenslotte de zo verkregen som te verminderen met de
uitkering aan het eind van de looptijd gewaardeerd in gul-

dens van het jaar van aangaan van de kredietovereenkomst.
Het voor elke kredietvorm aldus verkregen resultaat dui-
den wij aan met totale (= over de gehele looptijd) reële (= ge-

meten in guldens van het jaar van aangaan van de kre-
dietovereenkomst) netto(= na aftrek van besparing op
inkomstenbelasting) lasten (= uitgaven minus ontvangsten).
We vergelijken de kredietvormen dus slechts voor die geval-
len, waarin de kredietnemer de eindstreep haalt.

Wij zijn van mening, dat de aspirant-kredietnemer bij
onze methode zijn situatie gemakkelijker dan bij de hierbo-
ven eerst beschreven techniek van vergelijking kan identifi-
ceren met de situaties, waarvoor wij de berekeningen ma-

ken. De vraag doet zich nu voor welke van de vele in het
geding zijnde variabelen men langs de assen van het be-
oogde coördinatenstelsel zal afzetten. Eén van de eisen die

aan een publikatie van de Consumentenbond gesteld mag

worden is dat zoveel mogelijk leden er iets aan hebben. Ie-

der lid heeft zijn eigen persoonlijke omstandigheden. Een
belangrijke persoonlijke omstandigheid met betrekking tot
de vraag welke kredietvorm het voordeligst is, is het belast-

bare gedeelte van het inkomen, de zgn. belastbare som. De
hoogte hiervan is bepalend voor het marginale inkomsten-

belastingtarief. Daarnaast is de invloed van de inflatie, blij-
kens correspondentie met leden, voor velen intrigerend. Wij
hebben daarom besloten deze beide variabelen, het margi-
nale belastingtarief en het infiatiepercentage, langs de assen

af te zetten.

Zonder de verwezenlijking van de doelstelling al te veel
geweld aan te doen lijkt het mogelijk de anders zeer om-
vangrijke rekenwerkzaamheden (het bepalen van een groot

aantal punten van niet-lineaire break-even-curven) aanzien-
lijk te beperken, door slechts voor ieder van een kleine
reeks gehele infiatiepercentages, in combinatie met elk van
de marginale belastingpercentages uit het huidige schijven-

tarief, te berekenen welke kredietvorm de laagste totale
reële netto lasten met zich meebrengt. Deze beperking heeft

tot gevolg, dat er geen werkelijke break-even-curven kun-
nen worden geconstrueerd. Er zal slechts kunnen worden

aangegeven tussen welke inflatie- en marginale belasting-
percentages break-even-punten liggen.

Zowel met betrekking tot de veronderstellingen ten aanzien
van het belastingtarief en het infiatiepercentage alnietbé:

trekking tot enkele andere beperkingen is een nadere toe-
lichting gewenst, alvorens de resultaten van enkele bereke-ningen te geven.

Veronderstellingen

Het belastingiarief

Hantering van het marginale belastingtarief betekent, dat
de berekeningen van toepassing zijn op hen die voor de
keuze staan een huis te kopen of de koop achterwege te la-
ten.

Wij hebben aangenomen, dat het inkomen van de kre-
dietnemer tijdens de looptijd van de lening geleidelijk

stijgt, waardoor hij in de loop der jaren in een allengs hoger
marginaal belastingtarief valt. De eerder genoemde beper-

king van de rekenwerkzaamheden heeft tot gevolg, dat de

belastingbesparing voor de kredietnemer, marginaal be-
schouwd, ieder jaar een percentage van het aftrekbare be-drag beloopt, dat exact gelijk is aan één van de marginale

belastingpercentages. Dit impliceert weer, dat de aftrekbare

bedragen uit hoofde van de hypothecaire lening voor de
kredietnemer niet betekenen, dat hij in een lager marginaal
belastingtarief valt.

Het aantal jaren, dat op een kredietnemer een bepaald
marginaal belastingpercentage van toepassing is, hangt af

van de stijging van zijn belastbare som en van het verschil
tussen hoogste en laagste belastbare som waarvoor het des-
betreffende marginale percentage geldt. Door de jaarlijkse

nominale stijging van de belastbare som te splitsen in een
reële en een infiatoire component wordt het mogelijk op

eenvoudige wijze met behoud van de toepassing van dë hui-

dige marginale belastingtarieven de invloed van de inflatie

op de elk jaar door de kredietnemer te betalen belasting
naar believen te compenseren. Deze compensatie wordt be-

reikt door bij het berekenen van het aantal jaren, dat de
kredietnemer binnen een bepaald marginaal tarief valt, de
totale stijging van de belastbare som te verminderen met

een groter gedeelte van de infiatoire stijging, naarmate de
gewenste ,,inflatiecorrectie” groter is.

Wanneer:
• de jaarlijkse inflatie

=
• de jaarlijkse stijging van de belastbare som van de
kredietnemer

= s
• de belastbare som, die de ondergrens vormt van
een bepaald marginaal belastingtanef

= y
• de bovengrens van datzelfde tarief

= y + a
• de infiatiecorrectie

= c(o(c< 1)
• het aantal jaren dat de kredietnemer binnen het
belastingtarief met als grenzen de belastbare som-
meny eny +avalt

=n

kunnen we de volgende vergelijking opstellen:

n'(l +s-ci) .

(1 +__).
log

Als belastbare som in het jaar van afsluiting van het kre-
diet wordt door ons voor het
25%-tarief
arbitrair een be-
drag van f. 8.000 verondersteld. Bij de hogere tarieven
wordt als belastbare som in het jaar van aangaan van de

kredietovereenkomst telkens de ondergrens voor 1973 van
het desbetreffende tarief aangenomen. Het moment van
aangaan van de kredietovereenkomst wordt geacht het be-
gin van de looptijd te zijn.

Infiatiepercentage

Wanneer men inflatie definieert als stijging van het prijsni-
veau, mag voor het langs de X-as afgezette percentage in
plaats van ,,inflatie” gelezen worden ,,rente waartegen con-
tant gemaakt” of ,,opbrengst die de kredietnemer weet te

behalen”. Wanneer men het laatste doet, geven de verticale delen van de lijnen in de figuren aan tussen welke twee ge-
hele, percentages de netto-opbrengst van het verschil in jaar

lijkse nominale netto-lasten bij gegeven percentages margi-
nale belastingbesparing moet liggen, wanneer de kredietne-
mer aan het eind van de looptijd bij twee kredietvormen

hetzelfde eindresultaat wil behalen. De horizontale delen

ESB 10-4-1974

309

van de lijnen geven aan tussen welke percentages de

belastingbesparing moet liggen om hetzelfde eindresultaat
te bereiken bij de vermelde opbrengstpercentages.

Gemengde verzekering

Wij hebben aangenomen, dat de gemengde verzekering,

die de kredietnemer sluit, winstdelend is. Winstdeling vindt
veelal plaats in de vorm van een verhoging van het

verzekerde bedrag zonder premieverhoging. Voorts zijn wij van de veronderstelling uitgegaan, dat de
winstbijschrijving afhankelijk is van de rente op nieuwe

staatsleningen en dat het rentepercentage gelijk is aan het
infiatiepercentage. Voor de kartelmaatschappijen gaan wij
uit van een verhoging van het oorspronkelijk verzekerde

kapitaal van:

1

%
per jaar bij een inflatie van
5%;
1,5% per jaar bij een inflatie van
6%;
2

%
per jaar bij een inflatie van
7%;
3

%
per jaar bij een inflatie van
8%;
4

%
per jaar bij een inflatie van
9%;
5

%
per jaar bij een inflatie van
10%;

Er zijn kartelmaatschappijen die niet of niet op iedere
winstdelende polis een dergelijke winstbijschrijving doen. Een advertentie van De Utrecht leerde ons recentelijk, dat

de winstbijschrijving over 1972 2% van het verzekerde kapi-

taal bedroeg. Concordia maakt reclame met 1,6%.

Maatschappijen verschillen niet alleen qua winst-
bijschrijving. Een kartelmaatschappij verschilt van een niet-

kartelmaatschappij bovendien vaak qua premie. Daarom is
ook een figuur opgenomen met gemengde verzekering bij een
goedkope maatschappij (Centraal Beheer). Voor de winst bij-
schrjving van deze maatschappij zijn bij benadering de vol-

gende percentages van het oorspronkelijk verzekerde kapi-
taal van toepassing, indien het rendement op staatsleningen
gelijk zou zijn aan het infiatiepercentage.

3% per jaar bij een inflatie van
/
5%;
3
/
/
4
%
per jaar bij een inflatie van
6%;
1
‘/2%
per jaar bij een inflatie van
7%;
2
1
/2% per jaar bij een inflatie van
8%;
32/3% per jaar bij een inflatie van
9%;
5

%
per jaar bij een inflatie van
10%.

Bij deze maatschappij kan men in plaats van winst-bijschrjving korting op de premie krijgen. De premie-
korting komt bij onze veronderstellingen niet zo voordelig

uit als de winstbijschrijving, maar nog wel voordeliger dan
de kartelmaatschappijen.

Algemene veronderstellingen

Tenslotte vermelden we nog, dat aan alle berekeningen

de volgende veronderstellingen ten grondslag liggen:
• gedurende de looptijd van de lening treedt geen verande-
ring op in het rentepercentage;

• gedurende de looptijd van de lening treedt geen verande-
ring op in de stijging van het prijsniveau;

• gedurende de looptijd van de lening treedt geen verande-
ring op in de verzekeringstarieven. Bij de meeste maat-

schappijen geldt inderdaad, dat de premie voor de gehele
duur van de verzekering bij het afsluiten vastligt. Cen-
traal Beheer echter behoudt zich het recht voor de tarie-
ven eens in de vijf jaar te herzien;

• als premies voor de risicovetzekeringen bij de krediet-
vormen A en B worden de in Nederland individueel laagst
gevraagde ingecalculeerd.

De berekeningen

Behalve de hoogte van het marginale belastingtarief en de
inflatie, is de waarde van de volgende variabelen van in-
vloed op de uitkomst van de berekeningen.

looptijd van de lening;
leeftijd hypotheekgever bij het aangaan van de krediet-

overeenkomst;
infiatiecorrectie van de inkomstenbelasting:

reële stijging van de belastbare som van de kredietnemer:

rentevergoeding;
premieniveau van de gemengde verzekering:

winstbijschrijvingsniveau van de gemengde verzekering;
afsluitprovisie bij kredietvormen A en B.
In tabel 1 geven we voor elke combinatie van belasting-

en infiatiepercentage het totale reële netto verschil tussen de
kredietvorm met de laagste en die met de op één na laagste

lasten indien het krediet f. 100.000 bedraagt. wanneer aan

de variabelen a t/m h een bepaalde waarde wordt

toegekend; figuur 1 geeft aan welke kredietvorm dan de

laagste totale reële netto lasten met zich brengt.
Om de invloed van veranderingen in de waarde van elk

van de variabelen genoemd onder a t, m g te demonstreren
wordt in de figuren 2 t/m 9 telkens aan één van hen een an-

dere waarde toegekend dan in tabel 1 en figuur 1. In figuur
10 wordt aan twee variabelen een andere waarde toegekend.

Het gaat hier om een lagere premie voor de gemengde
verzekering dan bij figuur 1; de maatschappij die deze pre-
mie hanteert heeft tevens een andere winstbijschrijving.

Geheel buiten deze systematiek vallen tenslotte de figuren

II en 12. Zij geven aan hoe de uitkomsten luiden, wanneer
het rentepercentage gelijk is aan het infiatiepercentage +

respectievelijk wanneer de kredietnemer na tien jaar de res-
tantschuld aflost. Bij de vervroegde aflossing is aangenomen, dat de verzekeringsmaatschappij bij kredietvorm C de gehele

wiskundige reserve aan de kredietnemer uitkeert.

Tabel 1.

Verschil tussen de totale netto lasten van goedkoopste en
één na goedkoopste krediet vorm in guldens \a1I het jaar
van aangaan van de kredietovereenkomst bij een krediet-

bedrag van
f
100.000.

m(°fo)

71

69

66

63

58

49

39

31

25

804 1

728

115
1

747

587

3

740

673

78

724

575 1

1

469
504

41

661

526

30

19

104

351

416

357

159
4
———–

603

847

25

52

401
———–+—–
639

1750a

1312

731

607

844

2667
4

6

7

8

9

10 i(°/o)

8
1
c-e

b
)
A9

a= 30jaar; b= 30jaar;c75%;d 1V2%;e8’A%;f: opniveauvan
kartelmaatschappijen; g: op niveau van kartelmaatschappijen (over-
rentedeling); h = 1’/2%.

De bij de figuren gebruikte letters hebben de volgende be-
tekenis:
= inflatie (stijging van het prijsniveau);
m = marginale inkomstenbelasting voor de kredietnemer bij het
aangaan van de kredietovereenkomst; Kredietvorm A = lineair dalende lening annex risicoverzekering;
Kredietvorm B = annuïteitenlening annex risicoverzekering;
Kredietvorm C = lening annex gemengde verzekering;
a = looptijd van de lening;
b = leeftijd van de hypotheekgever bij het aangaan van de krediet-
overeenkomst;
c = ,,inflatiecorrectie” van de inkomstenbelasting;

310

5

6 –
7

8

9

10i(/.)

Infiatiecorrectie c = 50
0
1o, overigens als figuur 1.
– – – – = curven van figuur t.

FIGUUR 7

c


L

71 69
66

63
58
49
39

31

25

FIGUUR
3

71

69 68
63

58

49
39
31

25

ri

S

6

7

8

9

lOi(‘/.)

Leeftijd b = 40 jaar, overigens als figuur 1.
– – – – = curven van figuur t.

FIGUUR 6

71

69
66
83

58
49 39

31
25

L——-

S

6

7

8

9

101
t1.I

Reële stijging van de betastbare som van de kredietnemer
d

0%, overigens als figuur t.
– – – – = curven van figuur t.

FIGUUR 9

71

69
68

63
58
49

39

31

25

1

1

1

Rentevergoeding e = 9½%, overigens als figuur 1.
– – – – = curven van figuur 1.

FIGUUR 12
fl5
(‘In)
71

î

69

83

49

31

25

Welke van de kredietvormen A, Ben C geeft de laagste totale reële netto lasten?

FIGUUR 1

FIGUUR 2
rn (/u
71

71

69

69

66

66

83

63

58

58
49

49

39

39

31

31

25

25

5 – 6

7

9

9

10 i(/o)

ti

6

7

8

9

10 i(/.)

a = 30 jaar; b= 30 jaar; c= 75%;d = I½%;e=8½%;f:op

Looptijd a = 25 Jaar, overigens als figuur t.
niveau van kartelmaatschappijefl: g: op niveau van kartel-

—- = curven van figuur t.
maatschappijen (overrentedeling); h = 1 ½%.

FIGUUR 4

FIGUUR S

71

71

69

69

66

66

63

63

58

58

49

49

39

39

31

31

25

25
5

6 ‘7

8

9

10i(/.)

Infiatiecorrectie c = l%, overigens als figuur t.
– – – – = curven van figuur t.

FIGUUR 8
m(‘)
71

69

c
66

i
—-
i

63
58

‘1

t
.LL

LJ

1

1

49
39

31
25

5

6

7

8

9

10 i
(
°
In)

5

0

-,

iv

,.j

Reële stijging van de belastbare som van de kredielnemer

Rentevergoeding e = 7½%, overigens als figuur t.
d

3%. overigens als figuur t.

– – – – = curven van figuur 1.
– – – – = curven van figuur t.

FIGUUR 10

FIGUUR 11

71

71

69

69

66

66

83

83

58

58-

49

‘.9

39

39

31

3,

25

25
a

7

1

d = jaarlijkse reële stijging van de belastbare som van de krediet-
nemer;
e = jaarlijkse rentevergoeding;
f = premie voor de gemengde verzekering;
g = winstbijschrijving op de gemengde verzekering; h = afsluitprovisie bij kredietvormen A en -B;

Toelichting bij tabel
1
en de figuren 1 t/m 12

Zowel de tabel als de figuren kan men in vakken ingedeeld den-
ken. Ieder vak vertegenwoordigt een combinatie van een geheel

o

ini.i.i

5

6

78

9

10
i(
4
10)

als figuur t, maar met vervroegde aflossing van de
restantschufd na 10 jaar.
– – – – als figuur 10, maar met vervroegde aflossing van de
reslantschuld na 10 jaar.

percentage uit de reeks infiatiepercentages van 5 t/m 10 en een
marginaal inkomstenbelastingpercentage uit het huidige schijventa-
rief. Voor iedere combinatie is uitgerekend welke van de krediet-vormen A, B en C de laagste totale reële netto lasten geeft. In fi-
guur 1 is dat bij 5% inflatie en 39% marginale inkomstenbelasting
kredietvorm A. Vak (5;39) zou daarom gemerkt kunnen worden
met de letter A. Niet in ieder vak afzonderlijk, maar in de verzame-
ling van aan elkaar grenzende vakken, waarin dezelfde kredietvorm
de laagste totale reële netto lasten geeft,
ts
echter de toepasselijke
letter vermeld. De getekende begrenzingen van de verzamelingen
van vakken kunnen beschouwd worden als benaderingen van break-
even-curven. In figuur 1 bijvoorbeeld ligt, wanneer de inflatie 5%
is, een werkelijk break-even-punt van de totale reële netto lasten
van de kredietvormen A en B ergens tussen 39% en 49% marginale inkomstenbelasting; wanneer de marginale inkomstenbelasting 39%
5

6

7

8

9

10it1.I

Premie f en winstbijschrijving g op niveau van één van de

Rentevergoeding e = (
t +
½)%.
overigens als figuur 1.
niet.kartelmaatschappiien, overigens als figuur 1.
– – – – = curven van figuur 1.

ESB 10-4-1974

311

is ligt een ,,break-even-punt” ergens tussen 5% en 6% inflatie.
Welke kredietvorm in tabel 1 de laagste totale reële netto lasten
geeft, is af te leiden uit de ,,break-even-lijnen” uit figuur 1. De kre-
dietvorm met de op één na laagste lasten is voor een bepaald vak in
het algemeen de vorm aan de andere zijde van de dichtstbijzijnde
,,break-even-lijn”. In twijfelgevallen is aangegeven welke krediet-
vormen het vermelde verschil in lasten opleveren.
Als voorbeeld van interpretatie van een figuur geven wij hieronder
de uitkomsten van onze berekeningen, zoals die af te leiden zijn Uit
figuur 1.
Kredietvorm A geeft de laagste totale reële netto lasten bij de
volgende combinaties van inflatie en marginale inkomsten-
belasting:

Inflatie

Marginale inkomstenbelasting bij aangaan
van de kredietovereenkomst

5%

39% of minder

6%

3 1 % of minder

Kredietvorm B geeft de laagste totale reële netto lasten bij de
volgende combinaties van inflatie en marginale inkomstenbelas-
ting:

Inflatie

Marginale inkomstenbelasting bij aangaan
van de kredietovereenkomst

5%
4% t/ m 63%
6%
39% t/m
58%
7%
66% of minder
8%
49% of minder
9%
49% of minder
10%
.66%of minder
Kredietvorm C geeft de laagste totale reële netto lasten bij de
volgende combinaties van inflatie en marginale inkomsten-
belasting:

Inflatie

Marginale inkomstenbelasting bij aangaan
van de kredietovereenkomst

5%
66% of meer
6%
63% of meer
7%
69% of meer
8%
58% of meer
9%
58% of meer
10%
69% of meer

Conclusies uit de figuren

Omtrent de invloed op de kredietkeuze van andere variabelen,
naast inkomstenbelasting en inflatie, valt iets af te leiden uit verge-
lijking van de figuren 2 t/m 10 met figuur 1.

Figuur 2

Hiertuit blijkt dat een
5
jaar kortere looptijd op de positie van


onze ,,break-even-curven” geen invloed heeft bij de lagere inflatie-
percentages. Bij de hogere infiatiepercentages wordt kredietvorm B
in minder gevallen en kredietvorm C in meer gevallen aantrekkelijk.

Figuur 3

Het verschuiven van de curven bij hogere leeftijd is een gevolg
van de sterkere stijging van de verzekeringspremie bij kredietvorm B dan bij kredietvorm C (voor zover het gaat om het risicodeel van
de premie) en kredietvorm A.

Figuren 4, 5, 6 en 7

Het effect van een kleinere (grotere) inflatiecorrectie heeft de-
zelfde richting als dat van een grotere (kleinere) inkomensstijging
(zie de sub-paragraaf over het belastingtarief). Beide leiden er o.a.
toe, dat de ,,break-even-lijn” tussen de kredietvormen Ben C meestal
iets lager (hoger) komt te liggen.

Figuren 8 en 9

De hypotheekrente heeft duidelijk de grootste invloed op de las-
ten van kredietvorm C. Deze is bij een één procent lagere rente in
veel meer gevallen de vorm met de laagste totale reële netto lasten.
Bij een één procent hogere rente verdwijnt hij geheel van het to-
neel.

Figuur 10

Bij een 20% lagere premie voor de gemengde verzekenng ligt kre-
dietvorm C goed in de markt wanneer tenminste de winstuitkering
op behoorlijk niveau blijft.
Ten aanzien van de figuren II en 12 valt het volgende te vermel-
den. Opmerkelijk in figuur II is de afwezigheid van een gebied.
waarin kredietvorm A de laagste lasten geeft. Uit figuur 12 is op te
maken, dat men bij vervroegde aflossing na 10 jaar meestal bij kre-
dietvorm A of B op de laagste totale reële netto lasten komt.
Tot slot moet nog worden opgemerkt, dat een verandering van
de grensbedragen in het schijventarief van de inkomstenbelasting
geen invloed zal hebben op de positie van de ,.break-even-curven” in
de figuren, mits de aantallen jaren, waarin de kredietnemer in de
verschillende belastingschijven vertoeft, geen wijziging ondergaan.

Appendix

Toen bovenstaand artikel in concept gereed was verscheen in
In-
terrnediair
no. 49 van 14 december 1973 een publikatie over het-
zelfde onderwerp van de hand van Prof. Dr. R. Bannink en Drs. J.
van der Hilst. Bannink en Van der Hilst hanteren op sommige pun-ten andere veronderstellingen dan wij. Daarom komen hun conclu-
sies niet geheel met die van ons, zoals die blijken uit onze figuren.
overeen. Onder de veronderstellingen van Bannink en Van der
Hilst zijn er enkele die ons niet erg reëel voorkomen. Zo gaan zij
ervan uit, dat het inkomen van de kredietnemer niet stijgt gedu-
rende de looptijd van de lening. Voorts wordt aangenomen. dat het
bedrag van de gemengde verzekering gelijk is aan slechts 80 van
de hypotecaire lening.

P. Puister
D.
Schouten

ESb
Mededelingen

La structure urbaine de I’Europe

Van 30 mei t/m 1juni 1974 organi-
seert- de . ,,Association de Science

Régionale de Langue Française”
(ASRDLF)

een congres over ,,La
structure urbaine de l’Europe: faits,
théories, idées” in de Erasmus Universi-
teit Rotterdam, Burg. Oudlaan 50.

Aan dit congres werken mee: P. A.

Klein, J. R. Boudeville, A. K. H. Hottes,
B. Hristo Marinov, A. M. A. Mickle-

wright, P. Juillard, L. H. Klaassen,
H. W. Richardson, Ph. Pinchemel,
A. R. Courbis, B. S. Wickham, A. J.
Hendriks, J. P. Massonie, P. Nijkamp
en J. H. P. Paelinck.

Toegangsprijs: gratis voor leden
ASRDLF en ca. f. 60 voor niet-leden. Inlichtingen en aanmeldingen: Drs.

E. F. Bruining, Erasmus Universiteit
Rotterdam, Burg. Oudlaan 50, tel.:
(010) 1455 II.

Industriepolitiek

Op zaterdag 27 april as. van 10.00 –
16.00 uur organiseert de Dr. Wiardi
Beckmanstichting in Hotel-Restaurant

Smits te Utrecht een conferentie over industriepolitiek. Aan de orde komen

sectorale en regionale aspecten van
industriepolitiek. Inleidingen zullen
worden gehouden door Mr. H. Versloot,
Drs. W. J. van Gelder en Drs. J. Louw-

man.

Aanmeldingen en inlichtingen: WBS.

Tesselschadestraat 31, Postbus 6070.
Amsterdam, tel.: (020) 12 58 II.

Derde nota ruimtelijke ordening

0p dinsdagavond 23 april a.s., 19.30
uur, organiseert Panta Rei, de Kring van
Afgestudeerden der NEH, een openbare
discussie over de
Oriënteringsnoia Ruim-
telijke ordening.
Er zullen inleidingen
worden gehouden door:
• Prof. Ir. N. A. de Boer: De betekenis

voor de regio;
• Prof. Dr. J. G. Lambooy: De verhou-
ding tussen doeleinden en instrumen-

ten.

Plaats: Erasmus Universiteit Rotterdam,
zaal D – 5, Burg. Oudlaan 50.

312

In memoriam

Prof Dr. Ir. J. Goudriaan

Het bericht van Goudriaans overlijden
op de leeftijd van tachtig jaar op 22

maart 1974 doet ons terugdenken aan
een zeer goed gevulde collegezaal in het
NEH-gebouw aan de Pieter de Hooch-
weg op een donderdagmiddag, ongeveer
1934-1935. Een ietwat kleine man, be-
treedt deze zaal met grote, doch vrij
vlugge tred, haalt – op het podium

aangekomen – een enigszirs ver

kreukeld groot vel papier Uit zijn
binnenzak, begint te spreken. Onmiddel-
lijk boeit hij zijn gehoor, vrijwel nie-
mand wordt door wat dan ook afgeleid,

er heerst spanning, het ,,dictaat maken”

is moeilijk, het gaat wat vlug. Enkele
uitdagende of zeer kernachtige Uit-

spraken, citaten van beroemde schrij-
vers prikkelen zijn gehoor; de leerstof

is nuchter, prozaïsch: kostprijsbereke-
ning, desondanks spannend. De span-
ning breekt, wanneer het enigszins ver-
kreukeld papier, verrijkt met een nieuwe
potloodstreep, weer in de binnenzak
verdwijnt. Prof. Dr. Ir. J. Goudriaan Jr.
verlaat met dezelfde grote, vlugge tred
de zaal. En dat van 1926 tot 1949; sedert

1936 bovendien te Delft. Op andere uren
en ten dele in andere collegejaren zijn
andere onderwerpen aan de orde: Orga-

nisatie van de ondernemingen Psycholo-
gie in het bedrijfsleven. Op de achter

grond duidelijk de praktijk, er spreekt
een actief ,,manager” van een grote
onderneming, in de jaren dertig bij
Philips, later – een vooral voor hem

volkomen andere wereld – bij de
Spoorwegen; toch overheerst de ontzag-
wekkend belezen man van wetenschap. Daarnaast zijn engagement met de eco-
nomische en politieke vragen van de

dag: diepe depressie, werkloosheid,
schier eindeloze deflatie, devaluatie,
fascisme, Eenheid door Democratie.

Hoe kan één man voor dit alles de
energie, de tijd en de moed vinden?
Goudriaan kan vermoedelijk de

eerste bedrijfskundige in ons land ge-
noemd worden. De onderdelen van zijn
o nde rwij staa k, hierboven genoemd,

wijzen daar reeds op, maar ook blijkt
telkens duidelijk zijn Delftse achter-
grond: techniek en wiskunde. Ook zijn omschrijving van ,,bedrijfseconomie”:

,,De bedrijfseconomie heeft tot taak ons
wetenschappelijk inzicht te verschaffen
in de middelen en methoden om een
bedrijf zo goed mogelijk te leiden” 1).

Het is bijzonder jammer, dat Goudriaan

door zijn vertrek naar Zuid-Afrika in
1949 de ontwikkeling van de bedrijfs-
kunde niet heeft meegemaakt. De varia-
bele budgettering – opgekomen in
depressietijd – en beslissingscalculaties
speelden in zijn onderwijs een grote rol;

bij de laatste is wat wij thans de varia-
bele kostencalculatie noemen duidelijk
te onderkennen. In geschrifte waren zijn

persoonlijke bijdragen tot de ontwikke-
ling van de bedrijfseconomie beperkt,
maar achter hem werkten de ,,Philips-
scribenten”: M. J. van der Ploeg, P.

Bakker, J. G. Stridiron, om er enkele
te noemen. In hun boeken is veel van

Goudriaans
denken
en
doen
terug te
vinden. Een opvallend duidelijke onder-
toon in zijn bedrijfseconomische ge-
dachtenwereld is zijn streven naar egali-
satie van het activiteitsniveau van de
onderneming: ,,to peak off business”.
Daarbij stonden ,,theeconomicsofover-
head costs” centraal,J. M. Clark, bekend
door zijn uitspraak: ,,different costs

for different purposes”, was verplichte
literatuur.

Zijn grote belangstelling voor de cen-

trale problemen van het geldwezen, on-
getwijfeld ingegeven door de desastreuze

invloed van eerst deflatie en later in-
flatie op de gang van zaken in het eco-
mische leven, is bekend. Een van de

gangmakers in de Vereniging voor
Waardevast Geld in de jaren dertig, de

ontwerper van de zgn. grondstoffen-
valuta, recentelijk nog de man, die in dit
blad de kwalijke gevolgen van inflatie
in een boeiende reeks artikelen uiteen-
zette 2). Ook voor de hedrijfshuishou-
ding besteedde hij veel aandacht aan de
manier, waarop met inflatie in calculatie
en administratie rekening gehouden
moet worden.
Het is zeer de vraag, of Goudriaans
werkelijke belangstelling wel meer naar

de bedrijfseconomie dan naar de alge-
mene economie uitging. Zijn in 1939

uitgesproken stelling, dat ,,al wat er aan
werkelijke exacte wetenschappelijke
waarheid op economisch gebied bestaat

(zich) laat . . . samenvatten in een dun
boekje van misschien twaalf of zestien
bladzijden”, getuigt niet van grote

belangstelling voor de laatste, maar het
in 1951 gepubliceerde boek van 250 blad-
zijden over
Economie in zestien blad-
zijden
demonstreert zelf het tegendeel.

De concentratie in ,,zestien bladzijden”

blijkt vooral te berusten op de toewijzing
van zeer fundamentele leerstukken aan

de bedrijfseconomie en op het invoeren
van onbepaalde grootheden, hetwelk
wegens onvruchtbaarheid ,,een belang-
rijk deel van de economische theorie
en van de econometrie van de agenda

(doet) verdwijnen” 3). Het tekent weer
de manager in de wetenschapsman, de
combinatie van
denken
en
doen
ter
realisering van een bepaald doel, dat
hoofdstuk V: ,,De regulatie van de eco-nomische activiteit” verreweg het groot-

ste en voor ons het meest boeiende
hoofdstuk is.

De mens Goudriaan is bepalend voor

.de keuze van het doel: economische

stabiliteit als voorwaarde voor het geluk
der mensheid. Men zou anno 1974 bijna

wensen, dat
Socialisme zon(ler clogma’s

uit 1933 opnieuw in de algemene belang-
stelling zou komen. Ontdaan van de

tekenen des tijds bevat het veel, dat nu
actueel is. ,,lk predik U een zeer manlijk,

een zeer viriel ideaal. Een oneindige,
onbeperkte, onaantastbare, teedere en
innige liefde voor de menschheid. Een
zeer critische, een zeer scherp zoekende,
keurende, wikkende en wegende hou-
ding tegenover alle maatregelen, die het

welzijn der menschheid kunnen dienen.
En dan de moed om op uw eigen inzicht
te vertrouwen en door te tasten” 4).
En ten slotte de allerlaatste zin:

,,Liefde tot menschheid, wil tot daden
voor haar welzijn, een sterk creatief

èn critisch intellect gericht op haar
zaak – dit is het hele socialisme:
het Socialisme zonder dogma’s” 5). Dit

bevat enkele duidelijke trekken van
Goudriaans zelfportret. Een ondogma-
tisch socialist of een zeer menslievende

liberaal? Voor
nu
ware het wenselijk in

te zien, dat tussen beide nauwelijks

verschil bestaat.
R. Burgert

Die onta’ikkelin,g van die hedrijfvekono-
mie,
oratie Pretoria, 1949.
De sociologie van de chronische inflatie,
ESB.
23 februari, 1 maart en 8 maart 972;
Nationale en internationale elementen van
chronische inflatie,
ESB, 16
mei, 27 juni, II
juli en 25juli1973.
Economie in zestien bladzijden,
1952,
blz. VII en blz. 20.
Socialisme zonder dogma’s.
1933, blz.
124.
Idem blz. 129.

ESB 10-4-1974

313

Au courant

Inkomensbeleid

als vanouds

A. F. VAN ZWEEDEN
De verkiezingen voor de Provinciale
Staten hebben een nieuw bewijs aange-

dragen voor de aloude stelling dat onder

een kabinet met progressieve inslag de
bestuurbaarheid van het sociaal-econo-

misch gebeuren er gemakkelijker op
wordt. Immers, niet alleen kon het kabi-

net-Den Uyl uit de stembusuitslag op-
maken dat zijn beleid steun onder de
kiezers vindt, opmerkelijk is vooral de
winst die de Partij van de Arbeid be-

haalde op de CPN, waarmee werd aan-
getoond dat ook de werknemers in com-

munistische bolwerken als Amsterdam
en Groningen zich in dat beleid herken-

nen en dat ondanks de campagne van de
communisten tegen de loonmaatregel.
Vakbeweging en kabinet behoeven

zich geen zorgen te maken over een her-
haling van het Fré Meis-effect, dat in het
begin van dit decennium een van de
hoofdoorzaken was van de crisis in de

vakbeweging.
Het beleidsprogramma dat juist voor

de Statenverkiezingen bekend werd ge-
maakt, moet indruk hebben gemaakt

op de werknemers ,,aan de basis”. Dit
programma is een omzichtige keus uit
de door werkgevers en werknemers aan-
geboden alternatieven, maar het resul-

taat komt zo dicht in de buurt van het

voorkeurspakket van de vakcentrales,
dat deze geen behoefte meer hadden aan
een moeizaam bevochten onderhande-
lingsresultaat waarvoor concessies had-
den moeten worden gedaan die misschien

bij de achterban niet in de smaak waren
gevallen.
Voor de werkgevers gold eigenlijk
hetzelfde. Ook zij zagen geen heil in een akkoord dat hun onderhandelaars moei-
lijk tegenover hun achterban hadden

kunnen verantwoorden. Het gesprek in
de Stichting van de Arbeid kon in een
welwillende sfeer worden gevoerd, om-

dat de partners alleen maar een advies
aan de regerinjbehoefden uitte brengen.
Zij konden het aan het kabinet overlaten

de knoop te ontwarren. Alleen de ver-
tegenwoordigers van het midden- en

kleinbedrijf hadden geen vrede met het
resultaat. In duidelijke bewoordingen
schetsten zij hoe hard de loonkosten-
stijging die uit het arbeidsvoorwaarden-

pakket voortvloeit, aankomt voor de
zelfstandige kleine middenstanders.

Maar voor het overige was alles weer

als vanouds. Als in de dagen van de ge-
leide loonpolitiek werd weer afgedongen op cijfertjes achter de komma. Zo tracht-
ten de werkgevers aan te tonen dat het

uitgangspunt van de regering, een reële
verbetering van 1% voor werknemers
met een inkomen in 1973 van ca.

f. 13.000, overschreden wordt. De koop-
krachtverbetering van deze groep zou,
althans voor de werknemers met een

januaricontract, 1,5% bedragen en van

de groep van f. 17.500
0,5%.
Het nivel-

lerend effect van de maatregelen hakt
er volgens de becijferingen van de werk-gevers zo hard in, dat het reëel besteed-
bare inkomen van de groep van f. 24.000

al met 0,5% achteruit gaat, die van

f. 36.000 2%, de groep van f. 48.000
ongeveer 3% en inkomens van f. 72.000

3,5%.

Wie deze berekeningen beziet zal zich
minder verbazen over het feit dat de vak-
centrales zo gemakkelijk konden heen-
stappen over het loslaten van de aftop-

ping bij de prijscompensatie. Ze konden
immers meer dan tevreden zijn met het
nivelleringseffect dat voortvloeit uit de
gelijke nominale arbeidsvoorwaarden-
verbetering met een derde tranche van

vijftien gulden voor iedereen en uit de
belast i ngmaatregele n.

Dit resultaat was er bij vrij overleg

nooit uitgekomen. Het is ook alleen maar
aanvaardbaar onder de uitzonderlijke
omstandigheden waarin onze economie
is komen te verkeren met een tot enkele
procenten gereduceerde groei van het

nationaal produkten met een bestedings-
verlies als gevolg van de ruilvoetver-
slechtering dat berekend wordt op ca.
f. 4,5 mrd. Onder die omstandigheden
kan gesteld worden dat eigenlijk nie-
mand er in reëel besteedbaar inkomen
op vooruit kan gaan. Voor zover er nog

iets te verdelen valt is het alleen maar

rechtvaardig wanneer dat beetje ten goe-
de komt aan de laagste inkomens.
Het bestedingsverruimende beleid
van de regering roept toch enkele vragen
op die beslissend zullen yijn voor het

,,ex-post”-resultaat. In feite wordt im-mers een anticiperend beleid gevoerd.
De regering hoopt een terugval van de
bestedingen te voorkomen. Daarom wil
zij de ruilvoetverslechtering niet op-

vangen in de lonen door een drempel

bij de prijscompensatie toe te passen.
Bij een prijsstijging van 10 â 1 l be-

tekent dat een loonkostenstijging die gemakkelijk boven I5 kan uitkomen.

in sommige loonintensieve sectoren nog
veel meer. Het optimale resultaat dat het

kabinet beoogt is. een beperking van de verwachte stijging van de werkloosheid

tot een jaargemiddelde dat onder 130.000

komt te liggen. De werkloosheidscijfers
bevatten een harde structurele kern die
niet met Keynesiaanse maatregelen is

te bestrijden. De vraag is in hoeverre de
bedrijvigheid zo kan worden aange-

zwengeld met de flscale stimulansen voor
consumptieve bestedingen en investe-
ringen in gebouwen en outillage en met
de extra overheidsuitgaven dat de con-

juncturele component in de werkloos-
heid wordt geëlimineerd.
De regering loopt met haar program-
ma ook vooruit op de toekomstige extra
opbrengsten uit het aardgas. Daarmee
wordt een forse vermindering van het
batig saldo op de lopende rekening van

de betalingsbalans en een tijdelijk ver-
groot begrotingstekort gemotiveerd.

Inderdaad kan minister Duisenberg
wel enig voorschot nemen op de in 1973

opgebouwde deviezenreserves en op

toekomstige inkomsten. In 1975 echter
komt hij voor de grote taak te staan de
overheidsbestedingen weer in overeen-

stemming te brengen met een meer struc-
tureel budgetbeleid. financieringsmid-
delen te vinden voor nieuwe en uitge-
breide taken die dit kabinet op zich heeft
genomen om zijn beloften in te lossen en
de tijdelijke belastingverlaging die voor
de helft nog zal doorwerken op te van-
gen om het begrotingstekort binnen de
perken te houden. Daarbij vindt hij dan
een claim op zijn tafel voor toepassing
van de infiatiecorrectie, daar gedepo-
neerd door KVP en ARP. Onder die
omstandigheden zal het kabinet nauwe-

lijks onder een verhoging van de BTW uit kunnen. We moeten wel tot de con-

clusie komen dat veel van de enorme
problemen die het moeilijke jaar 1974

heeft opgeroepen naar 1975 worden
opgeschoven.

A. F.
van Zweeden

314

ESb
In gezonden
Ontwikkeling van de arbeidsmarkt

in zeehavengebieden

In de bespreking van het rapport van

de Commissie Zeehavenoverleg:
De ont-

i’ikkeIing van de arbeidsmarkt in zee-

havengebieden tot
1990
door L. Hoff-

man in
ESB
van 6 maart 1974, moeten
helaas enige misverstanden worden ge-
constateerd. Dit heeft geleid tot nader
overleg met de samenstellers van het
rapport. Om deze slechts als verduide-
lij kend bedoelde uiteenzetting niet langer
te maken dan de bespreking zelf, zullen
wij trachten in enkele punten aan te

geven waar de belangrijkste problemen liggen. Daarmee beogen wij bovendien

de goede interpretatie van het rapport

te bevorderen.

In de voorlaatste alinea van de be-
spreking wordt gesuggereerd, dat het

Directoraat-Generaal van de Arbeids-
voorziening de publikatie van werkloos-

heidscijfers in het rapport heeft tegen-
gehouden. Dit is niet juist. De werkelijke
reden, dat er geen absolute cijfers van het

werkloosheidsniveau zijn gepubliceerd
(in bepaalde gevallen wel mutaties t.o.v.
het zgn. centrale alternatief) wordt door
de heer Hoffman zelf al eerder in zijn

bespreking aangevoerd, namelijk daar
waar hij ingaat op de moeilijkheden bij
het ramen van de vraagzijde en bij het
ramen van de aanbodkant van de

arbeidsmarkt. Deze alinea’s eindigen
met de zin: ,,Het rapport bevat daarom

geen werkloosheidscijfers”. Op de door
hem op de aangehaalde plaats hiervoor
aangevoerde argumenten, die wij delen,
willen wij gaarne gezien het gesignaleer-

de misverstand nog enige aanvulling

geven.
Om de regionale werkgelegenheids-

prognoses te kunnen opstellen zijn twee

belangrijke veronderstellingen vereist. a. Er dient een uitgangspunt te worden
geformuleerd omtrent het niveau van
de nationale werkgelegenheid, het-

geen tevens een veronderstelling be-
treffende de nationale werkloosheid
inhoudt. In het rapport werd er in dit
verband van uitgegaan, dat de werk-
gelegenheid op een redelijk niveau zou
kunnen worden gehandhaafd. Men
mag immers niet aannemen, dat de

overheid lijdelijk zal blijven toezien

als de werkloosheid door bijv. olie-

schaarste (die overigens bij het af-
sluiten van het rapport nog niet actu-

eel was) structureel op een naar haar
oordeel te. hoog niveau zou blijven.

Het gaat hier dus om een uitgangs-
punt van de studie en niet om een

conclusie, zoals in de bespreking wordt

gesteld.
b. Er moet een veronderstelling worden
gemaakt omtrent het havenareaal,

dat in de betrdkken regio in het pro-
jectiejaar door zeehavenindustrieën

in beslag zal zijn genomen en omtrent
de daarbij betrokken directe werk-
gelegenheid. Gezien de onzekerheden

ten aanzien van de investeringsplan-
nen van het bedrijfsleven, beleids-ingrepen van de centrale en lokale

overheid (subsidiëring, vergunningen
enz.) en de invloed van factoren van
planologische aard hebben de samen-
stellers gekozen voor het opstellen

van alternatieven. Na wijziging van
het uitgangspunt voor areaal en werk-
gelegenheid (bijv. als gevolg van olie-
schaarste) is een alternatief, gelegen
tussen ,,geen groei” en ,,voortgezette
groei” en zelfs een met ,,negatieve
groei” gemakkelijk uit te rekenen.
Dit blijkt ook uit het antwoord van
de voorzitter van de Commissie, ge-
formuleerd op de vraag van de rege-

ring (blz. 2 van het rapport).

Deze twee veronderstellingen bepalen
– zoals men zal kunnen inzien – in be-langrijke mate de door het toegepaste model verkregen regionale werkloos-

heidsniveaus. Om te voorkomen dat

deze werkloosheidscijfers – los van de
achterliggende veronderstellingen –
zouden worden gehanteerd, werden ze

bewust niet opgenomen. Overigens
mag men niet vergeten dat werkloos-
heid het saldo is van vraag en aanbod

en, als elke saldopost, geladen met on-
zekerheden.
Tenslotte kan nog worden opge-
merkt, dat in de eigenlijke bespreking
tot onze spijt weinig aandacht wordt
geschonken aan de o.i. specifieke ver-
diensten van het rapport. Anders dan in
vroegere studies inzake werkgelegen-

heid in zeehavengebieden is in het rap-
port niet bij voorbaat v66r zeehaven-

industriële ontwikkeling gekozen, maar
worden neutrale uitgangspunten gehan-
teerd (wie had tot voor kort over ,,stop-

zetting van de groei” durven schrijven?).
Het rapport biedt, overeenkomstig de

taakstelling overigens, veel meer een

beleidsinstrumentarium dan een onder-
bouwing van een bepaalde regionale
beleidskeuze. De consequenties van een
aantal keuzebeslissingen worden in het

rapport niettemin uitvoerig beschreven.
Een andere verdienste van het rapport

is de koppeling, die daarin tot stand
wordt gebracht tussen de zeehaven-
projecten neergelegd in bestemmings-,
streek- en structuurplannen, het betrok-
ken areaal en de werkgelegenheid op
nationaal, sectoraal en regionaal niveau

anderzijds.

Th. E. van Vark,

Adjunct-secretaris Commissie Zeehavenoverleg

Naschrift

De bewering van de heer Van Vark dat
ik het rapport van de Commissie Zee-
havenoverleg heb misverstaan, is on-

juist. Niettemin is het ingezonden stuk
een nuttige toelichting op zowel dat
rapport als op mijn beschouwing in
ESB

van 6 maart jl.

Als je het rapport leest, krijg je
de indruk dat er werkloosheidscijfers
zijn berekend. Het lijkt erop dat deze cij-
fers op het laatste moment uit het rapport

zijn geweerd zonder de tekst voldoende
aan te passen. Het is onbelangrijk wie de

publikatie van deze cijfers heeft tegen-
gehouden. Uit betrouwbare bron vernam
ik dat de Commissie Zeehavenoverleg
dit zelf deed, na daarover te zijn geadvi-
seerd door het Directoraat-Generaal

van de Arbeidsvoorziening. Ik neem aan
dat de heer Van Vark hiervan op de

hoogte is.
Uit de briefwisseling tussen de
minister van Verkeer en Waterstaat en

de voorzitter van de Commissie Zee-

havenoverleg concludeerde ik dat de re-
gering graag meer alternatieven had ge-

ESB 10-4-1974

315

Dr. J. C. K. W. Bartel: Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van aande-
len.
Kluwer. Deventer, 1973, 276 blz., f 37,50.

zien. Uit liet rapport blijkt niet dat meer

alternatieven gemakkelij k zouden zijn

uit te rekenen. De voorzitter schrijft
slechts dat het rapport een voldoende

instrumentarium biedt ter voorbereiding

van doeltreffende beleidsbeslissingen. Je
moet kennis nemen van de struct uur
van de gebruikte modellen om de uit-

komsten van meer alternatieven te kun-
nen extra- of interpoleren. Ik zal niet

direct ontkennen dat dit gemakkelijk is
uit te rekenen. Ik vraag nie dan oven-

Dit boek is de handelseditie van een
proefschrift waarop Dr. Bartel enige
tijd geleden cum laude promoveerde
aan de Erasmus Universiteit in Rotter-
dam.

De schrijver beperkt het gebied van
zijn onderzoek tot de inkomsten-
belastingproblemen, die voortvloeien

uit aandelen, behorende tot het privé-
vermogen. Hij zondert daarbij uit de
aandelen, die een aanmerkelijk belang
vormen. Een verdere beperking van het
onderwerp bestaat hierin, dat alleen de
inkomstenbelastingheffing van de aan-
deelhouder object van studie is en dat
met name de rechtsgrond van de ven-

nootschapsbelasting en de vragen rond-
om een eventuele dubbele belasting

niet of zijdelings in de beschouwingen
worden betrokken.
Voor deze beperkingen zijn zeker

voldoende redenen aanwezig. Niet al-
leen zou zonder deze beperkingen de
omvang van het studieterrein ongetwij-

feld afbreuk hebben gedaan aan de
grondigheid, waarmee thans het be-
perkte onderwerp wordt behandeld.

Maar ook zou ten dele een doublure
ontstaan, omdat over het aanmerkelijk

belang reeds verschillende studies
verschenen, soms zelfs van vrij recente
datum. Gewezen kan worden op o.a.
het proefschrift van J. Mülder en dat
van Grapperhaus, alsmede de verhan-
delingen van Christiaanse, Van Dijck

en Nouwen. De dubbele heffing, die
veroorzaakt zou kunnen worden door de heffing achtereenvolgens van ven-
nootschapsbelasting en inkomsten-

belasting lijkt eveneens een bijkans
afgegraasd terrein. Te denken valt o.a.

aan de proefschriften van Roeloffs,
Grapperhaus en Van der Heeden, ter-
wijl ook terzake reeds een nota van de
Staatssecretaris van Fina nciën ver-
scheen.

gens wel af waarom dat niet is gedaan in

zowel de brief van de voorzitter aan dc
minister als in het ingezonden stuk van
de heer Van Vark.
Ad
3.
De heer Van Vark vindt het
jammer dat ik niet de specifieke ver-

diensten van het rapport heb genoemd.

Ik besef dat het rapport verdiensten
heeft, vooral indien er gemakkelijk meer

alternatieven kunnen worden berekend.

L.H

Hoewel begrijpelijk en zeer wel
verdedigbaar hebben de beperkingen de

studie echter toch ook een minder

afgerond karakter gegeven, althans de
studie vraagt om een vervolg. Bartel
duidt daar overigens zelf op, indien hij

– na eerst nog in ‘t kort het verreken-
stelsel van de vennootschapsbelasting
met de inkomstenbelasting en de bete-

kenis van dit stelsel voor de omvang
van de opbrengst van aandelen aange-
duid te hebben – zijn beschouwingen
aldus besluit: ,,Het zal dan ook nodig

zijn dat in de toekomst de problematiek
rond de ,,dubbele” heffing, de

opbrengst van aandelen en de
aanmerkelijk belang heffing niet
afzonderlijk bestudeerd en opgelost

worden, maar het gehele terrein even-
wichtig bewerkt wordt. Met het be-

schrijven van de inkomstenbelasting-
aspecten van de opbrengst van aande-
len heb ik hiervoor een bijdrage willen
leveren”. Daar mag ik dan aan
toevoegen: een zeer waardevolle bij-
drage.

De belastingheffing van de opbrengst

van aandelen wordt in belangrijke mate
bepaald door de wijze, waarop men de

aandeelhouder beoordeelt. Denkbaar
is, dat men door de juridische vormge-
ving van de onderneming heenziet en

meer acht slaat op de feitelijke, eco-
nomische verhoudingen. Men spreekt

dan van een ,,transparence fiscale”. De
aandeelhouders zijn dan zelf indirecte
ondernemers. Als dan ligt het voor de
hand de winst van de NV/BV als winst

van de aandeelhouders te zien en de
aandeelhouders voor deze winst recht-

streeks te belasten.
In de andere opvatting wordt de
aandeelhouder niet als ondernemer be-
schouwd. Dat is de NV/BV zelf, die

toch immers ook een afzonderlijke

rechtspersoon is. Dan valt de winst bij

die NV te belasten en blijft de aandeel-
houder zelf in beginsel (behoudens de
aanmerkelijk-belang-houder, aandelen

in bedrijfsvermogen en toepassing van
art. 31 W.I.B. 1964) buiten schot. zo-

lang de winst in de NV blijft opgepot.

Laatstgenoemde opvatting kreeg –

zo laat Bartel in zijn schets van het

verleden zien – reeds in een vrij vroeg
stadium de overhand. Waren aanvanke-
lijk in de Bedrijfsbelasting van 1893 de
naamloze vennootschappen reeds belast

naar de uitgedeelde winsten. bij de in-
werkingtreding van de Wet op de

inkomstenbelasting 1914 werden de

werkelijke opbrengsten bij de aandeel-
houders belast. Daarbij deden zich al-
ras vragen voor, wat nu wel en wat nu

geen bate voor de aandeelhouders was.

Anders dan bij de ..transparence fis-
cale” is bij de aandeelhouder als niet-
ondernemer slechts als regel te belasten
datgene. wat hij van de NV heeft geno-

ten. Dan zal men zich moeten gaan af-

vragen, of de toekenning van bonus-
aandelen, stockdividenden. claims enz.

voor de aandeelhouders opbrengst van
aandelen betekent.

Dit overziende komt men tot de slot-

som, dat op zijn minst de ..transparence
fiscale” dit voordeel heeft, dat daarmee
vele problemen met betrekking tot de

heffing over de opbrengst van aandelen
zouden zijn opgelost.

In een verhandeling over het vraag-
stuk van de dubbele heffing wees Chris-

tiaanse de gedachte van de ..trans-
parence fiscale” af, maar trachtte voor
de dubbele heffing een uitweg te vinden

door aansluiting te zoeken bij het on-

derscheid tussen .,open” en ..besloten”
vennootschappen. Voor de grotere aan-
deelhouders van een besloten vennoot-
schap stelde hij ten aanzien van hun
inkomstenbelasting over de uitge-

deelde winst een verrekening voor van
een gedeelte van de geheven vennoot-
schapsbelasting.

Bartel verwerpt de verrekening en de
tariefsdifferentiatie naar gelang de

rechtsvorm van de vennootschap
,,open” dan wel ,,besloten” van karak-
ter is. Hij gaat uit van twee groepen

aandeelhouders – de grote aandeel-
houders en de overigen – en meent

voor dit onderscheid voorshands ge-

bruik te kunnen maken van de wette-
lijke omschrijving van het aanmerkelijk belang (art. 39 lid 3 W.I.B. 1964). Voor
de a.b. houders enerzijds en de niet-a.b.

houders anderzijds doet hij vervolgens
een aantal, ten dele onderling afwij-
kende, aanbevelingen met betrekking
tot de verschillende soorten op-

brengsten van aandelen. Zo stelt hij

voor, dat bij beide categorieën de uitke-
ring van bonusaandelen onbelast zullen zijn. Bij inkoop van eigen aandelen zou

bij de niet-a.b. houder eveneens geen

heffing van inkomstenbelasting plaats-
vinden, omdat het voor deze aandeel-
houder, die geen inkoop door de NV

316

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
medicijnen en techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL ROTFERDAM B.V.

Waarin opgenomen:
De
Wester Boekhandel Stamboekhandel Rotterdam

Rochussenstraat 223, Rotterdam 3003
Tel. (070) 76 11 88

Vestiging in de Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010)14 55 11,
toestel 31 15.

kan afdwingen, wezenlijk geen verschil

maakt of de aandelen door de NV dan
wel door derden worden gekocht. In-

koop van eigen aandelen van de a.b.

houder zou daarentegen bij deze wel tot

i.b.-heffing leiden.
Ook Bartel heeft daarmee de ,,transpa-

rence fiscale” afgewezen, maar laat –

afhankelijk van de sterkte van het
aandelenbezit – een bijzonder licht

vallen door de scheidingswand tussen

NV/BV en aandeelhouders heen op be-

paalde baten, die de aandeelhouders
ontvangen. Deze benaderingswijze is.

zeker aantrekkelijk en doet – zoals de
schrijver zelf ook opmerkt – recht we-
dervaren aan het subjectief karakter

van de inkomstenbelasting. In deze
opzet zou de a.b. regeling tevens meer
uit haar isolement worden verlost.
De behandeling van de beide groepen
aandeelhouders leidt in de nadere
uitwerking van Bartel ertoe, dat bijv.
bij inkoop van eigen aandelen voor
beide groepen een wat arbitrair bepaalde
heffing van vennootschapsbelasting en

een daaruit voortvloeiende bijstelling
van het ,,fiscaal erkend” kapitaal

plaatsvindt, maar dat daarenboven bij
de a.b. houders soms een progressieve
i.b. heffing wordt toegepast, zij het on-

der verrekening van de geheven ven-

nootschapsbelasting.
Twijfel rijst bij mij, of het verschil in

behandeling aldus op de meest juiste en
eenvoudige wijze aansluit bij het uit-

gangspunt: de grootte van het aande-
lenbezit en de machtspositie van de

aandeelhouder in de NV.
Het wil mij voorkomen, dat het
aanbeveling verdient de gekozen oplos-
sing tevens af te wegen tegen de resulta-
ten, die bereikt zouden kunnen worden,

indien de ,,transparence fiscale” meer

integraal zou worden aanvaard. Slechts
op een enkel probleem wil ik daarbij

wijzen.
Het ,,globale evenwicht” tussen de
heffingen over de opbrengst van

aandelen bij enerzijds de a.b. houder
en anderzijds de niet-a.b. houder
vraagt nadere studie, die niet zo

eenvoudig is, omdat de situaties bij
de verschillende categorieën gemak-
kelijk uiteen kunnen lopen. Het
proefschrift van Grapperhaus kan
hierbij mede een rol spelen.
De koppeling van een gedifferen-
tieerde heffing aan de rechtsvorm van

de vennootschap heeft dit voordeel,

dat de overgang van de ene rechts-
vorm naar de andere fiscaal kan

worden gemarkeerd. Een dergelijke
overgang ontbreekt bij een regeling,

die aansluit bij de al dan niet aanwe-
zigheid van een a.b. Immers, men
glijdt geruisloos van de positie van
a.b. houder naar die van niet-a.b.

houder. De fiscale neutraliteit komt
hierbij ook in gevaar. Bepaalde

fina ncieri ngsmaatregelen zal men
wellicht alleen om fiscale redenen
opschorten tot de wisseling van posi-

tie is bereikt. Dergelijke bezwaren
kleven ook aan de door Bartel

voorgestelde oplossing, ook al wor-

den deze in belangrijke mate door
hem ondervangen. Bij een meer inte-
grale aanvaarding van de ,,transpa-
rence fiscale” zullen deze bezwaren

ook nader moeten worden gewogen.

Een gewijzigde omschrijving van het
begrip a.b. zou het gevolg kunnen

zijn. Ter wille van de rechtszekerheid
zou bij beschikking voor de NV/BV
uitgemaakt kunnen worden, onder

welk regiem de aandeelhouders val-
len.

Zou men de a.b. houder indirect als
ondernemer zien en hem voor de hef

fing rechtstreeks een deel van de NV-

winst willen toedichten, dan is nog te
bezien of dit geen te grote practische
problemen oproept. Ik denk daarbij
o.a. aan het tijdig ter beschikking

hebben van gegevens voor de i.b.
aangifte.
Moet nog onderscheid gemaakt wor-
den tussen buitenlandse en binnen-
landse belastingplichtigen en rechts-
personen?
Ik zou de gedachte niet op voorhand
willen afwijzen, te meer en vooral
nu het aantal NV’s-BV’s met de dag

groeit. En dit ondanks het knelpunt

van de dubbele heffing!

Bij de belastingheffing over de

opbrengst van aandelen is – naast het
tijdstip van de overgang van winst uit

de NV naar de aandeelhouder en naast
de vaststelling, welk karakter de door
de NV aan de aandeelhouder gedane
uitkering heeft – van belang de totale
winst van de NV.
Inkomen voor de gezamenlijke
aandeelhouders moet uiteindelijk zijn
de totale winst van de NV gedurende
haar bestaan, voor zover deze winst de

aandeelhouders als zodanig toekomt.
Deze gedachte ligt ten grondslag aan de
huidige wettelijke regeling. Deze basis-

conceptie heeft ook als belangrijk uit-
gangspunt gegolden en is zonder meer
als juist aanvaard bij de uit drie delen

bestaande studie van Bartel.

In het eerste deel schetst hij in het kort
de historische ontwikkeling van de hef

fing over de opbrengst van aandelen.
Tot uiting komt, hoe aanvankelijk veel

meer de positiebepaling van de aandeel-
houder – is hij ondernemer? – aan-

dacht kreeg en hoe door de destijds
toegepaste heffingstechniek – onge-

twijfeld mede beïnvloed door andere in-
zichten in de belastingheffing van NV’s
– de basisconceptie niet geëffectueerd
kon worden.

Het tweede deel bevat een onderzoek
naar de verwerkelijking van de basis-
conceptie in het thans geldende recht.
In het derde deel richt het onderzoek
zich op de toekomst en betrekt de schrij-

ver daarbij mede het rapport van de

Commissie Hofstra inzake de bonus-
aandelen en stockdividenden in zijn be-

schouwingen. In dat deel doet hij
aanbevelingen voor wetswijzigingen en

ontwikkelt tenslotte een nieuwe opzet
voor de belastingheffing bij uitkering
van bonussen, inkoop van eigen aande-

len, terugbetaling van kapitaal enz.
waarbij hij de invoering van een nieuwe
rekengrootheid ,,fiscaal erkend kapi-taal” bepleit en daarmee de identiteit
tussen het handelsrechtelijke en fiscaal-
rechtelijke kapitaal verbreekt.

In de basisconceptie gaat het om de
winst van de NV die aan de aandeel-
houder wordt uitgekeerd. Betreft de

uitkering het kapitaalverkeer tussen NV
en aandeelhouders, dan dient geen
inkomstenbelasting te worden geheven.
De invoering van een rekening ,,fiscaal

erkend kapitaal” zou inderdaad ertoe
kunnen bijdragen het onderscheid tus-

sen beide soorten uitkeringen scherper
te doen uitkomen dan tot heden het ge-
val is. Maar met deze rekening zijn de
problemen over het op de aandelen
gestorte kapitaal en met betrekking tot
de vraag of een uitkering de kapitaal-

dan wel de winstsfeer betreft niet van
de baan. Men denke slechts aan de
informele kapitaalinbreng en de

verscheidenheid van meningen daar-
omtrent. Bartel – en ik volg hem hierbij

graag – is van mening, dat ook bij
uitkering van informele kapitaalinbreng

op grond van de basisconceptie geen
heffing van inkomstenbelasting moet

plaatsvinden, mits bij beschikking de
omvang van het fiscaal erkende kapi-
taal wordt vastgelegd. Men zij er zich overigens van bewust, dat ook bij een
vastlegging van de omvang van het fis-

caal erkend kapitaal de belangen van
NV en aandeelhouder niet altijd gelijk-gericht behoeven te zijn. Het arrest van

ESB 10-4-1974

317

het Haagse Hof van 22 december 1972

(B.N.B. 19731221) levert daarvan een

interessant voorbeeld op.

Zoals te verwachten is komt Bartel

bij een consequente uitwerking van de

basisconceptie ten aanzien van de bij-

stempeling van het aandelenkapitaal na
een voorafgaande afstempeling tot de
conclusie, dat in beginsel tot het afge-
stempelde bedrag voor de aandeelhou-
der een vrijstelling van inkomsten-

belasting moet blijven gelden. Ik vraag

mij af, of hier de toepassing van de

grondgedachte niet tot een te grote ver

fijning leidt, die bovendien niet vol-

doende aansluit bij de positie van de aandeelhouder. De argumenten voor

heffing ter zake van bijstempeling na

afstempeling mogen voor een groot deel
nauwelijks doeltreffend zijn, een feit

blijft, dat bij afstempeling een wijziging
plaatsvindt in de verhouding tussen NV

en aandeelhouders. Een vermogens-
verlies wordt door laatstgenoemden ge-
nomen. Een definitieve verrekening

vindt plaats. Juist indien men uitgaat

van aandeelhouders met aandelen be-horende tot een privé-vermogen, is er
naar mijn mening te weinig aanleiding

een latere bijstempeling toch weer in

verband te brengen met een vooraf-
gaande afstempeling.

Het boek van Bartel bevat een boei-

ende, diepgaande studie, wat betreft de

feiten o.a. gegrond op de resultaten van
een onderzoek naar de omvang van het

fiscaal erkende kapitaal van 55 beurs-
fondsen. Toetsing van het hedendaagse
recht aan de basisconceptie, de grond-

gedachte, levert een goed inzicht op in
de problemen – en het zijn er niet wei-
nige – met betrekking tot de
inkomstenbelastingheffing van de
opbrengst van aandelen. Men wordt er
tevens bij bepaald, hoe meningen en

opvattingen ter zake wisselen, waardoor
de rechtszekerheid in het gedrang kan

komen. Echter ook bij het ontwerpen
van een nieuwe regeling voor de heffing

van de opbrengst van aandelen verdient
deze studie aandacht.

T.
Rademaker

Rohert Pinker: Sociologie en sociaal
heleid.
Room BV, Meppel, 1973. 254
bi,.. 1. 19,90.

Centraal in dit boek staat de relatie
tussen sociologische t heoric en de Ont-

wikkeling van welzijnsbeleid en wel-
/ijils/org. De schrijver onderzocht de
eerste aanzetten van het sociaal beleid
iowel op het institutionele als op het
academische vlak en bespreekt de bete-

kenis die de 9e-eeuwse grondleggers
van de sociologie. Marx. Spencer.

Durkheini en Weher, voor de welzijns-

pro bie ma t ie k lie h hei gehad. Daarnaast
a na lyseert hij het vraagstuk vii ii de ar-

ni oed e i n die tijd en het alt won id da t

het sociaal beleid daarop gaf. In aan-

sluiting hierop richt hij zich op de nor

matief geladen theorieën van sociale
welzijnszorg, op de begrippen wil en stignia zoals zij iii de theorie van het

welzijn kunnen worden gebruikt en op

opvattingen over burgerschap en liet
gebruik van sociale voorzieningen. Het

boek besluit met een behandeling van
de rol die de socioloog in liet sociaal

beleid kan spelen. een opsomming van

de huidige beleidsproblcmen en niet een
reeks aanbevelingen hoe in de toekomst

liet beleid kan worden gevoerd. Dit

boek verscheen oorspronkelijk in Enge-
land onder de titel
Social iheorr anr/ 50(101
,w/fri

West-Nederland, chaotische planning

of geplande chaos? Van Gorcum en
Conip. BV, Assen, 1973. 242 blz..
f. 22,50.

Bevat het eindverslag van het congres
vati de Vereniging van Utrechtse Ge-

ografische Studenten op 10 en II okto-

ber 1972 te Utrecht. De bijdragen zijn:

• Prof. Dr. W. Steigenga. Problema-
tiek rondoni de Randstad:

• Drs. H. den Boer-d’Ancona. Wonen in West-Nederland: een ongewenst

kind uit het slechte huwelijk tusssen

woningbouwbeleid en planologische
visie;

• Drs. A. Bours. Entropië in het Wes-
te ii’!:
• Dr. J. Buit, Winkelvoorzieningen;

• Drs. W. J. van den Bremen, Trans-
port in West-Nederland; veelsoor-

tige problenien:
• Dr. J.J.C. Piket. Het laiidscliap:

• Drs. M. de Smidt. Stuwende bedrij-

vigheid in West- en Zuidwest-Neder

land: het st niet u u rbeeld van een
ititernationale werkbasis betrokken
in een nietropolitaan selectieproces:
• [)rs J. Veldniaii cii [)rs. L.M. van
Woerseni, De land bouw als concur-

rent oni ruinite, plaatsbepaling en
perspectief binnen liet rui nitelijke or-
deningsbe leid;

• Prof. Drs. G.J. van den Berg. Ge-
ogiafie in actie, een evaluatie.

Mr. H. C. J.
G.
Janssen: Fusie.
Tjeenk
Willink, BV, Groningen, 1973, 41 blz.

Deze rede, die werd uitgesproken bij

de aanvaarding van het ambt van ge-

woon lector in het sociaal-economisch
recht aan de Technische Hogeschool

Twente te Enschede op 12 april 1973.
bevat beschouwingen over geldend en

toekomstig Nederlands en Europees
economisch en sociaal fusierecht.

Mr. J. F. M. Giele met medewerking
van Mr. J.
W.
van den Berge: Peri-
odieke uitkeringen.
Fed’s Fiscale Bro-
chures, IB: 5.50, EED BV, Deventer,
1973, 136 blz., f.
17,50.
Fiscale brochure over periodieke uit-keringen volgens artikel 30 van de Wet

op de Inkomstenbelasting. Besproken
worden het begrip periodieke uitkerin-

gen. periodieke uitkeringen van publiek-

rechtelijk en familierechtelijke aard en
niet in rechte vorderbare uitkeringen.

Dr. N. Nobel: Belastingheffing van
ondernemingen met vaste inrichtingen.

Eed’s Fiscale Brochures. Diversen: 1.
FED BV. Deventer. 1973. 40 blz..

f. 6.50.

Bevat het nationaal rapport dat Dr.

Nobel opstelde voor het lF.A-congres te
Lausanne in 1973.

L. C. van Zutphen: Interne controle en

beveiliging

van

geautomatiseerde

informatiessiemen: ontwikkeling.

stand van zaken en
perspectief. \er-

mande Zonen N\. Ijmuiden. 1973.

27 blz.

Rede uitgesproken bij de aanvaar

ding van het ambt van buitengewoon

lector in de accountancy aan de Katho-
lieke Hogeschool te Tilburg op 17 mei
1973.

Gids bedrijven provincie Groningen.

Kamers van Koophandel en Fabrieken
voor Groningen en voor de Veenkolo-
niën en Oostelijk Groningen. 231 blz.

Gids van industriële, groothandels-.
vervoers- en andere dienstverlenende

bedrijven met 10 en meer personeelsle-
den in de provincie Groningen per ok-

tober 1973.

Esb
Mededeling

Industriële research
Op 3 en
4
mei a.s. organiseert het \’er-
bond van Wetenschappelijke Onderzoe-

kers in het Auditorium van de Techni-
sche Hogeschool te Eindhoven een con-

gres over industriële research. Het vraag-

stuk van het door de industrie verrichte
wetenschappelijke onderzoek zal daar-
bij worden besproken in het kader van

het wetenschapsbeleid en tegen de ach-
tergrond van de verhouding tussen on-

derneming en samenleving. Hierover
worden ,,case-studies” gepresenteerd
over onderzoekprojecten uit de labora-

toria van Shell. Unilever. Philips en
Akzo. Medewerking wordt verleend

door o.a. Dr. H. J. G. Meijer. Ir. H. Kra-
mers, Drs.
C. Poppe. minister F. H. P.
Trip en Dr. Ir. W. H. de Jeu.
Kosten: niet-leden: f. 10: leden en

studenten: f. 5; lunchpakket: f. 2.50;
themanummer van
Wetenschap en Sa-
!?1en%lerking:
f. 3,50.
Aanmeldingen v66r IS april door
overmaking van de kosten op girono.
22 32 1 t.n.v. VWO, Maarssen. Inlich-tingen: VWO, Mevr. C. J. A. van Ros-

sum du Chattel – Bendien,Abel Tasman-
laan 2, Maarssen, tel.: (03465) 1108

(

S
morgens).

318

Auteur