Ga direct naar de content

Jrg. 57, editie 2870

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 11 1972

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

11 OKTOBER 1972

EsbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

57e
JAARGANG

INSTITUUT

No. 2870

Selectief consumeren

Consumptiebeleid en consumentenbeleid zijn twee

begrippen die veel op elkaar lijken, maar waartussen

grote verschillen bestaan. Onder consumptiebeleid wordt

verstaan het ingrijpen door de overheid in het bestaande

consumptiepatroon en onder consumentenbeleid wordt

verstaan het nemen van maatregelen door de overheid

ter behartiging van consumentenbelangen.

Consumptiebeleid – het begrip wordt in Nederland

nauwelijks gebruikt – is vergelijkbaar met investerings-

beleid. Beide kunnen de omvang en samenstelling der

nationale bestedingen beïnvloeden. Ze kunnen elkaar
ook overlappen. Een investeringsbeleid dat gericht is

op het afremmen c.q. bevorderen van investeringen in

een bepaalde bedrijfstak heeft cet.par. tot gevolg dat de

consumptieve vraag naar produkten van die bedrijfstak

afneemt c.q. toeneemt. Op dezelfde wijze zal een in-

grijpen door de overheid in de consumptie van een

bepaald goed de investeringen beïnvloeden die voor de

produktie van dat goed noodzakelijk zijn. Een consump-

tiebeleid dient .in principe het belang van de gehele volks-

huishouding.

Een consumentenbeleid wil niet het consumptie-

patroon van de consument beïnvloeden, maar wil het

tot ontplooiing laten komen. Het consumptiepatroon is

een gegeven. Met behulp van een consumentenbeleid

kan de overheid ervoor zorgdragen dat de consumenten

worden gestetmd in hun vrijheid tot consumeren. Het

voeren van een consumentenbeleid wordt gestimuleerd

door de consumentenorganisaties, die vnl. via voorlich-

ting en bevordering van de economische mededinging

de consumentensoevereiniteit ondersteunen. In principe

dient consumentenbeleid niet het belang van de gehele
volkshuishouding, maar het belang van de consument.,

Het zou evenwel zinvol zijn eens na te gaan wie die

consument is en of het economisch subject waarin die

consument zit ook andere dan consumentenbelangen

heeft.

Een consumptiebeleid kan worden gebruikt bij de

conjunctuur- en structuurpolitiek. Bij een laagconjunc-

tuur zou de overheid, eventueel ondersteund door een

investeringsbeleid, die particuliere consumptie kunnen

stimuleren die het meeste effect op het nationale in-

komen heeft. Bij een hoogconjunctuur geldt iets der-

gelijks. Deze vorm van conjunctuurpolitiek bestaat al

enigszins. Het afremmen van de consumptie door middel

van indirecte belastingen is hiervan een voorbeeld.

Een consumptiebeleid kan ook worden gebruikt ter
bestrijding van inflatie. Het zou dan de consumptieve

bestedingen moeten afremmen die de grootste invloed

hebben op het prijsindexcijfer. Een dergelijk beleid is

niet gemakkelijk omdat het niet zonder meer door

middel van indirecte belastingen – die via indexerings-

clausules wel de prijs van een goed verhogen, maar

niet de vraag naar dat goed doen afnemen – kan

k

1

worden verwezenlijkt. Het verhogen van indirecte be-

lastingen moet daarom selectief plaatsvinden. De BTW,

met alleen maar een hoog en een laag tarief, lijkt mij

daarvoor ongeschikt. Effectiever is een afremmings-

beleid met behulp van verboden en geboden. Een

dergelijk beleid is echter moeilijk in te passen in onze

economische orde.
Hoewel het voeren van een consumptiebeleid, ondanks

zijn hoge effectiviteit, weinig geschikt lijkt voor een

anti-infiatiebeleid, lijkt het mij gemakkelijker bruikbaar

voor een structuurbeleid, vooral indien we in dat struc-

tuurbeleid de huidige maatschappijproblemen die samen-

hangen met de milieuverontreiniging, de ruimtelijke

ordening en het opraken van grondstoffen betrekken.

Het ziet ernaar uit dat de bevolking eerder een in-

grijpen in het consumptiepatroon accepteert om dit

soort problemen op te lossen dân om de inflatie te

bestrijden. Zo lang indexeringsclausules bestaan, zal het

gebruik van kostprijsverhogende belastingen en heffingen

evenwel moeilijk zijn. Hierdoor kan helaas niet steeds

gebruik worden gemaakt van een belangrijk kenmerk

van onze economische orde: het prijsmechanisme. Men

ontkomt er daarom niet aan met geboden en verboden

te gaan werken bij goederen die de huidige maatschappij-
problemen veroorzaken.

Natuurlijk moet een consumptiebeleid ten behoeve

van structuurpolitiek hand in hand gaan met een in-

vesteringsbeleid’). Het lijkt mij echter onjuist steeds de

nadruk op een investeringsbeleid te leggen. Uiteindelijk

draait alles om de consumptie. Het is evenwel be-

grijpelijk dat een selectief investeringsbeleid, vooral bij

linkse groeperingen, populair is. Investeringen zijn im-

mers niet zo zeer gebonden aan duidelijk aanwijsbare

personen. Het ingrijpen in het consumptiepatroon is

directer: het raakt iedereen, ook de kiezers.

Een bezinning op de vraag of een consument ook

andere belangen dan consumentenbelangen heeft, zou

wel eens tot gevolg kunnen hebben dat de verschillen

tussen consumenten- en consumptiebeleid vervagen. De

mening van het Konsumenten Kontakt en de Consu-

mentenbond dat het overheidsbeleid t.a.v. de consumen-

tenbelangen deel moet uitmaken van een geïntegreerd

welzijnsbeleid op langere termijn wijst al in deze

richting
2
).

Tot nu toe lijkt het er evenwel niet op dat politieke

partijen naast een selectief investeringsbeleid een selec-

tief consumptiebeleid durven presenteren; de Club van

Rome wordt vergeten tot na de verkiezingen.

L.H.

Een interessante beschouwing over selectief investerings-
beleid schreef Prof. Dr. C. de Galan in
ESB
van 19 april jI.
In hun brief aan de politieke partijen van 15 september
betreffende ,,Consumentenbelangen in verkiezingspro-
gramma’s”.

957

Inhoud

ECONOMISCH STATIS11SCHE BERICHTEN

Selectief consumeren

. 957

Drs. R. F. M. Lubbers:

1973

…………………………………………………959

Dr. A. Peper:

De Nederlandse arbeidsverhoudingen: coalitiemodel in wording

1
.

Inleiding

……………………………………………
960

II.

Modellen van arbeidsverhoudingen

………………………..
961

1.

De functie van modellen

………………………………
961

2.

Uitgangspunten en criteria

…………………………….
961

3.

Drie modellen in schema ………………………………
964

4.

Discussie

…………………………………………
964

III.

Op weg naar het coalitiemodel …………………………….
965

1.

De loonpolitiek als indicator

…………………………..
965

2.

Andere indicatoren

………………………………….
966

a.

Conflictenenconflictoplossing ……………………….
966

b.

Centralisatie/decentralisatie …………………………
967

De veranderende rol van de overheid

…………………..
969

Institutionele veranderingen …………………………
971

3.

Conclusies………………………………………….
973

IV.

Instrumenten van het coalitiemodel

………………………..
974

Inleiding

………………………………………….
974

Het nationale niveau …………………………………
974
Het ondernemingsniveau

………………………………
975
4.

Het bedrjfstakniveau

………………………………..
976

V.

Vancoalitienaarconflictmodel

…………………………..
976

Besluit………………………………………………….
977
Europa-bladwijzer

De Europese topconferentie van 19 en 20 oktober 1972,
door Europa

Instituut

Leiden

………………………………………..
977

Weekblad van
de
Stichting
Het
Nederlands
Economisch Instituut
Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. K/aassen, H. W. Lambers, P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotierdam-3016; kopij voor de redactie:
postbus 4224.

Tel. (010)145511, toeste/3701.
Bij adres wijziging s. v.p. steeds adresbandje meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
72, 80 per jaar.
studenten f46,80,franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Prijs van dit nummer:f2,00.
Abonnementen kunnen ingaan op elke gewenste datum, maarslechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Postrekeningno. 8408;
bankrekening no. 25 50 56 877 bij
Bank Mees & Hope -NV te Rotterdam.
Voor België: Ban que de Commerce,
Koninklijk plein 6, Brussel,
postcheque-rekening 260.34.

Advertenties:
N. V. Koninklijke Drukkerijen
.Roelants – Schiedam,
Lange Haven 141, Schiedam,
tel. (010)260260, toestel 908.

Onderzoek

is nodig. Het NE! heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast

het pure onderzoekwerk houdt hei zich bezig met het uit-
voeren van opdrachten van overheden en bedrijfsleven in

binnen- en buitenland. Het heeft thans ervaring op vele ge-

bieden,
in
een spreiding over 50 landen. Er heeft in die
periode een specialisatie plaatsgevonden, maar door de

samenwerking in teams van economisten, economelristen,

wiskundigen, sociologen, sociaal-geografen, stedebouw-

kundig ingenieurs en civiel-ingenieurs wordt een brede

aanpak van de problemen gewaarborgd.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50,
Rotterdam-3016;tel. (010)145511.

Onderzoekafdelingen:

Balanced International Growth

Bedrijft-Economisch Onderzoek

EconomIsch-Sociologisch Onderzoek

Economisch- Technisch Onderzoek

Vest igingspatronen

Macro-Economisch Onderzoek

Projectstudies Ontwikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch-Mathematisch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

958

R. F. M. Lubbers

1973

Wanneer men aan de hand van

de
MEV
het regeringsstandpunt be-

studeert; dat er volgend jaar buiten

de ‘post incidenteel geen ruimte is
voor een verbetering van het reële

vrij besteedbare loon, krijgt men hèt

gevoel, dat de teugels wel erg strak

worden aangetrokken. Het heeft er

de schijn van dat de recentelijk be-

kend ‘geworden sterk meevallende

belastingopbrengst het regeringsbe-

leid niet meer heeft (kunnen) be-

invloed(en). Bij een toelaatbare stij-

ging van de loonsom per werkne-

mer van 9% (mcl. de stijging so-

ciale lasten
,
voor werkgevers) en een

prijsstijging van
5%
wordt gemikt

op een wel zeer solide dekking van

de overheidsuitgaven. Dit gebeurt

door een gamma van overheidsmaat-

regelen, waarvan gemeten naar ‘hun

effect op de prijzen de verhoging

van de BTW-tarieven en de tariefs-

aanpassingen bij de overheidsbedrij-

ven het belangrijkst zijn.

Het tweede deskundigenrapport
van de SER ziet meer ruimte. Met

name het aantrekken van de con-

junctuur in het buitenland en de

daarmee samenhangende angst voor

nieuwe spanningen op de arbeids-

markt biijkt reden een loonsomstij-

ging van 11% te bepleiten. De daar-

uit voortvloeiende prijsconsequentie

wordt ,binnen de perken gehouden

door van de overheid een handha-

ving van het lage BTW-tarief op

4% en een matiging van de verho-

ging van de overheidstarieven te vra-

gen. Deze inkomstenderving is yoor
de overheid aanvaardbaar bij de hy-

pothese, dat de structurele budget-

ruimte met 6% blijft stijgen in plaats

van de door de regering veronder-

stelde
5%.

Aldus zou bij 11% loonsomstij-

ging, 5
1
/2%
prijsstijging optreden.

Uitgedrukt ‘in initiële contractloon-

stijging staat het regeringsstandpunt

van 1
1
/
2
% â 2% tegenover 3% â

31/2% van de deskundigen. Afhan-

kelijk van het feit of men bij het

regeringsstandpunt meer geïrriteerd

was door de zeer rigide dekking yan

de overheidsuitgaven en het irreële

van een ,,nullijn streven” bij een

aantrekkende arbeidsmarkt (?), of
meer verontwaardigd over het ge-

mak, waarmee de deskundigen ho-

gere werkloosheid (tenderend naar

een niveau van
23/2%)
accepteerden

en vrijwel geen eigen Nederlandse

bijdrage aan ‘de inflatiebestrijding

wensten te doen, moest men zijn

keus tussen het alternatief van 9%

en 11% maken.

Inmiddels zijn echter beide alter-

natieven tot het spel der vergissingen

gaan behoren. In de door de rege-

ring en deskundigen gehanteerde cij-

fers zit immers een grote mistaxatie

ten aanzien van de stijging van de

sociale verzekeringspremies. Met na-

me de WAO-premie zal veel meer

omhoog moeten dan werd aangeno-

men. Men’ ‘kijkt ‘nu ook met sterk

gemengde gevoelens tegen de in

1972 bereikte produktiviteitsstijging.

De werkloosheid is immers een vol

procent hoger dan een jaar geleden

verwacht werd en de stijging van het

aantal ‘ arbeidsongeschikten is nog

frappanter. Er heeft een sterke inte-

ring op de sociale verzekeringsfond-

sen plaatsgevonden. Nu per jaar-

ultimo wordt de rekening gepresen-

teerd. De premielast voor werkne-

mers en werkgevers zal voor ieder

2% stijgen. Te zamen 4% tegen

een raming van
23/2%
in de
MEV.

Door deze noo’dlottige ontwikkeling

wordt het onderscheid tussen het

regerings- en het deskundigenalterna-

tief theoretisch van aard.

De regering ziet zelfs bij handha-

ving van haar
,
beleidsuitgangspunten

de loonsom tot dicht tegen de 11%

stijgen. Deze loonsomstijging leidt in

1973 tot een prijsstijging van 6%;

wil de regering dus de totale prijs-

stijging duidelijk onder de 6% hou-

den, dan is een bijdrage van de

overheid in de prijsmatiging als ge-

vraagd door de deskundigen nood-

zakelijk. Anderzijds zal de 11%

loonsomstijging van de deskundigen

niet langer meer corresponderen met

een initiële stijging in de contracten

van 3% â
33,%,
maar met 2%.

Dit is niet veel meer dan de stijging

van de sociale verzekeringspremies

voor de werknemers. De verbetering

van het reële vrij beschikbare inko-

men ,bestaat dan voornamelijk uit de

post incidenteel.

Na regering en SER-deskundigen

voert hei bedrijfsleven het derde be-

drijf op. Dè vakbeweging zâl moeite

hebben haar totale landelijke en spe-

cifieke bedrijfstakpakketten binnen’

de 11% (mcl. de sociale lastenstij-

ging werkgevers) te houden. De uit-

daging aan de werkgever om, de

prijsstijging binnen de 5
1
/2%
te hou-

den is zo mogelijk nog groter, en

alleen maar haalbaar als de prijsin-

dexclausules een correcte zuiverings-

drempel kennen. Komt het bedrijfs-

leven er echter niet uit dan treedt

een cumulatie van effecten .op. Gaat

de loonsom de 11% duidelijk te

boven, dan komen de . overheidsuit-

gaven door de stijgende prijzen’ zo

in de knel dat handhaving van het

4%-tarief en relatieve verhoging van
de overheidstarieven niet langer ver-

antwoord zal lijken.

Het een met hèt ander te zamen

leidt dan al weer snel toi een prijs-

stijging van 7%, waarmee de vi-

cieuze cirkel weer gesloten zou zijn.

Het reële volume van de overheids-

uitgaven komt dan opnieuw in de

knel, de werkloosheid wordt groter.

Bij dit alles is het wel goed te ‘be-

denken, dat ‘bij een matigingsafspraak

in ieder geval twee groepen beduidend

boven de nullijn komen. Dat, zijn

,dan de minimumloontrekkers die het

meest profiteren’ van de herstructu-

rering van de loonbelasting en de

AOW-genieters, die een extra verho-

ging van 4% zullen ontvangen.

Daarmee wordt de ‘Nederlandse tra-

ditie, dat onze armen de rijkste ar-

men ter wereld zijn, voortgezt.

959

De Nederlandse arbeidsverhoudingen:

coalitiemodel in wording

DR. A. PEPER

Op
13
januari
1971
publiceerde de
heer Peper,

thans

lector in
de

beleidssociologie aan de

Nederlandse Economische Hogeschool
te Rotterdam,

in ESB een
artikel: ,,De overgangsjaren

van de Nederlandse
arbeidsverhoudingen”.
Het aantal

reacties
op dit art i.kel was

zo

groot

dat het antwoord van
Peper daarop
pas nu gepubliceerd kan worden. De omvangrjkheid en

de belangrijkheid van
het onderwerp
zijn
een rechtvaardiging voor het feit dat ESB deze week

bijna alle kolommen aan Peper beschikbaar stelt. De discussie is
hiermee gesloten.

1. INLEIDING

Eén van de kenmerken van systemen van arbeids-

verhoudingen (SAV) is dat zij niet snel veranderen.

Immers, ook arbeidsverhoudingen (AV) vormen de

neerslag van een lang historisch proces, waarin maat-

schappelijke continuïteit én beweging beide aanwezig

zijn geweest. Tegen die achtergrond is het dan ook

nauwelijks bezwaarlijk dat ik – door omstandigheden –

wat langer dan gebruikelijk heb gewacht met beantwoor-

ding van de serie bijdragen, die in dit blad zijn ver-

schenen naar aanleiding van mijn artikel over de ver-

anderingen in de Nederlandse AV
1).
In dat artikel heb

ik een schets gegeven van de wijzigingen in de na-

oorlogse AV die ik interpreteerde (en deels profeteerde)

in termen van een verschuiving van het integratie- naar

het coalitiemodel. Daarbij constateerde ik dat de eerste

aanzetten voor een zodanige verschuiving al in de jaren

vijftig te registreren vielen. Het volgende decennium

(1960-1970) geeft het beeld te zien van vrij grote ver-

anderingen, van een zoeken naar nieuwe structuren/

procedures voor de regeling van de AV, reden waarom

ik heb gesproken van overgangsjaren. Die overgangs-

jaren duren voort. Toch vertegenwoordigt een tijds-

bestek van ruim anderhalf jaar – nI. de tijd verstreken

sinds mijn publikatie – weer een voldoende lange
periode om te onderzoeken of de eerder door mij

getrokken lijnen juist zijn, c.q. correctie behoeven. Er
is in die tijd het nodige gebeurd! Zo heeft de regering
de Loonwet en het Loonmatigingsbesluit in de ijskast

gezet. Zo zijn er heftige arbeidsconflicten geweest in

de bouwnijverheid en metaalindustrie, terwijl ook vak-

verenigingen onderling het met elkaar aan de stok

hebben gehad. En last, but not least zijn er de politieke

verwikkelingen van de laatste maanden, die in wezen
zijn terug te voeren tot problemen in de AV.

In dit artikel zal ik proberen in te gaan op de

interpretaties, aanvullingen en gezichtspunten die – in

chronologische volgorde – door Van Esveld, Haveman,

Top, De Lange, De Jong en Buiter naar voren zijn

gebracht
2)
Zij hebben in hun bijzonder waardevolle

bijdragen aandacht gevraagd voor essentiële elementen

in ons SAV. Zij zullen het mij hopelijk niet euvel

duiden dat ik mijn antwoord niet de vorm meegeef van

een reactie waarin op de voet alle opmerkingen, be-

zwaren en gegevens worden gevolgd. Dit lijkt mij weinig
aantrekkelijk voor de lezer.

Een ander bezwaar is dat mijn bijdrage – nu toch al

omvangrijk genoeg – te groot zou worden voor publi-

katie in dit tijdschrift. In een veld waarin de aandacht

zich zo richt op de zorgen en feiten van alledag, lijkt

een oriëntatie op de structurele componenten van dat

veld alleszins verantwoord. Daarbij zijn feitelijkheden

uiteraard van groot belang, doch hun betekenis ontlenen

zij in de eerste plaats aan hun relatie tot een min of meer

theoretisch kader. Zeker voor een artikel is een beper-

king in de vermelding van feitelijke gegevens verant-

woord en wetenschappelijk zinvol, wanneer zij uitdruk-

kelijk worden opgevoerd als indicator in een bepaald

systeem van (theoretische) vooronderstellingen of para-

digma’s.

Mijn betoog heeft dan de volgende, mede door de

discussiebijdragen bepaalde, structuur. In de eerste plaats

is er enige discussie ontstaan (Top) over het karakter

van de modellen – het integratie- en coalitiemodel

-, die ik heb opgevoerd. Het is daarom noodzakelijk

scherper en vollediger een (beperkt) aantal modellen

van AV te presenteren (II). In de tweede plaats zal ik
ingaan op het bezwaar dat ik aan de loonpolitiek – als

onderdeel van de ,,industrial relations” (IR)
3)
– een te

beslissende betekenis heb toegekend als indicator voor

de door mij geanalyseerde overgang van het integratie-

naar het coalitiemodel. Naast de loonpolitiek zal ik

Dit artikel: De overgangsjaren van de Nederlandse
arbeidsverhoudingen, verscheen in
ESB
van 13 januari 1971.
Reacties hierop van Van Esveld, Haveman, Top, De Lange,
De Jong en Buiter, verschenen in
ESB
van resp. 17 februari,
12 mei, 11 augustus, 10 november, 8 december 1971 en
5
april 1972.
Bij de bijdrageii van Van Esveld en Haveman zal ik nu
niet zo lang stilstaan, omdat ik daarop reeds heb gereageerd
in
ESB
van resp. 17 februari en 26 mei 1971.
Deze term wordt in dit artikel als synoniem gebruikt
voor (systeem van) arbeidsverhoudingen.

960

andere indicatoren, die ik overigens al in mijn eerdere

bijdrage heb genoemd, wat breder uitmeten. In het

bijzonder de kwesties van: centralisatie – decentrali-

satie, de rol van de overheid, de functieverschuivingen in

de instellingen (SER, Stichting van de Arbeid, College

van Rijksbemiddelaars e.d.) én de duiding van de aard

van de arbeidsconflicten. Deze analyse mondt uit in de

conclusie dat wij nog steeds – en duidelijker – op weg

zijn naar het coalitiemodel (III). In de derde plaats zal ik

iets zeggen over de (mogelijke) instrumenten die bij het

coalitiemodel passen (IV). Tenslotte wil ik mijn betoog

afsluiten met enkele opmerkingen over de vraag of (de

nadering van) het coalitiemodel een tussenfase is op

weg naar het conflictmodel (V).

II. MODELLEN VAN ARBEIDSVERHOUDINGEN

1. De functie van modellen

Buiter en Albeda hebben ongetwijfeld gelijk wanneer

zij – op verschillende plaatsen
4)
– opmerken dat in

Nederland de studie van ,,industrial relations” zich op

een laag niveau (van abstractie) bevindt. Weliswaar

hebben economen, arbeidsjuristen en, in mindere mate,

sociologen belangrijke deelbijdragen geleverd, doch van

een meer geïntegreerde benadering, die haar recht-

vaardiging vindt in de eigenstandigheid van het veld der

AV, is volgens Albeda nog nauwelijks sprake. Buiter

spreekt van de theoretische en praktische armoede van

de ,,industrial relations”
5).
Theoretisch is die ,,armoede”

in ons land m.i. mede het gevolg van het feit dat onze

AV tot voor kort maatschappelijk weinig problematische

trekken vertoonde. Er bestaat immers een (positieve)

relatie tussen de mate waarin bepaalde maatschappelijke

terreinen problemen oproepen en de hoeveelheid (we-

tenschappelijke) aandacht die daaraan wordt besteed
8).

Nu vooral de laatste jaren de AV belangrijke veran-

deringen ondergaan – dat is voor iedereen ,,at face

value” duidelijk -, ontstaat er, zowel bij zgn. praktijk-

mensen als bij wetenschapsmensen, veel verwarring over

de interpretatie van die veranderingen. Het heeft daarom

alle zin, zoals ik in mijn eerste bijdrage heb geprobeerd,

met bepaalde voorstellingen te werken die proberen een

voorlopige ordening in de gebeurtenissen, feiten en

ontwikkelingen aan te brengen. Men kan die voorstel-

lingen, een tikkeltje modieus, aanduiden als modellen.

Belangrijker dan de naamgeving – theorie, model,

paradigma – met haar wetenschapstheoretische impli-

caties, is de poging om op een iets hoger abstractie-

niveau wetenschappelijk en praktisch greep te krijgen

op de ontwikkelingen. De bepaalde voorstelling van
zaken noem ik model, in andere bewoordingen ,,een

werkbasis, een complex veronderstellingen, die ons in

staat stellen begripsmatig een sociaal verschijnsel te

benaderen”
7).
Een model kunnen we beschouwen als

,,a rather general image of the main outline of some

major phenomenon, including certain leading ideas about

the nature of the units involved and the patterns of their

relations”
8).
Idealiter zijn in het model de belangrijkste

kenmerken van het verschijnsel (waarvoor het ,,model”

wil staan) opgenomen. Dat is echter niet altijd mogelijk,

juist omdat het model veelal een hypothetisch (en

heuristisch) karakter draagt. In een veld dat theoretisch

en begripsmatig nog weinig is omgeploegd, werkt men,

welhaast per definitie, met een model (of modellen),

waarvan men weet dat het niet volledig is, maar waarvan

men, in de woorden van Naess en Galtung, ,,aanneemt

of hoopt dat het op zijn minst belangrijke kenmerken

weergeeft”
9).
Dat geldt wel in het bijzonder voor de IR.

Daar moeten we in eerste aanleg werken met zeer een-

voudige modellen, die niettemin de essentie van be-

paalde sociale situaties/ontwikkelingen kunnen weer

geven.

De functie van modellen is dus dat zij:
een kader bieden voor de bijdragen van verschil-

lende wetenschappen, die zich met de AV bezighouden.

Door zijn wat hogere graad van abstractie kan het model

als het ware overkoepelend werken met betrekking tot

de deelbijdragen van de verschillende disciplines. De

modellen die hier in het kort behandeld zullen worden,

zijn dan ook geen typisch sociologische modellen. Men

kan ze – veelal in ingewikkelder vorm – terugvinden

op zo onderscheiden terreinen als de internationale

politiek, het vredesonderzoek, de geestelijke volksge-

zondheid, de organisatieleer e.d.

aandacht vragen voor essentiële kenmerken van

sociale verschijnselen. Daarmee stimuleren zij de theorie-

vorming, omdat zij anderen uitnodigen te reageren in

termen van alternatieve modellen of wijzigingen en

verfijning van bestaande modellen. Zo heeft bijv. Top

in zijn artikel het door mij genoemde integratiemodel

opgesplitst in een harmoniemodel en een competitie-

model, terwijl hij aan het coalitiemodel nog het conflict-

model toevoegt.

2.
Uitgangspunten en criteria

Toegespitst op het Nederlandse SAV baseer ik mij op

de volgende
uitgangspunten:

a. In de eerste plaats ga ik ervan uit dat er relaties

bestaan tussen de participanten in de AV en dat deze

relaties een gedwongen karakter hebben. Deze dwang is

een gevolg van het feit dat de participanten voor de

realisering van hun doeleinden, hoe dan ook, op elkaar

zijn aangewezen. Dit houdt tevens in dat er altijd een

zekere structuur (ordening) in de relaties aanwezig is.
Vandaar dat we kunnen spreken over het
systeem
van

AV (,,industrial
relations”).
De participanten hebben

hierin de status van
subsystemen.
Deze constatering is

– hoe evident ook – van belang omdat daarmee pro-

cessen van samenwerking en conflict tot normale en

altijd aanwezige verschijnselen worden teruggebracht. In

het functioneren van elk sociaal systeem treden deze

processen op. Deze processen worden overigens maar al

te dikwijls verward met
structuren.
In het laatste geval

gaat het erom, na te gaan welke de relatie is tussen

bepaalde structuren van AV en het optreden van

Buiter, o.c., blz. 342; zie de strekking van het betoog
van W. Albeda over: De loonpolitiek als probleem van
sociaal-economisch beleid, in zijn bundel
Sociaal-economisch
beleid en economische orde,
Rotterdam, 1971, blz. 41-61.
Buiter, o.c., blz. 342.
Het lijkt mij daarom niet toevallig dat het een buiten-lander is geweest die het standaardwerk over de arbeids-
verhoudingen in ons land heeft geschreven. Ik doel hier
uiteraard op: John P. Windmuller,
Arbeidsverhoudingen in
Nederland,
Utrecht/Antwerpen, 1970.
R. W. Boesjes-Hommes,
De geldige operationalisering
van begrippen,
Meppel, 1970, blz. 194.
S)
Alex Inkeles,
What is sociology ?,
Englewood Cliffs
(NJ), 1964, blz. 28. 9)
Arne Naess en Johan Galtung,
Införing i logikk og
metodelaere,
utgave 2, Oslo/Bergen, 1967, blz. 182.

ESB 11-10-1972

961

processen van conflict/samenwerking. In de ene struc-

tuur zullen intensiteit, frequentie en reikwijdte van con-

flict/samenwerking een ander beeld vertonen dan in de

andere structuur.

In de tweede plaats beperk ik het aantal sub-

systemen tot drie, te weten de overheid, de werkgevers-

(organisaties) en de werknemers(organisaties). Zij vor-

men de belangrijkste partijen in het systeem. Dit is

inderdaad een beperking, omdat er ook andere belan-

gengroeperingen kunnen worden aangewezen, die enige

invloed op het systeem uitoefenen. Te denken valt bijv.
aan al die groeperingen, waarvan de arbeidsverhouding

niet wordt geregeld door een collectieve arbeidsovereen-

komst. Niet voor niets heeft de minister van Sociale

Zaken kortgeleden gesprekken gevoerd met vertegen-

woordigers van de zgn. vrije beroepen, die hij opriep

tot matiging in hun inkomenseisen. In hetzelfde vlak

liggen de eisen van de vakbeweging – uitvoerig gefor-

muleerd in haar actieprogramma (1971) – t.a.v. de

besteding van (de groei van) het nationale inkomen

voor collectieve voorzieningen. Want ook hier worden

wensen naar voren gebracht die van belang zijn voor een

veel grotere groepering dan die welke onder de collec-

tieve contracten valt. Tenslotte worden als ,,omgevings-

factor” de internationale (grensoverschrijdende) rela-

ties steeds belangrijker. Zij zullen in toenemende mate

invloed uitoefenen op de Nederlandse verhoudingen

(bijv. multinationale ondernemingen, Europees onder-

nemingsrecht, EG, internationale samenwerking binnen

de vakbeweging e.d.). De drie partijen

samen één

systeem – houden dus ook rekening met wat men

de ,,omgeving” van het systeem zou kunnen noemen.

Hoe vaak gebeurt het niet dat zij – om beurten of

tegelijk – het Nederlandse volk aanspreken, zo in

de trant van: ,,Wij menen dat het Nederlandse volk

alle begrip zal kunnen opbrengen voor het door ons

ingenomen standpunt”. Met erkenning van het belang

dat die omgevingsfactor kan hebben, is het verantwoord

om het aantal partijen tot drie te beperken, omdat

genoemde omgeving (of delen daarvan) zich niet op

een zodanige wijze tot een georganiseerde macht heeft

ontwikkeld dat zij
in
het systeem kan of moet worden

opgenomen. Waar dat wel het geval is (bijv. multi-

nationale ondernemingen, EG e.d.), is het voorshands

onduidelijk hoe deze machten in het systeem te plaat-

sen zijn; voor een belangrijk deel liggen zij ook buiten

de beïnvloedingssfeer van het systeem.

In de derde plaats zijn de drie partijen elk zo

onmisbaar voor het functioneren van het systeem, dat

bij non-coöperatie van één van de partijen het systeem

(tijdelijk) ontregeld wordt. Daarmee wil niet gezegd zijn

dat alle partijen even veel macht bezitten, wel dat zij

elk machtig genoeg zijn om de andere partijen onder

forse druk te kunnen zetten. Dat is een belangrijk ver-

schil met de belangengroeperingen in de omgeving van

het ,,industrial relations”-systeem
(IRS). De
macht van

elk der partijen sluit uiteraard niet uit dat twee partijen

een coalitie vormen. Er kunnen situaties zijn, waarin

twee partijen elkaar vinden op een gemeenschappelijk

standpunt tegenover de overblijvende partij. Dit moet

uiteraard geïnterpreteerd worden als een (poging tot)

machtsvergroting, die door beide partijen profijtelijk

wordt geacht. Twee voorbeelden: werkgevers en over-

heid vormden in de herfst van 1970 een coalitie tegen

de vakbeweging in het kader van de doorvoering van

het Loonmatigingsbesluit door de regering De Jong.

Na de mislukking daarvan is tussen werkgevers en werk-

nemers een coalitie ontstaan op het punt van de primaire

verantwoordelijkheid voor de loonvorming (ni. bij het

georganiseerde bedrijfsleven), een standpunt dat overi-

gens snel door de regering is overgenomen.

In dit verband is een opmerking over de overheid als

partij op haar plaats. Herhaaldelijk wordt namelijk ge-

steld dat de overheid – waarmee voor alle duidelijkheid

bedoeld wordt: het politieke systeem in engere zin

(regering, parlement, politieke partijen) – geen partij is

tussen
de partijen, maar partij
boven
de partijen. Zonder

te willen ontkennen dat aan de overheid staatsrechtelijk

een ,,laatste oordeel” is voorbehouden, lijkt het mij

reëler haar als één van de partijen van het systeem op

te vatten. Het simpele feit dat de politiek in ons maat-
schappelijk bestel geen totale besturing van de samen-

leving kan realiseren – en derhalve maar één van de

maatschappelijke krachten is – pleit voor dit standpunt.

Wel zal een overheid, die ook andere belangen in het

oog wil houden, in de regel enige terughoudendheid

betrachten in het partij kiezen in een conflict tussen

werkgevers en werknemers. Zij vormen immers de harde
kern van het systeem.

Gegeven bovenstaande uitgangspunten, resteert de

vraag, welke nu de
criteria
(kenmerken) zijn met behulp

waarvan een typering kan worden gegeven van een be-

perkt aantal ,,pure” modellen. Het is goed om deze

modellen in enigermate zuivere vorm in beeld te krijgen,

opdat we bij confrontatie met de werkelijkheid kunnen

bepalen welk model (of: welke combinatie van welke

elementen uit de onderscheiden modellen) de meest

adequate beschrijving geeft van ons SAV en – niet te

vergeten – de ontwikkelingen daarin.
Binnen
het

systeem lijkt mij het onderzoek naar de volgende ken-

merken van beslissende betekenis:

de mate van overeenstemming (consensus) tussen de

partijen over de doelstellingen op langere termijn;

de mate van onafhankelijkheid (functionele autono-

mie) van de partijen.

Daaraan zou ik nog een tweetal kenmerken willen

toevoegen, die van een andere, lagere orde zijn, te weten:

de mate van samenwerking/conflict;

de aard van de con flictoplossende mechanismen.

De laatste twee kenmerken zijn van 1 en 2 afgeleide

kenmerken, die hier om twee redenen toch apart worden

genoemd. In de eerste plaats omdat zij de meer opera-

tionele (zichtbare), dynamische en procesmatige uit-

drukking zijn van de modellen. Beschrijving van de

modellen met behulp van ook deze kenmerken, geeft

een beeld van het model-in-werking. In de tweede plaats

fungeren zij – logisch – als indicatoren voor de struc-

turele determinanten, die door 1 en 2 worden vertegen-

woordigd. Dynamisch geïnterpreteerd kan men zeggen

dat zij een signaalfunctie vervullen, waardoor wij op

het spoor kunnen komen van zich voltrekkende wijzi-

gingen in het systeem.

Alvorens een drietal modellen te behandelen, zal

eerst nog enige nadere inhoud worden gegeven aan

bovengenoemde kenmerken en hun onderlinge relaties.

Ad 1.
Met betrekking tot de mate van overeen-

stemming (consensus) over de doelstellingen, wil ik drie

gevallen onderscheiden:

• volledige overeenstemming;

• partiële overeenstemming;

• geen overeenstemming.

De modellen – én hun naamgeving – worden vooral

962

door dit kenmerk bepaald. In het eerste geval spreek ik

van
harmoniemodel
(eerder door mij integratiemodel

genoemd)
10),
in het tweede van
coalitiemodel
en in het

derde van
conflictmodel.
Van essentieel belang is dat

het hier om doelstellingen gaat, die naar hun aard een

langere-termijnkarakter hebben (ter aanduiding: mini-

maal
5-10
jaar). Anders zouden de onderscheiden mo-

dellen hun specifieke betekenis verliezen, omdat – zoals

eerder is opgemerkt – in elk systeem van arbeids-

verhoudingen samenwerking én conflict voorkomen.

De mate van overeenstemming tussen partijen kan

worden gezien als het produkt van de door de ver-

schillende partijen nagestreefde, en veelal in ideële of

ideologische termen geformuleerde, doelstellingen én de
feitelijk aanwezige belangentegenstellingen. Tussen fei-

telijke (en/of gepercipieerde) belangentegenstellingen en

doelstellingen bestaat uiteraard een duidelijk verband.

Waar de belangentegenstellingen zich
duidelijk
manifes-

teren, zullen ook de doelstellingen van de partijen ver

uit elkaar liggen. Is dat niet het geval, dan zullen ook

de verschillen tussen de doelstellingen niet groot zijn.

Er kunnen echter situaties ontstaan – van kortere of

langere duur -, waarin:

belangentegenstellingen worden afgezwakt ten be-

hoeve van een naar elkaar toegroeien (convergen-

tie) van de doelstellingen;

belangentegenstellingen worden aangescherpt ten be-

hoeve van een uit elkaar groeien (divergentie) van

de doelstellingen;

convergentie van doelstellingen plaatsvindt ten be-

hoeve van een afzwakking van de belangentegen-

stellingen;

divergentie van doelstellingen plaatsvindt ten be-

hoeve van een aanscherping van de belangentegen-

stellingen.

SAV kunnen zich dus ergens tussen de uiteinden van

het continuum, dat loopt van harmonie- naar conflict-

model, bevinden of ,,op weg” zijn naar één van de drie

modellen.

Ad 2.
Een ander structureel kenmerk van de AV is

de mate waarin de partijen zich onafhankelijk opstel-

len. Alvin Gouldners begrippen interdependentie en

functionele autonomie – oorspronkelijk meer betrokken

op intra-organisationele vraagstukken – kunnen voor

verheldering van dit punt goede diensten bewijzen
11).

Het begrip interdependentie refereert niet in de eerste

plaats aan de minimale samenhang die, in dit geval,

in het IRS aanwezig moet zijn wil het kunnen functio-

neren; het moet vooral verstaan worden vanuit de be-

hoefte aan zeifhandhaving van de subsystemen (partijen).

Systemen moeten onderzocht en beschreven worden in

termen van de graad van interdependentie van de sub-

systemen. Bezit het systeem bijv. een hoge mate van

interdependentie, dan is de speelruimte voor de delen

om zelfstandig hun koers te bepalen gering. Die speel-

ruimte, die onafhankelijkheid, noemt Gouldner: func-

tionele autonomie (van de delen). Er bestaat dus een

negatieve relatie tussen de mate van interdependentie

en de mate van functionele autonomie.

Hoewel door overwachte gebeurtenissen de interde-

pendentie van het systeem kan toe- of afnemen, en de

interdependentie daarnaast van vele andere factoren

afhankelijk is (geschiedenis, cultuur, externe dreiging

e.d.), zijn het concreet toch vooral de partijen die de

mate van interdependentie bepalen. De noodzaak, mo-

gelijkheid en/of wil van partijen om zo onafhankelijk

mogelijk te opereren is afhankelijk van factoren als:

doelstellingen, belangentegenstellingen, kracht en struc-

tuur van hun organisatie, solidariteit e.d.

Het moge duidelijk zijn dat er een sterk verband

(negatieve correlatie) bestaat tussen de mate van over-

eenstemming over de doelstellingen en de mate van

functionele autonomie die de partijen voor zich op-

eisen. Het harmoniemodel kent een grote interdepen-

dentie bij een geringe onafhankelijkheid van de par-

tijen; bij het conflictmodel is het precies andersom,

terwijl het coalitieniodel ook op dit punt tussen beide

modellen gesitueerd moet worden.

De mate van overeenstemming over de doelstellingen

en de mate van onafhankelijkheid zijn de factoren die

op een beslissende wijze het karakter van een SAV

bepalen. Zij bepalen ook in hoofdzaak de inhoud van

de afgeleide kenmerken.

Ad 3.
Bij de mate van samenwerking/conflict –

algemener: de mate waarin partijen contacten onder

houden – kan men een onderscheid maken tussen

reikwijdte, intensiteit en frequentie daarvan. Met reik-

wijdte doel ik op het aantal aanrakingsvlakken tussen

de partijen.

Waar partijen het (grotendeels) eens zijn over een

aantal doelstellingen op lange termijn (harmoniemodel)

– het systeem kent dus een grote interdependentie -,

is de verwachting gewettigd dat:

er over een breed front contacten tussen de

partijen zullen bestaan. Deze contacten zullen in sterke

mate georganiseerd zijn, zo men wil: geïnstitutionali-

seerd. Er bestaan over allerlei problemen vaste gemeen-

schappelijke commissies of organen;

de intensiteit van de contacten groot zal zijn. De

intensiteit van de contacten vloeit niet alleen voort uit

de gemeenschappelijke doelstellingen, doch is voorts

nodig ter bevestiging van die gemeenschappelijkheid;

de frequentie van de contacten groot zal zijn,

zowel absoluut als relatief. Het systeem behoeft perma-
nent ,,onderhoud”; veelvuldig contact tussen de partijen
is daarvoor een adequaat middel.

Naarmate we van het harmonie- naar het conflict-

model verschuiven, nemen reikwijdte, intensiteit en

frequentie van de contacten af.

Ad 4.
Bij de verschillende modellen passen ook

specifieke conflictpatronen en conflictoplossende mecha-

nismen. Bij het harmoniemodel zullen conflicten door

middel van
overleg
tot een oplossing worden gebracht.

Dit model is erop gericht conflicten zoveel mogelijk te

vermijden, in te dammen, omdat door de grote ver-

strengeling van belangen, conflicten potentieel een

totaal karakter kunnen gaan aannemen
12).
Het hele

Al is het slechts een kwestie van naamgeving, geloof
ik – bij nader inzien – dat de term harmonie geschikter is dan integratie. Harmonie verwijst meer naar een stabiele
toestand met betrekking tot de doelstellingen, integratie
meer naar een proces. Daarnaast sluit een term als
harmoniemodel meer aan bij een reeds ingeburgerd spraak-
gebruik, al is dat laatste uiteraard geen enkele garantie
voor eenduidig gebruik. De criteria blijven het belangrijkst.
Voor een uitvoeriger behandeling van deze theorie
verwijs ik, kortheidshalve, graag naar: J. A. A. van Doorn,
Organisatie en Maatschappij,
Leiden,
1966,
blz.
239-250;
voortreffelijke beschouwingen ook bij J. J. J. van Dijck,
Organisatie in verandering,
Rotterdam,
1972,
blz.
202-232.
Van Dijck, o.c., blz.
204-209.

ESB 11-10-1972

963

systeem zou daardoor kunnen desintegreren.
In
het

coalitiemodel worden conflicten hoofdzakelijk opgelost

door
onderhandeling,
somtijds voorafgegaan door strijd

(met name staking). Het conflict heeft in dit model een

meer ,,lokaal” karakter, omdat partijen het over som-

mige zaken wel eens en over andere Vrij permanent

niet eens zijn. In het conflictmodel is
strijd
het belang-

rijkste middel; als er al onderhandeld wordt – in de

allerlaatste fase van het conflict – dan heeft het

resultaat van die onderhandelingen een wel zeer tijdelijk

karakter. De strijd kan op elk moment weer beginnen.

De positie van de ,,derde” partij – de overheid –

vertoont in de drie modellen grote verschillen. Omdat in

het harmoniemodel de partijen geen fundamentele me-
ningsverschillen hebben, zal voor de regeling van con-

flicten in de eerste plaats aan privaatrechtelijke oplos-

singen de voorkeur worden gegeven. Dit sluit overigens

niet uit dat deze langzamerhand, materieel en/of for-

meel, een publiekrechtelijk karakter kunnen krijgen. Van

belang is echter dat de overheid een aanzienlijke terug-

houdendheid zal betrachten om op eigen initiatief con-

flicten aan de rechter voor te leggen. Meestal – en ook

dat zal zelden voorkomen – zal het initiatief van één

van de conflicterende partijen – werkgevers of werk-

nemers – uitgaan. Richtsnoer voor alle partijen is

echter dit te vermijden, daar dergelijke acties de goede

verhoudingen ernstig zouden kunnen aantasten. In het

coalitiemodel zal het meer voorkomen dat bij een con-

flict het oordeel zal worden gevraagd van een ,,vierde”

partij. Dat kan zijn een door de partijen aanvaard

conflictoplossend mechanisme (instituut) in het parti-

culiere vlak: een bemiddelingsinstelling of – al meer

publiek – bijv. een hof voor arbeidsgeschillen. Van

coalitie- naar conflictmodel gaande, zal de behoefte aan

de kant van de overheid (het politieke systeem) toe-

nemen om arbeidsgeschillen via wetgeving – en dus

met inschakeling van de rechtér – te beslechten (vgl.

Engeland).

3.
Drie modellen in schema

Proberen we, samenvattend, de modellen in een sche-

ma onder te brengen, dan krijgen we het volgende

beeld:

MATE VAN
SIATE VAN
..”
MATE VAN
SAMEN.
CONSENSUS
OVER
.
ONAFHAN
IJ

KELKHEID
WERK9..
CONFLICT-
OPLOSSENO
DOEL-
VAN
MATE VAN
MECHANISME
STELLINGEN
PARTIJEN
,,,-

CONFLICT
OVERLEG/
HARMONIE-
GROOT
KLEIN
Onder.
MODEL
KLEIN
handeling
S)

COALITIE-
ONDER.
MODEL
PARTIEEL PARTIEEL PARTIEEL
HANDELING/
Itrud
0)

CONFLICr-
STRIJD/
MODEL
KLEIN
1

GROOT
onder.
handeling al

a) De kleine letters geven aan dat deze confllctoplossende
mechanismen op de tweede plaats komen.

In het harmoniemodel hebben de partijen er geen

behoefte aan het SAV als zodanig te veranderen. In het

coalitiemodel, waarin de partijen deels gemeenschap-

pelijke, deels tegenstrijdige belangen hebben, zijn de

partijen erop uit de
voorwaarden
waaronder het systeem

werkt te wijzigen. Afhankelijk van de machtsontwik-

kelingeri e.d. kan dit – over een langere tijd gezien

– betekenen dat het systeem van karakter verandert,

bijv. zich beweegt in de richting van één van de andere

modeÏlen. Bij het conflictmodel streven één of meer

partijen ernaar om het systeem als zodanig (inclusief het

maatschappelijke systeem) omver te werpen en het te

vervangen door een geheel ander systeem.

Tenslotte kan het dynamische element nog door de

volgende figuur worden voorgesteld.

toenemende onafhankelijkheid van partijen
afnemende consensus tussen partijen
toenemend conflict tussen partijen

HARMONIE-

COALITIE-

CONFLICT-

MODEL

MODEL

MODEL
afnemende onafhankelijkheid van partijen
toenemende consensus tussen partijen toenemende samenwerking tussen partijen

4. Discussie

Top constateert in zijn bijdrage dat ik door de introductie
van het coalitiemodel een verfijning heb aangebracht in de
zo langzamerhand wat modieuze discussie over het har-
monie- en conflictmodel in de arbeidsverhoudingen. Minder
uitgewerkt dan hierboven is gebeurd, heb ik destijds de
modellen uitdrukkelijk betrokken op de doelstellingen van
het sociaal-economische beleid. In wat ik toen het integratie-
model noemde (nu: harmoniemodel) waren de partijen het
over die doelstellingen in essentie eens. Het coalitiemodel
heb ik vooral geïnterpreteerd als een onderhandelingsmodel.
Ik noemde het ,,een mengeling van samenwerking en
conflict”
13).
In plaats van drie modellen stelt Top een viertal modellen
voor, die ontstaan door de onderscheidingen harmonie-
conflict en coöperatie-competitie met elkaar te combineren.
Zo ontstaat – ik citeer
14) –

een harmonie-coöperatie-veld met verder te noemen:
het
harmoniemode!;
een harmonie-competitie-veld met verder te noemen:
het
competitiemodel;
een conflict-coöperatie-veld met verder te noemen:
het
coalitiemodel;
een conflict-competitie-veld met verder te noemen:
het
conflictmodel.

Kenmerkend voor de relaties tussen de partijen is, volgens
Top, bij 1: samenspel, bij 2: tegenspel, bij 3: overspel en
bij 4: spelbreuk. In de illustratieve uitwerking heeft Top
een centrale betekenis toegekend aan het woord
vertrouwen,
dat in mijn analyse terecht geen rol speelt
15).
Het is mij
een raadsel waarom Top ongeveer zijn hele betoog opzet
vanuit het begrip vertrouwen, waar ik toch in mijn bijdrage
structurele factoren heb behandeld. Met een begrip als
vertrouwen, dat nauwelijks operationaliseerbaar is, kunnen
arbeidsverhoudingen, noch worden beschreven, noch worden
geanalyseerd.
Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de interes-
sante poging om een grotere differentiatie in de modellen
aan te brengen, niet is geslaagd. Wat ontbreekt zijn namelijk
de criteria op grond waarvan de modellen zich enigszins
duidelijk laten onderscheiden. Ik ben wel gevoelig voor het
argument om een term als integratie – integratieve pro-
cessen komen immers in elk sociaal systeem voor – te
vervangen door harmonie. Maar willen we verder komen
dan meningsverschillen over naamgeving, dan is het nood-
zakelijk scherper de onderscheidende criteria op tafel te leggen. Naamgeving is dan nog slechts een kwestie van
afspraak. Want kijken we naar de termen van Top, dan is
het niet duidelijk waar hij precies op doelt. Een term als
harmonie kan bijv. wijzen op een
streven
en een
toestand,
conflict op een St reven,
een
toestand
en een
proces,
terwijl
verschijnselen als coöperatie en competitie processen zijn
die ook in elk sociaal systeem voorkomen. Kijken we naar
de laatste twee processen, dan is slechts de vraag interessant

O.c., blz. 33.
O.c., blz. 717.
Het komt ook in de tekst nauwelijks voor. In de in-
leiding tot het eigenlijke artikel sprak ik van een vertrou-
wensbreuk (blz. 28).

964

in welke verhouding zij in een bepaald sociaal systeem
voorkomen. En daaraan is direct de vraag verbonden, door
welke factoren die verhoudingen worden bepaald. Omdat de vier modellen van Top niet zijn onderscheiden
op grond van duidelijke — en meer op de structuur van de
arbeidsverhoudingen betrekking hebbende – criteria, is zijn
uitwerking hoofdzakelijk gehouden in termen van (typen
van) onderhandelingen tussen partijen. Dit is maar één kant
van de zaak, die overigens in mijn eerste bijdrage wellicht
ook een wat te zwaar accent heeft gekregen. Zelfs als we
aannemen dat Top zijn begrippen harmonie en conflict
vooral betrokken wil zien op de doelstellingen, dan is de
verbijzondering die hij met behulp van termen als coöperatie
en competitie wil aanbrengen in zoverre weinig verhelde-
rend, dat zij beide in combinatie met conflict en harmonie
worden gebruikt. Zij missen daardoor hun onderscheidende karakter, omdat de competitie in Tops competitiemodel van
een heel andere aard (en frequentie) is dan de competitie
in zijn conflictmodel. Dat geldt al evenzeer voor coöperatie.
In het harmoniemodel overweegt uiteraard de coöperatie
(samenwerking), maar ontbreekt de competitie niet, al was
het alleen maar vanwege het simpele feit dat zolang er ge-
sproken kan worden van partijen, er eveneens sprake is van
het bestaan van belangenverschillen. Anders zouden er ook geen verschillende partijen behoeven te zijn. Daarom is het
nodig, zoals ik in mijn modellen heb geprobeerd, een relatie
te leggen tussen de structurele determinanten van het IRS
en de aard van het conflict (samenwerking). Tops bijdrage
ontleent voor mij haar betekenis aan het feit dat zij mij
heeft gedwongen daaraan meer aandacht te besteden.
Tenslotte houdt Top aan het eind van zijn betoog een
pleidooi voor een voortgaande ,,verpubliekrechtelijking”
van onze arbeidsverhoudingen. Naar analogie van het parle-
mentaire stelsel — dit is zijn competitiemodel – pleit hij
voor een systeem van arbeidsverhoudingen

waarin bedrijven (zelfbesturend) worden gerund door be-
drijfsleidingen en bedrijfs-, ,parlementen”, bedrijfstakken
(of andere, territoriaal dan wel functioneel gestructureerde,
configuraties op het middenniveau van het arbeidsbestel)
door bedrijfschap én bedrijfschaps-, ,parlementen”,’ en waar-
in landelijk –
op SER-niveau
— ook weer een be-
stuurlijk orgaan optreedt naast en tegenover een (contro-
lerend) vertegenwoordigend orgaan. In zon systeem kun-
nen vakverenigingen zich ontpoppenals organisaties die
kunnen worden vergeleken met de politieke
partijen
in
het
parlementaire stelsel; CAO’s worden wetten” “).

Top verwijst voor een uitwerking van dit systeem naar
eerdere publikaties van zijn hand. Die zijn niet onopgemerkt
aan mij voorbijgegaan, doch binnen het bestek van dit
artikel kan ik niet uitvoerig op zijn gedachten ingaan. Wel
veroorloof ik mij de opmerking — soortgelijke opvattingen
kan men namelijk in verschillende politieke filosofieën
terugvinden — dat een dergelijk systeem — om twee
uitersten te noemen — zowel kan leiden tot een ook door
Top negatief gewaardeerde PBO-structuur als tot de vorm
van zelfbestuur, waar Top aan denkt. Beslissend is namelijk
het moment waarop je het wilt invoeren. De PBO is mis-
lukt, omdat — hoe belangrijk in deze filosofie idealistische
elementen als decentralisatie, zelfbestuur e.d. ook zijn –
zij werd ingevoerd op een moment dat de sociaal-econo-
mische ontwikkeling in Nederland een nieuwe fase inging
(krachtige industrialisatie, verbreding internationaal-econo-mische ‘betrekkingen enz.). M.a.w., er werd iets vastgelegd
vanuit de idee dat de maatschappelijke orde nu wel in een
soort evenwichtssituatie was gekomen, die het zinvol maakte
daar een (semi-)staatsrechtelijke structuur ,,onder te schui-
ven”. Die structuur moest dan worden opgevuld door ons daar gemeenschappelijk – wederopbouwideologie! – voor in te zetten. In essentie getuigt de PBO-gedachte van een
statische maatschappijbeschouwing.
Al gaan de gedachten van Top in een – wat mij be-
treft — sympathiekere richting, toch bespeur ik ook in zijn
opvatting een statische ondertoon. Statisch dan in de zin, dat hij een systeem voorstelt, dat — nu ingevoerd — niet
veel meer zou opleveren dan intentieverklaringen, formele
structuren e.d., die geen effect hebben. Anders gesteld: Top
heeft verzuimd de voorwaarden aan te geven, waaronder
een dergelijk systeem gerealiseerd zou kunnen worden of
zou kunnen werken.
Vervolgens profeteert en wenst Top een voortgaande
,,verpubliekrechtelijkjng” van onze arbeidsverhoudingen.
Niet duidelijk is echter welk van zijn modellen de meest
adequate omschrijving geeft van buy. de eerste 15 jaren
na de oorlog. Die vraag is van belang omdat hij mijn

analyse van de arbeidsverhoudingen, die wijst in de richting
van
mijn
coalitiemodel, omschrijft als een ,,ordinaire re-
gressie”. Regressie ten opzichte waarvan? Moet het na-
oorlogse systeem dan ,,ergens” geplaatst worden op een punt
tussen
zijn
coalitiemodel en
zijn
competitiemodel? Zo ja,
dan wijst het evolutionaire perspectief van Top erop dat wij in de naoorlogse jaren op weg zijn geweest van zijn
coalitiemodel naar zijn competitiemodel. Dit nu lijkt mij
een moeilijk met de feitelijke ontwikkelingen en situatie
overeen te brengen conclusie. Of hebben onze arbeids-
verhoudingen zich juist ontwikkeld van zijn harmoniemodel
naar zijn competitiemodel, wat dan in zijn gedachtengang
een verdere ,,verpubliekrechtelijking” bepaald niet waar-
schijnlijker maakt? Of zou misschien niet juist de weg van
harmonie- naar coalitiemodel eerder tot ,,verpubliekrechte-lijking” leiden? In die ontwikkeling komt de totale samen-
leving – dit is dus meer dan alleen werkgevers en werk-
nemers — sterker ,,onder spanning” te staan, waardoor zij
geneigd is tot het nemen van meer totale maatregelen (wet-
geving) waar ook de arbeidsverhoudingen zich naar te
schikken hebben. De grote opdracht waarvoor een samen-
leving, die zich democratischer wil organiseren, juist staat,
is om te voorkomen dat in dergelijke situaties dictatoriale
oplossingen ontstaan. Men kan het ook zo stellen: in een
proces dat gaat in de richting van mijn coalitiemodel zijn de drie partijen in feite bezig de voorwaarden en normen
te bepalen waaronder de zich ontwikkelende nieuwe arbeids-
verhoudingen moeten worden gestructureerd. Dit zonder
meer te omschrijven, zoals Top doet, als ,,verprivaatrechte-
lijking” is een misvatting. Daarmee wordt een – ook in de
tijd gezien – klein onderdeel van het proces verabsoluteerd.
Wat zich bijv. de laatste jaren in Nederland heeft afgespeeld
— zoals het ontstaan van een grotere onafhankelijkheid van
de partijen, een geringere oriëntatie op wat
vroeger
voor
algemeen belang werd gehouden, e.d. – wordt dan gauw
uitgelegd als ,,verprivaatrechtelijking”. Maar Top zal het
met mij eens kunnen zijn dat, ondanks de harmonieuzc
arbeidsverhoudingen van de eerste 15 á 20 jaar na de
oorlog, toch moeilijk gesproken kan worden van een uit-
voerige publiekrechtelijke regeling van de arbeidsverhou-
dingen. De PBO is daarvoor een te zwakke aanwijzing;
formeel heel wat, materieel weinig indrukwekkend. Juist de grote bereidheid tot samenwerking maakte dat in hoofdzaak
volstaan kon worden met het BBA. De effectiviteit van het
systeem was niet in eerste instantie het gevolg van wet-
geving, maar van de bereidheid bij alle partijen zich aan
deze en andere regels te onderwerpen. Toen de arbeidsver-houdingen zich echter vrij belangrijk begonnen te wijzigen
— Vrije loonpolitiek e.d. — ontstond de naar strekking en
werkingsgebied bredere Loonwet (1970).

M. OP WEG NAAR HET COALITIEMODEL

1. De loonpolitiek als indicator

In mijn vorige artikel heb ik aan de loonpolitiek een

centrale plaats toebedeeld als veld waarop de overgang
van het harmonie- naar het coalitiemodel zich het eerst

en duidelijkst zou manifesteren. Daarnaast heb ik nogal

lang stil gestaan bij een belangrijke institutionele corn-

ponent van onze arbeidsverhoudingen, namelijk de SER.

Door sommigen (o.a. Van Esveld) is mij verweten dat

ik op grond van de loonpolitiek te vergaande conclusies

heb getrokken t.a.v. de veranderingen in het totale SAV.

Anderen (o.a. Buiter) vinden het daarentegen wel terecht

dat ik hoofdzakelijk aandacht heb besteed aan de loon-

politiek. In het geding is dus de vraag in hoeverre de

loonpolitiek als een soort ,,key indicator” kan worden

gebruikt.

Eerlijk gezegd hebben de bezwaren de loonpolitiek

als centrale indicator voor de wijzigingen in ons systeem

op te voeren mij nogal verbaasd. Natuurlijk, ik weet

ook wel dat andere onderdelen van het systeem in de

16)
O.c., blz. 718.

ESB 11-10-1972

965

beschouwingen moeten worden betrokken. Dat is ook

gebeurd. Maar men kan nu eenmaal niet alles behandelen

in een artikel, ook niet in dit. Het is bepaald nood-

zakelijk meer onderzoek te verrichten naar eventuele

wijzigingen in de rest van het systeem, wellicht met

mijn analyse als (hypothetisch) uitgangspunt. Mijn stel-

ling is voorlopig dat wijzigingen op het loonpolitieke

front zich ook zullen doorzetten in bijv. de andere

institutionele componenten van ons systeem.

De loonpolitiek heeft in mijn visie een signaalfunctie.

Men hoeft immers geen puur kapitalistische of anti-
kapitalistische stellingen te betrekken om te moeten

erkennen dat de relaties tussen werkgevers en werk-

nemers zich in hoge mate concentreren op de vraag

tegen welke prijs de factor arbeid moet worden ingezet.

Ook alle zgn. secundaire arbeidsvoorwaarden worden

in de onderhandelingen vertaald in geld, c.q. het per-

centage loonstijging. In looneisen weerspiegelen zich

ook spanningen die in de niet-materiële sfeer liggen.

Daarvan zijn stakingen, medezeggenschapsproblemen,
ziekteverzuim waarschijnlijk de meest duidelijke uitin-

gen.

Veranderingen in de opstelling van partijen tegenover

elkaar komen wel heel duidelijk naar voren bij de

onderhandelingen over de prijs van de factor arbeid.

Die veranderingen zijn onder meer het gevolg van

wijzigingen in de marktsituatie en het sociaal-politieke

klimaat. De invoering van de geleide gedifferentieerde

loonpolitiek
17)
in 1959 betrof niet zo maar een nieuw

techniekje in de prijsbepaling, maar weerspiegelde wij-

zigingen van meer structurele aard, zoals: de afsluiting

van de wederopbouwfase van ons land, het schaarser

worden van de factor arbeid, het einde van de rooms-

rode kabinetten, enz. enz. Na 1963 – de loonexplosie –

zien we de zgn. vrije loonpolitiek tot ontwikkeling ko-

men, waarbij de hechte samenwerking tussen de drie

partijen uit voorgaande jaren plaats maakt voor een wat

,,lossere” structuur. Aan het georganiseerde bedrijfs-

leven valt in de eerste plaats de verantwoordelijkheid

toe over de prijs van de factor arbeid te onderhandelen.

De overheid doet een stap terug en wordt oplettende

toeschouwer van dit nieuwe onderhandelingsproces. Er

treedt een begin van scheiding van verantwoordelijk-

heden op, zo kenmerkend voor een ontwikkeling in de

richting van het coalitiemodel.

In het recente verleden heeft die ontwikkeling zich

verder doorgezet. Deze ontwikkeling laat zich, alweer,

het best indiceren door bewegingen aan het loonfront.

Zonder in detail alle gebeurtenissen weer in herinnering

te roepen, kan in dit verband gerefereerd worden aan

de grote havenstaking (1970), met in haar voetspoor

de 400-gulden-golf, de bouwstaking (1971) en, vers in

het geheugen, de metaalstaking (1972). En, zoals we ons

maar al te goed herinneren, ging het in die gevallen

niet over de instelling van een extra koffiepauze, maar

om conflicten over de loonshoogte. Toegegeven, er zijn

andere, vaak dieper liggende, oorzaken voor die con-

flicten aan te geven
18),
maar deze drukten zich vooral

uit in eisen met betrekking tot de loon- en arbeids-

voorwaarden en – in dit verband nog belangrijker – in

de wijze waarop de partijen de strijd met elkaar aan-

bonden. En al deze loonconflicten hebben laten zien dat

werkgevers en werknemers zich harder tegenover elkaar
opstelden. De conflicten waren van een grote intensiteit,

er waren grote aantallen werknemers bij betrokken en

de oplossing van de conflicten kostte, naar Nederlandse
maatstaven, veel tijd. Daarmee werd mi. op overtuigen-

de wijze de lijn in de richting van het coalitiemodel

een stuk doorgetrokken. Het lijkt mij daarom bepaald
verantwoord loonpolitiek als een centrale indicator te

gebruiken. Maar er zijn meer indicatoren.

2. Andere indicatoren

a. Conflicten en con flictoplossing

Nemen we de hierboven genoemde recente conflicten

als uitgangspunt, dan zien we dat zij – vergeleken met

eerdere conflicten – een ander karakter hebben en dat
zij op een andere wijze worden opgelost. In de eerste

plaats – ik noemde dat al in ander verband – is er de

massaliteit en langdurigheid. In de tweede plaats valt het

op dat de vakbonden in toenemende mate het initiatief

tot harde acties nemen dan wel bepaalde acties die

,,wild” beginnen overnemen. Had de havenstaking (1970)

nog voornamelijk een ,,wilde” oorsprong – de vak-

bonden kregen pas later enige greep op de situatie -, bij

de bouwstaking zien we een ,,wild” begin, dat snel door

de vakbonden wordt gekanaliseerd. De metaalstaking

wordt bijna volledig onder regie van de Metaalindustrie-

bond van het NVV voorbereid en geleid. De tijd tussen

het uitbreken van ,,wilde” acties én het overnemen ervan

door de vakbonden neemt af. We zien ook dat de vak-

bondsactiviteiten zich meer aan de ,,basis” voltrekken;

de georganiseerden spelen hierin – meer dan vroeger –

een belangrijke rol (ENKA-bezetting Breda, september
jl.!). Vroeger – de periode 1945-1965 (harmoniemodel)

– was het zo dat verreweg de meeste stakingsacties –

om bij de speculairste vorm te blijven – ,,wild” be-

gonnen en ,,wild” bleven. De vakbeweging distantieer-

de zich uitdrukkelijk van deze acties; zij stelde alles

in het werk ze te breken. Nu is het zo dat de vakbe-

weging de staking als wapen in het onderhandelings-

proces heeft opgenomen.

Hieruit blijkt opnieuw dat werkgevers en werknemers

zich militanter tegenover elkaar zijn gaan opstellen. Ook

de werkgevers laten zich in dit opzicht niet onbetuigd.

Dit is al begonnen bij de steun aan de door de vak-

beweging verfoeide loonwet. Het blijkt verder onder
meer uit de harde opstelling op allerlei terreinen van

VNO-voorzitter Bakkenist, uit het stichten van fondsen

ter bescherming tegen verliezen als gevolg van stakingen

(FME – metaalindustrie), uit de kwestie-Pelger, uit de

gretigheid om een derde partij als de rechter in te

schakelen
19)
enz.

Het specifieke karakter dat onze AV kenmerkt, uit

zich in de volgende verschijnselen.

1. De voor Nederlandse verhoudingen betrekkelijk

grote frequentie van massale arbeidsconflicten met een

militante inslag (stakingen).
Niet alleen het zoeken naar

een nieuwe SAV, maar élk streven bepaalde gegroeide

verhoudingen te doorbreken, gaat gepaard met een

verheviging van de conflicten. Sociale conflicten zijn dan

mechanismen ,,for adjustment of norms adequate to

new conditions”
20)

Deze term gebruikt Albeda, o.c., blz. 47.
Zo vroeg de Industriebond NVV bij de CAO-onder-
handelingen in de metaal om erkenning en faciliteiten voor
het zgn. bedrijvenwerk.
Als eerste belangrijke aanwijzing in die sfeer kan het
Panhonlibco-arrest (1960) worden genoemd.
Lewis Coser,
The functions of social
conflict,
New
York, paperback edition, 1964, blz. 154.

966

De buitengewoon ongeregelde wijze waarop de

conflicten zich voltrekken.
Het beeld dat men van het
conflictfront krijgt is bijzonder chaotisch; de zaak is

slechts gedeeltelijk onder controle en in ieder geval voor

de (krantelezende) buitenstaander bijzonder ondoor-
zichtig
21).
Een belangrijker aanwijzing is de wijze waar-
op de conflicten worden opgelost. Kenmerkend daarvoor

is het ad hoc karakter van de conflictoplossing. Per

definitie hebben zich in een overgangsfase nog niet

bepaalde vormen van conflictoplossing uitgekristalliseerd.

Het recente verleden geeft daarvan weer een aantal

fraaie voorbeelden.

Was het bij de havenstaking en de 400-gulden-golf

nog zo dat de werkgevers – met of zonder loonmaat-

regel – uiteindelijk zwichtten voor de druk van de

werknemers, bij de bouw- en metaalstaking verloopt de

conflictoplossing op een geheel eigen wijze. In deze

laatste gevallen – bij de metaal nog sterker dan bij de

bouw – staan de twee partijen lijnrecht tegenover el-

kaar. Zij zijn niet bereid om aan elkaars eisen tegemoet

te komen; er ontstaat als het ware een soort pat-stelling.

Om uit de situatie te komen – het conflict kan niet

eeuwig duren – is een onafhankelijke, voor beide par-

tijen acceptabele, derde nodig die het conflictoplossende

mechanisme weer in werking stelt. De beide partijen
komen via die derde – de bemiddelaar (,,mediator”) –

weer ,,on speaking terms”.

We zien dus bij dit type conflicten de noodzaak van

een bemiddelingsinstantie ontstaan. Bij het bouwconflict
was het de oud-werkgeversvoorzitter Bosma die die taak

op zich nam. Bij het metaalconflict werd het al ingewik-

kelder. Ook daar de noodzaak van bemiddeling, waar-

voor het trio Albeda, Coppes en Wijkstra bereid werd

gevonden. Hun pogingen strandden in het zicht van de

haven, waarna de hulp van levensverzekering-ombuds-

man Mr. Erdbrink moest worden ingeroepen om de

bemiddeling tot een succes te brengen. Inmiddels was

ook al de rechter als derde instantie ingeschakeld; de

geschiedenis is bekend. Nog vers in het geheugen ligt

de bemiddelende rol van de ministers Boersma en

Langman bij de bedrijfsbezetting van ENKA-Breda.

Conclusie: er zijn nog geen, door werkgevers en werk-

nemers, erkende en derhalve geïnstitutionaliseerde con-

flictoplossende mechanismen ontwikkeld. De conflict-

oplossing heeft vooralsnog een ad hoc en tamelijk

chaotische vorm, kenmerkend voor de overgangssituatie.

Wel is zeker dat de bemiddelingsfunctie in betekenis
toeneemt
22)
Te verwachten valt dat deze zich – hoe
dichter wij bij het coalitiemodel komen – verder ial

ontwikkelen en verzelfstandigen.
Het feit dat harde onderhandelingen meer en meer

de plaats innemen van het gemeen overleg wijst ook in

de richting van het coalitiemodel.
Duidelijk is dat de

partijen de middelen waarmee de onderhandelingen wor-

den gevoerd hebben uitgebreid. Het duidelijkst is weer,

aan vakbondszijde, het stakingswapen en de bezetting(!),

en, aan werkgeverszijde, de fondsvorming én de po-

gingen van de centrale werkgeversorganisaties hun leden

wat meer onder controle te krijgen. Daarnaast wordt

door beide partijen een gretig gebruik gemaakt van de

communicatiemedia (tv-optreden, perscommuniqués e.d.).

Dat het stakingswapen, voor Nederlandse verhoudingen,

vrij veel wordt gebruikt, hangt in mijn visie samen met

het feit dat in de overgangsjaren hardere middelen nood-

zakelijk zijn om tot nieuwe verhoudingen te komen. In

een min of meer gestabiliseerde situatie â la het coalitie-

model zijn stakingen (evenzeer de uitsluiting) als nor-
maal onderdeel in het onderhandelingsproces opgeno-

men. Het feit dat partijen er dan rekening mee houden,

garandeert aan beide zijden een spaarzaam en strategisch

gebruik van het ,,laatste middel”.

b. Centralisatie/decen tralisatie

De Jong heeft er in zijn reactie op gewezen dat ik

aan de decentralisatietendens die ik in mijn eerste artikel

als een belangrijke verandering in onze arbeidsverhou-

dingen heb aangewezen een veel te grote betekenis hecht.

Hij is van mening dat ons systeem zich de laatste jaren

,,niet alleen in een proces van decentralisatie bevindt,

maar ook in een proces van hernieuwde centralisatie,

dat m.a.w. de loonmaatregel geen incidentele ,,faux pas”

van de regering was, maar volledig in deze lijn paste”
23).

Wel meent hij – in tegenstelling tot bijv. Van Esveld

– dat ,,het gehele systeem duidelijk een ander karakter

heeft gekregen dan in het verleden het geval was”
24).

Dat betekent in zijn visie ook dat de instituties moeten

worden aangepast.

Jammer genoeg geeft De Jong niet aan wat, in grote

lijnen, het nieuwe karakter van het systeem is en welke

aanpassingen welke instituties zouden moeten ondergaan.

Met de constatering dat centralisatie en decentralisatie
naast elkaar voorkomen – wie zou dat trouwens willen

ontkennen? – komen we niet zo heel veel verder.

Mijn probleemstelling was (en is) immers of, over een

langere periode gezien, ons SAV kwalitatief veranderd

is. Mijn antwoord is ja, en daarvoor draag ik onder meer

de decentralisatiendens als bewijsmateriaal aan. Het

helpt ons weinig vooruit, zoals De Jong doet, om dan te

wijzen op de hernieuwde centralisatie wanneer niet

tegelijkertijd een karakterisering van het gehele systeem

wordt gegeven, wel of niet in termen van mijn probleem-
stelling.

De reden waarom ik nogal wat aandacht heb gegeven

aan de decentralisatie is even simpel als voor de hand

liggend, namelijk dat decentralisatie het
nieuwe
element

is in onze AV. Centralisatie kenden we al, en is dus

geen nieuw gegeven. Aan de decentralisatietendens die

De Jong – met voorbeelden gestaafd – ook ziet, hecht

hij kennelijk veel minder betekenis dan ik. Door uit het

recente verleden voorbeelden van decentralisatie en

centralisatie aan te dragen, verwart De Jong naar mijn

inzicht processen met structuren. Natuurlijk, in elk

systeem van arbeidsverhoudingen zijn centrale en de-

centrale processen te onderscheiden. De enige relevan-

te vraag lijkt mij echter te zijn hoe de verhouding

tussen beide is, want dat zegt namelijk iets over de
structuur van het geheel. In de ene structuur, in het

ene model komen naar verhouding meer centrale pro-

Zie voor een pleidooi voor meer openheid in het
sociaal-economische veld het interessante artikel van H. F.
Heijmans, Sociale politiek en openbaarheid,
ESB, 21
juni
1972,
blz. 600-603.
De noodzaak van institutionalisering zal zich steeds
sterker doen gevoelen, niet alleen omdat ad hoc oplossingen
vaak een onbevredigend karakter hebben, maar ook omdat
het aantal personen dat in aanmerking komt voor een
bemiddelingsrol gauw is ,,opgebruikt”. Het niet-institutionele
karakter van de conflictoplossing betekent namelijk dat
bemiddelaars het al gauw verkeerd doen. Het trio Albeda,
Coppes en Wijkstra zie ik niet zo gauw meer optreden bij
een metaalconflict.
O.c., blz.
1098.
O.c., blz.
1099.

ESB 11-10-1972

967

cessen voor dan in de andere structuur, het andere

model (vgl. het harmoniemodel met het conflictmodel).

De conclusie van De Jong dat we in ,,een nieuwe cen-

trale fase” zijn beland, wordt zelfs niet geschraagd door

zijn eigen voorbeelden. Want wat moet nu structureel als

decentralisatietendens worden gezien?

In de eerste plaats het feit – vele van De Jongs

centralisatievoorbeelden illustreren dat (onbedoeld, naar

ik aanneem) – dat in het systeem, d.w.z. het patroon

van relaties tussen
de partijen, de partijen zich
als par-

tijen
duidelijker zijn gaan profileren. Zij stellen zich

onafhankelijker op; ruimtelijk voorgesteld zou men kun-

nen zeggen dat de lijnen tussen de partijen langer zijn

geworden. Hierover bestaat zo langzamerhand een corn-

munis opinio, zij het niet over de waardering van die
tendens. Wanneer dus door De Jong in verschillende

van zijn voorbeelden wordt gewezen op het gezamenlijk

optreden van de vakcentrales, heeft dat niets te maken

met centralisatie in bovengenoemde zin. Daarmee wordt

alleen maar bewezen dat één van de partijen in het

systeem zich duidelijk wil manifesteren. Hetzelfde geldt

voor recente uitlatingen van regering en werkgevers. Dit

alles betekent dat de grotere distantie die de partijen

t.o.v. elkaar betrachten, de besluitvorming
in
het systeem

moeizamer en langzamer doet verlopen (vgl. in dit

opzicht de geleide en vrije loonpolitiek). Een typisch

kenmerk derhalve van een ontwikkeling in de richting

van decentralisatie.

Een andere vorm van decentralisatie, die niet met

de vorige vorm moet worden verward, maar daar wel

mee samenhangt, is de decentralisatie die zich niet tus-
sen, maar
binnen
de partijen voltrekt. Bij twee van de

drie partijen – nl. werknemers en overheid – is die

decentralisatie duidelijk aanwijsbaar; bij de werkgevers
zou ik eerder willen spreken van een ontwikkeling naar

centralisatie. Het is op deze plaats niet nodig, omstandig

de lotgevallen van de decentralisatie in de vakbeweging

te herhalen. De Jong geeft daarvan een aantal goede
voorbeelden: bedrijvenwerk, steun aan acties aan de

basis, groei van het aantal CAO’s, ontstaan van CAO’s

met ,,invul”-onderhandelingen (metaal) enz. Wij zouden

er nog aan kunnen toevoegen de gebeurtenissen rond

de bouw- en metaalstaking en debezetting van ENKA-

Breda. Duidelijk is dat de grote bonden – in tegen-

stelling tot vroeger – een grotere vrijheid van han-

delen opeisen. De centrales onthouden zich zoveel mo-

gelijk van publieke uitspraken over de conflicten. Zij

stellen zich terughoudend op.

De bonden zelf houden in hun besluitvorming in

steeds sterkere mate rekening met de opvattingen van

de leden. De laatste worden in het onderhandelings-

proces betrokken: met bepaalde voorstellen gaat men

eerst terug naar de leden (vgl. metaal) alvorens met

werkgevers verder te onderhandelen. De besluitvorming

krijgt – op de verschillende niveaus – een meer gede-

centraliseerd karakter. Er is niets dat erop wijst dat deze

tendens, die nog maar pas – en dan nog maar bij

enkele bonden – is ingezet, zal afzwakken.

In het gedrag van de overheid zien we dezelfde

tendens. In de jaren zestig delegeert de overheid, zo niet

formeel dan toch materieel, haar bevoegdheid in te grij-

pen steeds meer naar het georganiseerde bedrijfsleven.

Dat bedrijfsleven draagt, zoals dat heet, de primaire ver-

antwoordelijkheid voor de afsluiting van collectieve con-

tracten en daarmee voor het loon- en prijsbeleid. De
vrije loonpolitiek wordt in de loop van de tijd steeds

vrijer. De nog zo prille Loonwet – te zien als een

poging de eigen verantwoordelijkheid van de overheid

te definiëren – wordt buiten werking gesteld. Als we

voor de overheid in dit geval invullen: de regering, zou

men hier van een ,,oneigenlijke” delegatie van verant-

woordelijkheid kunnen spreken, omdat zij wordt toe-

geschoven aan twee buiten het overheidssysteem liggende

partijen. Meer voor de hand zou hebben gelegen: dele-

gatie naar het parlement. Op dit punt kom ik nog uit-

voeriger terug in een aparte paragraaf.

Aan werkgeverszijde zien we een zekere centralisatie

optreden. De centrale organisaties proberen een greep

te krijgen op hun leden, opdat zij zich in het onderhan-

delingsproces gedisciplineerder tegenover de werkne-

mersvertegenwoordigers gedragen. Daarmee wil nog niet

gezegd zijn dat de werkgevers een naar structuur en

vorming sterk gecentraliseerde Organisatie hebben
25).

Maar de achterstand op de andere partijen was op dit

punt zo groot, dat enige centralisatie noodzakelijk is

om als gelijkwaardige partner te kunnen optreden.

Naar mijn opvatting moeten bovengenoemde ont-

wikkelingen binnen de partijen worden gezien als aan-

passingen aan de verschuivingen die zich in de IR

voltrekken
26).
Noodzakelijkerwijs gaan die aanpassin-

gen, omdat zij veel tijd vergen, met de nodige fricties,

zowel tussen als binnen de partijen, gepaard. De partijen

zijn, bewust of onbewust, als het ware bezig zich te

heroriënteren en te herstructureren als gevolg van de

nieuwe verhoudingen die aan het groeien zijn. Binnen

de partijen veronderstelt dit proces van heroriëntatie

een vooral zich bezighouden met de problemen van de

eigen Organisatie en de eigen doelstellingen. Aan de

relaties met de andere partijen wordt minder aandacht

besteed, waardoor een zekere desintegratie van het

systeem gaat optreden.

In de overgangsjaren waarin we ons bevinden, weet

geen van de partijen precies hoe ze zich moet opstellen.

Het nieuwe systeem is nog niet uitgekristalliseerd, en
het oude werkt op vele punten niet meer. Het is nogal

chaotisch. Oude en nieuwe vormen van overleg, onder-

handeling, strijd en tactiek lopen door elkaar heen.

Enkele voorbeelden: de regering neemt een loonmaat-

regel die voorspelbaar tot mislukken was gedoemd
26 a)
;

werknemers boycotten een deel van het overleg in de

SER; stakingen moeten door ad hoc bemiddeling worden

opgelost; werknemers en werkgevers komen in goed

overleg in de Stichting van de Arbeid tot overeenstem-

ming over de sociale verzekeringen (april 1972); de rege-

ring doet aarzelend pogingen om een
geïnstitutionali-
W. Bos,
Werkgeversorganisatie/ondernemingsorganisa-
lie,
Rotterdam, 1971, blz. 64-74.
Daarbij wil ik er nog op wijzen dat door het groten-
deels ontbreken van institutionele aanpassingen – men kan
ook zeggen: het grotendeels ontbreken van decentrale or-
ganen – de frequentie van centrale processen een over-
trokken beeld van de feitelijk gegroeide verhoudingen geeft.
Er is een ,,terugval” op centrale organen, omdat decentrale organen (nog) ontbreken; Albeda merkt in zijn artikel:
De
grote
transformatie,
terecht op dat het stelsel goed ge-
outilleerd is aan de top, ,,maar zeer zwak uitgerust aan de
basis”. Hij noemt deze situatie niet houdbaar (Albeda, o.c.,
blz. 36).
26a)
Dat is geen wijsheid achteraf. Ik heb hierop gewezen in mijn bijdrage: De grenzen van de goevernementele be-
heersing,
ESB,
7 oktober 1970, blz. 980-981. Zie voorts W. A. Arts, Loon- en prijspolitiek op de tocht,
ESB,
27
september 1972, blz. 908-911.

968

seerd
contact met het bedrijfsleven op te bouwen, wat

tot op dit moment niet is gelukt enz.
Samenvattend kan over de verhouding tussen decen-

tralisatie en centralisatie worden gesteld dat wanneer ons

SAV meer het karakter van een coalitiemodel gaat aan-

nemen, deze ontwikkeling als decentralisatie kan worden

aangemerkt. Daarmee is dus alleen gezegd dat een

systeem â la het coalitiemodel meer gedecentraliseerd

(minder gecentraliseerd) is dan een systeem á la het

harmoniemodel. H6e gecentraliseerd de besluitvorming

in het coalitiemodel verloopt, is – naast de mate van

overeenstemming over de doelstellingen én de concrete

omstandigheden (economische situatie e.d.) – afhan-

kelijk van de mate van centralisatie
binnen
de partijen.

Zijn deze sterk centralistisch van opzet, dan zal de

besluitvorming in het systeem sneller verlopen dan

wanneer zij een meer gedecentraliseerde structuur heb-

ben. Verder zijn er uiteraard nog vele andere combi-

naties – en daarmee even zovele combinaties van cen-

trale en decentrale
processen
in het systeem – denk-

baar. Het coalitiemodel staat dus niet zonder meer

gelijk met decentralisatie.

c. De veranderende rol van de overheid

Het is vooral De Lange geweest die op het punt van

de positie en taak van de overheid in het IRS (en ruimer:

de maatschappij) is ingegaan. V66r ik op zijn bezwaren

– wij zijn het overigens op veel punten met elkaar

eens – tegen mijn betoog inga, is het misschien goed

wanneer ik in het kort mijn standpunt toelicht.

In mijn opvatting is het de overheid (regering en

parlement), die de laatste verantwoordelijkheid draagt

voor de sociaal-economische politiek. Werknemers en

werkgevers vertegenwoordigen immers slechts een, zij

het belangrijk, deelbelang. Tot zover geen problemen.

Maar het postuleren van een ,,hogere” verantwoordelijk-

heid van de overheid, blijft een schone theoretische of

wenselijke zaak wanneer niet diezelfde overheid door

haar concrete politiek aangeeft wat zij als haar speci-

fieke verantwoordelijkheidsgebied definieert. Verant-
woordelijkheid zônder duidelijk aan te wijzen verant-

woordelijkheidsgebied kan moeilijk op die benaming

aanspraak maken. Het verantwoordelijkheidsgebied kan
bijv. voornamelijk worden gezocht
buiten
het veld van

de industriële verhoudingen. De overheid kan in dat

geval – bij een naar haar mening onverantwoord re-

sultaat van het Vrije overleg tussen werkgevers en

werknemers – wijzen op de onaanvaardbare gevolgen

van dit overleg voor grote groepen andere burgers.

Zij zal dan voor haar beleid steun kunnen verwachten
van die groeperingen. Deze constructie zou men kun-

nen aanduiden als
echte vrije loonpolitiek:
de eerste

verantwoordelijkheid ligt bij het bedrijfsleven, de over-
heid toetst het resultaat van de onderhandelingen tussen

beide partijen op hun verenigbaarheid met de verant-

woordelijkheid die zij op zich heeft genomen voor de

behartiging van de belangen van burgers die niet direct

bij het overleg zijn betrokken.

In het tegenovergestelde geval kiest de overheid haar

verantwoordelijkheidsgebied vooral
in
het veld van de

industriële verhoudingen, waarbij zij zeer stringent de

grenzen vaststelt waarbinnen het resultaat van het over-

leg tussen werknemers en werkgevers dient te liggen.

Dit zou men echte geleide loonpolitiek
kunnen noemen.

In dat geval is de onderhandelingsmarge van de partijen

z6 gering dat de kans groot is dat de partijen een

soortgelijk beleid van de overheid eisen t.a.v. andere
inkomensgroeperingen. Wanneer zo’n beleid uitblijft

kunnen de partijen zelf de inhoud van dat beleid op

tafel gaan leggen. Denkbaar – en wel voor de hand

liggend – is ook dat de overheid een politiek wil voeren,

waarbij zij haar verantwoordelijkheidsgebied zowel in

als buiten het veld van industriële verhoudingen zoekt.

Leidende gedachte is hier dat zij met de belangen van

alle burgers rekening heeft te houden. Zij kiest een punt

dus tussen vrije en geleide loonpolitiek in, noem het

georiënteerde loonpolitiek.

Als we met de bovenstaande omschrijving van geleide

loonpolitiek in de hand de naoorlogse loonpolitiek, die

met deze term werd benoemd, beoordelen, dan zijn

de volgende kanttekeningen te maken.

De loonpolitiek was geleid in zoverre zij tot

resultaat had dat de overheid in overleg met het bed rijfs-

leven tot algemeen geldende, geaccepteerde en uniforme

loonsverhogingen kwam (de zgn. algemene loonronden).

De loonpolitiek was vrij in zoverre de algemene
loonronden in de eerste plaats tot stand kwamen in het

vrije overleg tussen de partijen, waarvan de overheid

er één was, maar zonder dat de overheid gedwongen

was eenzijdig het resultaat van de onderhandelingen te

dicteren. Hierbij is het goed in herinnering te roepen

dat, voor de arbeidsverhoudingen, ,,vreemde” elemen ten,

zoals de noodzaak van wederopbouw, de integrerende

werking van de bezetting (o.a. tot uitdrukking komend

in de rooms-rode coalities), er veel toe hebben bijge-

dragen dat de partijen, vooral de vakbeweging, een zeer

coöperatieve en ingetogen houding aannamen in het

loonoverleg.

De loonpolitiek was geleid in zoverre de inkomens

van dat deel van de actieve beroepsbevolking dat niet

onder een CAO viel, niet het object waren van een

speciale, geleide matigingspolitiek. Wel kunnen allerlei

voorzieningen op het terrein van de sociale verzekerin-

gen (de noodwet-Drees) gezien worden als een bijdrage

tot een stabiel economisch en politiek klimaat. Maar

deze voorzieningen waren toch in hoofdzaak het resul-

taat van de geleide loonpolitiek en droegen maar in

beperkte mate het karakter van een loonpolitiek â la

het georiënteerde type.

De loonpolitiek was geleid in zoverre de onder-

handelende partijen – vooral overheid en werknemers

– door hun centralistische structuur snel tot beslissingen

konden komen.

Na deze nuancering van wat gewoonlijk dé geleide
loonpolitiek van na de oorlog wordt genoemd, dienen

wij ons opnieuw de vraag te stellen in hoeverre deze

politiek een bijdrage heeft geleverd tot de ontwikkeling

van een eigen verantwoordelijkheidsgebied van de over-

heid. Die vraag is van groot belang, omdat in de regel

wordt aangenomen dat de overheid in de nacorlogse

geleide loonpolitiek een grote verantwoordelijkheid

droeg. Dit nu lijkt mij één van de ficties die er rond

de loonpolitiek bestaan. Het tegendeel is namelijk eerder

het geval. Deze stelling vereist enige toelichting.

Het beheerste en centrale karakter van onze loonpo-

litiek – ik refereerde hier al aan onder punt 2 – was

niet het gevolg van een door één van de partijen, i.c. de

overheid, eenzijdig opleggen van de arbeidsvoorwaarden.

Nee, de partijen kwamen in goed, veelvuldig en ge-

institutionaliseerd overleg tot afspraken over het per-

centage loonstijging en andere arbeidsvoorwaarden. Dit
kon in een goede verstandhouding worden gerealiseerd,

omdat de partijen het over de grote problemen van

ESB 11-10-1972

969

het toenmalige sociaal-economische beleid in hoofd-

trekken eens waren. Dit beleid kon ook betrekkelijk

snel worden geëffectueerd, vanwege het feit dat op zijn

minst twee partijen – overheid en werknemers – intern

een centralistische structuur hadden, die uiteraard snelle

besluitvorming bevordert. Men erkende een gemeen-

schappelijke verantwoordelijkheid te hebben voor het

sociaal-economische beleid in ons land. Men zou het

ook zo kunnen formuleren: de verantwoordelijkheidsge-

bieden van de drie partijen vielen grotendeels samen.

Voor de overheid heeft dit betekend dat zij deelde in

een
gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid. De andere

kant van de medaille was echter dat zij niet werd ge-

stimuleerd haar
eigen
verantwoordelijkheid en verant-

woordelijkheidsgebied te ontwikkelen. Het overleg liep

immers goed en de overeenkomsten werden door alle

partijen nageleefd. Ook de andere partijen hebben de ge-

volgen ondervonden van deze politiek. Zij hebben zich

echter zij het stellig niet volledig, sneller dan de overheid

aan nieuw ontstane situaties kunnen aanpassen, omdat

zij – als verdedigers van een deelbelang én door hun

Organisatie – dichter bij hun achterban staan. En de

geleide loonpolitiek – Buiter heeft er terecht op ge-

wezen
27)
– bood nog voldoende ruimte (tarieven, werk-

classificatie e.d.) om aan het al te strakke keurslijf van

de centrale richtlijnen te ontsnappen. Nochtans zijn ook

werkgevers en werknemers nog steeds ,,belast” door

het verleden. Zij zijn er nog niet helemaal in geslaagd

hun verantwoordelijkheidsgebied duidelijk af te palen.

De overheid is daar in het geheel nog niet in geslaagd.

Sinds het vrijer laten van de loonpolitiek heeft zij een

aantal formele bevoegdheden overgeheveld naar het ge-

organiseerde bedrijfsleven. Ik schrijf met opzet: formeel,

omdat die bevoegdheden als zodanig weinig betekenis

hadden. Zij waren namelijk effectief in een klimaat dat

gekenmerkt werd door eensgezindheid. Nu dat is ver-

dwenen, staat de overheid voor de taak haar eigen

verantwoordelijkheidsgebied te ontwikkelen. Daarvan is

tot op heden niet veel terecht gekomen. De Loonwet
kan men zien als een poging daartoe, een poging die

echter in een situatie waarin de overheid haar eigen

verantwoordelijkheid materieel nog geen gestalte. had

gegeven, tot mislukken was gedoemd. In een dergelijke

situatie mist élk centraal overheidsingrijpen in de loon-
politiek zijn doel. Want veel meer dan in de naoorlogse

geleide loonpolitiek is juist zo’n ingrijpen te karakte-

riseren als echte geleide loonpolitiek, in de betekenis

die ik daaraan heb gegeven. Er wordt iets gedicteerd

waaraan de andere partijen zich te houden hebben.

Tegen die achtergrond wordt het begrijpelijk dat de

andere partijen eisen gaan stellen aan het
totale
rege-

ringsbeleid. Bijvoorbeeld de eis dat de overheid niet-

CAO-inkomensgroepen op dezelfde straffe wijze zal be-

handelen (inkomenspolitiek). Zo lang dat niet is be-

reikt, valt niet te verwachten dat werkgevers (prijzen)

en, vooral, werknemers (lonen) bereid zullen zijn het

dictaat van de overheid op te volgen. De eisen van de

vakbeweging (actieprogramma 1971-1975, nota inzake

arbeidsvoorwaardenbeleid 1973) moeten daarom worden

gezien als een poging:

om de onderhandelingssituatie met de overheid

open te houden. Zonder meer centraal ingrijpen afwij-

zen, zonder een ,,tegenzet” te doen, zou verdere on-

derhandelingen compleet blokkeren;

om, bij ontstentenis van duidelijke aanzetten van

de overheid in die richting, mede het verantwoordelijk-

heidsgebied van de overheid aan te geven. Daarin passen

eisen, zowel van werknemers als werkgevers, t.a.v. col-

lectieve voorzieningen, overheidsuitgaven, belastingvoor

stellen e.d. Hierdoor komen de partijen uit het bedrijfs-

leven op een terrein dat de directe belangenbehartiging

van de leden overschrijdt, wat, alweer, in principe de

deur opent om over vraagstukken van
gemeenschappelijk

belang te gaan praten. Zo wordt, althans gedeeltelijk en

voorlopig, het politieke vacuüm waarin de overheid

functioneert opgevuld.

In dit licht wordt het begrijpelijk waarom de laatste

tijd zo veelvuldig de term ,,sociaal contract” wordt ge-

bruikt ter aanduiding van een overeenkomst tussen over-

heid en bedrijfsleven, die een ruimere inhoud kan

hebben dan alleen regelingen betreffende de arbeids-

voorwaarden. Het ,,sociaal contract” past overigens

typisch in een structuur die de trekken gaat aannemen

van het coalitiemodel. In hetzelfde licht moeten de

kortgeleden opgelaaide discussies worden gezien over

de verhouding tussen de vakbeweging (waarom ook niet

toegevoegd: de werkgevers?) en de politiek. De vakbe-

weging zou zich door het stellen van eisen aan de

regering met de politiek bemoeien. Van dit verwijt kan

in ieder geval worden gezegd dat het kortzichtig is,

zelfs als we de term politiek een wat enge interpretatie

meegeven. Of het georganiseerde bedrijfsleven wil of

niet, in een situatie waarin de overheid haar eigen

verantwoordelijkheidsgebied nog niet heeft afgepaald,

komt het per definitie op terreinen waar ook de over

heid een eigen verantwoordelijkheid heeft of zou kunnen

hebben. Theoretisch heeft de overheid dat op bijna alle

terreinen van het maatschappelijke leven.

Het is echter wel opvallend dat deze verwijten van

inmenging in de politiek ten tijde van de geleide loon-
politiek niet of nauwelijks werden gehoord. Als er ooit

sprake is geweest van een uitholling van de politieke

functie door het georganiseerde bedrijfsleven, mét in-

stemming van de overheid, is het toen geweest. Daaraan

zijn juist de moeilijkheden toe te schrijven die de over-

heid nu heeft met het verwerven van een eigen verant-

woordelijkheidsgebied waaraan zij gezag zou kunnen

ontlenen. De groei naar het coalitiemodel bevordert dit

proces van gezagsverwerving, dat – gezien vanuit het

standpunt van de overheid – het duidelijkst is ingezet

met het denken in termen van een ,,sociaal contract”.

Dat de overheid in dit stadium van de ontwikkeling een

zwakke onderhandelingspositie heeft, moge duidelijk zijn.

Men kan dit betreuren, maar het getuigt wel van weinig

inzicht in de maatschappelijke werkelijkheid door nu,

met een beroep op het hoogste gezag dat de overheid

zou moeten vertegenwoordigen, haar de inhoud van het

,,sociaal contract” te laten vaststellen. De overheid kan

slechts haar eigen verantwoordelijkheid nemen wanneer

zij een duidelijk eigen verantwoordelijkheidsgebied heeft

,,veroverd”
27 a)

Na deze uiteenzetting kan de dialoog met De Lange

27)
O.c., blz. 343.
27a)
Scholten merkt terecht op:
Zo is na de oorlog in Nederland het sociaal-economisch be-
leid gedeeltelijk gedepolitiseerd en zou het invoeren van een
straffe loon- en prijspolitiek een repolitiseren ervan betekenen.
In deze gevallen betekent depolitineren dat een deel van de
waardentoedeling niet meer namens de samenleving als geheel
geschietdt, zodat de gezagsdragers er geen bemoeienis meer
mee hebben”.
Een opmerking die ook relevant is voor III d in dit ar

tikel. Zie G. H. Scholten,
Politiek en Bestuur,
Alphen a/d
Rijn, 1972, blz. 12.

970

kort zijn. Ik ben het met De Lange eens dat de politiek

van volledige werkgelegenheid een integrerende kracht

is geweest in de naoorlogse arbeidsverhoudingen. Het

gaat mij echter te ver uit het streven naar volledige

werkgelegenheid zonder meer tot de noodzaak van een

centraal geleide loonpolitiek te besluiten. De loonpoli-

tiek in andere Westerse landen, die ook de volledige

werkgelegenheid nastreefden, is er om dat te bewijzen.

Wel kan men zeggen dat het streven naar volledige

werkgelegenheid, een zekere bemoeienis met om. de

loonpolitiek impliceert (Beveridge). Dat uit onderhande-

lingen over de loonsverhoging toch niet meer te halen

valt dan de produktiviteitsgroei toelaat, is niet onjuist,

maar wel onvolledig. Hierdoor wordt miskend dat in

onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden ook het

element van de verdeling van het nationale inkomen

kan worden ingebracht. De Lange wijst daar iets verder

in zijn betoog zelf op door een pleidooi te houden voor

,,meer verfijnde vormen van inkomenspolitiek gekoppeld

met een politiek van economische mededinging”
28).

Kennelijk zijn we daar, ruim 25 jaar na de oorlog, nog

niet in geslaagd, met of zonder geleide loonpolitiek.
Naar mijn opvatting – en op dit punt liggen tussen

ons de grootste verschillen – onderkent De Lange

onvoldoende dat de weg naar de vrije loonpolitiek is

ingeslagen onder invloed van maatschappelijke krachten

– marktbewegingen, welvaartsverhoging, internationali-

sering van de economische betrekkingen, democratisering

enz. -, die men niet uitsluitend kan interpreteren als

een regressie naar een liberale markteconomie, al zijn

ook deze tendenties onmiskenbaar aanwezig. Men dient

zich te realiseren dat de vrije loonpolitiek niet een nieuw

soort techniekje is, zij is opgelegd. Dit te constateren

en te erkennen valt velen moeilijk. Het gevolg is dat

weinigen zich het hoofd breken over de vraag hoe op

deze fase in onze arbeidsverhoudingen creatief kan wor-

den gereageerd, bijv. in termen van een nieuwe institu-

tionele vormgeving. Wanneer De Lange stelt dat de

Vrije loonpolitiek geen ,,perspectief biedt voor een werke-

lijke vernieuwing van onze maatschappij”
29),
dan heeft

hij te weinig oog voor de krachten in het arbeidsbestel

die – om het ruim te formuleren – werken in de rich-

ting van democratisering. Een richting die De Lange

ook uit wil, gezien de door hem bepleite ,,moderne

cultuurpolitiek, waarbij vorming en opvoeding tot ver-

antwoordelijkheid een essentieel onderdeel zijn”
30).
Het

zou wel eens kunnen zijn – deze interpretatie spreekt

mij het meest aan – dat de vrije loonpolitiek een

noodzakelijke tussenfase is op weg naar een arbeids-

bestel dat democratischer, humaner (of hoe men het ook

noemen wil) is dan wat wij gewend zijn. De discussies

over onze economische orde en over de economische

groei doen vermoeden dat velen zich beginnen af te

vragen of we op de ingeslagen weg moeten voortgaan.
Dit opnemen van de stand van zaken zou ik niet graag

– en naar ik aanneem ook De Lange niet – willen

aanmerken als een soort terugval naar liberalistische

tijden oude stijl.

Toch heb ik uit zijn betoog de indruk overgehouden
dat hij weinig oog heeft voor deze dynamiek, die zich

ook in ons arbeidsbestel manifesteert. Die indruk wordt

nog versterkt door:

1. het verwijt aan de critici van de centraal geleide

loonpolitiek dat zij onvoldoende onderscheid maken tus-

sen ,,het stelsel zelf en de wijze waarop het werd toe-

gepast”
31).
Z6 theoretisch gesteld kan ik me nog meer

stelsels voorstellen die ideaal werken. Maar dan zal De

Lange toch moeten aangeven onder welke voorwaarden
welk stelsel ,,ideaal” werkt. Het zijn juist veranderingen

in deze voorwaarden – ook in de naoorlogse geleide

loonpolitiek maar gedeeltelijk vervuld – die ons IRS

ingrijpend aan het beïnvloeden zijn.

2. het feit dat De Lange de zeer speciale omstandig-

heden die het naoorlogse systeem heel soepel deden
functioneren niet als speciaal onderkent. En die om-

standigheden waren heel speciaal, zo men wil: ,,abnor-

maal”. Ik noem, alweer, als
tijdelijk
gegeven de nood-

zaak van wederopbouw, en als
structurele
gegevens

onder meer: a. in het economische systeem, de laat op
gang gekomen industriële ontwikkeling, die pas na de

oorlog een meer modern karakter krijgt; b. in het poli-

tieke systeem, de invloed van wat ik maar kortheids-

halve noem: de verzuiling, die een grote macht concen-

treerde in handen van een heel beperkte elite
32).

d. Institutionele veranderingen

De analyse die ik in mijn vorige artikel ondernam
van de positie van de SER, is aanleiding geweest tot

enige beroering. Op de constatering dat ik in onze toe-

komstige AV geen plaats meer zag voor de SER is nogal

heftig gereageerd. Buiter heeft het over mijn weinig

overtuigende ,,uithaal naar de SER”
33).
Ter Heide vindt

mijn voorstel, de SER af te schaffen, getuigen ,,van een

te grote rechtlijnigheid”
34),
al is hij met Haveman en

mij van mening dat onze arbeidsverhoudingen zich be-

wegen naar het ,,veel zakelijker coalitie- of onderhan-

delingsmodel”
35).
Haveman echter acht het ,,niet on-

waarschijnlijk dat Peper terecht een veranderende rol

van de SER voorziet”
38),
terwijl anderen 6f geen aan-

dacht aan dit punt geven, 6f, zoals SER-voorzitter

De Pous, heel uitvoerig ingaan op de verdiensten van

de SER
37).
Weliswaar is de communis opinio niet vol-

ledig, maar mij is wel duidelijk geworden dat mijn

voorstellen op dit punt vooralsnog weinig enthousiasme

kunnen opwekken.

Nu zijn deze reacties op vele manieren te inter-

preteren. De gemakkelijkste is wel de constatering dat

er kennelijk een ,,heilig huisje” is geraakt. Op een ander

niveau getild, ligt de veronderstelling voor de hand

dat de SER toch beschouwd moet worden als een waar-

devol en levendig instituut, dat alleen al om die reden

recht van bestaan heeft. Een cynischer, doch daarom

per se geen onjuiste, veronderstelling zou kunnen zijn

dat de SER in het zich wijzigende SAV, waarop de

partijen institutioneel nog geen adequaat antwoord heb-
ben kunnen vinden, nog één van de weinige toevluchts-

28)
O.c., blz.
1016.
28)
O.c., blz.
1017.
O.c., blz. 1017.
O.c., blz. 1015.
Zie Arend Lijphart,
Verzuiling, paci/icatie en kentering
in de Nederlandse politiek,
Amsterdam, 1968.
0e., blz.
341.
H. ter Heide, Bepalen de sociologen het beeld of het
beleid van de vakbeweging?,
ESB, 23
februari
1972,
blz.
182.
O.c., blz.
182.
0e., blz.
440.
Zie zijn interessante rede bij de opening van het nieuwe
gebouw van de SER op
2
juli
1971 (24
blz.); in dit verband
moet ook nog genoemd worden de studie van Wazir Singh (India) over de SER, getiteld:
Policy
development,
Rotter-
dam,
1972.
Daarin worden suggesties gedaan voor verande-
ringen in taak en positie van de SER.

ESB 11-10-1972

971

oorden is waar de partijen elkaar op hoog niveau kunnen

ontmoeten. Maar laat ik niet doorgaan met het uiten van
veronderstellingen, doch nogmaals aangeven waarom de

SER, zeker in zijn huidige gedaante, geen adequaat

antwoord kan zijn op de veranderingen in de AV.
Ik zal

daarbij niet alle, eerder naar voren gebrachte, punten

herhalen.

Het uitgangspunt van mijn stelling dat de SER geen
veelbelovende toekomst tegemoet gaat is even simpel
als logisch. Als mijn analyse juist is dat onze AV zich

ingrijpend aan het wijzigen zijn – van harmonie- naar

coalitiemodel – dan zullen ook de instrumenten daaraan

moeten worden aangepast. De modellen zijn wel zo

verschillend en intern zo consistent – ik heb dat in het

theoretische gedeelte proberen aan te geven – dat bij

elk model slechts bepaalde instrumenten passen. Het

hoeft wel geen betoog dat de SER – en sommige andere

institutionele vormen – zijn ,,tehuis” heeft in het har-

moniemodel. In het coalitiemodel is derhalve voor déze

SER geen plaats. De zaak komt slechts anders te liggen

wanneer men van oordeel is dat onze AV na de oorlog

niet wezenlijk zijn veranderd. Dan is de SER nog even

actueel als hij was ten tijde van zijn ontstaan. Maar bij

de auteurs die aan de discussie over de AV hebben
bijgedragen is er – op Van Esveld na – niemand die

heeft bestreden dât zich wijzigingen van importantie

voltrekken. Sommigen, zoals Buiter, Top, Haveman en

Ter Heide, kunnen zich in grote trekken verenigen met

mijn analyse op dit punt. Als die wijzigingen zich dan
inderdaad voordoen, dan is men gehouden de vraag te

beantwoorden welke consequenties zij hebben voor de

institutionele vormgeving van het beleid. Buiter houdt

een uitvoerig pleidooi voor machtenscheiding zônder

echter uitvoerig de consequenties te onderzoeken voor de

SER, of de institutionele vormgeving in het algemeen.

In de visie van Top lijkt de SER een plaats te (moeten)

krijgen in de nieuwe publiekrechtelijke structuur die hij

voorstelt, terwijl Ter Heide mijn redenering te recht-

lijnig vindt
38).
Haveman daarentegen trekt, iets aarze-
lender dan ik, de consequentie uit zijn betoog door, op

zijn minst, een andere rol van de SER waarschijnlijk

te achten.

Dat er kennelijk zoveel tegenzin bestaat om mijn

analyse door te trekken naar ons belangrijkste sociaal-

economische advieslichaam heeft mij niet verbaasd. Ik

begrijp heel goed dat men geen instituten afschrijft al-

vorens duidelijk is wat daarvoor in de plaats zou moeten

komen. Het verschijnsel van de institutionele traagheid

(,,institutional lag”) is mij bekend
39),
ook uit eigen

onderzoek
40).
Wat mij wel heeft verbaasd is het feit
dat het – op verschillende punten – slechter functio-

neren van de SER niet in verband is gebracht met de

wijzigingen in de AV. Ik noemde in mijn vorige bijdrage

al het boycotten van het loonoverleg in de SER door

NVV en NKV n.a.v. de invoering van de Loonwet. De
SER eist echter dat de partijen ,,voor de volle honderd

procent participeren”
41).
Ik refereerde verder aan de

uitspraak van Kloos dat de SER er een dimensie heeft

bij gekregen, namelijk naast overleginstituut ook onder

handelingsinstituut. De SER is echter in opzet een over

leginstituut
42).
Verbazing ook, omdat andere organen

die tot het instrumentarium van ons arbeidsbestel beho-

ren, zich bepaald niet hebben kunnen onttrekken aan

de veranderingen. Kijken we bijv. naar het College van

Rijksbemiddelaars – een belangrijk instrument van de

geleide loonpolitiek -, dan zien we dat dit orgaan in

de jaren zestig steeds wisselende taken opgedragen heeft

gekregen, om in 1970 geheel van het toneel te verdwij-

nen.

Soortgelijke ,,goal displacements” zijn op te merken

bij de Stichting van de Arbeid. Het is in dit verband

interessant te zien dat de Stichting van de Arbeid de

laatste tijd een soort ,,face lift” heeft doorgemaakt, die

naar mijn inzicht samenhangt met de omstandigheid dat

het georganiseerde bedrijfsleven in dit instituut een kader

heeft dat de mogelijkheid schept eerst in ,,eigen kring”

tot een oplossing te komen alvorens in overleg te treden

met de derde partij: de regering. In een semi-staats-

rechtelijk orgaan als de SER is de vermenging van ver-

antwoordelijkheden, waarvan partijen zich in een periode

van vrije loonpolitiek zoveel mogelijk proberen te dis-

tantiëren, veel groter. Men kan moeilijk volhouden dat

de SER de laatste jaren – vergeleken met vroeger –

tot een besluitvorming heeft bijgedragen waar bijv.

parlement en regering veel aan hebben.

Naast het feit dat mijn analyse van de AV mij logi-

scherwijze tot de conclusie bracht dat de SER niet meer

past in de nieuwe verhoudingen, heb ik nog een ander

argument naar voren gebracht waaraan – curieus

genoeg – weinig aandacht is besteed. Ik doel hier op

de bezwaren die men vanuit parlementair-democratische

overwegingen tegen de SER kan inbrengen. Mijn be-

zwaar is, kort gezegd, dat het bestaan en functioneren

van de SER de parlementair-democratische verantwoor-

delijkheid voor het sociaal-economische beleid uitholt.
Ik zou dit bezwaar vooral ter overdenking willen aan-

bieden aan diegenen die op het ogenblik de laatste ver-

antwoordelijkheid van de regering voor het sociaal-

economische beleid benadrukken, maar die tegelijkertijd

de onmisbare positie van de SER onderstrepen. En dat

is het overgrote deel van de mensen die zich, theoretisch

en/of praktisch, met het sociaal-economische beleid

bezighouden.

De semi-staatsrechtelijke positie die aan de SER is

gegeven, verplicht de overheid (regering, parlement) om

over alle belangrijke sociaal-economische vraagstukken
eerst het advies in te winnen van dit orgaan. Het gevolg

hiervan is geweest dat de SER over bijna alle belang-

rijke maatschappelijke vraagstukken – wat kan tenslotte

niet als sociaal-economisch worden aangèmerkt? – als

een soort v66r-parlement heeft gefunctioneerd.
In
de

SER werden eerst de vraagstukken bestudeerd en be-

sproken om vervolgens het resultaat in de vorm van een

advies aan regering en parlement aan te bieden. In de

Daarbij merkt hij op ,,dat in veel meer op conflicten
ingestelde landen als Frankrijk en Italië overeenkomstige
instituten bestaan”. Dit zou mij ,,tot de gedachte moeten
brengen dat de SER, ook onder gewijzigde omstandigheden,
een nuttige functie kan vervullen” (o.c., blz.
182).
Mijn
– korte – reactie hierop is dat a. deze instituten in de
andere genoemde landen een andere (staatsrechtelijke)
positie en functie hebben; b. als de SER onder gewijzigde
omstandigheden een nuttige functie kan vervullen, het
dienstig is om na te gaan welke wijzigingen dit impliceert
voor de plaats en functie van de SER.
Een interessante studie hierover van A. C. Zijderveld,
Institufionalisering,
Hilversum/Antwerpen,
1966.
Zie mijn
Vorming van welzijnsbeleid,
Meppel,
1972.
O.c., blz.
32.
Niet voor niets wordt in de
Proeve van een nieuwe
grondwet
gesteld dat de SER-adviezen in het bijzonder van
belang zijn wanneer zij eenstemmig tot stand zijn gekomen.
Dan kunnen regering en parlement moeilijk van deze
adviezen afwijken. De laatste jaren is de praktijk op dit
punt – niet zonder reden – wel anders geweest. Zie Heij-
mans, o.c., blz.
601.

972

regel werden dergelijke adviezen, af en toe met kleine

wijzigingen, door regering en parlement overgenomen.

Deze procedure werd nauwelijks als een bezwaar ge-

voeld in een periode dat de drie partijen het over de

grote lijnen van het sociaal-economische beleid eens

waren. Maar het gevolg is wel geweest dat vooral het

parlement zich nooit diepgaand en regelmatig met so-

ciaal-economische vraagstukken heeft beziggehouden.

Niet zelden ook hebben regeringen een confrontatie

met het parlement vermeden door zgn. ,,moeilijke”

vraagstukken om te zetten in een adviesaanvrage aan de

SER, waardoor deze vraagstukken weer voor lange tijd

uit het gezichtsveld van het parlement verdwenen. Het

parlementair-politieke proces staat (bijna) geheel stil

wanneer een bepaalde zaak in behandeling is bij de SER.

Wanneer eenmaal de SER-adviezen klaar zijn, heeft het

parlement onvoldoende tijd en deskundigheid beschik-

baar om serieus op de materie in te gaan. Het parlement

heeft op sociaal-economisch terrein dus nooit veel gezag

verworven, omdat het zichzelf al bij voorbaat buiten

spel had gezet.

Het is daarbij goed zich te realiseren dat de SER

zich op terreinen heeft bewogen (en beweegt), die wel

heel ver afstaan van wat redelijkerwijs tot het terrein

van de AV kan worden gerekend. Of, inhoudelijk ge-

steld: de SER heeft de beleidsvoorbereiding aan zich

getrokken op gebieden die in eerste instantie tot de

competentie behoren van het parlement, en pas in

tweede instantie vooral consequenties hebben voor werk-

gevers en werknemers. Daarmee heeft de SER – let wel
met toestemming van regering en parlement – een groot
aantal oneigenlijke functies vervuld. Kritiek op de SER

is dus in wezen kritiek op de praktijk van het parlemen-
tair-politieke systeem in ons land, dat verantwoordelijk-
heden situeert op plekken waar zij niet thuishoren. Mijn

kritiek is ingegeven door de overtuiging dat de parle-

mentair-democratische instellingen in ons land versterkt

dienen te worden. Een belangrijke mogelijkheid daartoe

is, functies die materieel zijn afgestoten naar andere

instellingen weer binnen hun competentiegebied te halen.

Een voorbeeld daarvan is de SER.

Allerlei belangrijke zaken laten wij voorbereiden door

de SER. Kortgeleden is daar bijv. weer overeenstemming

bereikt over veranderingen in allerlei sociale verzekerin-

gen (AOW, AWW, VAO), die toch naar hun werkings-

gebied een bredere strekking hebben dan alleen het

belang van werkgevers en werknemers. En zo zijn er

tientallen voorbeelden te geven van maatregelen die in

de SER zijn, maar door het parlement hadden moeten

worden voorbereid. Een laatste voorbeeld: nog onlangs.

werden er door een kamerlid vragen gesteld aan de

minister-president die het verzoek inhielden of de minis-

ter-president zo vriendelijk wilde zijn ook de kamer

voortijdig de gegevens over de beleidsvoornemens in de

Miljoenennota 1973
te verstrekken die de regering wel

had toebedacht aan de deskundigen uit de SER!

De gevolgen van deze structuur laten zich de laatste

jaren maar al te duidelijk voelen. Het gezag van par

lement en regering op het terrein van het sociaal-econo-

mische beleid, waaronder de loonpolitiek, is minimaal.

Om de eenvoudige reden dat deze instellingen dit beleid

(en de beleidsvoorbereiding) grotendeels uit handen

hebben gegeven. Wie materieel geen verantwoordelijk-

heidsgebied heeft, houdt slechts een formele, holle ver

antwoordelijkheid over! Wie aan de ene kant de Vrije

loonpolitiek accepteert (beter: moet accepteren), maar

aan de andere kant aan het georganiseerde bedrijfsleven

de beleidsvoorbereiding in handen geeft op terreinen

die het verantwoordelijkheidsgebied van datzelfde be-

drijfsleven ver overschrijden, moet niet verbaasd op-

kijken wanneer werkgevers en werknemers die te brede

verantwoordelijkheid dan ook daadwerkelijk nemen.

Dan helpt het niet wanneer men zegt dat he.t bedrijfs-

leven zich met de politiek bemoeit, c.q. in feite de

politieke koers uitzet. Het kan niet anders. Met zo’n

overheid kun je alleen maar over een ,,sociaal con-

tract”, dat in principe alle onderdelen van het regerings-

beleid kan omvatten, onderhandelen.

Ik hoop nu enigszins duidelijk te hebben gemaakt

waarom de SER niet alleen steeds minder past in onze

arbeidsverhoudingen, maar ook – gegeven de noodzaak

om tot versterking van de parlementaire instellingen te

komen – ongewenst is. De weg naar het coalitiemodel

is een weg waarop regering en parlement hun eigen
verantwoordelijkheidsgebied moeten gaan bepalen.

Noodzakelijk daarvoor is dat zij een groot deel van de

terreinen die nu zijn toegeschoven aan een instelling

als de SER naar zich toetrekken. Dit wil natuurlijk niet

zeggen dat een verstandige overheid niet zal streven naar

een goede verhouding met het bedrijfsleven. Adviezen

uit die hoek zullen uiteraard zwaar wegen bij het uit-

stippelen van het overheidsbeleid. In die situatie zullen

de adviezen vooral betrekking hebben op die zaken

die het bedrijfsleven direct regarderen.

Ter afsluiting over de SER nog het volgende. Een

argument ten gunste van de SER, dat men veel kan

horen, is dat de Raad dikwijls zulke uitstekende (beleids

voorbereidende) rapporten maakt. Dat laatste kan ik, in

grote lijnen, beamen. Het argument is alleen volstrekt

irrelevant voor het vraagstuk dat aan de orde is. Dat

de Raad vaak zulke uitstekende rapporten oplevert, is

in niet geringe mate de verdienste van het goede amb-

telijke apparaat dat ter beschikking staat, het is derhalve

een
administratieve
verdienste. De instelling die naar

mijn inzicht de meeste van die rapporten, vooral als

het beleidsrapporten zijn, zou moeten maken, is het

parlement. Een eenvoudige praktische suggestie mijner-

zijds is het overhevelen van het SER-apparaat naar het

parlementsgebouw. Men zou er bij de planning van een

nieuw parlementsgebouw rekening mee kunnen houden!

3. Conclusie

Uitvoeriger dan ik in mijn eerste bijdrage heb gedaan,

ben ik nu ingegaan op een aantal veranderingen/proces-

sen in andere onderdelen van het IRS dan de loon-

politiek. Mét de gebeurtenissen die zich de laatste ander-

halfjaar in het arbeidspolitieke veld hebben voltrokken,

bestaat er naar mijn opvatting geen aanleiding om mijn
stelling, dat onze arbeidsverhoudingen zich bewegen in

de richting van het coalitiemodel, te herzien. Het is

eerder zo dat de ontwikkelingen van de laatste tijd het

coalitiemodel dichterbij hebben gebracht. Daar moet

echter wel met nadruk aan worden toegevoegd dat we

ons nog steeds in de overgangsjaren bevinden. Zij zullen

nog wel enige tijd in beslag nemen. Het betrekkelijk

chaotische beeld van de AV dat zich aan ons opdringt,
onderstreept dit overgangskarakter. Instrumenten, pas-

send in het harmoniemodel, worden door elkaar gebruikt

met instrumenten die meer bij het coalitiemodel horen.

Het is duidelijk dat de partijen – de een meer, de ander

minder – de nieuwe situatie nog niet ten volle hebben

onderkend, reden waarom een aan de nieuwe verhou-

ESB 11-10-1972

973

dingen aangepast instrumentarium maar moeizaam tot

ontwikkeling komt. De lengte van de overgangsjaren

zal mede afhankelijk zijn van de bereidheid van de

partijen de nieuwe verhoudingen te erkennen en een

daaraan aangepast pakket van instrumenten te ontwik-

kelen. Zelfs in het geval dat dat snel gebeurt, vereisen

de aanpassingen op de verschillende niveaus zo veel tijd

(en strijd!) dat veilig kan worden aangenomen dat onze

arbeidsverhoudingen de komende jaren het beeld van

een tamelijk ontregeld mechanisme zullen opleveren.

Over de instrumenten die bij het coalitiemodel passen

zal hieronder een aantal opmerkingen worden gemaakt.

IV. INSTRUMENTEN VAN HET COALITIEMODEL

1. Inleiding

,,Een van de vervelendste kwalen van ons arbeids-
bestel na de oorlog is de verwarrende, vertroebelende

vervlechting van belangen en posities van de betrokke-

nen”
43),
merkt Buiter terecht op. Zijn betoog is een

pleidooi voor een duidelijke scheiding van verantwoor

delijkheden, ,,in termen van institutionele scheiding van

taken (waaronder scheiding van onderhandelen en ad-

viseren, besturen en belangenbehartiging), van eigen

specifieke inbreng van partijen en van bewaking van de

randvoorwaarden voor eigen functioneren”
44).
Dit be-
vordert – mét goed bewerktuigde instrumenten als een

recht van enquête, individueel klachtrecht, economische

doorlichting e.d. – de controleerbaarheid van tot nu

toe ondoorzichtige processen en posities. Buiter consta-

teert, alweer terecht, dat bijv. een instelling als de on-

dernerningsraad op teveel, onderling strijdende, prin-

cipes berust, nog kortgeleden door de wetgeving ver-

sterkt. ,,De vakbeweging zou er goed aan doen, nu

eindelijk eens te kiezen tussen de ondernemingsraad en

het bedrijvenwerk als centraal-strategisch knooppunt

voor de belangenbehartiging”
45).
Ik meen dat Buiter

gelijk heeft wanneer hij stelt dat de partijen, vooral de

vakbeweging, deze richting – die door velen als een

,,stap terug” zal worden ervaren – op moeten koersen.

De instrumentering en institutionalisering van ons ar

beidsbestel draagt nog teveel de sporen van ,,onze late

en specifiek-familiale industriële ontwikkelIng”
46),
een

punt waarop ook Haveman duidelijk heeft gewezen. Het

terugtrekken op de eigen posities en het onderzoeken

van de eigen verantwoordelijkheid voor de AV zie ik als

een noodzakelijke tussenfase. Pas daarna – dus na-

dat de machtsverhoudingen zuiverder naar voren zijn

gekomen – is het weer mogelijk te denken aan een

vormgeving van het arbeidsbestel, die maatschappelijke
verworvenheden als bijv. de democratisering, institutio-

neel vastlegt. Wellicht denkt Buiter ook in die richting,

al heb ik uit zijn betoog de indruk overgehouden dat hij

de machtenscheiding die bij het coalitiemodel hoort, als

een eindpunt ziet. In ieder geval ben ik het met Buiter

eens dat onze arbeidsverhoudingen op vele punten

gedesinstitutionaliseerd
moeten worden, al is natuurlijk

,,de vastlegging van een aantal beleidskaders blijvend

noodzakelijk”
47).

Waar de ontwikkelingen zo duidelijk gaan in de

richting van het coalitiemodel, heeft het zin om zich

af te vragen welke beleidskaders daarin het beste passen.

Vooraf dient echter te worden opgemerkt dat het

coalitiemodel, door zijn grote flexibiliteit, een groot

aantal verschillende vormen van concrete vastlegging

(instrumenten) mogelijk maakt. Onderstaande opmer-
kingen betreffen slechts de hoofdlijnen van de instru-

mentering. Andere modaliteiten zijn denkbaar, mede

afhankelijk van de concrete (economische) omstandig-

heden, die dan weer tot sterkere, dan weer tot zwakkere

vormen van samenwerking en centralisatie aanleiding

kunnen geven. In alle gevallen dwingt echter de dyna-

miek tot een, zoals Buiter opmerkt, ,,zo gering mogelijke

institutionalisering”
48)
.

Het coalitiemodel zal pas goed kunnen functioneren

wanneer voldaan is aan de voorwaarde dat de partijen

een zo volledig mogelijke informatie ter beschikking
hebben over het functioneren van het sociaal-econo-

mische bestel. Op het nationale niveau zijn de problemen

nog het geringst; op dat niveau bestaat een vrij volledige

informatie over het reilen en zeilen van onze economie.

De zwakke stee vormen de ondernemingen (en het

internationale niveau), waarover in veel gevallen on-

voldoende informatie voorhanden is, al moet op dit

punt de nieuwe wetgeving (verslaggeving, enquêterecht

e.d.) als een stap vooruit worden aangemerkt
49).

Bij de instrumentering van het coalitiemodel moet een

onderscheid worden gemaakt tussen het
nationale,
ondernemings-
en
bedrijfsiakniveau.

2. Het nationale niveau

Op dit niveau hebben we te maken met de overheid,

de vakcentrales en de centrale werkgeversorganisaties.

Wat de verantwoordelijkheid van de
overheid
betreft

kan ik mij de volgende constructie voorstellen.

• De instelling van een Raad van sociaal-econo-
mische adviseurs, bestaande uit mensen die op hun

terrein (economie, recht, sociologie) een groot gezag

genieten, maar die geen bindingen hebben met of

posities bekleden in werkgevers- of werknemersorgani-

saties. Deze Raad adviseert, op verzoek, de overheid op

sociaal-economisch terrein, in het bijzonder de AV.

• De instelling van een speciale commissie uit het

parlement, die zich permanent bezighoudt met de AV.

De commissie kan adviezen inwinnen bij bovengenoem-

de Raad en bij partijen en organisaties in het arbeids-

politieke veld. Ook kan zij hoorzittingen of andere

vergaderingen met de partijen beleggen. Op deze manier

gaat het parlement zich daadwerkelijk én continu

bemoeien met het sociaal-economische terrein.

• De regering zal de instelling willen bevorderen van
een permanent
overlegorgaan,
waarin zij met werkge-

vers en werknemers participeert. Het is de vraag of de

laatste partijen daar iets voor voelen. Indien niet, dan

zal de regering – en naar ik aanneem: ook de andere

partijen – op zijn minst behoefte hebben aan een

regelmatig en enigermate geïnstitutionaliseerd contact

met het bedrijfsleven. In dit geval zou men kunnen

spreken van een contactcommissie.

• De overheid (regering én parlement) zal de invoe-

O.c., blz.
342.
O.c., blz.
344.
O.c., bla.
344.
O.c., blz.
343.
O.c., blz.
344.
O.c., blz.
344.
Al moet worden opgemerkt dat op de zo belangrijke
multinationale ondernemingen de nationale wetgeving weinig
greep heeft.

974

ring willen bevorderen van een bemiddelingsprocedure.

Te verwachten valt – en we hebben daar kortgeleden

enkele voorbeelden van gezien – dat sommige conflicten

tussen werkgevers en werknemers een zodanig karakter

aannemen dat een ,,derde partij” noodzakelijk is om de

onderhandelingen weer op gang te brengen. Nu kan

men zich verschillende bemiddelingsprocedures voor-

stellen, van bemiddeling mét en bemiddeling zônder
sancties, en alle vormen die daartussen bestaan. Van

bemiddeling die zelf initiatieven ontplooit als het overleg

volledig is vastgelopen tot bemiddeling waarbij de

partijen zich, op eigen initiatief, tot een bemiddelings-

instantie wenden; en van gedwongen bemiddeling tot

vrije bemiddeling. Naar mijn opvatting zou het – gezien

de opstelling van de partijen in de laatste jaren én gezien

het geringe effect van dwingend ingrijpen, hetzij door

de regering, hetzij door de rechter – aanbeveling ver-

dienen een formule te kiezen waarin de vrijwilligheid

van de bemiddeling voorop staat
50).
De mogelijkheid

om een ,,derde partij” in te schakelen werkt niet alleen

conflictoplossend, maar de loutere aanwezigheid van die

partij bevordert het vinden van oplossingen ,,in eigen

beheer”. Men zou kunnen denken aan de instelling van

een
bemiddelingscommissie
van drie personen, waarvan

één aangewezen wordt door de overheid, één door de

werknemers en één door de werkgevers. Het spreekt

vanzelf dat deze personen in eigen kring en op sociaal-

economisch terrein een groot gezag moeten genieten.

Voorzitter van die commissie zou een door de overheid

aangewezen persoon moeten zijn. Daarmee wordt aan-

gegeven dat de overheid toch iets boven de partijen

staat.

In het
bedrijfsleven
zal – net als nu – behoefte

bestaan aan een kader waarin de partijen kunnen over-

leggen, c.q. problemen van gemeenschappelijk belang

kunnen bespreken. Het zal als gesprekspartner van de

regering willen optreden. Men zou zich dus een overleg-

orgaan tussen werknemers en werkgevers kunnen voor

stellen, een soort Stichting van de Arbeid nieuwe stijl.

Hoe zwaar de partijen dit orgaan willen bewerktuigen

is moeilijk te zeggen, al ligt het voor de hand te ver

onderstellen dat het een betrekkelijk ,,licht” overleg-

orgaan zal zijn.

Voor
alle
partijen is het Centraal Planbureau dienst-

verlenend. Het CPB dient te functioneren als de

onafhankelijke instelling die het voor alle partijen

beschikbare materiaal levert over de economische ont-

wikkelingen.

In bovenstaande constructie is de SER dus verdwenen.

Een deel van de functies die nu door de SER worden

vervuld komt toe te vallen aan het parlement, een ander

deel is onderwerp van overleg tussen werkgevers en

werknemers, in en buiten hun overlegorgaan. De leden

van de SER met de meest onduidelijke identiteit, de

Kroonleden, vinden we in de nieuwe constructie terug

in de Raad van sociaal-economische adviseurs, dus een
soort Kroonleden nieuwe stijl. Want met de wijzigende
verhoudingen is de laatste tijd de positie van de Kroon-

leden zeer diffuus en dubieus geworden
51).
Nu werk-

gevers en werknemers wat militanter tegenover elkaar

staan, begint hun positie te ,,zweven”. Zij hebben geen
,,peace making function”, kunnen die ook niet creëren,

omdat zij door hun politieke affiliaties, misschien tegen
wil en dank, partij zijn tussen de partijen. Of zij worden

tot partij gemaakt, omdat één van de partijen vindt dat

hun deskundig advies de andere partij bevoordeelt. Om

nog maar niet te spreken van het aantal keren dat

werknemers en werkgevers uit hetzelfde deskundige

advies heel verschillende conclusies trekken. Het is

daarom beter dat bij de Kroonleden nieuwe stijl des-

kundigheid wordt gecombineerd met een duidelijke

positie in het SAV.

3.
Het ondernemingsniveau

Er is op ondernemingsniveau een aantal tendenties

aan te wijzen, die – mét de ontwikkeling op het

nationale niveau – een instrumentering in termen van

het coalitiemodel steeds actueler maakt. Ik noem daarvan

de volgende:

Het streven van de vakbonden een herkenbare

belangenbehartigende plaats te verwerven in de be-

drijven. Daarvoor is nodig dat de vakbonden een groter

deel van de leden, die in het betreffende bedrijf werk-

zaam zijn, betrekken bij die belangenbehartiging. In die

zin is de decentralisatietendens binnen de vakbeweging

onmiskenbaar. De bonden en hun bedrijfsafdelingen

zullen in de toekomst een belangrijker rol spelen in de

vakbondspolitiek en daarmee in de arbeidsverhoudingen

in het algemeen. Deze ontwikkeling lijkt moeilijk om te

keren, al geven de huidige moeilijke economische om-

standigheden de indruk dat de centrales de afzonderlijke

bonden enigszins ,,in bedwang” houden. Veel belang-

rijker dan deze tijdelijke centralisering blijft het feit dat

de vakbonden een levend instituut willen worden ,,aan

de voet”, d.w.z. in de afzonderlijke bedrijven. Dââr is

de belangenbehartiging zichtbaar, dâr hebben de leden

hun problemen, opvattingen, wensen e.d. Zoals bekend,

is de Industriebond NVV al jaren bezig

en met

toenemend succes – dit werk een organisatorische basis

te geven: het zgn. bedrijvenwerk
52).
Ook in andere

bonden, zowel in confessionele als in niet-confessionele

kring, begint men op dit terrein actief te worden.

Het sterker worden van de wens zo veel ruimte

te laten in de collectieve contracten dat deze in de

afzonderlijke bedrijven, aangepast aan de daar bestaande

mogelijkheden, voor een deel kunnen worden opgevuld.

Deze ontwikkeling ligt in het verlengde van de onder

a genoemde. Zij betekent dat de vakbonden een groter

en speciaal opgeleid kader op bedrijfsniveau moeten

opbouwen om deze ,,invulling” van de raam-CAO

adequaat ter hand te kunnen nemen.
Theoretisch vindt dit standpunt ondersteuning in het
betoog van de rechtssocioloog Vilhelm Aubert. Zie zijn
opstel: Belangen- en waardenconflicten: twee vormen van
conflictoplossing, in zijn bundel
Proeven van rechissociolo-
gie,
Rotterdam, 1971, blz. 152-178, vooral blz. 154-156.
Zie ook de juiste analyse van de positie van de Kroon-
leden door A. H. Kloos,
Het achterste van de tong,
Bussum,
1969, blz. 92-93. Overigens is de positie van de SER niet
minder problematisch. Niet ten onrechte zijn er allerlei be-
langengroeperingen die voortdurend aandringen op een
plaats in de SER, soms zelfs op een Kroonlidmaatschap.
Wanneer men die verlangens, die – vanuit het systeem
gezien – op goede democratische gronden verdedigd kun-
nen worden, honoreert, dan wordt de SER een corporatis-
tisch ,,alternatief” parlement van het zuiverste water.
Hierover een uitstekend artikel van C. Poppe, De ont-
wikkeling van het bedrijvenwerk,
Sociaal Maandblad Arbeid,
september 1971, blz. 526-535; ook Albeda onderstreept het belang van bedrijvenwerk. Zie:
Onderneming en vakbewe-
ging, conflict aan de basis?,
uitgave Algemene Werkgevers-
Vereniging, 1972.

ESB 11-10-1972

975

c. De inhoud van de nieuwe ondernemingswetgeving.

Hoewel deze wetgeving nog duidelijk op verschillende

gedachten hinkt, is daarin erkend dat:

• de werknemersvertegenwoordigers in de onder-

nemingsraad het recht van voorvergadering hebben;

• voor een goede controle op de gang van zaken

in de onderneming een zo volledig mogelijke verslag-

geving een noodzakelijke voorwaarde is.

De nieuwe wetgeving leert echter ook dat naast een

zekere versterking van de positie van de ondernemings-

raad, het machtscentrum is verschoven naar de Raad

van Commissarissen, op de samenstelling waarvan de

ondernemingsraad een marginale invloed heeft. Dat

bedoel ik met: hinken op verschillende gedachten. Het
zou namelijk voor de hand hebben gelegen – althans in

de visie die de nieuwe wetgeving ziet als een versterking

van de positie van de factor arbeid – 6f de onderne-

mingsraad
beslissende
bevoegdheden toe te kennen met

betrekking tot het functioneren van de onderneming 6f

de factor arbeid substantieel te doen vertegenwoordigen

in de nieuwe Raad van Commissarissen. Nu is het echter

– schematisch uitgedrukt – zo dat wat aan nieuwe

bevoegdheden aan de OR wordt toegekend weer wordt

tenietgedaan door de zwaardere plaats die aan de Raad

van Commissarissen is toegekend. In die zin kan de

nieuwe wet niet worden gezien als een verbreding van

de lijn die in 1950 is uitgezet, waarbij de OR toch
nadrukkelijk was bedoeld als orgaan van de totale

bedrijfsgemeenschap. Eerder is het zo dat de nieuwe wet

het dualisme – de belangentegenstelling tussen de fac-

toren kapitaal en arbeid – heeft versterkt, zonder dit

overigens in de nieuwe structuur consequent door te
trekken. In dât geval zou bijv. de OR orgaan van het

personeel zijn, noem het: Personeelsraad en zouden

Raad van Commissarissen en directie het belang van de

ondernemingscontinuïteit en de factor kapitaal behar-

tigen. De altijd al sterke positie van de directie is

overigens – ondanks wijzigingen in de functie van de
OR en de Raad van Commissarissen – niet noemens-

waard veranderd.
De contouren van het coalitiemodel op ondernemings-

niveau gaan er als volgt uitzien:

a. Werknemers organiseren zich – op grond van

hun eigen belangen en verantwoordelijkheden binnen

het bedrijf – in een soort personeelsraad. Deze pleegt

regelmatig overleg met de directie (en Raad van Com-
missarissen) over de gang van zaken in het bedrijf. Dit

overleg kan men institutionaliseren door de instelling

van een
bedrijfsoverlegorgaan,
dat de opvolger zou moe-

ten worden van de OR. Anders dan in de OR is in het

bedrijfsoverlegorgaan het dualisme volledig erkend.

Daarmee wil niet gezegd zijn dat in dit orgaan niet

tot gemeenschappelijke procedures/afspraken e.d. kan

worden besloten. Dit zal van bedrijf tot bedrijf, van

situatie tot situatie verschillen. De afspraken dragen

echter ten principale een tijdelijk karakter. Anders dan

in de OR worden hier geen verantwoordelijkheden ver

mengd, of verantwoordelijkheden genomen die men niet
waar kan maken. Ook t.a.v. de nieuwe wet moet worden

gevreesd dat de werknemersvertegenwoordigers in de OR

de legale medeverantwoordelijkheid voor het bedrijfs-

gebeuren niet kunnen effectueren. De geschiedenis van

de – somtijds onvermijdelijke – bedrijfssluitingen (ook

die kortgeleden hebben plaatsgevonden) is er om te

bewijzen dat de OR in dit soort gevallen met lege han-

den staat.

b. De vormgeving van de collectieve contracten op

een zodanige wijze dat in de individuele bedrijven vol-

doende ruimte overblijft voor onderhandelingen over

de – aan bedrijf en bedrijfstak aangepaste – concrete

invulling van het contract. Dat wil dus zeggen dat er op

landelijk c.q. bedrijfstakniveau raam-CAO’s tot stand

komen, die hun meer gedetailleerde uitwerking krijgen

in de afzonderlijke bedrijven (ondernemings-CAO’s)
53).

c. In de bedrijven wordt de instelling mogelijk ge-

maakt en bevorderd van het bedrijvenwerk, waardoor de

vakbonden bewerktuigd raken voor de uitvoering en

bewaking van het onder b genoemde punt.

Het bedrijfstakniveau

Met het vooropstellen van het nationale en het on-

dernemingsniveau wil niet gezegd zijn dat de bedrijfs-

takken onbelangrijk zijn. De veranderingen op het niveau

van de bedrijfstak zijn echter minder ingrijpend. Hoewel

het aantal eenheden (bedrijven) binnen de bedrijfstak,

door de schaalvergroting, afneemt, zullen ook in de

toekomst de bedrijfstakken een belangrijke rol in de AV

blijven spelen. Met de grotere rol die de afzonderlijke

bonden, die immers per bedrijfstak zijn georganiseerd,

zullen gaan spelen in de onderhandelingen, is een zekere

structurering van de relaties op dat niveau van niet

geringe betekenis. Voor een deel is die structurering

(denk bijv. aan metaal en bouw) al gerealiseerd en ver-

toont zij reeds de trekken van het coalitiemodel. Men

zou zelfs kunnen zeggen dat het coalitiemodel op dat

niveau nog het duidelijkst zichtbaar begint te worden,

mede door het feit dat de onderhandelingen dâr begin-

nen, met een leidende positie (,,wage leader”) voor de

metaal en de bouw. Daarnaast bestaan er overlegor-

ganen, waar werknemers en werkgevers elkaar regelmatig

treffen (vgl. bijv. de ROM in de metaalindustrie).

In coalitietermen gedacht zou een coalitiestructuur

er als volgt uit kunnen zien:

het instellen van overlegorganen tussen werk-

gevers en werknemers, waar deze nog niet of embryonaal

aanwezig zijn;

het voeren van onderhandelingen, die als resultaat

een raam-CAO voor de bedrijfstak zouden moeten op-

leveren;

het overwegen van de instelling van een bemid-

delingsprocedure per bedrijfstak, c.q. de aanpassing van

bestaande bemiddelingsprocedures aan de nieuwe ver-

houdingen (d.w.z. ze geschikt maken voor de oplossing
van werkelijke conflicten). Men zou echter ook, gezien

de grote invloed die slechts enkele bedrijfstakken op de
arbeidsvoorwaarden hebben én gezien de noodzaak van

een zekere overzichtelijkheid en coördinatie, kunnen vol-

staan met de bemiddelingsstructuur op nationaal niveau.

V. VAN COALITIE- NAAR CONFLICTMODEL?

Tot slot nog een enkel woord over de vraag of het

coalitiemodel een fase is op weg naar het conflictmodel.

53)
Hoewel ik het met een aantal interpretaties niet eens
ben, meen ik dat Van der Ven in ieder geval gelijk heeft
wanneer hij stelt dat het systeem van collectieve arbeids-
overeenkomsten in een crisis verkeert. Daarin kan men weer
een aanwijzing zien voor het overgangskarakter waarin onze
arbeidsverhoudingen zich bevinden. Zie F. J. H. M. van der
Ven, De crisis in het rechissysteem der collectieve arbeids-
overeenkomst,
Alphen a/d Rijn, 1972.

976

Is er sprake van een (r)evolutie in die richting of is het

coalitiemodel te beschouwen als een soort eindpunt?

Deze vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden en niet

alleen omdat we hier het terrein van de speculatie be-

treden. Het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat

beide modellen in enigerlei vorm een eindfase vertegen-

woordigen, omdat in beide gevallen bepaalde groeperin-

gen nog steeds strijden om wat zij als een betere maat-

schappelijke ordening zien. Zelfs in het geval dat één
van de groeperingen het pleit wint, is te verwachten –

en in ieder geval te hopen – dat de samenleving nog

voldoende dynamiek vertoont om open te staan voor

andere denkbeelden.

Ik zie het coalitiemodel als een tussenfase, in die zin

dat zij noodzakelijk is om de partijen in het veld van

de arbeidsverhoudingen de ruimte te geven hun doel-

stellingen en verantwoordelijkheden te definiëren. In de

tweede plaats beschouw ik het coalitiemodel als een

aanpassing – los van wenselijkheden of idealen – aan

het industriële systeem dat na de oorlog in Nederland

is gegroeid. Met het coalitiemodel wordt naar mijn

inzicht ,,de klok gelijk gezet”.

Wat er precies uit dit proces van heroriëntatie en

aanpassing te voorschijn zal komen, blijft grotendeels in
nevelen gehuld. Op kortere termijn is deze vraag minder

relevant, omdat naar mijn schatting heroriëntatie en
aanpassing de rest van dit decennium in beslag zul-

len nemen. Intussen valt wel te verwachten dat in

een nieuw SAV in het na-coalitietijdperk de drang naar

grotere zeggenschap – gevoed door beter onderwijs –

ruim gehonoreerd zal moeten worden.
In dit verband zijn de ontwikkelingen bij de ,,vragen-

de” partij, de vâkbeweging, van het allergrootste belang.

De laatste jaren is nogal eens gesteld dat de vakbeweging

zich in haar politiek zou laten inspireren door het con-

flictmodel, zoals ik dat heb gedefinieerd. De vakbewe-

ging zou dan uit zijn op omverwerping van het

kapitalistische stelsel. Voor zover een dergelijke consta-

tering serieus is bedoeld, wijst zij op een indrukwek-

kende blikvernauwing. Al hebben sommige opmerkingen

van vakbewegingsleiders (Kloos, Groenevelt) over het

arbeiderszelfbestuur voedsel gegeven aan die gedachte,

al bestaat er een werkgroep van maatschappijkritische

vakbondsbestuurders (MKV) die die richting uit wil,

het lijkt mij rijkelijk overtrokken om te zeggen dat de

gehele vakbeweging (inclusief achterban) op deze lijn

zit. Het hele optreden van de vakbeweging, ook de

laatste tijd, wijst erop dat zij bereid is vanuit een eigen

verantwoordelijkheid medeverantwoordelijkheid te dra-

gen voor het functioneren van het vigerende maatschap-
pelijke stelsel, zij het dat zij daarin de nodige ingrijpende

wijzigingen wil aanbrengen. Dat de vakbeweging de

laatste tijd meer gebruik is gaan maken van hardere

middelen (stakingen e.d.) in de onderhandelingsstrijd,

moet in hoofdzaak worden geïnterpreteerd als een verlate
aanpassing aan de spelregels van ons industriële systeem.

De langdurige sociale rust in ons land is voor dat

systeem (vgl. het buitenland) zo â-typisch dat het onjuist

is die situatie tot norm te verheffen. Dat is gebeurd door

degenen, waaronder vele vakbondsmensen, die in het na-

oorlogse systeem van geleide loonpolitiek zijn opge-

groeid. Begrijpelijk overigens, gezien o.a. het werkloos-

heidstrauma uit de jaren dertig, met in het voetspoor

daarvan het streven naar volledige werkgelegenheid. We

zijn nu echter beland in een ,,inhaal”- en aanpassings-
fase, die noodzakelijkerwijs voor velen buitengewoon

verwarrend moet zijn. De politiek in het veld der AV is

niet minder verwarrend, omdat zij voor een belangrijk

deel nog bepaald en gedragen wordt door mensen en

instellingen die groot zijn geworden in de periode van

langdurige sociale rust.

BESLUIT

Deze bijdrage is wat lang uitgevallen. Dit was m.i.

om twee redenen noodzakelijk. In de eerste plaats om

opvattingen, eerder in dit blad neergelegd, te expliceren
en deze mede te betrekken op wat zich de laatste ander-

half jaar heeft afgespeeld. In de tweede plaats om
naar ik hoop – enig recht te doen aan de bijdragen die

anderen aan de discussie over de AV hebben geleverd.

Zij nodigden, door hun kwaliteit én door de omvang

van de problemen die daarin ter sprake kwamen, uit

tot een uitvoerig antwoord. Nochtans heb ik mij ook in
dit artikel tot de hoofdlijnen moeten beperken.

Bram Peper

.
Europa-bladwijzer

De Europese

topconferentie

van 19 en 20 oktober 1972

Is een topconferentie gewenst?

geringshoofden op 19 en 20 oktober Brittannië, Ierland en Denemarken.

in Parijs. Deelnemers aan deze top-

Waarom zoveel aandacht voor

Europa is in afwachting van de conferentie zijn de zes EG-landen en een conferentie die nog moet wor-

conferentie van staatshoofden en re-
de drie toetredende staten, nl. Groot- den gehouden? Waarom niet ge-

ESB 11-10-1972

977

wacht tot de resultaten bekend zijn?

Het antwoord op deze vragen is

eenvoudig: veel verwikkelingen heb-

ben zich voorgedaan sinds de Franse

president in augustus 1971 de ge-

dachte van een nieuwe topconferen-

tie – na die van Den Haag in de-

cember 1969 – lanceerde.

President Pompidou kwam hier-

toe enkele dagen nadat de Ameri-

kaanse president op 15 augustus

1971 de nieuwe economische politiek

had afgekondigd. In de grote onze-

kerheid van die dagen meende de

Franse president een goede daad te

stellen door de Europese landen tot

een conferentie op te roepen. Onge-

twijfeld speelde daarbij het verlan-

gen een rol, tegenover de Ameri-

kaanse maatregelen een eensgezind

Europees beleid uit te werken.

De toenmalige voorzitter van de

Europese Commissie Franco-Maria
Malfatti betuigde al op 19 augustus

1971 adhesie aan de suggestie van

Pompidou. Hij zond tevens een

boodschap naar de regeringshoofden

van de Zes, waarin hij zijn gedach-

ten over een topconferentie uiteen-

zette. Alle reacties waren gunstig.

Daarop verklaarde de Franse presi-

dent dat de conferentie zorgvuldig
zou moeten worden voorbereid en

dat het geen conferentie mocht wor-

den waar slechts ideeën worden uit-

gewisseld, maar dat er beslissingen

zouden moeten worden genomen.

Er ontstonden echter verwikkelin-

gen tijdens de zorgvuldige voorbe-

reidingen van de conferentie. Vooral

de Franse aandrang tot het vestigen

van een politiek secretariaat in Parijs

droeg ertoe bij dat de stemming bij

de overige deelnemers steeds koeler

werd. Na het plotseling gehouden re-

ferendum in Frankrijk (23 april

1972) over de toetreding van de

vier kandidaat-landen tot de Euro-

pese Gerneenschappen, dat voor

Pompidou teleurstellend uitviel, be-

koelde ook zijn enthousiasme. Tij-

dens bilateraal Frans-Belgisch over-

leg in juni jl. overrompelde hij de

Europese kanselarijen met een nogal

forse verklaring dat de top mogelijk

zou moeten worden uitgesteld. Pas

eind september kwam de officiële me-

dedeling dat Frankrijk toch bereid

was de Europese staats- en regerings-

hoofden naar Parijs uit te nodigen.

Intussen werden veel voorberei-

dende Raadszittingen gehouden en

vergaderden allerlei comité’s en com-

missies. We kunnen nu al vaststel-
len dat de komende topconferentie

zo niet de best dan toch wel de

langdurigst voorbereide uit de ge-

schiedenis van de EG is. Dit be-

hoeft evenwel nog niet te betekenen

dat ook de resultaten dienovereen-

komstig zullen zijn.

Men kan zich afvragen, of het in-

stituut van periodieke topconferen-

ties past in de institutionele opzet

van de EG. Hebben we niet een

Europese Commissie en een Euro-

pese Raad van Ministers die de za-

ken moeten afdoen? Een vroegere

voorzitter van de Commissie, Jean

Rey, heeft kortgeleden opgemerkt,

dat topconferenties de EG uithollen

en bedoeld zijn om de Gemeenschap

in intergouvernementele zin om te

buigen.

De top gaat door

Wanneer we echter uitgaan van de
gebrekkige wijze waarop de organen

van de EG thans functioneren, kan

een topconferentie op dit ogenblik

om drie redenen toch wel gunstig

worden beoordeeld.

In de resolutie van 22 maart

1971
1)
betreffende de verwezenlij-

king in etappes van de economische

en monetaire unie is bepaald, dat in

1973 beslissingen moeten worden ge-

nomen over de voortgang van de

economische en monetaire unie. Op

1 januari 1974 zal de eerste etappe

van drie jaar voltooid zijn en zou de

tweede etappe moeten ingaan. Bij

de beraadslagingen over de resolutie

van 22 maart 1971 is gebleken dat

er grote onenigheid, met name tus-

sen Duitsland en Frankrijk, was over

de vraag of, en zo ja, hoe na de

eerste etappe moest worden voortge-

gaan. Daarom is aan het einde van

de resolutie bepaald, dat v66r het

einde van de eerste etappe van drie
jaar de ministerraad en,
in voorko-

mend geval, de vertegenwoordigers

van de regeringen,
de maatregelen

moeten vaststellen die na de over

gang naar de tweede etappe, leiden

tot de volledige verwezenlijking van

de economische en monetaire unie.

Reeds voorzien is dus, dat in voor-

komend geval niet de ministerraad

(een EG-orgaan), maar de regerings-

vertegenwoordigers via wijziging van

de Europese Verdragen beslissingen

over het einddoel en de voortgang

van de economische en monetaire

unie nemen. Een topconferentie kan

hiertoe een bijdrage leveren, wanneer

in de Raad – zoals tot nu toe –

geen overeenstemming valt te berei-

ken.

Het verloop van de eerste etap-

pe van de economische en monetaire

unie zou op zich ook al een top-

conferentie rechtvaardigen. De ach-

tereenvolgende monetaire crises van

1971 hebben immers roet in het eten

gegooid. Voornemens tot verkleining

van de bandbreedte der onderlinge

wisselkoersen moesten• worden opge-

schort en zijn nooit in die vorm tot

uitvoering gekomen. Ook kon geen

eensluidend EG-standpunt worden

ingenomen bij de onderhandelingen

in de groep van Tien die tot het

akkoord van 16 en 17 december

1971 leidden. Daarnaast heeft het

verloop der internationale monetaire

gebeurtenissen een stroomversnelling

opgewekt in het streven naar de op-
richting van een Europees monetair

fonds.

Een derde motief tot het hou-

den van een topconferentie is de uit-

breiding van de Gemeenschap op 1

januari 1973 met drie leden. De toe-

tredende leden hebben alles wat in

de EG tot nu toe tot stand is geko-

men aanvaard en zij zullen dit in

vijf jaar in hun wetgeving en in hun

volkshuishouding moeten verwerken.

Het is de vraag, of ze dit kunnen

combineren met de geleidelijke in-

voering van een economische en mo-

netaire unie. Wanneer het streefjaar

1980 hiervoor gehandhaafd blijft,

zouden de toetredende landen voor

een dubbele opgaaf staan. Dit pro-

bleem is een bespreking waard op

een topconferentie, waarop de drie

nieuwe lidstaten zelf voor hun be-

langen kunnen opkomen.

De Belgische minister van Buiten-

landse Zaken Harmel heeft de ge-

dachte geopperd, dat de Parijse top-

conferentie voor de vergrote EG zou

moeten worden wat Messina voor de

Zes is geweest. In Messina werd een

mandaat aan een politicus, Paul-

Henri Spaak, verstrekt om in samen-

werking met regeringsvertegenwoor

digers een rapport uit te werken

waarin de contouren van de voor de

invoering van een gemeenschappelijke

markt te nemen maatregelen dienden

te worden geschetst. Deze werkwijze

heeft de totstandkoming van het

EEG-Verdrag (en Euratom-Verdrag)

bespoedigd. De topconferentie zou

ook nu de Spaak-methode kunnen

hanteren om gebleken politieke wils-

overeenstemming in concept-beslui-

ten om te zetten. Wel zou dan de

Europese Commissie op voet van ge-
lijkheid met nationale delegaties deel

van de werkgroep moeten uitmaken.

Dat een topconferentie in een

1)
Publikatieblad van de EG nr. C 28
van 27 maart 1971.

978

vastgelopen situatie tot een versnel-

ling in de besluitvorming kan leiden,
heeft de Haagse conferentie van 1 en

2 december 1969 bewezen. Ook nu

zijn er veel problemen die op korte
termijn moeten worden aangepakt.

Naast de reeds vermelde economi-

sche en monetaire unie staan ons in

1973 enkele belangrijke conferenties

te wachten: de Europese veiligheids-

conferentie, de onderhandelingen in

het GATT over de wereidhandel en

de werkzaamheden in de Groep van

Twintig ter voorbereiding van een

nieuw internationaal monetair stelsel.

Bovendien vereist de teleurstellende

afloop van UNCTAD-Ili in Chili

een hernieuwde bezinning over de

juiste aanpak door de EG van het

vraagstuk der ontwikkelingssamen-

werking.

Het belang dat aan de top wordt

gehecht, kan ook worden afgeleid

uit de adviezen die door velerlei

maatschappelijke organisaties onge-

vraagd zijn uitgebracht. Wij vermel-

den er drie, ni. een advies van de

Commissie voor Internationale So-

ciaal-Economische Aangelegenheden

(ISEA) van de SER
2),
een nota van

de EEG-Commissie van de PvdA 3)

en een memorandum van de indu-

triële federaties van de lidstaten
4).

De agenda van de topconferentie

bestaat uit drie onderwerpen:

institutionele versterking;

plaats van de EG in de wereld;

economische en monetaire unie.

Aan elk van deze drie agendapun-
ten wijden we hieronder een korte

beschouwing.

Institutionele versterking
5)

Zoals reeds is opgemerkt, is

Frankrijk er tijdens de voorbereiden-

de besprekingen niet in geslaagd,

steun te verkrijgen voor de oprich-

ting van een politiek secretariaat dat

in Parijs zou worden gevestigd.

Frankrijk wil de politieke coördina-

tie, die in ieder geval in een econo-

mische en monetaire unie is gebo-

den, niet verbinden aan de bestaan-

de Brusselse instellingen. Een nieuwe

instelling, en dan liefst in Parijs, zou

hiermee belast moeten worden. Het

ziet er echter naar uit dat hierover

in Parijs geen beslissing zal worden

genomen vanwege het gebrek aan

overeenstemming.

Over de institutionele versterking

van de Gemeenschappen is tijdens

de vergadering van de (toen nog)

tien ministers van Buitenlandse Za-

ken in september ji. in Rome nau-

welijks een begin van overeenstem-

ming bereikt.

Voorstellen om de directe verkie-

zing van de leden van het Europese

Parlement in 1975 te doen plaats-

vinden en om – conform de voor

stellen van de zgn. Commissie-

Vedel
6)
en enkele regeringen – aan

het Parlement ruimere bevoegdheden

te verlenen zijn allen van de tafel

geveegd nu daarover geen begin van

overeenstemming tussen de negen

deelnemers bestaat. Met name Frank-

rijk verzet zich tegen de datum van

1975 voor de Europese verkiezingen;

de huiver om voor de institutionele

versterking de Europese Verdragen

aan te passen is zeer groot op een

enkele (Nederlandse) uitzondering na.

De plaats van de EG in de wereld

In de ,,buitenlandse” politiek van

de vergrote Gemeenschap is de ver-

houding tot de industriële landen

van groot belang. In de ministerraad

was men het er wel over eens, dat

de Gemeenschap tijdens de interna-

tionale commerciële en monetaire

onderhandelingen in 1973 als een

eenheid moet optreden. Verschillen

in benadering treden echter al op,

als de wijze van onderhandelen moet

worden vastgesteld. Zo staat nog

niet vast, of het overleg met de

Verenigde Staten in een blijvende in-
stitutionele vorm moet worden gego-

ten.

Soortgelijke problemen rijzen ten

aanzien van de betrekkingen tot de

Oosteuropese landen. Uitbreiding

van de economische betrekkingen

met deze landen vindt een ieder ge-

wenst. Maar hoe kunnen deze lan-

den meer in de internationale handel

en het internationale monetaire stel-

sel worden betrokken? In dit ver-

band wordt ook gewezen op de

noodzaak van de aanwezigheid van

de Commissie op de Europese Vei-

ligheidsconferentie.

De topconferentie zal zich ook

moeten uitspreken over de ontwik-

kelingssamenwerking, onder andere

over de omvang van de financiële

hulp. Zal deze uitspraak neerkomen

op het getal van 1% van het natio-

nale inkomen? Ook zal de coördina-

tie van de verschillende nationale

vormen van hulpverlening dienen te

worden besproken, evenals het zo-

juist door Mansholt namens de Euro-

pese Commissie ingediende voorstel

om de handel tussen de EG en de

ontwikkelingslanden jaarlijks met

15%
te vergroten.

Economische en monetaire unie

Het centrale thema van de top-

conferentie zal ongetwijfeld de eco-

nomische en monetaire unie zijn. Ad-

viezen zijn onder andere uitgebracht

door het Monetaire Comité en het

Comité van Gouverneurs van de

Centrale Banken.

In feite gaat het om de vraag of

op 1 januari 1974 de tweede etappe

van de economische en monetaire

unie zal ingaan en of 1980 als streef-

jaar voor de ,,volle” unie wordt aan-

gehouden. De ministers van Finan-

ciën zijn het er in Rome medio

september jl. over eens geworden,

dat de topconferentie een beroep

op de Gemeenschapsinstellingen zal
doen, in 1973 de nodige voorzienin-

gen te treffen, zodat de overgang

van de eerste naar de tweede fase

van de economische en monetaire

unie op 1 januari 1974 plaats kan

vinden.

In de discussies over de economi-

sche en monetaire unie zijn twee

stromingen te onderkennen, nI. de

economische (Duitsland en Neder-

land) en de monetaire (Frankrijk).

De ,,economisten” leggen de nadruk

op de coördinatie van het economi-

sche beleid (begrotingspolitiek, inko-

mensbeleid enz.); de ,,monetaristen”

vinden de monetaire unie het belang-

rijkst. Wat er ook van een mogelijke

tegenstelling tussen beide opvattin-
gen zij, in de reeds aangehaalde re-
solutie betreffende de economische

en monetaire unie van 22 maart

1971 wordt erover opgemerkt:
,,Op alle gebieden zijn de te treffen
maatregelen onderling afhankelijk en
versterken deze elkaar; de ontwikkeling
van de monetaire eenmaking dient
vooral te steunen op gelijktijdige voor-
uitgang wat betreft het naar elkaar toe

Commissie voor Internationale So-
ciaal-Economische Aangelegenheden van
de Sociaal-Economische Raad,
Advies
met betrekking tot de in het najaar
1972 te houden
Conferentie
van Staats-
en Regeringshoofden van de tot tien
landen uit te breiden Europese Econo-
mische Gemeenschap. EEG-Commissie van de Partij van
de Arbeid,
Nota met betrekking tot de
a.s. topconferentie van de lidstaten en
kandidaatleden van de Europese Ge-
mneenschap.
Les fédérations industrielles des pays
membres de la Communauté,
Memo-
randun3 â l’égard de la Con férence au
Sommet qui devrait réunir les pays de
la Communauté élargie, en octobre pro-
chain, â Paris.
Hierover de Europabladwijzer: In-
stitutionele perikelen in de Europese
Gemeenschappen in
ESB
van 14 juni
1972, blz. 583-585.
Zie de bladwijzer genoemd in noot
5.

ESB 11-10-1972

979

neurs der Centrale Banken en ope-

reren binnen de beleidslijnen die

door de Raad worden vastgesteld. In

de beginfase zal het Fonds de sa-

menwerking der centrale banken ge-

makkelijker maken bij het handha-

ven van de gehalveerde bandbreedte

der onderlinge wisselkoersen. Zo

zal het Fonds de bilaterale posities

die hieruit voortvloeien, omzetten in

multilaterale. Een Europese Reken-

eenheid zal bij de onderlinge verre-

keningen worden gebruikt. Aan de

Gouverneurs der Centrale Banken is

opgedragen een studie te maken

over het probleem, hoe op den duur
de monetaire reserves in een ,,pool”

kunnen worden samengebracht.

Het voorgenomen besluit tot over

gang naar de tweede fase van de

economische en monetaire unie

maakt een actief regionaal beleid

nodig. Vooral Italië en Engeland zijn

voorstander van zo’n beleid. Logisch

beschouwd vloeit de behoefte aan

een regionale politiek uit een echte

economische en monetaire unie

voort. In de politiek gaat het er

echter om of bij de lidstaten de po-

litieke bereidheid bestaat eventueel

een groter deel van dit beleid te fi-

nancieren dan via het beleid weer

aan het eigen land ten goede komt.
Vandaar dat andere landen dan Ita-

lië en Engeland een aarzelende hou-

ding aannemen nu door de uitbrei-

situatie ontstaat. Vooral Engeland

brengt economisch achtergebleven

streken mee. Het is dan ook de

vraag, of de Negen op deze topcon-

ferentie hierover al besluiten zullen

kunnen nemen.

Zo gaat de Europese Gemeen-

schap zijn tweede top binnen drie

jaar tegemoet. Vol vreugde omdat

het Verenigd Koninkrijk, Denemar-

ken en Ierland er bij zijn, weemoe-

dig over de afwezigheid van Noor-

wegen. President Pompidou heeft

een geslaagde top nodig voor zijn

binnenlandse politiek, de overigen

staan niet te dringen, maar zijn be-

reid om nieuwe beslissingen, met

name op economisch en monetair

terrein, te nemen.

Als er ooit in de nabije toekomst

weer eens een nieuwe topconferentie

wordt belegd, zouden de staats- en

regeringshoofden de gelegenheid

moeten aangrijpen om te evalueren

waarom
de Noren niet wilden en

waarom
het verzet binnen Denemar-

ken en het Verenigd Koninkrijk

tegen de Europese Gemeenschappen

zo groot is. Een verzet dat binnen

de Zes nooit zo sterk is geweest,

maar dat door een nieuwe generatie

anno 1972 maar al te vaak wordt

ondersteund.

doen groeien van het economisch be-
leid en vervolgens wat betreft de een-
making daarvan”.

Een fraai voorbeeld van deze sa-
mengang vinden we in de overeen-

stemming van de ministers van Fi-

nanciën in hun vergadering te Rome.

Daar werd besloten tot infiatiebestrij-

ding in Gemeenschapsverband (eco-

nomisch beleid) en de oprichting van

een Europees Monetair Fonds (mo-

netair beleid). Dit parallellisme is de

gezondste basis voor een werkelijk

economische én monetaire unie.

De Gemeenschap wordt door de

labiele internationale monetaire si-

tuatie gedwongen tot een nauwe mo-

netaire samenwerking. Sinds 24 april

jl. vindt op de valutamarkten inter-
ventie in elkaars valuta plaats en is

de bandbreedte der onderlinge wis-

selkoersen gehalveerd
(214%).
Het

zweven van het pond sterling en het

speciale arrangement voor de Ita-
liaanse lire (thans verlengd tot 31

december 1972) hebben hieraan geen

afbreuk gedaan.

Om deze nauwe monetaire samen-

werking te institutionaliseren wordt

het Europese Monetaire Fonds thans

eerder opgericht dan vorig jaar

maart was voorzien. Het zou na-

melijk op zijn vroegst in de tweede
etappe van de economische en mo-

netaire unie ontstaan.

Het Fonds zal onder het toezicht

staan van het Comité van Gouver-ding van de EG een geheel nieuwe

Europa Instituut Leiden

Westland/Utrecht

bed rijfseconoom
Wij zoeken voor de afdeling
bedrijfsontwikkeling op ons
hoofdkantoor te Amsterdam een
bedrijfseconoom.
De afdeling bedrijfsontwikkeling
is een concern-afdeling, die
tot taak heeft het ontwikkelen en
begeleiden van nieuwe initia-
tieven in bestaande en nieuwe
activiteiten. Vereisten
Academische of daarmee ver

gelijkbare opleiding, alsmede
enige jaren praktische
ervaring. Van de kandidaat die
wij zoeken wordt verwacht dat
hij zich zal ontwikkelen tot een
gesprekspartner van het hoofd
van de afdeling bedrijfs-
ontwikkeling en dat hij het ver-
mogen bezit om met de overige
stafleden in team-verband te
zoeken naar praktische
realiseerbare oplossingen met
inbreng van eigen creativiteit
en doorzettingsvermogen.
Wij bieden:
Een interessante werkkring met vele ontplooiingsmogelijkheden. Een met de eisen van de functie
overeenkomend salaris (+ 13e
maand, vakantietoeslag en
tantième). Opname in premievrij
pensioenfonds. Aantrekkelijke
financieringsmogelijkheid voor
een eigen woning.
Belangstellenden worden uit-genodigd een brief, die strikt
vertrouwelijk zal worden behan-
deld, met uitvoerige gegevens omtrent opleiding en praktische
ervaring en met insluiting van
een pasfoto te richten aan ons
adres Spuistraat
210
te
Amsterdam
(t.a.v. Mr.
K.
H. Huisman).

980

Auteur