Ga direct naar de content

Jrg. 56, editie 2799

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 26 1971

Eco

nornischoStatistische Berichten

UETGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

26 MEI 1971

56e
JAARGANG

No. 2799

Ontwikkelingsplan

voor

Oost-Groningen

Een evenwichtige economische groei van een land houdt

in, dat deze groei gelijkmatig over dat land is verdeeld.

Is dit niet het geval, dan kunnen economische en sociale

spanningen ontstaan. De wereld, vooral de Derde Wereld,

kent tal van regio’s met dergelijke spanningen. Ook Neder-

land kent ze, al zinken zijn spanningen duidelijk in het

niet bij die der ontwikkelingslanden. Een voorbeeld is de

onvrede die in het Noorden van Nederland, speciaal in

Oost-Groningen, bestaat. Dit geïsoleerde topje van Neder-

land verkeert reeds vanaf de tweede wereldoorlog in eco-

nomische moeilijkheden. Ondanks het isolement heeft men

dit wel ingezien. Al vele jaren stelt Den Haag regelingen

op, die de economisch zwakke regio’s moeten helpen.

De eerste regeling was de Premieregeling ter Bevordering

van de Industrialisatie Kerngemeenten,
die dateert van 1953.

Deze regeling werd door vele gevolgd.
,,Hoogtepunten” in het regeringsbeleid voor het Noorden

waren: de Tweede Nota over de Ruimtelijke Qrdeiiing
(1966)
en de Nota Ontwikkeliiig van het Noorden des Lands
(1968).

Voor deskundigen in de regionaal-economische politiek

zou het een teleurstelling kunnen zijn, dat al de getroffen

maatregelen nog steeds niet het beoogde effect hebben ge-

had. Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat de plaatse-

lijke bevolking teleurgesteld is en dit uit via buitenparlemen-

taire acties. Toch hebben de getroffen maatregelen wel

enig effect gehad vanaf
1953.
Zo begint het erop te lijken
dat de problematiek van het Noorden zich allengs steeds

meer beperkt tot Oost-Groningen. Bovendien, en dat is

belangrijker, zien we dat in een tijd van afzwakking van

de economische groei de conjuncturele problemen zich niet

in de eerste plaats in het Noorden openbaren.

1-let zou interessant zijn na te gaan, wat men in de loop

van de tijd in het Noorden heeft gedaan. Hierbij moet
men bedenken, dat de economische problemen er van

structurele aard zijn, zij het dat zij zich vooral openbaren

bij conjuncturele moeilijkheden. Dit betekent dat de fac-

toren, die het welzijn of de welvaart bepalen, onvoldoende

op elkaar zijn afgestemd. Deze factoren zijn: de beschik-

bare hoeveelheid kapitaalgoederen van een bepaalde tech-

nische kwaliteit, de beschikbare hoeveelheid arbeids-

krachten met een bepaalde’ bekwaamheid en scholing en

de culturele en sociale omgeving. Eigenlijk waren de maat-

regelen hier nooit voldoende op afgestemd. De regeringen
richtten vaak hun aandacht op het verlichten van de moei-

lijkheden door premieregelingen en aanvullende werk-

gelegenheidsprojecten, zonder de oorzaken aan te pakken.
Een echt onderzoek werd pas in 1969 door het CPB, CBS,

de RPD en het ministerie van Economische Zaken, met

medewerking van het onderzoekbureau A. D. Little en de

Noordelijke economisch-technologische instituten, opgezet.

Dit onderzoek
moet
binnenkort zijn afgerond. Hiermee

heeft het Noorden, en dus Oost-Groningen, duidelijk de

aandacht, zodat de staatssecretaris van Economische

Zaken, Drs. L. J. M. van Son, niet alleen verkiezings-

propaganda maakte toen hij bij de installatie van de

Begeleidingscommissie Oost-Groningen op 6 april jI. zei,
dat Oost-Groningen kan rekenen op een
zeer positieve op-
stelling van Den Haag. Dit blijkt ook uit de antwoorden

van de regering-De Jong op vragen van leden van

de
Tweede Kamer tijdens de debatten over de sociaal-econo-

mische ontwikkeling van deze regio.

Ondanks deze positieve opstelling moet uit de getroffen

maatregelen toch de conclusie worden getrokken, dat

Den Haag vanaf 1953 weinig geleerd heeft en dat de uit-

komsten en eventuele aanbevelingen van het boven-

genoemde onderzoek dringend nodig zijn. Wat dit betreft

zou ik drie maatregelen uit het huidige instrumentarium

willen noemen die een nogal belangrijke plaats innemen,

maar die in Oost-Groningen niet veel verbetering zullen

brengen:

vestiging van een centrale typekamer ter bevordering

van de werkgelegenheid;
aanvullende werkgelegenheidsprojecten;
legerplan Ter Apel.

Oost-Groningen verdient maatregelen die doortastender

zijn en duidelijk de oorzaken van de structurele moeilijk-

heden aanpakken.

1-let niet oplossen van een langdurig economisch probleem

wordt vaker veroorzaakt door het niet willen nemen van

de juiste beslissingen dan door het falen van de econo-

mische wetenschap.

L.H.

481

r

Inhoud

Arbeidsconflicten in de Europese Gemeenschap

Ontwikkelingsplan

voor

Oost-
in de komende periode zal, nadat de baggeraars de spits hebben afge-

Groningen

…………….481
beten, een aantal nieuwe CAO’s worden afgesloten. Omdat dit wel met

Drs. J. A. M. 1-leijke:
de

gebruikelijke

scherniLitselingen

gepaard

zal

gaan,

is

het

interessant

Arbeidsconflicten

in

de

Euro-
enige kwantitatieve informatie te verschaffen over de omvang die, arbeids-

Gemeenschap

482
pese
conflicten kunnen aannemen. in deze notitie zal worden bekeken hoe

omvangrijk de arbeidsconflicten in de landen van de Europese Gemeen-

Drs. W. Siddré:
schap, exclusief Luxemburg, in dc periode 1967-1969 zijn geweest.

Stemmen over monetaire poli-
Met behulp van enkele basisgegevens heb ik het
aantal deelnemers

tiek

………………….483
aan stakingen per 1.000 werknemers en het aantal verloren arbeidsdagen

Dr. P. Kraerner:
per deelnemer, als indicatie van de
gemiddelde duur
van het conflict,

berekend. Deze gegevens, tezamen met het aantal door arbeidsconflicten Het primaat, van de politiek in
verloren arbeidsdagen
per 1.000 werknemers, zijn weergegeven in onder-
de economische discussie

. . . .

484
staande tabel. De basisgegevens zijn ontleend aan het
Jaarboek van de

Drs. R. Schöndorff:
Sociale Statistiek,
Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschap-

Beslissingen en preferenties

. .

488
pen, 1970.

Prof. Dr. H. J. van Zuthem:

Hoe goed is onze economische
Aantal

deelnemers

Aantal verloren ar-

Aantal verloren ar-

orde?

493
aan

stakingen

per

beidsdagen per

beidsdagen per
………………..
1.000 werknemers

deelnemer

1.000 werknemers

Dr. J. van den Doel:
1967

1968

1969

1967

1968

1969

1967

1968

1969

Enkele

optimale en niet-opti-
Duitsland

3

1

4

7

1

3

19

1

1

male ontwikkelingen in de Ne-
Frankrijk

189

a)

99

2

a)

2

282

a)

145

derlandse economische orde
.

495
Italië

183

393

598

4

2

5

700

747

3.013

Toets

op

taak

…………500
Nederland

1

1

3

3

3

2

2

4

6

België

13

10

9

5

12

7

65

129

56

Europa-bladwijzer

……….502

Maatschappijspiegel

……..
505
a
Geen gegevens beschikbaar

Boekennieuws

…………506
Uit deze gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Uit de cijfers over het aantal deelnemers aan stakingen per 1.000 werk-
Redacde


nemers blijkt in de landen Italië en Frankrijk een veel groter gedeelte
Commissie van redactie: H. C. Bos,
van het totale aantal werknemers bij een tot staking leidend arbeidsconflict R.livema, L. H. Klaassen, H.W.Lambers, P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
te zijn betrokken dan in de overige landen van de Europese Gemeenschap.

A.
de Wit
Beziet men echter de gegevens over de gemiddelde duur van de staking

Redacteur-secretaris: P. A. de Ruiter
dan blijken de verschillen minder groot te zijn. Bovendien zijn de ver-

Adjunct redacteur-secretaris:
schillen geheel anders verdeeld. Het is hier België dat ongunstig afsteekt

L.
Hof/man
door het groter aantal verloren arbeidsdagen per deelnemer aan stakingen,

terwijl in Frankrijk de duur van het conflict juist korter is. Uit de gegeven

Economisch-Statistische Berichten
tabel is het niet goed mogelijk deze conclusie voor Frankrijk te trekken,

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
omdat voor

1968, het jaar van de grote sociale onlusten,

geen cijfers

Economisch Instituut
beschikbaar zijn. De opmerking over Frankrijk is dan ook tevens geba-

seerd op berekeningen die zijn uitgevoerd voor de periode v66r 1967. De
Adres:
Burgemeester Oudiaan 50,
Rotterdam-3016;
opmerkingen over de verschillen in de gemiddelde duur van de conflicten

kopj/ voor de redactie:
en de positie van België daarin bleken overigens ook v66r 1967 op te gaan.
postbus 4224. Telefoon:
Het uiteindelijk resultaat van beide facetten van het arbeidsconflict
(010)
14 55 11, toestel 3701. Bij
kan men uitdrukken in het aantal verloren arbeidsdagen per 1.000 werk
adreswijziging s.v.p. steeds adresbandje
nemers. Dit is het produkt van het aantal deelnemers aan stakingen per
meesturen.
1.000 werknemers en het aantal verloren arbeidsdagen per deelnemer.
Kopij
voor de
redactie:
in twee voud,
De gegevens over het aantal verloren arbeidsdagen per 1.000 werknemers
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.
laten duidelijk zien, dat in Italië van een ernstige toestand sprake is die

Abonnementsprijs:
f.
44,72 per jaar,
eldeis in de Europese Gemeenschap gelukkig niet wordt geëvenaard.
studenten
f.
31,20, franco per post voor
Wel is een groot deel van het aantal werknemers in Frankrijk betrokken bij
Nederland, België, Luxemburg, overzeese rjksdelen (zeepost).
tot staking leidende arbeidsconflicten, maar de duur van de staking is kort,

Prijs van dit nummer:!. 1,50. Abonnementen
zodat het aantal verloren arbeidsdagen per 1.000 werknemers duidelijk
kunnen ingaan op elke gewenste datum,
blijft onder dat van Italie..België kenmerkt zich vooral door een lange
maar slechts worden beëindigd per
duur van het conflict, terwijl dit land m.b.t. het aandeel van de werk-
ultimo van een kalenderjaar.
nemers dat deelneemt aan de staking een middenpositie inneemt. Nederland

Betaling:
giro 8408; Bank Mees & Hope
blijkt ten opzichte van de andere landen van de Gemeenschap zeer gunstig
NV,
Rotterdam; Banque de Commerce,
af te steken. Deze conclusie geldt uiteraard voor de periode 1967-1969
Koninklijk plein 6, Brussel,
postcheque-rekening 260.34.
en houdt natuurlijk geen aanbeveling in om uit misplaatste bescheidenheid

deze positie te verlaten.

Advertenties: N. V.
Kon. Ned. Boekdrukkerj
H.A.M.
Roelants, Lange Haven
141,
J. A. M.
Heijke
Schiedam, tel. (010) 2602 60, toestel 908.

482

W. Siddrd

Stemmen over

monetaire politiek

In 1969 en 1970 werd de Ameri-

kaanse economie gekenmerkt door

een recessie. Het werkloosheidsper-

centage was
5%
of hoger (dit cijfer

is wegens verschillen in definitie, niet

vergelijkbaar met onze cijfers). Ook

voor het jaar 1971 worden ‘echter

weer hoge werkloosheidspercentages

voorspeld. De Council of Economic

Advisers houdt rekening met een

werkloosheidspercentage gelijk aan

5,3.
M. K. Evans raamt dit percen-

tage op
5,5.
Uit Michigan komt

een prognose van
5,9%.
Het Whar-

ton-percentage is iets optimistischer,

nI.
5,1.
Sombere cijfers komen echter

uit St. Louis:
5,5%

5,8%,
af-

hankelijk van de gemaakte veronder-

stellingen over de groei van de

geldhoeveelheid en over de over

heidsuitgaven. Deze blijvende werk-

loosheid lokt veel discussies uit over

de te nemen maatregelen. Ik beperk

mij hier tot het signaleren van enkele
opvallende meningen over monetaire

politiek.

De
New York Ti,nes
publiceerde

op 29 april jI. een brief van Edmund

Phelps, waarin hij betoogt dat de

oorzaak van de recessie gezocht moet

worden in een te laag niveau van

de liquiditeiten ten opzichte van de

produktiecapaciteit en het prijsniveau.

Hij stelt zich scherp op tegenover

Burns, voorzitter van de Federal Re-

serve Board, die beweerd heeft dat

de economie “awash with liquidity”

is. Dit is volgens Phelps ,,eyewash”.

Hij stelt verder dat de huidige (hoge)

groeipercentages van de liquiditeiten-

voorziening niet adequaat zijn: “to

assert that the present rate of in-

crease of the money supply is ade-

quate for the reattainment of pros-

perity is like saying that my horse

runs fast when the other horse is

ahead and runs just as fast”. Zijn

krachtige taal zal wel de aandacht

trekken. Ik citeer hem nog eenmaal:

“It is absurd ….to worry that any
small improvement in the present level
of liquidity would risk reigniting the
old rate of inflation. The illusory or
trumped up fear, of inflation from doing
what is necessary for recovery is remi-
niscent of similar phobias which pro-
longed the depression of the thirties.”
Enkele dagen later publiceerde

Milton Friedman in
Newsweek
een

artikel getiteld “Money Explodes”.

Deze fervente voorstander van het

gebruik van monetaire politiek heeft

berekend dat de groeipercentages van

de geldhoeveelheid in de eerste maan-

den van dit jaar hoger waren dan in

enige andere periode van dezelfde

duur gedurende de laatste
25
jaar.

Deze geldexplosie zal de inflatie na

‘enige maanden weer versnellen. Na-

drukkelijk adviseert Friedman de Fed

om de monetaire groei te reduceren

(hoewel hij er aan twijfelt of het Fed-

mechanisme zijn wensen snel in da-

den zal kunnen omzetten).

Phelps is geen extreem monetarist
zoals Friedman, maar hij is evenmin

van mening dat alleen een verande-

ring in de fiscale politiek de Ameri-

kaanse economie kan redden. Mone-

taire stiniulansen zijn volgens heni

hard nodig. Dit wordt echter ontkend

door Robert Mundell. Deze mone-

taire specialist, nota bene evenals

Friedman hoogleraar in Chicago, be-

stookt nu hét monetaire bastion van-

uit Bologna. In een voordracht voor

de Bologna Center of the John Hop-

kins University doet Mundell een

frontale aanval op de effectiviteit van

monetaire politiek. Mundell adviseert

wél een belastingverlaging om de

werkgelegenheid en de produktie te

stimuleren, want ,,the idea that mo-

netary acceleration necessarily increa-

ses employment and output is one of

those tired cliché’s. . . .”. Zijn scepsis

over monetaire politiek is gebaseerd
op de afwezigheid van een theoreti-

sche fundering van -monetaire poli-

tiek.

Mundell stelt dat in keynesiaans

georiënteerde modellen een verrui-

ming van de liquiditeiten alleen dan
een expansieve invloed op de werk-

gelegenheid heeft als het geldaanbod

– in looneenheden uitgedruk –

groter wordt. Er zijn geen aanwijzin-

gen dat de loonvoet star naar boven

is. Ook de neo-kwantiteitstheorie

biedt geen theoretische fundering

voor monetaire politiek. Uiteindelijk

worden de (positieve) effecten op het

prijsniveau, bij een meer soepel mo-
netair beleid, gecorrigeerd door (po-

sitieve) effecten op de nominale loon-

voet: de reële loonvoet daalt niet.

Op de korte termijn is er waar-

schijnlijk een wat grotere kans om de

reële loonvoet naar beneden te druk-

ken om daarmede de werkgelegenheid

te vergroten. Dit zou het geval kun-

nen zijn als de reële lonen “can be

infiated away by price infiation” ge-
durende de looptijd van een arbeids-

contract of als de dalende nominale
rentestand (vanwege de geldverrui-

ming) niet, onmiddellijk en volledig

weer gecompenseerd wordt door een

inflatiepremie. Op korte termijn zou

monetaire politiek dan effect kunnen
sorteren, tenzij via de verwachtingen

over de toekomstige prijzen de no-

minale loonvoet en de nominale ren-

testand zich zeer snel aanpassen naar

boven. Mundell houdt zelfs rekening

met de mogelijkheid, dat via een

verwachtingsmechanisme de nominale

rentestand sneller stijgt dan de prijs.

Monetaire politiek heeft dan een
averechts effect op de effectieve

vraag. Hij concludeert dan ook dat er

geen sprake is van een theoretische

fundering van de monetaire politiek.

Over de gevonden empirische samen-
hang tussen werkloosheid en prijsstij-

gingen merkt hij slechts op “the

Phillips-curve is dead”.

Phelps beoordeelt het (reële) niveau

van de liquiditeiten als te laag ten

opzichte van het produktievolume bij

volledige werkgelegenheid. Hij advi-
seert een snelle en forse groei van de

monetaire grootheden; ongetwijfeld

zal hij niet naar de naoorlogse, zeer

hoge liquiditeitsquoten terugwillen,

maar rekening willen houden met de

trendmatige daling van de liquiditeits-

quote. Phelps is kennelijk bereid om

desnoods een hogere infiatievoet te

accepteren. Friedm an, daarentegen,

pleit er voor om de inflatie met res-

trictieve monetaire maatregelen terug

te dringen. Mundeli, tenslotte, advi-

seert een belastingverlaging en wil

een minder belangrijke rol toekennen

‘aan monetaire politiek. Het
is
voor
de wereld te hopen, dat deze cory

feeën zo snel mogelijk een stabilisa-

tiepolitiek voor de Verenigde Staten

ontwerpen. De kosten van de Ame-

rikaanse recessie zijn ongelooflijk:

Muridell becijferde de kosten op bijna

$ 100 mrd. voor de jaren 1970 en

1971, en dat is meer dan het jaar-

lijkse bruto nationale produkt van de

meeste landen in deze wereld.

W. Siddré

ESB
26-5-1971
483

•:

-:

Het primaat van de politiek

in de economische discussie

DR. P. KRAEMER*

De vraag ,,Groeien we wel overeenkomstig onze wen-

sen?” is een politieke vraag in optima forma. Het

simpele feit dtt we haar stellen duidt immers op een

in-discussie-komen van prioriteiten waartussen gekozen

moet worden. En daarmee zitten we midden in de

politiek, die een zaak is van kiezen over wat we be-

langrijk achten in en voor de samenleving, en waar

we naar toe willen met die samenleving.

Zo gesteld zal dan meteen duidelijk zijn hoe we hier

politiek verstaan. Niet in de engere, vooral technische

zin van de politici die zich op meer of minder be-

kwame manier zetten tot de kunst-van-het-mogelijke bij

het bereiken van de door hen nagestreefde doeleinden.

Maar veeleer in de wijde, Aristoteliaanse zin van de

gezamenlijke staatsburgers die, in voortdurende onder-

linge discussie, beslissen over de na te streven doel-

einden en aldus hun overtuigingen in het spel brengen
omtrent de aard en richting van de
polis,
de geordende

gemeenschap, waarin zij met elkaar (wensen te) leven.

Welnu, tegen deze achtergrond is het duidelijk dat

het nauwelijks meer is dan het intrappen van een open

deur om te stellen, dat iedere discussie over economie

– dus ook de hedendaagse – het primaat der politiek

als grondslag heeft. Toch kan het geen kwaad een

dergelijke, schijnbaar nutteloze daad te verrichten. Juist

vandaag heeft het er namelijk veel van weg, dat econo-

mie als middel een verzelfstandigd bestaan is gaan

leiden; dat de gegroeide economische orde haar dictaat
oplegt aan de politieke orde. Van een keuze der staats-

burgers lijkt soms weinig sprake te zijn, doch hoogstens

van een keuze der deskundigen op het gebied van wat
de economische ontwikkeling ons toestaat. Zeker kan

dat gelden voor het speciale onderwerp van de eco-

nomische groei. Ten aanzien dârvan wordt terecht

gewaagd van een ideologie, dat wil dus zeggen: van

een tot norm geworden gegeven waaraan politieke voor-

keuren zich grotendeels te onderwerpen hebben.

Hoe deze omkering zo gekomen is, én hoe de huidige

stand van zaken, paradoxalerwijze, toch juist dwingend

het primaat der politiek als absolute eis naar voren

brengt, daarover wil ik hier enkele opmerkingen ma-

ken. Deze opmerkingen zullen minder over economi-

sche groei als zodanig gaan (want dat is voor een

niet-economist een glibberige materie), doch meer be-

trekking hebben op omstandigheden waarmee rekening

gehouden moet worden, willen we zinnig kunnen spre-
ken over de vragen die ten aanzien van ,,onze wensen”

en het daartoe meest geëigende ,,economische systeem”

in het geding zijn.

Een verouderd debat

Men kan nogal eens horen verluiden in de huidige

polemiek, dat het bestaande economische systeem een

radicale wijziging dient te ondergaan. Men kan het

hiermee van harte eens zijn, maar tegelijkertijd toch

moeite hebben met de wijze waarop de zaken gesteld

worden. De radicale wijziging waarom het zou gaan,

zou er een zijn van een kapitalistisch naar een socia-

listisch systeem. In haar algemeenheid kan ik met deze

stelling zeker meegaan, eenvoudig omdat ik mijzelf zeer

verwant voel met het ethos van het socialisme als

emaricipatiebeweging van de economisch en maatschap-

pelijk onderliggenden, terwille van wie de gemeenschap

krachtige publieke controle dient toe te passen op

iedere vorm van particuliere belangenoverheersing. In

concreto vraag ik mij echter af, of – onder de heden-
daagse omstandigheden – het creëren van een tegen-

stelling kapitalisme-socialisme geen versluiering betekent
van wat er werkelijk aan de hand is.
De tegenstelling kapitalisme-socialisme weerspiegelt in

wezen een 19e-eeuwse situatie. In die situatie stonden

twee bewegingen tegenover elkaar. De ene beweging

was die van de opstrevende, commerciële en industriële
bourgeoisie die, in haar verzet tegen politieke willekeur

en economische regimentering, een vrij marktstelsel

voorstond als voorwaarde voor een natuurlijke harmo-

nisering van ieders particuliere interessen. De andere
beweging was die van het zich als klasse bewustwor-

dende proletariaat dat, gemangeld door de oppressieve

toestanden van een ongebreideld industrieel kapitalisme,

streefde naar een gesocialiseerde economie met de staat

(als de voorlopige exponent van de in-aantocht-zijnde

klassenloze maatschappij) als garant voor het publieke

belang.

We leven nu echter anderhalve eeuw later. Beide

bewegingen hebben zelf een ontwikkelingsgang door-

geniaakt; en hetzelfde geldt voor de omstandigheden

waaruit zij opkwamen. Een debat in termen van ka-

pitalisme en socialisme heeft derhalve het verre van

denkbeeldige gevaar traditionele emoties heen te schui-

ven over actuele feiten. Dit laat zich illustreren aan het
opmerkelijke gegeven, dat we in de politieke polemiek

nog altijd geneigd zijn om – gemakshalve – te wer-

ken niet de oude onderscheiding tussen een stelsel

van een ,,vrije economie” en dat van een ,,centraal-

geleide economie”. Door de economisten wordt echter

sinds jaar en dag reeds een derde onderscheiding ge-

maakt, namelijk die van een ,,gemengde economie”.

En bovendien blijkt deze typologische verfijning in drie

stelsels een zuiver-theoretische aangelegenheid; want in

* De auteur is socioloog; hij studeerde te Leiden en

Ann Arbor, Michigan. Hij is verbonden aan het Uni-

versitair Instituut Vormingswerk Bedrijfsleven te Rot-

terdam.

484

de praktijk bestaat het systeem van een Vrije markt

niet meer. De enige alternatieven, die er nog resten,

zijn het centraal geleide en het gemengde systeem;

en zelfs die vertonen een tendens tot convergentie.

Zoals bekend mag worden verondersteld, hebben de

zogeheten kapitalistische landen een ontwikkeling door-

gemaakt naar een welvaartsstaat-economie, waarbinnen

het particuliere initiatief in toenemende mate onder-

worpen is aan gecentraliseerde reguleringen. En aan de

andere kant zijn er in de zogenaamde communistische

landen duidelijke aanwijzingen van impulsen tot de-

centralisatie.

Louter op deze gronden is het uiterst twijfelachtig,

of we ermee gediend zijn om de kernzaken op te

hangen aan een tegenstelling kapitalisme-socialisme, met

alle daardoor opgeroepen associaties. Hier willen we

ons daar dan ook liever van losmaken en vooral nadruk

leggen op een aantal elementen, die ons inziens in-

zonderheid bepalend zijn voor de hedendaagse situatie.

Doniinanten van een nieuwe werkelijkheid

Ons beperkend tot de eigen situatie, zoals die zich thans

voordoet in het al dan niet terecht als kapitalistisch

aangeduide Westen, lijkt een drietal dingen de moeite

van het aanstippen waard. Als niet-vakman zal ik bij

dit aanstippen wellicht niet steeds even verantwoord

omspringen met bepaalde economische begrippen.

Daarvoor vraag ik bij voorbaat clementie. Wél hoop

ik echter dat de algemene strekking van hetgeen ik

bedoel
te zeggen voldoende duidelijk zal zijn om mijn

twijfel te rechtvaardigen, of er in onze economische

orde nog wel sprake is van een primair op econômische

motieven afgestemde markthuishouding.

T. Het gegeven ,,economische groei”, zo zou ik om

te beginnen willen benadrukken, moet in zeer directe

relatie worden gezien tot de dynamiek der krachten

die over ons gekomen zijn sinds wat ik hier kortweg

aanduid als de Franse en de Industriële Revolutie. Met

deze revoluties zijn zowel verwachtingspatronen als

vervullingspotenties ontstaan die, in een wederzijds

voortstuwende wisselwerking, economische groei niet

slechts tot een spectaculaire mogelijkheid, maar ook

tot een dwingende noodzakelijkheid maakten. Het be-

gon met de bourgeoisie, die haar verlangen naar poli-

tieke zeggenschap tot een universeel principe verhief,

welks verwerkelij king-voor-zichzelf zij een bevestiging

achtte van haar economisch-expansieve kunnen. Daarbij

kon het echter niet blijven. Steeds breder groeperingen

gingen zich op dit principe beroepen, daarin aange-

moedigd door de zichtbare mogelijkheid om eisen te

gaan stellen ten aanzien van het delen in de materiële

voorwaarden daartoe. Maximalisatie van economische

groei lag en ligt zo ten grondslag aan elke moderne,

naar vergroting en verbreding van haar welvaart en

welzijn strevende gemeenschap.

Met ,,modern” wordt dan niet alleen gedoeld op die

gemeenschappen, zoals de onze in het Westen en die

van het communistische Oost-Europa, waarin in eerste
instantie de werking der beide genoemde revoluties tot

uitdrukking is gekomen. Maar ook doelt het op de

zogeheten ontwikkelingslanden van vandaag, omdat ook
daar thans die werking haar inmiddels mondiale invloed

doet gelden. In de Derde Wereld herhaalt zich, zij

het op andere wijze, de maximalisatiedrang waarin ons
Op 2
en 3 april jI. vond een congres plaats van

het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoe-

kers; onderwerp was: ,,de ideologie van de eco-

nomische groei”. De socioloog Kraemer en de

econoom Schöndorff hielden daar inleidingen over

het thema ,,Groeien we wel overeenkomstig onze

wensen?”, de socioloog Van Zuthem en de eco-

noom Van den Doel over het thema ,,!n welk

economisch systeem komen onze wensen het best

tot hun recht?”

Veel van hetgeen op dit, niet specifiek op eco-

nomen gerichte, congres naar voren werd ge-

bracht is lezers van ESB reeds bekend. Het leek

de redactie, gelet op het belang van het onder-

werp, niettemin zinvol de tekst van de vier in-

leidingen (waarvan sommige achteraf
zijn
aan-

gepast aan de eisen welke het geschreven woord

stelt) in ESB af te drukken. De redactie is het

VWO-bestuur erken te/uk voor
zijn
medewerking.

deel van de wereld haar v66rgegaan is. Dââr is deze

drang de drijfkracht der centrale regeringen in hun

volkomen legitieme streven naar verhoging van het

materiële vermogen der totale samenleving – net zo-

als bij ons dit het geval is geweest en nog is. Alleen

werkte deze drijfkracht bij ons eerst uitsluitend in op
het vrije spel der marktkrachten, om pas naderhand –

toen dat vrije spel tot allerlei verstoringen in het ,,na-

tuurlijke” evenwicht tussen die krachten bleek te voe-

ren – de overheden een al belangrijker, zo niet be-
heersende rol in het geheel te zien innemen. Maar

hoe dan ook zich effectuerend (via particuliere, pu-

blieke of semi-publieke organen), de drijfkracht was er,

is er, en blijft er als dwingend gegeven.

Dit overwegende, kunnen we derhalve de stelling

verdedigen dat de drang tot maximalisatie van econo-

mische groei beschouwd kan worden als een immanente

dominant van iedere samenleving, die eenmaal aange-

raakt is door de dynamiek van Franse en Industriële

Revolutie. En als zodanig is deze drang ons als het

ware tot een tweede natuur geworden, waarvan het

beslag op ons denken en handelen• als vanzelf de di-

mensies van een diep-gewortelde ideologie is gaan

aannemen.
Hoe
diep de wortel steekt, blijkt, nu binnen
onze hoogontwikkelde samenlevingen pijnlijke vragen

beginnen te rijzen ten aanzien van de oorspronkelijke

legitimiteit van deze dominant.

II. De greep van deze ideologie der economische groei
is nog te sterker, doordat er in al dan niet rechtstreekse

samenhang een aantal andere krachten mee is gaan

spelen, die men op hun beurt als immanente domi-

nanten van onze tegenwoordige werkelijkheid mag aan-

merken. Enkele van deze krachten, welke immanentie

men vooral z6 moet verstaan dat zij van een zichzelf

voortstuwend karakter zijn, wil ik hier kort aanstippen.

Met een op expansie ingestelde economische orde

ontstaat als vanzelf een sterke tendens tot
concentratie.

Allereerst heeft deze tendens zich doorgezet in de

bundeling van produkti,evermogen, waarvan de heden-
daagse superconcerns spectaculaire uitingen zijn. Maar

met de opkomst van dit soort concentraties werd te-

gelijkertijd de aanzet gegeven tot andere concentraties.

Zo werden, of zij het wilden of niet, de centrale over-

ESB 26-5-1971

485

heden gedwongen om te gaan functioneren als steeds

belangrijker organen tot het bevorderen van tegenkrach-

ten, van ,,countervailing power”. En daarmee groeiden
zij zélf uit tot superconcentraties van regulerend gezag

in het publieke belang. Doch tevens droegen zij bij tot

n6g weer een andere categorie van concentraties. Want

als gevolg van de bemoeiingen der centrale overheden

ter bevordering van ,,countervailing power”, ontwikkel-

den de objecten dezer bemoeiingen zich in vele gevallen
tot hoogst invloedrijke belangeninstanties in eigen zelf-

standigheid.

Als voorbeelden hoef ik hier slechts te noemen de

federaties van vak-, boeren- en middenstandsbonden,

of die van beroepsorganisaties, verenigingen van spe-

ciale belangenbehartiging op het gebied van onderwijs

en wetenschap, maatschappelijke dienstverlening, sport-
beoefening, toerisme, milieubescherming, enzovoort.

Het effect van al deze soorten concentraties kan men

van vele verschillende kanten bekijken. Hier wil ik mij

beperken tot één zeer bepaald effect: namelijk dat van

wat men de tendens der institutionele zelf bestendiging

zou kunnen noemen. Deze tendens doet zich bijzonder
sprekend voor bij de superconcerns. Zoals in het voor-

gaande werd aangegeven, kan men stellen dat zij in

hun aanvang zeker gezien kunnen worden als een

functie van de factor ,,economische groei”. Geleidelijk

aan gaan er echter subtiele veranderingen optreden,

waarvan het uiteindelijke resultaat is dat, precies om-

gekeerd, de factor een functie wordt van het eigen

aanvankelijke produkt. Uiteraard is dit een wat al te

extreme voorstelling van zaken. Dat er niettemin een

grote kern van waarheid in schuilt, lijdt geen twijfel.

Want te duidelijk blijkt tegenwoordig dat de super-

concerns niet langer uitsluitend opereren terwille van

economische groei in het belang van de samenleving in

haar geheel, maar minstens zozeer uit zijn op het pousse-

ren van economische groei ter veiligstelling van hun

eigen voortbestaan. Op zichzelf is dit natuurlijk niet

afkeurenswaardig, maar wél wordt het uitermate be-

denkelijk vanwege het enOrme gewicht dat deze giganten

in de schaal werpen. Hun betekenis voor de economische

groei wordt daarmee niet zelden tot een doel in zich-

zelf; een doel dat minder bepaald wordt door de vraag

van de markt, doch veeleer door de aan de markt op-

gedrongen afname van die diensten en produkten waar-

voor zij een vraag creëren.

Deze verre van denkbeeldige ontwikkeling wordt eens

te meer gestuwd door weer andere krachten, die in

het proces betrokken zijn. Eén zo’n kracht is die van

planning.
Ook hier kan men weer stellen,, dat deze

kracht oorspronkelijk opkwam als een legitiem middel,

maar dat zij na verloop van tijd eigen doeleinden gaat

bepalen. Dit geldt heel duidelijk voor de superconcen-

traties van het bedrijfsleven: voor hen blijkt planning-

v66r-de-markt op een zeker ogenblik om te slaan in

de wenselijkheid, zo niet harde noodzaak tot planning-

vn-de-markt. Dat een dergelijk gebeuren beslist niet

louter en alleen op motieven van sinister concern-

egoïsme hoeft te berusten, toont het actuele voorbeeld

van de strijd om het supersonische vliegtuig. In dit

voorbeeld ziet men ten duidelijkste hoe een eenmaal

in beweging gezet planningsproject tot een soort dom-

mekracht kan worden, waaraan nauwelijks meer een

halt is toe te roepen vanwege de enorme belangen die

ermee gemoeid zijn. En deze belangen zijn dan waarlijk

niet die van particuliere bedrijfsgiganten zonder meer,

maar minstens evenzeer (indien niet méér nog) die van

de voor het algemeen welzijn verantwoordelijkheid dra-

gende overheden. Want het gaat hier om voor de ge-

hele nationale economie uitermate gewichtige zaken,
waarvan niet slechts de betrokken bedrijfstakken zelf

en de door hen geboden werkgelegenheid afhankelijk

zijn, maar ook een wijdvertakt geheel van toeleverende

en afnemende sectoren die ieder weer op hun beurt

hun bijdrage leveren tot het onontbeerlijke nationale

inkomen.

Hoezeer dit dommekracht-karakter van planning al-

dus evident is, niet minder evident is overigens dat

planning (van welke aard dan ook: in de ondernemings-

sfeer of in de overheidssfeer) absolute eis is. Deze eis

wordt nog te dringender gesteld door een nôg andere
dominant van onze moderne samenlevingen: die van

de technologie
en de zogenaamde
welenschapsexplosie.

Doch daarmee raken wij aan een punt, dat in zijn

consequenties van verstrekkender betekenis is te achten

dan elk van de tot dusver genoemde.

III. Kan men op grond van de tot nu toe genoemde

krachten een gerechtvaardigde twijfel hebben of het

marktmechanisme, als het kernstuk van de economische

orde, nog wel zo veel met primair-economische mo-

tieven heeft uit te staan, de factoren technologie en

wetenschapsexplosie lijken een ontwikkeling in te hou-

den, die het marktmechanisme
als zodanig
ondermijnen.

Volgens Robert Heilbroner is hiermee een ontwikkeling

geïntroduceerd die, op de lange termijn bezien, de

thans bestaande economische en maatschappelijke orde

even drastisch zal revolutioneren als de impulsen van
het industrieel kapitalisme dat gedaan hebben ten op-
zichte van de op landbezit georiënteerde orde van het

feodalisme
1

Althans één van die ondermijnende effecten acht

Heilbronner al duidelijk aanwijsbaar. Dat is het effect

van de technologie om maatschappelijke problemen op

te roepen, die alleen gecorrigeerd of in toom gehouden

kunnen worden via non-market conirols:

,,In part these agencies of control are contained and
concealed within the centers of production themselves,
where they show up as the rising echelons of corporate
administration and supervision that are needed to regulate
the underlying traffic of production. In part the controls
show up in the familiar bureaus of government that di-
rectly oversee the operation of the new technology –
the bureaus that cope, with greater or lesser success, with
the social repercussions of transportation, nuclear energy,
drugs, air pollution, etc. In still a different aspect, the
controls invade areas of social life rather than production,.
as in the astonishing network of government required
solely to manage the automobile
…..
or in the multiplying
administrative requirements of the mega-city, itself so much
a product of modern technology”.
Heilbronner voorziet echter diverse andere effecten,

die zijns inziens op n6g fundamenteler wijze het primaat

van de markt als regulerend mechanisme aantasten.

Zonder volledig te willen zijn, stip ik in het bijzonder

de volgende aan.

Zo wijst hij niet enkel op de vervanging van harde,

fysieke arbeid door machinale, maar tevens op het

daarmee gepaard gaande verschijnsel van een verschui-

ving in het soort arbeid. Van (primaire) agrarische

arbeid was er eerst de overgang naar (secundaire) in-

dustriële arbeid, terwijl thans inmiddels het accent al

1
,,The Limits of American Capitalism”. Harper & Row,

New York 1966, blz. 117 e.v.

486

duidelijker ligt op arbeid in de (tertiaire) sector der

dienstverlening. En binnen deze laatste sector gaat het

hoe langer hoe meer om diensten van openbaar belang,

zoals stedebouw en verkeer, onderwijs en gezondheids-

zorg, recreatiefaciliteiten en dergelijke meer. Diensten
dus, die krachtig drijven in de richting van organisatie

en planning, hetgeen weer ondenkbaar is zonder maat-

regelen van publiek beleid en publieke financiering.

Bovendien: deze stuwkracht zal slechts sterker worden

naarmate een steeds verder geautomatiseerde samenle-

ving ons voor de vraag zal stellen, hoe een voortdurend

groeiend contingent van niet-actief-producerenden in de

traditionele zin zijn aandeel toegewezen krijgt in de

revenuen van wat de totale samenleving produceert.

Vervolgens noemt Heilbroner het effect van de

technologie op het algemene welvaartspeil, wat op de

lange duur zal tenderen naar een algehele overwinning

van de schaarste. Het is weliswaar een seculatief

gegeven, waarvan het niettemin belangrijk is de diep

ingrijpende consequenties in overweging te nemen. Want

uiteindelijk zal het betekenen, dat het streven naar ge-

win eenvoudig ontkracht zal worden en de mens ont-

slagen zal zijn van de economische noodzaak om te

werken voor zijn levensonderhoud. Maar daarmee ver-

dwijnt dan tegelijkertijd een centrale spil waaromheen

sinds mensenheugenis het mechanisme der maatschap-

pelijke disciplinering gedraaid heeft. Een voor alle

burgers eenmaal bereikte staat van gegarandeerde wel-

vaart schakelt de factor ,,materiële behoefte” uit als

de centrale prikkel tot maatschappelijk-gehoorzaam

gedrag, als hoedanig zij van oudsher gewerkt heeft. En

daaruit zal dan een impasse voortkomen, waarvoor

volgens Heilbroner maar •één mogelijke oplossing is.

Namelijk, dat ,,some authority other than the market

must be entrusted with the allocation of men to the

essential posts of society
……

Z6ver is het vandaag dan misschien nog niet. Maar

dat wij al een heel eind op weg zijn, is moeilijk te ont-
kennen. In de nieuwe maatschappelijke werkelijkheid,

die zich aan het ontwikkelen is onder invloed van de

snelle groei van wetenschap en wetenschappelijke tech-

nologie, tendeert alles in de richting van alomvattende

structuren van centrale coördinering en centrale be-

heersing. Onmiskenbare uitingen daarvan vinden we
reeds vandaag-de-dag in belangrijke sectoren der sa-

menleving. Zo is niet alleen te denken aan de structuren,

die zich weinig meer gelegen laten liggen aan traditio-

neel gescheiden sferen – zoals die van het militaire

of het industriële, van het universitaire of het gouverne-

mentele, of zelfs van het publieke en het particuliere.

Maar bovenal is ook te denken – zoals Heilbroner

uitdrukkelijk doet – aan de opkomst van een geheel

scala van met elkaar verweven nieuwe elites, die de

dragers zijn van enorme bevoegdheden in de besluit-

vorming.

Politiek-openbare besluitvorming als eis

Het is op al deze gronden onontkoombaar duidelijk,

dat zeker in de economische orde de allesbeheersende

vraag een politieke vraag is, die in de arena der vol-

ledige openbaarheid haar beantwoording vraagt. Of om

het te zeggen met de woorden van Michael Harrington
2

de kernkwestie van vandaag, en meer nog in de toe-

komst, is die van de niet-economische allocatie van

middelen. Waar het steeds meer om zal draaien is, hoe

en door wie richting gegeven zal worden aan de eigen-

machtige dominanten, die zich in onze samenlevingen

groot gemaakt hebben, en waarvan de nieuwe elites

der deskundigheid vaak meer de autocratische uitvoer-

ders blijken te zijn, dan de dienaren van het publieke

belang dat zij formeel heten te behartigen.

Daarmee staat dus levensgroot voor ons het probleem

van institutionele vormgeving, van de verwezenlijking.

van zodanige structuurveranderingen dat metterdaad de

gezamenlijke burgers in staat zijn hin prioriteiten te

kiezen en bepalend te doen zijn voor het gevoerde

beleid. Het is de verdienste van een man als Harrington,

dat hij met betrekking tot dit probleem een aantal

noties heeft geformuleerd die ons althans iets verder

brengen dan het simpele stellen ervan. Deze noties wil

ik hier, tot slot, kort weergeven.

De eis waarvoor wij staan, aldus Harrington, is dat

het proces van maatschappelijke en economische be-

sluitvorming doorzichtig wordt. Om daaraan te kun-

nen voldoen is er allereerst de noodzaak om het

publiek
te informeren.
Een dergelijke informatie is er

in overvloed, maar het is in feite een overvloed van

technische details waarover het publiek geen oordeel

kân hebben. Enerzijds niet vanwege het ontbreken van

de erbij behorende deskundigheid; en anderzijds niet

omdat het thans veelal zo is, dat deze deskundige

informatie via tal van afzonderlijke, op diverse deel-

aspecten gespecialiseerde instanties rechtstreeks toege-

voerd wordt naar de tot uiteindelijke beslissing bevoegde

overheden. Het is op deze wijze, die een puur ambtelijk

deskundige is, dat bijvoorbeeld de jaarlijkse begroting

tot stand komt. Een correctie daarop – die met name

de onderliggende waardeoordelen in discussie brengt –

wordt weliswaar beproefd via de parlementaire .begro-

tingsdebatten; maar ook hierbij verliest men zich al

spoedig in esoterische steekspelen, opgevoerd tussen

geprofessionaliseerde gedelegeerden. Deze debatten nu,

de typisch waardeprioriteiten betreffende, zullen in de

openbaarheid gebracht moeten worden. Dât is informa-

tie waarover het publiek mede zal moeten beschikken. En

dat kan zij slechts, meent Harrington, indien de over-

heid niet enkel jaarlijkse begrotingen indient, maar zeer

nadrukkelijk ook de alternatieve keuzemogelijkheden in

het geding brengt waarop men tot andere begrotingen
zou kunnen besluiten. Alvorens te beslissen, is er der-

halve een explicitering vereist van bewust uiteenlopende

visies op wat men wil en hoe men dat in financiële

prioriteiten weerspiegeld kan vinden.

Aldus bepleit Harrington, naar analogie van de jaar-

lijkse State of the Union door de Amerikaanse president,

66k een jaarlijks
Report
of
the Future.
Daarin komen

niet de reeds gemaakte beslissingen, of de met kracht

van (interne, deskundige) argumenten bepleite priori-

teiten van de zittende machten ter sprake, doch integen-

deel juist de aan het publiek voor te leggen keuzen

waarvoor de natie in haar verscheidenheid van visies

staat bij het bepalen van wat men voor de toekomst

wenst.

De eis der doorzichtigheid van de besluitvorming

stelt echter niet minder de noodzaak van overzichtelijke

overheidsstructuren. Dat zijn – zoals Harrington het

uitdrukt in een term, die de kenners van Karl Mannheim

2
,,Toward a Democratic Le
f1″.
McMillan, New York,

1968, blz. 120 e.v.

2

ESB 26-5-1971

.

487

Beslissingen en preferenties

DRS. R. SCHÖNDORFF*
Bijna dagelijks worden wij geconfronteerd met berichten

inzake de economische groei die ons welzijn bedreigt.

De lezer denkt daarbij aan een stinkende bietsuiker

fabriek in het Gooise natuurreservaat of aan realisti-

scher, nog ergere, voorbeelden. Het is het conflict van

welvaart contra welzijn, fabrieken contra milieu, eco-

nomen contra eco-, socio- en biologen.

Hoewel aan de betreffende misverstanden de laatste
tijd herhaaldelijk aandacht wordt geschonken, lijkt het

toch zinvol enkele korte opmerkingen terzake te maken.

Economische groei en welvaart worden door hen die

genoemde tweespalt cultiveren opgevat in een zeer

enge materialistische zin, waardoor economen als enge
materialistische typetjes kunnen worden afgeschilderd.

Ten onrechte; zoals mede uit publikaties van Heertje,

Hennipman en Hueting
1
blijkt, ziet men in de econo-

mische theorie het economische aspect van het men-

selijk handelen gelegen in het beslag leggen op schaarse

middelen welke meer dan één aanwendingsmogelijkheid

hebben. Schaarste wordt opgevat als een spanning, welke

bestaat tussen de veelheid van behoeften en de be-

perkte hoeveelheid alternatief aanwendbare middelen.

Deze behoeften omvatten niet slechts brood, staal, in-

komen, doch evenzeer frisse lucht, schoon water, on-

gerepte recreatiegebieden, vrije tijd. Welvaart is de mate

waarin de behoeften worden bevredigd. Het toenemen

van de welvaart zou men dan als economische groei

kunnen opvatten, waarbij dit begrip een veel ruimere

inhoud heeft dan de groei van het nationale produkt.

Een begrip als welzijn kan in deze context als over-

bodige categorie terzijde worden geschoven. Anderzijds

is het begrip welvaart weer niet zo ruim dat bijv. geluk

er onder zou vallen, omdat dit geen relatie heeft met

het beschikken over schaarse, alternatief aanwendbare

middelen.

Deze kleine purgerende ingreep in het begrippenap-

paraat moge een aantal misverstanden corrigeren; het

rechtzetten van de begrippen lost de problematiek niet

op. Het opruimen van de genoemde schijnconflicten

is echter een bijdrage, zo niet een noodzakelijke voor-

waarde tot het blootleggen van de essentiële problema-

tiek. Het wezenlijke probleem is gelegen in de vraag

of de groei van het nationale produkt in overeenstem-
ming is met onze voorkeuren
2
Wie nemen de beslis-

singen tav. de produktie? Wiens voorkeuren worden

gehoord en meegewogen? Welke eventuele verbeteringen

zijn mogelijk? Teneinde in deze vraagstukken een in-

zicht te vormen, zullen wij summier aangeven welke

vertaalmechanismen van preferenties in onze economi-

sche orde een rol spelen en welke hun. defecten zijn.

Alvorens daarmee te beginnen wijs ik er op dat mijn

betoog zal zijn doorspekt met subjectieve waarderingen,

* De heer Schondörf/ is wetenschappelijk medewerker

aan de Juridische faculteit van de Universiteit van

,4 msterdam.
1
A. Heertje: De kosten van economische groei, in

,,ESB” van 24 april 1968; P. Hennipman: Doeleinden

en criteria van de economische politiek, in ,,Theorie van

de economische politiek”, Leiden 1962; R. Hueting:

Het begrip economische groei, in ,,Wat is de natuur

ons waard?”, Baarn 1970; R. Hueting: De nieuwe

schaarste is keihard, in ,,ESB”, 1 april 1970.
2
In deze vorm is het vraagstuk reeds enkele ma/en

aan de orde gesteld door A. Heertje, a.w.; verder diens

PreI erences and Econoniic Growth, in ,,Kyklos” 1967,
Vol. XX en Bewogen Beleid, in ,,Sociologische Gids”,

Juli/augustus 1970.

vertrouwd in de oren zal klinken – structuren van

de ,,middle range”: ergens tussen het lokale en het
nationale, d.w.z. niet te groot en te complex, maar

toch van voldoende omvang en beslissingsmacht om

werkelijk effect te sorteren. De specifieke functie van

deze structuren is om openbaar debat en duidelijke

onenigheid tussen belangenstandpunten en daarmee sa-

menhangende maatschappijvisies nadrukkelijk recht te

doen. Onze hedendaagse besluitvormingsprocessen ope-

reren op basis van een consensus-drang, die liefst de

verschillen tussen de veelheid van moeizaam in even-

wicht gehouden belangen achter gesloten deuren laat

uitkristalliseren in een gezamenlijk compromis, dat dan
den volke kond wordt gedaan. Wat voor een werkelijke

publieke besluitvorming echter nodig is, is het etaleren

van de conflicterende standpunten. Daarvoor moeten

organen beschikbaar zijn, opdat in volle openbaarheid

de verschillende posities en visies met elkaar geconfron-

teerd worden, de daarbij behorende informatie gewogen
kan worden en tot politieke beslissingen gekomen wordt
op grond van duidelijk afgebakende keuzen.

Het komt mij voor, dat aan de hand van dergelijke

noties een zinnige aanzet gegeven wordt tot het schep-

pen van de voorwaarden voor de broodnodige, politieke

discussie die zal moeten bepalen of wij wel groeien

overeenkomstig onze wensen. Een discussie die boven-

dien ten grondslag zal liggen aan de vraag, welk eco-

nomisch systeem aan die wensen het beste recht zal

doen.
P. E. Kraemer

488

welke niet uit een economische analyse voortvloeien

Kenmerken van onze economische orde

Het is niet eenvoudig een economische orde op min

of meer afdoende wijze te beschrijven. Ik zal volstaan

met enkele kenmerken op te sommen en daarbij vooral

te letten op de wijze waarop de beslissingen tot stand

komen. Het is geen toeval dat in een tijd waarin de

economische en maatschappelijke orde ter discussie

staat, ook de besluitvorming en de beslissingsprocedure

aan de kaak worden gesteld. Termen alsO inspraak, me-

debeslissingsrecht en leuzen als ,,Wie beslist er hu

eigenlijk?” en ,,De burger bij het bestuur” vormen

hiervan illustraties.

Onze economische orde is gekenmerkt door een

produktie van goederen en diensten in overwegend par-

ticul iere ondernemingen met overwegend particuliere

vermogensverschaffers. Wanneer men het marktmecha-

nisme in ruime zin opvat, zodat naast de volkomen

concurrentie ook de verschillende vormen van onvol-

komen concurrentie onder deze term begrepen worden,

kan gezegd worden dat het marktmechanisnie een overcm

heersende betekenis heeft bij het richting geven aan

de produktie. De beslissingen omtrent de produktie en

de consumptie berusten overwegend bij particulieren.

Dit neemt niet weg dat daarnaast in een belangrijk

aantal behoeften wordt voorzien via collectieve en so-

siale systemen. Tevens is er me( name bij de grotere

ondernemingen een toenemende bereidheid om zich bij

de voorbereiding van de beslissingen op korte. en mid-

dellange termijn mede te oriënteren op de prognoses

van het Centraal Planbureau. Prognoses welke op hun

beurt worden opgesteld in nauw overleg met het be-

drijfsleven
3
.

Tenslotte is er een groeiende tendentie de beslissings-

vrijheid van ondernemingsleidingen te beperken door

wettelijke regelingen in het algemeen belang. Naast het

gehele economisch-politieke instrumentarium (ingrijpen

in lonen en prijzen, in concurrentieverhoudingen, in ver-

mogensvoorziening, het fiscale systeem) denke men aan

de hinderwet, vestigingsbeperkingen, wettelijke beper-

kingen t.a.v. milieuverontreiniging e.d. Wanneer wij nu

willen nagaan welke gebreken kleven aan de behoef-

tenbevrediging via de markt en via het overheidsbudget

– mechanismen welke dienen tot het vertalen van de

individuele preferenties in beleidsbeslissingen – is het

zinvol de werking van beide nader te bezien.

Het marktmechanisme

Laat ons daartoe in eerste aanleg globaal aangeven

hoe onder de veronderstelling van volkomen concur-

rentie (zeer veel vragers en aanbieders, homogeen goed,

transparante markt, vrije toetreding) het prijssignaal de

rol vervult van vertaalmechanisme van behoeften van

consumenten in beslissingen van producenten. Onder

deze omstandigheden wordt de prijs geacht tot stand

te komen onder invloed van de wensen van vragers

naar en aanbieders van het betreffende goed. Wanneer

bij gelijkblijvend aanbod de vraag toeneemt zal dit een

hogere evenwichtsprijs tot gevolg hebben. Deze hogere

prijs is signaal voor aanbieders om hun aanbod uit

te breiden, waardoor in de toenemende vraag kan

worden voorzien. De hogere prijs van het goed be-

tekent een vergroting van de geidswaarde van het pro-

duktieresultaat van produktiemiddelen, die worden

ingezet om dat bepaalde goed te maken. Produktiemid-

delen zullen aan andere aanwendingen worden ont-

trokken teneinde te worden ingezet om het betreffende

goed te produceren.

Op deze wijze wordt de voorkeur van consumenten

voor méér van een goed vertaald in een bepaald pro-

duktiepatroon, in een bepaalde allocatie van middelen.

Het hierboven versimpeld weergegeven sprookje is wel-

haast te mooi om waar te zijn. Het geldt dan ook

slechts onder. een reeks van vooronderstellingen, welke

in onze economische orde niet actueel zijn. Daarover

later. Laat ons nog even binnen de onderstellingen

van het sprookje blijven redeneren. Dan is al een aantal
bedenkingen aan te voeren tegen de gepresenteerde ge-

dachtengang. De aanpassingen van de produktie aan

dé uitgesproken voorkeuren hoeven niet zo vlot te

verlopen als hiervoor werd gesuggereerd.

Daarnaast het volgende belangrijke punt: men brengt

zijn voorkeuren op de markt tot uitdrukking door te

kopen. Kopen betekent in dit geval het betalen van

een in guldens uitgedrukte prijs. De consument wordt

daarbij gehinderd door de beperking welke de omvang
van zijn besteedbare inkomen hem oplegt. Binnen zijn

budget kan hij wel voorkeur voor A boven B uitspreken,

doch zijn totale koopkracht wordt beperkt door zijn

inkomen. Daarmee komt de verdeling van het nationale

inkomen over de verschillende subjecten in het geding:

omdat deze verdeling door andere zaken is bepaald dan

door het behoeftenpatroon, beschikt niet iedereen over

een hoeveelheid ,,vertaalmiddelen”, waarmee hij al zijn

behoeften tot uitdrukking kan brengen.

Een volgend bezwaar geldt het feit dat op de markt

slechts voorkeuren tot uitdrukking komen, die in een

prijs vertaald kunnen worden. Tal van schaarse goede-

ren echter die in een behoefte kunnen voorzien zijn

op de markt niet te koop, hebben geen prijs. Hier ont-

moeten we de ,,ongeprijsde schaarste”
4,
waarbij men

kan denken aan frisse lucht, schoon water, recreatie-

ruimte e.d. Het prijsmechanisme vertaait de behoefte

aan deze goederen niet. Het probleem ligt nog gecom-

pliceerder: de produktie en de consumptie van tal van

goederen en diensten helpen mee deze schaarste te ver-

oorzaken: uw waspoeder verpest onze sloten, uw auto

verstikt en verstinkt onze straten. De produktie van

waspoeder en van auto’s vereist fabrieken die steeds

vaker in uw recreatieterrein worden gevestigd.

Tegenover deze negatieve externe effecten staan de

positieve externe effecten. U geniet van de tuin van uw
buurman; er zijn nog mensen die in verrukking kunnen

geraken van een landschap met rokende schoorstenen.
Door het feit echter dat wij met een toenemend aantal

mensen een steeds groter nationaal produkt trachten te

Men zie de beide middellange-iermijnprognoses ,,De

Nederlandse economie in 1970″, Den Haag 1965, en

,,De Nederlandse economie in 1973″, Den Haag 1970.

Men zie ook: The chrnging style of privale enterprise

hoofdstuk. XIV in A. Schonfield: ,,Modern Capilalism”,
Londen 1965.

B. Goudzwaard: ,,Ongepr,j.de schaarste”, Den Haag
1970; proefschrift, waarin de . plaats van de éxpre!iale

of ongecompenseerde effëcien in de theoretische eco-

nomie en in de leer der economische politiek wordt
onderzocht.

ESB 26-5-1971
489

produceren en te consumeren op een in km
2
nagenoeg

constant landoppervlak hebben de negatieve effecten de

neiging de positieve in toenemende mate te overheersen.

Tot zover een aantal bedenkingen welke tegen het

marktmechanisme kunnen worden aangevoerd binnen

het raam van de geschetste onderstellingen. Beden-

kingen welke in de economische wetenschap al van zeer

oude datum zijn.

Onvolkomen concurrentie

Iets recenter – doch ook al weer zo’n 40 jaar geleden

– is het inzicht ontstaan, dat de fraaie conceptie van

het marktmechanisme aan actualiteit inboet wanneer

men rekening houdt met het feit, dat op tal van mark-

ten niet een zeer groot aantal aanbieders een homogeen

produkt aanbiedt, doch dat vele markten beheerst wor-

den door enkele zeer groten, die een breed scala ver-

wante, doch in de ogen van de consumenten van elkaar

verschillende produkten aanbieden.

De aanbieders hebben een zekere macht op de markt;

zij kunnen binnen zekere grenzen hun prijzen vaststel-

len, de kwaliteit van hun produkten bepalen en door

middel van reclame de consumenten trachten te over-

tuigen van de superioriteit van hun produkt en van de

noodzaak het aan te schaffen. Hiermee is een stukje

problematiek aangestipt, waarbij ik in het navolgende

even wil stilstaan.

– In welke mate beantwoord de produktie van deze

enkele groten aan de wensen van de consument? Het on-

behagen dat zich uit tegen de zgn. ,,consumptiemaat-

scfiappij”, waarmee men dan naar ik meen de ,,pço-

duktiemaatschappij” bedoelt, komt voort uit het gevoel

dat de consumptie er is terwille van de produktie in

plaats van het omgekeerde. Sommigen gaan zover de

consument te beschouwen als een door de producent

gemanipuleerde sukkel. Gemanipuleerd in de zin van

onbewust beïnvloed. In dat verband beschrijft men het

marktonderzoek als het stellen van vragen aan een

markt, waar men tevoren het antwoord heeft ingepompt.

Bij deze gedachtengang zou ik twee kanttekeningen

willen plaatsen. Ten eerste getuigt zij van weinig achting

voor het onderscheidingsvermogen van de consument.

Daarover is zeker discussie mogelijk. Aangenomen

evenwel dat de consument een gemanipuleerd behoeften-

patroon heeft en zich op tal van manieren door de

producent bij de neus laat nemen, wie zal dat dan ver

oordelen en op grond van welke criteria? Wanneer

sommigen menen de behoeften van de maatschappij

beter te kennen dan de burgers zelf, geraken zij in

bedenkelijk vaarwater.

Het zou ons te ver buiten onze probleemstelling

voeren, indien hier zou Worden ingegaan op een ver-

gelijking van de positieve en de negatieve aspecten van

de onvolkomen concurrentie, van de daarmee vaak ge-

paard gaande grote variëteit in produkten, van het

proces van ,,creative destruction”, waardoor de tech-

nologische ontwikkeling wordt gekenmerkt, en van de

reclame als een van de begeleidende verschijnselen.

Ik moge volstaan met de opmerking dat men weliswaar

kan constateren, dat prijszetters kleinere hoeveelheden

tegen hogere prijzen aanbieden vergeleken met aanbie-

ders onder volkomen concurrentie, doch dat het on-

mogelijk is tot een afweging te komen van dit eventuele

,,nadeel” tegenover ,,voordelen” als grotere produkt-

variëteit en technologische ontwikkeling
5.

Andere economen beschouwen de gedachtenconstruc-

tie van optimale allocatie onder volkomen concurrentie

zozeer als ideaalbeeld, dat zij kunnen spreken over

,,wastes of monopoly”
6.
en op kunnen merken

whenever large firms are present the economy

will not work properly”
7.
Voortgaande met aan te

geven welke vertaalmechanismen van de individuele

behoeften er zijn, kunnen nu enkele opmerkingen over

het budgetmechanisme worden gemaakt.

Het budgetniechanisnie

Er’ zijn individuele behoeften waarin wordt voorzien

door de overheid. Dat kan de behoefte aan de zgn.

collectieve goederen zijn: goederen zoals defensie, justi-

tie, bestuur, die niet splitsbaar zijn in individueel lever-

bare eenheden, waardoor men het individu niet kan

laten betalen naar rato van zijn gebruik. De overheid

financiert deze goederen uit de algemene middelen.

Een ander soort goederen, waarvan de overheid leve-

rancier is, zijn de ,,merit go’ods”: goederen waarvan

de overheid het gebruik wil stimuleren en de ,,demerit

goods” waarvan de overheid het gebruik wil afremmen.

Daarnaast levert de overheid sommige individuele goe-

deren zoals, gas, elektriciteit, PTT-diensten, waarvoor

een prijs wordt betaald.

Behoudens in het laatste geval vervult het markt-

mechanisme hier geen rol. Op welke wijze nu worden

de preferenties van de burgers vertaald in beslissingen

omtrent de produktie van bijv. meer gevangenissen?

Summier aangeduid gaat dat in onze parlementaire

democratie als volgt: de burger stemt op die partij die
hem meer gevangenissen belooft. De fractieleden van

deze partij zullen in de betreffende Vaste Commissie

en in de Kamer druk uitoefenen op de betreffende

Minister, opdat deze ertoe over gaat zijn collega’s in

het Kabinet ervan te overtuigen dat zijn begroting met

een bedrag X moet worden verhoogd
8

Naast deze parlementaire weg is er nog de buiten-

parlementaire pressie
11
op Kamerleden en Ministers –

direct of via de publieke opinie – in het netste geval

tot uitdrukking komend in een verklede optocht op

• het Binnenhof. Het gedecentraliseerde karakter van de

Nederlandse bestuursvorm brengt met zich mee, dat

soortgelijke mechanismen bestaan op het niveau van

provincies en gemeenten.

Het behoeft niet te verbazen dat het feitelijke func-

tioneren van dit mechanisme minder glad verloopt dan

hiervoor werd omschreven. Het verband tussen de keuze

In deze zin P. Hennipman: Monopoly: Impediment

or stimulus to economic progress? in E. H. Chamberlin

(red.: ,,Mono poly and corn petition and their regulation”,

Londen 1954.

° E. H. Chamberlin: ,,The theory of monopolistic corn-

petilion”, Londen 1933, 8e druk 1960, blz. 109.

J. K. Galbraith: ,,The New Indusirial State”, New

York 1967, blz. 192 cv.
8
Men zie in dit verband Th. A. Sievers: Een economi-
sche analyse van het democratisch proces, in ,,Maand-
schrift Economie”, Lusirumnumrner ,,Welvaart en De-

mocratie”, 1967.

W. Drees Jr. en F. Th. Gubbi: ,,Overheidsuitgaven in

theory en prikiijk”, Groningen 1968 (rn.n. hfdst. 26).

490

van de burger en de geleverde overheidsprestatie is in
feite een zeer indirect verband. In het mechanisme zit

veel speling. Zo men als kiezer al tot een bewuste af-

weging komt, kiest men een partij die niet alleen meer

gevangenissen belooft, doch die een gevarieerd pakket

schone zaken aan de kiezer voorhoudt. Men kan zich

afvragën welke partij consequent leeft en handelt

volgens het programma waarop het de stem van de

kiezer heeft gekregen. Welke mogelijkheden heeft de

burger om de volksvertegenwoordiger ter verantwoor-

ding te roepen? Welke mogelijkheden heeft de parle-

mentariër om controle uit te oefenen op de regering?

Zo kan men nog meer vraagtekens• zetten bij de

relatie burger-bestuur, een relatie welke dé laatste jaren

veler aandacht krijgt. Het gevaar is groot dat op tal

van niveaus de beslissingen van de regeerders, de

,,policy makers”, wrden genomen los van ‘de wensen

van de direct betrokkenen.

Daarbij komt nog dat wij ons tot dusverre hebben

beperkt tot het bezien van de preferenties van indivi-

duele consumenten in Nederland en nû. Preferenties

van toekomstige generaties, voorkeuren van buitenland-

se consumenten (bijv. de Derde Wereld) en het conflict
dat kan bestaan

tussen individuele preferenties en voor-

keuren van collectiviteiten compliceren het door ons

geschetste beeld. Wij willen deze complicaties nu echter

laten rusten.

Suggesties tot verbetering

de besluitvorming en van de beslissing. Hoe kutmen

bijv. bij de beslissing inzake de vestiging van een

Hoogovensproject op de Maasvlakte, naast de in gul-

dens gemeten bijdrage tot het nationale produkt en

naast het werkgelegenheidsaspect ook de wensen van de

burgers met betrekking tot het milieu, de leefbaarheid,

worden meegewogen?
12

Wij wezen er reeds op dat het een goede eerste stap

is, om te komen tot het zuiveren van de begrippen;

waarbij van belang is dat de beslissers inzien dat

recreatiegebieden en frisse lucht evenzeer in de be-

hoeften voorzien als hogere koopkracht. Waarbij overi-

gens zij aangetekend dat naast het economisch aspect

nog tal van andere aspecten een rol kunnen spelen. Van

essentieel belang is verder dat een structuur wordt

geschapen, waarbinnen de afweging van de factoren

welke in het geding zijn kan plaatsvinden. De besluit-

vorming en de beslissing dienen zodanig te worden

georganiseerd, dat de voorkeuren van alle bij de be-

slissing betrokkenen bij de afweging meespelen. Omdat

10
,,Groei en
Leefbaarheid”,
WBS-cahiers, Deventer

1970.

‘ Groei en Leefbaarheid, blz. 24.
12
Men zie in dit verband de recente publikatie van

P. de Ruiter: ,,Staalhard nee!! of: waarom zelfs een

econoom anti-Hoogovens kan
zijn”,
Rotterdam 1971.

(I.M.)

De gesignaleerde defecten van markt- en budgetmecha-

nisme vragen om een aantal verbeteringen, waarvan ik

er enkele zou willen trachten aan te geven. In eerste

aanleg zou ik daarbij voorbij willen gaan aan de op

zichzelf noodzakelijke maatregelen, welke zouden kun-

nen leiden tot afbraak van machtsposities, welke stoelen

op concentraties van vermogen en van kennis, c.q. in-

formatie. De toch al zeer gecompliceerde problematiek

kan voldoende worden geïllustreerd door stil te staan

bij de mogelijke remedies ten aanzien van negatieve

externe effecten van produktie- en consumptiebeslissin-

gen.

In navolging van de nota
Groei en Leefbaarheid
van

de Wiardi Beckman Stichting
10
zou ik een onderscheid

willen maken tussen een drietal correctiemiddelen, te

weten: compensatie, beïnvloeding van de beslissingspro-

cedure der betrokkenen en het inperken van de besIis

singsvrijheid der betrokkenen, bijv. door rechtstreeks

verbod, alle correctiemiddelen, welke in de gegeven

volgorde een toenemende mate van overheidsingrijpen

met zich brengen. Met name bij het tweede punt, de

beïnvloeding van de beslissingsprocedure, zou ik willen

stilstaan. In genoemde nota gaat het er in de eerste

plaats om ,,door preventief ingrijpen het externe effect

hetzij te verhinderen, hetzij te verminderen en zo mo-

gelijk naar omvang te beheersen”
11
. Men denkt daarbij

aan het instellen, c.q. bevorderen van research; het ver-

zorgen van publiciteit en propaganda; premiëring en

subsidiëring van preventie; heffingen op schadeveroor-

zakende grondstoffen, – methoden of – produkten of

op onwenselijke vestigingsplaatsen; schadeoverheveling

naar de veroorzaker; en tenslotte
bedreiging
met repres-

sieve maatregelen.

Hoezeer wij het belang van deze maatregelen elk

afzonderlijk en gezamenlijk erkennen, zouden wij het

accent graag iets meer gelegd zien op de organisatie van

Een snel groeiende bank
Gunstige rentecondities

Balanstotaal
/
343.9 miljoen

Grootste bank van Friesland

Friesland Bank

Vestigingen in geheel Friesland

Hoofdkantoor: Zaaliand 110 Leeuwarden

ESB 26-5-197 1

491

niet verwacht mag worden dat dergelijke procedures

spontaan georganiseerd zullen worden, lijkt het een
taak voor de overheid ze te ontwikkelen. En wel op

zoveel mogelijk beslissingsniveaus: binnen de onderne-

ming, in gemeente, gewest, provincie en ook landelijk.

Daarbij is van groot belang dat de betrokkenen tijdig

van volledige informatie worden voorzien in een voor

hen overzichtelijke en begrijpelijke vorm. De over

zichtelijkheid zou gediend zijn niet het ontwikkelen van

een model van de betreffende beslissingssituatie. Bij

een dergelijke, modelmatige presentatie kan door varia-

tie van de onderstellingen een aantal alternatieven aan

de beslissers worden voorgelegd. Op landelijk niveau

vornien de prognoses van het Centraal Planbureau hier-

van een uitstekend voorbeeld. De basisprognoses van

het Planbureau – op zich reeds van een voorwaardelijk

karakter – worden van varianten voorzien door een

of meer onderstellingen (hetzij externe, hetzij onder-
stellingen in de beleidssfeer) te veranderen. Men zou

slechts kunnen wensen, dat een aantal varianten evenals
de basisprognose in hun geheel werd voorgerekend. Op

analoge wijze zou men zich een middellange-termijn-

begroting wensen, eveneens in compacte heldere vorm,

voorzien van alternatieven
13

Een
Nota Ruimtelijke Ordening
zou een aantal al-

ternatieven bij verschillende beleidsveronderstellingen

(bijv. inzake de bevolkingsgroei en de autodichtheid)

noeten bieden. Op gemeentelijk en regionaal niveau zou

hetzelfde ten aanzien van een besteniniingsphn kunnen

gelden. Ook in een onderneming zouden de betrokke-

nen op deze wijze bij fundamentele beslissingen kunnen

meedoen. In dat verband zijn geen andere dan histo-

rische gronden aan te wijzen, waarom de verantwoor-

dingsplicht van de ondernemingsleiding jegens de ver-

mogensverschaffers wél is geïnstitutionaliseerd, terwijl

nog geen vorm is gevonden voor verantwoording jegens

de werknemers en de consumenten. Het lijkt alles een

kwestie van bereidheid van de technocraten om de

essenties van complexe situaties op een heldere wijze

te analyseren en te formuleren.

De wijze, waarop in de nota
Groei en Leefbaarheid

de externe effecten worden tegemoet getreden, en ook

de in het voorgaande aangegeven ontwikkeling van

besluitvormingsstructuren en beslissingsmodellen roe-

pen een aantal repercussies op. De meeste genoemde

maatregelen vereisen een toenemende mate van over-

heidsinterventie, terwijl het tot zijn essenties terug-

brengen van een beslissingssituatie door de deskundigen

aanleiding kan zijn tot manipulatie van de informatie.

Uit de nota zou ik in dit verband het volgende willen

citeren:
,,Er wordt reeds een krachtige stimulans in deze richting
gegeven door de technologische en economische schaalver-
groting. Het is een ontwikkeling die duidelijk spanningen
en onlustgevoelens veroorzaakt, mede door de toenemende
ondoorzichtigheid en omsiachtigheid van de maatschappelij-
ke structuur. Daar komen bij, de moeilijkheden in verband met de democratische controle van overheidsmacht en an-
dere machten: functiescheiding is evenzeer aan het vervagen
als branchescheiding en wordt steeds meer onmogelijk; de
normale democratische verantwoordingsprocedures hebben
te weinig capaciteit om het sterk groeiende aantal overheids-beslissingen op de’voet te kunnen volgen en machtsmisbruik
uit te sluiten”
14

Tot zover dit citaat, waar ik gaarne een aanvulling

op zou willen geven. Het gestelde lijkt aanleiding om
binnen de te scheppen structuur zoveel mogelijk con-

trolemechanismen in te bouwen. Het moet de mede-

beslisser mogelijk zijn de gegeven informatie te con-

troleren; het moet zelfs mogelijk zijn een alternatief

model van de beslissingssituatie te ontwikkelen. Wan-

neer ik mij in dit verband tot Parlementsleden beperk,

zou dat betekenen dat deze in veel sterkere mate dan

thans het geval is kunnen beschikken over de steun

van wetenschappelijke bureaus e.d. Eerst dan lijkt het

mogelijk een regering volwaardig tegenspel te bieden.

Voor andere beslissingsniveaus gelden analoge opmer-

kingen.

Een andere economische orde?

Aan het slot van deze uiteenze’tting zou ik willen stil-

staan bij de vraag welke verandering onze economische

orde ondergaat bij de doorvoering van het hiervoor

geschetste. Voor sommigen zal de mate, waarin de

vertaalmechanismen in ons economisch systeem ontre-

geld zijn, voldoende aanleiding vormen voor het tot-

standbrengeri van een fundamentele verandering van de

economische orde. Met een fundamentele verandering

wordt dan veelal gedoeld op een situatie waarbij de

produktiemiddelen gemeenschapsbezit worden en waar-

bij de overheid de beslissingen over de aanwending van
de produktiemiddelen neemt. in een dergelijke orde zou

een planrnechânisme, vergelijkbaar niet een budgetme-

chanisme voor de gehele economie, richting kunnen

geven aan de produktie.

De summiere beschouwing welke wij aan het budget-

mechanisme in ons bestaande systeem hebben gewijd,

heeft aan het licht gebracht dat het budget, ook wanneer

het is ingebed in een marktmechanisme, als voornaamste

bezwaar kent dat de wensen van de burgers niet vol-

doende bij de ,,policy makers” gehoord worden. Het

ligt in de lijn der verwachting – en de praktijk van

Oosteuropese landen lijkt dit te bevestigen – dat in

het systeem waar het plan de produktie geheel of voor
het grootste deel regelt, de preferenties van de burger/

consument nog minder tot hun recht komen. Veelal

ontstaat de situatie waarin de preferenties van de over-

heid in de plaats worden gesteld van die van de

individuen. Wellicht kunnen in een planeconomie de

beslissingen over de produktie doelmatiger en beter

gecoördineerd worden genomen; op het vlak van de

democratische organisatie van de keuze van de burger

laten de bestaande vormen van planeconomie alles te

wensen over.

Het lijkt dan ook een vereiste om – wanneer men

verandering van de economische orde in de richting
van een centraal geleide economie als een oplossing
ziet – procedures te ontwikkelen, waarbij de wensen

van consumenten/burgers optimaal gehoord worden en

worden meegewogen door de beslissers. De andere orde

lost dit vraagstuk niet vanzelf op.

Naar mijn oordeel kunnen wij dan ook beter trachten

dergelijke procedures te ontwikkelen met de bestaande

orde als uitgangspunt. Daarmee geef ik te kennen niet

het standpunt te delen van hen die menen dat de be-

staande orde juist een beletsel vormt om de gewenste

procedures tot stand te brengen.
R. Schöndorff

14
,,Groei en Leefbaarheid”, blz. 37.
13
Men zie R. Schöndorff: Doelbewuste economische

politiek, in ,,ESB” van 1 februari 1967.

492

Hoe- goed

is onze economische orde?

PROF. DR. H. J. VAN ZUTHEM

Ik neem als schematisch uitgangspunt, dat de eco-

nomische orde tussen onze wensen en de mate van

bevrediging van onze behoeften staat. Economische

orde omschrijf ik als de organisatie van de produktie

en verdeling van goederen en diensten. Economische

orde als intermediair is dan allereerst het
instrumen-

tarium, waarmee produktie en distributie tot stand

komen, zoals marktmechanisme, bedrijven, machtsver-

houdingen ed. Voor de sociologie komt hier in de

tweede plaats bij het
culturele aspect,
nI. de bestaande

doelstellingen van allerlei groeperingen, het waarden-

patroon (zoals de opvattingen over eigendom, het winst-

streven e.d.) en de belangen.

ik zal me voornamelijk bezighouden met dit culturele

aspect van onze economische orde. Dit verdient een

nadere toelichting. In de economie is het gebruikelijk,

dat de economische orde hoofdzakelijk wordt bezien
vanuit zijn instrumentele aspect. Het gaat hier a.h.w.

om de bewust door mensen gekozen middelen ter be-

vrediging van onze behoeften. Sociologisch gezien kan

(en meestal is dit zo) de economische orde ook een

meer zelfstandige functie vervullen in die zin, dat zij

ons denken en handelen in produktie en consumptie

beïnvloedt. Zo gezien houdt de studie van en het oordeel

over de economische orde veel meer in dan alleen

de kwestie van de effectiviteit van de gekozen middelen

en de rationaliteit van de ontworpen machtsverhoudin-

gen. In mijn visie is de economische orde – naast

schepping van de mens – ook een macht over de mens,

die naast hulp ook misleiding kan inhouden.

Ik wil dit nader toelichten door het intermediaire

karakter van de economische orde te bezien vanuit:

– de ideologie van de economische orde;

– de ongewenste kenmerken van de economische orde;
– de onrust over de economische orde.

Ideologie omschrijven we als een redenering ter

rechtvaardiging van bestaande posities en belangen. Een

ideologie van de economische orde houdt dus een

rechtvaardiging van die orde in. Meestal gebeurt dit

tegenover andere orden. Zo is het gebruikelijk onze

orde met zijn kapitalistische inslag (d.w.z. produktie

voor de markt voor particuliere rekening) te plaatsen

tegenover de socialistische of andere centraal geleide
volkshuishoudingen. Binnen de ideologie m.b.t. onze

economische orde wordt een aantal ,,geloven” in stand

gehouden, waaronder:

a. het geloof in de werking van de markt als een

juist ,,vertaalmechanisme” van menselijke wensen. Dit

geloof is niet ,,perfect”, gezien het bestaan van kartel-

wetgeving, sociale wetgeving, ontwikkelingshulp, con-

sumentenorganisatie e.d.

• b. het geloof, dat een grotere materiële rijkdom (als

een van de centrale doelstellingen van velerlei groepen)

in beginsel in staat zal zijn het grootste deel vân onze

maatschappelijke problemen op te lossen. Ook dit

geloof is aangetast, vooral onder de jeugd.

c. het geloof in een toekomst, waarin allerlei onge-

wenste verschillen sterk genivelleerd zullen zijn (inko-
men, bezit, behandeling enz.), mede als gevolg van het

,,oplossend vermogen” van de groeiende rijkdom.

Het is bekend, dat een ideologie niet waar behoeft

te zijn. Voor de duurzaamheid van de bestaande econo-

mische orde is het voldoende, wanneer er geloofd wordt

in de juistheid van de argumenten. Voor een goed

inzicht in onze economische orde is het van veel belang

te weten, wat er gedaan wordt ter bevordering van het

geloof in onze economische orde. Helaas ontbreekt het

hier vrijwel geheel aan onderzoek. Mijn opmerkingen

hebben dan ook hoogstens een theoretische betekenis.

Wel meen ik te mogen zeggen, dat het bestaan van de
ideologie gepaard gaat met weinig of geen informatie

omtrent a. de gevolgen van
deze
wijze van Organisatie

van produktie en consumptie en b. de betekenis van

alternatieve
organisatievormen. Wie iets omtrent de wer-

king van ideologieën in het algemeen weet, zal dit niet

verwonderen. Ideologieën bestaan nogal eens bij de

gratie van gebrek aan informatie.

Het kost me persoonlijk weinig moeite te erkennen,

dat onze economische orde veel goeds voortbrengt. Ik

denk aan de mate van inkomensstijging, de sociale

zekerheid, de bestaande vrijheden (o.a. van arbeid en

beroep). Wetenschappelijk is het niettemin volkomen

gerechtvaardigd de kritische vraag te stellen of het niet

beter kan, d.w.z. of het mogelijk is de Organisatie van

produktie en consumptie zodanig te veranderen, dat:

zei/zucht en egoïsme
minder worden gestimuleerd.

Ook al neemt men aan, dat zelfzucht en egoïsme ,,na-

tuurlijke” eigenschappen van de mens zijn, dan nog

blijft de mogelijkheid van stimulering hiervan door de

samenleving mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn de pro-

motiepraktijken, de relatie tot ontwikkelingslanden en

de pronkzucht om, in de consumptie. Als één van

de belangrijkste oorzaken hiervan zie ik de overmatige

stimulering van de consumptie vooral door de reclame.

meer aandacht ontstaat voor
toekomstvragen.
Er

is een sterke aandacht voor de vragen van nu. Hoewel

dit samenhangt met de huidige. consumptiedrift, kan

meer in het algemeen worden opgemerkt dat er weinig

toekomstperspectief in onze samenleving bestaat. Waar

werken wij eigenlijk voor (behalve dan voor ons eigen

onderhoud)? Is ons toekomstperspectief nog iets meer

dan de huidige samenleving maal twee of drie?

een beter evenwicht tussen
individueel bezit en

collectieve voorzieningen ontstaat (bijvoorbeeld autobe-

ESB
26-5-1971

S

493

zit en veiligheid, luxe goederen en onderwijs).

Deze opsomming (die niet volledig is), nodigt uit

tot een aantal vragen. Overvragen we de economische

orde niet, wanneer we dit soort negatieve verschijnselen

via een wijziging van die orde willen aanpakken? Moe-

ten we (naast een zekere berusting m.b.t. het men-

selijk tekort) niet meer verwachten van opvoeding en

onderwijs? Het verlammende van een dergelijke vraag

is, dat evenzeer kan worden opgemerkt dat onderwijs
en opvoeding niet veranderen, omdat we zo nodig op

deze wijze en in deze tijd moeten consumeren. Het

ligt daarom voor de hand (zo lang we nog zo weinig

weten van het initiëren van veranderingen) ons niet te

beperken tot ,,one best way”. In mijn opvatting staat

centraal het gegeven, dat er een groot gebrek is aan

het verschaffen van kennis omtrent de gevolgen van

de huidige organisatie van produktie en consumptie en

een gebrek aan experimenten met alternatieven. Deze

aanpak impliceert niet zonder meer het verwerpen van

hetgeen we hebben en evenmin het kritiekloos omhelzen

van het onbekende. In mijn opvatting is daarom een

ernstig tekort van onze huidige economische orde het

geringe onderzoek en de geringe informatie omtrent

het verband tussen consumptie en maatschappelijke

noden.
Hoewel er (gelukkig) aanwijzingen zijn omtrent

een veranderende mentaliteit, dringt de conclusie zich

op, dat consumptie in onze samenleving als neutrale

en politiekloze bezigheid wordt beleefd. Eén van de be-

langrijkste opgaven voor de economische en sociale

wetenschappen (met name voor de economische socio-

logie) lijkt mij hierbij na te gaan, in hoeverre ons type

economische orde met zijn machts- en bezitsconcentra-

tie belang heeft bij deze neutraliteit.

4. Het bovenstaande zou aanleiding kunnen zijn voor

een zekere onrust over de economische orde. Zeifzucht,

egoïsme, kortzichtigheid en het gebrek aan inzicht zijn

kwalijke verschijnselen, ook al zijn ze zo oud als de we-

reld. Het moet mi. als een succes van de ideologie van

onze economische orde worden gezien, dat er weinig

van deze onrust valt te merken. Ter toelichting wil ik

een aantal gegevens vermelden uit opinie-onderzoek.

Onderzoek naar opvattingen over medezeggenschap

toont aan, dat veel werknemers meer medezeggenschap

wensen. Deze wensen, die op zichzelf een kritiek op onze

economische orde inhouden, impliceren echter in geen

enkel opzicht een kritiek op de wijze waarop besloten

wordt over de produktie en raken derhalve niet de

fundamenten van onze orde (samenvattend hierover:

H. J. van Zuthem: Machtsongelijkheid en medezeggen-

schap in bedrijven, in J. E. Ellemers: ,,Macht, macht-

hebbers en machtelozen”, Meppel 1969).

Een onderzoek in het kader van N70 over milieu-

verontreiniging toont aan, dat 70% van de Nederlandse

bevolking zich ongerust maakt over de zaken van het

milieu. De vreugde over dit gegeven wordt echter sterk

getemperd door het feit dat 30% helemaal niets over

heeft voor de bestrijding van deze verontreiniging en

slechts 12% f.
25,—
of meer per jaar wil betalen (zie

hierover: ,,Milieubesef”, uitgave Min. CRM, 1970).

Een onderzôek onder vakbondsleden toonde on-
langs aan, dat werknemers weliswaar bereid zijn (ge-

ringe) offers te brengen voor meer en betere collectieve

voorzieningen, maar het vergroten van de ontwikkelings-

hulp blijkt een lage score gehaald te hebben (Resultaten
enquête actie-program vakcentrales. Uitg. NKV, 1971).

Het is wenselijk meer en diepergaand onderzoek te

doen naar de houding tegenover onze economische orde.

Bovenstaande summiere gegevens laten geen vérstrek-

kende conclusies toe, ook al blijkt er weinig van onrust.

Eerder heb ik menen te moeten constateren, dat de

geloofwaardigheid van onze economische orde groot is

(Zie: ,,De geloofwaardigheid van onze economische

orde”. Kampen, derde druk, 1970). Kennelijk is deze

orde in staat vele behoeften te bevredigen, althans

op een zodanige wijze dat er weinig of geen vragen

ontstaan over ingrijpende veranderingen in deze orde.

Ik ontken niet, dat deze houding werkelijk kan steu-

nen op een evaluatie. Wie zich echter op de hoogte
stelt van hetgeen aan kennis omtrent de implicaties

van onze organisatie van produktie en consumptie wordt

verspreid, vraagt zich toch wel af hoeveel mensen een

dergelijke evaluatie plegen.

5.
Hoe goed is onze economische orde? Wie
relatieve

criteria hanteert op het terrein van de inkomensver-

deling, sociale zekerheid, invloed van de overheid ed.,

zal gemakkelijk tot een vrij gunstig oordeel komen.

Het bezwaar blijft echter, dat binnen onze orde geen

informatie over en bezinning op alternatieve produktie

en verdeling plaatsvindt. Alternatieven, die zelfzucht en

egoïsme beter intomen en meer nadruk leggen op de

leefbaarheid in de toekomst.

Ik neem persoonlijk dit bezwaar zeer ernstig. Voor

mij is er dan ook reden te zoeken naar mogelijkheden

van informatie over en bezinning op alternatieve vor-

men van produktie en verdeling. Uitgangspunt is hierbij

de vraag naar de
bereikbaarheid
van (vooral) consu-

menten. ‘De bestaande consumentenorganisaties dragen

mi. nog te weinig bij tot de bewustwording van de

consument, d.w.z. een bewustwording m.b.t. het verband

tussen consumptie en maatschappelijke noden. Deze be-

wustwording zal bereikt moeten worden via bedrijfs-

democratisering en via collectieve prioriteitenbepaling.

Hierover tot slot een enkele opmerking.

Uit praktische overwegingen verdient het aanbeveling

de bestaande arbeidsorganisaties (bedrijven) als uitgangs-

punten te kiezen. Het voordeel hiervan is, dat hier een

bestaande organisatie aanwezig is met een groté bereik-

baarheid van de belanghebbenden. Een derde van de

bevolking werkt in dienstverband. In hoeverre is het

mogelijk werknemers aan te spreken op hun aanspra-

kelijkheid voor het maatschappelijk welzijn via hun

participatie in de produktie? Het zal een lange weg

zijn te komen tot besluitvormingsprocedures, waarin

werknemers mede met het oog op een betere allocatie

van de produktiemiddelen (beter in de zin van even-

wichtiger) betrokken worden in de beslissingen.

Bedrijfsdemocratie, gebaseerd op eigen belang en op

begrip voor de samenleving als geheel, is een verschijn-

.sel dat thans ten onrechte in onze economische orde

nagenoeg ontbreekt. Het is daarom des te meer te

betreuren, dat de recente ontwikkelingen in de indus-

triële democratisering (nieuwe wet ondernemingsraden,

benoeming commissarissen ed.) weinig uitzicht bieden
op het betrekken van werknemers bij produktie- en in-

vesteringsbeslissingen. Ik geloof in de mogelijkheid

langs de weg van bedrijfsdemocratie de ongewenste

kenmerken van onze economische orde te bestrijden,
ook al geef ik toe dat er meer moet gebeuren. Wat dit

laatste betreft moet worden nagegaan, in welke mate

de prioriteitenbepaling van de overheidsbestedingen, zo-

494

Enkele optimale en niet-optimale ontwikke-

lingen in de Nederlandse economische orde

DR. J. VAN DEN DOEL*

De doeleinden

In een instructief artikel, ,,Democratie en economische

orde” geheten
1,
stelt J. P. Pronk drie vragen:

Wie bepaalt wat de doelstellingen van het economisch

proces zijn en welke normen- en waardenpatronen

spelen daarbij een rol?

Hoe dient de economische orde …. gewaardeerd te

worden vanuit de normen- en waardenpatronen?

Hoe is de relatie tussen de economische orde en de

politiekè orde?

De eerste vraag behoort primair door politicologen te

worden beantwoord. Beslissingen over de doeleinden der

economische politiek en het daarbij dominerende stelsel

van normen en waarden worden immers genomen binnen

de politieke orde. Friedrich
2
en Kuypers
1
hebben de

politieke orde gedefinieerd als de Organisatie van de regering

of als een samenstel van organisatorische mechanismen in

het kader waarvan de keuze van onder andere het doel en

de economische orde door de overheid plaats heeft. Als

Kraemer (elders in dit nummer) pleit voor het primaat

der politiek in de economische discussie heeft hij dan ook

welhaast per definitie gelijk. De beslissingen inzake de

economische doeleinden, die binnen het kader van de

politieke orde worden genomen, zijn voor de econoom

een gegeven, dat hij in zijn vakwetenschap heeft teaanvaarden.

In het navolgende wordt, in overeenstemming met Tin-

bergen , verondersteld dat de economische doeleinden

uitsluitend gebaseerd zijn op de verlangens van de indi-
viduele burgers en dat deze burgers streven naar een zo

groot mogelijke bevrediging van hun behoeften in de ruime

interpretatie die Schöndorff daaraan geeft (elders in dit

nummer). De behoeften van de burgers reiken dan verder

dan het streven naar economische groei, resulterend in

een verhoging van de materiële individuele welstand. Ten

eerste kan het wensenpakket ten dele bestaan uit imma-

teriële goederen, bijvoorbeeld uit vrije tijd. Ten tweede is

i
n het wensenpakket van de consument een aantal collec-

als onlangs door de vakcentrales beproefd onder hun

leden, verder kan worden uitgebouwd.

Het is dan eerst nodig uit te zoeken, welke alterna-
tieve opstellingen van prioriteiten mogelijk zijn. Hier

ligt een taak voor de bestaande organen van overleg

(overheid, werkgevers, werknemers, consumenten). Is
het vervolgens te veel gevraagd het volk, bijvoorbeeld

elk jaar, een keuze te laten maken, in plaats van een-

maal per vier jaar op grond van min of meer vage

beloften van politieke partijen? Een uitholling van de

politieke democratie behoeft dit niet in te houden,

tieve goederen opgenomen, d.w.z. goederen of diensten

die technisch niet splitsbaar zijn in op de markt verkoop-

bare eenheden (bijvoorbeeld: handhaving van de rechts-

orde, beheer van natuurgebieden). Ten derde dient rekening

te worden gehouden met zogenaamde externe of onge-
prjsde effecten, waaronder we hier zullen verstaan: die

effecten of nevengevolgen van economische handelingen,

welke
buiten de markt om
de produktievoorwaarden of het

welzijnsniveau van anderen beïnvloeden
5
. Zijn deze buiten

de markt om werkende effecten negatief, dan spreekt

Goudzwaard
6
van het scheppen van
ongeprjsde schaarste.

Naar analogie kunnen positieve invloeden als creatie van

ongeprjsde overvloed
worden aangeduid.

* De auteur van deze bijdrage is lid van de Tweede Kamer

voor de Partij van de Arbeid. Op 18 maart ii. promoveerde

hij aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotter-

dani op her proefschrift ,, Kon vergentie en Evolutie – de

kon vergentietheorie van Tinbergen en de evolutie van ekono-

mische ordes in Oost en West”. De handelseditie van dit

proefschrift is uitgegeven
bij
Van Gorcum, Assen 1971,

240 bis.,
f
18.
1
J. P. Pronk: Democratie en economische orde, in ,, Wen-

ding”, februari 1971, blz. 731-732.
2
C. J. Friedrich: ,,Man and his Government – An Empirical

Theory
of
Politics”. New York 1953, blz. 70-82, 180-198

en 389.

G. Kuypers: ,,Studieoverzicht politicologie”. Amsterdam

1962, blz. 17 en 21.

J. van den Doel: ,,Konvergentie en evolutie – De konver-

gentietheorie van Tinbergen en de evolutie van economische

ordes in Oost en West.” Assen 1971, blz. 47-104 en 222-228.

Zie ook P. Hennipman: De externe effecten in de heden-

daagse welvaartstheorie, in , ,ESB”, 20 maart 1968, blz. 250-

253.
6
B. Goudzwaard: , ,Ongeprjsde schaarste – Expretiale
of
ongecompenseerde effecten als economisch-theoretisch en

economisch-politiek probleem”. Den Haag 1970, blz. 12.

omdat het denkbaar is dat juist de politieke partijen

in het kader van de jaarlijkse begrotingen een dergelijke

prioriteitenbepaling voorbereiden en in het politieke

vlak een verdere uitwerking geven.

Kortom, onze economische orde is niet slecht, maar

zij is niet, goed genoeg omdat de besluitvorming omtrent

produktie en verdeling van goederen en diensten veel

te weinig gedemocratiseerd is, d.w.z. veel te weinig

voorwerp is van een bewuste verantwoordelijkheid van

allen.

H. J. van Zuthem

ESB 26-5-1971

495

Optimale economische ordes

De tweede vraag van Pronk luidt hoe de huidige econo-

mische orde vanuit deze doelstellingen gewaardeerd dient

te worden. Kenmerkend voor de economische orde is:

welke personen of welke organen nemen in feite de be-

slissingen met betrekking tot de aanwending en de be-

loning van produktiemiddelen, d.w.z. met betrekking tot

de produktie en de consumptie?
7
De vraag van Pronk

luidt in feite: ,,ïs de economische macht doelmatig ver-

deeld?” Op het congres van het Verbond van Weten-

schappelijke Onderzoekers bleek bij een minderheid een

weerstand te bestaan tegen het centraal stellen van de vraag

naar de doelmatigheid van de economische orde. Som-

migen wilden primair ,,economische groei” als doelstelling

veroordeeld zien. zonder te willen discussiëren over de

middelen, c.q. over een herverdeling van de economische

macht die noodzakelijk is om de in ruime zin geïnter-

preteerde doeleinden der burgers te verwezenlijken. Deze

minderheid verschafte een treffend voorbeeld van wat

Garaudy
8
,,gauchisme” noemt. Albeda ° omschrijft dit

,,gauchisme” onder andere als:

een onderschatting of zelfs negatie van de werkelijk

levende behoeften ten gunste van revolutionaire frasen;

een weigering de werkelijke machtsverhoudingen te

analyseren.

De door Pronk gestëlde vraag naar’de juistheid van de

econom ische-rnachtsverdel ing is echter essentieel, omdat

over de doeleinden der economische poÏitiek, en met name

over de betekenis die aan economische groei gehecht dient

te worden, in Nederland een toenemende mate van over-

eenstemming bestaat, doch de wegen zich plegen te scheiden

bij het antwoord op de vraag naar die verdeling van de

economische macht die deze doeleinden het beste realiseert.

De economische orde bestaat uit een organieke en een

personele orde. De organieke orde is het gevolg van de
verdeling van beslissingstaken over organen, terwijl de
personele orde betrekking heeft op de machtsverdeling

tussen personen binnen één orgaan. Van Zuthem en

Schëndorff hebben vooral de personele orde belicht (el-

ders in dit nummer). ik onderschrijf, voorlopig op niet-

economische gronden, hun conclusie dat de personele

orde, zowel binnen overheidsorganen als binnen particu-

liere bedrijven, verder gedemocratiseerd dient te worden,

en laat de personele orde in het navolgende buiten be-
schouwing.

inzake de organieke economische orde bestaat er een

zogenaamde theorie van de optimale economische orde,

waarvan Tinbergen
10
één der grondleggers is. Omdat

Tinbergen zijn theorie het sterkst heeft toegespitst op de

probleemstelling van vandaag neem ik zijn visie tot uit-

gangspunt van mijn beschouwing. Tinbergen heeft getracht

de optimale orde af te leiden uit een economisch model,

d.w.z. uit een afgerond stelsel van wiskundige vergelijkingen,

waarin de werkelijkheid op basis van bepaalde veronder-

stellingen is gestileerd. Deze optimale orde is dan en slechts

dan gedetermineerd indien de doeleinden van economische

politiek gegeven zijn. Het optimum hangt af van de ethische

keuze, die bij het vaststellen van de doeleinden zijn gedaan

en heeft dus een normatief karakter. De kenmerken van
de optimale economische orde zijn de
consequenties,
die

uit eenmaal gekozen doeleinden dienen te worden ge-

trokken.

Dezeconsequenties formuleer ik als voorsch ri ften betreffen-

de de optimale
concentratie
van economische beslissingen en

496

0

in voorschriften inzake de
ceniralisatie
daarvan. Wij bezien

eerst de optimale concentratie.

Dalende kosten en concentratie

Met concentratie bedoel ik de samentrekking van feitelijke

beslissingen over de produktie of de consumptie bij een

absoluut of relatief gering aantal particuliere organen. De

mate van concentratie geeft dus inzicht in de spreiding van

economische macht binnen de particuliere sector van de

volkshuishouding. inzake deze concentratie bestaat het

uitgangspunt van Tinbergen hierin, dat de activiteiten in

het bedrijfsleven zoveel mogelijk moeten worden gedecon-

centreerd. Alleen dân geven de prijzen immers betrouw-
bare aanwijzingen omtrent de voorkeuren van de consu-

ment en wordt voorkomen dat prijzen en afzet door de

producent worden gemanipuleerd.

Op dit uitgangspunt bestaat echter één categorie funda-

mentele uitzonderingen. Wanneer de produktie van een

bedrijf zich uitbreidt, zullen in vele gevallen de gemiddelde

produktiekosten dalen. Zulke dalende kosten zijn dan het

gevolg van de ondeelbaarheid van een aantal produktie-
middelen: bij het opzetten van sommige activiteiten ziet

men zich uit technische noodzaak geplaatst voor hoge

eenmalige aanloopkosten die, naarmate de produktie in

omvang toeneemt, over steeds meer eenheden produkt

kunnen worden omgeslagen. Zeer sprekende voorbeelden

van zulke ondeelbare produktiemiddelen zijn een boor-

toren, een spoorweg en een elektriciteitscentrale, doch

minder sprekende voorbeelden zijn in bijna elk bedrijf

gemakkelijk te vinden. Zolang de kosten dalen naarmate

de produktieomvang toeneemt, zal concentratie de produk-

tie in die bedrijfstak voordeliger maken. Door zulke con-

centraties kunnen immers de voordelen van massa-

produktie, de zogenaamde
economies of scale,
worden

geïncasseerd en daarom zijn dergelijke concentraties zô

gunstig voor de materiële welvaart (en daarmee voor een

belangrijke welzijnscomponent) dat het onjuist zou zijn ze
tegen te gaan.

Voor de meeste bedrijven geldt echter dat de kosten

slechts tot een bepaald punt dalen. Wanneer het punt,

waar de gemiddelde kosten minimaal zijn geworden, is
gepasseerd worden geen verdere voordelen van massa-

produktie meer verkregen en ontstaat zelfs de mogelijkheid

dat de voordelen van massaproduktie in even zovele na-

delen omslaan, omdat het bedrijf dan
diseconomies
of
scale

ondervindt, bijvoorbeeld als gevolg van toenemende

bureaucratie. Vanaf dat moment heeft verdere concen-

tratie niet meer het voordeel dat de materiële welvaart

stijgt, schept zij zelfs de mogelijkheid dat de materiële

welvaart daalt. De nader uitgewerkte maatstaf van Tin-

bergen luidt derhalve als volgt:
concentratie van activiteiten

vindt plaats zolang en slechts zo lang als de gemiddelde kosten

per eenheid dalen.
De mogelijkheid moet worden openge-
Zie ook W. Eucken: ,,Die Grundlagen der National-

ökonomie”. Berlijn 1959, blz. 57 en 78-91.
8
R. Garaudy: ,,Pour un modèle francais du socialisme”.

Parijs 1968, blz. 49.

W. Albeda. Het vraagstuk van de alternatieve economische

orde, in: , , Econoniix – economische opstellen aangeboden

aan T. P. van der Kooy”. Kampen 1970, bIs. 49.
10
Een samenvattend overzicht van de verspreide analyses

en opmerkingen van Tinbergen over dit onderwerp is gegeven

in de publikatie, vermeld in voetnoot 4.

houden, dat deze maatstaf onzuiver is, omdat Tinbergen geen

rekening heeft gehouden met de voortdurende onzekerheid,

waarin de ondernemer verkeert, doch deze maatstaf is

voorlopig voldoende bruikbaar om de optirnaliteit van

concentraties, die zich thans voltrekken, schattendërwijs

te beoordelen.

Fusies

Concentraties d2en zich onder andere in drie vormen voor.

Tn de eerste plaats kan een zelfstandige onderneming zich

door interne groei ontwikkelen tot een zeer grote naam-

loze vennootschap. In de tweede plaats kunnen kartels

ontstaan, namelijk indien ondernemingen in een combi-

natie deelnemen zonder hun economische zelfstandigheid

te verliezen. In de derde plaats kunnen ondernemingen

worden samengevoegd waardoor zij wél hun economische

onafhankelijkheid verliezen: in die gevallen is sprake van

een
fusie.
Degenkamp
11
heeft erop gewezen, dat zowel

in de literatuur als in de wetgeving kartels de rol van

Zwarte Piet is toebedeeld, terwijl fusies als geschenken
van Sinterklaas worden beschouwd. De concentratie in

het bedrijfsleven, die thans in Europa plaatsvindt, is echter

vooral van fusies het gevolg en deze fusies vinden slechts

ten dele plaats op basis van het streven naar technologische

efficiency. H. W. de Jong
12
wijst in dit verband op de

vorming van ,,conglomeraten”, d.w.z. op fusies van be-
drijven die geen enkel technologisch of organisatorisch

raakvlak hebben en waarvan het derhalve onwaarschijnlijk

is dat kostenvoordelen verkregen kunnen worden als ge-
volg van het gebruik van ondeelbare produktiemiddelen.

In de Verenigde Staten vonden in de periode 1948-1968

in totaal 15.445 fusies plaats. In de periode 1956-1968

groeide het aandeel der ,,conglomerate” fusies van 14%

tot 44% van alle fusies. In Nederland
13
voltrokken zich
in de periode 1963-1969 in totaal
956
fusies, overnemingen

of andere vormen van concentratie. In 206 gevallen daar-

van gingen ondernemingen door een fusie over naar een

andere bedrijfsklasse. In 46 gevallen werden bedrijven

overgenomen door ondernemingen uit de handel of het

bank- en verzekeringswezen. De eerste helft van 1970

vormde in dit opzicht een climax: 163 fusies vonden plaats,

waarbij in 36 gevallen ondernemingen naar een andere

bedrijfsklasse overgingen en in 15 gevallen de handel, het

bank- of het verzekerïngswezen een beslissende rol speelden.

Hoewel geen gedetailleerd inzicht bestaat in de ,,ligging”

van de kostenfuncties van individuele bedrijven, omdat het

onderzoek daarnaar nog in de kinderschoenen staat, wordt

door fusies, die vermoedelijk ten dele leiden tot de vorming

van ,,conglonieraten”, de indruk gevestigd dat er in Neder-

land in toenemende mate sprake is van
overconcentratie.
Conglomerate fusies kunnen niet met het optreden van

dalende kosten worden gemotiveerd en vinden wellicht om
financiële of machtspolitieke redenen plaats, die geenszins

passen in de door Tinbergen geschetste optimale orde.

Momenteel bezit de Nederlandse overheid geen enkele

wettelijke bevoegdheid om de totstandkoming van fusies

als zodanig te verbieden of ongedaan te maken of om

anderszins met betrekking tot fusies in te grijpen, tenzij

een bank als fusiepartner optreedt. Slechts wanneer fusies,
evenals in de Verenigde Staten het geval is, worden onder-
worpen aan een wettelijk geregelde toestemming van over-

heidsorganen en wanneer de overheid bovendien van zulk

een bevoegdheid gebruik maakt om niet-optimale fusies te

verbieden, zal de ecoijomische orde op het punt van de

concentratie weer in de richting van het optimum worden

gestuwd. Het onlangs verschenen SER-advies
14,
waarin

slechts wordt aangedrongen op een meldingsplicht van

fusies, een plicht die bovendien niet eens wettelijk geregeld

zou behoeven te worden, is daarom vér beneden onze maat.

Uit vergelijking van verkiezingsprograms kan echter worden

geconcludeerd dat er in het parlement thans een meer-

derhid b23taat voDr een wet, die een verbod van

fusies mogelijk maakt.

Hoop biedt ok artikel 86 van het EEG-verdrag, dat

misbruik van economische machtsposities vërbiedt. Terwijl

W. A. A: M. de Roos
11
nog in 1969 moest constateren,
dat het aangaan ‘an fusies geen toestemming behoeft van

de EEG-Commissie en in het algemeen ook niet zal leiden

tot inmenging van de zijde van de EEG-autoriteiten, be-

sloot de EEG-Commissie in maart van dit jaar een proces
aan te spannen bij het Europese Hof van Justitie tegen de

fusie van het Amerikaanse verpakkingsconcern Continental

Can, Thomassen & Drijver-Verblifa en enkele andere
industrieën. De conclusie is, dat de economische orde

gekarakteriseerd moet worden als ,,overconcentratie”,

maar dat zich overheidsmacht vormt die wellicht in de

toekomst sterk genoeg kunnen worden om deze over-

concentratie ongedaan te maken.

Concentratie en centralisatie

Tinbergen heeft niet alleen normen opgesteld voor de

concentratie, doch ook voor de centralisatie. Onder centra-

lisatie versta ik overdracht door particulieren van feitelijke

beslissingen met betrekking tot de produktie of de con-

sumptie aan een overheidsorgaan. Centralisatie is dus een

specifiek geval van concentratie, namelijk concentratie van
economische macht bij de overheid.

Uitgangspunt van Tinbergen is, dat centralisatie van

economische beslissingen altijd bureaucratische fricties met

zich meebrengt. De materiële kosten van deze bureau-
cratie, alsmede de immateriële nadelen in de vorm van

vermindering van ervaring van vrijheid, vormen a priori

argumenten om de activiteiten gedecentraliseerd uit te

voeren. Tinbergen verlangt dus decentralisatie, tenzij de
noodzaak van centralisatie is aangetoond, een norm, die

treffende gelijkenis vertoont met het rooms-katholieke

subsidiariteïtsprincipe.

Noodzaak tot centralisatietreedt volgens Tinbergen in

twee gevallen op. In de eerste plaats dienen bedrijven, die

als gevolg van dalende kosten zo sterk zijn geconcentreerd,

dat zij bijkans de gehele bedrijfstak hebben gemonopo-

liseerd, onder beheer van de overheid te worden gesteld.

De overheid kan beginnen met het van overheidswege

opleggen van voorwaarden m.b.t. de produktie of de prijs,

zodat economische machtsposities van grote concerns langs

J. Th. Degenkamp: Een nieuw spook waart door Europa,
in ,,De Volkskrant”, 29 augustus 1970.
12
H. W. de Jong: De concentratiebeweging in de .4meri-

kaanse economie, in ESB”, 22 juli 1970, bis. 700-707.
13
CBS: ,, 7%’faandstatistieken financiewezen”.
14
Sociaal-Economische Raad:,, Advies inzake informatie aan

de regering omtrent in overweging zijnde fusies”, SER 1971,

no. 5.
15
W. A. A. M. de Roos: ,,De economische machtspositie”.

Leiden 1969, bis. 54.

FSB 26-5-1971

497

deze weg worden voorkomen. Blijkt dit niet mogelijk, dan

wordt het noodzakelijk dat de overheid het beheer van zulke

bedrijven zelf ter hand neemt.

In Nederland is dit ook in verscheidene gevallen geschied.

Hoewel enerzijds materiële centralisatie mogelijk is zonder

dat formele nationalisatie plaatsvindt, en anderzijds for-

mele nationahsalie niet
hoeft
te leiden tot materiële cen-

tralisatie, hebben zoveel nationalisaties plaatsgevonden met

het oogmerk de beslissingen inzake de produktie te centra-

liseren, dat het karakter van de nationalisaties een eerste

indicatie geeft van de omvang van de centralisatie, die zich

in een volkshuishouding voltrekt. Kirschen c.s.
16
meldden

dat het Nederlandse overheidseigendom in 1961 als volgt
was samengesteld: in de chemische industrie en het weg-
transport was 10-50% van de produktie genationaliseerd;

de produktie van fabrieksgas en kolen was voor 50-90%

genationaliseerd, terwijl de produktie van elektriciteit en
atoomenergie benevens de dienstverlenging door middel

van spoorwegen, telefoon en telegraaf voor 90-100% in

overheidshanden lag. Van gemengd eigendom was boven-

dien sprake bij de produktie van staal en natuurgas en bij

het luchttransport. Sinds 1961 is de invloed van de over-

heid in de winning van natuurgas, in de automobiel-

fabricage en in de scheepsbouw aanmerkelijk uitgebreid.

Nu blijkt uit een inventariserend onderzoek, dat volledige

nationalisatie dan wel gemengd eigendom globaal juist

voorkomen in die bedrijfstakken, waarin een grote mate

van concentratie is geconstateerd als gevolg van het gebruik

van ondeelbare produktiemiddelen
17.
Ik beoog niet te

poneren dat de overheid reeds thans voldoende bevoegd-

heden heeft inzake het bëheer van zulke optimale concen-

traties. Er vindt echter een beweging plaats in de richting

van het optimum, een beweging die weliswaar langzaam

geschiedt doch niettemin onmiskenbaar is. Deze optimale

ontwikkeling zou misschien kunnen worden voortgezet

door enkele nationalisaties, door het stichten van bedrijven

waarin de overheid deelneemt, door het van overheids-

wege opkopen van aandelen pakketten of door het be-

noemen van overheidscommissarissen in particuliere be-

drijven.

Ongeprijsde effeëten en centralisatie

Niet alleen de activiteiten met dalende kosten, maar ook

die waaraan ongeprijsde effecten zijn verbonden dienen

volgens Tinbergen te worden gecentraliseerd. Van produktie

of consumptie met ongeprijsde effecten ondervinden

anderen, met uitzondering van de afnemers, voor- of na-

delen. Deze voor- of nadelen zijn echter niet in de beslis-

singen met ongeprjsde effecten verrekend. De educatieve
voordelen, die bijvoorbeeld het volgen van onderwijs ook

voor derden
heeft, of de milieuhygiënische nadelen, die

inherent zijn aan de produktie van kunstmest, hoeven

immers niet in de prijzen c.q. in het huidige of toekomstige

inkomen van de studerenden of van de kunstmestfabrikan-

ten verdisconteerd te zijn. Wanneer hun beslissingen niet

van bovenaf zouden worden beïnvloed, is het mogelijk dat

er te weinig onderwijs wordt gevolgd en dat er teveel kilo’s

kunstmest worden geproduceerd. Het is dan noodzakelijk

de belangen van derden in beslissingen met ongeprjsde

effecten te verwerken en dat is alleen mogelijk door deze

beslissingen te centraliseren.

Deze centralisatie moet zich uitstrekken over het hele

territoir, waarop de ongeprijsde effecten voelbaar zijn. Is

de luchtverontreiniging alleen ter plaatse merkbaar dan

beslist het gemeentebestuur, doch is deze werkzaam in de

gehele provincie dan beslist het provinciebestuur; deze

redenering herhaalt zich op landelijken zelfs op internationaal

niveau.
In het algemeen moet de beslissing over een bepaalde

aangelegenheid niet op een hoger niveau worden genomen

dan noodzakeljik is om het optreden van ongeprjsde effecten

te pareren.
Met behulp van deze stelregel is het mogelijk

alle beslissingen optimaal over de verschillende hiërar-

chische niveaus te distribueren.

Centralisatie van ongeprjsde effecten kan op directe of

op indirecte wijze plaatsvinden. Bij directe centralisatie

wordt een effect, als het negatief is, door de overheid

geëlimineerd en, als het positief is, door de overheid zelf

gecreëerd. Voorbeelden daarvan zijn het verplicht stellen
van luchtverontreinigingsfilters, het afsluiten van binnen-
steden voor personenauto’s, het door de overheid stichten

en exploiteren van scholen, het aanleggen van bossen.

Indirecte centralisatie van activiteiten met ongeprjsde

effecten vindt daarentegen plaats in de vorm van ,,compen-

satie”: degenen, die ongeprijsde schaarste.scheppen worden

verplicht tot schadeloosstelling en degenen, die ongeprijsde

overvloed creëren ontvangen daarvoor een vergoeding.

In beide gevallen zal de overheid meestal als zaakwaar-

nemer optreden voor degenen, die het nadeel of het voor-

deel ondervinden. Voorbeelden van compensatie zijn

heffingen en subsidies, waardoor de beslissingen over de

produktie via prijzen worden beïnvloed
18•
De methode

van centralisatie verschilt bij directe dan wel indirecte

centralisatie, doch in beide gevallen beslist in feite de

overheid.
Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting

Vindt zulk een centralisatie, die volgens Tinbergen opti-

maal is, ook wérkelijk plaats? Indien we beginnen met de

centralisatie, van beslissingen die ongeprjsde schaarste

scheppen,, moet inderdaad worden geconstateerd dat de

rijksoverheid thans reageert op de aantasting van het leef-

milieu. Voorbeelden daarvan zijn de wetten, die in de jaren
1962 respectievelijk 1970 zijn ingevoerd op het gebied van

de ruimtelijke ordening en de luchtverontreiniging. De

,,Wet op de ruimtelijke ordening” is geheel gebaseerd op
de trapsgewijze hiërarchie, die Tinbergen optimaal acht.

Gemeenten stellen zogenaamde bestemmingsplannen vast

waarbij, voor zover dit ten behoeve van de ruimtelijke

ordening nodig is, de bestemming van de in het plan be-

grepen grond wordt aangewezen en zo nodig, in verband

met die bestemming, voorschriften worden gegeven om-

trent het gebruik van die grond. De provinciale overheden

bezitten echter het recht om het plan af te keuren of te

doen wijzigen indien bovengemeentelijke belangen dit vor-

deren, terwijl de minister van Ruimtelijke Ordening op

zijn beurt de provincies bindende aanwijzingen kan geven
omtrent hun beleidsplannen indien deze de realisering van

het nationale ruimtelijke beleid tegenwerken
19
De ,,Wet

inzake de luchtverontreiniging” maakt het mogelijk bij

16
E. S. Kirschen c.s. :,,Economic Policy in Our Time”. Deel

1, Amsterdam 1968, blz. 142.
17
J. S. Bain:,,Industrial Organization”. New York 1959,

blz. 346-349.

18
B. Goudzwaard: ,,Ongeprjsde schaarste”, a. w., blz. 142-

144.
19
Artikelen 10, 28, 37 en 38 van de Wet op de ruimtelijke

ordening.
498

maatregelen van bestuur het gebruik van bepaalde ,,toestel-

len” of ,,inrichtingen”, van waaruit verontreinigende stoffen

in de buitenlucht kunnen komen, hetzij te verbieden, hetzij

aan een vergunning of een nader voorschrift van overheids-
wege te onderwerpen.

De bevoegdheden zijn z6 tussen de provincies en het
rijk verdeeld, dat de provincies
opdrachten verstrekken aan

,,inrichtingen”, wier negatieve externe effecten immers

plaatsgebonden zijn, terwijl het
rijk
zich bezig houdt met

,,toestellen” aangezien deze overal hun toepassing kunnen

vinden
20
Uit deze voorbeelden blijkt dat, als beslissingen

over activiteiten met negatieve ongeprjsde effecten in

Nederland worden gecentraliseerd, dit vaak geschiedt vol-

gens het door Tinbergen opgestelde schema.

Ook op positieve ongeprjsde effecten, d.w.z. op het

creëren van ongeprijsde overvloed, heeft de overheid ge-

reageerd. Van zulk een ongeprjsde overvloed is onder

andere sprake
bij
het bevorderen van de gezondheid, het

doen genieten van onderwijs en het goed laten wonen.

Het spreekt vanzelf dat, wanneer iemand gezond is, niet

alleen hijzelf daarvan profiteert, doch ook zijn omgeving.

Op de positieve ongeprijsde effecten van het genieten

van onderwijs heeft Tinbergen sterk de nadruk gelegd:

het genieten van onderwijs is niet alleen van nut voor de

student en diens werkgever, doch ook voor al degenen

met wie hij samenwoont of samenwerkt en in het bijzonder

voor de toekomstige generaties. Ook het feit dat iemand

ondanks een laag inkomen goed woont, heeft belangrijke

ongeprjsde positieve effecten, met name op de volks-

gezondheid, de arbeidsproduktiviteit, het onderwijs, de

smaak van derden en de criminaliteit
21

De reactie van de rijksoverheid op deze activiteiten met

positieve effecten heeft vooral plaatsgevonden in de vorm

van indirecte centralisatie. Door middel van leningen en

subsidies worden particuliere activiteiten door de overheid

steeds meer gestimuleerd. Uit de tabel kan men concluderen

dat het beslag van de rijksuitgaven voor volksgezondheid,

onderwijs en volkshuisvesting in de periode 1957-1971 toe-

nam van 4,6 tot 11,1
Y.
van het netto nationale inkomen

tegen marktprijzen
22
Zelfs de marxisten Baran èn Sweezy
23
,

die de mogelijkheid van een maatschappelijke evolutie in

Enkele rijksuitgaven in Nederland

(in
%
van het netto nationale inkomen tegen marktprijzen)

Jaar
volks.
Onderwijs
Volkshuis-
Totaal
gezondheid
en cultuur
vesting

1957
……..
0,2
3,5
0,9
4,6
1958
0,2
3,7
1,7
5,6
1959
0,2
3,9
2,7
6,8
1960
………
0,2
4,9
2,6
7,7
1961
0,2
5,4
2,1
7,7
1962
……..
0,2
5,7
2,0 7,9
1963
……..
0,3
5,9
2,1
8,3
1964
……..
0,2
6,4
2,4
9,0
1965
……..
0,3
6,9
2,6 9,8
1966
……..
0,3 7,4
3,0
10,7
1967
……..
0,3
7,4
3,1
10,8
1968
……..
0,3
7,6
2,9
10,8
1969
……..
0,3

.
8,0
2,6
10,9
1970
……..
0,3 8,4
2,5 11,2
1971
0,3 8,4 2,4
11,1

optimale richting plegen uit te sluiten, ontkennen niet dat

in zulke gevallen van een positief te beoordelen centrali-

satie sprake kan zijn. De ontwikkeling is niet alleen fors
geweest, maar heeft bovendien continu plaatsgevonden.

Slechts het relatieve aandeel van de
volkshuisvesting
in het

nationale inkomen daalde twee maal, namelijk tijdens de

periodes waarin de kabinetten-De Quay en -De Jong

regeerden. Het herhaaldelijk verwaarlozen van de woning-

bouw door rooms-liberale coalitiekabinetten staat echter

niet de conclusie in de weg, dat activiteiten met ongeprijsde

effecten in toenemende mate worden gecentraliseerd.

Bij negatieve effecten ligt het accent op directe eliminatie

door middel van overheidsvoorschriften, bij positieve

effecten daarentegen op indirecte stimulering door middel
van, financiële overheidssteun. Hoewel een exacte- beoor

deling van de optimaliteit van deze centralisatie moeilijk

is zolang de omvang van de ongeprijsde effecten niet is

gekwantificeerd
24
,
is deze ontwikkeling in de richting van

het door Tinbergen beschreven optimum significant; daar-

mee is uiteraard niet gesteld, dat dit optimum thans reeds

zou zijn bereikt.

De politieke orde

De tweede vraag, die Pronk stelde, namelijk hoe de eco-

nomische orde gewaardeerd dient te worden vanuit de

normen- en waardenpatronen, kan thans worden beant-

woord. Te veel activiteiten zonder dalende kosten worden

téch bij grote bedrijven geconcentreerd. Te veel activi-

teiten met dalende kosten worden tôch door particulieren

uitgevoerd. Te weinig activiteiten met ongeprijsde effecten

worden door de overheid ter hand genomen. De graad

van concentratie is te groot en de mate van centralisatie

is te gering. Er zijn echter krachten werkzaam, die de eco-

nomische orde in sommige opzichten stuwen in de richting

van het optimum. Er vormt zich bij de overheid macht,

die op lange termijn sterk genoeg zal kunnen worden om

een relatieve deconcentratie af te dwingen. De overheids-

invloed in bedrijven met sterk dalende kosten neemt toe.

Het scheppen van ongeprjsde schaarste en van ongeprjsde

overvloed wordt in toenemende mate door de overheid

gepareerd.

De veronderstelling, dat de Nederlandse politici een

zekere notie hebben van de optimumvoorwaarden, die in

het voorafgaande expliciet zijn geformuleerd, wordt door

de gereleveerde feiten in het algemeen bevestigd. Daarmee

stuiten we op de derde vraag van Pronk, namelijk op die

naar de relatie tussen de economische orde en de politieke

orde. Een diepgaand wetenschappelijk onderzoek daar naar

is mi. urgent en vereist bovendien een multidisciplinaire

aanpak. Maar hoe de relatie ook precies moge zijn, zij

vormt in Nederland voor de ontwikkelingen naar de opti-

male economische orde, die ik heb geschetst, kennélijk

geen blijvend beletsel.

J. van den Doel

20
Artikelen 12, 18 en 19 van de Wet inzake de lucht-

verontreiniging.
21
L. S. Burns: , , Case study of cost-benefit analysis
of
improved housing”. Los Angeles 1965. Geciteerd in W. Drees

Jr. en F. Th. Gubbi: ,,Overheidsuitgaven in theorie en

praktijk”. Groningen 1968, blz. 193.
22
,,Miljoenennola 1970″, blz. 136; ,,Miljoenennota 1971
“,

blz. 41.
23
P. A. Baran and P. M. Sweezy: ,
;
Monopoly Capital –

An •Essay on the American Economic and Social Order”.

New York 1966, blz. 163-164.

” R. Hueting: Moet de natuur worden gekwantificeerd?,

in ,,ESB”, 21 januari 1970, blz. 80-84; R. Hueting, A.

Heertje, J. P. Pronk e.a.: ,,Groei en leefbaarheid”. Publi-
katie van de Wiardi Beckman Stichting. Deventer 1970,

blz. 47-51.

ESB 26-5-197 1

499

Toets

1

taak

Geduw over het

Amsterdam-Rijnkanaal

Door economen is nogal eens kritiek

uitgeoefend op het verkeers- en ver-

voerbeleid van de Nederlandse over-

heid. Stenen des aanstoots vormen de
mate waarin en de wijze waarop door
politieke besluitvorming de verkeers-

infrastructuur ter beschikking van de

gebruikers wordt gesteld. Ongecoör-

dineerde investeringsbeslissingen en

opvallende verschillen tussen de bij-

dragen van de vervoerstakken in de

kosten van de door hen gebruikte

verkeerswegen hebben ernstige con-

currentievervalsingen veroorzaakt.

Daar deze in het algemeen geen be-

wust gekozen beleidsdoelen zijn, lei-

den ze tot maatschappelijke verspil-

lingen. Vele pleidooien zijn gevoerd

voor (her)inschakeling van het prijs-

mechanisme ter regulering van ge-

bruik en investeringen. Pleidooien die

op den duur in het Parlement enige

weerklank hebben gevonden en ook

door de regering ter harte zijn geno-

men, getuige bijvoorbeeld de opmer-

kingen over de kosten van de weg in

TP 2000
van het Ministerie van Ver-

keer en Waterstaat. Werkelijke be-

leidswijzigingen zullen evenwel uit

Brussel moeten komen, waar het

vraagstuk van de wegkosten al ge-

ruime tijd in discussie is.

De molens der Gemeenschap ma-

len traag. Te traag om kostbare pro-

jecten als de verbreding van het Am-

sterdam-Rijnkanaal te kunnen toetsen

aan de doelstellingen van een geco-

ordineerd en kostenbewust vervoers-

beleid, waarin het prijsmechanisme

een regelende en informatie-verschaf-

fende rol speelt. Het is niet onwaar-

schijnlijk dat een dergelijke toetsing

anders zou uitvallen dan de nu in

hoofdzaak op politieke gronden ge-

nomen beslissing.

Zo is enige weken geleden door

Mr. T. C. W. van Dam, de voorzitter
van de Koninklijke Schippersvereni-

ging Schuttevaêr, tijdens een bijeen-
komst van de Amsterdamse Binnen-

vaartsociëteit ernstige twijfel uitge-

sproken over het nut van deze capa-

citeitsvergroting. De f.
475
mln., die

dit project (op basis van het prijspeil

van 1969) in totaal zal gaan kosten,

zouden zijns inziens wel eens wegge-

gooid geld kunnen zijn. Een opmer-

kelijke uitspraak voor de vertegen-

woordiger van een pressiegroep, die

anders niet nalaat te pleiten voor

verbetering van het vaarwegennet.
Het is daarom interessant om na te

gaan welke overwegingen aan de ver

ruiming van het Amsterdam-Rijn-

kanaal ten grondslag liggen.

in de
eerste
plaats zijn sedert de

ingebruikneming van het huidige ka-

naal in 1952 de afmetingen en de

snelheid van de binnenschepen voort-
durend toegenomen. Dit veroorzaak-

te een versnelling van de oeverslijtage,

een vergroting van het oponthoud

voor de scheepvaart bij de sluizen en

een vermindering van de verkeers-

veiligheid.

Deze rubriek wordt verzorgd door het

Instituut voor Onderzoek van Over-

heidsuitgaven

In de
tweede
plaats is op de Rijn

de duwvaart tot ontwikkeling geko-

men. De Rijnduweenheden zijn te

groot voor het Amsterdam-Rijn-

kanaal, waardoor voor de vaart op
Amsterdam hergroepering bij Tiel

nodig is. Dit betekent een verschil in

bereikbaarheid tussen Amsterdam en

Rotterdam. Een dergelijk verschil

zou ook ontstaan t.o.v. het Schelde-

bekken, nI. na voltooiing van de voor

duwvaart geschikte Schelde-Rijn-ver-

binding.

Door het Ministerie van Verkeer

en Waterstaat wordt veelvuldig ge-

bruik gemaakt van kosten-baten-

analyses, een prijzenswaardig voor-

beeld dat nog te weinig gevolgd

wordt door andere departementen.

Ook van deze kanaalverruiming zijn

de baten en de kosten met elkaar

vergeleken, zoals blijkt uit de nota

vân de Rijkswaterstaat inzake de ver-

betering van het Amsterdam-Rijn-

kanaal (najaar 1969). Er worden drie

op geld waardeerbare baten onder-

scheiden, nI.:

de tijdwinsten van de traditionele
vaart, bestaande uit de snelheidsver-

hoging en de verkorting van de

wacht- en schuttijden, tezamen glo-

baal f.
45
mln;

een vergroting van de verkeers-

veiligheid, die tot een geschatte ver-

mindering van schade door aanva-

ringen leidt van f. 10 mln.;

een besparing van f. 110 mln, op

de (bedrijfseconomische!) transport-

kosten, die mogelijk wordt door de

introductie van duwvaart.

De baten hebben dus een gezamen-

lijke (contante) waarde van f. 165

mln., waartegenover, zoals gezegd,

f.
475
mln, aan kosten staan (exclu-

sief bouwrente). Aangenomen dat

deze kosten-baten-analyse juist is, zou

het project een verlies opleveren van

f. 310 mln. De nota wijst echter op

het niet in geld uit te drukken voor-

deel van de spreiding van havenacti-

viteiten over ons land. Vrij vertaald:

de Amsterdamse haven mag niet te

ver achterblijven bij die van Rotter-

dam. Terecht wordt door Rijkswater-

staat in dè nota geen oordeel gegeven

over de wenselijkheid van de uitbrei-

ding. De afweging van dit ,,niet in

geld uit te drukken voordeel” tegen

de f. 310 mln, is een politiek vraag-

stuk.

Over de vergroting was evenwel

reeds in 1963 beslist door de toen-

malige Minister van Verkeer en Wa-

terstaat. De uitvoering van de wer-
ken zal echter pas nu goed op gang

komen (in
175
zal de verbreding

een feit moeten zijn, als de Schelde-

Rijnverbinding ook klaar komt!).

Onderwerp van politieke discussie is

het project nauwelijks geweest.

Toch is er een tweetal punten, die

in ieder geval nadere overweging

hadden verdiend:

In de eerste plaats
de vraag of de

kanaalverbreding wel zinvol is, gezien

de mogelijke en wenselijke toekom-

stige ontwikkeling van de Amster

damse haven. De snelle ontwikkeling

van zeehavens elders in ons land

(Scheldebekken, Eemsgebied) en in

andere Westeuropese landen beperkt

de mogelijkheden voor Amsterdam.

Er wordt nog steeds gestudeerd op

de vraag 6f en zo ja in welke richting

het Noordzeekanaalgebied verder

ontwikkeld moet worden. In dit op-

zicht is het Amsterdam-Rijnkanaal-

project dus wat voorbarig en het is de

vraag of de rijksoverheid de door Am-

sterdam uitgeoefende pressie niet al

te lichtvaardig heeft gehonoreerd.

Weliswaar draagt de gemeente Am-

sterdam het gebruikelijke derde deel

van de kosten (wat de begrotings-

tekorten en daarmee het beroep op

de algemene middelen van deze ge-

meente ongetwijfeld zal doen toe-

nemen), maar dit is nog maar de

helft van de ruim f. 300 mln. die in

haar belang worden besteed.

Zelfs als het wenselijk is de groei

van de Amsterdamse haven te bevor-

500

deren, dan nog moet men zich af-

vragen of deze kanaalverruiming

daartoe het aangewezen middel is.

Rijkswaterstaat wijst in de nota op

andere belangrijke factoren die bepa-

lend zijn voor de ontwikkeling, zoals

de energievoorziening, de arbeids-

markt, het industrieel klimaat enz.

De verbinding met de open zee lijkt

een ernstiger knelpunt te zijn dan de

verbinding met het achterland. De

heer Van Dam meent dan ook dat

men met de verbetering van het Am-

sterdam-Rijnkanaal met de achter-

deur begonnen is.

De Amsterdamse haven vertoont

reeds nu een aanzienlijke overcapaçi-

teit. De kans is groot dat ook het

verruimde Amsterdam-Rijnkanaal een

behoorlijke overcapaciteit zal gaan

vertonen, omdat een deel van de be-

staande scheepvaart op dit kanaal

gebruik.zal gaan maken van de Ijs-

sel, die als gevolg van de Rijnkanali-

satie een grotere capaciteit gekregen

heeft. Verder zijn er aanwijzingen

dat het ertsvervoer (vooral duwvaart)

zich meer en meer op Europoort zal

gaan richten.

in de tweede plaats
wordt door deze

kosten-baten-analyse het belang be-

nadrukt van de toerekening van de

kôsten van de weg aan de gebruikers.

De gekwantificeerde voordelen van

de vergroting van het kanaal vallen

in eerste instantie toe aan de binnen-

schippers. Wat ze voor deze voor

delen over zouden hebben is niet be-

kend (in elk geval
.niet
de totale kos-

ten van de kanaalverbreding); het is

maar de vraag 6f ze er iets voor over

hebben. In ons land is het vaarwegen-

beleid te karakteriseren met ,,aan-

passen van het kanaal aan het boot-

je”. Daar grotere schepen bedrijfs-

economisch meer renderen, neemt de

gemiddelde scheepsgrootte toe. Brug-

gen, sluizen en kanalen worden dan

aangepast. Men kan zich voorstellen
dat de mening gaat postvatten dat in
navolging van het Amsterdam-Rijn-

kanaal ook andere kanalen geschikt

moeten worden gemaakt voor de duw-

vaart; een capaciteit als van Rijn en

Maas is dan het uiteindelijke ideaal.

Enkele onbelangrijke uitzonderin-

gen daargelaten zijn de waterwegen

van ons land tolvrij, als uitvloeisel

van internationale verdragen (akte

van Mannheim). Bij de bepaling van

de optimale scheepsgrootte wordt

daarom geen rekening gehouden met

de kosten van de infrastructuur. Bij

beslissingen over investeringen in

scheepvaartwegen geeft de informatie

over de feitelijke gemiddelde scheeps-

grootte çn verkeersdichtheid een on-

juist beeld. Pas bij een systeem van

gebruiksheffingen (bes temmin gshef-
fingen!), waardoor benaderd zou kun-

nen worden wat de gebruikers voor

de voorziening over hebben, zal een

zekere harmonie kunnen ontstaan

tussen de omvang van de kanalen, de

grootte van de schepen en de dicht-

heid van het verkeer.

Drs. H. M. van de Kar

VI

B
ID

I

VERENIGDE BEDRIJVEN BREDERO NV

Binnen de
N.V. Maatschappij voor Projektont-
wikkeling ,,EMPEO”
is de
afdeling “onderzoek”
belast met het wetenschappelijke onderzoek
naar de waarschijnlijkheid, de mogelijkheid en
eventuele onmogelijkheid van concrete stede-
lijke en regionale (planologische) ontwikke-
lingen.

Dit onderzoek levert onder meer de grondslagen
voor de te realiseren ontwikkelingsprojekten.

Voor dit interessante en dynamische werk vragen wij een academisch gevormd

onderzoeker

De gevolgde studierichting is minder belangrijk
dan:

• een fundamenteel wetenschappelijke
interesse,
• de bereidheid om in een multi-disciplinair
team mee te werken en
• de belangstelling voor de technische en de
financiële aspecten van de totale problematiek.

Gegadigden wordt verzocht hun sollicitaties te
richten tot de Personnel Manager van de
Verenigde Bedrijven Bredero N.V.

NIEUWE GRACHT 6 -‘UTRECHT – TELEFOON 030-335633

ESB 26-5-1971

.

501

Europa-

bladwijzer.
JO

De gebeurtenissen van de afgelopen

weken hebben opnieuw een voorbeeld

gegeven van het springprocessie-karak-

ter van het Europese integratieproces.

Op 26 en 27 april waren de ministers

van Financiën van de Zes in Hamburg

bijeen op een van die sinds lang traditie

geworden bijeenkomsten, waarop zij –

buiten het institutionele kader van de

Gemeenschappen – financiële, econo-

mische en fiscale problemen van de

EG plegen te bespreken en waar zij ter

uitvoering van de resolutie van de Raad

van. 8 maart een aantal ,,besluiten”

hebben genomen in verband niet dc

eerste fase van het programma voor de

economische en monetaire unie. Zij be-

vestigden, in aanwezigheid van de

presidenten van de centrale banken,

zelfs de datum van 15 juni voor het

verminderen van de fluctuatiemarges

tussen de valuta’s van de Lid-staten

van 0,75 tot 0,60%. Zij bereidden zich

reeds voor op de zitting die de Raad

van de Gemeenschappen op 14 juni
aan de vraagstukken van de econo-

mische en monetaire unie zou gaan

wijden. Ook spraken zij wel over het

dollarprobleem, maar op dat punt bleek

weinig overeenstemming te bestaan;

men dacht nog wel enige tijd te hebben:

de discussie zou op 10 mei in Brussel

worden voortgezet.

De situatie was kennelijk onderschat:

op 8 mei was hetzelfde gezelschap, met

andere ministers, in de Raad bijeen om

besluiten te nemen die nog geen twee

weken tevoren niet konden worden

voorzien. Pessimisten verbonden daar-

aan reeds vérgaande conclusies voor de

verdere ontwikkeling van de Gemeen-

schap. Maar nog geen twee dagen later

bleek het – tegen de verwachting die

de meeste commentatoren nog om-
streeks 1 mei uitspraken – mogelijk

een andere brandende kwestie een flink

stuk dichterbij een oplossing tebrengen:

de onmacht van de Zes om voor de

toetredingsproblemen constructieve

voorstellen te formuleren schijnt over-

wonnen te zijn en vrijwel alle hoofd-

rolspelers op het Brusselse Toneel laten

zich optimistisch over de op handen

zijnde toetreding uit…. Volgens de

pers zou Minister-President De Jong

zelfs hebben gezegd dat het Verenigd

Koninkrijk op 1juli a.s. tot de Gemeen-

schap zal toetreden!

Zover zijn we nog niet. Ook al zouden

niet de Britse delegatie de hoofd-

problemen vÔôr de zomervakantie ge-

regeldkunnen zijn, met de andere kan-
didaten, in het bijzonder met de Noren,

zal nog een aantal boontjes gedopt

moet worden voordat het toetredings-

verdrag getekend kan worden. Hopelijk

zullen de technische problemen, die de

formulering van dat verdrag oplevert,

tijdig genoeg opgelost zijn om de onder-

tekening voor het einde van het jaar te

laten plaatsvinden.

De valuta-crisis

Het is inderdaad niet moeilijk aan de

wijze, waarop de Zes het hoofd hebben

geboden aan de problemen waarvoor,

de toevloed van dollars naar Europa

hun gesteld heeft, pessimistische com-

mentaren te verbinden: zij hebben de

samenhang van het valutasysteem tijde-

lijk doorbroken; het landbouwbèleid is

eens te meer op de tocht komen te

staan, de gemeenschappelijke markt

voor landbouwproduktie is belemmerd;

van de vermindering van de valuta-

marges tussen de Zes komt voorlopig

niets.

Wij willen ons hier niet wagen aan

een beoordeling van het Duitse stand-

punt dat een tijdelijke toepassing van
zwevende koersen noodzakelijk was;

niet alleen de regeringen, ook de gë-

leerden zijn het daar kennelijk niet

over eens. Wij willen er wél op wijzen

dat de procedure, volgens welke de Lid-

staten een oplossing voor de acute

problemen hebben nagestreefd, uit

communautair oogpunt een grote voor-
uitgang vertoont in vergelijking met de

procedure die in 1969 is gevolgd
1•

Toen nam de Bondsregering unilateraal

het besluit de koers van de Duitse

mark vrij te geven en nam het, met een

beroep op art. 109 en art. 115 van het

EEG-verdrag, zelf de eerste maat-

regelen om haar boeren te beschermen.

Nti is aan de besluiten van de regeringen

in Bonn en Den Haag, om hun valuta

zwevend te maken, een uitvoerige raad-

pleging in het kader van het Monetair

Comité en van de Raad voorafgegaan;

voor het eerst is ernst gemaakt met de

regel van art. 107 van het EEG-verdrag,

volgens welke iedere Lid-staat zijn

wisselkoerspolitiek als een aangelegen-

heid van gemeenschappelijk belang

dient te behandelen. Datis winst.

Winst is ook dat de Raad in staat is

gebleken zelf bij wege van verordening

de gevolgen van de toepassing van de

zwevende koersén voor de gemeen-

schappelijke landbouwmarkt te rege-

len
2
Deze verordening is gebaseerd op
art. 103 van het Verdrag, dat de moge-

lijkheid opent conjunctuurpolitieke

maatregelen te treffen; zij is bedoeld
om ontwrichting van het interventie-

systeem, waarin de gemeenschappelijke

marktorganisaties voorzien, te voor-

komen en abnormale prijsbewegingen,

welke een gevaar betekenen voor de

normale conjuncturèle ontwikkeling op

landbouwgebied, te beperken.. Zij voor-

ziet in de toepassing van compenserende

bedragen, gelijk aan de bedragen die

worden verkregen door op de prijzen

een percentage toe te passen dat over

eenkomt met het verschil tussen de

officiële pariteit van de munteenheid

van de betrokken Lid-staat en het

rekenkundïge gemiddelde van de ge-

durende een bepaalde periode geno-

teerde contante wisselkoersen van die

munteenheïd ten opzichte van de Ame-

rikaanse dollar. Wanneer dat verschil

echter niet hoger is dan 24% vindt geen

compensatie plaats.

Dit percentage is niet zonder moei-

lijkheden tot stand gekomen. Van

Duitse zijde werd aanvankelijk 1,5%

gevraagd, maar daarmee zou men zeker

te ver zijn gegaan, gegeven het feit dat

ook
bij
niet-zwevende koersen een

fluctuatie tegenover de dollar in het

onderlinge handelsverkeer tussen de Zes

reeds een verschil van meer dan 1,5%

kan opleveren
3
. De verordening zal

niet meer van toepassing zijn, zodra

alle betrokken Lid-staten de regels be-

treffende de marges, waarbinnen de

officiële wisselkoersen van de officiële

pariteit mogen afwijken, weer in acht

nemen. Een poging om de maatregelen

aan een tijdlïmiet te binden is opge-

1
De gebeurtenissen in het najaar van
1969 zijn uitvoerig beschreven in het

,Bulletin van de Europese Gemeenschap-

pen”, oktober 1969, blz. 41 e.v. en in

Doc. 165 van het Europese Parlement

(Zitting 1969-1970).
2
V°, nr. 974171, P.B. 1971, L 10611:

Zie de gegevens, door de Commissie

verstrekt in antwoord op vragen van de

heer Ode. P.B. 1971, C 4618 cv.

502

Het volgende staatje geeft daarvan een indruk:

Suiker als
%
van de
totale exporters

Brits Honduras

50
Fiji
……………..
70
Mauritius

95
Swaziland

24

Suiker naar Verenigd

Arbeidsplaatsen in suiker-
Koninkrijk als
%
van

teelt in
%
totale de totale exporten

werkgelegenheid

21

28
(
4.500 personen)
35

30 (29.000
71

40 (90.000
16

22(11.500

West-tndies:
Barbados
91


20 (31.800
Guyana
33
11(21.000
Jamaica
23
69

10 (46.500
St. Kitts
92
58
(
5.000
Trinidad

…………

5
12 (23.600

geven, waartegenover de Bonds-

republiek haar verzet tegen de grens

van
2,5%
heeft laten varen.

De discussie op 8 en 9 mei leverde

tenslotte nog twee verklaringen van de

Raad op. De ene is dat duidelijk is uit-

gesproken, dat onder normale om-

standigheden een systeem van zwevende

koersen binnen de Gemeenschap on-

verenigbaar is met het goed functio-

neren van de gemeenschappelijke

markt. De andere is opmerkelijker: de

Raad stelt daarin vast dat de huidige

situatie en de vooruitzichten voor de
ontwikkeling van de betalingsbalans

van de Lid-staten een wijziging van de

valutaverhoudingen niet rechtvaardigen.

Laten we hopen dat de maatregelen,

die men overeengekomen is te treffen

om het toevloeien van excessieve hoe-

veelheden kapitaal te ontmoedigen en

het effect van die toevloeiïng op de

interne monetaire situatie te neutrali-

seren, tijdig genoeg tot stand zullen

komen om die verklaring te handhaven.

De toetredingsonderhandelingen

Heeft de valutacrisis invloed gehad op

de besprekingen over het probleem van

de Engelse toetreding? Het is wel be-

weerd, maar daartegenover staat het

feit dat de eerste tekenen van een ver

soepeling van de Franse houding reeds

voor het uitbreken van die crisis waar-
genomen konden worden. Hoe dat ook

zij – misschien heeft de ontmoeting

Pompidou-Heath op het ogenblik waar-

op deze kroniek verschijnt daar meer

licht op geworpen – een feit is dat de

onderhandelingspartners in de afge-

lopen weken enige van de belangrijkste

problemen aanzienlijk dichter bij een
oplossing hebben gebracht. Dat geldt

in de eerste plaats voor de overgangs-

periode voor de landbouw, voorts voor

het suikerprobleem en tenslotte voor
de financiële bijdrage van de nieuwe

leden.

1. Wat de landbouw in het algemeen

betreft, is men tot overeenstemming ge-

komen over de modaliteiten volgens

welke gedurende de overgangsperiode

van vijf jaar – dezelfde als voor in-

dustrieprodukten – in zes etappes de

prijsaanpassing in Engeland zal plaats-

vinden: met ingang van de landbouw-

campagne 1973 zal een eerste aan-

passing worden gerealiseerd, en zo ver-

volgens. De laatste aanpassing zal ge-

schieden op 31 december 1977; in dat

landbouwjaar wordt het Verenigd

Koninkrijk dus met twee aanpassingen

geconfronteerd. Gedurende die over-

gangsperiode zal tussen de Zes en

Engeland een zelfde intra-communau-
tair heffingssysteem worden toegepast

als we tussen de Zes van 1962-1967

hebben gekend. Om aan eventuele

excessieve importen het hoofd te

kunnen bieden, zal Engeland ook ge-

bruik kunnen maken van een vrij-

waringsclausule, zoals de eerste markt-

ordeningsregelingen tussen de Zes be-

vatten: unilaterale actie met repressief

toezicht van de Commissie. Voor de

groenten- en fruitsector en voor bloemen

en planten zullen de tariefsverlagingen

pas op 1 januari 1974 behoeven in te

gaan; die eerste verlaging zal niet voor

alle produkten gelijk behoeven te zijn,

maar wel gemiddeld 20% moeten be-

dragen. Uiteraard is het voorgaande

niet het laatste woord voor de zuiver-

sector – het Nieuwzeelandse vraag-

stuk staat nog open – en ook niet

voor de suiker, waarbij vooral de met

het Verenigd Koninkrijk verbonden

Commonwealth-landen in het Carai-

bische gebied en in de Indische en Stille

Oceaan zo groot belang hebben.

2. De Gemenebest Suiker Overeen-

komst (GSO) garandeert hun een afzet

van 1,7 mln. ton, ongeveer drie vijfde

deel van de Engelse suikerbehoefte.

Engeland zelf levert één derde (900.000

ton). Het suikeroverschot in de

Gemeenschap is zo groot dat zij ge-

makkelijk meer dan de helft van de

suikerleveranties uit de Commonwealth-

ontwikkelingslanden zou kunnen over-
nemen. Voor sommige daarvan zou dat

desastreus kunnen zijn
4
.
Welke garan-

ties zou men hun kunnen geven voor

de periode nadat de GSO afgelopen is

(31 december 1974)? Terwijl van Engelse

kant steeds op kwantitatieve garanties

was aangedrongen, had Frankrijk die

steeds geweigerd. Ze zijn ook nu niet

gegeven. De Gemeenschap heeft de

situatie echter wél vergemâkkelijkt

door ook met de genoemde gebieden

associatie- of andere overeenkomsten

in het vooruitzicht te stellen en boven-

dien te verklaren, dat de vergrote Ge-

meenschap bij het sluiten van die over-

eenkomsten – wat zal samenvallen

met de vernieuwing van de Yaoende-

overeenkomst die in 1975 afloopt –

,,aura â coeur” de belangen van al die

landen veilig te stellen, waarvan de

economie voor een groot deel afhanke-

lijk is van de export van grondstoffen,

in het bijzonder de suiker. Deze plech-

tige formule is door de heer Rippon

ad referendum aanvaard. Hij had eerst
nog op ,,bankable assurances” aange-

drongen, maar hij was bereid op zich

te nemen, de betrokken landen duidelijk

te maken dat deze plechtige verklaring

hun belangen veilig te stellen voldoende

zou moeten zijn. Wellicht heeft hij

daarbij ook overwogen dat Frankrijk

met deze formule tezijnertijd wel ernst

zar moeten maken, wil het niet de be-

langen van bepaalde Franssprekende

Afrikaanse landen in de waagschaal

stellen. Inderdaad slaat de formule niet

alleen op de suiker, en ook niet alleen

op de Engelssprekende landen voor wie

de weg naar associatie thans is geopend!

3. Ook het probleem van de bijdragen

aan de Gemeenschapsfinanciën is in

deze onderhandelingsronde dichter bij

een oplossing gekomen. Teneinde los te

komen van het getwist over cijfers die

voorshands zeer ver uiteen lagen, is

van Franse zijde voorgesteld eerst de
methode te bepalen die voor de vast-

stelling van de bijdrage van Engeland

(en ook de andere toetredingskandida-

ten) zal gelden. Dat voorstel – waarbij

Frankrijk de concessie deed dat ook

nog een uitloop mogelijk zou zijn na

de overgangsperiode van vijf jaar –

heeft succes gehad. Het komt erop neer

dat de bijdragen van nieuwe leden aan-

stonds – volgens dezelfde regels als

de Zes – bepaald zullen worden, maar
dat op die bijdragen een nader te be-

ESB 26-5-197 1

563

palen korting zal worden toegepast;

het tekort dat daardoor ontstaat zal

door de Zes naar rato van hun bij-

dragen worden gedragen. Als ten ge-

volge van de toepassing van die regels

de Engelse (of andere) bijdrage voor

1978, vergeleken met 1977 een te grote

sprong zou maken, zal ook daarna nog

een correctief toegepast kunnen worden.

Wat tenslotte de uitkomst van deze for-

mule zal zijn, hangt zowel af van de

korting voor het eerste jaar, als van de

ontwikkeling van het handelsverkeer

in de loop der jaren. Stel dat Engeland

na korting in 1973 8% zou bijdragen

en dat dit deel elk jaar niet drie punten

verhoogd zou worden, dan zou men

in 1977 op 20% zijn aangeland. Indien

dan zou blijken dat Engeland in 1978

– bij volledig normale toepassing van

de regels – 27% zou moeten bijdragen,
dan zou voor 1978 zeker nog een kor-

ting van drie punten moeten worden

toegepast. Waar het nu verder over zal

gaan, is de initiële korting en de jaar

lijkse vermindering daarvan: een mooi

object van handje-plak in de bijeen-

komsten, die nog voor de zomer-

vakantie gehouden zullen worden.

Maar voordien hebben de heren Pom-

pidou en Heath elkaar reeds ontmoet.

Men mag verwachten dat zij het opti-

niisme dat de toetreding een feit zal

worden niet zullen verstoren, maar het

zou verwonderlijk zijn als ze de publieke

opinie toch nog niet een of andere ver-

rassing zouden bezorgen!

Europa-instituut Leiden

Het bestuur van de stichtingen Bouwcentrum/Ratiobouw
maakt bekend dat, in verbad met de komende pensionering
van’ de president-directeur, een oriëntatie plaats heeft
naar de toekomstige leiding van de stichtingen en de
daarmee verbonden instellingen.

De instellingen vormen samen één instituut, dat in en
buiten Nederland het tot stand komen van een betere
gebouwde omgeving stimuleert door onderzoek, advisering
en kennisoverdracht.

Het instituut zal in de nieuwe structuur bestuurd worden
door een college van drié directeuren. Naast een algemeen
directeur zal dit college bestaan uit:

een directeur voor onderzoek
een directeur voor kennis-

overdracht

Het bestuur wil zich voor de bezetting van de laatste twee
funkties
zo
breed mogelijk oriënteren en bij zijn over-
wegingen ook kandidaten betrekken, die niet aan het
instituut zijn verbonden.

Van de directeur voor Onderzoek wordt verwacht dat hij
met name leiding geeft aan het toegepast wetenschappelijk
onderzoek en de advisering in het gehele veld van bouwen
en wonen. Voor de directeur voor Kennisoverdracht zal
het accent liggen
op
het leidinggeven aan de activiteiten
op
het gebied van voorlichten, tentoonstellen, publiceren
en opleiden.

Zij die belangstelling hebben voor één der beide funkties, dan wel des-
gewenst vertrouwelijk nadere inlichtingen willen ontvangen, worden
uitgenodigd zich te wenden tot dr. ir
. M.G. Ydo, Keizersgracht 407
te Amsterdam.

bouwcentrum/ratiohouw

504

Maatschappij –

spiegel

De moeilijke overgangsjaren

Enkele weken geleden schreef Haveman

voor dit blad een interessante en nuch-

tere bijdrage over de veranderingen die

na de oorlog in onze arbeidsverhoudin-

gen zijn opgetreden
1
. Daarmee zette
hij de discussie voort, die is ontstaan

n.a.v. mijn artikel over de overgangs-

jaren van de Nederlandse arbeids-

verhoudingen
2
Eerder leverde Prof.

van Esveld daaraan een bijdrage
3.

Zonder nCz al uitvoerig op deze

materie terug te komen, geloof ik te

mogen zeggen dat Haveman in essentie

mijn analyse bevestigt. Op verschil-

lende plaatsen draagt hij voor mijn op-

vattingen aanvullend materiaal aan.

Ik onderschrijf dan ook geheel zijn op-

vatting dat Nederland – gezien de

betekenis en omvang van het indus-

triële apparaat – op weg is naar indus-

triële arbeidsverhoudingen. Daarin past

niet meer het uit de integratieperiode

stammende arsenaal van middelen, die

toen adequaat waren om de arbeids-

verhoudingen te regelen. Het corpora-

tistische apparaat – wellicht passend

in een meer ambachtelijk-agrarische

structuur – heeft afgedaan. We zullen
er aan moeten wennen dat de partijen

in het arbeidspolitieke spel zich onaf-

hankelijk tegenover elkaar opstellen.
Dus – met een variatie op Haveman
– niet als partners, maar als opponen-
ten. Dat heeft niets te maken met on-
verantwoordelijkheid, die dan vooral

wordt.toegeschreven aan de vakbonds-

leiding.
Hij
wijst er terecht op dat de

huidige vakbondsleiders duidelijker ver-

antwoording moeten afleggen tegen-

over hun achterban. Wie het meer ex-

pressieve gedrag dat de vakbonds-

leiders de laatste jaren vertonen houdt

voor onverantwoordelijk gedrag, heeft

inderdaad geen zicht op de veranderin-

gen die zich in het sociaal-politieke

klimaat voltrekken.

De periode die verstreken is na het

loondebat heeft het nodige materiaal

opgeleverd voor de toetsing’ van het

realiteitsgehalte van mijn eerder onder-

nomen analyse. Daarin verdedigde ik

o.a. de stelling, dat het steeds slechter

functioneren van de SER als een be-
langrijke indicatie beschouwd moest

worden voor de structurele veranderin-

gen die de arbeidsverhoudingen

(,,industrial relations”) doormaken. De

SER is een instrument van het inte-

gratiemodel; met dié integratie is het

gebeurd, wat op zijn minst – zoals

Havenman ook opmerkt – een andere

rol van de SER impliceert. ik zie in de

toekomst geen rol voor de SER weg-
gelegd. Wel voor een overlegorgaan,

waarvoor bepaald een andere benaming

dan SER op zijn plaats is.

Enfin, de laatste maanden hebben

fraai bewijsmateriaal geleverd voor

mijn stelling dat de SER niet meer past

in de structuur van de huidige en zich

ontwikkelende arbeidsverhoudingen. De

SER is van samenwerkingsorgaan tot

onderhandelingsorgaan geworden. En

als onderhandel i ngsorgaan – waarvoor

het niet is opgezet – werkt het –

zeker in deze fase – al evenmin, omdat
de onderhandelingen steeds meer wor-

den gedecentraliseerd. Het zat er dan

ook al op voorhand in dat de SER

nooit tot een min of meer eenstemmig

advies zou kunnen komen over het

toekomstige loon- en prijsbeleid
5
. Het

falen van de SER als belangrijkste

adviesorgaan voor de regering spreekt

des te duidelijker nu we in een econo-

mische situatie zijn gekomen, die door

alle partijen – de een wat meer, de
ander wat minder – als vrij ernstig

wordt gekwalificeerd. Zo’n situatie

werkt nI. in de regel sterk integrerend.

Het overleg in SER-verband krijgt

steeds minder zin. Er wordt een soort

schimmenspel opgevoerd, dat aan het

orgaan nog slechts een pseudo-effec-

tiviteit en dito legitimiteit geeft. Het is

jammer dat de partners nog niet tot het

inzicht zijn gekomen dat de SER zijn

langste tijd heeft gehad. Maar zelfs als

de
feitelijke
functie van de SER nu op

het vlak van de onderhandelingen ligt,

kunnen kroonleden en werkgevers niet

verwachten dat de vakbeweging mee

zal werken aan çen eenstemmig advies.

Met de loonmaatregel hebben regering

en werkgevers – ondanks de niet ge-

ringe toezegging van de vakbeweging

dat de looneisen moesten achterblijven

bij de produktiviteitsstijging – hun

wantrouwen uitgesproken in de vak-

beweging. Zij hebben de vakbonds-

vertegenwoordigers een brevet van on-

vermogen uitgereikt, nl. door niet te

geloven in de bereidheid tot en moge-

lijkheid van matiging. Het is dan wat

onnozel om te verwachten dat de vak-

beweging – door mee te werken aan

een gemeenschappelijk SER-advies –

enkele maanden na de traumatische

ervaring van de loonmaatregel wel be-

reid zou zijn haar vertrouwen in de

werkgevers en regering uit te spreken.

Zelfs een uiterst rustige vakbeweging

als de Nederlandse krijg je niet zo ver.
Inmiddels heeft ook de bouwstaking

aangetoond hoe dom het is wettelijke

maatregelen af te kondigen in een

klimaat waar partijen -. zij het moei-

zaam – bezig zijn aan de vrije loon-
politiek verder gestalte te geven. Tn

deze sfeer van wantrouwen – met

werkgevers die vôér het loondebat

haastig op de schoot van de regering

klommen
(bij
een goed regeringsbeleid

zouden zij snel zijn teruggeduwd) –

lopen wettelijke maatregelen stuk op

de harde werkelijkheid. De grenzen

van de goevernementele beheersing zijn

gauw bereikt wanneer beleidsmaat-
regelen niet de steun hebben van de

partijen – in dit geval met name de

werknemers – die de maatregelen in

praktijk moeten brengen. Het af-

kondigen van maatregelen is niet zo

moeilijk, wel kennelijk het taxeren van

het nuttige effect ervan. Een monument

van onbegrip werd onlangs opge-

trokken door de demissionaire minister-

president, de heer P. de Jong, die op

een vraag van een radio-verslaggever

over wat de regering denkt te doen aan

de bouwstaking zei: ,,Niets, want we

hebben toch de vrije loonpolitiek”. Een

aardige faillietverklaring van het eigen

loonbeleid (Loonwet, loonmaatregel),

zou men zo zeggen. Dat heet tegen-

woordig: een goed beleid met een wat

zwakke presentatie.

Het begint zo langzamerhand aan

velen duidelijk te worden dat de toe-

komstige regering, waaraan op het

moment van schrijven van deze Maat-

schappijspiegel door Prof. Steenkamp

wordt gewerkt, als een haas de anti-

vakbondsmaatregelen moet intrekken.

Dit is een absolute voorwaarde voor

1
R. P. Have,nan: Overgang naar indus-

triële arbeidsverhoudingen, in ,,ESB”,

12 mei 1971, blz. 440-443.
2
De o vergangsjaren van de Nederlandse

arbeidsverhoudingen, in ,, ESB”, 13

januari 1971, blz. 28-36.

Zie zijn: Cyclus der arbeidsverhoudin-
gen, en mijn reactie: Korte versus lange

cyclus?, in ,,ESB”, 17 februari 1971,

blz. 144-1 48.

A.v., blz. 441.

Over het mislukken, zie: , ,J-Jandels-

blad/NRC”, 21 mei 1971.

ESB 26-5-197 1

505

het voeren van een doeltreffend sociaal-

economisch beleid. Een toekorfistig be-

leid zal dienen uit te gaan van de Vrije

loonpolitiek. Het wordt tijd dat alle
partijen gaan inzien dat daarbij een

ander organisationeel-institutioneel in-

strumentariuni behoort dan waarover

wij nu beschikken. De erosie van de

oude instrumenten is mi. zo ver voort-

geschreden, dat bij handhaving ervan

verwachtingen in stand worden ge-

houden die niet passen in structuren

van overleg en onderhandeling die bij

de vrije loonpolitiek behoren. De er-

kenning van déze noodzaak is een eerste

stap op weg naar een duidelijker

sociaal-economisch en politiek Neder-

land.

Bram Peper

P. A. Moerman: Methodical tactical

planning.
Tilburg University Press,

1971, 178 blz., f. 49,40.

Het probleem dat in dit boek –

van origine een Tilburgse dissertatie

– wordt behandeld, is hoe binnen

het gegeven raam van de strategie

planning een evenwicht tussen com-
merciële planning en produktieplan-

ning kan worden bereikt zodat meer

optimale beleidsbeslissingen mogelijk

zijn.

Drs. J. J. J. van de Venne: Regene-

ratie van de oude stad.
VUGA-Boe-

kerij, ‘s-Gravenhage 1971, 3.22 blz,

f. 38.

Dit boek vormt de neerslag van

colleges, die de auteur heeft gegeven

voor het Instituut voor praeventieve

geneeskunde. Het beschrijft de doel-

einden, grondslagen en effecten van

de regeneratie van binnensteden,

woonwijken en woonbuurten. Tevens

worden de fasen van voorbereiding

en uitvoering van dit veelal ingrij-

pende proces belicht. Als fundamen-

tele opgave voor de regeneratie-acti-

viteit wordt gesteld het oplossen van

de in bebouwde gebieden optredende

spanningen tussen oude structuren en

vormen enerzijds en nieuwe inhouden

anderzijds. De toenemende vraag

HAVEN, BEDRIJVEN EN ECONOMISCHE ZAKEN

Bij de secretarieafdeling Haven, Bedrijven en Economische Zaken wordt ingesteld een bureau
Economische Ontwikkeling.

Voor dit bureau worden gevraagd twee jonge

economen

Taak: Het als stafmedewerker maken van studies ter voorbereiding van beleidsbeslissingen met
betrekking tot de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in de gemeente.
De werkzaamheden zullen met een grote mate van zelfstandigheidonder supervisie van een ervaren
part-time deskundige worden verricht.

Vereist: Doctoraal examen economische wetenschappen met keuzevak of belangstelling voor de
regionale economie.
Goede schriftelijke en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid.
Ook
zij
die binnenkort het doctoraal examen afleggen kunnen reflecteren.
Het salaris zal in overeenstemming zijn met de belangrijkheid van deze interessante en afwisselende
functie.

Er zijn
goede secundaire arbeidsvoorwaarden.

Een psychologisch onderzoek behoort tot de selectieprocedure.

Sollicitaties binnen 14 dagen onder no. 424/0936 ongefrankeerd te zenden aan: chef Bureau
Personeelvoorziening, antwoordnummer 363, Stadhuis, Rotterdam.

9
0
DIA
‘EER
1,1
z

506

naar ruimte en het beperkte aanbod

ervan vormt een tweede fundamen-

teel probleem. Hoofddoel van deze

opgave is de omvorming van binnen-

stad, w onwijk of woonbuurt tot een

doelmatige actieruimte, die tegelijk

een harmonische, expressieve ruimte

moet zijn. Uitvoerige aandacht wordt

ook besteed aan de besluitvormings-

processen bij het regeneratieproces en

aan de samenhang tussen sanering

enerzijds en samenlevingsopbouw en
maatschappelijke dienstverlening an-

derzijds. Inverband met de proble-

matiek van de ,,achterblijvers”, die

bij de regeneratie van de oude stad zo
dikwijls meespeelt, is in een appendix

een overzicht gegeven van de histo-
rische ontwikkeling van de begelei-

ding van ,,achterblijvers” in Maas-

tricht.. Een aantal schema’s en teke-

ningen illustreert op vele plaatsen de

tekst.

G. J. Bos: A logistic approach to

the demand for private cars.
Tilburg

University Press, 1970, 165 blz.,

f.
35.

De schrijver van dit boek berekent

met behulp van een logitische groei-

functie het verzadigingspunt voor de

vraag naar personenauto’s. Alle be-

rekeningen lopen tot 1994, het jaar

waarin het verzadigingsniveau van
45

auto’s per 100 inwoners zal zijn be-

reikt.

N. Weddepohl: Axiomatic choice

models and duality.
Rotterdam Uni-

versity Press/Wolters-Noordhoff Pu-

blishing, 1970, 172 blz., f.
35.
Inhoud:

1. Introduction

II. Mathematical concepts for

choice theory

111. Choice models

Mathematics for consumer

choice theory

A consumer preference model

A demand function model

Dr. A. Heertje: Eenvoudige economi-

sche modellen.
Stenfert Kroese, Lei-

den 1971,58
blz.,
f.5.

In dit boekje wordt de betekenis

van het werken met modellen voor

wetenschap,’ praktijk en onderwijs

aangegeven. Een concrete doelgroep

die schrijver volgens het voorwoord

voor ogen heeft gehad, wordt ge-

vormd door alle leerlingen van het

VWO die niet Atheneum-a hebben

gekozen en toch overwegen Econo-

mische Wetenschappen 1 als keuze-

vak in hun eindexamenpakket op te

nemen. Het boekje is daarom zo ge-

schreven dat een VWO-leerling van

ongeveer zestien jaar het zelf kan

lezen.
9

UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM

De Financieel-Economische Dienst zoekt ten

behoeve van zijn afdeling Bedrijfsecono-

mische zaken een academisch gevormd

BEDRIJFSECONOOM of

BEDRIJFSINGENIEUR

om ten dienste van de bestuurlijke instanties

criteria voor het economisch beleid te ont-

wikkelen.

In het bijzonder zal zijn medewerking ge-

vraagd worden bij

• de vaststelling van bestuurlijke informatie-

behoefte;

o ontwikkeling van

begrotingsmaatstaven

voor de behoefte van personeel, ruimte en

apparatuur;

o de ontwikkeling van program-butgetting;

• kostprijsberekening en kosten-baten-

analyses.

Kennis van operations-research en statistische

analyse strekt tot aanbeveling.

Leeftijd niet boven 35 jaar.

Sollicitaties te richten aan het Hoofd van de

Dienst Personeelszaken, Spui 21, Amsterdam,

onder vermelding van no. P. 162.

ESB 26-5-1971

507

Economisch Instituut voor het Mid-

den- en Kleinbedrijf: Marketing, dis-
fributie, ambacht en consument in de

literatuur.
‘s-Gravenhage, december

1970, 75 blz., f. 7,50.

Het gaat hier om het supplement

1970 op de bibliografie: ,,Distributie,

ambacht en consument in de litera-

tuur”, uitgave 1969. In dit suppie-

ment is plaats ingeruimd voor mar-

keting-literatuur. De samenstelling ge-

schiedde door Mr. D. C. Bogers.

Drs. G. G. M. Bak: De winst als

bron van informatie.
Agon Elsevier,

Amsterdam/Brussel 1971, 29 blz.,

f. 2,90.

Rede, uitgesproken bij de aanvaar-
ding van het ambt van buitengewoon

lector aan de Universiteit van Am-

sterdam op dinsdag 16 maart 1971.

Prof. Dr. H. B. G. Casimir en Prof.

Dr. J. H. P. Paelinck: De uitdaging

voor dc komende
25 jaar. Geschrift

no.
5
van de Orde Nederlands Insti-

tuut van Registeraccountants. Amster

dam (z.j.), 44 blz.

Inhoud van dit NEvRA-geschrift:

Stellingen, preadvies, inleidingen en

verslag van de discussie ter gelegen-

heid van de Accountantsdag 20 okto-

ber 1970.

Prof. Dr. H. B. G. Casimir: ,,De

technologische kloof, droom of wer-

kelijkheid?”

Prof. Dr. J. H. P. Paelinck: ,,De

Verenigde Staten van Amerika – de

Verdeelde Staten van Europa 2-1 of

1-1?”

Met discussiebijdragen van Prof. Drs.

H. W. Lambers, Dr. Ir. A. Drijver en

Prof. Dr. Ir. G. C. Nielen.

Material management.
Universitaire

Pers Rotterdam/Wolters-Noordhoff,

1970, 49 blz., f. 7,50.

Deze brochure bevat het rapport

van de zgn. Werkgroep 70 van de

Sectie voor Bedrijfsorganisatie van

het Koninklijk Instituut van Inge-

nieurs. Deze Werkgroep had tot op-

dracht de functie ,,Material manage-

ment” nader te omschrijven, o.a. op

grond van literatuuronderzoek, kri-

tisch te analyseren en aan te duiden

of en zo ja op welke wijze deze

functie zich in ons land moet ont-

wikkelen.

Drs. V. Halberstadt: Negatieve in-

komstenbelasting.
Kluwer, Deventer

1971, 44 blz., f. 6,25.

Lezing, gehouden op 6 juni 1970

te Amsterdam voor de Vereniging

Technische Hogeschool Eindhoven

Postbus 513 Eindhoven

th e

Bij de

ONDERAFDELING DER WIJSBEGEERTE EN

MAATSCHAPPIJWETENSCHAPPEN

is binnen afzienbare tijd plaats voor een

ECONOOM (ECONOMETRIST)

om mede te werken aan onderwijs en onderzoek in de
economie voor bouwkundigen.

Specialisatie in de regionale economie en bekendheid
en/of ervaring met kwantitatieve methoden van
economisch onderzoek strekt tot aanbeveling.
Ook zij die binnenkort afstuderen, worden uitgenodigd
te solliciteren.

Aanstelling in het wetenschappelijk rangenstelsel als
wetenschappelijk (hoofd)medewerker.

Salaris

afhankelijk van leeftijd en ervaring tot een maximum
van
f
3641,— per maand.
A.O.W./A.W.W.-premie voor rekening van de Tech-
nische Hogeschool.

Inlichtingen te verkrijgen bij drs. A. C. J. Sars, telefoon
(040) 47 28 88.

Schriftelijke sollicitaties met vermelding van nummer
V 2254 te richten aan het Hoofd van de Centrale
Personeelsdienst, Postbus 513, Eindhoven.

508

voor Belastingwetenschap, met ver-

slag van het hierop gevolgde debat,

waaraan deelnamen: Prof. J. E. A.

M. van Dijck, Prof. Mr. J. Mannou-

ry, Dr. J. P. Scheltens, Mr. W.

Scholten en Prof. Mr. H. J. Hofstra.

Prof. Dr. G. Zoutendijk: Computer

en democratie.
Universitaire Pers

Leiden, 1971, 22 blz., f. 3.

Rede, uitgesproken op 7 februari

1971 ter gelegenheid van de 396e

Dies Natalis der Rijksuniversiteit te

Leiden.

Fiscaal arrestenboekje.
Derde her-

ziene druk. Uitgeverij FED, Deven-

ter 1970, 308 blz., f.
14,50.

De derde druk van dit boekje be-

slaat een beperkter terrein dan de

beide vorige drukken. De redactie is

ervan uitgegaan dat het boekje voor-

al gebruikt wordt door studenten die

het belastingrecht bestuderen op het

niveau van het keuzevak voor het

doctoraal-examen Nederlands recht
of economische wetenschappen. De

opgenomen beslissingen zijn daarom
thans alle gekozen uit het gebied van

de inkomsten-, de vermogens- en de

vennootschapsbelasting en uit het ,,al-

gemeen deel”.

Mr. H. R. W. Gokkel en Mr. N. van

der Wal: Juridisch Latijn.
Tjeenk Wil-

link, Groningen 1971, 96 blz., f.
7,50.

Een lijst met Latijnse woorden die

door juristen worden gebruikt.

Met ,,E.-S.B.” een beter economisch-politiek inzicht

AP

GEMEENTELIJKE DIENST VOLKSHUISVESTING

AMSTERDAM

De Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting te Amsterdam zoekt voor zijn Stafbureau
een
II.,

lanka

DRS. ECONOMIE

Zijn taak omvat

• het plannen van de werkzamheden van de dienst op middellange en korte
termijn;

• het meewerken aan de oplossing van financierings- en organisatieproblemen die zich voordoen bij het instandhouden, verbeteren en vernieuwen van de Amster-
damse woningvoorraad
;

• het voorbereiden van beleidsnota’s inzake woonruimteproduktie in en om
Amsterdam.

Voor het inhoud geven aan deze taken is – naast een grote mate van eigen initiatief
– belangstelling vereist voor Organisatie- en automatiseringsvraagstukken, alsmede
voor nefwerkplanningstechnieken.

De betrokken functionaris zal intensief contact moeten onderhouden met de verschil-
lende afdelingen binnen de dienst zowel als met andere gemeentelijke diensten.
De functie biedt de gelegenheid ervaring op te doen met de vele facetten van
ove rhe idsf ina nc ier ing.

Leeftijd tot 35 jaar.

Salarisgrenzen liggen tussen
f
1632,— en
f
2805,— bruto per maand.

Een psychologisch onderzoek vormt een onderdeel van de selectie.

Op het salaris wordt loonbelasting en pensioenpremie ingehouden.

De A.O.W./A.W.W.-premie komt voor rekening van de Gemeente.

De vakantietoelage bedraagt 6 procent.

Schriftelijke sollicitaties onder No. U 9799 in te zenden bij de Directeur van de Dienst der Gemeentelijke Perso-
neelsvoorziening, Jan Luijkenstraat 94, Amsterdam-Zuid.

E.SB
26-5-197
1

509

Universiteit van Amsterdam

Bij de sectie Statistiek van
de Faculteit der

Economische Wetenschappen

ontstaat op korte termijn

plaatsingsmogelijkheid voor

een jong academicus in de

rang van

wetenschappelijk

medewerker

Hij zal deel uitmaken van een

team dat het onderwijs in het

vak statistiek verzorgt.

Tevens zal tot zijn taak
behoren het verrichten van

wetenschappelijk onderzoek.

Sollicitaties te richten aan

Dr.
P.
E. Venekamp,

Drakenstein 54. Landsmeer.

/
Eigenlijk
alles

op het gebied
van

genummerd

controle-drukwerk

aan
rollen

ROELANTS

awaadkwk

U reageert op annonces

in ,,E.-S.B.”?
Wilt U dit dan steeds duidelijk

tot uitdrukking brengen?.

Neem bier

goede.-nota

van,
middelgrote
ondernemer:

Wat Is factoreren? Dat Is het
overnemen van uw tijd- en geld-
rovende debiteuren-administratie en Incasso-werkzaamheden, met
Inbegrip van het volledige risico
van non-betaling!


Door uw debiteuren over te dragen
kunt u direct beschikken over uw
vorderingen.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u de contant-kortingen van uw
leveranciers verdienen.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u uw tijd vrijmaken voor meer
winstgevende aktiviteiten, zoals pro-
duktie en verkoop.

Door uw debiteuren over te dragen
kunt u financiële artnslag krijgen voor
verdere uitbrëidlng van uw bedrijf.

Factoreren Is dus In feite een moderne
financiering van uw bedrijfsontwikkeling.
Dank zij de samenwerking tussen de
Nederlandsche Middenstandsbank N.V.
en Walter E. Helier & Comp., Chicago,
kunnen wij vele middelgrote ondernemers
deze nieuwe dienst aanbieden.

Alle Inlichtingen: Zamenhofdreef 49a,
Utrecht. Tel.
030-611833.

NINMB

HELLER

FACTORING
tNT5NATIONAL NETWORK

510

Technische Hogeschool Eindhoven

Postbus 513 Eindhoven

th e

DE AFDELING DER BEDRIJFSKUNDE is een jonge
afdeling bestaande uit de vakgroepen Bedrijfseconomie,
Operationele Research, Organ isatiepsycholog ie, Socio-
techniek en Organisatiekunde. Zij verzorgt de opleiding voor bedrijfskundige ingenieurs (momenteel ca. 480
studenten).

Het ontwerpeh van studieprogramma’s en het onderwijs
aan bedrijfskundige studenten zowel als de ontwikke-

ling van het vak Bedrijfskunde vraagt de inzet van

medewerkers met verschillende opleiding en ervaring,
die bereid zijn om vanuit hun specialisatie in een multi-disciplinair gezelschap mede te werken aan het
realiseren van de doelstelling van de afdeling. Dit
vereist een gezichtsveld dat de grenzen van de eigen
discipline overschrijdt.
Voor een

JONGE BEDRIJFSECONOOM

die de uitdaging welke hierin is gelegen wil aannemen,
bestaat plaatsingsmogelijkheid als

WETENSCHAPPELIJK MEDEWERKER BIJ DE

VAKGROEP BEDRJFSECONOMIE

De voorkeur van de vakgroep gaat uit naar een
bedrijfseconoom met theoretische belangstelling voor
en/of praktische ervaring op het gebied van hetzij de
kwantitatieve bedrijfseconomie, hetzij de marktstrategie.

Leeftijd

maximaal 32 jaar.

Nadere inlichtingen kunnen desgewenst worden
verstrekt door de leden van de vakgroep Bedrijfs-
economie, telefoon (040) 47 38 41.

Aanstelling zal geschieden in het rangenstelsel voor
wetenschappelijk medewerkers (uitloop tot
f
3641,-
per maand).

A.O.W./A.W.W.-premie voor rekening van de
Technische Hogeschool.

Schriftelijke sôllicitaties met vermelding van nummer
V 2253 te richten aan het Hoofd van de Centrale
Personeelsdienst van de Technische Hogeschool,
Postbus 513, Eindhoven.

ESB 26-5-1971

511.

0

de rijksoverheid.vraagt

voor het Ministerie van Justitie

hoofd van de afdeling comptabiliteit
vac. nr
. 1156710936

De afdeling, bestaande uit het hoofd met ongeveer veertig medewerkers, is belast met
alle financiële aangelegenheden op grond van de Comptabiliteitswet en de Regeling Comptabiliteit.
Tot de werkzaamheden behoren om. het samenstellen van de ontwerpbegrotingen van
het Departement, het beoordelen van kredietaanvragen, het geven van financiële
adviezen aan de beleidsafdelingen, de bewaking van de toegestane begrotingsgelden en de betaalbaarstelling van kredieten, subsidies, voorschotten e.d. Voorts behoort tot de
taak het deelnemen aan het overleg binnen de Directie Algemeen Beheer met de
personele en organisatorische sector.

Vereist: opleiding op universitair niveau en een ruime ervaring op financieel beleids-
gebied, bij voorkeur in min of meer vergelijkbare functie(s).
Enige ervaring op het gebied van automatisering is gewenst.

Standplaats: s-Gravenhage.

Salaris, afhankelijk van leeftijd en ervaring, tot max. f3641,- per maand.

voor het Ministerie van Landbouw en Visserij

t.b.v. de Directie Landbouwkundig Onderzoek

projectleider
vac. nr. 1.165810936

die zal worden belast met de organisatie en de leiding van de automatisering van
informatieverwerking bij de onder de Directie ressorterende onderzoekinstellingen.

Gevraagd: b.v.k. academische opleiding in bedrijfseconomische of accountancy-richting.
Grondige kennis en ruime ervaring op het gebied van de automatisering (b.v. AMBI-
diploma).

Standplaats: ‘s-Gravenhage of Wageningen.

Salaris, tot max. f2602,- per maand. Promotiemogelijkheid aanwezig.

Schriftelijke s011icitaties onder het bij de gewenste functie vermelde vacaturenummer

(in linkerbovenhoek van brief en enveloppe en voor elke vacature een afzonderlijke brief)

zenden aan de Rijks Psychologische Dienst, Prins Mauritstaan 1, ‘s-Gravenhage.

AOW-premie voor Rijksrekening. De salarissen zijn exclusief 6% vakantieuitkering

t

Een prettig leesbaar boekje voor hen,

die gaarne wegwijs worden op het

punt van beleggen; een ideaal naslag-

werkje voor hen, die dit reeds zijn.

Verkrijgbaar bij uw boekhandelaar of
rechtstreeks bil de uitgever:

H. A. M. ROELANTS TE SCHIEDAM.

DR. SLOOFF’S

Wegwijzer voor de Belegger

t 8,50

512

Auteur