Ga direct naar de content

Jrg. 55, editie 2749

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 3 1970

EconomischoStatis
,
tischeBerichten

Tffi
UiTGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

3 JUNI 1970

55eJAARGANG

No. 2749

Prof Dr. L. H. Klaassen
25
jaar N.E.I.

in de winter van ’44 was de bemanning van het Nederlands

Economisch Instituut begrijpeljkerwijs overal verspreid.

Maar de secretaris, M. F. J. Kool, specialist in valse en
echte stempels, was er op bedacht met een goede ploeg

onmiddellijk na de bevrijding te beginnen. Zo werd for-

meel per l niei 1945 L. H. Klaassen, economisch kandidaat,

benoemd tot medewerker van liet Nederlands Economisch

Instituut.

De ruimtelijke economie die zijn wetenschappelijke leven

zou gaan beheersen had hij reeds aangeraakt; hij kwam

van het Economisch-Technologisch Instituut. Eén moment

van aarzeling volgde; als begaafd pianist werden hem

honoraria geboden

in de zomer van
’45
in vergelijking

waarmee de toenmalige beloning van junior-medewerker

ternauwernood zakgeld was. Het is duidelijk wat hij heeft

gekozen tot vreugde van allen, die 25 jaar met hem hebben

saniengewerkt.

Het NEI was in de oorlog begonnen niet economisch-

onderzoekingswerk in opdracht en tegen betaling. Besloten

werd na 1945 deze lijn krachtig door te zetten. Met D. H.

van Dongen Torman en L. M. Koyck, met wie
hij
later

tot diens vroege dood een krachtig researchdirectorium

zou vormen, ging hij ook de kant uit van de stedelijke eco-

nomie. Rotterdam, maar vooral Amersfoort, waren de

eerste grote objecten. Klaassen heeft in Amersfoort jaren

gewoond en daar zijn grondgedachten •over de ,,urban

economïcs” gevormd. Hij werd researchleider, doctor,

hoogleraar en wat voor de toekomst van het NET beslissend

was, directeur van het Nederlands Economisch Instituut.

Het ene advies na het andere over zeer diverse onderwerpen

werd aangepakt en, wat voor een onderzoekinstelling nog

belangrijker was, kwam gereed.

Naast een grote methodische vindingrijkheid kenmerkte

– zijn werk zich voortdurend door de behoefte om zaken

aan te snijden die voor de werkelijkheid betekenis konden

hebben. Zo kwam hij ook in het internationale werk, vooral

als adviseur over projecten. De bestemmingen van zijn

reizen klinken als een exotisch gedicht: Niger en Dahomey,

Syrië en Zambia, Kameroen en Asturië, Finland en Iran.

Het is een kleine bloemlezing, waarbij de gasthoogleraar-

schappen in de Verenigde Staten toch ook horen.

Tijdens al dit reizende werk van wetenschapsman en

ondernemer gaat de reeks van publikaties door. Voor hem-

zelf ligt, dacht ik, de grootste voldoening in de OECD-

studiés van de laatste jaren over
Area economie and social

de’eIopment
en vooral
Social arnniIies in area economie

growtli. Heni staat voortdurend voor ogen dat groei en

welzijn samen moeten gaan en in zijn werk wordt steeds

gezocht naar concretiseringen om een samengaand beleid

op -te kunnen bouwen. Dat is de werkende en denkende

man die het onderzoek van het NEI draagt en die we in

1968 met overtuiging onze president-directeur maakten.

Het goede immers is, dat al dit werk niet zwoegend en

zuchtend gebeurt, maar met een voortdurend’ gevoel voor

humor en met plezier aan het persoonlijke contact. Wij

willen daarvoor ook zijn vrouw, die als gastvrouw in

vindingrijkheid en onvermoeibaarheid hem evenaart, dank

brengen.

Niet alleen het Nederlands Economisch Instituut en de

vele binnenlandse en buitenlandse betrekkingen die hij

daartoe onderhoudt hebben van deze bereidvaardigheid

geprofiteerd. Als hoogleraar heeft Klaassen een belangrijk

aandeel gehad in de totstandkoming van de nieuwe af-

studeerrichting in de economische wetenschappen, de

ruimtelijke economie. Omdat
wij
wisten hoe groot zijn
belangstelling daaroor is, hebben wij enkele van zijn

collega’s gevraagd over vraagstukken op dit gebied in dit

nummer een bijdrage te leveren. Wij zijn blij dat zij ons

hebben geholpen een man, die in een grote loopbaan niet

verzakelijkt is, een kewijs van vriendschap te geven.

Wij weten zeker dat Klaassen door zal gaan om weten-

schappelijk en maatschappelijk boeiende aspecten te ont-

dekken. We zullen daar allen wel bij varen.

H.W.L.

533

1

inhoud

Prof. Dr. L. H. Klaassen 25 jaar

N.E.I. …………………… 533

Kortheidshalve

……………534

Prof. Dr. W. Albeda:

Suriname en Nederland ………
535

Prof. Dr. J. H. P. Paelinck:

Recente ontwikkelingen in model-

lenbouw ………………….536

Prof. Dr:
P. R. Odeli:

Regional development issues in

the developing countries of Latin

America ………………….539

Prof. Drs. E. H. van de Poll:
Verkeersinfrastructuur en vesti-

gingsplaatsvoordeel …………547

Geld- en kapitaalmarkt . ……..
550
redactie

commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montange, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit

redacteur-secretaris: P. A. de Ruiter

adjunct redacteur-secretaris:
J.
van der Burg

Economisch-StatIstiSChe Berichten

Uitgave van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/outs 50,
Rotterdwn-3016;
kopij voor de redactie:
pos/bits ‘4224. Telefoon:
(010) 1455 11, toestel 3701. Bij
adreswijziging s.v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor dc redactie:
in tss’eevoud,
getypt, dubbele regekifstand, brede marge.

Abonneinentsprjs:
f. 44,72 per jaar,
siudentemi f. 31,20, franco pel
p5/
voor
Nederland, België, Luxwnburg, overzeese
r(/ksdelen (zeeposi).
J’rjjs van dit numnnier:f. 1,50. Abominenienteis
kuisnems ingaali op elke gewenste date,,,,,
imiaas’ slechts worden beëindigd per
ullimo
van een kalemiderjaar.

Betaling:
giro 8408; Bank Mees & Hope
NV, Rotterdam; Banque de commerce,
Ko,,inkljjk plein 6, Brussel,

/
postcheque-rekening 260.34.

Advertenties:
N. V. Kon. Ned. Boekdrukkerjj
H.A.M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam, tel. (010) 26 02 60, toestel 908.

Kortheidshalve

Als twee van ‘s
werelds meest
gezaghebbende economische
periodieken op

dezelfde dag hun ernstige bezorgdheid uitspreken over de economische toe-
stand in de Verenigde Staten, dan is er ongetwijfeld reden voor die bezorgd-

heid. Zowel
The Economist
als de
Nei,e Zürcher Zeitung
zijn in hun aflevering.

van 30 mei jI. kritisch gestemd over het economisch beleid van de regering-

Nixon.
The Economist
noemt 1970 het derde jaar sinds 1947 waarin Amerika’s

reële BNP een kleine absolute daling zal vertonen. De overeenkomst met

de twee andere jaren (1954 en 1958) is frappant, in zoverre het ook toen om het

tweede jaar van een’Republikeinse regering ging. Volgens het Engelse week-

blad bevindt Nixon zich in vrijwel dezelfde positie als die ,,in which President

Eisenhower had each time muddled himself before”. De prijsinfiatie daaren-

tegen is zelfs nog veel groter dan tijdens de Eisenhower-recessies. De crisis op

Wall Street noemt het blad een teken van het steeds bredere wantrouwen in

de competentie van Nixon c.s. Niettenin acht het sommige van de emoties

achter het verloop op Wall Street hoogst irrationeel. Infiatiebestrijding stond

destijds hoog op het prioriteitenlijstje van de Nixon-regering. Aangezien echter

de sterke vraagstijging rond medio 1969 ingedamd was, zou het zinvol zijn ge-

weest de teugel van de restrictieve monetaire politiek te doen vieren, zeker

wanneer men bedenkt dat zij met een vertraging van ca. een half jaar werkt.

Niettemin heeft men gemeend tot begin 1970 krachtig op de monetaire rem te

moeten blijven trappen. ,,The doctrine was that a deliberately lengthened

period of running the economy below capacity would serve magically to check

infiation”. Zoals in andere industriële landen heeft ook in de Verenigde Staten

deze remedie niet geholpen. Terwijl nu de produktie daalt, blijven de lonen

nog even
stijgen;
de kosteninfiatie zal pas kunnen worden teruggedrukt

wanneer de produktie weer zal toenemen. De mede door de koersdalingen ver-

oorzaakte druk op de consumptieve bestedingen en investeringen zal door een

op expansie gerichte fiscale politiek moeten worden opgeheven. ,,Sound

budgeting”, d.w.z. begrotingsevenwicht, .lijkt echter nog steeds hoogste wijs-

heid te zijn voor Nixon c.s. Vandaar de vrees dat, net als met het monetaire

beleid, ook het fiscale instrumentarium te laat op expansie zal worden gericht.

De
Neue Zürcher Zeitung
spreekt van een ,,unverhüllte Vertrauenskrise”. De

diepere oorzaken hiervan-zoekt het blad niet in het economische, maar in het
psychologische vlak, samenhangend met de steeds toenemende sociale span-

ningen. Maar ook het trauma van de grote depressie draagt nog altijd
bij
tot

die psychologische motieven.
(dR)

Prof. Paelinck geeft in ESB van deze week (blz. 536) op verhelderende wijze weer

welke problemen er nog moeten worden opgelost voor men kan beschikken

over een ,,volmaakt” model, in dit geval een attractiemodel. Hierbij komt

duidelijk naar voren hoezeer men afhankelijk is van een informatieverwerkings-

systeem,’ c.q computer. We zien dat met name de moderne elektronische

rekenapparatuur nagenoeg de grens van het technisch mogelijke heeft bereikt.

In het wekelijkse bijvoegsel van de
NRC
van 30 mei jI. wordt gesteld:
,,Ze

werken zé snel, snellér kan het (bijna) niet”. Maar werken ze ook economisch;

wat is hët
ecoiiomisch aspect
van de toepassingsmogelijkheden? Daarov,er be-

staat nog veel onzekerheid. Het Administratie Service Centrum van N. Sam-

som NV heeft een samenvatting gepubliceerd van een artikel van de computer-

deskundige Tom Alexander in
Fortune.
De titel spreekt voor zichzelf: ,,Com-

puters can’t solve everything”. Het artikel heeft uitsluitend betrekking op

aspecten van computertoepassingen in de Verenigde Staten. Alexander waar-

schuwt met nadruk tegen het te overijid in eigen beheer nemen van een com-

puter. Zo zou blijkens een recent onderzoek
bij
2.500 Amerikaanse onder-

nenhingen gebleken zijn, dat maar de helft van de bedrijven met computers in
eigen beheer zonder voorbehoud ,,ja” kon zeggen op de vraag of de computer

zijn kosten goedmaakte. Slechts 28 % vond dat de machines werkelijk goed

werk déden: De meerderheid van de computergebruikers meende, dat ze te

overjld tot aanschaffing was overgegaan. Een oorzaak van deze teleurstelling

is dat veel bedrijven de computer nog te veel gebruiken voor alleen maar

administratieve routinewerkzaamheden, en enigszins ingewikkelder taken voor-

lopig laten voor wat ze zijn. Alexander doet een mogelijke oplossing aan de

hand in de vorm van time-sharing. Een leerzaam artikel. (vdB)

534

W. Albeda

Suriname

en Nederland

Een bezoek van twaalf dagen is te kort

om een oordeel te geven over een land.

Toch waag ik het er op iets te zeggen

over Suriname.

De beste entree tot de economie van

een land is de arbeidsmarkt. Daar is

te zien of men te maken heeft met een

ontwikkelde of een nog niet ontwikkel-

de economie. Maar ook of er kansen

zijn op sociale onrust of op raciale

spanningen. Een enkel cijfer. De

beroepsbevolking van Suriname is

klein ten opzichte van de totale bevol-

king (in 1965 ca. 23 %), ook gegeven

de leeftijdsopbouw. Dit zou kunnen

wijzen op een nog onvoldoende ,,mo-

bilisering” der bevolking in hei econo-

misch leven. De werkloosheid is hoog.

De cijfers zijn niet exact voorhanden,

maar men spreekt van een kwart van

de beroepsbevolking. Daarbij komt,

dat bijvoorbeeld in de overheidssector

(in 1964 bijna een kwart der beroeps-

bevolking) werkloosheid verscholen

moet zitten.

in industrie en mijnbouw werkt

minder dan 20 % van de beroeps-

bevolking. De landbouw is met ca.

28 % der beroepsbevolking eigenlijk

verrassend klein. Van de beroepsbe-

volking werkt rond 10% buiten Suri-

name.

De beroepsbevolking ondergaat ver-

schuivingen. Mensen die nog maar aan

dc rand van de geldeconomie leven
treden tol de beroepsbevolking toe.

Een deel der agrarische bevolking

trekt naar de stad, aangelokt door de

mogelijkheden van de moderne geld-

economie. Zodoende ontstaat concur-

rentie op de stedelijke arbeidsmarkt

voor ongeschoolden. Daar de in-

komende plattelanders grotendeels uit

andere etnische groepen afkomstig

zijn (vnl. Hindoestanen) dan de stede-

lijke beroepsbevolking (Creolen) krijgt

deze concurrentie gemakkelijk een

raciaal tintje.

Niet alleen vinden steeds meer onge-

schoolden werk op de Nederlandse

arbeidsmarkt, die een structureel tekort

aan ongeschoolden gaat vertonen, ook

en vooral de in Nederland opgeleide

academici vinden daar grif, en beter

dan in Suriname betaalde, arbeid.
De bevolking van Suriname is klein;
het land ligt geografisch geïsoleerd ten

opzichte van de economische wereld-

centra. In de werkloosheid weer-

spiegelt zich behalve de lage ontwikke-

lingsgraad ook de omstandigheid, dat

het land weinig comparatieve voor-

delen heeft. Verdere uitbouw van de

mijnbouw (bauxiet) is ongetwijfeld
mogelijk. Maar het vraagt grote in-

vesteringen, die relatief weinig kunnen

doen om de grote werkloosheid op te

vangen, laat staan de snelle groei der

beroepsbevolking (4% per jaar) te

compenseren.

Een blik op de uitvoer laat zien hoe-
zeer één produkt een allesbeheersende

betekenis heeft (bauxiet). Een blik op

de invoer doet de vraag rijzen of niet

consequent gestreefd moet worden

naar invoervervangende industrie en

landbouw, al wordt vooral de eerste

gehinderd door de geringe omvang

van de thuismarkt.

Wat zijn de economische gevolgen

van de band met Nederland voor

Suriname?

– dc migratie van ongeschoolden

naar Nederland verlichi de arbeids-

markt, maar de betrokkenen zijn door

gaans slecht voorbereid en de sociale

begeleiding schiet tekort;

– de ,,brain drain” naar Nederland

is ongetwijfeld schadelijk’ voor Suri-

name, al is het de vraag of alle acade-

mici in het eigen land een plaatsje

zouden kunnen vinden;

de band niet Nederland geeft

entree tot de EEG, ongetwijfeld een

voordeel i.v.m. de export van bauxiet,
aluinaarde en aluminium.

De
economische
voordelen van de

symbiose tussen een rijk land en een

arm land zijn op zichzelf niet zo groot
en er staan wezenlijke nadelen tegen-

over. De belangrijkste gevolgen zijn de

directe uitvloeisels van de
politieke

band, welke er bestaat:

– De ontwikkelingshulp en de tech-

nische bijstand welke Suriname thans

ontvangt, liggen zeker hoger dan wat

ander landen, zonder een speciale band

met een rijk
land, verkrijgen (maar bij

een verbreking van die band behoeft

de omvang ervan niet af te nemen);

– De band niet Nederland garandeert

een zekere politieke stabiliteit, wat de

vestiging van ondernemingen van elders

kan bevorderen. Daartegenover staat,

dat diezelfde band een steun in de rug

is voor elke Surinaamse regering, Of

Nederland wil of niet, het is partner

in elk beleid van zo’n regering. De

zekerheid van economische bijstand

vai de rijkere partner kan gemakkelijk
economische hervormingen, die nodig

zijn, doen uitstellen.

LSB 3-6-1970

535

Recente ontwikkelingen

in modellenbouw

PROF. DR. J., H. P. PAELINCK

1
1.-

,,4 imez donc les ,nodèles; que loujours vos écrits

Ernpruntent â cox seuls et leur lusire ei leur prix”.
(Boileau: ,,,4ri poétique”)

Hello!

Zo wordt men door een (beleefde) cdrnputer begroet wan-

neer men een sessie ,,on line” begint om een econometrisch

model te bouwen, te toetsen of te sirnuleren. In de laatste

jaren is de modellenbouw er een flink stuk op vooruitge-
gaan. Wij dachten dat het daarom nuttig zou zijn eventot

een inventarisatie over te gaan, en dit aan de hand van een

drietal concrete voorbeelden: een nationaal model, een

regionaal’model en een simulatie-analyse van de stedelijke

economie

Het spontane van dit stuk hebben wij getracht te be-

houden door enkel te spreken van modellen waarmee wij

hetzij zelf wat gespeeld hebben, hetzij ze zelf bouwden,

hetzij op een mooie dag in de discussie erover terecht-

kwamen. Een flinke oefening trouwens ook, om dit zonder

veel gecijfer of complexe getallen te doen; wij laten het

aan de lezer over te oordelen of onze vrije vertaling uit-

eindelijk geslaagd mag worden genoemd.

Een dynamisch niet-lineair interdependent model voor België

De titel doet al flink geleerd aan; even uitleggen wat er

aan de hand is. Dat een economisch model de weg der

dynamiek betreedt is een gelukkig feit; uiteraard ontwik-

kelen zich de economische fenomenen in de tijd, en toe-

standen die op een bepaald ogenblik heersen beïnvloeden
de beslissingen die wijzigingen in deze toestanden zullen

teweeg brengen; eventueel komt een externe factor de ont-

wikkeling in een bepaalde richting verstoren. In feite dus,

op deze laatste factor na, kan men liet model vanaf een

beginsituatie laten ,,lopen”, en aldus niet enkel een eind-

toestand berekenen, maar ook alle intermediaire toe-

standen die daartoe leiden.

Niet-lineariteit is een snufje dat eenvoudigheidshalve

gewoonlijk niet bij de analyse betrokken wordt. En noch-

tans zijn de economische fenomenen inherent niet-lineair:

er bestaan produktielimieten, afgeleide functies worden

bijzonder ingewikkeld, en bepaalde tijdschema’s kunnen

enkel door niet-lineaire betrekkingen opgevat worden.

Dus niet geaarzeld; hierna
bij
wijze van voorbeeld een

staaltje van zo’n ,,gedurfde” functie:

r
ng
.1

1

P
w=p


—1

max
,

I—y)
J

ng

L
max

a
102
log(l+\l-4a
51
b(t))

a103

e

—a
104

In het kort een functie ter verklaring van het gemiddelde

nominale-salarisniveau Er dient nog gezegd te worden

dat deze functie
theoretisch
uit een (ook ietwat ingewik-

kelde!) produktiefunctie werd afgeleid, ‘en dat de berekende

waarden zeer aanvaardbaar met de waârgenomen cijfers

overeenkwamen.’

Interdependent is het economisch leven beslist; en onze
modellen, moeten daarniee ook rekening houden. De op-

lossing van een stelsel van interdependente niet-lineaire

vergelijkingen stelt in principe geen probleem: iteratieve

procedures zijn er genoeg op de markt om dit toe te laten.

536

Een heel bijzonder probleeni rijst echter: bij de oplossing

van het hele model worden de storingstermen (de residuen

zo men wil) verwaarloosd; en daar de ganse opzet dyna-

misch is, worden deze ,,fouten” van periode tot periode

doorgegeven. Dit kan compenserend werken, maar het

model kan ook ,,ontploffen”: splinters vliegen -links en

rechts, en de niet ervaren econometrist doet er goed aan

geharnast en gehelmd naar zijn werk te gaan.

Zo erg verliep het niet niet de kleine w uit de geschil-

derde functie. Hierna volgt een grafiek (grafiek, 1) met de

volgende uitleg:

1

Variabele W

180

.- _

4>

/

dop

r-•
1

1955

1956

1957

1958

1959

1960

1961

1962

1963

1964

1965

160

140

120

100

80

1954

t-
1966

– de aaneengesloten lijn stelt de waargenomen waarden

voor;

– de stippellijn is het resultaat van de functie; wanneer

men verondei:stelt dat alle verklarende variabelen

bekend zijn (waargenomen reeksen);

de puntenlijn komt voort ut het volledig simuleren

van het model: alle variabelen worden als het ware door

het model ,,gegenereerd”.

Er wordt nu flink gewerkt om ontploffingen te voor-

komen; iigewikkelde schattingsmethoden zullen in de

toekomst verhinderen dat. discrepanties ,,doorgegeven”

worden in de tijd; computerprogramma’s maken het thans

mogelijk Jie ingewikkelde schattingen Ui.t te voeren; eerste

resultaten waren zeer hoopvol.

Dit soort modellenbouw is een woelig vaargebied; heel

wat mensen zittèn aan de problematiek te peuteren en

flink wat golven slaan tegen je wankele roeibootje aan.

Dus ook maar een reddingsgordel meenemen wanneer

‘men dat soort reis opgaat
1. –

Een regionale attractie-analyse
2

Er is jarenlang al over groeipolen en polarisatieverschijn-

selen gesproken; het concept is zelfs tot lokale dagbladen

doorgedrongen. 1-toe die verschijnselen moesten gemeten

worden bleef wat in het duistere; Leo Klaassen deed een

beslissende stap toen hij een attractiemodel ontwikkelde,

gebaseerd op interindustriële betrekkingen.

Een regio heeft een bepaalde uitgangsstructuur, S
0
;

hoe bepaalt die op middellange termijn een nieuwe struc-
tuur: S? Verschilleide factoren kunnen daartoe bijdragen.

Allereerst, bestaat er in een gebied een potentiële vraag

naar produkten van een bedrijfstak: eindvraag (gezinnen,

investeringen, openbare uitgaven) of vraag vanwege andere

bedrijven. Dan is er ook een aanbod van bepaalde inter:

mediaire produkten. Naarmate een bedrijf gebonden is

aan bepaalde leveringsbronnen zullen de transport- en

ESB 3-6-1970

communicatiekosten relatief min of meer hoog komen te

liggen: het bedrijf wordt dan aangetrokken door een be-

paalde – vooraf gegeven – structuur,

Dit modelwerd reeds een aantal keren getoetst met bij-

zonder mooie resultaten. Als een veralgemening van het

bekende .,,input-output” model, en als een operationele

aanpak van het polarisatieverschijnsel, laat het model toe,

gegeven een schatting van de toekpmstige interne eind-

vraag van een gebied, te bepalen welke de corresponderende

produktieniveaus zullen zijn, niet slechts van de reeds aan-

wezige bedrijven, maar ook van de ,,aangetrokken”. onder-

nemingen.

Allerhande verfijningen zijn nu mogelijk. Er wordt ge-

werkt aan een dynamisering van het model: ma.w: men

traht expliciet het verloop in de tijd mede in de analyse

te betrekken. De opbouw van de eindvraag naar sectoren

kan ook door een submodel gegenereerd worden. Klas-

sieke input-output analyses en exportmogelijkheden als

vestigingsfactor vinden hun plaats in die verruiming.

Tenslotte – en dit achten wij belangrijk – wordt er-

naar gestreefd het algemeen leefklimaat van de regio bij de

1
De niathematische verduistering van deze uiteenzetting

vindt men in: J. Paelinck: (In modèle dynamique de simula-

hou ei de contrôle pour l’économie beige, in ,,Rivista Inter-

nazionale di Scienze Economiche e Commerciali”, Anno

XVI, 1969, no. 3, biz. 201-227, en in: J. de Bioiiey et J.

Faeiinck: Un ,nodèie dynamique p’our i’économie beige:

simuiation er ophimisarion, verschijnt in , ,Optimisaiion ei

Simulation de Macrodécisions”, Namur, Facuité des

Sciences Econorniques ei Sociales, Centre de Recherches,

1970.
2
Zie: L. H. Kiaassen en A. C. van Wickeren: Interindustry

Relations: An Attraction Model. A Progress Report, in

H. C. Bos (ed): ,, Towards Balanced International Growth”,

Amsterdam, North Holland Pubiishing C’ompany, 1969.

537

.1

•1

het kan nog ingewikkeldei …

explicatieve factoren in te schâkelen. Inderdaad merkt men

dat gebieden met een ongeveer gelijk ontwikkelingspoten-

tieel zich niet met hetzelfde ritme effectief ontwikkelen.

Iets ontbreekt in het ene geval: de ,,omgeving” is minder

,,aantrekkelijk”. Dit is toch wel een essentieel feno-

meen bij een attractie-analyse.

Als een klein theoretisch staartje zouden
wij
willen wijzen

op het mogelijk bestaan van afvloeiingseffecten tussen ge-

bieden: bepaalde gebieden worden in hun groei gestimu-
leerd door nabijgelegen regio’s; in andere gevallen wordt

die groei afgeremd. Jndien dit zo is, dan laat de dyna-

mische attractie-analyse toe een model op te zetten waarbij

men een mooie uitleg krijgt van de interregionale dyna-

miek: bepaalde gewesten hebben een bloeiende economie,

terwijl andere achterblijven 0f stagneren. Ook het effect

van verschillende maatregelen van economische politiek
kan op dit interregionale vlak dan doorgerekend worden.

Wij staan dus – heden al, maar vooral morgen – voor

een stel analyse-instrumenten waarbij de regionale econo-

mie tot een operationeel geheel uitgebouwd wordt. Wel

een verrukkeljk perspectief, lijkt ons……

Een (lroornstad in
vergelijkingen

Zelfs de stad ontsnapt niet meer aan de modelwoede. Zij

verdedigt zich nochtans moedig: cijfermateriaal blijft

karig, en de stedelijke fenomenen zelf zijn niet genoeg

gekend om ze zo maar in een stelsel van vergeljkingen te

verwerken.

Een aantal redelijke hypothesen kan nochtans worden

opgezet, aanvaardbare coëfficiënten -ingelast, en zo simu-

leert men dan de historische ontwikkeling van de stad.

variab,ten

Daarbij worden betrokken: het produkt van de stad, ver-

schil lende typen van activiteiten (industrie, tertiaire sector,

bestuur, bouwbedrijven), pendel naar en van de stad, even-

tueel ook de verhoudingen tussen verschillende stadssec-

toren. Technische hypothesen kunnen verwerkt worden:

zo kan men nagaan wat de invloed wordt van een verrui-

ming van de technische mogelijkheden op het gebied

van huizenbouw, en op dat van de bouw in het algemeen.

Tnderdaad is de stad, als een administratief geheel, gelimi-

teerd in oppervlakte; de dichtheid van de verschillende

activiteiten speelt een belangrijke rol en treedt op als een

remmende factor bij de groei. Hiernaast een staaltje van

dit fenomeen (grafiek 2). In deze grafiek stelt S de bevol-

kingsdichtheid voor, A dc totale werkgelegenheid, P. de

woonbevolking en V de attractiegraad van de stad. Men
ziet hoe de ontwikkeling spanningen nit zich brengt (lie

tot lange-termijnschommelingen leiden, en uiteindelijk tot

stagnatie.

inkomens, stadsbudget, uitgaven voor infrastructuur zijn

expliciet in de analyse opgenomen: zij bepalen heel duide-

lijk de attractiviteitsgraad van de stad. De voorgestelde

grafiek is maar een steekproef uit een hele reeks simulaties,

opgebouwd onder verscli II lende werkhypothesen. Gegeven

de nog ruwe schatting van de opgenomen verhoudingen

kan men toch een eerste indruk verkrijgen van wat ver

schillende stadspolitieke maatregelen kunnen teweeg-

brengen. Zo kan de invloed van een verbeterde infrastruc-

tuur op de doelstellingsvariabelen van het model weer

gegeven worden, waarbij dan ook het budgettair evenwicht

van de stad ter sprake komt.

Achter de vier curven van de grafiek zitten een veertig-

tal dynamische vergelijkingen; de computer simuleert

alternatieve droomsteden. Het kan nog ingewikkelder,
en het moet ook zo: de stad
is
een ingewikkeld systeem,

waarvan de systematische studie nauwelijks begonnen is.

1.4

j

.

Good-bye!

1.3

Zo besluit de (beleefde) computer na de ,,log-out”; tot

weerziens. Inderdaad is het slechts een voorlopig afscheid;

de volgende jam-session is waarschijnlijk met een zwaardere

partner die nog heel wat meer verteren kan. Zo lijkt het

1.1

(Slot op blz. 550)

P.

: \.T-::.

tijd

Deze laatste kan men terugvinden in: C. Jaumofte et
J. Paelinck: Un modèle de simulation pour une région

urbaine, verschijnt in ,,Rec/ierches Economiques de Louvain”,

1970.

538

Regional development issues

in the developing countries

of Latin America

PROF. DR. P. R. ODELL

De geografische patronen van het economische-ontwikkelingsproces en de ruimtelijke spreiding van

economische activiteiten zijn in de rijke landen steeds meer onderwerp van studie geworden. Regionale

onevenwichtigheden in de ontwikkelingslanden worden echter nauwelijks nog bestudeerd. Dit artikel

behandelt problemen van ruimtelijke economie in de landen van Latijns-Amerika. Qewezen wordt o,a.
op de heersende dominerende positie van meestal slechts één economisch centrum in elk land over alle

andere steden. Deze agglorrtererende en centraliserende tendens, waardoor grote economische tegen-

stellingen ontstaan, moet door een krachtig regionaal beleid worden gecompenseerd. Prof. Odelt noemt

enkele pogingen in deze richting.

1

An earlier virtually exclusive concern amongst students of

economic growth processes for the analysis of nationally

aggregated problems has slowly been suppiementéd, as

far as the advanced industrial countries are concerned, by

attention also to the problems arising from
the geographical

patlerns
of
economic development.
In Britain for example,

national planning, though originally formulated from

analyses of national problems and sectoral economie

trends, now contains a regional element so as to ensure

that all parts of the country progress towards higher living

standards. In the Netherlands attention to the economic

problems of particular parts of the country has become of

increasing importance, particularly in vie of the growth

and movement of population and consequential changing

demands for living space and an emerging need to evaluate

the economics of different long term ruimtelijke ordening

strategies. These approaches to the geography of economic

development have had similar attention in most other

countries of Western Europe, North America and Japan.

Regionat imbalances in developing countries

In turning to the developing world, however, one finds a
markedly contrasting situation and even in 1970 it is stilt

possible to point Out that one of the great gaps in the

wealth of literature on development economics ties in the

field of the description and analysis of the geography of

economie activities. This is in spite of the fact that it was

as long ago as 1957 that Myrdal drew attention to the

significance of regional discrepancies in wealth and in

opportunities for growth in different parts .of national

territories. Since then relatively littie attention has been

given to this problem which Hirschmann, in his comments

on the apparent lack of interest in the subject, describéd
as being ,,no Iess central to development strategy.”.— a

view which Tinbergen would appear to share by evidence

of some of his recent work particularly in India.

But not even this limited recognition of the need for

attention to the geography of under-development has been

translated into effective, operationat strategy for developing

countries’
regional
probléms. Even Lewis, in his book on
the planning of development, devotes only a tiny part of

his long section on plan strategy to the problem of ,,regional

balance”: and, in striking contrast with his proposals on

other developmental problems where recommended stra-
tegy is based on a wealth of analyses, his conclusion that

,,a workable approach to regional balance is to treat

suspiciously all proposals for development in towns whose

population exceds 500.000 or has not reached 5.000″

appears to be based on notions of doubtfut validity. Present

town size appears to be a particularly bad indicator of

potentiality for development when concerned with countries

with a ,,resource frontier” and with large parts of their

national territories not in effective occupation. Such

advice given to the United States even less than a hundreci

‘ears ago would effectively have prevented the develop-
ment of most of its national territory!

One interpretation of this lack of serious and continuing

attention to problems of the spatial economy in developing

countries, is that these problems are, in fact, seen as being

unimportant and mârginal to the main development issues.

This is certainly the. view of some scholars and economie

planners who postulate an inherent conflict between their

attempts to maximise nationally aggregated growth and

any consideration for the planning of the spatial patterji.

Such spatial planning would, in the short term, they argue,

have ‘the effect of utilising resources less efficiently than

could otherwise be the case and, in the long term, they go

on, spatial problems will, in any case, inevitably ,,sort

themselves out”.

But stich a view is naïve in the extreme, for it ignores

both economie and socio-political realities in most develop-

ing countries. The existence of regional disparities of the

order of 10 to 1 in per capita weli-being – as with Mexico,

ESB 3-6-1970

539

in spite of the concern for backward areas going back to

the revolution of 1910— is not only fundamentally divisive

in political and social terms, but is of equal significance in
economic terms, in that it puts almost all of the population

in the poorer areas of a country outside the ranks of

consumers of anything but the simplest and cheapest

goods and thus acts as a major restraint on the develop-

nient of a diversified economy in which manufacturing

industry has scope for expansion.

Latin America: dual spatial economy

En turning specifically
.
to Latin America we bring into

focus an area of more than twenty developing countries in

which in the adaptation of policies designed to secure

accelerated economie development – notably policies of

industrialisation and of economic integration through

customs unions and free trade areas –
11111e attention has

been paid to the question and problems
of
the ,,where” of
new economie activilies.
Currently, therefore, every Latin

American country exhibits features of what can be called

,,a dual spatial economy”. Such an economy is marked

by a developed ,,core” area of limited geographical extent,

with an important industrial component contributing to its

degree of development, and an extensive undeveloped

,,periphery” with few secondary economic activities.

The emergence of such ,,dual spatial economies” is not,

ho,ever, merely a function of recent economic develop-

ments. For an adequate explanation one must go back at

least into the period when economie colonialism provided

the mainspring for development. This produced a situation

in which the location of economie activities within national

territories was a matter over which the national govern-

ments had little, or even no, control. Decisions on develop-

ments were taken by partjes external to the country concern-

ed on considerations exterral to the interests of the national
economy. The chances of the relatively weak Latin Amen-

can governments doing much about this situation were

limited – but, in fact, their desire to influence the geography

of development was minimal, for their only real concern

was to secure some share of the profits which were being

made in the exploitation of their ternitories.

Thereafter, the political nature of most governments

ensured that local wealth obtained in such activities was

spent in small islands of conspicuous consumption largely

coincident with these already established out of the conside-

rable profits made by a few inhabitants from their tradi-

tional land holdings. Permanent witness to such spatially

concentrated conspicuous consumption are the elegant

suburbs and the richly endowed paseos and avenidas of

cities like Buenos Aires, Rio de Janeiro, Santiago etc. and

the sophistocated, and almost equally elegant, developments

of summer resorts such as Mar del Plata and Punta del

Este.

Tncreasingly over time, however, the exploitative, colonial

type economy provided Latin Anierican governments with

revenues for investrnent in national social and economie

infrastructures. But in this respect, too, there was an almost

continental-wide propensity to invest these revenues at

the pre-existing centre of economie and social activities

– which was, in most cases, each country’s capital city.

Thus there developed a niarked regional imbalance in the

geographical patterns of infrastructural development with

the emphasis on development of facilities in the primate

city which thereby achieved an even higher degree of

primacy.

Neither was this just a matter of expenditures in the

public sector. Sïmultaneous private investment was also

locationally related to that of governnients. There were

several good reasons for this. Firstly, most private capital

originated in the core area as this was the most likely

residence of those individuals with a surplus available for

savings. Even when their income arose Out of land holdings

elsewhere in the country this was largely remitted to the

capital or primate city where banking facilities and other

financial institutions were sufficiently developed to niatch

these savings with investment opportunities. Secondly,

capital from abroad, for investment in sectors other than

extractive industry and conimercial agriculture (whosc

financing was usually arranged internationally), also came

into the financial system centred on the primate city where

it could be merged with the Ilow of dornestic capital.

Thirdly, on the demand side investrnent opportunities in

the centre were safe, easy and profitable enough – without

worrying about possible alternative opportunities elsewhere

in a country. This was the case for both political and eco-

nomic considerations.

In political terms, governments tended to be inter-
ventionist – particularly as far as the developnient of

industry was concerned. For the private investors this

implied the need for continuous liaison with appropriate

government developments in order to gain official sanction

and support for particular projects. Geographically to

isolate one’s investment from the bureaucracy was a

certain meâns of creating, rather than solving, problems.

Thus, politicall’, there was much to be said for locating
private developments in the core area rather than at the

geographical periphery of a nation’s economy.

In economie terms there was much to confirm this

political motivation for a central location. Most private

investment was in sectors c6ncerned with pnoduction for

final consumption and the niarkets for such goods and

services wene, of course, almost invariably geographically

concentrated in the core region -which usually contained

the only sizeable group of potential consumers. Thus,

maximum profit locations for such investment were at or

near the centre. To have located elsewhere involved addi-

tional transport costs in moving the goods back to the

main niarket area with little likelihood that these additional

costs would be offset by lower costs in other parts of the

roduction process.

Out of this complex set of essentially inter-related

factors arose the core/periphery pattern of economie’

development in most Latin Amenican countries. Moreover,

the locations of the core areas usually refiected the 16th

century locational preferences of the Spanish conquista-

dores for the administrative centres of their Empire!

As a result, at a continental level to-day, one can recognise

only a small number of centres of non-primary economie

activities. –

Based on an analysis of available data on electricity

use, the author has denived the following ranked order of

Latin Amenican centres of non-agnicultural economie

activities (See Table 1). Their distribution in the continent

is shown in Figure 1. The analysis demonstrates the

dominance of one centre of âctivity over all others Within

niost of the Latin Amenican countries. Buenos Aires, for

example, is 6,5 times more important than Rosario,

Argentina’s second city. Mexico City is over 6 times more

important than either Monterrey or Veracruz. The twin

cities of Sao Paulo and Rio de Janeiro dominate the

Brazilian space economy to the same degree as does Lima

540

Fig. 1. L,4TIN ,4MERJC,4: Cenires of Econo,nic Activities.

Maracaibo

Panama

ranuitLa
$

:i;uah:

Ciudad
1
: MedeLLTn

Guayana

Monterrey

am
Bogota

Cajamarca»

1

\…
Lima

LcL


t

Paz

t

1

Antofagosta ::


I

“-•

t

1′

)

/

/

1San j0ntrd0ba

A
t
.

Rosario
/

Santiogo\U Mendoza

(1 •

mug
aan
IJ

os Aires
NS….
……
NU….
concepcIon:

Buen

……

T.

_..7Mar del Ptata

Bahia Blanco

Havana

•(Tampico
…..
NU…
Guadalajcira
.
… .
i
NU.
Mexic
City

Veracruz

San Satvado
‘ –

San .Jasé.

Redfe
vador

Beto Horizonte
S
S.

.5.
NU..
NU..
UUUU
_

U…

NUNRi de Janeiro
USU•

sao
Pauto

0
Alegre

This map shows the locations of

about
900/o
of non-agricuttural

activities.

Each square represents 05
0
1
o
of

the total activities shown.

I
0

Kilometres

1000

ESB 3-6-1970

541

.
.;•

.’

..’..

..

4.-

in Peru, Caracas in Venezuela and Havana in Cuba. In

Chile more activities are located in the Greater Santiago
region than in all the rest of the country. Overall, within

the whole ‘continent over 90% of all non-agricultural

activities appear to be located in only 41 centres of industry

and commerce in spite of the fact that there are something

like 200 cities with over 50,000 inhabitants around which

integrated national space economies could be built.

Table 1.

Ranked Centres of Economic Activitp in La/in America

Rank

Size
within

(when Buenos
Rank Centre

Country

Country Aires = 100)

Buenos Aires
Argeizlina
1
100
Sao Paulo
Brazil
1
63
Mexico City
Mexico
1
50
Rio de Janeiro
Brazil
2
34
Santiago
Cl,ile

.
1
25
Havana
Cuba
1
18
Caracas
Venezuela
1
17
Lima
Peru
1
17
Rosario Argentina
2
15
Montevideo
Uruguay
1
13
Antofagasta
Chile
2
9.1
Msr del Plata
Argentina
3
8.9
Belo 1-lorizonte
Brazil
3
8.6
Maracaibo Oil Towns
Venezuela
2
8.4
Concepciôn
Chile
3
7.5
Veracruz
Mexico
2
7.0
Monterrey
Mexico
3
6.8
Medellin
Colombia
1
6.6
Ciudad Guayana
Venezuela
3
6.5
Mazatlan
Mexico
4
6.3
Cordéba
Argentina
4 5.8
Recife
Brazil
4
5.7
Bogotâ
Colombia
2 5.7
Panama
Panama
1
5.3
Cali
Colombia
3
5.0
Mendoza
Argentina
5
4.8
Paraguana
Venezuela
4
4.7
Maracaibo
Venezuela
5
4.5
Salvador
Brazil
5
4.4
La Paz
Bolivia
1
3.8
Porto Alegre
Brazil
6
3.7
Guadalajara
Mexico
5
3.6
Tampico
Mexico
6
3.1
Barranquilla
Colombia
4
2.9
San Josb
Costa
Rica
1
2.7
San Juan
Argentina
6
2.6
Chihuahua
Mexico
6
2.5
San Salvador
El
Salvador
1
2.4
Santiago
Cuba
2
2.4
Cajamarca
Peru
2
2.4
Bshia Blanca
Argentina
7
2.3

N.B. – The first entry for each country is in italics

More than this, as Table 1 shows, the ,,top-ten” of the

41 centres account for about 70% of total activities clearly

bringing-out the quantitative importance of a small number

of even more highly developed ,,super” core areas including

the capital cities of eight of the largest countries. With this

evidence to hand, the description of each Latin Anierican
country as one having a dual spatial economy rnarked by

a developed ,,corearea” of limited geographical extent and
an extensive underdeveloped ,,periphery” with few secon-

dary activities, appears not to be an exaggeration.

Within thê framework of this general model of the

geography of economic development in Lalin America,

it would seem desirable to look separately at two groups

of countries – on the one hand
s
the large countries and,

on the other, the countries whose geographical extent is

more in line with our European experience. Even with the

second group the marked regional contrasts in levels of

development persist. One might compare this with the

situation in European countries which in general have

welI-structured geographical pattern of activities with

all their territories more or less completely integrated into

the national socio-economic systern through effective

admi n istration, coniprehensive communication and trans-

port facilities and a hierarchy of cities and towns which
between them share the available jobs in secondary and

tertiary economic activities (consequently, regional differen-

ces in average per capita income are rather small and spatial

contrasts in opportunities little more than barely notice-

able).

On the other hand, Latin American countries such as the

Dominican Republic and El Salvador, with respectively

much the same geographical area as Denmark and Belgium,
are, in essence, city states in which almost every phenomen-

on of economic, social, political and cultural importance,

is located in the capital city, which is thus so far ahead

of any rivals for the location of non-primary sector activi-

ties and associated social developments as to make any

alternative area of growth an almost inevitable non-

starter. Structural change in the economies of such coun-
tries – arising from the growth of manufacturing industry

and tertiary sector activities – serves only to re-emphasise

the geographical centralisation of the spatial pattern of

society, for manufacturers locate. near the market and

tertiary activities locate as near as possible to the politico-
economic centre of a country.
Thus, the tendency for agglomeration and centralisation

becomes so powerful as to necessitate an extra-ordinary
countervailing force to overcome it – a force much more

powerful than that which has been necessary even -in

Western European countries with their pre-existing more

dispersed geographical patterns of economic and social

development.

Puerto Rico: reducing imbalance

In
only one Latin American country, Out of the fifteen or

so in this group, has any really serious action been taken

to try to
reduce imbalance bel ween the core area and the

periphery.
This is Puerto Rico where analysis of the

phenomenon and the consequences of regional imbalance

emerged out of a realisation that its policy of industriali-

sation demanded that the earlier physical and land use

planning be re-evaluated. Such physical planning now had

to be placed within the franiework of an industrial location

policy without which few industrial investors would look

beyond the obvious advantages to them of a factory site

in the San Juan metropolitan area.

In the first .few years of the industrialisation policy the

– San Juan area, which at the time had only 18% of the

island’s total population, had attracted
55%
of the total

job opportunities created in manufacturing. As the capital

city already enjoyed a pre-industrial core area status, its

attraction for the bulk of new and rapidly expanding

industry seerned certain to lead to even more accentuated

regional inequalïty in Puefto Rico. This was the back-

ground to the introduction of a positive industrial location

policy which aimed to contribute to the ,,orderly regional

development” of the island through an ,,Industrial Decen-

tralisation Program”. This involved, in part, an infra-

structure improvement programme for areas away from

San Juan but, more important, it tried to ensure that

industrialists could enjoy higher profits by locating away

from, rather than in, San Juan. As such, it required

spatially
,
varied financial inducements for industrial

investors.

The geograhical pattern of these incentives is shown

in Fig. 2. In the past ten years or so they have led to a

degree of dispersal of manufactûring activities. They

helped to secure, for example, the successful establishment

of adequate industrial sectors in the economies of major

542

Maya

4

/

Fig. 2. PUERTO RICO: Financidi incentives in the industrial Decentralisation Progra,n,ne.

1. Rerta1 rates for Fomento factories

/lrorihh

Cents per sq ft

95
ajardo

85
70
60

50

2. Tax exemption zones

Number of years
tax exemptiOn

17
ajardo

12

EH
O

3. LocaLization incentives capital. grants

Moyag

regional centres on the island away from San Juan such

that the inhabitants of most municipalities are now within

daily journey-to-work reach of job opportunities in the

secondary and lertiary sectors. In short, a basis has been

Jaid for reorientating the island’s spatial economy so as to

produce a better ,,balance” between San Juan and the

rest of the island. This is certainly an advantage in social

and political terms and iiiost probably in economie terms

too, for substantial savings have been achieved in public

sector expenditure by limiting the iieed to expand facilities

and services in the expensive nietropolitan area (these

saving have apparently exceeded the cost to the govern-

ment of its decentralisation programme). Decentral isation

has also produced a more broadly ba’sed demand for a

wider variety of industrial goods and services.

Regional planning in small developing countries

This Latin Am&ican example of a deliberately changed

spatial economy designed to sccure a geographical pattern

ESB 3-6-1970

Grant for

30

100
e
mployees

30,000

$50,000
ajardo

20000

35,00

15,000

25,000

5,000

10,000

Ni[Nil

0

Kilomelres

60

of activities – and of population distribution – very

difterent from that which would have emerged had ,,market

forces been left to sort themselves out” is faniiliar to a

European observer fot’, unless positively proved other-

wise, he has a predisposition to accept that economically,

politically and socially some decentralisation along Puerto

Rico lines is desirable.

Given the acceptance of this basic point, there appear
to be three main considerations which should effect the

regional plannirig of small countries in the developing

world. Firstly, an evaluation of the costs and benefits of

different strategies (eg. dispersion to a small number of

large regional centres or, alternatively, to a larger number

of smaller centres). Secondly, the iieed to create job

opportunities in secondary and tertiary activities within

daily reach of as large a proportion as possible of the job.

seeking population. Thirdly, a recognition of a need to

give attention to the type of environment which
is
created

by difterent spatial patterns of economie activities – so as

to avoid some of the environmental disadvantages from

543

which the advanced industrial countries are now suffering.

Thus, regional development in the large number of small

to niedium sized Latin Arnerican countries (from Trinidad,

Puerto Rico and Jamaica through to Nicaragua and

Uruguay) becomes a matter of ,,how best to do it” rather
than one of ,,whether or not to do it at all”: acceptance of

this would bring attitudes in these countries to roughly

the same point reached in recent years in most countries
of Western Europe as far as spatial aspects of econornic

development are concerned.

Needed: a ,,resource frontier” policy

On turning to the ten largest countries of Latin America

there is another important aspect of the geography of

economic development which demands our attention

– though the fact that we have time only to deal with

this aspect here should not cause us to forget..that the large

countries also have a core/periphery problem as serious

as that of most of the smaller countries. We are con-

cerned here, however, with the consequences of the

continued existence within the large countries of a
,,re-

solirce frontier”
beyond which lies virgin or nearly virgin
territory for possible exploitation. The existence of such

a frontier brings another dimension into the possibili

ties for change in the geography of economic development.

The new dimension arises from the iieed to compare the

relative costs and benefits of investment in the resource

frontier region with the costs and benelits of investment

in the already populated part of the country. Such calcu-

lations in themselves are difficult enough but there are

other, perhaps even more fundamental, motivations involv

ed in decisions on opening up a frontier region. in the

United States in the 19th century, for example, frontier

policy rflected the nation’s desire to achieve its ,,manifest

destiny” of coast to coast control.

A somewhat parallel type of unquantifiable motivation

appears to lie behind Brazil’s push into its interior: a push

which is backed by national investments in projects like

the new capital, Brasilia, and in the trans-Amazonia road

network and by the significant tax relief allowed on all

private investment going into the resource frontier region.

In taking such action the Brazilian government is, of
course, diverting capital, which may have produced

immediate benefits in the populated part of the country,

to uses in areas where its impact on development will

only befelt in the much longer term. This is a difficult

decision w,hich must be faced by all countries whose

national territories include both populated and unpopulat-

ed areas. Elsewhere in Latin America contrasting

attitudes have been taken towards this important issue.

In Peru an overwhelming need for maintaining expen-

diture in the populted (but still undeveloped) part of the

coüntr.y has largely inhibited investment in the frontier

territory. Another factor constraining any really serïous

Peruvian effort to implement its hopes for its Oriente lies

in the. inevitable scale and indivisibility of investments

required in the frontier regions. For a country persistently

short of capital – as Peru is – the heavy and continuing

drain on its limited resources which would arise from any.
major commitment to development in the Oriente, would

pose a very unattractive possibility for its political leaders

whose need to offer themselves for re-election would always

come before any favourable results could emerge from

such resource-frontier activities.

To an outside student 0f the main issues in the geography

of economic development in Latin America, these conside-

rations for Peru would also seem to have applicability

elsewhere – Bolivia, Ecuador, Colombia, Paraguay,

Argentina – such that large parts of their national terrï-
tories will remain largely unpopulated (see Fig. 3) and

unincorporated in their national space economies for some

decades ahead. in the meantime more attention will be

given to the reshaping and the re-ordering of the spatial

patterns of economic development in the occupied parts of

the countries concerned. In
theseLatin
Americancountries

unlike the sitûation in other parts of the developing

world, notably south east Asia – there is as yet very little

pressure of population on developable resources such that

attention
must
be given to opening up new territories.

The Guayana project

By and large, (hen, Latin America’s resource frontiers

will remain for future ,,development decades” but one must

point out one major exception to this situation — quite

apart from what is happening in Brazil. This exception

is the massive Guayana development project in Venezuela

(see Fig. 4) where the decision to push into the resource

frontier region was based on the argument that its develop-

ment would have such a-fundamental effect on the pre-

existing spatial framework of the economy that the tradi-

tional problem of regional imbalance between a small,

developed core area and a large under-developed periphery

could be tackled within an entirely new and more advanta- –

geous situation. Today, after 10 years of effort and invest-

ment on a grand scale, .the effective national territory of

Venezuela has consequently been greatly extended and the

resource frontier pushed well back to thesouth and east.

Behind the decision to develop Guayana lay a governmental

commitment to regional development policies (govern-
ments since 1958 have found their support from mainly

outside Caracas), and a realisation that the Guayana-

project was basically the only one which could be carried
out given the lack of expertise by national planners in the

spatial coniponent of development planning.

The known resource base for G uayana was so outstanding

that its economie viability was quite dear; politically it

was a sufflciently bold effort to capture the headlines and

thus serve to enhance the image of the government; whilst

administratively it was a growth point whose dévelopment

would not be hindered by pre-existing social and economic

problems and which, in the absence of local interests and

pressure groups, could be handled from the centre as a

Caracas based and controlled project. Finally, of course,

Venezuela alone amongst Latin Amerièan countries could,

as a result of its considerable and steadily rising revenues

(I.M.)

544

Fig. 3. L,4TJN AMERICA: The
Dist,ibuiion.ofPopulaiion.

40
0

N

4q
••
….
•••
.

/

0

0

20
0
N

.•

20

VENEZUELA..

COLOMBIA:

ECUADOR
0
0
.

.

………

0
0

P E R U

B R A Z PL

BOLIVIA

20°

w
200

6

URUGUAY

40
0

AREAS WITH MORE THAN


0


10 PEOPLE PER SOUARE KILOMETRE

.

O

CITIES OVER 1,000,000

0

OTHER CITIES OVER 500,000
0

500knis

1000

.

80
0

60
0

40
0
W

S.Schoevers

.

,

.

• E.G.I..

ESB 3-6-1970

.

.

•. .

45

Fig. 4: VENEZUELA: The Location of the Guayana Project.

R. Caron Hydro Plants

– .

TRINIDAD

-Mocogua

1900 MW

A

arupono

Coruachi

1500 MW

B

Tocoma and Guri Ptants

C

Cumana

Puerto La Cruz

non ore

7100 MW

fron ore raitwoys

Borcglono

Motur(n
Roods

to Caraas

J

Q

E Tigre

Future bridge
S. rde Guayona to Caracas

I

– .

1

500km.

.

Cuidad Bolivar

lOm.Navigation channel, 250km.tong

\ 0

Sonto Tome de Guayona

A

ÊtPoo
B
C.

1

Cerro Btiv.

/

¼.

/..-

)

\
¼._..

•_)

1f

(

¼


II
‘ Gijiona H
i
ghIQfld
s

0

Kms

100

/

? /

\—.
orest Reso
1
urces

‘¼

VENEZUELA

0

C
0L0i46
A

.

R
AZII.

from oil production, count on the continuing availability

of finance for the project. Thus, the Guayana project was

– not only desirable but also practical. Jt was therefore

Ç preferëd by the government as an alternative to efforts at

reorganising the spatial econornic structure of ihe populated

regions within which there were some particularly tough

problems to solve as a result of many decades of a trend

towards the centralisation of most highly productive

activities (except some in the oil sector) in the Caracas

metropolitan region. By 1960 this region, covering only

3% of the national territory, had about 32% of the total

population and as much as 80% of all non-agricultural

and non-petroleum activities.

Demonstration effect

However, the governement’s decision to concentrate its

regional planning efforts on the Guayana project only

very temporarily restrained pressure for the spatial reor

ganisation of the already populated parts of the country.

( As things turned out,
ifl
fact, the Guayana project had

a marked demonstration effect in favour of spatial change

for, as politicians ,etc. in other parts of the country saw

something of the impact of a major regional development
effort, they voiced their own demands for regional invest-

546

ment in their own localities so as to secure better opport-

unities for the people they represented. Tn addition, the

government found that the Guayana project itself necessi-

tated predictions ondevelopments in other regions of the

country. Thus, the national planners were obliged to
restructure their work to include spatial analysis and

regional, as well as sectoral, predictions.

But for countries as large as Venezuela, and still with

resource frontiers to conquer, spatial variations in produc-

tion and marketing costs and spatial competition for

available investment funds present difficult issues in eco-

nomic development policies: and for the resolution of

such issues there is not a great wealth of relevant experience

and expertise from elsewhere on which to draw. This is a

situation which suggests that the allocation of larger

resources to the analysis of such issues by those countries

and governments which can afford it would not be a

misuse of the manpower and finance available. The size,

scale and scope of the regional problem in the world’s

developing countries would certainly give many European

scholars much more ,,to get their teeth into” than the, by
comparison, very smali-scale and minor problems of the

geography of economic activities in their own continent.

P. R. Odeli

.•,

4.

‘.

Vérkeersinfrastructuur

en vestigingspi-aatsvoordeel

De invloed van de infrastructuur voor het verkeer

op de vestiging van bedrijven

PROF. DRS. E. H. VAN DE POLL

in dit artjkel wil ik de vraag behandelen
welke betekenis

infrastructuurwerken ten behoeve van het verkeer hebben

op
de vestiging van bedrjjven.
Onder bedrijven zou ik in dit

artikel willen verstaan
alle
bedrijven, dus niet alleen indus-

triële’ bedrijven, maar ook dienstverlenende bedrijven of

landbouwbedrijven. Dat het in stand houden van dit soort

infrastructuurwerken, respectievelijk de uitbreiding van

het pakket ervan, van grote betekenis is voor de vestiging

van bedrijven zal wel nauwelijks, betoog hoeven. Welke

invloed er precies uitgaat van infrastructuurwerken op de

vestiging van bedrijven, wordt vaak minder duidelijk

beseft, terwijl zelden de kwantitatieve invloed op de be-
drijfsvestiging van infrastructuur-investeringen voor het

verkeer wordt geanalyseerd.

Jn het onderstaande wil ik nader ingaan op enkele essen-

tiële punten, die spelen bij de, beoordeling van de vesti-

gingsgevolgen van dit soort investeringen in de infrastruc-

tuur. Het lijkt zeker van veel betekenis de desbetreffende

invloed van dit soort infrastructuurinvesteringen beter te
leren kennen en te preciseren. Immers, een goede beoor-

deling van de invloed ervan op de economische groei, op

de werkgelegenheid maar ook op de spreiding van activi-

teiten overeen geografisch gebied, is niet goed mogelijk

wanneer niet wordt onderkend welke invloed van deze

investeringen op de vestiging van bedrijven uitgaat.

Zo kan men noch een privaat-economische, noch een

sociaal-economische of algemeen-economische rentabili-

teitsberekening van dit soort infrastructuur-investeringen

maken, wanneer niet de vestigingsgevolgen en het daar-

door in de toekomst te verwachten verkeer en vervoer over

een langere periode (gezien de lange levensduur van infra-

structuurwerken voor het verkeer) kunnen worden over-

zien. Het effect op het toekomstige verkeer van zo’n infra-

structuur-object of een complex van zulke iiifrastructuûr-

objecten moet in -een dergelijke berekening nu eenmaal

aan die investeringen in de infrastructuur kunnen worden

toegerekend. –

Het toekomstige effect op het verkeer wordt echter voor
een belangrijk deel bepaald door de na het tot stand komen

van die infrastructuur te verwachten bedrijfsvestiging. Aan

‘een essentiële voorwaarde voor het beoordelen van de

rentabiliteit kan dus niet worden voldaan, wanneer geen

inzicht in de gevolgen op de vestiging van bedrijven kan

worden verkregen. Dit houdt in feite in dat, zonder vol-

ledig inzicht in de vestigingsgevolgen, een keuze op basis

van een prioriteitenvolgorde gebaseerd op een rentabili-

teitscriterium niet zou kunnen wordengemaakt, hetgeen

zou betekenen dat een verantwoord economisch beleid

t.a.v. deze infrastructuur-investeringen niet mogelijk zou

zijn.

Hetzelfde zou ook kunnen worden gesteld t.a.v. andere

beleidsmotieven. Ook al zou men in het beleid bewust

afstand willen doen van zuiver economische doeleinden

als maatstaf voor het te voeren verkeersinfrastructuurbe-

leid, bijv. op motieven van ruimtelijke ordening of sociale

motieven en bijv. willen kiezen voör een bepaalde sprei-
ding, dan nog rijst de vraag welke spreidingsinvloed van

het aanwenden van het beleidsmiddel infrastrictuur-

investeringen in het verkeer is te verwachten.

Eén van de beleidsinstrumenten die bij het regionaal

beleid worden gehanteerd is, zoals bekend, het aanleggen

van verkeersinfrastructuren. Zo worden de investeringen

in de desbetreffende infrastructuur in diverse regerings-

nota’s gepresenteerd als afzonderlijke beleidsinstrumenten

t.b.v. de spreiding. In de tweede nota over de ruimtelijke

ordening en in de nota inzake de sociaal-economische as-
pecten van het in de jaren 1969 tot en met 1970 te voeren –

regionaal beleid, wordt bijv. zeer veel aandacht besteed

aan dit soort investeringen, welke worden gezien als een

beleidsinstrumerit om tot een beter vestigingsklimaat in

bepaalde streken, en daardoor tot een betere spreiding var
activiteiten over Nederland te komen. Ook in de nota over

de ontwikkeling van het Noorden des lands, wordt aan de

stimulerende effecten die van de infrastructuur kunnen uit-

gaan op de activiteiten in die bepaalde streek van Neder-

land grote aandacht besteed.

Een rationeel spreidingsbeleid kan echter alleen dân

worden’ gevoerd, wanneer het concrete spreidingseffect van

de investeringen in de verkeersinfrastructuur kan worden

onderkend; dit is alleen mogelijk wanneer in de eerste

plaats de invloed van die infrastructuurinvesteringen op de

vestiging van bedrijven in de desbetreffende regio’s kan

worden overzien. Dan kan men ook een beter inzicht ver-

krijgen in de spreiding van de bevolking, omdat deze

laatste spreiding niet los kan worden gezien van de werk-

ESB 3-6-1970

.

547

gelegenheid die de vestiging van bedrijven in de toekomst

met zich mee zal brengen.

Betekenis van de verkeersinfrastructuur voor de vestiging

van bedrijven

Verkeersinfrastrutuur als deel van
het beleidspakket

Nu is het om een goed begrip van de invoed van inves-

teringen in de verkeersinfrastructuur op de vestiging van

bedrijven te kunnen verkrijgen, noodzakelijk allereerst op

te nierken dat zij één van de middelen zijn om de vestiging

van bedrijven te stimuleren. Daarnaast zijn er andere moge-

lijkheden, bijv. het geven van subsidies. Ook andere over-

heidsvoorzieningen kunnen worden gebruikt om het ge-

stelde doel te bereiken, zoals bijv. betere opleidingsmoge-

lijkheden, betere recreatievoorzieningen of culturele voor-

zieningen ter plaatse enz.

Het gestelde doel zal vaak op de meest efficiënte wijze

kunnen worden bereikt wanneer verschillende beleidsniaat-

regelen samen en in onderlinge samenhang worden toege-

diend. Ook in dat geval echter blijft de vraag bestaan

welke doseringen van de verschillende ter beschikking

staande beleidsmaatregelen moeten worden gegeven. Men

kan zich immers variaties voorstellen, gezien het gehele

arsenaal van ter beschikking staande afzonderlijke beleids-

mogelijkheden, waaruit dan een dusdanig samengesteld

pakket van maatregelen kan worden gekozen dat naar ver

wachting niet de geringste offers het gestelde doel zal

kunnen worden bereikt Door het op deze wijze beoordelen

van verschillende alternatieve pakketten van maatregelen

en het uiteindelijk kiezen voor één optimaal pakket, ver-

krijgt men dan een indruk welke concrete bijdragen door

investeringen in de infrastructuur voor het verkeer zal

moeten worden geleverd.

Of in de praktijk de samenstelling van het beleidspakket

wel altijd optimaal is voor het verkrijgen van een gewenst
economisch, sociaal of planologisch resultaat, is de vraag.

Het lijkt bijv. niet onmogelijk dat het aandeel van de

infrastructuur-investeringen voor het verkeer en/of over-

heidsmaatregelen in het algemeen in het beleidspakket in

de praktijk een relatief te grote plaats innemen t.o.v. de

andere maatregelen die theoretisch zouden kunnen worden

genomen. immers, binnen het institutionele ‘kader dat wij

kennen worden vermoedelijk aan üitbreidingen van inves-

teringen in de infrastructuur en overheidsmaatregelen in

het algemeen minder belemmeringen in de weg gelegd dan

aan andere maatregelen.

Subsidiemaatregelen laten zich binnen dit institutionele

kader bijv. vaak moeilijk realiseren, omdat men vreest

dat de overheden een bepaald bedrijf bevoordelen boven

een ander en daardoor ingrijpen in de concurrentiever-

houdingen. Op zichzelf is dit ‘merkwaardig omdat de

invlced van infrastructuur-investeringe,n op de vestiging

van bedrijven in wezen dezelfde bevoordeling niet zich

meebrengt, al is hier het voordeel per bedrijf niet altijd

goed te berekenen. Dit neenit niet weg dat ook een in-

vestering in de infrastructuur voor het verkeer tot gevolg

heeft dat produktiekosten in gunstige zin worden beïn-

vloed, evenals dit het geval is bij subsidiemaatregelen ter

stimulering van de vestiging van bedrijven.

Dat men zich in de praktijk vaak richt tot de overheden

met het verzoek om meer overheidsmaatregelen resp.

infrastructuur-investeringen, kan het gevolg zijn van het

feit, dat de belanghebbenden hun pijlen richten op de insti-

tutioneel gezien zwakste en daardoor het gemakkelijkst te

doorbreken schakel in de weerstandsketting, die de over-

heden benutten om de overheidsfinanciën zoveel mogelijk

aan banden te kunnen leggen.

Maar ôok wanneer men zich realiseert dat de verkeers-

infrastructuurinvesteringen moeten worden gezien als een

onderdeel van een pakket van maatregelen, dat moet

worden genomen om bepaalde economische of planolo-

gische doeleinden te kunnen bereiken, dan nog rijst de

vraag op welke wijze de bedrijfsvestigingen’door dit soort

investéringen worden beïnvloed

Nu kan men stellen dat investeringen in de verkeers-

infrastructuur tot doel hebben de verkeersomstandigheden

te verbeteren. Maar verbeterde verkeersomstand igheden
betekenen op hun beurt weer dat de produktieomstandig-

heden in het desbetreffende gebied verbeteren, omdat de

kostprijs van de produktie in dat gébied daalt en de be-

tekenis van dit gebied als vestigingsplaats voor bedrijven

daardoor relatief groter wordt, in wezen is dit, zoals ver-

nield, hetzelfde effect als hetgeen met andere beleidsmaat-

regelen kan worden bereikt. Hoe ver nien nioet gaan niet de

dosering van die beleïdsmaatregelen en dus ook niet de

investeringen in de infrastructuur van het verkeer, hangt

uiteraard af van de omvang van de aantrekkingskracht

op bedrijven, die door het in een bepaalde rhate lager

maken van de produktiekosten kan worden bereikt.

Wanneer die aant.rekkingskracht niet groot genoeg blijkt
te zijn ter bereiking van het gestelde doel, dan moeten de

produktiekosten in dat gebied door relatief grotere do-

seringen van overheidsmaatregelen, waaronder verkeers-

infrastructuur, verder worden verlaagd.

Dat de produktiekosten door het aanleggen van nieuwe
infrastructuurwerken worden verlaagd; zal over het alge-

meen wel duidelijk zijn, al lijkt het goed hierop nog wat

nader in te gaan. Zoals bekend betekenen nieuwe infra-

structuurobjecten meestal dat grotere en/of snellere ver-

keersverbindingen tot stand komen en dit betekent een

daling van de transportkosten voor bedrijven in een be-

paalde streek. Ook maken nieuwe infrastructuurobjecten

het soms mogelijk dat een nieuwe, modernere, goedkopere

transportwijze mogelijk wordt gemaakt (bijv. de duwvaart

of zeeschepen met een grote diepgang). Dit goedkoper

worden van het transport in een bepaalde streek zal over

het algemeen stimulerend werken op de vestiging van be-

drijven. Elk bedrijf heeft immers zowel aan de aanvoer- als

aan de afvoerkant met transportkosten te maken. Het kan

zijn rol in de produktieketen alleen dan vervullen, wanneer
deze kosten voor aan- en afvoer dusdanig laag zijn dat uit-

eindelijk het eindprodukt waaraan hij meewerkt kan con-

curreren op de markt. Dit hangt mede af van de aân- en

afvoerkosten van het bedrijf in kwestie. Een voldoende ver

laging van deze transportkosten in een bepaald gebied zal

betekenen dat het reëel wordt een bepaald bedrijf in dit

gebied te vestigen omdat dit bedrijf eerst niet, maar door
de verlaging van de transportkosten nu wél concurrerend

vanuit dit gebied kan opereren.

Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat bij het aan-

brengen van verbeteringen in de infrastructuur voor het

verkeer het niet alleen gaat om het verkrijgen van een ver-

laging van de transportkosten in engere zin, alleen. Het

gaat wel degelijk ook om de invloed van de verbeterde
transportomstandigheden op het kosenbeeld als totaal.

Vaak zal het zelfs verantwoord zijn die infrastructuur te

scheppen die weliswaar een relatief dure, maar wel een

snellere of frequentere vervoerswijze mogelijk maakt,

omdat daardoor ergens in de produktieketen kosten kunnen

worden bespaard, zoals rentekosten over. de transporttijd,

548′

voorraadkosten (omdat sneller kan worden aangevuld)

of depotkosten (onidat sneller kan worden geleverd).

Ook dient te worden bedacht dat wanneer over het ver-

beteren van de transportomstandigheden en de daardoor

veranderde omstandigheden voor de bedrijfsvestiging

wordt gesproken, zeker niet alleen aan het goederenvervoer

moet worden gedacht.

Ook de omstandigheden waaronder het personenvervoer

zich moet ontwikkelen zijn essentieel voor de bedrijfs-

vestiging. Ook hier spreekt naast de factor transportkosten

de factor vervoertijd een grote rol. Zo kent elk bedrijf veel

zakelijk vervoer. Dat vervoer kan veel efficiënter worden af-

gewikkeld wanneer door een betere verkeersinfrastructuur

de vervoersomstandigheden gunstiger worden. In zekere

zin geldt dit ook voor het zgn. woon-werkverkeer, dat voor

een bepaald bedrijf noodzakelijk is. De hiervoor benodigde

reistijd wordt door de betrokkenen doorgaans als iets

onaangenaams ondervonden. Het wordt voor een bedrijf

dientengevolge moeilijker om arbeidskrachten aan te

trekken wanneer de transportonistandigheden voor het

woon-werkverkeer relatief ongunstiger zijn. Het bedrijf

in kwestie zal, alvorens zich te vestigen, overwegen dat het

bij slechte vervoersomstandigheden moeilijker is om ar

beidskrachten aan te trekken dan wel extra kosten moeten

worden gemaakt om werkkrachten te kunnen verkrijgen

niet alle gevolgen vandien op de produktiekosten. Wanneer

de vervoersomstandigheden worden verbeterd, wordt ook

vanuit dit gezichtspunt de streek attractiever voor de

vestiging van bedrijven. Ook bij het aantrekken van af-

nemers spelen de transportkosten een belangrijke rol
bij
de

vestigingsoverwegingen. Immers, al naar gelang een groter

areaal van klanten kan worden bereikt en dit areaal duide-

lijk afhankelijk is van de transportomstandigheden, zal

beter gebruik kunnen worden gemaakt van de voordelen

van ,,large scale production”.

Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat de transport-

omstandigheden alleen dân verbeteren, wanneer de kosten-

voordelen die door de betere verkeersinfrastructuur ont-

staan,. niet worden geneutraliseerd of overtroffen door de

extra kosten die voor die bedrijven ontstaan, wanneer de

kosten van die infrastructuur âan de bedrijven worden

doorberekend. Alleen wanneer per saldo kostenvoordelen

ontstaan, zal er sprake zijn van verbeterde vestigingsvoor-

waarden in een bepaalde streek. in die gevallen dat de

kosten voor de desbetreffende infrastructuur geheel of

gedeeltelijk min of meer gedifferentieerd aan de individuele

bedrijven worden doorberekend, zal dus het transport-

voordeel dat met behulp van nieuwe infrastructuurobjecten

kan worden verkregen moeten opwegen tegen de kosten

die aan die bedrijven voor die infrastructuur in rekening

zullen worden gebracht.

Wel dient te worden bedacht dat infrastructuurkosten

vaak niet geheel en zeker niet altijd gedifferentieerd aan

bedrijven worden doorberekend. Zo worden de kosten

voor het aanleggen van infrastructuurobjecten in een be-

paald gebied zeer vaak niet speciaal aan de gebruikers in

dat gebied in rekening gebracht, maar hoogstens uitge-

smeerd over alle gebruikers in het land. Dit betekent in

feite dat de regionale gebruikers niet met de volledige

kosten worden geconfronteerd, hetgeen het begrijpelijk

maakt dat deze regio’s sterke druk uitoefenen op de over-

heid om infrastructuurinvesteringen juist in hun gebied

uit te voeren, omdat deze meestal de vestigingsomstandig-

heden aldaar relatief zal verbeteren.

sinds 1917

sinds 1917

STEN OG RAFENBUREA U

W. STEMMER
&
ZN N.V.

Lieven de Keystr. 77, tel. (010) 20 06 86, Rotterdaw-14

vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Hilversum, Maastricht, Renkum,
Rheden, Rotterdam en Veldhoven.

Wij
leveren ook

NOTULEN VAN DIREcTIE-

EN

AANDEELHOUDERS VERGADERINGEN

De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toe-
passing van moderne geluidsopnametechniek en voor-
al onze eerste-klas medewerkers garanderen snel en
accuraat werk, uitgevoerd op uiterst betrouwbare en
discrete wijze.

(I.M.)

Blijvende voordelen?

Een ander punt dat mi. de aandacht verdient, is het feit

dat de verbeterde transportomstandigheden, die direct na

het tot stand komen van de nieuwe infrastructuur

worden geschapen, in de t-ijd vaak weer teniet worden ge-

daan. Immers, -meestal dreigt het oorspronkelijke kosten-

voordeel van het bedrijf in de tijd geleidelijk weer ver-

loren te gaan, omdat het verkeer in de regio van vestiging

om allerlei redenen toeneemt waardoor geleidelijk aan het

verkeer drukker wordt en de kans op congesties toeneemt.

Wil het bedrijf het kostenvoordeel behouden dan zal op
den duur niet alleen met de eerste infrastructuuraanleg

kunnen worden volstaan. Het bedrijf rekent er
bij
vestiging

tot op zekere hoogte op dat de overheden alles zullen doen

om ook in de tijd het in eerste .instantie geconstateerde

transportvoordeel te helpen behouden. Of dit zal gebeuren

hangt mede af van het overheidsbeleid t.a.v. dit soort

infrastructuur-investeringen.

Nu kan men zich met betrekking tot het overheidsbeleid

op dit gebied twee uitersten voorstellen. Het ene uiterste

is dat de bedoelde infrastructuurobjecten op de lange duur

alleen moeten worden

aangelegd om de transportomstan-

digheden gelijk te houden of in gelijke pas te laten lopen
met de overige ontwikkelingen. Men zou kunnen zeggen
dat de aanleg van infrastructuurobjecten in die zin’alleen

tot doel hebben de algehele maatschappelijke ontwikkeling

te begeleiden. Het andere uiterste is dat de infrastructuur-

objecten waarvan hier sprake is, doelbewust worden gezien

als een beleidsinstrument om de kosten van vestiging in een
bepaalde regio te drukken en ook te blijven drukken, om een

blijvende impuls voor bedrijfsvestigingen te verkrijgen.

De twee uitersten zullen zich overigens in de praktijk

zelden voordoen. De transportkosten blijvend drukken

door steeds weer verbeterde infrastructuuromstandigheden

(evt. . gecombineerd met andere maatregelen) lijkt geen

realistische veronderstelling. Hoogstens zal zich zo’n

situatie tijdelijk kunnen voordoen. Aan de andere kant kan

worden gesteld dat, ook bij de begeleiding van de maat-

schappelijke ontwikkeling, van elk nieuw infrastructuur-

object wel een stimulans zal uitgaan. Omdat -het hier gaat

om zgn. ondeelbare projecten worden de mogelijkheden

voor het vervoer en verkeer nameljkschoksgewijs ver-

beterd. Telkens wanneer een nieuw infrastructuurobject

tot stand wordt gebracht, worden er zekere bottle-necks

voor het vervoer en.verkeer weggenomen. Van elke aanleg
ESB 3-6-1970

549

op dit terrein zal dus wel bijna steeds een stimulans uit-

gaan. Dit kan men ook afleiden uit het feit dat bij vrijwel

elke investering op dit gebied na het gereedkomen een

zekere hoeveelheid ,,nieuw verkeer” kan worden gecon-

stateerd.

Tenslotte moge er nog op worden gewezen dat de in-

vloed van infrastructuur-investeringen op de bedrijfs-

vestiging uiteraard per soort bedrijf kan verschillen. Ver-
beterde transportornstandïgheden betekenen voor het ene

bedrijf een relatief groter concurrentievoordeel dan voor

het andere bedrijf, omdat het transport nu eenmaal voor

verschillende bedrijven van verschillende betekenis is.

Doorgaans wordt gesteld dat transportkosten als regel

een relatief gering deel uitmaken van de totale produktie-

kosten van bedrijven, waaruit dan veelal de conclusie

wordt getrokken dat transportkosten relatief onbelangrijk

zijn bij het kiezen van de vestigingsplaats. Of deze conclusie

zo ongenuanceerd mag worden getrokken is echter nog

maar de vraag. Wanneer men dit stelt, dan denkt men over

het algemeen te veel aan de transportkosten in engere zin

en niet aan de transportonistandigheden voor het per

sonenvervoer naar en van het bedrijf of aan de invloed van

cle vervoersomstandigheden op andere dan transport-

kosten, zoals de rentekosten, de voorraadkosten of de

depotkosten. Ook wordt dan te veel vergeten dat, wanneer

men vestiging overweegt, de transportkosten vrijwel de

enige kostenfactor vormen die men geheel zelf nog in de

hand heeft en waarmede men kan variëren, waardoor men

zijn vestiging daar kan kiezen waar de produktieom-

standigheden liet gunstigst zijn, gezien ook de aanwezige

situatie op het gebied van de andere produktiekosten in die

regio’s. Die andere kostenfactoren zijn meestal vrijwel ge-

geven. Alleen met cle transportomstandigheden kan men

zelf spelen.

Ook dient men te bedenken dat, oök al zijn de transport-

kosten in ruimere zin relatief gering t.o.v. de produktie-

kosten, deze toch nog wel belangrijk kunnen zijn wanneer

men ze in verhouding tot de winst ziet. 1-Eet streven naar

winstmaximalisatie zal bij de vestiging een grote rol spelen

en daarom zullen ook de transportkosten toch wel een

belangrijke plaats kunnen innemen bij liet bepalen van de

vestigingsplaats.

Voor sommige soorten bedrijven zijn de transport-

kosten zonder meer zo belangrijk dat ze een belangrijk

deel van de produktiekosten uitmaken (bijv. bij bedrijven

betrokken bij de goederendoorvoer). Wanneer men bijv.
spreekt over havengebonden bedrijven, dan bedoelt men

in feite dat die bedrijven zonder de aanwezigheid van een

bepaalde infrastructuur voor het verkeer, in dit geval een

(Vervolg van blz. 538)’

erop dat men in de toekomst best de drie beschreven

modellen zou kunnen integreren.

Tot nog toe houdt men zich bescheiden aan een of

ander aspect van de modelbouw. Men simuleert macro-

economische grootheden, maar de gebieden worden er

niet bij betrokken; men voert een attractie-analyse uit, doch

de steden in het gebied worden daarbij nauwelijks be-

schouwd; men construeert een droomstad, doch wissel-

werking tussen gebied en natie worden verwaarloosd.

Integratie van de drie aspecten is niet
altijd
noodzakelijk,

en iteratieve procedures – overstappen van één model

naar het andere, en v.v. – kunnen wel toegepast worden.

Soms echter is het nuttig een ,,zoommodel” op te zetten,

waarin sectoren alternatief uiteengerafeld of inelkaar

gedrukt kunnen worden, al naar gelang de diepte en de
ruimte van de belangstelling. Waarschijnlijk sturen wij

daar stilaan op af. Aan de limiet sluit dit dan aan bij be-

drijfseconomische modellenbouw.

Zoals de computer neem ik nu ook afscheid; gaarne be-

reid een nieuwe ,,log-in” vraag te beantwoorden. Model-

lenbouw houdt je fit. ,,A model a day, keeps the doctor

away”, pleeg ik te zeggen…….

J. H. P. Paelinck

haven, niet kunnen bestaan omdat anders de produktie-

kosten veel te hoog zouden worden.

Uit het bovenstaande kan de conclusie worden getrokken

dat de invloed van investeringen in de verkeersinfrastruc-

tuur op de vestiging van bedrijven zeer complex en ook voor
verschillende bedrijven zeer verschillend kan zijn. Kwantita-

tieve gegevens over deze invloed op .de vestiging van be-

paalde bedrijven zijn vrijwel niet beschikbaar. Het lijkt

daarom wenselijk dat meer inzicht in deze materie wordt

verkregen. Dit is alleen mogelijk wanneer het vestigings-

plaatsonderzoek in Nederland wordt uitgebreid en speciaal

de relatie met de infrastructuur nader wordt geanalyseerd.

Al naar gelang hier meer over bekend wordt, zal het

verkeersinfrastructuurbeleid op rationelere gronden kunnen

worden gevoerd. Dit lijkt zeer noodzakelijk gezien ook de

grote bedragen en economische belangen die daarmee zijn

gemoeid.

E. H. van de Poll

Geld- en

kapitaalmarkt

Negentienhonderdtachtig

Voor de economen beginnen zich

hoopvolle perspectieven af te tekenen.

Als men alle plannenmakers mag ge-

loven, zal uiterlijk per 1980 een soort

Federal Reserve Bank of Europe het

monetaire beleid in de dan ongetwij-

feld veel meer leden omvattende EEG

gaan bepalen. Eén Europese munt

(respectievelijk een aantal door onver-

anderlijke wisselkoersen zonder marge-
fluctuaties aan elkaar gekoppelde natio-

nale munten), een geharmoniseerd

monetair beleid dat gebruik kan maken

van een uniform instrumentarium,

welk instrumentarium weer verankerd

ligt in een aantal op elkaar afgestemde

WTK’s (Wetten Toezicht Krediet-

wezen), het lijkt allemaal zo eenvoudig

en overzichtelijk te worden.

En waarom zou het niet kunnen?
Het bankwezen in de verschillende

landen groeit toch naar elkaar toe? De

scherpe kantjes gaan eraf onder invloed

van de in alle landen optredende ver-

schijnselen van branchevervaging,

schaalvergroting, internationalisatie.

Bekende voorbeelden van deze ver-

vagende structuurverschillen zijn de

550

T

7

overname van de kleinere banques de

dépots door de banques d’affaires in

Frankrijk, clearing banks in Engeland,

die deelnemen in merchant banks,

handelsbanken in Nederland, die het

lange bedrijf entameren, spaarbanken
in West-Europa, die zich op commer-

cieel terrein begeven, enz.

Werkspoor:

derailleert

Oostenrijkse ministers:

bloem der nazi

Ik sprak over de hoopvolle perspec-

tieven van de grotere overzichtelijkheid

van het systeem welke zo omstreeks
1980 het monetaire stelsel zou ken-

merken. Doch met Bacon kunnen wij

verzuchten: ,,hope is a good breakfast,

but it is a poor supper!” Want hoe

staat het met al die plannen voor een

monetaire unie per 1980, die zozeer

de koppen van de financiële pers be-

reiken?

De eigenlijke impuls komt van de

Haagse topconferentie van december

1969. Volgens de daar gemaakte af-

spraken zal in de loop van 1970 een

zogenaamd fasenplan worden uitge-

werkt. Volgens bepaalde nauwkeurig

getimede trappen zou de EEG geleide-

lijk evolueren tot een hechte gemeen-

schap, culminerend in een economische

en monetaire unie zo omstreeks het

jaar 1980. De Europese munt zou dus

niet als een deus ex machina op dra-

matische wijze in het gebeuren ingrijpen

doch een logisch sluitstuk zijn van een

planmalige evolutie.

,,Natura non facit saltum” schreef

Alfred Marshall al in zijn
.Principles.

De Haagse Top is een impuls voor velen

geweest om met een eigen plan te

komen. Een commissie onder leiding

van de Heer Werner zal een selectie

toepassen en het resultaat daarvan op

zeer korte termijn (eind mei 1970) aan

de Ministers van Financiën van de

EEG-landen voorleggen. Daarna zal

in de zoner van 1970 de Europese

ministerraad een beslissing moeten

nemen.

Het valt •op, dat bij alle plannen,

waarbij die van Schiller en van de

Europese Commissie (beter bekend als

het tweede plan-Barre) wel de meest

bekende zijn, een Nederlands plan

ontbreekt’. Dit in tegenstelling tot de

andere EEG-landen. Zelfs Luxemburg

is
bij
monde van de Heer Werner

met een eigen plan gekomen. Toch is

dit niet helemaal waar. Ergens zijn wij

misschien wat. te nuchter – en na het
Europese landbouwavontuur niet ten

onrechte wat te sceptisch – om ons

te verlustigen in al te weidse perspec-

tieven. Minister Witteveen heeft in de

Kamer op zeer zakelijke wijze de pro-

blematiek benaderd en heel duidelijk

zijn visie gegeven en daarbij tevens waar-

ESB 3-6-1970

schuwend de vinger geheven, zich

daarmede scharend achter het döoi: de

heer Schiller geheven banier van de

meer orthodoxe groeperingen.

Dit brengt mij op de accentverschil-
len welke in de verschillende plannen

bestaan. Minister Witteveen wijst,

mijns inziens terecht, op cle noodzaak

om een monetaire, economische en

Deze rubriek wordt verzorgd door mede-

werkers van het Economisch Bureau van

de AMRO Bank te Amsterdam.

politieke integratie gelijktijdig te real i-

seren. Theoretische analyse van de

hier schuilende problematiek leert,

dat men dan in alle voorafgaânde

etappes ook deze economische mone-

taire en politieke integratie op elkaar
zal moeten afstemmen. Dat is onont-

koombaar. Een enkel voorbeeld kan

dat gemakkelijk illustreren, in een

monetaire unie is er sprake van een

volkomen vrij onderling geld- en kapi-

taalverkeer, önbelemmerd door wissel-

koersrisico’s, deviezenrestricties en wat

dies meer zij. Wanneer nu één van de

partners zijn budgetbeleid gaat wijzigen

(bijvoorbeeld de belastingen gaat ver-

lagen onder handhaving van het be-

staande uitgavenniveau) zal dit tot

gevolg kunnen hebben, dat er

a. een financieringstekort ontstaat,

waarvan de lasten via de geïnte-

greerde kapitaalmarkt op de Ge-

meenschap kunnen worden afge-

wenteld;

b.

een

liquiditeitstekort resulteert,

waaruit voor de gehele Gemeen-

schap inflatoirc impulsen voort-

vloeien.

Doch het budgelbeleid – structureel

zowel als conjunctureel – heeft grote

invloed op cle reële sector van de

economie. Tussen de ontwikkeling in

de reële sector en het budgetbeleid

bestaat een nauwe wisselwerking. Daar-

om zijn monetaire en economische

integratie onlosmakelijk aan elkaar

verbonden. En datzelfde geldt voor de

politieke integratie. Een prijsgeven van

een autonoom budgetbeleid impliceert

een overdracht aan een daarvoor vol-

cloend geëqu i peerd gemeenschaps-

orgaan. Een achterwege laten van een

fasering van de uitbouw van de be-

voegdheden van bijvoorbeeld een Euro-

pees Parlement zou impliceren, dat de

nationale overheden bevoegdheden

gaan prijsgeven zonder dat iemand

anders deze overneemt. –

En daar ligt nu juist de zwakke stee

in veel van de andere plannen. Met

1
Wél heeft – op de valreep – de

Nederlandse regering bij monde van

minister Witteveen uitvoerig haar stand-

punt uiteengezet, zowel in de Kamer-

debatten als in de jongste speech van

de minister voor de Internationale

Kamer van Koophandel.

551

Gemeenteraadsverkiezingen

met veel propagandamateriaal:

een goede raad is duur

Geizeraal-majoor b.d. A. M. Lizijk:

een militaire autorit-eit

Wilson:

het ei en ik

(ongecorrigeerd)

name de Franse plannen zijn nogal

spectaculair. Men kan zich niet aan

de indruk onttrekken dat hier een wat

opportunistische politiek wordt ge-
voerd. Wij weten. allemaal dat niet

name de Fransen wat vrijer willen

komen te staan ten opzichte van de

dollar. Nu is dat op zichzelf nog wel

aanvaardbaar. De ontwikkeling van de

Amerikaanse betalingsbalans geeft daar

alle aanleiding toe. Bij vele insiders

bestaat echter de vrees, dat de Fransen

het bij dit áspect willen laten; met

andere woorden op de weg naar eco-

nornische, monetaire en politieke inte-

gratie willen zij in feite niet verder gaan

dan een Europese autonomie op mone-

tair terrein, niet name geïnstitutionali-

seerd in het door de heer Giscard

d’Estaing zo krachtig gepropageerde

,,European Reserve Fund”. Ook het
propageren van de Unité de compte

européenne, de Europese Rekeneenheid

past in deze filosofie. Als men het

daarbij laat, doch er niet over peinst

om ook maar één stap verder te gaan

op de weg naar de overheveling van

eigen bevoegdheden aan supra-natio-
nale organen, is al deze activiteit niet

meer dan een spectaculair vuurwerk,

als inleiding voor een programma heel

aardig, doch zonder dat programma

een vreugde van korte duur.

Het is dan ook niet name tegen dit

soqrt plannen, dat Minister Witteveen

waarschuwend de vinger heft. Zo

stelde hij in de Kamer: ,,Men wekt

wel eens de indruk alsof die monetaire

integratie eigenlijk een wat minder

politieke, een wat technisch-monetaire

zaak zou zijn. Tk heb ook de indruk dat

sommigen daarom juist zich op dat

terrein willen gaan richten”. En daar

schuilt nu juist het gevaar in van deze

meer sectorsgewijze, pragmatische aan-

pak. Dan stort men zich in een avon-

tuur zoals het Europese landbouw-

beleid. Daar moet niet nog een mone-

tair avontuur bijkomen. Dan zouden

bij mislukken de risico’s van een golf

van protectionisme wel eens onvoor-

stelbaar groot kunnen zijn. Met name

ook Dr. Eniminger heeft gewezen op

de gevaren zich te verliezen in het
behalen van successen op randge-

bieden.

Samenvattend zou ik willen zeggen: de

geloofsbelijdenis van Minister Witte-

veen in de Kamerdebatten
2
verdient

meer aandacht, ook op Europees

niveau. De voor discussie vatbare

positie van de dollar, de noodzaak om

– nu de Europese landbouwpolitiek

in het slop is geraakt – wat anders te

doen, de behoefte om gemeenschappe-

lijk een standpunt te bepalen ten op-

zichte van de te verwachten grotere

flexibiliteit van de wisselkoers na de

septembervergadering van het JMF

in Kopenhagen, het zijn alle op zich-

zelf volkomen begrijpelijke motieven

om juist op dat monetair-technische

vlak wat te gaan doen. Doch de im-

plicaties daarvan reiken verder.

,,Op grond van het voorgaande (t.w.
de noodzaak van gelijktijdige monetaire,
economische en politieke integratie) zal
het duidelijk zijn, welk een enorme taak
hier nog voor ons ligt. Aan de ene kant
zeg ik, dat wij er positief tegenover staan
en dat wij die weg moeten inslaan. Ik zeg
er onmiddellijk bij, dat
wij
het niet moeten

doen in de illusie dat het in een paar jaar
door enkele technische ingrepen mogelijk
zal zijn. Wij moeten ons realiseren wat het
betekent en wat de consequenties zijn. Doen
wij dat niet, dan zullen zonder enige
twijfel vroeg of laat mislukking en teleur-
stelling het gevolg zijn”.

Aldus Minister \Vitteyeen. ik dacht

duidelijke taal. Daar heb ik geen woord

meer aan toe te voegen. 1980?

Dr. H.
G. Advokaat

2
Eerste Kamer, 24ste vergadering,

28 april 1970, blz. 760 en 761.

F. 1. G. Slooff:

De wegwijzer

voor Je belegger

Dit is een z6 handig boekje
dat iedere belegger er een
exemplaar van, zo voor hèt
grijpen, in zijn boekenkast moest hebben staan.
Of overkomt het u nooit dat u
tot uzelf zegt: ,,hé, hoe zit dat
nu precies?”

Prijs f8,50

Verkrijgbaar in de boekhandel
of bij de Uitgever

H. A. M. Roelants – Schiedam.

OPENBARE WERKEN UTRECHT
1

-19,

De Verkeersdienst der Gemeente Utrecht vraagt

1.. A N 0 1..
0 0 0
voor uitbreiding van de afdeling onderzoek een

Zijn taak zal met i,ame gericht zijn op het onderzoek van de relatie tussen siedebouw en ruimtelijke
ordening enerzijds en vervoer en verkeer anderzijds.


Ervaring op het gebied van planologisch onderzoek, alsn-ede bekendheid met de moderne onderzoek-
methoden en hulpmiddelen is vereist.
Voltooide academische opleiding is gewenst.
Niadeie inlichtingen omtrent de inhoud der functie verstrekt de directeur van de Verkeersdienst na
vooraf gemaakte schriftelijke of telefonische afspraak (tel. 030-911114, toestel 357).
Aanstelling zal – afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaring – geschieden op een salaris tot
maximaal
f
2023,— per maand.

Geboden wordt

• 6 procent ‘akantietoeslag;

• geen A.O.W../A.W.W.-premie verschuldigd.

Sollicitaties met recente pasfoto worden irigewacht bii de Hoofddirecteur van Openbare Werken, Ravel-
laan 96 te Utrecht. Op de enveloppe vermelden: nr. V D 6606 C.

552

Auteur