Ga direct naar de content

Jrg. 55, editie 2733

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 11 1970

EconomischoStatistischeBerichten

UITGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT

11 FEBRUARI 1970

55e
JAARGANG

No. 2733

Witmaker

Raymond Barre, vice-voorzittet van de Europese Commis-

sie, heeft in zijn: jaarlijkse uiteenzetting over de econo-

mische toestand van de EEG o.a. gezegd, dat ,,de openbare

financiën van Nederland speciale aandacht verdienen”.
Een aardig understatement, zal ook minister Witteveen

ongetwijfeld geneigd zijn toe te geven.

Aan alle kanten wordt er aan. zijn budget geplukt.

Scheepsbouwers, textielfabrikanten en boze wethouders

van financin melden zich, de handpalm omhoog, op de

Kneuterdijk. Aan de uitgavenkant is echter weinig ruimte

te vinden voor compensatie. En de inkomstenkant ver-
toont eveneens een verre van hoopgèvend perspectief.

Sommige helastingopbrengsten over 1969, met name die

van de omzetbelasting, blijken te ±ijn tegengevallen.

Volgens de minister zou het daarmee echter wel loslopen.

De tegenvaller zou in totaal slechts f. 126 mln, bedragen.

Maar zal hij niet veel groter worden als de f. 600 mln.

lagere BTW-ontvangst in 1969, welk opbrengstverlies nu

door de minister als ,,tijdeljk” wordt gekwalificeerd, voor

een deel permanent zou blijken te zijn? Als gevolg bijvoor-

beeld van een zelfde ,,geringe schattingsfout”, als waaraan

nu het achterblijven van de opbrengst aan loonbelasting
over 1969 met f. 87 mln, wordt toegeschreven? Zou dat
inderdaad het geval zijn – dit zou in de loop van dit jaar

moeten blijken – dan houdt zulks ook in dat de opbrengst

aan BTW over 1970 zou tegenvallen, en dan…, ja dan

komen we aan het miljard van het kamerlid De Goede.

Maar ook zonder dat deze schrikdroom waarheid wordt,

zal toch het einde de lasten moeten gaan dragen. De grote

witmaker, Zijlstra’s bekende 6%-norm, wordt ook door
dit kabinet in ere gehouden. Dat wil zeggen:
gemiddeld.

Begrotingsoverschrijdingen in de jaren 1968 t/m 1970

zullen dus in 1971 moeten worden gecompenseerd,

,,Witteveen geeft beperking overheidsuitgaven toe”, zeiden

de kranten aan het einde van de vorige week gehouden

kamerdebatten over de begroting van Financiën, met koppen

alsof de minister daarmee een erkenning is afgedwongen.

Voor wie zich evenwel herinnert, dat deze regering bij

voortduring het structurele begrotingsbeleid volgens de

Zijlstra-norm als uitgangspunt voor het financieel-econo-

niische beleid heeft aanvaard, zal déze ,,erkenning” niet

meer zijn dan de logische uitkomst van een eenvoudige

vergelijking met één onbekende.

Hoe echter in 1971 de groei van de overheidsuitgaven

ooit beneden de 6% kan worden gehouden (en in de loop

van dit jaar zal de onderschrijdingsnorm voor 1971 steeds

groter worden) is waarschijnlijk de zwaarste en meest

ondankbare taak, waarvoor de heer Witteveen zich tijdens

zijn ministersloopbaan tot dusverre zag gesteld. Door alle

mogelijke groepen wordt aan de bel van de verschillende

,,spending departments” getrokken. CRM en Onderwijs

bijvoorbeeld, om maar twee – qua uitgavenstijging

– explosieve te noemen. Erg veel overheidsvoorzieningen

lopen synchroon met bestedingen in de particuliere sector.
Er zijn praktisch geen marges om in te bezuinigen.

Het is nkt verwonderlijk dat onder deze omstandigheden

steeds meer stemmen worden gehoord, die zeggen: ,,Hadden

we maar niet die infiatiecorrectie toegepast van f. 600 mln.

in 1970, althans niet voor dat volle bedrag” en ,,Waarom

hebben we dat eigenlijk überhaupt gedaan?”. Wie het ant-

woord op die laatste vraag kan geven, weet ook waar de

economie ophoudt en de politiek begint.

dR

157

inhoud
Kortheidshalve

Witnaker

……………….157.
,,The trick,
of
course, is to
keep
theanti-infiationary slowdown from jrowing

Kortheidshalve

…………….158
into a grave economic slump”, aldus
Time
(9 februari) over het economisch

beleid en dè nieuwç begroting van de regering-Nixoh. Dat is inderdaad een

Prof. Dr. F. Hartog:
hele kunst. Een kunst die Nixon c.s. kennelijk niet geheel machtig zijn. Steeds

En de boer melkt voort ………
159
luider klinken er namelijk verontruste stemmen, die er op wijzen dat de Ver-

Drs. F. W. van der Schaar:
enigde Staten, als
zij
het nu ingeslagen pad van economisch beleid in hetzelfde

Fundamenteel SER-rapport …..160
tempo blijvçn volgen, het niet onaanzienlijke risico zullen lopen in een stagnatie-

fase te geraken.
The Econo,nist
bijvoorbeeld heeft reeds gewezen op het gevaar

Mr. 0. Leyendekkers:
van een stagnatieperiode met zeer geringe groeipercentages voor BNP en
Ordelijk economisch verkeer ….

165
nationaal inkomen en aanzienlijke onbenutte marges aan produktiecapaciteit.

Ingezonden stuk

…………. -‘1 67
..
Het blad waarschuwt in dit verband zelfs voor de mogelijkheid dat de Ver-

enigde Staten in eenzelfde vicieuze ,,stop-go” cirkel zullen geraken als Enge-

Europa-bladwijzer ……………

169
land in de jaren ’60 heeft doorgemaakt. Sinds medio 1969 is de industriële
produktie in Amerika niet meer gestdgen; integendeel, de laatste maanden
Maatschappijspiegel …………170
geven zelfs een geringe daling te zien. Slinkende orderportefeuilles maken het

Oost-Europa kroniek ………..171
bovendien niet waarschijnlijk dat daar de eerstkomende maanden veel ver-

Mededelingen………………178
ndering in zal optreden. Het is

ook voor de Westeuropese economieën

niet te hopen dat aldus een te hoge prijs zal worden betaald voor een politiek

(Met bijlage: Agrarische handel en
die prijsstijgingen juist wil indammen. (dR)
industrie over het Europese landbouw-

systeem)

De Consumentengids
(februari jI.) heeft aandacht besteed.aan de hoogte van de

premies van de levensverzekeringsmaatschappijen. Ook daar komt als conclusie
redactie
naar voren dat de premies nogal aan de hoge kant zijn: gesproken wordt van

commissie van redactie: h. c. bos,
een winst- en kostenniarge die ligt tussen de honderd en tweehonderd procent.

r. iwema, 1. h. klaassèn, h. w. lambers,
Een en ander wordt geadstrueerd met een voorbeeld: een man van dertig jaar
p.
j.
montagne,
j.
h. p. paelinck,
wil tot zijn vijfenzestigste jaar premie betalen om daarna levenslang ieder jaar
a. de Wit
f. 3000 te ontvangen. Hij wil dat zijn erfgenamen de betaalde premies terug-

redacteur-secretaris: p. a. de ruiter
krijgen wanneer hij vôôr zijn vijfenzestigste komt te overlijden. De meeste

.adju,zct redacteur-secretaris:
maatschappijen nu vragen voor een dergelijke lijfrenteverzekering een jaarlijkse

j. van der burg
premie van ca. f 580. Het bedrag dat de maatschappijen zelf jaarlijks moeten

beleggen om de desbetreffende uitkering te kunnen doen, bedraagt bij de hui-

dige rentevoet van 8% op zijn hoogst f.
135.
De premiebetaler maakt echter
gemiddeld 2-% rente van zijn geld; in geval van winstdeling komt dit percen-
Economisch-Statistische Berichten
tage net even boven de 3. Ook wanneer de huidige rentevoet zou dalen, blijft

Uitgave yan de Stichting Het Nederlands
er nog altijd een aanzienlijk verschil bestaan tussen de verschuldigde premie
Economish Instituut
en het dan te beleggen bedrag. Dit verschil zou, aldus de Consumentengids,

te wijten zijn aan de bestaande belastingwetgeving. De aftrekbaarheid van de
Adres:
Biirgenzeester Oud/aan 50,
premie voor een lijfrenteverzekering heeft namelijk tot gevolg dat men in feite
Rotterdam-3016,’
kopij voor de redactie.’
slechts een gedeelte van de premie betaalt. Dit belastingvoordeel tezamen

postbus 4224. Telefoon:
met de belastingvrijstelling van de rente-opbrengst zou er de oorzaak van zijn

(010)
14 55 11, toestel 3701. Bij
dat de verzekeringsmaatschappijen, ondanks hun zeer hoge premies, toch nog
adres,vjjziging s.v.p. steeds adresbandje
kunnen

concurreren

met andere spaarmogelijkheden: Wanneer namelijk
meesturen.
dezelfde man om een gelijke uitkering te bereiken
zijn
geld hij een spaarbank

Kopij voor
de
redactie:
in tweevoud,
inlegt zou hij jaarlijks een bedrag van f.
595
opzij moeten leggen; daarbij is

getypt, dubbele regelafstand, brede marge,
verondersteld dat zijn geld uitstaat tegen
4
1
/„,
,dat hij (zonder belasting-

faciliteiten) éénderde van de ontvangen rente aan de fiscus moet afdragen,

Abonnementsprjs:
f
44,72 per jaar,
en dat hij de uitkering gedurende veertien jaar zal ontvangen. Geniet hij echter
studenten!. 31,20, franco
per
post
voor
dezelfde belastingfaciliteiten als ge preiebetaler dan

behoeft hij

geen IR
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rjksdelen (zeepost).
,
te betalen over de jaarlijks bijgeschreven rente. Dan kan volstaan worden met

Prijs van dit nummer:!. 1,50. Abonnementen
een jaarlijkse inleg van f. 415. Bovendien zou in dat geval de inleg ieder jaar in

kunnen ingaan op elke gewénsté datum,
mindering gebracht mogen worden op zijn belastbaar inkomen; hetgeen het
maar slechts worden beëindigd per
voordeel nôg weer groter zou doen worden. Terecht concludeert de Consumen-
ultimo van een kalenderjaar.
tengids dat met name de .belastingwetgeving op dit terrein nodig aan her-

Betaling:
giro 8408; Bank Mees
&
Hope
ziening toe is (overigens gaat de Consumentengids voorbij aan het feit dat

NV,
Rotterdam; Banque de Commerce,
wanneer een lijfrenteverzekering tot uitkering komt daar IB over verschuldigd
Koninklijk plein 6, Brussel,
kan zijn). Het is frappant dat

mede gezien het bestaan van een levens-
postcheque-rekening 260.34.
verzekeringskartel

tot ‘op heden geen enkel kamerlid de moeite genomen

Advertenties:
N. V.
Kon. Ned. Boekdrukkerj
heeft over deze materie vragen te stellen aan de minister van Economische

H.A.M. Roelants, Lange Haven 141,
Zaken. Hetgeen op zijn minst opmerkelijk is te noemen als men ziet waar zij

Schiedam, tel. (010) 2602 60, toestel 908.
zoal wél vragen over stellen. (vdB)

158

En.
de böer:

meikt voort

159 –

Dichter dhd Bauer
had een Nederlandse

operette kunnen zijn, als wij wat, meer

aan nuziek haddei gedaan. Want in

de Nederlandse poëzie is de boer een

bekend onderwerp. Van de. geruste,

landman van Poot en de hoöfdige boer

van. Staring tot de alsmaar voort-:

ploegende boer van Werumeus Buning

is steeds. sprake van onverzetteJijkheid

en stabiliteit: Met name de boer van

Werumeus- Buning, die niet van . zijn

ploeg weg te krijgen is, staat voor ons

als het symbool van de taaie, door geen

• enkele ramp klein- te krijgen werker.

Maar de
tijden
veranderen; Tegen-

woordig kan de boer beter wat mindet

ploegen. Of, beter gezegd, als het – bij,

ploegen zoublij.ven -zou het niet zo erg

zijn.: Maar
hij
.zaait ook, en melkt. Hij

meikt zoveel dat de markt wordt ver-

stoord. .Bovendien melkt
hij
niet alleen

zijn koeien,, maar -ook de ‘ belasting-

betalers:

Zo is niet langer het water onze

voornaamste bedreiging, maar de’melk.

Hoe komt dat? Er zijn vooral drie’

groepen factoren aan het werk. In’ de

eerste-plaats is ereen directe oorzaak:

de technologische, revolutie in land-

bouw en veeteelt. In: de tweede plaats

kent de, landbouw een marktvorm die

geen sôepele aanpassing’ vn vraag en

aanbod mogelijk maakt. Dezelfde tech-

nologische revolutie in . de industrie

werkt niet verstorend, omdat de markt-

vorm dââr een betere aanpassing toe-,

laat. Dit is -dus een begeleidend ver-‘

schijnsel. In- de derde plaats wordt er

een verkeerde’ politiek gevoerd. In

plaats van alle nadruk te leggen op de
aanpassing van het aanbod worden in

hoöfdzaak’- de symptomen bestreden,

namelijk de lage prijzen. Het aanpas-

singsbeleid begint nu enige aandacht te

krijgen; nadat het marktbeleid eerst

voor de bestaande boeren gevestigde

belangen geschapen l*eft.

– Laten we het punt van die markt-

vorm wat verder uitwerken. Als er in

de industrie bij sterke toenemingvan
de produktiviteit wél ecn’ voldoende

aanpassing mogelijk is, warom lukt

dit dan niet in-de land-bouw? Omdat er

veel te veel kleine produktie-éenheden

zijn. De marktvorm staat te dicht’ bij.

volledige mededinging. In de industrie’

tredenkartels op, die tloor produktie-

beperking’ het’ aanbod aanpassen aan

de vraag bij lonende prijzen.-

Kunnen we’dat in-de landbouw niet

nadöen? Zo ja, biedt dât’dan misschien

niet -veel meer. mogelijkheden dan het

plan-Manshol’t met ‘zijn enorme uit-

gavén?

De landbouw kan, zoals we zagen, op

-‘eigén’ kracht moeilijk tot produktie-

beperking ‘komen wegens het gi’ote aan-

tal aanbieders. De oijerheid zoti dus

produktievergunningen moëten’ invoe-

ren. Die kunnen verhandelbaar gsteld

worden. De uitwerking daarvan zal zijn

dat de produktie in het algemeen ge-
concentreerd- zal worden bij de effi-

ciëntsfe bedrijven, wantdie kunnen zich

het opkopen van quota veroorloven.

De’. boeren die er uitstappen ,worden

‘op deze wijze ‘automatisch schadeloos

gesteld. De prijzen worden ‘vanzelf op-.

gevijzeld doordat het aanbod voor de
producenten ‘in gunstiger verhöuding

komt te

staan tot de vraag. Ook markt-S

beleid is-dus niet meer-nodig. Op deze
wijze krjjen de böeren niet, zoals thans

veelal het geval is, te, maken met de

‘nadelen, maar met de voordelen van
de lage vraagelasticiteiten. De land-

bouw is een industrie geworden. Laten

ij haar dan ook als zodânig behan-

-delen. -Alleen de marktvôrm verschilt –

van die in de industrie. Maar die markt- –

vorm kunnen we nabootsen door –

‘middel van produktiebepérking ‘van –

overheidswege.

• Dit’ is niet hetzelfde als het beperken

van de prijsgarantie tot een bepaalde –

hoeveelheid proçlukt. Het gaat liog één

stap verder. Die stap ligt geheel op de –

weg van de logica. Als we de produktie

beperken behoeven we ‘niet tèven de- –

prijzen voor de aanbiedee§ hoig te

houden, want,dat geschiedt dan van-
zelf. Het is, om een vergelijking met

‘nog een andere -bedrijfstak te maken,

in’ hoofdzaak hetelfde problèem ‘als- in

het vervoerwezen, waar aanbodbeheer ‘

sing en tariefbeheersing ‘,niet -beide
-nodig,zijn om ‘demarkt -te reguleren. –

Hierbij is ,tariefbeheersing symptodm-

bestrijding,., maar- aanbodbehee’sing

‘neemt de onevenwichtigheid zélf’ weg.

– Daarom wordt van

Nederlandse zijde

steeds gepleit voir- aanpak van markt-

verstöringen van de aanbodkant.Ook

van het vervoer-wezen -uit dringt zich

dus de -gedaçhte aan een radicale ven-

– –

ding in delandboiwpolitiek ôp.

Van pressiëgroep ‘tot kartel: ziedaar

dus de weg die de boeren moeten ‘gaan.

Gezien de marktomstandigheden. -zal

dit een dwangkartel môelen zijn., Maar

gr
voor overheidsinijpe’n in de landbouw

zijn we niet bang. –

– Bescheidenheid’ verbiedt dât onder- –

getekende de vôorgaande suggestie aan-s

duidt als het’ plan-Hartdg. Maar’ ‘als

-een ander dat wil doen zal hij geen bë- – –

zwaar maken.

F

SER-tapport

Van nationaal structuurbeleid naar Europese industriepolitiek

Uitbreiding van het instrumentarium t.b.v. de sectorstructuürproblematiek is uitermate urgent. Dat is
de impliciete conclusie van het SER-advies van iç december j.l. De juistheid van deze stelling wordt
niet alleen bevestigd door aanvrager om overheidssteun uit allerlei sectoren en zelfs van individuele

bedrijven, maar ook door de in Nederland bestaande achterstand ‘op het gebied van de (industriële)

sectorstructuurpolitiek en de daarvoor in het verleden uitgetrokken overheidsmiddelen. De gevolgen

van deze constellatiè gaat thans oik wellicht een bedreiging vormen voor evenwichtige voortzetting

van het tot hedén door deze regering gevoerde financieel-economische beleid. In dit verband is het dan

ook veelzeggend dat de SER – thans op eigen initiatief – wederom een stuk ter t’afel brengt, dat van aan-

zienlijke invloed op de toekomstige beleidsmarge van de overheid zou kunnen zijn Zulks markeert

enerzijds het toenemende gewicht van de SER als (nog net niet bindend) adviesorgaan van de regering,

anderzijds het verlies aan prestige van de huidige
wijze
van besluitvorming door regering en Parlement.

Een dergelijke situatie noodzaakt dan ook steeds meer dat de niet in de SER vertegenwoordigden – zoals
bijv. de politieke partijen – niet nalaten tijdig stelling te nemen t.a.v. door de SER uitgebrachte adviezen.

De schrijver is lid van de Sociaal-Economische Commissie van deVVD. Dit artikel werd niet in deze

hoedanigheid voor ESB geschreven’en geeft dan ook niet noodzakelijkerwijs de mening van genoemde

comm[ssie weer, .


Plaatsbepaling

De Sociaal-Economische Raad heeft op 19 december jI.

een voor de komende jaren waarschijnlijk zeer fundamen-

teel rapport over de sectorstructuurpolitiek uitgebracht .

Fundamenteel omdat het zwaartepunt van het economisch
beleid in Nederland, naar het zich laat aanzien, in de jaren

zeventig éen verschuiving te zien zal .geven van globaal-

ecoromisch naar partieel sectorbeleid. –

Belangrijkste oorzaak van verlies van speelruimte voor

autonoom nationaal en globaal beleid is het Europese

integratieproces dat overigens – vele tekeflen wijzen daar-

op – na de stagnatie van de laatste vijf jaar in de toekomst

eindelijk weer een opleving zal doormaken. Dit betekent

enerzijds voor de afzonderlijke lid-staten een nog versnéld

aan belang inboeten der ,,globale” instrumenten (plan-

Barre). Anderzijds zijn de bestaande en/of nieuwe sector-

structuurproblemen in diverse lid-staten door het integratie-

proces niet opgelost. Integendeel zelfs, een aantal problemen

op dit gebied is door het ontstaan van onbeschermde

nationale markten en de per lid-staat hier en daar nog aan-

zienlijk verschillende produktievoorwaarden – in som-

mige partnerlanden veroorzaakt door een sterk inter-

veniërende overheid – nog verscherpt.

Jn de komende jaren -zullen de structuurproblemen

steeds meer aandacht opeisen en de veelvuldige toepassing

met zich brengen van het voor Nederlandse verhoudingen

nogal ingrijpende instrumentarium, waarvan in het SER-

rapport sprake is, maar waarvan de toepassing voor enkele

andere partners in de EEG reeds jaren aan de orde van de

dag is of eenvoudig een structureel gegeven vormt. Zo ge-

zien is -het -SER-rapport niet anders dan een up-to-date

brengen van het instrumentarium en het inhalen van de

achterstanden die t.a.v. de’ partners op dat gebied bestaan.

Dat zou ook kunnen blijken uit het feit dat de Europese

Commissie reeds gedachten over een Europese industrie-

politiek heeft geformuleerd, waarbij een conceptie wordt

ontwikkeld welke veel verder gaat dan het SER-rapport.

Hoe dan ook, de meer traditionele Nederlandse (liberale)

uitgangspunten.— ook van het bedrijfsleven
– OP
het ge-

bied van de economische politiek, met name ter zake van

overheidsbemoeienis, zullen — gezien een aantal ont

wikkelingen – niet ongewijzigd gehandhaafd kunnen

worden. Voor de plaatsbepaling van de onderhavige pro-

blematiek is het evenwel gewenst eerst aandacht te be-

steden aan enkele omstandigheden binnen de EEG.

Europese situatie

Het Verdrag van Rome beoogt het scheppen van een kader
voorde uiteindelijke formering van een-economische unie.

Belangrijkste eis te stellen aan een zodanig samenwerkings-

verband tussen in principe soeverein blijvende staten is

het vrije verkeer van personen, goederen en diensten. Eco-

nomisch oogmerk van een dergelijk
vrij
verkeer is ,,prod-uk-

tie” van goederen en diensten onder de meest optimale

omstandigheden die daarvoor binnen het- gebied van ‘de

Gemeenschap te vinden zijn.

Hoe moeilijk het verwezenlijken van dat principe is

toont het landbouwvraagstuk. Het gevolg van het Europese

integratieproces voor de produktie van een aantal land-

bouwartikelen is even bekend als het vraagstuk van de

boterberg. Snelle aanpassing van de produktiestructuur

aan de eis der optimale allocatie bleek in de lid-staten

1
Bij het schrijven van dit artikel (16 januari 1970) was nog

slechts het uitgebreide persbericht hierover beschikbaar.

160

onmogelijk. De boer wenste bijna onder alle omstandig-

heden meer te produceren: als de prijzen daalden om te

trachten het inkomen constant te houden, als de prijzen

stegen om het inkomen te verhogen. Een ëven begrijpelijke

als voor het optimal iteïtsprincipe onmogelijke reactie.

1-Jet plan-Mansholt beoogt door structuurmaatregelen

thans datgene te bewerkstelligen wat door het markt-

mechanisme – overigens goed gefrustreerd door de har-

monisatie der landbouwprijzen op een relatief hoog niveau

– niet kon worden verwezenlijkt: beperking van de pro-

duktie gepaard niet soepele afvloeiingsregelingen voor be-
paalde groepen van de landbouwbevolking.

In bepaalde sectoren van de Europese industrie is de

situatie niet wezenlijk verschillend van die in de landbouw,

hoewel aanpassing aan de technologische ontwikkeling voor

een hele reeks specifieke problemen verantwoordelijk is.

Dat dit snel in belang toenemend probleem niet reeds veel
eerder werd onderkend heeft uiteenlopende oorzaken. Om

er een paar te noemen: een belangrijk verschil met de

situatie in de landbouw
bijvoorbeeld
was het feit dal tot

omstreeks 1964 de produktiestructuur binnen de EEG

veeleer werd gekenmerkt door capaciteitstekorten dan door

de nu iii een aantal sectoren aanwezige of dreigende over-

capaciteit. Dit was vooral te wijten aan de zeer expansieve

naoorlogse vraagontwikkeling, vergeleken waarbij de

produktie-uitbreidingen steeds onvoldoende bleken, terwijl

vervolgens die produktie in sommige sectoren nog werd

vergroot toen de vraag reeds begon te stagneren.

Een geheel andere oorzaak voor de ontstane over-

capaciteit – te groot aanbod – is ongetwijfeld de invoer

van buiten de Gemeenschap, welke met name in Italië en

Frankrijk (landen met aanvankelijk hoge invoerrechten)

werd gestimuleerd door de opeenvolgende tariefsverlagin-

gen na het ontstaan van de Gemeenschap. Het effect daar-

van deed zich overigens ook pas met vertraging gevoelen
als gevolg vati de aanvankelijk nog sterk blijvende vraag.

Maar met de cumulerende werking van Dillon- en Kennedy-

rondes en de terugval in de vraagexpansie kon het probleem

van de overcapaciteit – en daarmee ook van hier en daar

sterk verouderde produktieprocessen – in een aantal sec-

toren uiteindelijk toch niet worden ontlopen.

Evenals in het geval van de landbouw gingen op dit

moment echter ook de nationale belangen weer een door-

slaggevende rol spelen. De regeringen der afzonderlijke lid-

staten realiseerden zich in toenemende mate het grote

gevaar voor de nationale economie – met name voor de

werkgelegenheid – dat een gevolg zou zijn van te abrupte

sanering van de bedrijfstakken onder de druk der op de

nationale en intra-EEG-markten losgelaten concurrentie,

afkomstig van zowel binnen als buiten de EEG. Het antwoord

op deze dreiging kon per lid-staat sterk uiteenlopend zijn.

In Frankrijk en Italië was de reactie even automatisch

protectionistisch als traditioneel. Weliswaar kon niet meer

worden gemanipuleerd – beschermd – niet het douane-
recht, maar zowel de Franse als de Italiaanse overheid

beschikten over unieke instrumenten om het produktie-

proces waar nodig sterk en – wat gezien het bestaan van

de EEG nog belangrijker was – voor de andere lid-staten

welhaast ,,onzichtbaar” te ondersteunen. In Frankrijk ge-

schiedde dat enerzijds direct middels een reeds lang be-

staande sterke bemoeienis van de centrale overheid met

het voortbrengingsproces tot in de individuele ondernemin-

gen toe, anderzijds meer indirect via het ,,geparastatali-
seerde” bankwezen, waardoor ,,ongezien” welhaast on-

gelimiteerde financiële steun aan ondernemingen kon

worden verschaft.

In italië is de overheid zo mogelijk nog nauwer met het
bedrijfsleven- verbonden door het bestaan van vele, over-

heidsondernemingen (ENI, IR!), welk ,,systeem” op ge-

heel andere, maar wellicht even doeltreffende, wijze als iii

Frankrijk het controleren maar ook het stimuleren van

vele particuliere ondernemingen mogelijk maakt, temeer

daar de Italiaanse overheid evenmin schroomt het instru-

ment van de overheidsdeelneming/participatie veelvuldig

toe te passen.

Bezien tegen de constellatie in bovengenoemde twee

landen met een duidelijk uitgesproken ,,economie concer

té”, is de situatie in de overige partnerlanden economisch

min of meer liberaal georiënteerd, in die zin dat de over

heid in principe slechts bij uitzondering ingrijpt in de ont-

wikkeling in bepaalde sectoren, terwijl bemoeienis met af-

zonderlijke ondernemingen slechts bij hoge uitzondering en

dan meestal nog ,,op verzoek” (Verolme) plaatsvindt.

Er bestaat evenwel nôg een belangrijk onderscheid.

Wordt in Frankrijk en Italië een deel van dé sectorstruc-

tuurproblematiek opgevangen door relatief veel steun/

participatie van de overheid vooral bij de
produktie,
de
meer liberale landen – Benelux, Duitsland – worden ge-

kenmerkt door een uiteenlopende geografische ,,structuur”

van de afzet, welke hierin bestaat dat de Duitse uitvoer in
veel geringere mate (38%) dan die van de Benelux (60%)

op de intra-EEG-markt is gericht, hetgeen bepaalde struc-

tuurmoeilijkheden binnen de EEG (overcapaciteit, con-

currentievervalsing) voor de Nederlandse industrie nog

accentueert
2

Het SER-ad vies

De SER zelf constateert ,,dat het overheidsbeleid ter ver-

wezenlijking van de sociaal-economische doelstellingen tot
voor kort globaal van karakter was en slechts bij uitzonde-

ring gericht op specifieke sectoren” , waarbij de Raad

een accentverschuiving signaleert, ,,die gaat in de richting

van een meer directe bcmoeiing van de overheid met af-

zonderlijke bedrijfstakken”.

De Raad analyseert de structuurproblematiek iii feite

middels een onderscheid tussen
,,sectoren ‘net goede perspec-
tie vee,

en bedrijfstakken
welke in moeilijkizedeij verkeren.

Wat het nemen van stimulerende en/of steunmaatregelen

ten behoeve van de eerstgenoemde sectoren betreft, wordt

gesteld dat zulks pas zal kunnen worden overwogen als

alle mogelijkheden
van liet globale overheidsbeleid
reeds

zoveel mogelijk zijn benut en toch nog knelpunten een

wenselijk geachte ontwikkeling verhinderen. Wat deze sec-

toren betreft komt het advies van de Raad dus toch weer

neer op een principeverklaring ten faveure van het globale

beleid.

Wat de rol van de overheid bij
in inoei/jjkheden ier-
kere,ide bedrjjjstakken
betreft, wijst de Raad op de nood-

Deze problematiek inn te geringe geografische spreiding

i’a,z de Nederlandse uitvoer – rond de jaarwisseling 1970

door n’ell,aast iedere nationale autoriteit op e.vporlge/)ie(I

gemeinoreerci – werd op 9 november 1967 reeds in de ;’aste

commissie vami Ecoiiomnisc/,e Zaken (Dis. 7h. II. ./oekes) awi

de orde gesteld.

In ,,ESB” dd. 5 juni 1968 merkte ik hierover op: ,,IIeI
economisch beleid
……
lijkt de koineitde jaren derhalve

in/mw/er globaal, meer sectorgeivjjze le nioeten ingrijpen”.

161

zakelijkheid tot bereidheid de activiteiten van een derge-

lijke bedrijfstak te staken, al kan ,,enige vertraging van deze

ontwikkeling door tijdelijke subsidiëring van overheids-

wege macro-economisch gezien verantwoord
zijn.
Dit zal

het geval zijn indien als gevolg van de bedrijfssluitingen

belangrijke structurele werkloosheid dreigt, met name in-

dien de betreffende bedrijfstak regionaal geconcentreerd

is”
4.

Het is een dergelijke constellatie in de zwakke sectoren,

welke met name in Italië
(bijv.
Mezzogiorno) maar even-

zeer in Frankrijk, de oorzaak is geweest van de reeds vele

jaren steeds in belang toenemende betrokkenheid van de

overheid
bij
het voortbrengingsproces in die sectoren. Het

zal in Nederland misschien niet anders gaan lopen, al is

dan evenzeer noodzakelijk dât tijdig d\iidelijke uitspraken

over de uiteindelijke doelstellingen van het overheidsbeleid

en de per sector gewenste en mogelijke ontwikkelingen –

na, iitensief overleg met het bedrijfsleven (SER) – worden

gedaan. –

De in andere partnerlariden op dit vlak reeds ingezette

ontwikkeling
5
benadrukt de urgentie hiervan, waarbij niet

alleen het onderhavige SER-advies tot leidraad zou moeten

dienen, maar ook wenselijk is rekening te houden met de
ontwikkeling binnen de Gemeenschap en de visie van de

Commissie daarop.

Het SER-standpunt leunt, wat de concrete aanbeveling

m.b.t. het in de sectorstructuurpolitiek te bezigen instrumen-

tarium betreft, overigens sterk aan tegen de indit artikel

genoemde constellatie binnen andere staten van de Gemeen-

schap. Immers, uitgebreide steun van de overheid aan sec-

toren (en/of individuele ondernemingen) zoals dor de

SER aanbevolen, en waaronder vallen vergemakkelijking

van kapitaalvoorziening, rentesubsidies, plaatsen van over-

heidsopdrachten (P.Z.E.M.?), bevordering van research-

activiteiten, het stichten van overheidsbedrijven, reducties

op tarieven van openbare-nutsbedrijven e.d., behoort tot

het normale steunpatroon van de partners.

Grensoverschrijdende samenwerking

In het brede scala van ,,instrumenten”, welke naar het

oordeel van de SER door de overheid zouden moeten

worden toegepast, verdient de aanbevolen stimulering van

samenwerking tussen nationale ondernemingen ‘(bijv.

scheepsbouw) wel een speciale kanttekening. Binnen de

Gemeenschap immers worden de afgelopen paar jaar reeds

gekenmerkt door enerzijds een hausse in samenwerking

tussen nationale ondernemingen
6
– fusie, kapitaaldeel-
name, gemeenschappelijke dochteronderneming – maar

anderzijds ook door een
grotere
penetratie van onder-

nemingen van buiten de EEG in iedere lid-staat dan vanuit

de eigen partners.

De integratie heeft, met een variant op de terminologie

terzake van de verschuiving in de handelsbewegingen als

gevolg van ‘het dhtstaan van’ een douanè-unie, derhalve

geleidt tot zowel schepping van extra-EEG-samenwerking

tussen ondernemingen als tot een zekere verlegging

(diversion) van dé belangstelling naar ondernem ings-

partners buiten de EEG, welke niet in overeenstemming
lijkt met de noodzakelijke optimalisering van de onder-

nemingsgrootte binnen de Gemeenschap. Het tweede rap-
port over de economische politiek op middellange termijn

van de EEG-Commissie (1969) wijst eveneens op het resul-

taat van deze ontwikkeling en constateert dat niet alleen

de ondernemingsomvang binnen. de EEG in vergelijking

tot die in de Verenigde Staten te gering is, maar impliciet

ook dat de concentratietendens te nationaal georiënteerd
blijft en dat hierdoor kansen worden gemist. Intra-EEG-

samenwerking tussen ondernemingen is derhalve, en gezien

ook de reeds gememoreerde economische doelstelling van

de EEG; een centraal devies voor de jaren zeventig.

Gezien het bovenstaande is dan ook niet direct duidelijk

welke de beleidslijn van de
Nederlandse
overheid bij het

bevorderen van samenwerking tussen ondernemingen zou

moeten zijn. In het geval van overheïdsstimulering van

concentratie op exclusief nationale basis wordt immers bij

voortduring één van de belangrijkste Europese-integratie-

motieven van overheidswege gefrustreerd. Evenmin is het

gewenst/denkbaar dat de nationale overheden binnen de
Gemeenschap het spelletje ,,onderneminkje ruilen” gaan

ontwikkelen, eventueel onder het motto: wie de meeste

buitenlandse ondernemingen verdient wint de integratie-

pot. Dit neemt niet weg dat grensoverschrijdende samen-

werking van het bedrijfsleven in diverse sectoren alleen

omwille van de eis der optimale allocatie in hoge mate
gewenst blijft. Voor de nationale overheden lijkt op dit

punt dus geen rol weggelegd. Weliswaar is de behoefte aan

,,bemiddelïng”
bij
samenwerking tussen ondernemingen

en met name bij die uit verschillende lid-staten in een aantal

sectoren in hoge mate aanwezig, maar zelfs de Europese

Commissie lijkt de noodzakelijke intra-EEG-concentratie

niet te kunnen bevorderen uit vrees daardoor met haar

concurrentiebeleid in de knoop te komen
1
. Er is hier dus

een duidelijk vacuim. Het
lijkt
nu op de weg te liggen

van particuliere (advies)ondernemingen, welke zowel een

een goed inzicht hebben in de (Europese) constellatie in’

bedrijfstakken als in afzonderlijke ondernemingen, initia-

tieven terzake te ontwikkelen, daarbij zo mogelijk gesteund

door nationale en supra-nationale overheid. Ook deze ge-
dachte is evenwel niet oorspronkelijk. In Frankrijk is een
dergelijke ontwikkeling reeds gaande. Met ,,instemming”

van alle autoriteiten, inclusief de Brusselse.

Industriepolitiek van de EEG

Belangrijk voor een beoordeling van het SER-advies is

ook, zoals reeds gesteld, de ontwikkeling in Europa en met

name de \’isie van de.Europese Commissie.

,,SER-bulletin”.
In Duitsland ,,verplaatst” de sectorsteun iich in toenemende

mate ‘van de probleemnsectoren naar toekomstindustrieën,

zoals ruimtevaart, computer- en nucleaire industrie.
6
Waarbij overigens aangetekend dient dat de concentratie-

graad – het percentage van de markt dat dooi een beperkt

aantal ondernemingen wordt voorzien – met name op Euro-

pees vlak over het algemeen hoger is naarmate de gea van-

ceerdheid van de desbetreffende sector groter is.

Duidelijk illustratief daarvoor is de bekendmaking van de

Commissie (publikatieblad dd. 29 juli 1968), dat samen-

werking tussen ondernemingen niet in strijd zal zijn met de

mededingingsbepalingen ex ‘Verdrag van Rome indien aan

een aantal voorwaarden wordt voldaan. De daarbij gegeven

opsomming van getolereerde doelstellingen van samen-

werking gaat in feite zover dat elke samenwerking positief

wordt beoordeeld, mits maar geen zodanige concentratie

ontstaat dat hierdoor van een mono- of oligopolie zou kunnen

worden ‘gesproken. -‘

162

Zeer fundamentele gedachten over Europese industrie-

politiek staan in een op 19 en 20 juni 1969 uitgebracht
preadvies van het lid van de EEG-Commissie Colonna

di Palliano. Na een diepgaande analyse van de Europese

constellatie, waarbij nadrukkelijk wordt gesteld dat de

kansen voor Europa slechts te vind&n zijn door beperking
en specialisatie op de eigen specifieke mogelijkheden, een

en ander bezien Zowel tegen de achtergrond van de ont-

wikkelingen
bij
de belangrijkste concurrenten op de wereld-

markten als de noodzaak van een zekere internationale
arbeidsverdeling, komt het voor industrievraagstukken

verantwoordelijke lid van de Commissie tot ‘de opstelling

van een uitgangspunt voor het Europese beleid. Grond-

gedachte daârbij is dat overheden de ontwikkeling in sec-

•toren met de grootste groeimogelijkheden op die gebieden

waarvoor de Gemeenschap het best is toegerust krachtig

zullen moeten ondersteunen. Uiteindelijke doelstelling van

het Europese structuurbeleid zal derhalve zijn het aandeel

van dergelijke groeisectoren – welke door de heer Colonna

zwaartepunten worden genoemd – in het totaal van de

industriële voortbrenging te verhogen.

Voor de bepaling van dergelijke zwaartepunten noemt

de heer Colonna vervolgens een aantal criteria, welke be-

hulpzaam moeten zijn bij hetformuleren van een beleids-

lijn terzake en waarbij het resultaat van onderlinge af-

weging uiteindelijk een Europese industriepolitiek moet

gaan opleveren. Deze criteria
8
zijn:

aandeel bedrifstak in de economie.
Een en ander is met

name van belang voor het gevolg voor de rest van de

economie indien de activiteit van een dergelijke bedrijfstak

– rationeel gesproken – al dan niet zou moeten worden

geliquideerd;

technologische geavanceerdheid van de bedrijftak.
Ge-

avanceerde sectoren zijn niet alleen van groot belang voor

de nationale economische groei, maar stralen – door bijv.

toeleveringsopdrachten – een vernieuwingtendens uit naar

sectoren met een geringere mate van technische ontwikke-

ling;

huidige concurrentiekracht.
Dit element vormt een graad-

meter voor de mate waarin sectoren binnen de Gemeen-

schap op wereldniveau toekomstmogelijkheden bezitten.
Beoordelingsmaatstaf hiervoor zou het marktaandeel van

de Gemeenschap – en de ontwikkeling daarvan – in het

wereldgebruik kunnen zijn;

vooruitzichten m.b.t. de vraagontwikke/ing.
De – uiter-

mate moeilijk te kwantificeren – analyses op dit punt

zullen vooral ook rekening moeten houden met in de toe-

komst te verwachten overcapaciteiten. Belangrijk is het te

verwachten ,,voortbrengingsgedrag” van andere aanbieders

op de wereldmarkt;

toekomstige technologische ontwikkeling.
Het wordt

steeds eenvoudiger voorspellingen te doen over de tech-

nische vooruitgang op lange termijn. Evaluatie daarvan is

doorslaggevend voor het toekennen van toekomstig ge-

wicht aan de hierboven genoemde punten 2 en 4.

Ondanks het feit dat de hierboven summier en maar zeer
ten dele weergegeven standpunten van Colonna wellicht

niet geheel gespeend zijn van optimisme – bijv. met be-

trekking tot de mogelijkheid over deze problematiek over-

eensteniming tussen de lid-staten te verkrijgen – alsmede

Antilliaanse .ziekte:

Gouverneurose

Rome:

rumorig
,,Een (Jonck)heer weet zijn plaats,

als je begrijpt wat ik bedoel”

Nederland in 1970:

het Barre economische klimaat

Israël krjjgt hulp

van Amerika:

Sam-Sam

I’lieu we horeca-slogan.

Uit, dat is nakuren in een hotel!

(ongecorrigeerd)

getuigen van een zeker dirigisme, kan niet worden ontkend

dat hier een industriepolitieke visie wordt geëtaleerd, welke

overigens pas in het kader van een Europese dimensie

optimale realiteitswaarde zal kunnen krijgen.

– Opvallend in het standpunt van de heer Colonna is dat
zijn denkbeelden toegespitst lijken op de groeisectoren.

Afgezien van het feit of zijn industriepolitiek zich hiertoe

beperkt, kan men zich afvragen of de problematiek der

zwakkere sectoren in de komende jaren – en voor zover

toepassing der hierboven gegeven criteria liquidatie tot ge-

volg zou hebben – niet uitsluitend gaat behoren tot een

onderdeel van het daarmede nog sterk in belang toe-

nemende sociale beleid, t.w. de werkgelegenheidspolitiek.

Dat zou in de komende jaren de zwaartepuntverschuiving

van de zuiver globale economische politiek naar de sector-

politiek, waarvan aan het begin van dit artikel sprake was,

nog accentueren.

In dit verband mag ook het recentelijk verschenen plan-

Barre niet geheel onvermeld blijven. Dit plan immers voor-

ziet ook in een gemeenschappelijk econoiisch en firian-

cieel beleid van de Gemeenschap, waarbij voor wat betreft

het economisch beleid unificatie wordt nagestreefd door:

gemeenschappelijke doelstellingen der economische poli-

tiek (w.o. industriepolitiek van Colonna?);

coördinatie ingeval nationale maatregelen worden ge-

troffen welke schadelijk zijn voor andere partners.

8
Een zesde criteriutn van politieke aard kan in dit geheel

v o o r 1 op i g niet worden gemist. Het is immers ondenk-

baar dat bijv. de Europese scheepvaart op grond van boven-

staande overwegingen – ,iondiale overcapaciteit en van

geen belang voor technologie en werkgelegenheid – zou

moeten worden geliquideerd. Dit immers zou de voorziening
van Europa in gevaar kunnen brengen en daarmede eveneens

een mondiale arbeids verdeling sterk bemoeilijken.

163

Bij de beoor1eling van de specifieke doelstellingen der af-

zonderlijke landen ter zake van het onder a. genoemde

onderdeel zullen indexcijfers over de toename van het

volume van het nationale produkt, het verloop van de

werkloosheid, de handelsbalans en de ontwikkeling van

het prijsniveau van doorslaggevend belang zijn en uiteinde-

lijk bepalend zijn voor de mate waarin nationaal van de
communautaire gedragsregels mag worden ‘afgeweken.

Belangrijkste instrument voor nationale correctie bij wat

dan meer Europees provinciebeleid is geworden, vormt dan

de sectorpolitiek. Zöver is het uiteraard nog lang niet,

maar het is zeker gewenst om zich nu reeds te realiseren

wat bijv. het plan-Barre voor nationale hantering van

globale instrumenten betekent.

Conclusie

Het SER-advies van 19 december ji. bevat een samenstel
van aanbevelingen m.b.t. maatregelen voor de setorstruc-

tuurpolitiek, waarin weliswaar een onderscheid wordt ge-

maakt naar de aard – zwakke of sterke sector’— van het

object, maar waarbij de doelstellingen toch nog sterk be-

invloed zijn door de huidige desiderata van de globale

economische politiek. Met andere woorden, de visie op de

problematiek van de structuur der sectoren wordt nog on-

voldoende toegespitst op de geheel eigen plaats welke de

gekozen oplossingen voor – uiteenlopende – econo-

mische, zowel als sociale doelstellingen gaan vervullen.

Het behoeft niet te verwonderen dat de Europese Com-

missie over deze zaken wél reeds denkbeelden heeft ge-

lanceerd. De, bedoeling daarvanis ongetwijfeld de discussie

in de lid-staten op gang te brengen. Simplificerend en rog-

maals resumerend: de visie van de Commissie komt er

waarschijnlijk op neer .dat het toekomstige structuurbeleid

van de Gemeenschap een spanningsveld zal kennen tussen

enerzijds industriebeleid, waarbij maximalisatie van de

(economische) groei vooropstaat, en anderzijds werk-

gelegenheidsbeleid met minimalisatie van de daartoe be-

nodigde kosten— o.m. overheidssteun afwegen tegen kos-

ten sociale uitkeringen – al zal het zich daartoe uiteraard

allerminst beperken. Weliswaar vergemakkelijkt het hier-

boven gemaakte onderscheid de oplossing van het probleem

niet, het doet de aard daarvan wellicht duidelijker uit-

komen
9
.

Blijkens de inhoud van het SER-rapport wenst de Raad,

alvorens in een dergelijke problematiek te treden, vooral

eerst aan .het instrumentarium te vijlen. Op zich een nor-

male gang van zaken, temeer daar de behoefte daaraan

groot is, gezien de achterstanden op een aantal partners

in de’ EEG’. –

De door dë Europese Commissie reeds veel eerder aan-

gesneden problematiek —waarbij ook reeds criteria worden

genoemd – vraagt evenwel om spoedige Nederlandse reac-

ties, ook van de SER. Niet uitsluitend als vingeroefening,

maar ter verdieping van de discussie over toekomstige ont-

wikkelingen binnen de EEG, welke van het allergrootste

belang zijn. Ook voor de na te streven,nationale doelstel-

ijngen van het sectorstructuurbeleid.

Met de thans duidelijk -afzwakkende hoogconjunctuur

lijkt echter ‘ook het tijdstip aangebroken daadwerkelijk
meer middelen voor het sectorstructuurbeleid op de be-

groting te reserveren. Op de begroting-1970 is voor indus-

triestimulering f. 125 mln, uitgetrokken (Post zal worden
overschreden) en voor technologische ontwikkelingen en

mijnsteun
f.
308 mln. Voor zich sanërende landbouw- en

midden-en kleinbedrijven is voor 1970 zelfs iets meer wegge-

legd (f. 439 mln.). Het lijkt niet overdreven, ook gezien

de in meerdere andere EEG-partners voor specifieke indus-

triële sectorstructuursteun bestemde middelen, dat deze
regering voor dat onderdeel van het economische beleid

reeds in 1971 1 % van het nationa’al inkomen reserveert.
Wellicht zal dan blijken dat het onderhavige SER-advies

weliswaar structureel te laat, maar conjunctureel toch nog

op het nippertje kwam.

F. W. van der Schaar.

In concreto zou dit derhalve kunneiz betekenen dat de

positie van bepaalde sectoren in het geheel iziet meer in eerste

instantie wordt beoordeeld op basis van de (toekomstige)

rentabiliteit, maar primair op het belang voor de werk-

gelegenheid.

(I.M.)

Een nieuw

herkenningsteken
van de Friesland Bank

Een snel groeiende bank.
Gunstige rentec6ndities.
Geen omzetprovisie.

Balanstotaal
f
321.5 miljoen.
Grootste bank van Friesland.

Friesland Bank

16 vestIgIngen In Friesland.

Hoofdkantoor:

Leeuwarden, Zaailand 110.

164

Ordelijk econômisch verkeer

Verzamelbegrip zonder vaste i
n
h
ou
d*

In
ESB
van 16 augustus 1967 wijdden wij een bespreking

aan het kort tevoren verschenen rapport van de Staats-

commissie Ordelijk Economisch Verkeer. Dit rapport was,

bij ons weten, de eerste poging om aan het begrip ,,ordelijk

economisch verkeer” (0EV) concrete inhoud te geven.

Voor het eerst gebruikt in de Middenstandsnota 1954

werd het in Iat2r jaren gangbaar in middenstandskringen

om, nadat alle desiderata op’ het gebied, van ordening,

bescherming, kredietverlening en sanering vervuld waren,

een kapstok over te houden waaraan ondernemers dié het

desondanks moeilijk bleven hebben, hun onlustgevoelens

konden ophangen en de schuld op de overheid konden

schuiven. De verheldering die de Staatscommissie bracht

was overigens niet groot: de woorden ,,gezonde mede-

dinging” diezij in haar definitiebezigde geven geen meer-

der houvast dan 0EV. Let wel: het gaat erom een onder-

schéid te maken op een gebied waaruit alle door de wet
verboden of op zichzelf kennelijk onbehoorlijke hande-

lingen reeds geëlimineerd zijn: hetgeen dan nog overblijft

moet dân gesplitst worden in de categorieën ordelijk, of

gezond, en onordeljk, c.q. ongezond.

Het rapport van de commissie heeft reacties uitgelokt,

en zo is er dan thans een vrij aanzienlijke literatuur be-

schikbaar overhet thema 0EV. De belangrijkste is het

advies, door het Hoofdbedrijfschap Detailhandel in april

1969 uit eigen initiatief gericht tot de Staatssecretaris van

Economische Zaken
1;
het bestuur van dit lichaam heeft

de moed gehad het begrip 0EV te kwalificeren als. een holle

leuze, waarachter geen begrip schuil gaat:

,,Va’nuit een feitelijk bestaande economische orde is dan ook –
niet duidelijk aan te geven welke regelen zouden moeten
gelden voor een 0EV …… Het bestuur is van mening dat
de commissie-Zijlstra er niet in geslaagd ‘is de term 0EV zo-
danig te omschrijven dat hij kan dienen als basis voor een
algemene wettelijke regéling van het 0EV…. Nadere be-
Izinning heeft het bestuur tot de opvatting gebracht dat een
dergelijke omschrijving ook niet mogelijk is”.

JIiermee is dan, naar wij hopen, een eind gemaakt aan het

zoeken naar een algemene formule, een soort heksenwaag,

waarop wel niet de ondernemers zélf maar wel ál ‘hun

handelingen in de concurrentiestnjd gewogen en al dan’

niet te licht bevonden zouden moeten worden.

De woorden 0EV hebben geen betekenis als norm en

kunnen nog slechts gebruikt worden als verzamelbegrip

dat men voor het gemak kan bezigen voor een aantal

minder gewenste praktijken op het gebied van de concur-

rentie in de detailhandel, die reeds
bij
afzonderlijke wetten

gèregeld zijn, eventueel vermeerderd met een of meer

onderwerpen die men gaârne’ alsnog geregeld zou zien.
Laatstgenoemd deel van de begripsinhoud is dus geheel

onzeker en langt af vn de opvattingen van degene die het

verzamelbegrip hanteert. De enige algemene vraag die ten

opzichte van het 0EViiog overblijft is dan een zuiver

formele: of
het aanbeveling verdient de thans bestaande

incidentele regelingen in één Wet tè regelen.
De gedachte

lijkt prima vista aantrekkelijk omdat zij grotere ordelijk-

heid en overzichtelijkheid suggereert. Bovendien kan men

aan de verzamelwet de naam ,,Wet ter bevordering van het

0Ev” geven, en aldus de chijn wekken alsof men een

nieuw elementaan de weteving heeft toegevoegd, ook al

bevat dit niets dan een samenstel van oude onderdelen.

Maar waar moet men de grens trekken bij dit verzamel-
werk? In de adviezen die ter tafel liggen worden genoemd

de Wet op het Cadeaustelsel, de Uitverkopenwet, dé Prijzen-

wet en de Wet op de economische mededinging. Het

Hoofdbedrijfschap Detailhandel wil daar ook bijtrekken

de bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht die op bedrog

in het bedrijfsleven betrekking hebben
2,
alsmede een be-

paling die het zelf ontworen heeft, waarin ook de een-

voudige leugen, die thans in de concurrentiestrijd nog onge:

straft kan worden gehanteerd, als overtreding wordt

strafbaar gesteld. Maar de concurrentie heeft vele facetten

en om de Vestigingswet Bedrijven en de Warenwet in de

verzamelwet op te nemen gaat toch ook het Hoofdbedrijf-

schap te ver. Bovendien krijgt men het bezwaar dat bijv.

de Uitverkopenwet uitsluitend van belang is voor de detail-

handel, terwijl de andere genoemde wetten zich tot een

ruimere kring van ondernemers richten. De nieuwe code

zou daarom in elk geval een hybridisch en verbrokkeld

geheel worden.

Afgezien van de zuiver formele vraag van de al-dan-niet

codificatie’ blijven er dan nog slehts deelproblemen over:

punten waarop men de bestaande wetten welke onder de

rubriek 0EV vallen zou willen herzien, eventueel ook
nieuwe deelregelingen die men daar onder zou willen

brengen. Twee er van willen we hier wat nader bezien,

omdat zij zowel in het rapport van de Staatscommissie

als in het advie van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

uitvoerig behandeld zijn, nI.:

regels op het gebied van de prijzén van goederen;

wijziging van de bestaande Wët op het Cadeaustelsel.

Prijsversluiering en prijzenoorlogen

De concurrentie op het gebied van de prijzen schijnt in de

detailhandel naar veler’ mening nog met misbruiken ge-

paard te gaan, die een verdere regeling noodzakelijk maken.

Daarbij gaat het ten eerste over de
manier
waarop de

*D
e
auteur van dit artikel, Mr. 0. Leyendekkers, advocaat
le A,nsterdam, is secretaris van de Vereniging van Finan-

cieringsondernemingen in Nederland en van de Nederlandse

Vereniging voor Gezinscrediet (Red.)
1
Andere adviezen zijn tot de Staatssecretaris gericht door

de vrije organisaties in het midden- en kleinbedrijf, ni. de

Federdtie van het Katholiek en het Christelijk Ondernemers-

verbond in het midden- en kleinbedrijf en, liet Koninklijk

Verbond van Ondernemers; ook deze adressen zijn in onze

beschoiwingen betrokken.
2
Namelijk de art. 328 bis, 329, 330 en 337.

165

prijzen van goederen en diensten worden aangegeven: deze

kan opzettelijk onduidelijk en zelfs misleidend
zijn.
Daar-
naast zijn er echter ‘geregeld ook klachten omtrent liet

peil
van de prijzen, met name waniieer dit te laag gesteld

wordt in het kader van excessieve concurrentie.
Het laatste verschijnsel, is vèruit het belangrijkste, en o.i.

het meest reële van alle ware of vermeende euvels die men

onder het etiket onordelijk economisch verkeer pleegt

samen te vatten. Wij vermoeden dat de prijzenoorlogen
zoals die het laatste jaar nogal eens zijn voorgekomen

voor de kleinere winkeliers de meest onrustbarende ver-

schijningsvorni van dit vage begrip zijn. In het voorstellen

van remedies op dit punt betracht het Hoofdbedrijfschap’

Detailhandel echter, evenals
,
de
commissie-Zijlstra
reeds

eerder deed, grote voorzichtigheid. En terecht: in een dyna-

misch
bedrijfsleven
is prijsonderbieding een essentiële

voorwaarde voor structurele vooruitgang .- maar ander-

zijds
zijn
excessen mogelijk.

Het blijkt echter moeilijk, een norm te stellen waaraan

men een prijsaanbod kan toetsen om te weten of het toe-

laat6aar dan wel excessief laag is. De commissie-Zijlstra

wil het criterium zoeken in de ,,kennelijke bedoeling” van
de prijsbreker om concurrenten uit te schakelen en daarna

de prijzen weer te verhogen. Omdat iemands bedoeling

dikwijls niet duidelijk aantoonbaar is, neemt zij echter

ook reeds genoegen met de ,,redelijke verwachting” van

deze uitschakeling en de daarop volgende prijsverhoging.

In veel gevallen zal men zich echter ook geen redelijke ver-
wachting omtrent een latere prijsverhoging kunnen vormen

zonder zich te verdiepen in de kostenstructuur van de

ondernemingen. En daar zal men zeker met zéveel twijfel-

punten geconfronteerd worden dat men iedere gedachte

aan slagvaardig beleid wel kan laten varen.

Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel schrijft dienaan-

gaande: ,,Een zeer grote meérderheid van het bestuur

acht. hét probleem hoe. deze term kostprijs nader te om-

schrijven in dit verband onoplosbaar”, en bepleit daarom

een algemene machtiging aan de Minister van Econo-

mische Zaken om van geval tot geval in te grijpen – waarbij

deze ministerhet criterium meer zou moeten zoeken in de

gevolgen die voorkomen moeten worden dan in de aard

der gedragingen welke die gevolgen dreigen te veroorzaken.

,,Een nadere uitwerking hiervan meent het bestuur in dit

stadiCim achterwege te moeten laten”.

O.i. zou dit moeilijke probleem aan oplosbaarheid

winnen wanneer men het alléén betrok op die goederen die

zich goed lenen voor prijzenoorlogen; dat zijn goederen

die tot de eerste levensbehoeften behoren en vrij homogeen

van aard en kwaliteit zijn, zoals enkele levensmiddelen,

benzine en olie – wellicht zal deze lijst in de
praktijk
nog

wel eens uitgebreid worden. Bij deze artikelen, die niet

aan seizoensinvloeden onderhevig zijn, lijkt het niet zo’n

bezwaar de inkoopprijs van de verkoper, eventueel ver-

hoogd met
5
â
10%,
als minimum verkoopprijs te stellen.,

Het zij erkend dat hierdoor de ondernemer die laag heeft

ingekocht in een prijzenslag een door de wet beschermde

voorkeurspositie geniet, van waaruit hij anderen kan be-

concurreren zonder dat zij hem met gelijke munt kunnen

terugbetalen, maar bestaat die voorkeurspositie niet even-

zeer
‘bij
,,ordelijke” concurrentie? Een verbod van ver-

kopen benden inkoopprjs voor de hier bedoelde goederen

zou hoewel gericht tegen excessieve prijscoticurrentie, wel-

licht blijvend .prijsverlagend werken omdat het een be-

scherming zou inhouden van ondernemers die extra laag

hebben ingekocht, mits ze dit voordeel aan de consumenten’

doorgeven. –

Aanvulling van de Wet op het Cadeaustelsel

Dat dit wetje in de recente beschouwingen over 0EV zulk

een opvallende plaats inneemt, vindt zijn oorzaak in de toe-

vallige omstandigheid dat een wijziging in de vestigings-

wetgeving verwacht wordt, waardoor in de detailhandel
geen branches meer onderscheiden worden zodat iedere

winkelier alles mag verkopen. Het verbod van het cadeau-

geven tenzij het branche-eigen goederen betreft wordt

hierdoor inhoudsloos. De commissie-Zijlstra wilde deze

gelegenheid benutten om het verbod nu maar ineens uit te

breiden tot alle goederen, behalve die welke soortgelijk zijn

aan die welke gekocht zijn (zodat dus bijv.
bij
overhemden

alleen overhemden cadeau gegeven mogen worden, enz.).

Het Hoofdbedrijfschap daarentegen wil een oplossing in de

richting van een verruiming, zodat een winkelier alle

goederen mag cadeau geven die van dezelfde soort zijn als

die welke hij in zijn winkel verkoopt.

De
mening van de Staatssecretaris van Economische Zaken

Het debat over het 0EV heeft zijn voorlopige afskiting

gevonden in de adviesaanvrage die de Staatssecretaris van
Economische Zaken op 26 augustus jI. aan de SER gericht

heeft een aanvrâge waarin reeds op vele gebieden een

eigen mening is veiwerkt en die zelfs reeds .op twee punten

geconcretiseerd is in voorontwerpen van wet;
Het
blijkt
dat ook de staatssecretaris geheel heeft afge-
zien van een conceptie: 0EV als centraal beginsel van een

samenhangende wettelijke regeling. Ook het idee van een

verzamelwet onder deze titel wordt afgewezen en de adviès-

aanvrage valt dan ook uiteen in een reeks op zichzelf

staande punten die alle betrekking hebben op de conun-

rentie in de detailhandel. Wij zullen ons ook hier beperken

tot de twee hiervoor genoemde thema’s: de prijzen en het

cadeaustelsel. Eén der twee voorontwerpen van wet die,

bij de adviesaanvrage gevoegd zijn, heeft inderdaad op dë

prijzen betrekking, maar alleen op de manier waarop de

prijzen worden aangeduid: bepaald het minder interessante
aspect van ,,onordelijke” prijsconcurrentie.

Gezien het feit dat de Pnjzenwet dergelijke reeds vrij

ruinie bevoegdheden hiertoe geeft, waarvan ook gebruik

gemaakt is
bij
de Pnjsaanduidingsbeschikking goederen

1963 (Ned. Stcrt. no. 220) is de betekenis van dit vooront-

werp miniem. Men kan ermee bereiken dat bij aanbiedingen

van bijv. stukken vlees of stukken kaas behalve de
prijs
van
het stuk ook de prijs per kg vermeld wordt. Daarmee wordt

de consument ongetwijfeld gediend en meerdere winkeliers

doen dit dan ook sinds lang. Het is echter de vraag of dit

In een recent art ikeltje in ,,CO-OP” van oktober 1969

wjjt Mr. A. Knol het thans zo veelvuldig voorkomen van

prjjzenoorlogen aan de snel toenemende omvang- van het

levensmiddelendistribut 1e-apparaat, niet zozeer wat het

aantal winkels als wat de gezamenlijke oppervlakte der

winkels betreft. Deze schrijver spreekt, wanneer daartegen

om maatregelen gevraagd wordt, misprijzend van ,,Kurieren

Jn Symptom” maar laat verder in het midden of het wel zo

wenselijk zou zijn als de overheid haar krachten ging be-

proeven op de dieper liggende oorzaken van de excessieve

prjjsconcurrentie. Ook de regeling van het wegverkeer is

in zekere zin maar ,,Kurieren am Symptom”, maar dit wordt

algetneen aanvaard omdat men de vrije deelname aan het

massale autoverkeer in beginsel, en terecht, een rnaatschap-

pel ijk goed acht.

166

nu zo belangrijk is dat men daarvab een overheidsgebod

met strafsanctie moet maken. Ons lijkt het verkieslijker deze

service
Vrij
te laten waardoor de actieve en dienstvaardige

winkelier zeker op de lange duur zich een voorsprong kan

verwerven op zijn concurrenten.

Op het gebied van de echte prjjsconcurrentie
(te lage

prijzen) bevat de adviesaanvrage geen wettekst, maar wel

een uitvoerig betoog dat hierop neerkomt dat de staats-

secretaris zich aansluit
bij
de voorstellen der commissie-

Zijlstra en de ontwikkeling van nieuwe en goedkoper

distributievormen niet wil afremmen. Hij distantieert zich

dan ook (voorzichtig) van de redenering dat eventuele

minimum prijzen zo hoog moeten zijn dat zij nog een zekere

bescherming bieden aan ,,meer traditioneel georiënteerde”

ondernemers. .Het systeem dat hij voorstaat houdt in: het

incidenteel vaststellen van minimum prijzen
bij
beschikking,

na raadpleging van de Commissie Economische Medé-

dinging. Die beschikkingen zouden het karakter kunnen

dragen van calculatiebeschikkingen, zodat verschillen in

inkoopprijzen in elk geval’in de verkoopprijzen tot uit-

drukking kunnen worden gebracht.

Dit laatste juichen wij – zoals uit het voorgaande

blijkt—toe, maar als men eenmaalzover is kan men naar

onze mening beter van een systeem van incidentele beschik-

kingen afzien en zich beperken tot een permanent verbod

om met name genoemde artikelen beneden de inkoopprijs

(eventueel verhoogd met een matige opslag) te verkopen.

De snelheid waarmee lokale prijzenoorlogen uitbreken en

weer overgaan doet vrezen dat incidenfele beschikkingen

steeds te laat zullen komen, zeker als daarover eerst de

Commissie Economische Mededinging moet worden ge-

hoord die haar adviezen, zoals in 1964 bij het verbod van

verticale prjsbinding gebleken is, zo terdege pleegt te over-

wegen dat daarbij termijnen van twee â drie jaar gemoeid

zijn.
De grote sensatie van de adviesaanvrage van de staats-

secretaris ligt echter op het gebied van
het cadeaustelsel.

Hier borduurt hij niet d66r op eerder gedane suggesties,

maar komt hij met een geheel nieuwe benadering, die in

elk geval bekoort door haar eenvoud. Het voorgestelde
systeem maakt zich geheel los van begrippen als ,,con-

sumptieverwant” en ,,kleinigheden van geringe waarde”

maar laat toe dat iedere winkelier alles mag cadeau geven,

maar dan tevens verplicht is: –

als de klant dit wenst, inplaats van het cadeau een door

hem te bepalen bedrag ter beschikking te stellen, en

het cadeau-artikel ook te koop aan te bieden tegen geen

hogere prijs dan het onder a. bedoelde bedrag, ver-

meerderd met . . . . % daarvan.

De aanvaardbaarheid van dit systeem voor de betrokken

detailhandelaren hangt o.i. af van de hoogte waarop het

onder b. genoemde percentage wordt vastgesteld. Dit

percentage moet natuurlijk overeehstemrnen met, althans
weinig lager zijn dan een gemiddelde handelsmarge;hier-

door komt de premie in geld welke de klant inplaats van
het cadeau kan vorderen, ongeveer op het niveau van de

inkoopprijs te liggen. Is het percentage te laag dan zou de

winkelier 6f het cadeau-artikel tegen een te lage prijs

moeten verkopen, 6f daarvoor een naar zijn smaak te hoge

premie in geld moeten uitbetalen. Een gemiddelde marge is

echter uiterst moeilijk vast te stellen en zou dati nog voor

veel ondernemers onaanvaardbaar zijn, daar de marges

van artikel tot artikel, maar ook van’onderneming tot

onderneming sterk uiteenlopen. Wij verwachten dan ook

dat uit het bçdrijfsleven wel het advies ?al komen, de

onder b. genoemde voorwaarde geheel te laten vervallen.

De dan overblijvende verplichting om inplaats van het

cadeau een (zelf te bepalen) premie in geld uit te betalen
vormt reeds een waarborg tegen jagerslatijn
bij
het aan-

kondigen van cadeau-aanbiedingen; dât is naar wij menen,

toch het euvel dat men wil bestrijden: het publiek moet

weten. welke waarde het cadeau werkelijk heeft. En als de

winkelier (of fabrikant) de vervangende premie te laag

stelt, diskwalificeert
hij
daarmee zijn eigen cadeau.

En zo zal dan thans de SER – die hiertoe een speciale
commissie heeft ingesteld – een standpunt bepalen om-

trent de bovengenoemde en nog enige andere punten.

Moge
hij
hierbij niet nalaten, zich rekenschap te geven van

de geschiedenis-tot-nu-toe van de regelingen waarop de

adviesaanvrage betrekking heeft. Deze vertoont reeds

sinds vele jaren het algemeen beeld van voortdurende ver-

fijning van verbodsbepalingen die steeds haar doel miste.

Nergens kan men beter dan in de zgn. middenstandswet-

geving het verschijnsel waarnemen dat wettelijke voor-

schriften naast goede ook kwade effecten hebben. Dat de

eerste vaak problematisch zijn maar de tweede inherent

en onvermijdelijk: ambtelijke bemoeiing, beslag op de

aandacht en de
tijd
van ondernemers, frustraties en rechts-

onzekerheid. De verhouding tussen deze twee reeksen van

effecten wordt ongunstiger naarmate de regelingen meer in

details afdalen. Deze onmiskenbare – ervaringen mogen de

Raad tot voorzichtigheid manen bij het overwegen van

verdere verbodsbepalingen ter bevordering van het 0EV.

0. Leyendekkers

Ingezonden stuk

Haalbaarheid en betaalbaarheid

In een serie van drie informatieve artikelen (in
ESB
van

achtereenvolgens 22 oktober, 29 oktober en
5
november jI.)

ging Drs. W. L. Zijp onder de titel ,,Haalbaarheid en

betaalbaarheid” in op pensioenregelingen op basis van het
laatst genoten loon. De beoordeling .van die haalbaarheid

en betaalbaarheid liet hij in grote mate aan de lezer over.

Vandaar deze kanttekening, omdat men bij de beoor-

deling van de uitkomsten van zijn berekeningen moet

oppassen niet de vooronderstellingen daarbij te vergeten,

die in zijn eerste artikel zijn uiteengezet.

Met name geldt dit voor voor onderstelling 3, die o.m.

inhoudt, dat rentewinst niet in aanmerking is genomen.

Bij de berekeningen van constante premies (en andere

premiepercentages) in artikel II moet dit verband worden

benadrukt omdat het iiuttig is de (kwade) gevolgen van de

inflatie te berekenen, maar daarbij moet men dan wel de
compenserende gevolgen van de hogere rente (of andere

betere beleggingsresultaten) mede in aanmerking nemen.

De praktijk van de grote ondernemingsfondsen toont

aan, dat de hoge cijfers van 18 tot 35% dan inderdaad

tot een in ht kader van ,,pensioenkosten zijn arbeids-

kosten” te behappen niveau worden teruggebracht. Het

zou dan ook onjuist zijn uit de berekeningen af te leiden

dat er aanleiding is door een stelselverandering het kind

(de spaarquote) met het badwater (de versnippering) weg

te gooien.

Wél blijft het probleem van de gebroken diensttijden

dat terwille vande mobiliteit zodanig zal moeten worden

opgelost, dat deze mobiliteit wordt bevorderd en niet

167

geschaad. Dat dit nog niet is gebeurd, i§ begrijpelijk indien

mén beseft dat dit voorheen ook niet nodig was. Deze

kwestie is immers pas acuut geworden op het moment dat

pensioenregelingen op basis van het laatste loon gemeen-

goed begonnen te worden.

,Wij kunnen dus verheugdzijn over het ontstaan van deze

kwestie; want dat de aanspraken uit het verbroken dienst-

verband ,,stil blijven staan” is pas een probleem sinds dit

met aanspraken uit een voortgezet dienstverband dikwijls

niet meer het geval s. Nog slechts vijf jaar geleden vas dit

vrijwel steeds nog wel het geval.

Is dit vraagstuk eenmaal opgelost, dan ligt hier in de
pensioensfeer een prachtige kans om werk met werk te

maken. immers het optrekken van de veelal nog zeer

onvoldoende pensioenregelingen geniet thans een zeer

hoge prioriteit, maâr het handhaven van en voldoende

spaarquote verdient die eveneens.
Het is zaak een dergelijke kans niet te vergooien. Frank-

rijk, dat indertijd voor de aanvullende pensioenregelingen

in overwegende mate het onislagstelsel’ heeft omhelsd,

ondervindt enerzijds nu de moeilijkheden die voortvloeien

uit een te lage spaarquote, maar anderzijds ook de moeilijk-

heden die voortvloeien uit het feit dat de besparingen een-

zijdig uit doelbesparingen op korte termijn zijn samen-

gesteld, waardoor een transformatieprobleem ontstaat

dathet Franse planbureau veel zorgen geeft.

– Het bereiken van de wenselijk geachte spaarquote

(Groeinota minister Den Uyl 22,6% en thans naar het

voorkomt stellig niet lager te stellen, maar eerder hoger)

is met kunstmatigheden, blokkeringsvoorschriften e.d.

nauwelijks mogelijk.

Naast de ingewikkeldheid en dus kosten van dergelijke

regelingen is een groot bezwaar dat een soort bezitters

tweede klasse ontstaat, dat niet vrij over zijn eigendom kan

beschikken. Een langdurige blokkering van het gespaarde

wordt door ons, burgers en consumenten, slechts in tweê

sectoren als volkomen normaal ervaren, zodat er ook geen

jsychologische weerstand tegen ontstaat, namelijk bij

ht sparen voor een oudedagsvoorziening d.m.v. ver-

zekering en bij het sparen d.m.v. de eigen woning.

• Het invoeren van een pensioenplicht op een bevredigend

niveau ‘zou, uitgaande van de kostenraming van het

loekje
Pensioenkosten zij,, Arbeidskosten,
waarin de prak-

tijk der grote fondsen in de laatste 10 jaar is verwerkt,

leiden tot de conclusie dat hetgeen in ons land gemiddeld

an pensioen wordt besteed, ongeveer anderhalf maal zo

hoog zou moeten zijn als thans. Ook enkele andere benade-

ringen wijzen in dezelfde richting, en dit zou een spaar-

quoteverhoging met zich meebrengen, die net zowat het

besparingstekort t.o.v. de gangbare streefcijfers dekt.

Het samengaan van deze spaarquoteverhoging met de
oplossing van het pensioenprobleem, is te meer aantrek-
kelijk omdat men voor het behouden, resp. bereiken van

de noodzakelijke spaarquote op andere wijze niet gemakke-

lijk tot resultaten komt. Hierboven werd, reeds aangegeven

iaarom men dit niet gemakkelijk bereikt met kunstmatig-

heden, blokkeringsvoorschriften e.d., tenzij dit zou zijn

door belastingverhoging (meer overheidsbesparingen) of

door prijsverhoging (meer besparingen bij ondernemingen).

En zitten wij daar nu om te springen?
Mr. G. 0. J. van Tets

Naschrift

Mêt dpzet heb ik mijn beschouwingen beperkt tot het

presenteren van kwantitatieve gegevens, die – en dit ge-

beurt nog veel te weinig – het uitgangsmateriaal dienen

te vormen om te komen tot een gefundeerd oordeel over

de pensioenproblematiek. De in de berekeningen gebruikte

tarieven corresponderen met een gangbare collectiève

yerzekering en zijn gebaseerd op een interest van
33/4%

zonder rentewinst. Een rentewinstdeling met een gelijk

percentage van de premies voor alle verzekerden, onge-

acht hun ouderdom, betekent echter inbouw (vermomd!)

van een stukje omsiagstelsel in het kapitaaldekkings-

stelsel, en een stukje inkomensoverdracht van jongeren

naar ouderen.

Met mij ‘zullen waarschijnlijk vele ESB-lezers geïnteres-

seerd zijn in een overzicht van de omvang van de aan de

verzekerden uitgekeerde rentewinst in de afgelopen jaren,

gespecificeerd naar maatschappij, tariefsoort, ouderdom
der verzekerden en het individueel of collectief karakter

der verzekering. Volgens Drs. Th. Kok, actuaris bij de

V.V.M. te Utrecht, zou de rentewinst bij collectieve onder-

nemingspensioenregelingen in de praktijk nogal eens in de

zak van de werkgever (d.w.z. de verzekeringsnemer, en

niet de verzekerde) terecht komen. Bij een laatste-loon-

systeem komt dit neer op een inkomensoverdracht van

mobiele jongeren naar immobiele ouderen.

ik ben absoluut niet verheugd over het ontstaan van de

problematiek van de pensioenkorting ten gevolge van

mobiliteit, omdat deze kwestie, nu acuut geworden bij het

toepassen van regelingen op basis van het laatste loon,

grotendeels een gevolg is van het verschijnsel var de voort-

durende geldontwaarding. Overigens ben ik met de heer

Van Tets van mening dat bij de invoering van een algemene

pensioenverzekeringsplicht de grqotten van de gewenste

spaarquote èn de te bereiken spaarquote een essentiële

rol spel’en.

Een algemene pensioenregeling zal ten déle gefinancierd

moeten worden uit een omslagstelsel (ter compensatie

van de geldontwaarding, inhoudende een basisvoor-

ziening geënt op de AOW-regeling en een additionele voor-

ziening daarboven) en ten dele ook uit een kipitaaldek-

kingsstelsel (inhoudende een spaarloonvoorziening, nodig

om de vereiste spaarquote op te brengen). De verhouding

der premiedelen, gesplitst naar de twee stelsels, hangt

om. af van de spaarquote.

Persoonlijk zou ik graag meer kwantitatieve gegevens

hebben over de wijze waarop bij een algemene pensioen-

verzekeringsplicht de spaarquote afhangt van samen-

stelling en groei der bevolking, van omvang en verdeling

van het arbeidsinkomen, en van grootte en trend in loon-

en prijsindexcijfers.

Drs. W. L. Zijp

ill

(I.M.)

1
1
01
,

168

Europa-

bladwijzer

Vaak is de invloed, die van goede

voornemens op Oudejaarsavond uit-

gaat, slechts van korte duur. Het

Silvester-sentiment verkidt de mens

al te gemakkelijk tot het onderschat-

ten van zijn innerlijke weerstanden
tegen verandering en vernieuwing.

Het heeft er wel iets van weg dat bij
de overgang naar de definitieve fase

van de gemeenschappelijke markt

zich in het gedrag van tenminste één

van de regeringen van de Zes het-

zelfde heeft voorgedaan. Bij de be-

spreking van de teksten, waardoor

het beginselakkoord over de eigen

middelen van de Gemeenschap en de

budgettaire bevoegdheden, van het

Europese Parlement bevestigd zou

worden, bleek van Franse zijde toch

weer bezwaar te bestaan tegen de mo-

gdijkheid dat het Europese Parlement

het totaalcijfer van de begroting
zonder instemming van de Raad
zou kunnen verhogen. Frankrijk

wenste dat het ,,budgetrecht” niet

verder zou reiken dan de verschui-

ving van uitgaven binnen een ge-

geven begrotingsomvang.

Zoals gewoonlijk, beschikten de

Franse pleitbezorgers ook ditmaal

over een aantal argumenten, die

niet zQnder meer als flauwe smoesjes
van de tafel geveegd konden worden.

Niet alleen de Franse constitutie.

(artikel 40) maar ook het Grund-

gesetz van de Bondsrepubliek kent

zo’n beperking. Artikel 113gg luidt:

,,Beschlüsse des Bundeitages und

des Bundesrates, welche die von

der Bundesregierung vorgeschlage-

nen Ausgaben des Haushaltsplan

erhöhen oder neue Ausgaben in

sich schliessen oder für die Zukunft

mit sich bringen, bedürfen der

Zustimmung den Bundesregierung”.

Een soortgelijke regel bestaat voor het

Britse Parlement! Waarom, zou men

het Europees Parlement – nog niet

eens rechtstreeks gekozen – grotere

bevoegdheid toekennen dan de natio-

nale vertegenwoordigers?

Troüwens, het voornaamste argu-

ment voor de budgettaire bevoegdheden

van het Europees Parlement, in alle

toonaardeft bezongen, is
altijd
geweest

dat het Parlement controle moet kun-

nen uitoefenen op de uitgaven, bekos-

tigd uit middelen waarover de natio-

nale parlementen geen zeggenschap

meer hebben. Welnu, die controle-

mogelijkheden worden door het Franse

voorstel niet aangetast. Tenslotte:

volgens algemeen door de regeringen

der Lid-Staten gehuldigde opvattingen

kan het Europees Parlement toch niet,

door op de begroting een bepaalde
uitgavenpost op te voeren, voor de

Gemèenschap een nieuw terrein van

activiteiten openen; daarvoor is een

besluit van de Raad absoluut onmis-

baar. Zolang het Europees Parlement

niet het wetgevend orgaan is – en dat

is nog niet voorzien, ook niet voor

1975 – heeft de beperking dus toch

niet veel om het lijf; zij betreft immers

slechts de administratieve uitgaven in

engere zin.

Hoe goed gevonden deze argumenten

ook mogen zijn, ze zijn te laat gebracht

en dat alleen is al reden genoeg om ze

niet te aanvaarden. ,Dat is dan ook niet

gebeurd: de ‘ beslissing is verdaagd.

De compromissenmakers hebben zich

echter al gemeld. Het zou er wel eens

op kunnen uitdraaien dat althans een

limiet wordt gesteld aan de mogelijk-

heid voor, het Parlement liet uitgaven-

totaal van de begroting te verhogen.

Gaf de eerste Raadszitting in januari

dus ruimschoots aanleiding tot pessi-

mistische commentaren (zie ook
ESB

van .28 januari, blz. 109), tijdens de

volgende scheen ,,de geest van Den

Haag” weer over de Raad vaardig te

zijn. Dat geldt zowel voor de zitting

gewijd aan de vraagstukken van eco-

nomische politiek als voor die betref-

fende het vervoer.

Economische politiek

De Belgische minister van Financiën,

Baron Snoy, en het Franse lid van de

Commissie, Barre, hebben ‘zich na de

Raadszitting van 26 januari beiden

ertoe laten verleiden uit te spreken, dat

voortaan de periode waarin de econo-

mische politiek van de LidStaten uit-

eenliep en niet werd gecoördineerd als
verleden tijd moet worden beschouwd.

De Raad heeft immers de algemene

oriëntatielijnen van het conjunctuur-

beleid 1970, zoals door de Commissie

ontworpen, aanvaard (voor de Benelux-

landen houden die in een restrictieve

monetaire politiek en een voorzichtig

begrotingsbeleid). J-lij heeft ook inge-

stemd met de algemene gedachten die

de Commissie voor de definitie van een

programma op middellange termijn

heeft ontwikkeld, al is wel gebleken,

dat’ de techniek der richtcijfers (zie

vorige Europa-bladwijzer, in
ESB
van

7 januar’i jI., blz. 43) nog tot veel haken

en ogen aanleiding kan geven. Dit

programma moet in het najaar ter tafel

komen.

Voorts is besloten dat het akkoord

inzake wederzijdse monetaire bijstand

op korte termijn, door de gouverneurs

der centrale bankei tot stand gebracht,

binnenkort in werking zal treden, en

dat een nader akkoord voor bijstand

op middellange termijn zal worden uit-

gewerkt. Ook zijn de modaliteiten vast-

gesteld van de procedure volgens welke

voorafgaand overleg tussen de Lid-

Staten zal worden gepleegd over be-

langrijke beslissingen of maatregelen

van een Lid-Staat op het gebied van

de economische politiek op korte ter-

mijn, welke een aanzienlijke weerslag

hebben op de economieën van de andere

Lid-Staten of op zijn eigen intern en

extern evenwicht, of het risico in zich

bergen dat een aanzienlijke kloof zal

ontstaan tussen de economische ont-

wikkeling van een land en’ de gemeen-

schappelijk bepaalde economische doel-

stellingen op middellange termijn. Dit

overleg dient ook te omvatten het alge-

mene begrotingsbeleid alsmede de be-

lastingmaatregelen, welke een recht-

streekse invloed beogen op het econo-

mische verkeer met het buitenland.

Deze procedure zal aanstonds in wer-

king treden.

Ongetwijfeld heeft de Gemeenschap

met deze besluiten weer enige stappen
in de goede richting gezet. Of zij vol-

doende zullen blijken te zijn om het

optimisme van de heren Snoy cii Barre

te rechtvaardigen, moet men afwach-

ten. Het is in ieder’geval te betreuren

dat de thans in werking getreden

consultatieprocedure alleen maar

schijnt te verplichten tot voorafgaand

overleg over maatregelen of beslissin-

gen die een Lid-Staat neemt of treft,

niet over de maatregelen en beslissingen

die hij achterwege laat. Het is te hopen

dat het derde programma voor de

middellange termijn zich niet zal be-

perken tot het scheppen van een kader

van evenwichtige groei van wat in de

169

Lid-Staten bestaat, maar tevens zal

aangeven hoe de bestaande oneven-

wichtigheden in de economische struc-

tuur van de Gemeenschap als geheel

kunnen worden verminderd. Is het niet

een ‘eeg teken dat enkele Lid-Staten,

waaronder Nederland, nog eens heb-

ben onderstreept dat structuurpolitieke

maatregelen veeleer als een nationale

dan een gemeenschappelijke verant-

woordelijkheid zijn te beschouwen?

Als men ihderdaad ernst wil maken

met het streven naar een economische
unie, zal men deze opvatting nog eens

gr6ndig moeten overwegen.

Vervoerspolitiek

Nu nog iets over de besluiten op het
terrein van het vervoer. Grotendeels

betroffen die zaken van secundair

belang:

– invoering van een tachygraphe voor

de controle op de rijtijden in het weg-

vervoer, waarvan de EEG-regeling
– verleden jaar tot stand gekomen –

overigens tot internationale verwikke-

lingen met vervoerders uit niet-EEG-

landen aanleiding geeft. Deze zullen in

het kader van de Economische Com-

missie van Europa te Genève moeten

worden opgelost;

– een wijziging van de verordening

inzake het stelsel van marge-tarieven

voor het goederenvervoer over de weg,

waardoor bijzondere transporten van

het inachtnemen der marges worden

vrijgesteld, zonder het beginsel van

openbaarheid .der tarieven aan te

tasten;
– voortzetting van de onderzoekingen

die moeten worden verricht om tot

redelijke verdeling te komen van de

kosten van de infrastructuur voor het

vervoer over de gebruikers daarvan.

Van veel groter belang is het besluit

geweest bij verordening uitvoering te

geven aan artikel 77 van het EEG-

verdrag, volgens hetwelk ,,de steun-

maatregelen die beantwoorden aan de

behoeften van de coördinatie van het

vervoer of die overeenkomen met de

vergoeding voor bepaalde met het be-

grip ‘openbare dienst’ verbonden ver-

plichte dienstverrichtingen” verenig-

baar zijn met het Verdrag. De tekst

die nu tot stand is gekomen beant-

woordt de vraag welke steunmaatrege-

len als zodanig kunnen worden be-

schouwd. Hoewel de omschrijving van

de casusposities en van de voorwaarden

waaraan moet zijn voldaan, nog tame-

lijk vaag is, moet dit besluit toch als

een wezenlijke stap vooruit worden

beschouwd. Het gemeenschappelijk

vervoersbeleid ligt op dit punt nu

duidelijk voor op het landbouwbeleid,

in het kader waarvan het nog steeds

niet is gelukt een algemeen aanvaarde

scheidslijn tussen toelaatbare en on-

toelaatbare steunmaatregelen te treffen.

De definitieve vaststelling van de ver-

ordening is echter nog uitgesteld om

Nederland en de Bondsrepubl4 ge-

legenheid te geven hun geschil over de

spoorwegtariefpol itiek, met name wat

betreft het internationaal container-

vervoer, op te lossen. Bonn was voor

nemens de bestaande overeenkomst

dienaangaande op te zeggen, maar

heeft toegezegd daar voorshands van

af te zien. Als binnen zes maanden

voor dit probleem in bilat&raal overleg

een oplossing kan worden gevonden,

zal de verordening in werking treden.

Zo niet, dan zal er opnieuw over ge-

sproken moeten worden, omdat anders

de verordening Nederland belangrijke

verweermiddelen uit handen zou nemen

Maatschappij-

spiegel

Wie
vermoordde

de studentenbeweging?

Jn de vorige Maatschappijspiegel kon-

digde ik al aan dat ik waarschijnlijk

nog een keer zou terugkomen op het

studentenprotest. Daartoe is alle aan-

leiding. In de eerste plaats is er onlangs

een interesant nummer verschenen van

Aksie,
het landelijk orgaan van de

Nederlandse Studenten Raad (lees:

Studentenvakbewegi’ng)
2
Daarin staat

een artikel over de voortzetting van de

studentenoppositie. In de tweede plaats

zal Prof. Posthumus binnen een maand

komen met een herziene versie van zijn

bekende nota: De universiteit, doe/stel

lingen, functies en structuren (1968),
die

zoals bekend voornamelijk ging over

de studieduurverkorting. En last but

not least zal, zo is de algemene ver-

wachting, minister Veringa binnenkort

tegen de consequenties van het plan-
Leber, voorzover het de spoorwegen

aangaat. –

Tenslotte verdient vermelding dat de

Raad een resolutie heeft aanvaard, die

in grote lijnen inhoudt welke maat-
regelen bij verordening vastgesteld

zullen worden om de onevenwichtig-

heden op de markt van de binnenvaart

– zowel die van tijdelijke als van

structurele aard – het hoofd te bieden.

Voorshands, zullen die maatregelen

alleen worden uitgewerkt voor het ver-

keer op de Rijn en op de Moezél. Zij

zulleni bestaan in een regeling voor

tijdelijke stillegging van schepen en in

de coördinatie van de sloopregelingen.

Voor de uitwerking van de stilleggings-

regeling zal overleg worden gepleegd

met de staten die
bij
de Acte van

Mannheim zijn betrokken.

Europa-Instituut Leiden

met een wetsvoorstel komen tot rege-

ling van het universitaire onderwijs:

Wie de ontwikkelingen in de studenten-

wereld een beetje heeft gevolgd, weet

dat dit materiaal explosief van aard is.

Of zal het deze keer – iedereen lijkt

wat moe gestreden – wel meevallen

met de rellen, beiëttingen ed.? Of gaan

we – om in de voor Nederlanders zo

aanspreekbare wèerkundige termen te

blijven – een stormachtige lente tege-

moet? Zal het lenteoffensief de laatste

massale manifestatie zijn van een be-

weging die, volgens sommigen
3
,
haar

hoogtepunt heeft bereikt. Of is het

slechts het begin?

Er zijn sterke aanwijzingen dat de

studentenbeweging over haar hoogte-
punt heen is. Aanwijzingen die niet in

de laatste plaats te putten zijn uit het

al genoemde artikel in
Aksie.
Daarin
vinden we een zeer uitvoerige analyse

en kritische waardering van de acties

die de studenten de laatste jaren hebben

1
Zie het – niet overal even overtuigende

-. artikel van Robert Nisbet: Who

kil/ed the student revolution, in ,,Encoun-

ter”, februari 1970, blz. 10-18.
2
,,Aksie”, jaarg. 1, no. 6 en 7, blz.

4-27.

ik heb mij ook wel eens in die richting

uitgelaten. Zie: Komt de universiteit tot

rust?, in ,,De Groene Amsterdam,ner”,

18 oktober 1969.

170

gevoerd. Het anonieme stuk, volgens

hardnekkige geruchten geschreven door
de full-time ideoloog van de SVB Henk

Sips (Nijmegen), bevat een vernietigen-

de kritiek op het politieke gehalte vn

de acties die in de universiteitssteden

zijn gevoerd. In de meeste gevallen ont-

brak, volgens de schrijver, zelfs elk

politiek benul. De acties leverden geen

bijdrage – vaak een anti-bijdrage –

tot de politieke bewustwording, tot een

politieke stellingname tégen de neo-
kapitalistische maatschappij en vôér

een socialistische iiaatschappelijke

orde. Het waren veelal niet meer dan

acties om de acties. De vraag: acties

waartoe?, democratisering waartoe?,

kwam niet of nauwelijks aan bod. Er

was geen sprake van een bewuste poli-
tieke strategie, die steunde op een poli-

tiek goed geschoold kader en een

adequate Organisatie. In de woorden

van de schrijver:

,,Overdreven gezegd komt dat erop neer
dat iedere aksie goed is, als er maar iets
gebeurt. Hiermee hangt samen – dit is
de kern van de bezwaren tegen de kon-
fliktstrategie – een onjuist inzicht in de
eerder gesinjaleerde gevaarlijke gevolgen
van min of meer willekeurige aksieparolen
op de misvorming van het bewustzijn van
de grote massa en daarmee ook van het kader. Interne diskussies over behaalde
resultaten van een aksie worden niet ge-
voerd, evenmin als aandacht wordt ge-
schonken aan de zo noodzakelijke follow-
up(scholing etc.). Dit klemt temeer daar
toch al grotendeels onkontroleerbaar is
hoe de publisiteitsmedia doel en werkelijk-
heid van gevoerde aksies overbrengen”
4.

Naar de mening van Sips moet de

studenteneweging zich krachtig orga-

niseren in basisgroepen, veel doen aan

politieke scholing en het ontwikkelen

van een politieke strategie. Daarmee

zet hij – en andere SVB-ideologen –

zich af tegen al het vrijblijvende gede-

mocratiseer dat in vele faculteiten aan

de gang is. Hij rekent af met de parade-

paardjes van de studentenbeweging, zo-

als projectonderwijs, zelf beheer e. d.:

,,Met dit alles is tevens een kritiek op
projektonderwijs gegeven. Projektonder-
wijs leidt tot een individuele intellektuele
bevrediging en daarmee tot het terug-
drukken van de vervreemdingservaring
5.

..Voor wat betreft de agitatie tegen
de tweede versie van de nota-Posthumus
geldt, dat daarop niet langer kan worden gereageerd met naieve parolen van zelf-
beheer of met zoiets als doelstellings-
debatten”
6

De leiders van de studentenbeweging
– die inmiddels zelf een zekere scholing

in politiek denken hebben gekregen –

worden nu geconfronteerd met de resul-

taten van een eerder vastgestelde, ge-

heel andere, strategie. Dat was de

strategie van: terug naar de basis en

faculteiten, terug naar de plaatsen

waar onderzoek en onderwijs wordt

verzorgd. De studenten moesten daar

waar ze, zoals in de eigen faculteit, de

situatie het •best kenden, hun acties

maar op eigen kracht en inzicht voeren.

Er moest zo weinig mogelijk Organi-
satie zijn; geen centralisme.

De kracht van de studentenbeweging

was – in de beginfase – dat zij op

basis van een erg algemene formule,

ni. democratisering, een grote aanhang

kon verwerven. Deze bestond uit een
beperkte groep activisten en een veel

grotere groep inactieve sympathisanten.

Niemand maakte zich erg druk over

wat nu democratisering precies inhield.

Er waren zo veel gerechtvaardigde

klachten over de universiteit, dat de

vraag van: democratisering waartoe?

vooralsnog niet gesteld behoefde te

worden .

Nu een aantal ideologen van de

studentenbeweging die vraag in poli-
tieke zin heeft beantwoord, zullen zij

bemerken dat de meeste studenten, die

op de vage democratiseringsleuze hun

steun hebben gegeven aan de ‘bewe-

ging, niet van plan zijn de verderfelijke

orde van het monopoliekapitalisme op

te ruimen en in te ruilen voor de socia-

listische orde die de ideologen voor

ogen staat. De meerderheid der studen-

ten zal onthutst antwoorden: ,,Ja, maar

dat was onze bedoeling niet. Wij wilden

al!een de universiteit wat hervormen”.

Het belangrijkste deel van de studen-

teneisen kan door een modernisering

van de universitaire Organisatie- en

bestuursstructuur worden ingewilligd.

Wellicht kômen gewijzigde versies van

de nota’s van Veringa en Posthumus

in belangrijke mate al aan die eisen

tegemoet. De schrijver in
Aksie
ziet dat

wel aankomen, als hij o.a. stelt:

,,Het belangrijkste gevolg van de omvor-
ming van de bestuursstruktuur ligt in
het feit, dat de tot nu toe syndikalistiese
‘georganiseerde studentenbeweging inge-
past wordt in de universitaire Organisatie.
Met name de positie van de grondraden als
gelegaliseerde studentenbeweging wordt
erdoor aangetast. Het universiteitsbestuur
neemt de Organisatie van de studenten-
geleding ter hand”
8.

Deze opmerking getuigt van een

scherp inzicht in het proces van inte-

gratie dat onvermijdelijk volgt op de

desintegratie die we de laatste jaren aan

de universiteiten hebbe.n gekend. Het is

niet te verwachten dat de studenten-

beweging zich aan dat proces zal kun-

nen onttrekken. Het aantal politiek

actieve studenten is beperkt. De ,,silent

majority” onder de studenten is hele-

maal niet zo ontevreden met de huidige

maatschappelijke orde. Als Veringa een

beetje intelligent wetsontwerp indient,

dat voldoende ruimte laat voor het
vinden van een flexibele bestuurs-

structuur, is het doodvonnis over de

studentenbeweging, zoals
zij
zich tot

voor kort heeft gemanifesteerd, ge-

tekend. Medeondertekenaars zijn de

hiervoor genoemde ideologen. Met de

zo noodzakelijke politieke discussie

over de aanwendingsrichting van de

middelen voor onderwijs en onderzoek

moet dan nog begonnen worden.

Bram Peper

,,Aksie”, blz. ii.

,,Aksie”, blz. 10.
6
,,Aksie”, bis. 14.

Uitgebreider zjjn Willem Wolters en

ik op deze materie ingegaan in een

boekje, getiteld: ,,De lastige universi

teit”, dat nog deze maand verschjjnt bjj

de Universitaire Pers Rotterdam.
8
,,Aksie”, blz. 5.

Oost-Europa

kroniek

Arbeiderszelf bestuur als economisch
experiment

Begin januari jl. organiseerde het Oost-

Europa Instituut van de Universiteit

van Amsterdam een symposium over

de problematiek van het arbeiders-

zelf bestuur in Joegoslavië. Alle facetten,
van filosofische tot bedrijfseconomische,

passeerden er de revue, hoewel het

accent begrijpelijkerwijs op het socio-

logisch-politieke vlak lag.

Hoewel de economie van Joegoslavië

vele malen is beschreven, worden de
merites van arbeiderszelf bestuur als

variant van sociaal-economische orde-

ning niet hoog aangeslagen. Het voor-

lopig enige theoretisch-economische

fundament onder arbeiderszelfbestuur

171

wordt gevormd door het werk van

Prof. Jaroslav Vanek van Corneil

University
1
.

Om niet voor de zoveelste maal te

belanden in een feitelijke beschrijving

van de economie van Joegoslavië ën

om de zaak van het arbeiderszelfbestuur

wat meer economisch reliëf te geven,

zal ik in deze kroniek wat plaats in-

ruimen voor de theorie van Vanek.

Naast diens
positieve
produktie-

theorie wil ik dan nogmaals de
norma-
lieve
theorie van economische planning

en politiek van Tinbergen plaatsen, om

tenslotte één en ander oppervlakkig te

plaatsen tegenover de economische

praktijk van Joegoslavië.

De positieve produktielheorie van het

arbeiderszelfbestuur
2

Tn het zuivere, gesloten, model zijn de

basisveronderstellingen dezelfde – als in

de conventionele produktietheorie.
Arbeid is uitsluitend een exogene pro-

duktiefactor. Arbeid is homogeen en er

is volledige werkgelegenheid. Boven-
dien is er volledig vrije mededinging,

vrije toetreding en is er sprake van een

homogene technologie en constante

meeropbrengsten. Kapitaal is echter

eigendom van de gemeenschap en in

feite dus niemands eigendôm. De doel-

stelling is niet winstmaximalisatie,

maar inkomensmaxinialisatie per arbei-

der. In dit model is ook de arbeiders-

economie Pareto-optimaal. 1-let margi-

nale produkt is voor elke factor gelijk

aan de marginale factorkosten.

Gebruiken de bedrijven in eenzelfde

bedrijfstak verschillende technologieën,

dan is het .neo-kapitalistische stelsel

superieur, aangezien in het evenwicht

tussen de bedrijven in de arbeiders-

economie de in geld gewaardeerde mar-

ginale produkten van arbeid ongelijk

zijn. Hoewel alle bedrijven zoveel pro-

duceren als overeenkomt met het punt

van maximale factorproduktiviteit, ligt

het comparatieve nadeel van de arbei-
derseconomie in het feit, dat de meest

doelmatige bedrijven niét voldoende

produceren. Overigens geldt een en

ander slechts met inachtneming van de

ceteris paribus clausule t.a.v. de be-

schikbaarheid aan hulpbronnen in

beide stelsels.

Arbeidersbedrijven moeten evenwel

vôor het gebruik van kapitaal de waarde

van het marginale produkt vergoeden

en aangezien in de arbeiderseconomie

de vraag naar kapitaal groter is dan

in het neo-kapitalistische stelsel is de

kapitaalopbrengst eveneens hoger.
Besparingen en investeringen worden
dan ook in grotere mate gevormd, ten

gunste van een versnelde economische

groei en vergrote produktie in de toe-

komst. De principiële verschillen t.a.v.

de factor kapitaal zijn er ook de oor-

zaak van, dat de arbeiderseconomie

wat betreft stimulering van de techno-

logische vooruitgang en introductie van

vèrnieuwingen in het nadeel is (hogere

kosten voor het gebruik van ,,vreemd”

kapitaal). Hetzelfde geldt voor de

socialistische bevelseconomie die, in

tegenstelling tot de socialistische markt-

econômie onder arbeiderszelfbestuur,

ook nog lijdt onder de gefixeerde kwan-

titatieve doelstellingen, die introductie

van technologische vernieuwingen. on-

mogelijk maken.

In een vrije eçonomie met monopolis-

tische tendenties en produktdifferen-

tiatie kan arbeiderszelf bestuur leiden

tot marktvormen met een hogere mate

van concurrentie dan ‘neo-kapitalisme.

Het punt van maximale doelmatigheid

wordt bij een lagere produktie-omvang
bereikt dan in het geval van een bedrijf

met gehuurde arbeid. Er is dus plaats

voor meer bedrijven in een bedrijfstak.
Een neo-kapitalistisch bedrijf produ-

ceert meer dan de produktie-omvang

welke behoort bij maximale doelmatig-

heid, aangezien zo’n bedrijf wordt ge-

leid door winstmaximalisatie. Dat punt

tracht het bedrijf bijv. te bereiken door

extra reclamekosten. Bovendien zijn

democratische structuren meer gençigd

tot decentralisatie dan niet-democra-

tische. Zelfs bij geringe schaaleffecten is

de neo-kapitalistische onderneming en

ook het Sowjetrussische bedrijf geneigd

de gecentraliseerde organisatie te be

houden, terwijl het arbeidersbedrijf zal

trachten zich te splitsen in autonome

beslissings- en produktie-eenheden.

Werkloosheid is in het model van

arbeiderszelfbestuur mogelijk, al is het

van een andere aard en heeft het een

andere oorzaak dan onder neo-kapi-

talishie. Variaties in de effectieve vraag

leiden primair tot prijsvariaties en in

veel mindere mate tot inkomens- en

werkgelegenheidseffecten. De prijs-

bewegingen in neerwaartse en opgaande

richting zijn symmetrischer dan onder

neo-kapitalisme, zodat er minder nei-

ging is tot seculaire inflatie. Het

arbeidsinkomén is immers een rest-

inkomen onder zelfbestuur, afhankelijk
van het bedrijfsresultaat.

De werkloze arbeiders zijn evenwel
m:b.t. kapitaal in een relatief gunstige

concurrentiepositie t.o.v. de bèstaande

bedrijven, aangezien zij de kapitaal-

verschaffer betere voorwaarden kunnen

bieden. In tegenstelling tot wat het geval

is bij ,,Keynesiaanse” werkloosheid,

waar zulks tot deflatie en een terugkeer

nar een situatie van onvolledige werk-

gelegenheid zou leiden, wordt het

herstelmechanisme in de arbeiders-

economie gévormd door nieuwe toe-

treding en uitbreiding van bestaande

bedrijven, vaak in nieuwe produktie-

richtingen. Er is dus in het stelsel een

aanzienlijke mate van endogene stabili-

teit aanwezig.

Tot zover de puur economische dimen-

sies van arbeiderszelfbéstuur. Arbei-

derszelfbestuur heeft echter enkelé

specifieke dimensies, die afwezig zijn in

ândere systemen. De sociale welvaart

wordt niet alleen bepaald door de

mechanische toepassing van een doel-

matige allocatie van de hulpbronnen,

maar
tegelijkertijd
ook door de per

produktie-eenheid collectieve beslissin-

gen over een rechtvaardige inkomens-

verdeling. Een oplossing welke meer

optimaal is dan die, welke wordt ver-

kregen door hantering van beide cri-

teria afzonderlijk. Niemand kan een

inkomen verwerven uit het éigendom

van kapitaal. Arbeidsinkomen is af-

hankelijk van het bedrijfsresultaat en,

niet de beloning voor ,,gehuurde

diensten”.

Bovendien bestaat er door. middel

van onderling overleg de mogelijkheid

van substitutie tussen geldelijk en niet-

materieel inkomen. Dit houdt ten

nauwste verba’nd met de waarçlering

voor de zwaarte van bepaald werk, voor

scholing en sociale voorzieningen. Men

kan bijvborbeeld besluiten een tran-

sportband aan te schaffen zonder dat

zulks economisch doelmatig behoeft

te zijn.

Conclusies van Vanek

1. Met betrekking tot de allocatie van

de economische hulpbronnen. is de

arbeiderseconomie bij volledige werk-

gelegenheid minstens gelijkwaardig aan

de neo-kapitalistische economie. Eerst-
genoemde is
bij
minder dan volledige

J.
Vanek: ,,The labor-managed market

economy: General iheory”. Cornell

University Press 1969; J. Vanek: ,,The

labor-managed market economy: An

evolutionary hypothesis”. Corneli Uni-

versity Press 1969.
2
J.
Vanek: ,,Decentralization under

workers-inanagement: A theoretial

appraisal”. A paper presented al the

1969
AEA
meetings. Corneli University

1969.

172

werkgelegenheid superieur en is uit-

gesproken superieur als nen de speci-

fieke dimensies van arbeiderszelf bestuur

in het geheel betrekt.

De inkomensverdeling in een

arbeiderseconomie is doelmatiger.

Als, zoals Bergson
3
van oordeel is,

de allocatieve doelmatigheid van de

bevelseconomie inferieur is aan die van

de neo-kapitalistische economie, dan

is arbeiderszelfbestuur in alle gevallen

(ad 1) doelmatiger dan de, bevels-

economie.

Als uitkomst van convergentie

tussen de twee gepolariseerde sociaal-

economische wereldsystemen is de

arbeiderseconomie alleszins aanvaard-

baar.

De nor/natieve theorie van econômische

planning en politiek

Zoals bekend, .gaat Tinbergen uit van

maximalisatie van de sociale welvaarts-

functie. Onbekend ‘is daarbij welke

van de kwalitatieve instrumenten (insti-

tuties), en in welke mate de kwantita-

tieve instrumenten van economische
politiek in het optimum zullen voor-

komen. De mate van centralisatie in de

verzorging van produktie-activiteiten

en in de hantering van de instrumenten

van economische politiek wordt be-

paald door de minimalisering van

externe effecten, van de vertekenende

gevolgen van ondeelbaarheden, van de

ongelijkheid, tussen individuen van

marginale nuttigheden uit besteed in-

komen en van de instabiliteit van de

markten voor specifieke produkten.

Zo wordt tevens bepaald in welke

gevallen de produktiemiddelen ge-

meenschapseigendom moeten zijn.

Gemeenschapseigendom is dus geen

restrictieve basisveronderstelling.

Kortom:

Een openbare sector van aanzien-

lijke omvang verzorgt alle activiteiten

die belangrijke externe effecten of

ondeelbaarheden (marginale kosten <

gemiddelde kosten) vertonen. De overi-

ge activiteiten worden verricht door de

particuliere sector (kleine en middel-

grote produktie-eenheden).

De graad van centralisatie in de

hantering van instrumenten van eco-

nomische politiek moet zodanig zijn,

dat geen enkel instrument aanzienlijke

externe effecten vertoont. Dit principe

verdeelt de beleidstaken over beslis-

singscentra van verschillende niveaus

(centruhi – bedrijfstak – concern –

onderneming; centrale – regionale. –

lokale overheid).

De openbare sector bepaalt de

totale omvang der investeringen, regu-
leert de totale vraag en instabiele deel-

markten. Bovendien herverdeelt de

overheid het inkomen zodanig, dat

aan de ene zijde belastingen de opti-

male allocatie niet vertroebelen (,,lurnp

sum transfers”) en aan de andere zijde

het. marginale nut van de geldeenheid

voor alle individuen min of meer gelijk-

grschakeld wordt.

Ondanks het feit, dat Tinbergens model

het bestaan van een particuliere sector

toelaat, alsook de mogelijkheid van

inkomensverwerving_uit kapitaal, ligt

ten aanzien van het welvaartsaspect het

voordeel
mijns
inziens aan de zijde

van Vanek. In
zijn
model is een ruime

en meer individuele uitdrukking van

welvaartsfuncties mogelijk. Tinbergen

middelt en weegt individuele welvaarts-

functies en komt zo tot een represen-

tatieve sociale welvaartsfunctïe. Wel-

vaarts-economisten zijn het hier om

bekende redenen niet mee eens. Afge-

zien van deze kwestie vind .ik de

mogelijkheid van het bestaan van en
het rekening houden met individuele

welvaartsfuncties fraaier dan het wer-

ken met een gemiddelde sociale

welvaartsfunctie.

De praktijk van het arbeiderszelfbestuur

in Joegoslavië

Arbeiderszelf bestuur in Joegoslavië

heeft betrekking op de non-agrarische

bedrijven. De agrarische sector is

particulier. In de, hoofdzakeljk indus-

triële, bedrijven berust de ondernemers-
functie bij de arbeidsraad, gekozen door

alle
medewerkers in de onderneming

(directe democratie). De arbeidersraad

benoemt een uitvoerend orgaan, het

bestuurscomité, waar ook de directeur

zitting in heeft. Het dagelijks bestuur

berust bij de directeur, terzijde gestaan

door de staf- en lijnfunctionarissen. Al

naar gelang de grootte is de onder-

neming onderverdeeld in een aantal

arbeidseenheden, met ieder een arbei-

dersraad en een uitvoerend bestuurs-

comité van de arbeidseenheid.

De arbeidersraad van de onder-

nerning beslist over de bedrijfsplannen,

alsook over de verdeling van het be-

drjfsresultaat tussen looninkomen en

investeringen. De bedrijfsplannen wor-

den gesplitst in plannen voôr de

arbeidseenheden. Over de haalbaarheid

daarvan beslissen de arbeidersraden van.

de eenheden. Na een aantal iteraties

resulteert deze procedure in consistente

bedrijfsplannen. Volgens Vanek is de

arbeiderseconomie in staat een hogere

spaarquote te bereiken (20-30
Y.
van

het nationale inkomen) dan de neo-

kapitalistische economie. Vele econo-

misten vrezen juist, dat de arbeiders-

raad meer geneigd is de winst als in-

komen uit te keren. Binnen het bedrijf

beschikken de directeur en de staf wel

degelijk over ,,countervailing power”.

Laat ons de
praktijk eens nader be-

zien. De
bedrijven
nemen 30% van de

totale investeringen in vaste activa

voor hun rekening. Sinds de hervormin-

gen van 1965 is dat niet veranderd.

Wél is sindsdien het aandeel van de

overheid afgenomen van 60% in 1961

tot 30% in 1965. Het aandeel van het

bankwezen is toegenomen van 10% tot

40%. Op het bankwezen, dat niet

functioneert volgen het systeem van

arbeiderszelfbestuur, heeft de overheid

vaak overwegende invloed.

Bedrijven mogen 70% van hun be-

drijfsresultaat behouden; de rest vloeit

naar het overheidsbudget. Aangezien

in Joegoslavië geen kapitaalmarkt be-

staat zijn de bedrijven voor eventueel

resterende investeringsbehoeften aan-

gewezen op de banken, op duur vreemd

kapitaal dus. Over het in het bedrijf

(door aanvankelijke storting van over-

heidswege of door interne financiering)

aanwezige kapitaal, eigendom van de

gemeenschap moet het bedrijf vier tot

zes procent interest vergoeden. Het

bedrjfsrisicowordt gedragen door de

factor arbeid, via de fluctuaties in het

looninkomen afhankelijk van het be-

drijfsresultaat.

Zoals uit de tabel (blz. 174) blijkt zijn,
bij een sinds 1965 dalende groeivoet van

de economie, de investeringen als per-

centage van het bruto materieel produkt

gedaald van 33,4 in 1964 tot 24,7 in

1968 (prijzen van 1964). Het is een
feit, dat het gemiddelde percentage
A. Bergson: ,,The economics
of
sovjet

planning”, New Haven 1964.

1. Maksimovic: The econoinic systems

and workers’ self-management in Yugo-

sla via; M. Kamuic: Economic efficiency

and workers’ self-management. Beide
artikelen maken deel uii van de nog te
publiceren ,,proceedings” van liet An,-

sterdamse symposiwn;

T. Wilson, G. R. Denton: ,,Econo,nic

reformn in Yugoslavia”. PEP, vol.

XXXIV, no. 502. Londeiz 1968;

J. J. Ramondi: Functies van het arbei-

derszelfbestuur, in ,,Internationale Spec-

lator”, ‘Oost-Europa nummer. Jaargang

XXI
V,no. 2, januari 1970.

173

zelffinanciering in de totale investerin-

gen daalt en het gemiddelde inkomens-

bestanddeel van de bedrijfsiesultaten
/
toeneemt. Tevens is sprake van een

belangrijke toename van . het aandeel

van particuliere besparingen in de

investeringsquote. Er is dus reden om

te veronderstellen dat
bedrijven
te

weinig investeren.

Dit moet men bezien tegen de achter-

grond van de noodzaak om 30% van

de
bedrijven
te saneren (opheffen
of’

fusioneren).

In de periode 1962 tot 1966 schijnt

evenwel de meerderheid der bedrijven

30% van de bedrijfsresultaten te heb-

ben geïnvesteerd. Hoewel in de be-
drijven het gemiddelde inkomen per

hoofd hoger is dan voor de economie

als geheel, is tevens het gemiddelde

investeringspercentage hoger dan voor

de economie als geheel. Met de

investeringsactiviteit van bedrijven valt

het dus wel mee.

Wat we bovendien ook niet mogen

vergeten bij de beoordeling van de

dalende groeivoet is, dat de economie
gebukt ging otider een vrij explosieve

inflatie. Deze inflatie is niet zozeer het

gevolg van de decentralisatie en de

overgang naar een socialistische markt-

economie als wel van het onvermogen

van de overheid haar
administratieve

politiek om te zetten in een doelmatige infiatoire politiek. Joegoslavische eco-

economische,
i.e. financiële en mone- nomisten- wijten de groeivertraging

taire politiek. Ook het openen van de grotendeels aan het nog te zeer admini-

deur naar de wereldmarkt noopte tot stratieve karakter van de economische

een ingrijpende hervorming en anti- planning en politiek van de overheid.

Enige kencijfers voor de Joegoslavische economie 1956-1968

Samengesteld
Verhouding
jaarlijks
tot bruto
groei- materieel
Procentuele toename
t.o.v.
voorgaand jaar
percentage
produkt
1956-1963
(prijzen 1964)
1964
,
1965
1966
1967
1968
1964
Volume:
Bruto materieel produkt a)

9,6


100,0
12,7
3,4
8,6
,

1,0
4
Industriële produktie
……..
12,0
40,5
16,0
8,0
4,0
0,5 6,6
kapitaalgoederen

………
12,0
,
1
2,
0

10,0
2,0

1,0
7,0
tussenprodukten
……….
11,2 15,0
7,0
4,0 0,0 6,2
consunsptiegoederen

……
13,5
16,0
9,0
6,0

1,0
6,0
Produktie per arbeider in de
industrie

……………..
5,8
‘6,9
4,2
5,2
1,6
7,7

Landbouwproduktie
6,0 27,0
5,9

9,1
16,6

1,4

3
Bruto

investeringen

in

vaste
activa

………………
14,0
33,4
18,0
-10,0

2,8
-10
11
Particuliere consumptie
7,7

.
47,5
9,4 2,4
10,0
5,6 4

Waarde:
Export
…………………
13,9
18,3 12,4
20,0

12,3
2,7
1,0
Import

……………….
12,2
27,1
23,8

5,7
21,0
6,0 5,0

Prijsindices:
Detailhandelsprijzen
4,3 8,7
29,0b) 23,0b)
6,4
4,0
Groothandelsprijzen
industrie

……………..
1,1
4,8 15,0b)
1 l,Ob)
2,0,
0,0
landbouw
…………….,
7,8
23,0b) 44,0b)
17,6b)
-3,0

6,0

lonen:


Reële inkomsten per hoofd
6,7


14,4
,

2,3 12,4
6,4
4,0
Nominale inkomsten
……..
13,3

.
26,8
,

38,5
38,0
13,6
9,0

Werkgelegenheid:
Werklozen(x

1.000)
……..

228
267
265
291
310

Excl. overheid, Vrije beroepen en niet tot de produktie
bijdragende
diensten.
in deze jaren werden prijshervormingen doorgevoerd.
Bron:
UN.:
Econonzic Survey
of
Europe 1968, E.C.E.
Genève/New York 1969; UN.: Ycarbook
of
Nationol ,Accounl.ç Stalislics 1967,
New
York 1968;
UN.:
Yearbook
of
Inlernalional Trade Stalislics 1966,
New York 1968.

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Bij het eerste bureau van de tweede afdeling der provinciale griffie kan
worden geplaatst een ambtenaar met bekwaamheden en ervaring op het
gebied van de overheidsfinanciën, die beschikt over stylistische vaardigheid.

Het bureau is belast met werkzaamheden inzake de provinciale financiën
(begroting, prognoses, boekhouding, rekening, interne contrôle) en eigendom-
men (beheer, aan- en verkoop van onroerend goed, verzekeringen e.d.).
Vereist is het bezit van het diploma gemeente-financiën of een gelijkwaardig
diploma.
Leeftijd niet boven 40 laar.
Goede vooruitzichten.

Naar gelang van leeftijd, ervaring en
bekwaamheid wordt in
uitzicht gesteld.
benoeming in de rang van

HOOFDÇOMMIES,’

HOOFDCOMMIES-A OF

REFERENDARIS

Salarisgrenien van f1338,- tot f2401,- per maand. Vakantieuitkering 6%.
De provincie is aangesloten bij de lnterprovinciale Ziektekostenregeling.
Indien gewenst, zal zoveel mogelijk worden medegewerkt bij het verkrijgen
van huisvesting, eventueel ook door middel van een hypothecaire lening.

Sollicitaties met uitvoerige gegevens en opgaaf van referenties aan gedepu-
teerde, staten der provincie Zuid-Holland, Koningskade 1 te ‘s-Gravenhage,
binnen veertien dagen na verschijning van dit blad.

174

Tevens dient vermeld te worden, dat

het een van de doelstellingen van de

hervorming was het particuliere in-

komen en de particuliere consumptie

te verhogen. Men kan natuurlijk be-

twijfelen of zulks economisçh consistent

is ‘met de overige doelstellingen van de

hervorming.

Het volgende ten aanzien van de in-

komensverdel ing. Arbeid draagt’ het

risico van het ondernemersschap, niet

kapitaal. Daartegenover staat, dat in-

komensverwerving uit kapitaal niet

mogelijk is. Vergelijkt men vodr een

recente periode de looninkomsten voor

arbeid van uiteenlopende graden van

scholing in Nederland en Joegoslavië

dan blijkt, dat voor de groep 40- tot

45
:
iarigen Joegoslavië een meer egali-

taire inkomensverdeling heeft. Voo

oudere leeftijdsklassen zijn de ver-

schillen groter en voor jongere kleiner.

Joegoslavië bezit evenwel een lagere

ontwikkelingsgraad, wat in het alge-

meen correleert met een schevere

inkomensverdeling. Gezien ook de

positie van kapitaal lijkt het verant-

woord te concluderen, dat Joegoslavië

een veel rechtvaardiger inkomens-

verdeling heeft dan een land als Neder-

land. Vanuit een oogpunt van econo-

mische doelmatigheid is deze mis-

schien wel te egalitair.

Ten aanzien van de allocatie van

arbeid nog dit. De werkloosheid be-

droeg in 1966 9% van de beroeps-

bevolking werkzaam in ,,economïsche

activiteiten”. Uit de noodzaak 30%

van de bedrijven te saneren (zie boven)

niag men natuurlijk niet concluderen,

dat 30% van de beroepsbevolking

werkloos dreigt te worden, al is het

verschijnsel op zich niet zonder belang-
rijke gevaren voor de werkgelegenheid.

Er werken zo’n 300.000 Joegoslaven in

het buitenland. Op de overheid wordt

sterke druk uitgeoefend om haar vaste

administratieve greep

op de niet-

agrarische kleine private sector ter-

wille van de werkgelegenheid wat te

F777

hoofd

administratieve zaken

Tot de taakstelling behoort’ onder meer:
Voor het
Can

de gehele administratie

rekencentrum van de

de begroting, de jaarrekening en de kostenbewakirrg

gemeenten

adviezen aan de direkteur betreffende de planning

Arnhem en Nijmegen
van investeringen, de interne doelmatigheid op

wordt gezocht een
bedrijfsekonomisch gebied


het interne beheer, waaronder de huishoudelijke
dienst, de typkamer, het archief e.d.


uitvoering van het personeelsbeleid in’ samenwerking
met de afdeling personeelszaken.

Aan deze:functie, die rechtstreeks ressorteert onder de

direkteur en die in de aankomende jaren verder kan

uitgroeien, worden de volgende eisen gesteld:


opleiding tenminste op het niveau M.O. Boekhouden

respectievelijk M.O. Economie


ervaring op administratief gebied


leidinggevende kapaciteiten


redaktionele vaardigheid

Brieven onder letters HA aan:


91TP

GEMEENSCHAPPELIJK INSTITUUT

VOOR TOEGEPASTE PSYCHOLOGIE.


Berg en’Dalseweg 127 te Nijmegen

175

verslappen. De private landbouw zou

ook enig soelaas kunnen verschaffen.

De lonen voor gelijkwaardig werk

variëren in verschillende bedrijven en

geografische gebieden soms met 50

tot 100%. Daartegenover staat, dat in

het Westen de collectieve ,,counter-

vailing power” van de vakbonden de

lonen vaak tot boven de waarde van het

marginale produkt doet stijgen. In

Joegoslavië heeft de vakbond deze

macht niet; de .loonvorming is ge-

decentraliseerd en behoort tot de corn-

petentie van de arbeidersraad. Hetgeen
boven tenaanzien van de investeringen

is gëzegd, doet vermoeden dat zulks

geen grote bron van inflatie is.

Met betrekking tot de prijsvorming

en de prijsontwikkeling kan gezegd

worden, dat er over het algcmcën een

strakke prijsbeheersing is van over-

heidswege. In hoeverre de gevoelige

prijsstijgingen het gevolg zijn van een

foutieve monetaire politiek in het ver-

leden, van de hervormingen en van arbei-

ders zelf bestuur is onmogelijk te zeggen.

De autonomie van de directeur en de

staf wordt in het algemeen, ook door

de arbeideis in de bedrijven, te gering

geacht voor een slagvaardig techno-

logisch en commercieel beleid. Vaak

zijn evenwel hun feitelijke bevoegd-

heden al groter dan hun wettelijk vast-

gelegde.

inherent aan arbeiderszelf bestuur

is de neiging tot vorming van te kleine

bedrijfseenheden. Dit gaat ten koste

van de technologie en geeft onvol-

doende gewicht aan zulke aspecten als

ondeel baarheden en externe effecten.

Er is wel degelijk sprake van een zekere

bedrijfsconcentratie, al blijft deze te

veel steken in de laagste fase van inte-

gratie, nI. coördinatie van bepaalde

aspecten van bedrijfspolitiek. Integratie-

verschijnselen zijn het sterkst in de

metaalindustrie, de elektrotechnische

en de chemische industrie.

Aangezien vele structurele factoren,

alsook de conjunctuur, tezamen als een

onontwarbare streng uitmonden in de

eonomische realiteit, is het ondoenlijk

de specifieke invloed na te gaan van

arbeiderszelfbestuur op de sociaal-

economische doelmatigheid.

De accumulatie van kapitaal lijkt mij

over het algemeen efficiënter dan men

algemeen denkt. De allocatie laat nog

wel te wensen over als men bedenkt,

dat de kapitaalo
y
erdracht tussen be-

drijven gebrekkig loopt en dat de eco-

nomische politiek van de overheid nog

te administratief is. Ten aanzien van de

allocatie van arbeid heb ik wel enige
bedenkingen, alsook ten aanzien van

de ontwikkeling van de technologie en

de geringe mate van concentratie.

Ook de planning en de uitvoering van

de economische politiek zijn niet ge-

heel volledig en consistent.

Het grote voordeel schuilt in het tot-

standkbmen van een betere, i.e. ruimere
en diepere, welvaartsfunctie. Arbeiders-

zelfbestuur als economisch experiment

heeft meer waarde dan men gewoönlijk

denkt.

Drs. R. Wetsteijn

RIJKSUNIVERSITEIT

GRONINGEN

Bij het Sociologisch Instituut

wordt gevraagd een

econoom

als wetenschappelijk medewerker

van de Iec.tor economie, Dr. C. de Galan.

Zijn taak zal bestaan uit

o het leveren van een bijdrage aan het onderwijs

(hoorcolleges, werkgroepen enz.) in het keuzevak

economie aan pre- en postkandidaten sociologie;

• hiermede samenhangende activiteiten;

• meciewerken aan oiderzoek, eventueel multi-

disciplinair.

GEMEENTE RIDDERKERK

Bij deze zich snel uitbreidende gemeente
bestaat gelegenheid tot plaatsing van een

SOCIAAL-GEOGRAAF

of

SOCIAAL-ECONOOM

die als stafmedewerker ter secretarie be-

last zal worden met aangelegenheden

betrekking hebbende op de verbetering

van de infrastructuur van deze gemeente

(zoals de woon- en werkgelegenheid,

diensten- en onderwijsvoorzieningen).

Een voltooide academische opleiding en

ervaring op het boven omschreven terrein

is vereist.

Rang en bezoldiging zullen in nader over-

leg worden geregeld, met dien verstande,

dat het salaris in maximum ongeveer

f
2200,— per maand zal bedragen.

Voor toewijzing van een woning zal wor-

den zorg gedragen.

Het verplaatsingskostenbesluit, zomede de

gebruikelijke rechtspositieregel ingen zijn

alle van toepassing.

Schriftelijke

sollicitaties

te

richten aan het Hoofd van de

afdeling Personeelszaken,

Postbus 72 te Groningen.

Sollicitaties met uitvoerge inlichtingen en opgave van

referenties binnen 14 dagen na verschijning van dit

blad aan cle burgemeester onder vermelding van

vacaturenummer 173.

176

1

.

/

7

Wr Yan

dichtbij beke’ kën

te*.worden.

0/dsm obile,C,utlass.

\

t
H

Men krijgt niet vaak de kans deze Amerikaanse wagen rustig van dichtbij
te
bekijken Want een Oldsmobile

Cutlass is in
Nederiand
een tamelijk exclusieve wagen Ook exclusief in de zin van rijkomfort en luxe – die weinig

Europese wagens u kunnen bieden Zoals de nauwelijks hoorbare motor die moeiteloos honderden paardekrachten

jonge mobiliteit lvert. zoals ‘het komfortahele ‘interieur -superieure combinatie -.an vakmanschap én elég.ance.

Zoals de volmaakte detaillering van deze–wagen va t-nding. Voor ‘dë goed’e

‘–

verstaander nog dit De Oldsrnobile Cutlass 1970 is niet of nauwelijks groter dan een

grote Europese auto en is ook niet of nauwelijks duurder

GM

GENERAL MOTORS ROTTERDAM TEL 290000

177

ff;
L
IEN
,

Mededelingen
,Marketing en gedragswetenschappen

Op 18 februari start aan de Landbouw-

hogeschool Wageningen éen serie van

tien studiebijeenkomsten over het thema

,,Marketing en Gedragswetenschap-

pen”. Deze bijeenkomsten zijn voorbe-

reid door de afdeling Marktkunde en

Marktonderzoek van de hogeschool in

samenwerking met het NIMA, het

Nederlands Instituut voor Marketing.

De bijeenkomsten worden ingeleid

door deskundigen, waarna ruime ge-

legenheid tot discussie wordt geboden.

In deze cyclus wordt een aantal sociaal-

psychologische aspecten behandeld,

waarvan de marketing-man kennis

dient te hebben voor het kunnen nemen

van zijn beslissingen. De cyclus is een

onderdeel van een aantal soortgelijke
projecten, die voorbereid zijn of ont-

ontwikkeld worden met hogescholen

en universiteiten in Nederland.

De ieeks bijeenkomsten opent met

eèn algemene inleiding tot het thema,

waarna enige middagen aan het con-

sumentengedrag worden gewijd. Daar-
na volgen de onderwerpen: introductie

van nieuwe produkten, prijsreacties

van de consument en reclame. Tevens
worden organisatorische aspecten van

de marketing, zoals de samenwerking

met marktonderzoekbureau en reclame-

bureau, aan de orde gesteld.

Deze studiebijeenkomsten zijn be-

(Slot op blz. 180)

DE NATIONALE INVESTERINGSBANK

(HERSTELBANK) N.V.

gevestigd te ‘s-Gravenhage

UITGIFTE van

f50.000.000,— 8 pct. 8-jarige obligaties 1970

in stukken groot nominaal 11000,— aan toonder.

De koers van uitgifte zal op
vrijdag 13 februari 1970
per advertentie worden. bekendgemaakt.

Na de toewijzing kunnen desgewenst in plaats van obligaties schuidregisterinschrijvingen,

groot ten minste
f
50.000,—, worden verkregen.

Ondergetekenden berichten, dat zij de inschrijving op bovengenoemde uitgifte openstellen op

DINSDAG 17 FEBRUARI 1970

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 3 uur,
bij hun kantoren te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage, ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en

Utrecht, voor zover aldaar gevestigd, op de voorwaarden van het prospectus d.d. 9 februari

1970. …

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn bij de kantoren van inschrijving verkrijgbaar..

ALGEMENE BANK NEDERLAND N.V.

AMSTERDAM-ROTTERDAM BANK N.V.

HOLLANDSCHE BANK-UNIE N.V.
HOLLANDSE KOOPMANSBANK LIPPMANN ROSENTHAL N.V.

BANK MEES
&
HOPE N.V.
PIERSON, HELDRING & PIERSON
NEDERLANDSCHE CREDIETBANK N.V.

.F. VAN LANSCHOT

COÖPERATIEVE CENTRALE BOERENLEENBANI(
COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BANK

Amsterdam/’s-Hertogenbosch/EindhoVen/Utrecht, 9 februari 1970.

t

178

Men houdt

even

de pas in

voor èen Chev
*
rolet Impala.

ç.


.

Als u een Irnpala uw eigendôm kunt noemen, zult u moeten wennen aah bewonderende blikken op deze

agen. Want de Impala is een opvallende klassewagen. Representatief. Evenwichtig van lijn. Stoer van buiten, ruim

n komfortabel van binnen. Biedt Amerikaans rijkomfort binnen Europese afmetingen,

En eenmotor van 157 of 250 pk garandeert volkomen veilig,volkomen ontspannen rijgenot.Nogiets om bij

til te staan grote Europese wagens in dezelfde prijsklasse zijn uiterlijk, maar

r
ENER

66k innerlijk veel bescheidener uitgevoerd dan een Chevrolet Impala 1970. ‘

L MOTORS

ROTTERDAM TEL. 290000 . .
.

S

179

C
LU F
9
X:
>.

Namens de Directie van

LUREX N.V.

nodigen wij gegadigden voor de functievan

PLANNING COORDINATOR

uit, vrijblijvend contact met ons op te nemen.

Het gaat om een veelzijdige, verantwoordelijke positie bij een
internationaal

werkende

industriële onderneming,

gevestigd

te
Amsterdam, met enkele dochter-ondernemingen buiten Neder-
land.

Deze zoekt een economisch onderlegd assistent voor de technische
directie, waaronder ressorteren de productie, de technische dienst,
de ontwikkeling en de research van de gehele groep.

De taak van de nieuwe functionaris zal neerkomen op de bevorde-
ring van de efficiency, o.m’ door het verzorgen van een economische
planning, zowel wat de productie als wat de voorraden betreft;
voorts

zal

hij

de

afdelingsbudgetten

coördineren

en

controle

uitoefenen op de naleving daarvan.
De gedachten gaan uit naar een academisch gevormd

ECONOOM

of iemand die met de studie in de economie bezig is, en in ieder
geval met ervaring op het hierboven genoemde gebied, bij voorkeur
in de industrie. Hij dient op de hoogte te zijn van moderne organi-
satie-principes

en

-methodieken.

Voorts is

beheersing

van

de

Engelse taal van belang.

Aangeboden wordt: een zeer afwisselende en boeiende werkkring
bij een onderneming die gelieerd is met grote bedrijven in Engeland
en Amerika, zodat er volop gelegenheid is tot uitwisseling van
ideeën en het opdoen van internationale ervaring op het gebied
van het management.

Zij, die menen voor deze functie in aanmerking.te komen kunnen
rekenen op discretie wanneer zij

schriftelijk

een

oriënterende

bespreking aanvragen dan wel meteen solliciteren onder no. 2820
bij

Psychologisch Adviesbureau Dr. J. Slikboer,
Prinsen Bolwerk 5, Haarlem.

(Slbt van blz. 178)

doeld voor al dan niet academisch ge-

vormde functionarissen uit het bedrijfs-

leven, welke uit hoofde van hun werk

met marketing-problemen te maken

hebben dan wel daarvoor belangstelling

hebben. Maximaal 30 deelnemers zullen

worden toegelaten. Als docenten zullen

optreden deskundigen uit het bedrijfs-

leven en de universitaire wereld. Elke

docent besteedt ca.
14
uur aan zijn

voordracht, waarna nog ruim
14
uur

voor discussie beschikbaar is.

De studiebijeenkomsten worden ge-

houden op tien achtereenvolgende

woensdagen, beginnende 18 februari

a.s., van 14.00 tot 17.30 uur in het

gebouw Wiskunde van de Landbouw-

hogeschool te Wageningen. Syllabi

van de voordrachten zullen in gesten-

cilde vorm aan de deelnemers vorden

uitgereikt. De kosten van de studie-

bijeenkomsten bedragen f. 875 per

deelneme?. In dit bedrag zijn begrepen

de kosten verbonden aan de uitreiking

van het studiemateriaal.

Nadere inlichtingen
bij
de afdeling

Marktkunde en Marktonderzoek van

de Landbouwhogeschool Wageningen,

Diedenweg 18, Wageningen, tel. (08370)

6111.

180

Agrarische handel en industrie

over het’Europese landbouwsysteém

Industrie en handel in de agrarische sector ondervinden dagelijks de gevolgen van de vérgaande be-

moeiingen van de EEQ-orgarien mët de landbouw. Datkomt door de steeds inniger vervlechting

van primaire produktie,
afzet,
verwerking en uiteindelijke bestemming: de ,,agribusiness”, een reali-.

teit waarmee de regelingen van Brussel onvoldoende rekening houden. Integendeel, het markt- ehpijs-

beleid voor de land bovtwprodukten is grotendeels afgestemd op de producent en dan nog in die zin, dat

het inkomen van de boer geheel afhankelijk is van het prijsniveau in de landbouw. In dit stelsel leidt

het noodzakelijk hoge prijspeil tot de vorming van overschötten en een tekort aan structuurverbetering.
Andere kwalijke gevolgen zijn
hoge protectie aan de buiten grens en uiterst gedetailleerde, regelingen.
In deze speciale ESB-bij lage, welke de gezamenlijke visie weergeeft van een aantal organisaties in de

,,agribusiness”, wordt aan bevolen een systeem met lageréproducentprjzen, aangevuld met degressieve

toeslagen aan de landbouwproducenten, wairdoor de verbinding met de wereldmarkt wordt hersteld en

een stimulans tot herstructurering van de landbouw wordt gegeven. Wanneer’ een aantal kunstmatige

ingrepen zowel in de produktie als de corn inercialisatie achterwege wordtgelaten, zal een riiéuwe samen-

werking in de verticale kolom van produktie, verwerking en
afzet kunnen leiden tot profijt, zowel voor

levenskrachtige landbouwbecirijven als voor handel,, industrie en consument. –

1. Inleiding

Reeds vele maanden v66r het verschijnen van het memo-

randum van de Europese Commissie over de landbouw

in 1980 had Dr. S. L. Mansholt bij verschillende gelegen-

heden zijn visie gegeven op de wenselijkheid van funda-

mentele veranderingen in de structuur van de landbouw

binnen de Europese Gemeenschap.

Men kan daarmee van harte instemmen, maar des-

ondanks bedenkingen hebben tegen de door de Europese

Commissie voorgestelde maatregelen om deze ontwikkeling
te reguleren en te stimuleren (men zou zelfs kunnen spreken

van forceren). De kritische beschouwingen van minister

Lardinois in zijn, bij de landbouwbegroting voor 1970,

aan het Nederlandse parlement gerichte nota over het

EEG-document, zijn daarvan een goed voorbeeld.

In het dossier
Landbouw 1980
werd rondom dit langere-

termijnprobleem van de Iandbouwstructuur een aantal

maatregelen ‘voorgesteld, dat zou moeten dienen om op

kortere termijn enige verlichting te brengen in de deplora-

bele situatie waarin een deel van de landbouwmarkt is

(Bijlage bij ESB 11-2-1970)

verzand. Deze hoofdstukken van het memorandum hebben

met de grondgedachten van het ,,plan-Mansholt” niets uit

te staan. Ze hebben goeddeels het karakter van het cureren

aan symptomen in plaats van aan de kwaal.
Die kwaal is naar onze mening
de vergaande binding van

de pri/spolitiek aan het agrarisch-inkomensbeleid.
Eén van

de uitgangspunten van Dr. Mansholts voorstellen voor de
landbouwstructuur – en die vindt men terug in het memo-

randum van de Europese Commissie – was dat het on-

mogelijk is aan de boeren – of althans aan alle boeren –

in de Gemeenschap een redelijk inkomen te verschaffen,

uitsluitend door middel van het, markt- en prijsbeleid. Een

actief structuurbeleid moet daaraan worden toegevoegd.

Daarmee kunnen wij wel instemmen. Wij menen echter

te moeten betwijfelen of daarmee het probleem van de

overschotproduktie en van de daarmee samenhangende

ernstige verstoring van de markten uit de wereld kan worden

geholpen. Wij zijn ook wat dat betreft in goed en hoog

gezelschap, gezien de hiervoor reeds genoemde notavande

minister van Landbouw. Die verstoring is niet in de eerste

plaats te wijten aan het ontbreken van een gemeenschappe-

lijk structuurbeleid, maar aan het bestaande stelsel van

prijsbeleid en van wat men aanduidt als ,,marktbeleid”.

Naar onze mening zouden de autoriteiten moeten er-

kennen dat bij nader inzien het huidige, véél te ver door-

gevoerde prijssysteem vele ongewenste gevolgen heeft.

Belangrijke veranderingen in de grondslagen van dat stelsel,
gepaard met een vereenvoudiging van de regelingen, dienen

ernstig te worden overwogen. In het memorandum wordt

de mogelijkheid van alternatieven op dat gebied niet of

nauwelijks overwogen.

Een belangrijke aanleiding tot deze
bijdrage
is het feit,

dat in de documenten de handel en de verwerkende industrie

nauwelijks worden-genoemd. Dat is geen nieuw verschijnsel.

In de landbouwparagraaf van het Verdrag van Rome is

sprake van het inkomen van de landbouwers; de stabili-

satie van de markten; het veilig stellen van de voorziening

eii tenslotte redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers.

Daarbij worden de termen ,,voedingsmiddelen” of ,,eind-

produkten” niet gebruikt. Men krijgt de indruk alsof de

opstellers van het Verdrag ervan uitgingen dat alle land-
bouwprodukten in onbewerkte vorm rechtstreeks van de

boer naar de verbruiker gaan.

Ook daarom wordt getracht in deze bijdrage duidelijk
te maken, welke onmisbare bijdrage handel en industrie

in hun functie van schakels tussen de primaire producenten

en de uiteindelijke verbruikers leveren aan de valorisatie
van de landbouwprodukten
:

2. Functie en betekenis van agrarische handel en industrie

Het iegenwoordige welvaartsnivcau in Nederland en in de

hele westerse wereld is grotendeels te danken aan een vér-

gaande- rationalisatie en specialisatie in alle takken van

economische bedrijvigheid. De specialisatie heeft zowel een

verticaal als een horizontaal karaktcrj Met verticale

specialisatie wordt bedoeld de onderverdeling in grond-

stoffenproduktie, handel en transport, verwerking tot half

fabrikaten en eindprodukten,en de groot- en kleinhandel

in de eindprodukten. Horizontale of geografische specia-

lisatie moet gebaseerd zijn op de meest economische

arbeidsverdeling tussen verschillende gebieden, naar gelang

de natuurlijke omstandigheden, arbeidspotentieel, kennis

en technische ontwikkeling. Een verdere stijging van de

algemene welvaart in wereldverband is vooral afhankelijk

van die geografische specialisatie. Een verdere uitbreiding

van de internationale handel en dus een beperking van de

kunstrnatige belemmeringen daarvan is daarvoor een essen-

tiële voorwaarde.
Op
dit aspect, waaraan in het EEG-

memorandum
Landbouw 1980
helaas nauwelijks aandacht

wordt besteed, komen
wij
later terug (hoofdstuk 4).

Ook
bij
de verticale specialisatie binnen een bepaald

land of gebied spelen handel en industrie een belangrijke

rol. Dit geldt in het bijzonder voor de landbouwprodukten

en de daaruit bereide èindprodukten. Er is geen enkele

andere sector, waarin de primaire produktie zo gespreid

en in zoveel relatief kleine eenheden plaatsvindt en waarin

de voorziening van de uiteindelijke verbruikers zo regel-

matig, zelfs vrijwel dagelijks, moet worden verzorgd.

Daartusen
zijn
er de stadia van de collecterende handel,

de verwerkende industrie, de voedingsmiddelenindustrie en

tenslotte de groot- en kleïnhandel. Hoe belangrijk deze

bedrijvigheid uit economisch oogpunt is, blijkt ook uit

een vergelijking tussen de omstandigheden in de ontwikke-

lingslanden en in de welvarende. Het ontbreken van vol-

doende handeiskanalen, transport- en verwerkingsmogelijk-
heden is, naast de achterlijkheid van de landbouwproduktie,

de belangrijkste oorzaak van de armoede, zowel van de

agrarische producenten als van een groot deel van de con-

sumenten in de ontwikkelingslanden.

In het hele complex van landbouw en voedselvoorziening

vervullen de gezamenlijke stadia van handelen industrie

de zeer – belangrijke functie van het onderhouden van, de

verbinding -tussen de primaire producent enerzijds en de

uiteindelijke verbruiker anderzijds. Als men de verbruiker

daarbij als uitgangspunt neemt, want voor de bevrediging

van diens behoeften moet uiteindelijk worden geproduceerd,

is het allereerst de taak van het bedrijfsleven diens wensen

te kennen en daaraan zo goed mogelijk,te voldoen. De

specialistische kennis en het kostbare apparaat dat daar-
voor geleidelijk is ontstaan komen echter niet alleen aan

die verbruiker ten goede, maar ook aan de producenten

van de grondstoffen.

Daarom dient een beleid dat gericht is op de inkomens-

verbetering van de boeren (waarmee van harte kan worden

ingestemd) zowel als op ,,redeljke” prijzen voor de ver-
bruikers (waarbij echter de factoren kwaliteit en diens-

verlening een belangrijke rol behoren’ te vervullen) de ont-

plooiing van handel en verwerkende industrie zoveel moge-

lijk te bevorderen, althans niet te belemmeren.

De natuurlijke functie van deze bedrijfstakken kan

ernstig worden verstoord door vérgaand
ingrijpen
van de

overheid in de markten. Het goed (en dat betekent in de
praktijk in het algemeen zo vrij mogelijk) doen functio-

neren van alle stadia van handel en verwerkende industrie

ontbreekt in de doelstellingen van de landbouwparagraaf

van het Verdrag van Rome. – Dat is terecht, want het is

geen doel op zichzelf, althans niet van het landbouwbeleid.

Het behoort echter één van de
belangrijkste
middelen te

zijn voor het verwerkelijken van de in het Verdrag gestelde

doeleinden. Daarvan is tot dusverre weinig terechtgekomen;

in sommige gevallen is zelfs het tegendeel bereikt. In ons

verdere betoog komen wij daarop terug. –

Er is sinds enige jaren in de ,,agribusiness” een tendens
naar wat wordt aangeduid als ,,verticale integratie’. Daar-

mee wordt bedoeld dat tussen verschillende stadia van

produktie, handel en – verwerking contractuele verbindingen

worden gelegd, warbij enerzijds de boeren een grotere

zekerheid verkrijgen van afzet en prijs en anderzijds handel

of industrie van een meer regelmatige voorziening. Af-

spraken betreffende de kwaliteit van de grondstoffen,

kredietverlening en soms ook, voorlichting, kunnen hierbij

een belangrijke rol spelen. Deze vormen van samenwerking

zijn niet in strijd met .de verticale specialisatie, mits ieder

verantwoordelijk blijft voor en baas is in eigen onder-

nem ing. – –

Ook het ter hand nemen van afzet en verwerking van

produkten door de boefen (landbouwcoöperaties) en het
samenwerken van consumenten in verbruikscooperaties

kan leiden tot goede vormen van verticale integratie. ‘Onder
bepaalde omstandigheden (die zich in Nederland sinds lang

niet meer voordoen) kunnen agrarische handel en industrie

een té overwegende machtspositie hebben. Dergelijke

posities zijn in hoog ontwikkelde economieën moge-lijk

door te vérgaande concentratie in het bedrijfsleven, waar-

door monopolies ontstaan of kartelafspraken in de hand

worden gewerkt. in de meeste ontwikkelde landen voorziet

de wetgeving in de nodige tegenmaatregelen. Hierbij moet

echter de mogelijkheid voor belanghebbenden om met het

behoud van eigen – zelfstandigheid hun economische en

sociale belangen te verdedigen door uiteenlopende vormen

van samenwerking niet worden uitgesloten. –

Strikt economisch gezien dienen dergelijke samen-

II

werkingsvormen echter slechts middel te zijn, géén doel.

Dat geldt ook voor samenwerkingsvormen die in onder- of
minder ontwikkelde gebieden wenselijk kunnen zijn.
In streken met een primitieve economie hebben plaatse-

lijke handelaren of. industriëlen soms een economische-

machtspositie door gebrek aan kennis bij boeren of consu-

menten en vooral ook door onvoldoende transportmiddelen

en gebrek aan communicatie, waardoor de nodige voor-

lichting over de markt ontbreekt. Door een en ander wordt

de functie van handel en industrie niet optimaal vervuld.

Het spreekt vanzelf dat de taak van de overheid in der-

gelijke gevallen in de eerste plaats bestaat uit het helpen

wegnemen van deze oorzaken. Het kan echter ook ver-

antwoord zijn in dergelijke omstandigheden materiële

steun te verlenen bij het doen versterken van de commer-

ciële positie van de belanghebbenden. Dat kan ook gelden

voor enkele minder ontwikkelde gebieden binnen de EEG.

Echter, iets wat voor bijzondere omstandigheden wenselijk
is, moet niet tot een algemene regeling leiden voor het hele

gebied van de Gemeenschap.

Dit kan tot grote teleurstellingen en verspilling van

kapitaal leiden: Immers, het marktmechanisme is veel in-

gewikkelder dan de meeste buitenstaanders yeronderstellen.

Als in documenten van de Europese Commissie sprake is

van verbetering van de marktstructuur, doelt men uit-

sluitend op het eerste stadium: de afzet van de landbouw-

produkten af boerderij. Dat blijkt ook uit het gedeelte van

het ,,plan-Mansholt” dat handelt over de marktstructuur.

Daarin wordt aan de schakels, die komen na de eerste afzet,

vrijwel geen aandacht besteed.

Toch vervullen deze en met name de handel vitale eco-

nomische functies. Zonder het intermediair van deze

schakels zou de agrarische produktie niet tot valorisatie

komen. In de graansector bijv. kohit van de EEG-graan-

oogst ad 70 mln, ton rond 45 mln, ton via de markt ter

beschikking van de consument. Daarnaast wordt meer dan

10 mln, ton EEG-graan naar derde landen geëxporteerd,

terwijl deze landen op hun beurt gemiddeld 17 mln, ton
graan per jaar naar de EEG uitvoeren. Om deze enorme

hoeveelheden – waarvan de marktwaarde in de EEG meer

dan f. 25 mrd. bédraagt – zonder stagnatie van de produ-

cent naar de consument te brengen is de goede vervulling

van een groot aantal economische functies door de handel,

de industrie, het transportwezeil, de banken, de verzcke-

rings-, de communicatiediensten e.d. voorwaarde. Die

goede vervulling moet bovendien in nauwe onderlinge

samenwerking plaatsvinden.

In de afgelopen jaren hebben zich in deze sectoren
mede onder invlod van de totstandkoming van de EEG –
diepgaande structurele wijzigngèn voorgedaan. Wat niet

aan de eis van economische noodzakelijkheid voldoet, valt

uit. Aanpassing aan zich wijigende economische om-

standigheden en technologische vooruitgang is wel het

beste bewijs van een economisch verantwoorde functie-

vervulling. Aan wijzigingen in de marktstructuur via over-

heidsingrijpen bestaat (althans in Nederland) dan ook geen

behoefte.

Waaraan wél behoefte bestaat is meer begrip voor de

positie van handel en industrie, wanneer de EEG allerlei

landboiiwpolitieke maatregelen neemt, maatregelen die

bovéndien voortdurend worden aangevuld, gewijzigd, ver-

vangen, nader geïnterpreteerd, enz. Door een en ander

wordt de functie van handel en industrie vaak in hoge mate

belemmerd, terwijl de nadelige gevolgen ervan bovendien

soms nog gebruikt worden als bewijs tegen een juiste taak-

uitoefening van handel en industrie.

3.
Kanttekeningen bij het bestaande gemeenschappelijke land-

bouwbeleid

Met bewonderenswaardig veel ijver en doorzettings-

vermogen hebben de autoriteiten en ambtenaren in Brussel

in enkele jaren tijds een landbou’vbeleid voor de Gemeen-

schap van de Zes in elkaar getimmerd. Daar was haast

bij, immers de douane-unie en de gemeenschappelijke markt

konden voor de agrarische produkten en voedingsmiddelen

niet compleet worden, voordat een integratie van het land-
bouwbeleid is tot stand gebracht.

De gemeenschapsregelingen voor het markt- en prijs-

beleid voör landbouwprodukten vormen een enorm ge-

vaarte. Het is nog niet eens helemaal klaar; er ontbreken

nog een paar verdiepingen aan voor enkele produkten-

groepen: Bovendien moeten er in sommige lidstaten no

lelijke bijgebouwen worden afgebroken, o.a. die v1i de

concurrentievervalsende produktiesubsidies.’. Het is on-

danks ijverig rammèn van de Nederlandse regering niet

gelukt deze gesleciit te krijgen

Het geheel is niet hecht en niet fraai. Deels is dat ver

klaarbaar uit de haastige spoed, waarmee het, werd tot

stand gebracht. Er is hard aan gewerkt maar wellicht daar-

door niet voldoende bij gedacht. Deels is de ingewikkeld-

heid verklaarbaar uit het feit, dat moest wQrden uitgegaan

van ongelijke grondslagen, nI. de voordien bestaande natio-.
nale regelingen. Men heeft bovendien moeten toegeven aan

vele nationale en groepsbelangen. –

Hoe ingewikkeld en gedetailleerd het hele stelsel is ge-

worden, blijkt wel uit het aantal van meer dan 2.500 ver-

ordeningen en besluiten dat alleen al in het jaar 1969 werd

afgekondigd. Men kan zich bedenken welke complicaties

al deze veranderingen en aanvullingen meebrengen voor

het vervullen van de normale economische functie door

handel en industrie.

Een en ander is mede het gevolg van het feit dat de

grondslag van het hele beleid nooit voldoende in al zijn

consequenties is doordacht en overlegd. Die grondslag

bestaat uit een stelsel van min of meer gegarandeerde

producentenprijzen voor de belangrijkste produkten en het

axioma dat deze prijzen, verhoogd met de kosten van trans-

port, handel en verwerking, moeten doorwerken in de

consumentenprijzen. Daarmee is vrijwel zonder discussie

of inspraak van de belanghebbenden een eenzijdige inter-
pretatie gemaakt van het begrip ,,redelijke prijzen voor de

verbruikers”, zoals dat in het Verdrag van Rome is neer- –

gelegd. .

De Europese Commissie heeft in het allereerste werk-

stuk over de grondslagen van het landbouwbeleid slechts

één alternatief summier overwogen en vrijwel bij voorbaat

verworpen, nl. het Engelse stelsel van (voor de belang-

rijkste produkten) onbeperkte en vrijwel onbelaste importen

uit andere landen, gecombineerd met directe toeslagen aan

de binnenlandse producenten. Het is begrijpelijk dat men

dat stelsel (waarvan men in Engeland ook al geleidelijk

wat terugkomt) voor de Zes niet ernstig heeft. overwogen.

Het week te veel af vn de bestaande regelingen in de lid-
,

staten en het zou een te zware last hebben gelegd op de

belastingbetaler. Het heeft echter ook grote voordelen en

daarom is het te betreuren dat er nooit een tussenoplossing

is overwogen. Maar het is daarvoor nog niet te laat. Geen

enkele constructie voldoet bij het in gebruik stellen volledig

aan alle verwachtingen. Zeker niet als zij te haastig en

daardoor të ondoordacht is tot stand gebracht. Bovendien

is altijd aanpassing mogelijk aan nieuwe ontwikkelingen

en praktische ervaringen.
(Bijlage bij ESB 11-2-1970)

111

Naar onze mening zijn de belangrijkste gebreken van

het huidige stelsel de volgende:

een,
bij
het vaststellen van de landbouwprijzen, te een-

zijdig rekening houden met het verzekeren van een

redelijke levensstndaard aan de landbouw;

een te hoog protectieniveau aan de buitengrens;

een veel te vér doorgevoerd perfectionisme, zowel via
de variabele heffingen aan de buitengrens, als door de
markt- en interventiebemoeiingen binnen de Gemeen-

schap.

Het onder a. genoemde is door de invloed daarvan op de

produktie zowel als op de consumptie één van de belang-

rijkste oorzaken van de overschotten in enkele sectoren en

de daardoor ontstane marktontwrichting en hoge finan-

ciële lasten voor de overheid. Het hangt nauw samen met

het onder b. genoemde. Daardoor is de normale verbinding
met de wereldmarkt ernstig verstoord. Het heffingenstelsel

en de daarmee samenhangende exportvergoedingen ver-

oorzaken veel ergernis, zowel binnen de Gemeenschap als

in derde landen. Er worden handelspolitieke repercussies
door veroorzaakt, niet alleen op het gebied van de handel
in landbouwprodukten en voedingsmiddelen maar ook in

de industriële sector.

Een en ander heeft bovendien geleid tot het onder c.

genoemde euvel: veel te gedetailleerde regelingen en be-

– moeiingen, dieeen schrikbarende bureaucratie veroorzaken

• en bovendien de normale functie van dè schakels tussen

boer en verbruiker, de handel en de landbouwprodukten-

verwerkende en de voedingsmiddelenindustrie, ernstig be-

lemmeren. Het gehele complex, tezamen met de in vele

landen gehandhaâfde extra steunmaatregelen voor uiteen-
lopende produktierichtingen, verhindert dat er in de EEG-

landbouw een geografische specialisatie ontstaat. Die

specialisatie zou via lagere kostprjzen en hogere inkomens

voor de landbouw en/of lagere consumentenprijzen een

positieve bijdrage leveren aan de welvaart.

Aldeze nadelen van het bestaande stelsel zouden groten-
deels kunnen worden weggenomen door een gemengd sys-

teem met een lagere en meer globale bescherming aan de

buitengrens en niet-produktgebonden toeslagen aan de

producenten, zo veel mogelijk met een aflopend karakter


en gekoppeld aan een bevordering van de structurele ver-

betering.

Alvorens op een en ander iets nader in te gaan, is het

gewenst eerst enige aandacht te besteden aan de specifieke

Nederlandse belangen.

4.
Nederland en de wereld

Nederland is van oudsher een handelsiand. De gunstige

ligging, deels dank
zij
het Duitse achterland, maar toch

vooral door de verbindingen met overzeese landen (waartoe

ook kunnen worden gerekend die Westeuropese die over-

zee voordeliger zijn te bereiken dan over land), heeft dit
sterk in de hand gewerkt. Voor ons kleine en zeer dicht-

bevolkte land is het internationale handelsverkeer een nood-

zakelijke voorwaarde voor groeiende welvaart. Scheep-

vaart en industrie dragen er het hunne toe
bij
en trekken

er hun voordeel uit en hetzelfde geldt voor de landbouw.

Op het gebied van de internationale handel in landbouw-

produkten en voedingsmiddelen nam Nederland bij het

totstandkomen van de economische gemeenschap een

unieke positie in. Ons kleine land had in vergelijking met

de andere lidstaten zelfs in absolute cijfers het grootste

agrarische exportvolume en relatief (dus gemeten naar de

oppervlakte of het aantal inwoners) ook veruit het grootste

importvolume van agrarische grondstoffen. Aldus werd

(en trouwens wordt) door het hele complex van de ,,agri-
business” een zeer belangrijke
bijdrage
geleverd aan het
nationale inkomen. Dat wordt, behalve door de boven-

bedoelde gunstige ligging, door een wisselwerking van ver-

schillende andere factoren mogelijk gemaakt. Er is in de

eerste plaats de specialisatie tot veredelingslandbouw en

intensieve tuinbou’v, die vooral tot stand is gekomen door

het liberale beleid, waarmee in Nederland de internationale

landbouwcrisis aan het einde van de vorige eeuw werd

beantwoord. Dat antwoord was
niet
protectie, zoals in een

aantal andere Westeuropese landen, maar stimulerende

voorlichting en onderzoek. Er dient aan te worden her-
innerd; dat reeds voor het tot stand komen van de EEG

de Nederlandse overheid het noodzakelijk achtte toch

,enkele beschermende maatregelen in te bouwen in het

landböuwbeleid. Die verandering is yooral veroorzaakt

door de economische crisis in de jaren dertig en door het

veelvuldig bederf van de wereldmarkt.

De vakbekwaamheid van de Nederlandse boeren en

tuinders is hand in hand gegaan mët een a’ctieve en des-

kundige, vooral ook op het buitenland gerichte handel en

agrarische industrie. De commerciële instelling van een

aantal landbouwcoöperaties, zowel op het gebied van de

aankoop van grondstoffen en benodigheden, als op dat

van de verwerking en de afzet, hebben hiertoe het hunne

bijgedragen. Enkele ervan zijn tot machtige handels-

lichamen uitgegroeid. Een overwegend aandeel van de

Nederlandse in- eii uitvoeractiviteiten was gericht op andere

dan de partnerlanden in de EEG. Het was onvermijdelijk

dat de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt

sterk werd beïnvloed door de opvattingen en verhoudingen

in de grotere partnerlanden. Nederland is op die manier

een onderdeel geworden van een gebied met een veel

protectionistischer en tot op zekere hoogte zelfs autarkisch

agrarisch beleid.

Het is niet te ontkennen dat, ondanks alle strubbelingen

in de overgangstijd, de EEG-landen ook op agrarisch ge-

bied flink hebben geprofiteerd van het geleidelijk opengaan

van de binnengrenzen, maar anderzijds zijn de sterk toege-

nomen hinderpalen aan de buitengrenzen er oorzaak van

dat de gunstige omstandigheden voor de handel met andere

landen steeds minder tot hun recht komen. Dat is een

nadeel dat tot op zekere hoogte moet worden aanvaard
als prijs voor de voordelen van de gemeenschappelijke

markt.
Tochblijft hetéén derbelangrijkstetakenvan deNederland-

se vertegenwoordigers
bij
de ,,onderhandelingen” in Brussel

de openheid van de Gemeenschap, ook op het gebied van

de landbouw en de voedingsmiddelen, zo veel mogelijk te

verdedigen. Niet alleen in het belang van de Nederlandse

economie, maar ook in dat van de hele Gemeenschap en

vooral van de wereldeconomie. Daarmede komen wij terug

op hetgeen in de inleiding reeds werd geschreven over de

geografische arbeidsverdeling en specialisatie in wereld-

verband en de belangrijke rol die de internationale handel

daarbij vervult. Het is nu eenmaal niet te ontkennen dat
voor een groot deel van de landbouwprodukten de kost-

prijzen en in het huidige stelsel ook de marktprijzen in

West-Europa aanmerkelijk hoger zijn dan in vele andere

delen van de wereld.

Dit geldt trouwens ook voor andere industrielanden.

Het gevolg daarvan is een ernstige belemmering van de

mogelijkheden tot economische verbetering in de ont-

wikkelingslanden, die veelal in overwegende mate• af-

IV

Graansilo (foto Tom Kroeze)

hankelijk zijn van agrarische produktie. In dit verband

kan worden gewezen op het ,,Wereldlandbouwplan”

(,,Indicative World Plan for Agriculture”) dat de FAO

aan de orde zal stellen op het in juni 1970 te Den Haag te

houden Tweede Wereld Voedsel Congres. Uit een be-

schouwing daarover in
Het Financieele Dagblad
van 22

oktober 1969 citeren
wij
het volgende:
,,Voor vrijwel alle voedingsmiddelen, die (wel) met dezelfde
of soortgelijke produkten uit de zones A en B (dat zijn de in-
dustrielanden en de communistische) moeten concurreren is de trend voor de ontwikkelingslanden in de laatste jaren ongunstig geweest. Hun aandeel in de wereidhandel is teruggelopen en de
prijzen zijn gemiddeld gedaald. De enige uitzondering daarop
zijn rund- en kalfsvlees, maar daarvan profiteren alleen maar
een paar Zuidamerikaanse ontwikkelingslanden. Voor de andere
produkten kan een verlangzaming of nog liever een omkering
van de trend, die veroorzaakt wordt door stijgende zeifvoor-
zieningsgraden in de rest van de wereld alleen maar worden be-
reikt door een verandering in het landbouwbeleid. In de meeste
gevallen zou dit tevens betekenen dat er een betere internationale
arbeidsverdeling tot stand komt.”

Het is te hopen dat de vertegenwoordigers van de EEG

en van alle ,,rijke” landen op dit plan zo veel mogelijk

positief zullen reageren. Van de Nederlandse delegatie, die

een land vertegenwoordigt dat traditioneel zeer nauw be-
trokken is bij de handel met andere werelddelen en waar-

van het merendeel van de bevolking zowel op sociale als

op economische groiiden overtuigd is van de noodzaak

van ontwikkeling in de armere landen, mag in ieder geval

veel begrip worden verwacht.

5.
Suggesties voor veranderingen

De overwegingen in de voorgaande hoofdstukken leiden

in de eerste plaats tot de wenselijkheid van een verlaging

van de producentenrichtprijzen, oriëntatieprijzen, sluis- en

drempelprijzen.

Door een eventueel gedifferentieerd en afiopend stelsel

van directe toeslagen, zou voor zover nodig het inkomens-

(Bijlage bij
ESB 11-2-1970)

V

verlies aan de agrarische producenten ‘moeten worden ge-

compenseerd. Ook de Sociaal-Economische Raad heeft in

de adviezen, inzake de EEG-1andbouwpolitik op middel-

lange termijn en betreffende het Memorandum van de

Europese Commissie inzake de hervorming van de land-

bouw in de EEG, veranderingen ih die zin aanbevolen.

Een dergelijk ,,gemengd” systeëm heeft een groot aantal

voordelen: –

Door lagere prijzen wordt in het algemeen het verbruik

– gestimuleerd en de produktie-stijging afgerèmd (mits

de toeslagen aan de producenten
zo
veel
mogelijk
niet-

produktgebonden zijn). Door een en ander wordt een

verdere verstoring van hei marktevenwicht tegengegaan.

De afstand -tussen het prijsniveau biinen de Gemeen-

• schap en dat op de wereldmarkt wordt verkleind. Het

handels-economisch isolement (autarkie) waarin de

Gemeenschap dreigt te belandei op landbouwgebied

(maar ook met consequent’ïes voor de handel in in-

dustrieprodukten en de dienstensector) -kan hierdoör

worden voorkomen. –

De komende onderhandelingen over uitbreiding vân de
Gemeenschap worden er door vereenvoudigd. De aan-

passing van het landbouwbeleid in enkele van de

kandidaat-lidstaten (vooral Engeland en Denemarken)

wordt er door vergemakkelijkt eii het gevaar van te-•

sterke stijging van de produktie in die landen (ook in
• Ierland) wordt er door verkleind.

De noodzakelijke structurele verbeteringen van de land-

bouw in de Gemeenschap kunnen op een meer natuur-

lijke (dus minder dirigistische) en wâarschijnlijk ook

aanmerkelijk minder kostbare
wijze
worden gestimu-

leerd.

Door de producententoeslagen geheel of gedeeltelijk een

afiopend karakter te geven kan een belangrijke stimulans

worden gegeven aan de afvloeiing van agrarische werkers

en de vergroting van de bedrijven, waarmee structurele

verbéteringen kunnen worden bereikt. De wenselijkheid

van deze structurele verbeteringen, zowel in het belang

van de inkomens in de landbouw als voor de versterking

van de concurrentiepositie ten opzichte van andere landen,

wordt thans, mede dankzij de publikatie van het ,,plan-

Mansholt” door vrijwel iedereen erkend. Men kan het ook

zo stellen dat
zij
noodzakelijk zijn om de landbouwsector

een meer evenredige bijdrage aan de algemene welvaart te

doen leveren.

Het op die manier stimuleren van de aanpassing van

de landbouw aan de moderne (en de toekomstige!) econo-
mische samenleving zou een heelwat natuurlijker karakter

hebben dan de regelingen, die in het Memorandum van

de Europese Commissie werden voorgesteld. Het totaal-

bedrag van de kosten van de marktregelingen en de struc-

tuurverbeteringen in de jaren zeventig zôu bovendien hier-

door waarschijnlijk aanmerkelijk lager worden dan de tien-

tallen miljarden die daarvoor door de Commissie worden

geprojecteerd. Dat hangt ‘natuurlijk, •voor witt dè budget-

taire uitgaven betreft, af van de mate wâarin de markt-

prijzen worden verlaagd en de directe toeslagen verhoogd.

Als dat in sterke mate wordt dôorgevberd, zouden echter

de hogere financiële lasten worden gecompenseerd door een

aanmerkelijke verlaging van de verbruikersprijzeii.
Nog afgezien van de hiervoor bedoelde sociale bezwaren

van het huidige prijsbeleid, is er ook nog de econorhische

nadelige invloed op de kosten van levefsonderhoud, het

loonbeleid en dus indirect de concurrentiepositie van alle

bedrijfstakken in de Gemeenschap ten opzichte van die in
een aantal derde landen.

– Dat het tot dusver gevoerde landbouwbeleid tot op zekere

hoogte een handicap is voor de economische ontwikkeling –

van de EEG wordt in min of meer bedekte termen toege-

geven in het
Tweede Programma voor de economische poli-

tiek op middellange termijn,
zoals dat door de Raad werd

vastgesteld op 12 mei 1968. Daarin wordt
o.a.
opgemerkt:

,,dat de landbouwpoljtiek het bereiken van haar doèl om
het inkomen per hoofd van de agrarische beroepsbevolking te
verhogen- niet moet zoeken via een verhoging van de produktie
in een sneller tempo dan, de toenemïtg van het verbruik in de
Gemeenschap, omdat reeds voor verschillende produkten over-schotten bestaan.

De verhoging van het inkomen per hoofd zal evenmin moeten
worden nagestreefd via verhoging van de relatieve prijzen in de
landbouw. Het staat vast, dat het gemiddelde inkomen van de
landbouwers een aanzienlijke achterstand vertoont ten. opzichte
van het.gemiddelde inkomen van de overige beroepsbevolking,
welke evenwel bij de huidige kennis van zaken moeilijk meet-
baar is. Daar echter een niet onbelangrijk aantal landbouwers
een aanzienlijk hoger inkomen bereikt dan gemiddeld in de
landbouw betekent deze achtersiand dat de meerderheid nood-
zakeljkerwijs een geringer inkomen bereikt dan uit deze algemene vergelijking zou blijken.
Het is echter uit algemeen economisch oogpunt niet mogelijk
het ontwikkelingsproces naar het gelijk maken van de inkomens-
niveaus te versnellen door een forse verhoging vanhet gemiddelde
prijsniveau van landbouwprodukten. Te hoge prijzen voor land-
bouwprodukten hebben namelijk ongewenste effecten op de
kosten van levensonderhoud en het algemene prijsniveau, het-
geen uiteindelijk weer de verhouding tussen het inkomen in de
landbouw en dat in dë andere sectoren verslechtert. De ervaring
toont trouwens aan dat een politiek van hoge landbouwprijzen
dikwijls wordt gevolgd door een versnelde daling van de relatieve
landbouwprijzen. Vooral echter-moet worden bedcht dat een te hoog prijsniveau voor landbouwprodukten gepaard met de
door de gemeenschappelijke marktordening voor de belang-.
rijkste produkten geboden afzetgaranties de produktie buiten-
gewoon sterk zou stimuleren en tot vorming van structurele
produktieoverschotten zou leiden. De afzet van deze overschotten op de wereldmarkt zou toenemende financiële lasten veroorzaken,
niet.alleen wegens de af te zetten hoeveelheden doch ook wegens
het prjsverschil tussen de binnenmarkt en de wereldmarkt.
Een te sterke verhoging van de prijzen van landbouwprodukten
in de Gemeenschap zal deihalve, nog afgezien van de handels-politieke moeilijkheden, de overheidsfinanciën zwaar belasten. Zij zou tenslotte alleen leiden tot .een krachtige vergroting van de winstmarges van de meest concurrentiekrachtige landbouw-
bedrijven zonder de andere landbouwbedrijven een voldoende
inkomen te, verzekeren, zodat de aanzienlijke inkoriensverschil-
len binnen de landbouw nog ernstiger zouden worden.
Een politiek tot ondersteuning van de prijzen van landbouw-
produkten, welke leidt tot niet te verminderen spanningen tussen
de ontwikkeling van de prijzen, de produktie en de financiële
lasten zonder een deugdelijke oplossing te bieden voor de door
de niet-concurrentiekrachtige bedrijven opgeworpen sociale
problemen, zal dus tamelijk snel op economische, handels-
politieke en financiële grenzen stuiten. De landbouw-prijzen-
politiek zal derhalve in het algemeen gematigd moeten zijn –
daar het risico van overproduktie voor de meeste produkten
aanzienlijk is – waarbij op de prijzenstructuur de noodzakelijke
correcties moeten ‘worden aangebracht om een betere aanpassing
van het aanbod aân de vraag te verkrijgen.”

– Uit’dit citaat blijkt duidelijk dat reeds in het voorjaar_

van 1968 de Europese Commissie zich zorgen maakte over

de consequenties van het landbouwbeleid. Voor zover ge-
wag wordt gemaakt van bezwaren van de te hoge- prijzen

werd echter in het midden gelaten of het bestaande niveau –

reeds te hoog is. Ondanks de ernstige verstoring van het

evenwicht op de markten van een aantal produkten, zoals

die zich vooral sindsdien heeft gemanifesteerd, wordt in

het memorandum van december’ 1968 weliswaar gesteld

dat het prijsbeleid moet worden aangevuld door de be-

vordering van ingrijpendé verbeteringen van de landbouw

structuur, maar van voorstellen tot een fundamentele ver-

VI

andering in het prijs- en marktbeleid, bijv. in de richting

als hierboven werd aangegeven, is helaas geen sprake. Dat

geldt ook voor het op. 19 november 1969 door de Europese

Commissie aan de Raad voorgelegde document over
Het

evenwicht van de landbou,vmark ten.

In het Memorandum van december .1968 werd niet de

minste aandacht besteed aan de ongunstige gevolgen van

de starre, veel te weinig elastische marktprijzen voor de ver-

schillende produkten en de onderlinge verhoudingen daar

van. Dit is het gevolg van het te geperfectioneerde stelsel
van viariabele heffingen aan de buitengrens en van inter

ventieprijzen (waarvoor de produkten door de overheid

uit de markt werden genomen) op de binnenmarkt. Daar

door is voor een aantal belangrijke produkten de,invloed

van vraag en aanbod, zoals die zich op de wereldmarkt

en op de markt binnen de Gemeenschap zou moeten mani-

festeren, vrijwel volkomen.uitgeschakeld. Dit heeft tot ge-

volg dat de invloeden van de feitelijke marktsituatie niet

alleen bij de producent• maar ook in het stadium van

het verbruik vrijwel volkomen zijn uitgeschakeld. Dit ver-

oorzaakt wrevel en onbegrip bij de consumenten, waardoor

aan de , v,erstorende. invloeden van het kunstmatige in-

grijpen in de markt ook nog negatieve psychologische

reacties kunnen worden toegevoegd. Het ernstigste be-

zwaar van dit vérgaande dirigisme is echter dat de normale
marktfunctie van handel en industrie als schakels tussen de

verschillende stadia van produktie, verwerking en verbruik
wordt uitgeschakeld.

Teneinde deze functie, voor zover mogelijk, te herstellen

is het allereerst noodzakelijk de prijspolitiek voor agra-

rische produkten los te koppelen van de inkomenspolitiek

met betrekking tot de landbouwers. Te overwegen”are in

dit verband enerzijds een geleidelijk âfnemende en meer

globale bescherming van dé EEG-n)arkt tegen
in
hoofd-
zaak agrarische grondstoffen uit derde landen en ander-

zijds in de tijd aflopende inkomenstoeslagen aan de land-

bouwers, gepaard gaande met structurele hervormingen.
Hierdoor zou de tot het uiterste gedetailleerde markt- en

prijsp.olitiek door een meer globaal beleid, dat handel en

industrie meer mogelijkheden, biedt, kunnen worden ver

vangen.

Voorts zouden althans gedeeltelijk de prijsverschillen

tussen de EEG-landbouwmarkt en die van derde landen

worden opgeheven, zonder tekort te doen aan een maat-

schappelijk verantwoord inkomen van de .agrariërs. De

concurrentiepositie van de verwerkende industrie in de

Gemeenschap dient in een gewijzigde opzet onaangetast

te blijven, zowel met betrekking tot invoer als uitvoer. De

aanbevolen systeémwijziging is hier uiteraard slechts sum-

mier aangeduid en behoeft nadere uitwerking.

Ook in andere opzichten is het in de afgelopenjaren

geleidelijk tot stand gebrachte markt. en prijsbeleid voor

landbouwprodukten en voedingsmiddelen in de Gemeen-

schap een ernstige belemmering voor het goed functioneren

van de zeer belangrijke schakels tussen primaire producent

en de uiteindelijke verbruiker. Er zijn zelfs bepaalde ten-

densen – ook in het Commissie-memorandum
Landbouw

1980 – tot een verdere negatieve beïnvloeding daarvan.

Over een en ander meer in het volgende en laatste hoofd-

stuk.

6.
Aanbevelingen ten aanzien van handel en industrie

In
de verticale arbeidsverdeling spelen de handel in en de

verwerking van landbouwprodukten tot voedingsmiddelen

een zeer belangrijke rol, waarbij zij een grote bijdrage

leveren aan de welvaart zowel van de consumenten als

van de primaire producenten. Omdat produktie zowel als

handel en verwerking alleen dan een economische bijdrage

tot de algemene welvaart leveren als zij zijn afgestemd op

de koopkrachtige vraag, is de uiteindelijke verbruiker veel-

eer het uitgangspunt dan het eindpunt van de hele bedrijfs-

kolom.

Een landbouwbeleid .dat a priori gericht is op een kost-

prjsdekkende’-opbrengst van . alles wat boeren, tuinders
en veehouders voortbrengen is tot mislukking gedoemd.

Zulk een beleid is alleen nog mogelijk in een land of gebied

dat voor vrijwel alle produkten niet voldoende produceert

voor’ de eigen behoefte. Men kan dan door vérgaande

protectie aan de grens de prijzen op een voor de land bouw

voldoende geacht niveau handhaven: Doordat men de ver-

bruikers in een dergelijk geval de voordelen van geogra-

fische specialisatie onthoudt, wordt ook dan allerminst

een optimale bijdrage tot ,de welvaart, geleverd. Een derge-

lijk beleid,gaat trouwens niet alleen ten koste van ,die

eigen consumenten, maar ook ten koste van de boeren

in andere landen, die goedkoper kunnen produceren.

-In een gebied waar meer dan voldoende wordt geprodu-

ceerd voor de eigen behoefte, maar tegen een kostprijs die

hoger ligt dan die in het buitenland, wordt de welvaarts-

bijdrage van het te veel geproduceerde minimaal of zelfs

negatief, omdat behalve de verbruikers’ dan ook de belas-
tingbetalers aan het beleid moeten ‘bijdragen. Voor enkele

produktengroepen is de EEG in dat stadium beland. Eén

van de oorzaken daarvan is dat het marktmechanisme

door vele ‘kunstmatigheden is ontwricht of zelfs uitge-

schakeld. in dergelijke omstandigheden kunnen handel en

industrie hun normale verbindingsfunctie niet meer uit-

oefenen. Zij hebben ten gevolge van de regelingen en forma-

liteiten wél zeer veel onproduktief werk te veretten.

Het herstel van de normale functie moet één van de

belangrijkste middelen’ zijn tot een geleidelijk herstel van

het evenwicht. Het is daarom teleurstellend dat er in het

memorandum
Landbouw
1980
aan de eigenlijke markt-

structuur nauwelijks aandacht wordt besteed. Dat, wat als

zodanig wordt aangéduid, •heeft alleen betrekking op

nieuwe kunstmatigheden in het vlak van het eerste afzet-

en soms ook in het verwerkingsstadium. –

Een versterking van de commerciële positie van kleine

producenten in die.gebieden waar handel en industrie zich

onvoldoende hebben ontwikkeld kan wenselijk zijn.

Echter, als men dat stimuleert

met belangrijke bijdragen

uit de openbare middelen, loopt men twee risico’s. Het is

zeer wel môgelijk dat het afzet- en verwerkingsapparaat
zich in een dergelijk gebied niet heeft ontwikkeld omdat

‘hét door natuurlijke of markteconomische omstandigheden
(zoals de afstand tot belangrijke afzetgebieden) minder ge-,

schikt is voor de betreffende produktie. In dat geval ris-

keert men door kunstmatige stirnulansen een produktie

te bevorderen, waaraan markteconomisch geen behoefte is.

Men gaat dan bovendien in tegen de specialisatie in de

gemeenschappelijke markt.

Mede daardoor riskeert men reeds bestaande handels-

en-verwerkingsapparatuur in andere delen van de Gemeen-

schap, onrendabel of zelfs overbodig te maken, waardoor

kapitaalverlies optreedt- en bovendien opnieuw afbreuk
wordt gedaan aaô natuurlijke door de behoefte ontstane

verbindingschakels tussen de primaire produktie en de

verbruikers. .

Een sprekend voorbeeld van een en ander is het met hoge

overheidssteun tot stand gebracht afzet- en verwerkings-

apparatuur voor groente en fruit in sommige delen van

(Bijlage bij ESB 11-2-1970)

VII,

Frankrijk. Omdat dit uitsluitend georiënteerd was op de

afzet van gedeeltelijk nog niet eens bestaande primaire

produktie was het in de
praktijk,
door gebrek aan vol-

doende afzetmogelijkheden, grotendeels overbodig en on-

rendabel. Dit veroorzaakt niet alleen kapitaalverspilling

in deze ondernemingen, maar tevens ernstige verliezen in

soortgelijke reeds’ bestaande ondernemingen elders in de

Gemeenschap, zowel door de kunstmatig ontstane over-

capaciteit als door geforceerde afzet met overheidsmiddelen.

Voor zover door deze opzet o.a. de fruitproduktie in Zuid-

Frankrijk kunstmatig werd gestimuleerd, ondervinden daar-

van nu ook de Nederlandse fruittelers de nadelige gevolgen.

Wij raden het in de hele Gemeenschap kunstmatig .doen

ontstaan van de zgn. producentengroeperingen voor de

afzet. ten sterkste af. De marktstructuur in Nederland en

in vele andere delen van de Gemeenschap maakt hen daar

volkomen overbodig. Wij menen bovendien ernstig te

moeten waarschuwen tegen de concurrentievervalsende ge-

volgen die kunnen voortvloeien uit met gemeenschaps- of

nationale middelen aantrekkelijk maken van
dergelijke
in-

stellingen elders in de Gemeenschap. Dit ook omdat de

vérgaande mogelijkheid tot het afsluiten van contracten

door dergelijke groeperingen of combinaties daarvan, zo-
als door de Europese Commissie wordt gesuggereerd, het

gevaar inhoudt van ernstige discriminatie ten opzichte van

handel, industrie’en landbouw in anderedelen van de

Gemeenschap.

Op zichzelf gezien, staan handel en industrie, in Neder-
land positief tegenover, samenwerking met de’ agrarische

producenten. Dit geldt zowel in organisatorisch verband

als ook voor de individuele ondernemingen. Zowel
bij
het

een als
bij
het ander moet echter de eige1 verantwoordelijk-

heid van iedere
bedrijfstak
of onderneming op de verschil-
lende niveau van produktie, handel en verwerking voorop-

staan. Dit geldt zowel voor overleg op organisatorisch ge-

bied ten aanzien, van marktontwikkeling, afzetmogelijk-

heden en (indien onvermijdelijk) bepaalde regelingen, als

voor min of meer commerciële samenwerking, zoals bij-

voorbeeld
bij
de contractteelt.

Niet alleen het beleid en de te gedetailleerde uitvoering

daarvan zijn te eenzijdig op de landbouw georiënteerd,

dit geldt ook voor de uitwerking en uitvoering daarvan.

In het enorme
ambtelijke
apparaat dat hiervoor in het

leven is geroepen, welk apparaat zich intensief bemoeit

met aangelegenheden die de handel in landbouwprodukten

en voedingsmiddelen voortdurend en intensief beïnvloeden,

zijn
vrijwel
geen personen met
werkelijke
ervaring op dit

gebied opgenomen.

Het gevolg daarvan is.dat allerlei regelingen onvoldoende

zijn getoetst op praktische mogelijkheid en consequenties.

Zij hebben daardoor vaak een veel geringer of heel ander

effect dan de bedoeling was en zij veroorzaken voor het

bedrijfsleven naast veel administratieve rompslomp soms

ook emstige verstoringen in de grondstofvoorziening, de

afzet of de concurrentieverhoudingen. De veelvuldige en

ingewikkelde voorschriften in verband met de beschikbaar-
stelling van bijvoorbeeld boteroverschotten en mager melk-

poeder voor uiteenlopende prijzen naar gelang van de be-

stemmingen, zijn hiervan een sprekend voorbeeld.

Aan de moeilijkheden, die de landbouwprodukten-

verwerkende industrie ondervindt van de overschotten-

situatie, wordt door de autoriteiten heel weinig aandacht

besteed. Toch doet zich hier niet alleen een denaturatie van

de betreffende produkten voor, maar ook van één der

elementaire functies van de industrie, nl. het in een vrije

markt bepalen van het te verwerken gxondstoffenassor

timent. Dit brengt vaak grote moeilijkheden mee, in het

bijzonder voor de afzet op markten in derde landen, waar-

voor
dikwijls
langlopende contracten moeten worden af-

gesloten.

De inspraak die het bedrijfsleven heeft door middel van

de zogenaamde raadgevende comités is volstrekt onvol-

doende om ook maar enigermate aan deze tek’ortkomingen

tegemoet te komen. De vergaderingen van deze comités

zijn in feite niet meer dan een soort ,,hearings”, waarin

opeenvolgende stadia van produktie, verwerking en handel

afzotiderljk hun mening en wensen te kennen kunnen

geven, maar waarin noch onderling noch met de functio-
narissen van de Europese Commissie vruchtbaar overleg

mogelijk is. De door de Europese Commissie aan deze

vergaderingen voorgelegde vragen zijn bovendien veel te

eenzijdig gericht op het aspect van de
verwezenlijking
van

het landbouwbeleid ten behoeve
van
de primaire producen-

ten.

Hoe eenzijdig de overwegingen van de Brusselse autori-

teiten (en vaak ook van de nationale) gericht
zijn
op de

agrarische belangen is ook weer gebleken uit bepaalde ge-

deeltes van het memorandum Landbouw 1980.
In verband

o.a. ‘met uit de cultuur nemen van
omvangrijke
produktie-

gebieden worden premies en sociale tegemoetkomingen
voor de betreffende agrariërs voorgesteld, terwijl niet de

minste aandacht wordt besteed’ aan de gevolgen die deze

maatregelen zullen hebben voor de plaatselijke handelaren

en eigenaren van verwerkende bedrijven.
Uit meer reöente voorstellen van de Europese Commissie

(november 1969) blijkt dat de aûtoriteiten in Brussel be-

ginnen te beseffen, dat het noodzakelijk is het markteven-

wicht zoTeel. mogelijk te herstellen. Het is te betreuren

dat dit ‘inzicht te
eenzijdig
vdortkomt uit de financiële

consequenties die het. tot nu toe gevoerde beleid voor de

ovefheid meebrengt.

– Dat dit evenwicht zoveel mogelijk op de meest natuur-
lijke wijze tot stand moet komen, düs door het vrij door-

werken van de behoeften en verlangens van de uiteindelijke
verbruikers via handel en industrie, wordt nog onvoldoende

beseft. Men moet daarvoor de belemmeringen en kunst-

matigheden zoveel mogelijk wegnemen. Voor zover globale

regelingen onvermijdelijk zijn voor het
verwezenlijken
van

de verschillende doelstellingen van de landbouvparagraaf

in het Verdrag van Rome, moeten
bij
de voorbereiding

zowel als
bij
de praktische toepassing daarvan de vertegen-
woordigers van de betreffende handel en industrie in ruime

zin worden ingeschakeld.

Gezamenlijk dragen deze bedrijfstakken aan de nationale

inkomens van de lidstaten ongeveer evenveel
bij,
als de

landbouw. Door de steeds verdergaande verticale speciali-

satie zal die
bijdrage
nog (moeten) toenemen. Daarvan

hebben zowel de verbruikers als de ondernemers van de

toekomstige levenskrachtige landbouwbedrijven profijt.

Organisatorische, zowel als
zakelijke,,
samenwerking in

de verticale kolom kan daarbij een
belangrijke
rol spelen,

maar het zou een ernstige fout
zijn
als de specialisatie en

de juiste verdeling van de verantwoordelijkheden die daar-

uit voortkomen door nieuwe kunstmatigheden worden

yerstoord.

Landbouw
Integratie Commissie

van de Raad van Werkgeversverbonden


(VNOenNCW);

Verbond van de Nederlandse Groothandel;

Comité van Graanhandelaren;

Stichting van de Zelfstandige Handel en Industrie ZHI

VIII

Auteur