Ga direct naar de content

Jrg. 54, editie 2684

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 26 1969

ECONOMISCH=STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

26
februari
1969

54e jrg.

No. 2684

Verschijnt wekelijks

/
Naar aanleiding van Brugman

Het artikel van Professor Brugman over ,;de illusie van deontwikkelings-
COMMISSIE VAN REDACTIE:
hulp”
(Hollands Maandblad, december 1968) heeft veel stof doen opwaaien. H. C. Bos; L. H. Klaassen;
H. W. Lambers; P. J. Montagne; A. de it.
Vooral nadat de
NRC
er ruimere bekendheid aan had gegeven door het in

haar wekelijks bijvoegsel van 11 januari 1969 over te nemen kwamen er

nogal wat reacties los. Deze waren
niet
alleen afkomstig van de door REDACTEUR-SECRETARIS:

A. de Wit.
Brugman gekritiseerde ,,prekers van ontwikkelingshulp”, maar ook van

diegenen die het altijd al gedacht hadden en zich nu in hun overtuiging

gesteund voelden door een hooggeleerde. Wat dat betreft heeft Brugman
ADJUNCT REDACTEUR-SECRETARIS:
succes gehad met zijn poging het Nederlandse volk aan te sporen ,,nog
P.
A. de Ruiter.


eens goed na te denken”.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIE:
Brugman heeft zich daarmee overigens gelukkig niet tevreden ‘gesteld.

F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
Hij blijft actief deelnemen aan de discussie en heeft reeds een aantal zijner
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick
critici van repliek gediend. Zo voorzag hij in het januari-nummer 1969 van

het
Hollands Maandblad
een vijftal comhientaren (van Aad Nuis, P. van
SECREARIS COMMISSIE VAN ADVIES VOOR
‘t Veer, C. J. Stigter, René A. H. Vos en J. N. Schotten) elk van een af-

zonderlijk antwoord, terwijl hij in de
NRC
van 13 februari jI. inging op het
J Geluck


tegenartikel van Prof. Linnemann dat verschenen was in de
NRC
van

.


9 februari. De verschillende standpunten komen daardoor beter uit de verf.

De door Brugman gestimuleerde opleving in de discussie over het voor

en tegen van ontwikkelingshulp maakt het zinvol om op zijn argumentatie

uu:r.iui
in te gaan, hoe men overigens over de door hem ontwikkelde visie moge

denken. Zo zal men deze niet meer kunnen afdoen als die van een schoen-

maker welke zich niet bij zijn leest heeft gehouden; zijn woorden lijken

immers, geheel overeenkomstig zijn bedoeling, enige politieke relevantie te

Drs. J. P. Pronk:
verkrijgen. Wij zullen er daarom serieus op ingaan.

Naar aanleiding van Brugman .. 197
Maar alvorens dat te doen twee opmerkingen vooraf. De eerste is dat de
prestatie van Brugmans artikel wel buitengewoon groot is. Ontwikkelings-
H. L. F. I’crbraa k
hulp, aldus Brugman, ,,is bijna een heilig huisje geworden waarover men

niet spreekt of, als men dat doet, op de galmende toon waaraan ons preek-
,,Pensioen

Voor

Allen”:

ei

van
zieke volk nu eenmaal verknocht lijkt. Het is daarom, geloof ik, hoog tijd
Columbus
9

………………..199
dat de ontwikkelingshulp eens kritisch, ontdaan van haar sacraal karakter,

wordt .besproken”. De
NRC
was kennelijk ook deze mening toegedaan,

Drs. J. Th. Adolfse:
getuige het feit dat de plaatsing van het artikel van redactiewege werd ge-

Industriefinanciering

in

ontwikke-
motiveerd met het argument dat de serieuze discussie over ontwikkelings-

ings an……………………..
1

1

den

203
hulp tot dusverre in feite slechts tussen voorstanders van deze hulp was

gevoerd, terwijl openlijk verzet tegen deze hulp eigenlijk alleen maar uit

Prof. Dr. S. J. Loccufier:
de Koekoekhoek kwam, wat nauwelijks als een serieuze discussie ,kon

worden beschouwd. Dit nu is ten enenmale onwaar. Wie de laatste jaren de
De nationale. en regionale econo-
ontwikkeling in het Nederlandse denken over de Noord-Zuid verhouding
mische groei in België …………207
heeft gevolgd, weet dat er met name na het verschijnen van het artikel van

Prof. Wertheim in de
Nieuwe Stem
in 1967 (,,Ontwikkelingshulp als neo-

E c o n om is c h

s t a t
i
St
i
s c h e
kolonialisme”) vanuit linkse kringen

maar daarin is de
NRC
nooit erg

b er
i
c h te n

………………212
goed ingevoerd geweest

zeer veel fundamentele bezwaren tegen ont-

wikkelingshulj zijn geuit. Die bezwaren zijn nOoit onder stoelen of banken
U
i
t

de

t ij d s c h r
i
f te n m a
p :

213
gestoken. De in november 1968 aan de meeste Nederlandse universiteiten
en hogescholen georganiseerde Derde Wereldweelc stond helemaal in ,dit
Ge 1 d-

e n

k a
p i
t a al m a r k t

215
teken en de politieke relevantie van deze bezwaren lijkt eerder toe dan af

te nemen. Bovendien is er daarnaast tussen de voorstanders van ontwikke-
M e de d e 1
i
n gen

…………..216
lingshulp zé’n serieuze discussie gevoerd over de functie van de hulp-

verlening, dat het van weinig ondersçheidingsverniogen getuigt wanneer

dit alles wordt afgedaan met woorden als: galmend, preekziek, niet-kritisch
en sacraal.

197

De tweede opmerking vooraf
is,
dat Brugman er verstandig

aan heeft gedaan zich aan het begin van zijn artikel te

presenteren als een niet-expert. Als zodanig kon hij zich

een aantal feitelijke onjuistheden en generalisaties veroor-

loveh die de lezer de wenkbrauwen soms flink doen fronsen.

Wij gaan daarop echter niet in, te meer imdat dit in

andere commentaren reeds min of meer uitvoerig ge-

schiedde.

Deze beide opmerkingen vooraf werden niet bedoeld als

een fundamentele aanval op Brugmans opvattingen. In-

tegendeel, ook wie zou wensen dat Brugman zich vooraf

nog iets beter had geïnformeerd, zal bij een nadere analyse

van zijn artikel moeten toegeven dat de pretenties, de

generalisaties en de feitelijke onjuistheden los staan van de

hoofdlijnen van het betoog. Over die hoofdlijnen zullen

we het daarom hebben.

De diagnose is duidelijk. Ontwikkelingshulp is, aldus

Brugman, een twijfelachtige zaak, waarvan zelfs de pre-
missen vals zijn. Ontwikkelingshulp is eigenlijk een lap-

middel, dat de kwaal verergert omdat de werkelijke ge-

nezing erdoor wordt uitgesteld. Om zoveel geld uit te geven

voor iets dat
-zo
slecht waar te maken valt is gevaarlijke
dwaasheid, een blunderen in het groot.

Let wel: dit is de conclusie van een artikel waarin een

wetenschapsman, die van mening is dat een bepaald onder-

werp eindelijk eens kritisch moet worden besproken, de

ondeugdelijkheid van andermans argumenten tracht aan te

tonen. Daar moet je dan wel in geslaagd zijn, wil je tot

zo’n expliciete conclusiê komen. Laten wij eens nagaan of

dat inderdaad het geval is: Daartoe vatten we de essentie
van zijn betoog kort samen.

In materieel opzicht hebben de koloniale regimes,

objectief bezien, niet slecht gefunctioneerd. Tot de voor-

delen voor de ontwikkelingslanden van het koloniale sys-

teem behoorde dat op grote schaal kapitaal en kennis

zijn verschaft, die voor de economische ontwikkeling van

de betrokken landen zeer belangrijk zijn geweest. Deze

bron van kapitaal en kennis is door de beëindiging van de

koloniale systemen opgedroogd.

Na de verkrijging van hun onafhankelijkheid wilden

de ex-koloniën zelf hun prioriteiten bepalen en – wat be-

langrijker is – zij gingen doeleinden nastreven die niet

in de eerste plaats economisch waren. De economische

groei kwam en komt niet meer op de eerste plaats. Poli-

tieke doeleinden ontvingen etn hogere prioriteit; de eco-

nomie werd daaraan ondergeschikt.

Ontwikkelingshulp, d.w.z. het gratis ter beschikking

stellen van kapitaal en kennis, zal niet tot het beoogde

doel leiden. Het verschaffen van ontwikkelingshulp ter

bereiking van een economisch doel aan landen waarvoor

de economie nooit op de eerste plaats komt is ongerïjmd.

Die hulp kan namelijk niet worden losgedacht van de

politiek. Het jeld dat op deze manier verkregen wordt is

te gemakkelijk geld. Ontwikkelingshulp is in de meeste

gevallen dan ook niet anders dan een verspilling en heeft

in vele opzichten zelfs een schadelijke uitwerking. Ont-

wikkelingshulp bevordert de ontwikkeling dan ook niet.
De armoede in de ontwikkelingslanden is niet meer
(vervolg op blz. 217)

Vier standpunten inzake internationale ohtwikkelingssamemverking

UDINK
BRUGMAN
TINBERGEN
WERTHEIM

Analyse

van

het

ont-
De ontwikkelingslanden
De O.L. zijn achterge-
De

O.L.

zijn

achter-
De
O.L.
zijn achterge-
wikkelingsprobleern
zijn achtergebleven
bleven
gebleven

en

achterge-
bleven,

maar

bovenal: –
houden
achtergehoudën

Opinie

over

de

doel-
Beoogd wordt de hand-
De ontwikkeling der O.L.
De ontwikkeling der
Handhaving van de poli-
stellingen van de rijke having v. d. politieke en
O.L.
tieke

en

economische
landen
economisçhe status quo
Nationalistische doel-
status quo (neo-kolonia-
(belangenbehartiging). In
stellingen

der

donor-
lisme)
voorlichting over het be-
landen zelf
leid wordt echter de na-
1. en 2. conficteren
druk gelegd op de on-
baatzuchtige

hulpverle-
Doelstellingen die nage-
Deontwikkeling der
O.L.
Deontwikketing der O.L.
De ontwikkeling der O.L. streefd moeten worden
ning aan de O.L. in hun
volgens

,,economïs- volgens

de

maatstaven
volgens

de

maatstaven streven naar sociaal-eco-
tische” (westerse) maat-
der (regeringen van de)
der

(bevrijdingsbewe-
nomische ontwikkeling
staven
O.L.
zelf
gingen van de) O.L. zelf

Is

ontwikkelingshulp
Ja
Neen
Ja, maar onvoldoende
Ja, mits de sociale struc-
daartoe

een

geschikt
tuut der

O.L.
aan be-

instrument?
paalde voorwaarden vol-
doet

Kan het westerse parti
Ja
Ja Ja, mits het bedrijfsleven
Neeii
culiere

bedrijfsleven
aan bepaalde voorwaar-
daarbij

een

nuttige
den voldoet
functie vervullen?

Bepleite aanpak ni.b.t.

1. Hulpverlening
ad
1. Geleidelijke

uit-
ad
1. Stopzetting
ad
1. Aanzienlijke

uit-
ad
1. Alleen

hulp

aan
breiding.

Nadruk op
breiding.

Nadruk op
landen

waarvan

de
bilaterale hulp
.
multilaterale hulp
sociale

structuur

aan
bepaalde voorwaarden
– voldoet

2. Handelspolitiek
ad
2, 3
en
4.

Lippen-
ad
2
en
3. O.L. zijn onaf-
ad
2. Herstructurering
act
2, 3
en
4. Geen stand-
3. Produktiestructuur
dienst

aan

econo-
hankelijk en

moeten
od
3. Optimale

inter-
punt
mische

en

politieke
hun

problemen

zelf
nationale arbeids-
herstructurerings-
oplossen
verdeling


voorstellen


4. Internationale

be-
ad
4. Supra-nationale
ad
4. Supranationale be-
sluitvorming
besluitvorming is een
sluitvorming

utonie

198

„Pensioen Voor Allen”: ei van Columbus?

Dit artikel bevat een bespreking van liet rapport ,,Pensioen Voor Allen”,

een door liet Wetenschappelj/k en Scholingsinstiluut van liet Nederlands

Verbônd van Vak verenigingen uitgebracht rapport inzake de toekomst der
pensioen voorzieningen. Dit gedegen rapport komt tot de conclusie dat een

centraal georganiseerde, verplichte aanvullende pensioen voorziening van hoog

niveau nodig is. Het alternatief van een constructieve opstelling binnen het

kader van het bestaande, veelal niet bevredigende, vrijwillige stelsel wordt ih

het rapport niet besproken. ,,Pensioen Voor Allen” is
ongetwijfeld
een nuttig

stuk binnen de discussie over het pensioenvraagstuk, hoewel de conclusies

van dat rapport minder juist aansluiten op he! betoog.

Onder de titel
Pensioen Voor Allen (PVA)
is in het najaar

van 1968 een rapport verschenen van het Wetenschappelijk

en Scholingsinstituut van het NVV (WS1). Dat rapport is

gewijd aan het vraagstuk van de aanvullende pensioen-

regelingen boven AOW en AWW, welke regelingen nu

nog – naar de mening van het WSE – een sombere lappen-

deken te zien geven, die grotendeels is gevuld, met tinten

van grijs en zwart. PVA is ongetwijfeld het resultaat van
een gedegen studie. De gedane suggesties vallen globaal

uiteen naar de volgende aspecten

Verplichting tot een aanvullende pensioenregeling.

Hoogte van de beoogde aanspraken.

Dekkingstelsel.

Uitvoering.

Overgangsvraagstukken.

In dit artikel zal achtereenvolgens op de desbetreffende

PVA-voorstellen worden ingegaan.

1.
VERPLICHTING TOT EEN AANVULLENDE

PENSIOENREGELING

PVA stelt voor verplichte deelneming aan een algemene

aanvullende pensioenregeling, in elk geval voor de werk-

nemers,terwijl PVA ook geen bezwaren ziet in een ver-

plichte deelneming door zelfstandigen. Dit laatste is

overigens voor het rapport niet essentieel, zodat daarop

ook in het navolgende niet nader wordt ingegaan.

De noodzaak tot verplichting vloeit naar het oordeel

van het PVA voort uit de onvolledigheid en ontoereikend-

heid van de bestaande, in beginsel op vrijwilligheid ge-

baseerde aanvullende voorzieningen. PVA is er echter niet
in geslaagd om die onvolledigheid en ontoereikendheid op

de juiste wijze voor het voetlicht te krijgen. Zo stelt PVA,

dat slechts
75%
van de onzelfstandige beroepsbevolking

naar de situatie einde 1960 verzekerd was ingevolge een
aanvullende. pensioenregeling. PVA komt tot deze con-

clusie door 2 miljoen aanvullend verzekerden te relateren

aan 2,7 miljoen in aanmerking komende 21-jarige en oudere

mannelijke resp. 25-jarige en oudere vrouwelijke werk-

nemers. Dit nu vindt geen steun in de relevante statistische

gegevens, en wel omdat enerzijds het getal van 2 miljoen

hoger behoort te zijn en anderzijds het aantal van 2,7

miljoen lager. Zonder in dit verband
itt
te zeer op details
in te gaan, kan nI. worden gesteld:

a. PVA schat het aantal niet via pensioenfondsen maar

rechtstreeks bij een verzekeri ngmaatschappij onder-

gebrachte deelnemers op slechts ca. 150.000. In feite

mag het aantal, niet via een pensioenfonds maar direct

in de collectieve branche van het verzekeringbedrijf op-

genomen, verzekerden worden getaxeerd op ca.’ 350.000,

waarnaast nog zullen komen 150.000
â
200.000 personen

die in de individuele branche van het verzekeringbedrijf

in een pensioenverzekering zijn opgenomen;

PVA ziet over het hoofd, dat er fondsen zijn die niet

in het als uitgangspunt gekozen verslag van de Verzeke-

ringskamer worden verwerkt (buy, het spoorweg-

pensioenfonds);

PVA overschat het aantal in beginsel in aanmerking

komenden door uit te gaan van toetreding op 21 jaar

(mannen) resp. 25 jaar (vrouwen). In de praktijk zullen

deze grensleeftijden veeleer liggen bij 23 jaar, resp. 28

jaar, wat een aanzienlijk verschil maakt;

PVA ziet over het hoofd, dat er groepen werknemers

zijn, bijv. het legioen der werksters en tijdelijke ver-

koopsters in warenhuizen, die naar thans min of meer

algemeen aanvaarde opvattingen toch niet per se voor

pensioen in aanmerking behoeven te komen.

De
75%
is dan ook een grove onderschatting; beter is 90%

â 95%, conform de schatting van een destijds – in 1963 –

door de beambtenbond van het NKV uitgebracht rapport,

D&premiebetaling in de Algemene Ouderdomswet.
Sinds

het door PVA als uitgangspunt gekozen jaar 1960 zal

overigens het percentage der reeds aanvullend verzekerden

nog wat verder in de richtingvan 100 zijn gestegen.

Door dergelijke fouten wordt de onvolledigheid van de

bestaande voorzieningen door het WSI onjuist belicht.

Het verkeerd gebruik van statistisch materiaal strekt zich

overigens ook uit tot allerlei secundaire beschouwingen

van het WSI omtrent het al dan niet toereikend zijn van

de aanvullende voorzieningen tegen de achtergrond van

de door het WSI als toetssteen beschouwde regeling voor

de ambtenaren. Hiermede mag niet gezegd
zijn,
dat de

situatie in werkelijkheid nu zonder meer gunstig is; er zijn

heel wat regelingen, die lang niet aan een adequaat pen-

sioen toekomen.

De werkelijke pensioensituatie in Nederland is niettemin
gunstiger dan PVA het doet voorkomen, waarmee de vraag

rijst, of PVA niet op een te wankele basis tot de noodzaak

van een verplichting concludeert. Daartegenover komt dan

tevens de vraag naar voren, of het WSI wel een motivering

nodig heeft om een verplichting in te stellen; blijkens een

mededeling in PVA is het vraagstuk van de pensioenen nl.

meer politiek dan wetenschappelijk getint.

WSI merkt zelf op, dat het huidige
vrijwillige
stelsel uit

ESB 26-2-1969

199

S.


t

een dogpunt van beheerkosten niet of natiwelijks ongunstig

afsteekt bij een algemeen stelsel, als inPVA wordt beoogd;

zeker indien de door het alternatief van eigen beheer ver-

oorzaakte tendens tot margeverkraping bij verzekering-

maatschappijefl zich voortzet, is dat ongetwijfeld het geval.

Maar gaat tegen deze achtergrond de idee van maat-

schappel.ijke ordening, die spreekt uit de wens ‘van een

algemeén verplichte pensioenregeling, niet wat te ver?

Ongetwijfeld kan men door verordening komen tot orde-

ning, en dat kan objectief wenselijk zijn indien anders veel

individuen tussen de wielen geraken. Zo kan het bijvoor-

beeld wenselijk zijn om te komen tot een verplicht pensioen,

geënt op het minimum arbeidsinkomen, zoals wij dat hier

te lande kennen. Die situatie zal echter,indien de AOW
blijft stijgen met het loonpeil, en het minimum arbeids-

inkomen met het gemiddelde van loon- en prijspeil, toch al

automatisch op middellange termijn worden bereikt.

ZIang eenieder principieel het recht heeft naar een zo

hoog of zo laag arbeidsinkomen te streven – mits niet

onder het minimum inkomen gelegen – is een ordening,

die voert tot een precieus geregeld hoog ,,uitgesteld loon”

na de leeftijd van 65 jaar een ietwat problematische zaak.

Dat er een verplichte loonvervangende arbeidsongeschikt-

heidsverzekering is, die wel zo ver gaat, ligt grotendeels

in een ander vlak; arbeidsongeschikthéid is een onvoor-

spelbare calamiteit, en ouderdom niet.

In PVA is de noodzaak van een verplichte aanvullende

pens i oenregeli ng statistisch onjuist gemotiveerd. Principieel

is de noodzaak van een verplichting door het WSI in het

geheel niet aan de orde gesteld.

2. HOOGTE VAN
DE BEOOGDE AANSPRAKEN

In grote lijnen bezien staat het rapport een ouderdoms-

pensioen voor, dat bruto en tezamen met de AOW 70%

bedraagt van het bruto arbeidsinkomen, voor zover dat

arbeidinkomen (naar huidig loonpeil) niet meer dan rond

f. 30.000 bedraagt. PVA geeft èr de voorkeur aan, dit pen-

sioen niet te relateren aan het laatste arbeidsinkomen véér

pensionering (eindloonsysteem), maar aan het gemiddelde

arbeidsinkomen tijdens de opbouw van het pensioen, zij
het, dat voor de berekening van het gemiddelde arbeids-

inkomen het inkomen van een bepaald jaar overeen-

komstig de algemene loontrend wordt herleid tot het loon-

peil ten tijde van de pensioensingang. Dit is dus het be-

ginsel van het zgn. ,,welvaartsvaste” of ,,ioonvaste” ge-

middelde pensioen. PVA wil dit realiseren via een zgn.

,,puntenstelsel”, zijnde een administratieve methode, die

overigens niet essentieel is maar slechts een hulpmiddel.

Van eenmaal ingegane pensioenen wordt waardevast-

heid beoogd, dus correctie in overeenstemming met de

prijsbeweging na de pensioensingang.

Het uitgangspunt van de 70% wordt door PVA slechts

gemotiveerd onder verwijzing naar de n6rm bij de ambté-

naren en op basis van een maatschappelijk min of meer

algemeen gevoelen. Het is interessant om kennis te nemen

van de beschouwingen van PVA, op grond waarvan het
puntensysteem wordt geprefereerd boven het eindloon-

systeem; deze redenen zijn tweeërlei:

het eindloonsysteem is bijeen, algemene regeling een

uitnodiging tot misbruik in de vorm van ,,pensioen-

promoties” kort voor pensionering, die immers de be-

trokken werkgever.haast niets kosten, maar die voor de

sub 4 te bespreken algemene pensioenkas zeer schadelijk

zijn.

het eindloonsysteem voert tot een overheveling van

inkomen van lager gesalarieerden naar carrièremakers

die de in de AOW-premieheffing’ gelegen overheveling

in. tegengestelde richting overtreft. Met name dit deel

van PVA (blz. 68 t/m 81, alsmede aanhangsel A) valt op

door een ordelj ke probleemstelling en gedachtengang.

Op de principiële vraag, of het nodig is tot een volledige

verplichte voorziening van het beschreven niveau te komen,

gaat PVA overigens niet in. Ook al is men de mening foe-

gedaan, dat een 70%.pensioen wenselijk is, dan volgt daar

nog niet de noodzaak uit tot een verplichte zodanige.

regeling, zolang er ook op basis van vrijwilligheid wegen

en middelen zijn om tot de beoogde pensioénen te komen

(vide sub 4). Juist uit het feit, dat bij het bestaan van die
wegën en middelen (nog) niet alle voorzieningen op het

door het WSI gewenste niveau zijn gebracht, kanmen af-

leiden, dat er ook (nog) werknemers en werknemers-

organisaties zijn,. die niet bereid zijn aan dat gewenste

pensioen prioriteit te geven boven het onmiddellijke brood

alleen. Wij komen dan weer op dezelfde vragen als aan het

slot van het onder 1 gestelde.

3. DEKKINGSTELSEL

PVA geeft er de voorkeur aan, voor de dekking der aan-

vullende pensioeIen uit te gaan van het kapitaaldekking-

stelsel; geheel duidelijk is de betreffende motivering niet,

maar in het kader – daarvan spelen in PVA de volgende

overwegingen een rol:

Reeds AOW en AWW zijn gebaseerd op het omslag-

stelsel, waarbij dus de continuïteit afhangt van de bereid-

heid van volgende generaties om de pensioenlasten van

vorige generaties te dragen. Voor aanvullende voorzieningen-

acht men het beter de op de toekomst te trekken wissel

niet nog zwaarder te maken.
Het verplichte stelsel gaat in beginsel.slechts uit van

verlening van aanspraken over jaren na de inwerking-

treding, om ‘twee redenen:

le. het is achteraf administratief niet mogelijk om na te

gaan, wat over
,
het verleden als arbeidsinkomen werd

verworven.
2e. toepassing van het systeem in volle omvang inclusief’

backservice vergt van de aanvang af – ook bij omslag –

premies die prohibitief zijn voor de levensvatbaarheid

van het pensioenplan.

Voor de beoogde regeling over toekomstige jaren alléén is

het kapitaaldekkingstelsel ‘Ç’an nature het meest geschikt.

Economisch gezien is ons land gebaat met de be-

sparingen die voortvloeien uit het kapitaaldekkingstelsel

,

Overigens is PVA in de praktijk voorstander van een ge-

matigd kapitaaldekkingstelse], waarbij gelegenheid bestaat

om achterstanden in de dekking van ontstane aanspraken

– bijv. wegens een snelle loon- en prijsbeweging – ge-

leidelijk in te lopen. Dit is overigens geen noviteit, want

veel bedrjfspensioenfondsen werken reeds met iihaal-

lasten voor aanspraken over het verleden en veel onder-

nemingspensioenregelingen -kennen zgn. inhaalpremies voor

backservice-aanspraken en toeslagen op ingegane pen-

sioenen.
Wél nieuw is het, dat PVA het denkbeeld ôppert om

systematisch bij grote loon- en prijsstijgingen de mate van

kapitalïsering te verlagen. Een kritische vraag hierbij is

dan ook, of in de praktijk van het door PVA voorgestane

stelsel niet op opportunistische gronden – bijv. ter, ver-

laging van de premielast – de mate van kapitalisering in

200

weerwil van alle goede intenties zal dalen tot een zodanig

niveau, dat effectief grotendeels het omsiagstelsel wordt

geïntroduceerd. Zoals de situatie thans ligt, is het ‘gevolg

van een uit de hand lopend loon- en prijspeil, dat ofwel

de pensioenen achter raken ofwel extra premieverhogingen

worden doorgevoerd. Sommigen achten dit een voordeel
in zoverre daardoor ook de werknemers eens te meer ge-
noodzaakt worden de tering naar de nering te zetten; een
• meer opportunistisch kapitaaldekkingstelsel, zoals PVA
lijkt te bedoelen, brengt in hun ogen het hek van de dani.

De vraag is dan ook gerechtvaardigd, of een opportunis-

tisch kapitaaldekkingstelsel in de praktijk niet zal ver-

worden tot een speelbal op de (ioon)politieke golven, te-

meer omdat hier ook het belang van de ondernemingen als

investeerders gaat meespelen. Bij dit alles mag dan niet

vergeten worden, dat het opportunistische dekkingstelsel

alléén toepasbaar is in het door PYA voorgestane stelsel

van financieel communicerende pensioenfondsen met een

centraal orgaan, dat in de praktijk de dienst moet uit-

maken en dat dan een economisch machtsinstituut van de

eerste orde kan worden.

Ook in het huidige stelsel is er kapitaaldekking en zijn

er omslagelernenten, echter luisterend naar eigen bedrijfs-

economische wetten en wel dusdanig gedecentraliseerd, dat


van machtsvorming in de praktijk geen sprake is, ondanks
de ca. f.
25
mrd., voor de private pensioenen belegd door

pensioenfondsen en verzekeri ngmaatschappijen.

4. UITVOERING

PVA stelt voor, oiii de verplichte aanvullende pensioen-

regeling te doen uitvoeren als volgt:

De bestaande bedrijfspensioenfondsen plus een rest-

bedrijfspensioenfonds krijgen tot taak per bedrijfstak de

individuele lonen en premiën te registreren, zoals die

prerniën uniform en centraal voor de verplichte regeling

worde.n vastgesteld.

De lonen en prerniën worden vervolgens door. een

centraal instituut geregistreerd, welk instituut bij ingang

van het pensioen beschikt over de stand van de verzamelde

aaiipraken, waar de betrokken werknemer ook heeft ge-

werkt.

Het fonds, waar betrokkene laatstelijk deelnemer was,

keert de totale pensioenen uit.

Elk fonds belegt zel.f het saldo van de premiën en

van de uitgaven, uit de aard der zaak met inaéhtneming

van beleggingsvoorschriften der centrale instantie en onder

controle van het uitgavenpeil door die instantie.

De ondernemingspensioenfondsen en de verzekering-

maatschappijen hebben aldus geen taak meer, behalve voor

zover betreft verder aanvullende, dus vrijwillige regelingen.

Een voorstel dus met een sterk centraliserende tendens.

Men kan zich afvragen, wat op de duur de zin is van de

afzonderlijke inning, uitbetalihg en belegging per bedrijfs-

tak, als immers de premiën, de pensioenen en de aard der

beleggingen centraal gedicteerd worden. Bij enig door-

denken blijkt de gedecentraliseerde uitvoering in feite een

façade te zijn, mogelijk gericht op het handhaven van

functionarissen in bedrijfspensiôenfondsbesturen in een

overgangsfase véôr algehele central isatie.

Men zou met het uitvoeringsvoorstel van PVA vrede

kunnen hebben, ware het zo dat er geèn aanvaardbaar

alternatief zou zijn voor de uitvoering van de door PVA

voorgestane algemene regeling, gesteld al dat een dergelijke

r
egeling – tot het door PVA gewenste niveau – principiële

bestaansgrond heeft.

Er zijn echter wel degelijk alternatieven. Daartoe is het in

éerste instantie nuttig om na te gaan, welke motieven PVA

noemt voor het financieel en administratief verbonden zijn

van de uitvoeringsinstituten der verplichte regeling.

Deze motieven zijn drieërlei: –

de verbrokkeldheid der huidige instituten;

het verschijnsel van de ,,siapers” met onvoldoende

premievrije aanspraken;

de door PVA beweerde onmogelijkheid om bij in-

krimpende bedrijfstakken tot een bevredigende pensioen-

voorziening te komen; ‘in het communicerende-vaten-

systeem van PVA worden dergelijke bedrijfstakken ge-
subsidieerd door de andere.

Bij een nadere analyse van deze drie argumenten blijkt

echter het volgende:

Ad A. Verbrokkeldheid en onoverzichtelijkheid zijn meer

in het algemeen de kenmerken van ons maatschappelijk

systeem; ook de verbrokkeldheid van ons produktie-

apparaat is daar een voorbeeld van. Op het oog lijkt de

verbrokkeidheid ondoelmatig, maar velen menen, dat een
op papier ideale centralisatie in de praktijk niet het meest

doelmatig is. Voor een geheel uniforme pensioenbehoefte,

en ook voor een geheel uniforme behoefte aan artikelen,

werkt een centraal systeem het beste. In feite duiden echter

de vele in de praktijk bestaande soorten van pensioen-

regelingen op verschillen in wensen van-bedrijf tot bedrijf

en van onderneming tot onderneming. ZeRs al zou men

komen tot een centrale regeling als door PVA bedoeld,

dan gaat de maatschappelijke ontwikkeling verder en ont-

staat behoefte aan allerlei gedifferentieerde, nog meer aan-

vullende voorzieningen, zoals bijv. in Zweden reeds het

geval is. Verdere vrijwillige aanvullingen passennl. niet in
het centrale systeem, omdat dit zou kunnen leiden tot mis-

bruik vanuit inkrimpende bedrijfstakken. Het mag dan

zijn, dat de huidige verbrokkeldheid in,veel gevallen ridi,

cuul is; dat noodzaakt nog geénszins tot een uniforme

centralisat ie plus automatische secundaire verbrokkeld-

heden.

Ad B. Dat aan vertrokkenen geen prernievrije aanspraken

worden toegekend, is een verschijnsel, dat door een simpele
wijziging van dè Pensioen- en Spaarfondsenwet kan worden

verholpen. Dat medegegeven premievrije aanspraken niet

op peil gehouden worden, is een afzonderlijk vraagstuk,

dat ad C aan de orde zal komen. Dat medegegeven premie-

vrije aanspraken leiden tot een verbrokkeling van aan-
spraken per werknemer, is ook in het bestaande stelsel

niet nodig, indien men aan het instituut van de ,,pensioen-
clearing”, zoals dit bij sommige pensioertregelingen al be-

staat, meer inhoud geeft. Ook te dien aanzien zou een uit-

breiding van de Pensioen- en Spaarfondsenwet tot het g-

wenste resultaat kunnen voeren.

Ad C. Het verplichte subsidiëren van de ene bedrijfstak

door de andere noodzaakt nog niet tot centralisatie. De

verschillende pensioenuitvoeringsinstituten kunnen immers,

ook niet behoudvan hun volkomen zelfstandigheid en hun.

volkomen eigen regelingen, komen tot onderlinge subsidie

op basis van de lasten ener fictieve, uniforme minimum

pensioenregeling. Technisch is dit zeer wel te realiseren op

basis van loonsommen en gemiddelde leeftijden per be-

drijfstak, resp. per onderneming. De kans is echter niet

groot, dat een dergelijk onverholen systeem van over-

drachten tussen ondernemingen en bedrijfstakken het licht

ESB 26-2-1969

201

zou zien. De verholen overdrachten van het PVA-voorstel

trekken uiteraard minder de aandacht, hoewel ook hier de

vraag rijst, of het nu tot de taken van een expanderende

bedrijfstak, zoals de chemische nijverheid, behoort om een

inkrimpende bedrijfstak als die van de maatkleerniakers

te ondersteunen.

Er is echter een veel praktischer weg om het probleem

van de inkrimpende bedrijfstakken op te lossen zonder

centralisatie, en wel de volgende. De meeste bedrijfs-

pensioenfondsen passen verhogingen van aanspraken toe
zowel op actieve deelnemers als op slapers; verhogingen

terzake van elders doorgebrachte diensttijd kent men niet

(alleen de metaalindustrie zette een stap in deze richting).

De meeste ondernemi ngspensioenregelingen passen verho-

gingen alleen toe voor actieve deelnemers en dus niet voor

slapers, terwijl daar, indien iemand voorheen elders heeft

gewerkt en wegens inflatie daarvan geen adequate aan-

spraken heeft behouden, nogal eens onverplichte extra

pensioenen worden geboden. Men constateert hier eigen-
lijk eep onlogische verdeling van taken over de verschil-

lende pensioeninstituten. Natuurljkerwijze is de neiging

tot het verlenen van een bevredigend pensioen sterker bij

de onderneming of bedrijfstak, waar een werknemer in

dienst is, dan bij een onderneming of bedrijfstak, waar

betrokkene in het verleden kortere of langere tijd in dienst

was. Een meer natuurlijk systeem tot verdeling van de

dekking van welvaartsvaste pensioenen over ondernem in-

gen en bedrijfstakken is dan ook dat, waarbij elke onder-

neming of bedrijfstak geen verhoging meer toekent aan
slapers, maar daartegenover verhogingen voor actieven
over achterliggende diensttijd uitstrekt tot alle tijd, ver-

streken sedert de 25e verjaardag. Elke bedrijfstak verhoogt

dan dus de aanspraken, alsof elke betrokkene steeds in

dienst was geweest, en heeft niet te maken met verhogingen

voor slapers. Bij enig doordenken valt gemakkelijk in te

zien, dat dusdoende eenieder kan komen op een adequate

pensionering, ook al heeft hij in verschillende bedrijfs-

takken gewerkt. Door de metaalindustrie werd met dit

stelsel reeds een begin gemaakt. Indien alle fondsen dit

stelsel toepassen, kan eenieder op een bevredigend pensioen

komen. Het ware wenselijk, dat dit als een desideratum

wordt opgenomen in het wettelijk goedkeuringsbeleid van

ondernemings- en bedrijfspensioenregelingen, opdat binnen

een aantal jaren de situatie is bereikt, waarin de fondsen

elkaar in dit opzicht aanvullen.

Het voordeel is ni. dat inkrimpende bedrijfstakken aldus

niet meer te maken hebben met de pensioenproblematiek

van het daar relatief hoge aantal slapers. Alléén de actieven

vormen aldus een last. Gaat de inkrimping gepaard met

een verhoging van de gemiddelde leeftijd der actieven, dan

voert dit tot een zekere stijging van de gemiddelde pensioen-

last per hoofd, die echter binnen de perken blijft. Zo werd

door mij berekend, dat in een concrete snel inkrimpende

bedrijfstak – bij de in onze tweede paragraaf besproken

pensioenen – de pensioenlast slechts ca. 3 / â 4 / (van

de lonen) hoger zou zijn dan de landelijke gemiddelde last

voor die pensioenen. Deze 3 % â 4 % extra premiën kunnen

uit de aard der zaak zonder al te grote problemen worden

opgevangen door een geleidelijke corretie op de loon-

stijgingen. Bij dit andere verdeelsysteem over de onder-

nemingen en bedrijfstakken is overigens het ad B be-

sproken probleem van de aanspraken der slapers niet meer

relevant.

Tenslcitte wordt er in dit verband op gewezen, dat het op
peil houden van reeds ingegane pensioenen (waardevast-

202

heid) geen specifiek probleem is. De fondsen hebben vol-

doende intrestmarges om de ingegane pensioenen met 3
Y.

â 4%per jaar te verhogen. Gesteld eens, dat de inflatie

gemiddeld groter wordt dan 3 â 4% per jaar, dan is er

hoogstens sprake van een zèer gering achterblijven, maar

men moet wel een perfectionist zijn om onder alle om-

standigheden een waardevastheid tot in drie decimalen te

verlangen. In het buitenland bijv. gaat men zeker niet tot

een dergelijke perfectie.

Geconcludeerd moge worden, dat er redelijk afdoende

middelen en wegen zijn om – met behoud van het be-

staande stelsel – aan het vraagstuk van de inkrimpende

bedrijfstakken het hoofd te bieden, en wel zonder centra-

1 isatie.

Het voorgaande resumerend, mag worden gesteld dat

het WSI in feite geen of te schrale argumenten heeft ge-

vonden om tot de noodzaak van de door dat WSI voor-

gestane centralisatie te concluderen. Het valt te betreuren,

dat het WSI, in het kader van een serieuze poging tot een

betere oplossing van het pensioenvraagstuk, minder in-

grijpende en meer voor de hand liggende mogelijkheden

heeft verwaarloosd.

Dit alles sluit uiteraard niet uit, dat er inderdaad – bij

een eventuele verplichte regeling – een restbedrijfs-

pensioenfonds zou moeten komen.

5. OVERGANGS VRAAGSTUKKEN

De door PVA aan de orde gestelde overgangsvraagstukken
zijn van drieërlei aard:
Een gematigde, aflopende (AOW-)verhoging volgens

het omslagstelsel. Deze is in het kader van het PVA-

voorstel nodig omdat alleen over toekomstige jaren vol-

gens de aanvullende regeling pensioen wordt opgebouwd.

De vraag rijst overigens of niet met een tijdelijke verho-
ging zou kunnen worden volstaan, nI. alléén voor zolang

het netto AOW-inkomen nog ligt onder het netto

minimum inkomen, zulks in overeenstemming met het

gestelde aan het slot van onze eerste paragraaf.

Een geleidelijke opvoering van de minimaal verplichte

pensioenregeling.

Het overgangsvraagstuk van de ontmanteling der

thans reeds bestaande aanspraken ingevolge ,,klassieke”,

dus niet gecentraliseerde regelingen. Hierbij rijzen in

hoofdzaak twee problemen, nI. wat te doen met reeds

in uitzicht gestelde aanspraken, die nog dekking moeten

vinden in toekomstige bijdragemarges, en hoe de reeds

in uitzicht gestelde aanspraken in de nieuwe regeling

kunnen worden ingebouwd. Deze twee problemen wor-

den door PVA wel aan de orde gesteld, maar ze worden

niet opgelost. Te dezer plaatse zij volstaan met de mede-

deling, dat de oplossing van deze problemen in de prak-

tijk zeer ingewikkeld zou moeten zijn, zeker indien de

nieuwe regeling slechts geleidelijk tot het uiteindelijke

niveau zou worden opgevoerd.

Het voorgaande resumerende, mag worden gesteld, dat in

PVA het pensioenvraagstuk op indringende wijze aan de

orde is gesteld. Waar statistische berekeningen zijn gegeven,

zijn die hier en daar echter zeer aanvechtbaar, en waar het

WSI conclusies heeft gegeven, ijken die niet geheel vrij
van stokpaarden. Maar wie is dat wel?

H. L. F. Verbraak (actuaris)

Industrie

financiering

in ontwikkelingslanden

Kanttekeningen bij de oprichting van een Nederlandse

ontwikkelingsbank

,,Development. Fiiancing also means a somewhat

different approach to financing than that usually

employed by traditional lenders in newly developing

countries or by /ess inaginative bankers anyivhere

for whom lending is merely a business……

(Robert W. Davenport, Stanford Research Institute)

Behoudens de goedkeuring door de volksvertegenwoordi-
ging is binnenkort de oprichting tegemoet te zien van een

Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikke-

lingslanden (FMO). De maatschappij, die een naamloze

vennootschap zal worden, in het kapitaal waarvan de Staat
en het bedrijfsleven gelijkelijk zullen participeren en waar-

toe de regering een wetsontwerp bij de Kamer heeft inge-

diend, heeft ten doel:

– het voor eigen rekening, maar voor risico van de Staat,

verlenen van financieringshulp aan bedrijven in ont-
wikkelingslanden, bedrijven waarin een substantieel

Nederlands belang is vertegenwoordigd;

– het op eigen naam, maar voor rekening en risico van de

Staat, deelnemen in het kapitaal van, resp. verstrekken

van leningen aan ontwikkelingsbanken;

– het al of niet voor rekening en risico van de Staat deel-

nemen in het kapitaal van, of het verstrekken va?i

leningen aan gelijksoortige instellingen als de FMO;

– het op eigen naam, maar voor rekening en risico van

de Staat, beheren en administreren van rechten en ver-

plichtingen voortvloeiende uit:

reeds door de Staat met Nederlandse bedrijven ge-

sloten overeenkomsten tot verlening van finan-

cieringshulp;

het bezit van de aandelen van de NOF (Nederlandse

Overzeese Financieringsmaatschappij N.V.);

– het bemiddelen ten behoeve van bedrijven bij het aan-

trekken van geldmiddelen op internationaal en natio-
naal niveau, een en ander teneinde hiermede een bij-

drage te leveren aan de ontplooiing van het bedrijfs-

leven in het belang van de economische en sociale

vooruitgang van ontwikkelingslanden.

De middelen ter financiering van haar operaties zullen

bestaan uit:

– een kapitaal van f. 20 mln., verdeeld in aandelen van

f.
50,
waarvan in eerste instantie 25 % gelijkelijk bij

– Staat en bedrijfsleven zal worden geplaatst;
– geldleningen en subsidies van de Staat;

– geldleningen van derden (kapitaalmarkt, banken,

institutionele beleggers enz.), al dan niet onder garantie
van de Staat.

LOFFELIJK INITIATIEF

Voor het initiatief tot oprichting van de nieuwe maat-

schappij zal bij het bedrijfsleven zeker grote waardering
bestaan. Sedert geruime tijd hebben de centrale organi-

saties van het bedrijfsleven er bij de regering op aange-

drongen, initiatieven te nemen om de basis van de Neder-

landse particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelings-

landen te verbreden. Tot heden werd immers het inves-

teringsniveau van Nederland in ontwikkelingslanden

grosso modo bepaald door de activiteiten van een zeer

klein aantal grote bedrijven. De nieuwe mâatschappij kan

tot een verbreding van de basis
bijdragen.
Het ruime

(statutaire) kader waarin zij haar activiteiten kan ont-

plooien, alsmede het – bij oppervlakkige waarneming –

daarmee in evenwicht zijnde (statutaire) gamma van geld-

middelen, lijken de maatschappij voorshands ontplooiings-

kansen te geven zonder dat zij bij voorbaat gedrongen

is in een keurslijf van een beperkt aantal interventiemoge-

lijkheden.

Men zou zeggen, dat soortgelijke instellingen (ontwik-

kelingsbanken) in de belangrijkste Westeuropese landen

en de Verenigde Staten bij de conceptie van deze Neder-

landse ontwikkelingsbank model hebben gestaan
1
. Deze

laten zich immers globaal kenmerken als instellingen welke

in financieel opzicht (bijv. Kreditanstalt) of statutair ge-

zien (bijv. de CDC te Londen) of in beiderlei opzicht (buy.

de Caisse Centrale te Parijs) over een ruime operationele

armslag beschikken.

De ervaring van enkele van deze ontwikkelingsbanken

is, dat het veel inspanning kost om te beantwoorden aan
het doel: het particuliere (m.n. middelgrote en kleinere)

bedrijfsleven te bewegen over te gaan tot overzeese in-

vesteringen. Niet alleen het jaarlijks beschikbare volume

aan financieringsmiddelen, maar ook
en vooral
een ruim

arsenaal van interventiemogelijkheden zijn daarbij be-
palend voor een succesvol optreden van de bank. Toch

krijgt men bij nader inzien de indruk dat de nieuwe bank

net helemaal beantwoordt aan de moderne eisen van

,,development banking”, welke in het afgelopen decen-

nium een snelle evolutie te zien heeft gegeven en waaraan

de nieuwe bank o.i. toch zou moeten aansluiten
2

Wij kunnen daarom niet nalaten, ondanks waardering

1
Deutsche Geselischaft für wirtschaftliche Zusammenarbeit
m.J,.H. (DEG), Kreditanstalt für Wiederaufbau, Caisse Céntrale
de Coopération Economique te Parijs, Commonwealth Deve-
lopment Corporation (CDC), Commonwealth Development
Finance Cy. Ltd. (CDFC) te Londen e.a.
2
Zie buy.
Les Banques de Développenient dans le monde,
deel 1 en II, Dunod, Parijs 1964/65.

ESB 26-2-1969

203

voor de globale opzet, zoals deze blijkt uit de statuten en

uit de Memorie van .Toelichting van de regering, enkele

kanttekeningen te plaatsen die betrekking hebben op as-

pecten van algemene, financiële, operationele en organisa-

torische aard. De beperkte ruimte maakt het noodzakelijk

een beschrijving
van de nieuwe bank achterwege te laten,

en helaas voorbij te gaan aan vele interessante posiiieve

aspecten die aan de bank verbonden zijn.

EEN ALGEMEEN ASPECT:

DE NAAM VAN DE BANK.

Een eerste opmerking van ogenschijnlijk simpele strekking

betreft de voorgestelde naam: Nederlandse Financierings-

maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. Dit is geen

aantrekkelijke naam, maar moet als ,,dingaanduiding”

gebruikt zijn tijdens de periode van vborbereiding. De naam

van de bank verdient echter veel méér aandacht: zij kan

immers een hinderpaal zijn in de ontplooiing van haar

activiteiten. Zij is veel te lang, het woord ,,financierings-

maatschappij” is voor de toekomstige buitenlandse part-

ners van de bank niet uit te spreken en het woord ,,ont-

wikkelingslanden” heeft bij jonge naties vaak een aversieve

werking.

FINANCIËLE ASPECTEN

Een aantal opmerkingen van financiële aard betreffen de

samenstelling van het aandelenkapitaal, de dividenduit-

kering en de reservevorming; van operationele aard: het

participatiebeleid van de nieuwe bank en de controle-

activiteit.

Samenstelling van het aandelenkapitaal

Als prijs voor de deelname aan’ het beheer van de finan-

cieringsmaatschappij zal het bedrijfsleven voor de helft

moeten deelnemen in het te plaatsen aandelenkapitaal.

In de zin van het vennootschapsrecht is hiertegen weinig

in te brengen. Men kan zich echter afvragen of, om te vol-

doen aan de wens v.n het bedrijfsleven tot medebeheer van
de bank, een zo strikt juridische voorwaarde moest worden

gesteld. De moeilijkheid die zich hier namelijk voordoet

is, dat het begrip ,,bedrijfsleven” zich niet zo gemakkelijk

laat definiëren.

In werkelijkheid zullen enkele grote concerns uit hoofde

van hun nationale verantwoordelijkheid medewerking

verlenen om een deel van het kapitaal bijeen te brengen.
Maar de rest yan dat bedrijfsleven? Het voorgeschreven

lage maximum dividend (3%) doet niet verwachten dat

het totaal aantal inschrijvende bedrijven groot zal zijn.

Bovendien, wat zouden de beweegredenen moeten zijn van

de directie van een willekeurig bedrijf, dat zich slechts voor

de actieve financiering van de FMO interesseert, om in te

schrijven op het aandelenkapitaal? Niet het te verwachten

dividend uit deze belegging. Bevoorrechte behandeling bij

financieringsaanvrage of betere informaties? Dit zou een

bedenkelijk bijverschijnsel introduceren. De voorgestelde

constructie roept dus op zijn minst een aantal problemen
op. – Een betere oplossing zou zijn geweest die, welke in

Engeland gekozen is voor de- Commonwealth Develop-

ment Finance Company Ltd. (CDFC); onze voorkeur

gaat echter uit naar de vorm wâarin de Deutsche Gesellm

schaft fOr wirtschaftliche Zusammenarbeit (DEG) is

gegoten.

Bij de CDFC, die het dichtst bij de FMO-constructie

staat, namen de Bank of Englnd en centrale banken in

enkele Commonwalth-landen (ça. 45 %) én het bedrijfs-

leven (ca. 51 %) in het aandelenkapitaal (f 30 mln.) deel
3.

De aandelencoupure is nog veel kleiner dan die van de

FIvIO: één pond sterling, waârop door de Bank of England.

en de zusterinstellingen
50%
(= 10 shilling) en door het

bedrijfsleven slechts 10% (= 2 shilling) is gestort, zddat

de onderlinge verhouding van publieke en private belangen

in het geplaatste en gestorte kapitaal een omgekeerd beeld

geeft: resp. 81 en 19%. Voorts is metde-kleine aandelen

coupure en de geringe storting daarop een zeer grote sprei-

ding van het aandelenkapitaal verkregen, over 172 be-

drijven, banken enz.

Bij de DEG is de Staat alléén-aandeelhouder. Des-

ondanks is het bedrijfsleven behoorlijk vertegenwoordigd

in de hoogste beheersorganen van dè maatschappij. Waar-

om onze voorkeur naar’de DEG-constructie uitgaat, is

niet alleen omdat de DEG als staatsinstelling bewezen

heeft zeer succesvol te opereren, geheel volgens de ver-

wachtingen en inzichten van het Duitse bedrijfsleven,

maar ook omdat wij van mening zijn dat deze deel-activi-

teit van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid (namelijk

het bevorderen
van overzeese investeringen) ook geheel

voor rekening en voor verantwoordelijkheid van de over

heid komt. Zij komt ten slotte volledig tegemoet aan ons

voornaamste bezwaar, té weten de kans dat in de gekozen

formule een betrekkelijk kleine groep belanghebbende

bedrijven via een aandelenparticipatie invloed zal uit-

oefenen op het beleid van de bank, waartoe zij overigens

als aandeelhouders volledig gerechtigd zijn. –

Men kan zich voorts nog afvragen waarom men gekozen

heeft voor de krampachtige fifty-fifty-verhouding in liet

kapitaal (vgl. nogmaals de CDFC). Deze verhouding moet –

zelfs bij latere plaatsing van aandelen gehandhaafd blijven.

Een regelniatige groei van het aandelenkapitaal (de eerste

plaatsing is slechts f.
5
mln.) kan daardoor worden belem-

merd, omdat immers Staat én bedrijfsleven elkander

telkens moeten overreden om aan een eventuele uitbreiding

van het kapitaal medewerking te verlenen
5. –

Terloops ontwaart men nog een inconsequentie: men zou

verwachten dat de fifty-fifty-basis is terug te vinden in de
samenstelling van de Raad van Commissarissen. Integen-

deel: het aarftal commissarissen dat wordt benoemd op

voordracht van de twee categorieën van aandeelhouders

bedraagt 10, waarvan meer dan de helft (6) op voordracht

van de Staat –

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de gekozen

fifty-fifty-verhouding in het .aandelenkapitaaal van de

Bij een vergroting van het aandelenkapitaal in
1959/60
van
£ 15
mln, op £30 mln, werd ca. 4 %Ç van het totaal voor eventuele
latere plaatsing in portefeuille gehouden.
Hierbij moet worden aangetekend, dat de oprichters van de
CDFC indertijd
(1953)
een zeer loyale medewerking hebben
gekregen van de toenmalige Federation of British Industries,
welke laatste zich sterk gemaakt heeft t.o.v. haar leden ten


einde een zo ruim mogelijke spreiding van de te plaatsen aan-


delen onder de Britse bedrijven te bewerkstelligen. Een dergelijk
succes wensen wij ook de Nederlandse industrieverbonden toe,
die immers eeti dergelijke toezegging eveneens hebben gedaan.
Wij willen nog terzijde opmerken dat ons de omvang van
het nominale kapitaal gering voorkomt, wanneer men wederom
een vergelijking met zusterinstellingen maakt (DEC: DM -.
150
mln, niet een vergroting tot DM 300 mln, in het vooruit-zicht; CDFC: £ 30 mln.). Dit laat de FMO weinig ruimte om
te zijner tijd gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het aan-
trekkn van geldmiddelen, andere dan die uit de Schatkist en
eventueel die, zonder garantie van de Staat.

204

maâtschappij een waarborg moet scheppen voor een-gelijk-

waardige samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven
binnen de FMO. De noodzaak van een dergelijke samen-

werking lijkt ons, zeker wat betreft het werkterrein van de

FMO, buiten iedere discussie te staan. Onze vraag is echter,

of alleen een fifty-fifty-basis voor de deelname in het

aandelenkapitaal daartoe de aangewezen garantie biedt.

Temeer daar men in de belangrijkste beleidsorganen van

de bank (Raad van Commissarissen, maar ook de Commis-

sie voor het nemen van de investeringsbeslissingen) wat

betreft de vertegenwoordigingen heeft geschipperd. M.a.w.

men had, om het karakter van de samenwerking tot uit-
drukking te brengen, ook kunnen volstaan met een sym-

bolische deelneming van het bedrijfsleven in het kapitaal,

zeker omdat verwacht mag worden dat dit laatste in het

totaal van de beschikbare middelen van de FMO op den

duur een te verwaarlozen rol zal spelen.

De ;vinstuitkering

– De maatschappij zal te gelegener tijd (na af boeking van de
verliezen in de aanloopperiode) moeten overgaan tot divi-

denduitkering: maximaal 3% vôér reservering, resp.

maximaal 6% nadat de reserves zijn opgelopen tot 200%

van het geplaatste kapitaal. De winstuitkering volgt logisch
uit de gekozen constructie: N.V. mét privé-aandeelhouders.

Voor een ontwikkelingsbank komt ons het principe van

de voorgeschreven winstuitkering echter niet erg gelukkig

voor.

Ontwikkelingsbanken lopen – meer dan-andere tra-

ditionele instellingen op financieel terrein – in de regel

eel grotere risico’s door de specifieke aard van hun acti-

viteiten. Dit maakt een sterke intrinsieke financiële positie

– gewenst. Het vormen van reserves echter is bij dit soort

instellingen moeilijk
1
. Bij een constructie met de Staat

als aandeelhouder kan men hiertoe gemakkelijker komen.

Dan is het denkbaar dat een dividenduitkering geheel

achterwege blijft of pas plaatsvindt na reservering en zelfs

dan in onderling overleg tussen de Staat en de leiding van

de bank
1
.

voeren participatiebeleid niet overlaten aan de leiding van

de bank? Of stemt dit niet overeen met de orthodoxie van

de financiering? Laten we dan echter wel bedenken dat

,;ontwikkelingsfinanciering” pas van de laatste decennia
is eft zich moeilijk laat inpassen in de gevestigde finan-

cieringsopvattingen.

Het komt ons v6or dat de mogelijkheden van de bank

tot aandelenparticipatie niet aan banden gelegd moeten

worden omdat dit haar flexibiliteit t.a.v. gecompliceerde

financieringsproblemen, die zich voordoen bij gezamenlijke

investeringsoperatie (,,joint ventures”), niet ten goede

komt.

Afstoting van deelnemingen

Met het bovenstaande hangt nauw samen de in de moderiie

praktijk van ontwikkelingsbanken gegroeide verplichting

om te gelegener tijd en bij voorkeur in het land van in-

vestering, deelnemingen te cederen. Hiervoor zijn talloze

modaliteiten denkbaar. De verkoop van deelnemingen

maakt niet alleen bij de bank middelen vrij voor investering

in nieuwe projecten, maar levert ook een bijdrage aan de
in die landen gewenste transformatie van besparingen in

investeringen en van investeringen in vaste-rentedragende

objecten in risicodragende investeringen. Voorts is het zeer

goed denkbaar, dat zij op dergelijke transacties een aan-

trekkelijke winst boekt, welke aan de reserves ten goede

komt.

Men mag van de leiding van de nieuwe bank niet ver-

wachten dat zij te zijner tijd zelf zal overgaan tot verkoop

van rendabele deelnemingen, wanneer een dergelijke aan-

wijzing niet op enigerlei wijze in de oprichtingsstukken

van de bank wordt opgenomen. De kans is aanwezig dat

de bank, uit zôrg voor voldoende winstgevendheid en kre-
dietwaardigheid op langere termijn, zo lang mogelijk haar
rendabele deelnemingen in portefeuille houdt en zodoende

stilletjesaan het karakter krijgt van een ,,investment.
5

trust”.

De controle

OPERATIONELE ASPECTEN

Risicodragende financiering

De FMO zal kunnen deelnemen in het kapitaal van be-

drijven en lokale ontwikkelingsbanken overzee. De daartoe

beschikbare middelen lijken voorshands beperkt te zijn
tot het geplaatste kapitaal en wellicht later de reserves.

Uit de Meniorie van Toelichting valt echter op te maken

dat volgens een tussen de Staat en de FMO te sluiten

financieringsovereenkomst tot de financieringsniiddelen

voor kapitaaldeelnemingen ook de renteloze leningen van

de Staat kunnen worden gerekend, zodat men kan stellen

dat het plafond voor de totale deelnemingen is: het kapitaal,

de reserves en de renteloze leningen. Dat een dergelijk

plafond wordt vastgesteld, lijkt niet uitgesloten, daar uit

deervaring van andere ontwikkelingsbanken blijkt dat de

geneigdheid bij deze instellingen om kapitaaldeelnemingen

te verrichten om verschillende redenen groot is. Wij juichen

de vaststelling van een plafond niet toe, omdat het weinig
tot.de
verbeelding spreekt.

Waarom zouden onder de dekkingscategorieën voor

risicodragende financiering niet alle- leningen kunnen

vallen, die de bank afsluit boven een bepaalde minimum

.looptijd (bijv. 25 jaar) en waarom zou men het terzake te

Volgens de tekst van de oprichtingsstukken zal de controle

van de FMO op door haar gefinancierde projecten be-

trekking hebben op de boeken, jaarverslagen,’accountants-

rapporten en door middel van – in daarvoor in aan-

merking komende gevallen – het bezetten van een ôf meer

commissariszetels. Hier valt op dat de mogelijkheid- van
fysieke controle ter plaatse waar het project wordt uitge-

voerd of in exploitatie is, niet in de teksten is opgenomen.
Toch mag men niet over het hoofd zien dat financiering

van overzeese projecten een extra dimensie heeft (afstand,

vreemde toeleveranciers, klimatomstandigheden, beta-

lingsgewoonten enz.), waardoor met name op het terrein

van ontwikkelingsfinanciering aan de controle, welke vaak

ook een begeleidend karakter heeft, veel grotere aandacht

De reserves van de CDFC bedroegen 13 jaar na oprichting
ca. 18% van het geplaatste kapitaal. Eind 1967 (6 jaar na op-
richting) die van de DEG iets meer dan 3%. De reserves en voor-
zieningen van de Commonwealth Development Corporation,
een soortgelijke instelling als. de CDFC, bedroegen eind 1967,
ca. 20 jaar na oprichting, iets meer dan 11 Y. van het totaal van
de aangegane verplichting van de C.DC t.o.v. de Schatkist.

Vergelijk hiervoor 1RC (Industrial Reorganisation Corpo


ration) te’Londen, Reports and Accounts 1967/68. Deze instelling
opereert weliswaar niet in ontwikkelingslanden, maar loopt
wel risico’s die vergelijkbaar zijn met die van ontwikkelings-
banken (nieuwe industrieën, fusies, saneringenenz.).

ESB 26-2-1969

1

20

dient te worden geschonken dan bij traditionele finan-

cieringsoperaties in het eigen land
1
. Vandaar dat een aantal

Europese ontwikkelingsbanken een uitgebreid net van

plaatselijke vertegenwoordigers hebben (bijv. CDC, de

Caisse Centrale) of dochtermaatschappijen (bijv. CDFC),

die zich intensief met controle en begeleiding en zelf-

financiering van projecten bezig houden.

Samenwerking met gelijksoortige instellingen

De vergelijkingen die in dit artikel worden getrokken tussen

de FMO en gelijksoortige instellingen in Europa, doen de

vraag rijzen waarom in de oprichtingsstukken niets is te

vinden dat erop
wijst,
dat de FMO voor projectfinanciering

zo mogelijk moet samenwerken met deze instellingen.

De laatste jaren is in Europa een tendens tot nauwere

samenwerking duidelijk waarneembaar, een samenwerking

die zich niet alleen uitstrekt tot ontwikkelingsbanken in

de verschillende Europese landen, maar ook tussen deze

en instellingen op internationaal niveau. Zo zou – in het

algemeen gesproken – een artikel in de statuten van de

FMO kunnen worden opgenomen dat bepaalt, dat de in-

stelling samenwerkt en contacten legt met alle internatio-

nale en nationale instellingen, waarvan de werkzaamheden

zich uitstrekken over een terrein dat met het hare over

eenkomt.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN

Nog enkele opmerkingen van 5rganisatorische aard.

Allereerst de samenstelling van de Raad van Commissaris-

sen. Volgens de stukkén: een vijftal commissarissen op

voordracht van de Staat, een viertal op voordracht van

de privé-aandeelhouders en vervolgens vier commissarissen

resp. namens de SER, de werkgevers- en de werknemers-

verbonden en De Nationale Investeringsbank. Hoewel het

niet uitgesloten is dat vertegenwoordigers van De Neder-

landsche Bank en van de algemene banken onder een van

de verschillende hoofden worden benoemd, had ons een

expliciete vermelding van beide categorieën vertegen-

woordigers gelukkiger voorgekomen, gezien de diiect

aanwijsbare betrokkenheid van de Centrale Bank en van

de algemene banken bij de toekomstige activiteiten van de

FMO.

Een laatste opmerking betreft de organisatie van het

apparaat zelf. Uit hier en daar circulerende berichten heeft
men kunnen afleiden dat het operationele apparaat beperkt

zal worden gehouden. Dit is natuurlijk in de era van de

,,wet van Parkinson” een mooi streven. Zonder een con-

creet minimum te willen aangeven, geloven wij echter

dat het specifieke karakter van de FMO als ontwikkelings-

bank een zeer behoorlijke bezetting vraagt van financieel,

technisch, commercieel en juridischgeschoolde experts.

Op het vlak immers van de beoordeling en de financiering

van projecten dienen de minste risico’s te worden ge-

nomen, hetgeen met zich brengt dat men binnen het

apparaat rekening moet houden met een vrij lage verhou-

ding project/man. Daarbij komen nog de vaak tijdrovende

onderhandelingen met de promotor en met buitenlandse

partners.

De ervaring bij andere ontwikkelingsbanken in Europa

is voorts dat zij vaak betrokken worden bij de voorbe-

reiding van een project, in het bijzonder bij die, welke

geëntameerd worden door middelgrote en kleinere be-

drijven die weinig ervaring met overzeese investeringen

hebben. De FMO zal er dus bij de opzet van het apparaat

rekening mee moeten houden dat ook Nederlandse be-

drijven op dit terrein ,,technische bijstand”
nodig hebben.

De personeelsgetallen bij andere instellingen spreken

overigens duidelijke taal: DEG 75 personeelsleden,

Kreditanstalt 425, CDC 115, Caisse Centrale 662 enz.

Wellicht biedt de voorgestelde samenwerking met De

Nationale Investeringsbank goede perspectieven met be-

trekking tot de personeelsbezetting van de nieuwe maat-

schappij. In de NIB is immers reeds een grote ervaring ver-

zameld op het gebied van industriefinanciering. Voorts

leert de ervaring van de Duitse Kreditanstalt fiir Wieder-

aufbau, dat binnen- en buitenlandse activiteiten op het

gebied van de ontwikkelingsfinanciering zich zeer har-

monieus laten verenigen.

CONCLUSIES

Met de conclusies kunnen wij na het vorenstaande kort
zijn. Aan een instelling als de FMO bestaat zeker grote

behoefte, afgaande op ervaring in andere Westeuropese

landen. Het initiatief van de regering verdient dan ook de

grootste aandacht. Dezelfde ervaring leert echter ook dat

in de aanvang niet verwacht moet worden dat de bank met
aanvragen tot financiering wordt overstroomd.

Veel zal afhangen van het enthousiasme waarmee het
bedrijfsleven deze bank tegemoet treedt, maar evenzeer

van de souplesse waarmee de bank kan opereren. Ten

aanzien daarvan hebben wij, bij nader inzien, enige vraag-

tekens geplaatst. Ook hebben wij ons afgevraagd waarom

de statuten en andere oprichtingsstukken niet enigszins

meer aansluiten bij de in de laatste jaren snel geëvolueerde

praktijk van ,,development banking”. Voor het overige

geven de oprichtingsdocumenten de indruk van een zo-

danig dynamische opzet, dat men de FMO méér dan alleen

de ,,benefit of the doubt” moet geven. Van de leiding van

deze nieuwe loot aan de Nederlandse bankstam zal veel

van het welslagen van het initiatief afhangen, alle papieren

stukken ten spijt.

Luxemburg

Drs. J. Th. Adoifse

(Dit artikel vormt de neerslag van persoonlijke overwegingen

van de schrijver n.a.v. het verschijnen van het wetsontwerp

over de oprichting van de FMO)

8
Zie hiervoor Davenport:
Financing the small nianufacturer
in developing countries,
Hfdstk. II, McGraw-Hill, New York
1967.

(1.11.)

•N1StAVENBURG’S BANK

206

De nationale en regionale
economische groei in Belgie

Het verminderen van de conjuncturele groei in België in

de laatste twee jaren heeft de periode van versnelde eco-

nomische groei van de jaren 1960-1965 afgesloten. Voor

1968 en 1969 wordt verwacht dat de stijging van het

B.N.P. 4% zal belopen. Niet ongunstig als zodanig. In

België gaat de aandacht echter meer en meer uit naar de

regionale spreiding van deze groei. De uiteenlopende ont-

wikkeling van de streken – Vlaanderen, Wallonië en

Brussel – was in het verleden reeds aanleiding tot het

voeren van een regionaal maar centraal geconcipieerd en

gerealiseerd beleid. De wens van deze streken gaat echter

een andere richting uit. Ze wensen het regionale beleid zelf

te concipiëren en daar waar mogelijk ook regionale

beslissings- en uitvoeringsmacht te verwerven. Flet pas

ingediende ontwerp van kaderwet betreffende de planning

en de economische decentralisatie gaat echter nog niet

zo ver en heeft als doel de adviserende functie van de

streken te institutionaliseren.

DE NATIONALE ECONOMISCHE GROEI

V66r 1960 kende de Belgische economie een vrij geringe

groei. In internationale vergeljkingen behoorde dit land

tot de categorie van de traaggroeiende geïndustrialiseerde

landen
1
. De gemiddelde jaarlijkse groei tijdens de jaren

vijftig – en in het bijzonder tijdens de periode 1953-1960 –

bedroeg slechts 2,9%
2
De oorzaken van dit relatief

zwakke groeitempo waren vooral van structurele aard.

Juist na de oorlogsjaren was er een sterke activiteit geweest,

daar de relatief intact gebleven haven-infrastructuur bijna

al het naoorlogse internationaal verkeer naar zich toe trok.

Het ontbreken van een gelijktijdige vernieuwing van het

industriële potentieel had echter âls gevolg dat de Bel-

gische economie vlug achterop raakte. Afgezien van een

klein aantal periodes van gunstige conjunctuur verliep de

ecônomische ontwikkeling niet zo gunstig. Het gevolg

hiervan was dat het land een hoge graad van structurele
werkloosheid kende. De handelsbalans vertoonde prak-

tisch permanent tekorten. Zoals uit de gegevens van tabel 1

blijkt, overtrof de stijging van de invoer die van de uitvoer

en dit tot in 1960.

De expansionistische visie die rond de jaren
1959
ingang

vond, o.m. onder invloed van de liberalisering van de

betrekkingen tussen de landen van de EEG, gaf aanleiding
tot het voeren van een zuiver Keynesiaans expansiebeleid.

De basis hiervan waren de zgn. expansiewetten en de eco-

nomische programmering. De gunstige Europese en wereld-

conjunctuur, die tijdens de periode
.
1960-1965 deze poli-

tiek ondersteunden, resulteerden in een gemiddelde jar.

ESB 26-2-1969

lijkse groei van het B.N.P. (tegen vaste prijzen) van 5,1 %.
De geraamde gemiddelde jaarlijkse groei van 4%, die voor
de jaren 1960-1965 in het Eerste Economische Programma

voorzien was, werd dus ruim overtroffen. De invoer/uit-
voer-verhouding werd positief en de bruto binnenlandse

kapitaalvorming steeg gemiddeld met jaarlijks 6,3% tegen-

over 4,5% tijdens de periode 1953-1960. In tegenstelling

met wat in een periode van gunstige conjunctuur en snelle

groei verwacht mocht worden, steeg de overheidsconsump-

tie met jaarlijks gemiddeld 6,8% tegenover 2,8% tussen

1953-1960.

Vergelijking met de geraamde economische groei geeft

echter aan dat het vooral de investeringen waren die,

hoewel ze jaarlijks met gemiddeld 6,3% stegen, onder het –

begrote groeitempo lagen. In welke mate de vastgestelde

groei bevorderd werd door ,,incentives” van de overheid

is moeilijk te zeggen. Tijdens de periode van snelle groei
1960-1965 kwam de overheid tot een totaal investerings-

bedrag van ongeveer B.frs. 125 mrd.
3
. Deze investerings-

projecten, waarvan een groot deel buitenlandse (vooral

Amerikaanse) investeringen waren, vertegenwoordigden

ongeveer 129.000 arbeidsplaatsen ‘.

Buiten de landbouw, die jaarlijks met gemiddeld 1 %

achteruit ging, stegen de verschillende
bedrijfstakken
boven

de groeitempi die
tijdens
de vorige jaren bereikt werden

en boven de geraamde ontwikkelingen (zie tabel 1). De

ontwikkeling gaf aanleiding om. tot spanningen op de
arbeidsmarkt die op hun beurt moesten worden opge-

vangen door verhoogdè tewerkstelling van vrouwen en

het aantrekken van buitenlandse arbeidskrachten. De alge-

mene groei resulteerde in een stijging van de werkgelegen-

heid met ongeveer 150.000 eenheden, wat 50.000 arbeids-

plaatsen meer was dan waarvan werd uitgegaan in het

Eerste Expansieprogramma.

1
Tot dezelfde categorie van traag groeiende landen be-
hoorden in diezelfde periode o.m. de Verenigde Staten en het
Verenigd Koninkrijk. Zie om. E. F. Denison: Why growth rat es
differ,
Washington 1967.
2
Vôôr 1953 werden alleen ramingen van het B.N.P. opgesteld
door D.U.L.B.E.A. (Département de l’Université Libre de
Bruxelles d’Economie Appliquée). Wij gebruiken echter slechts
ramingen van het Nationaal Instituut voor de Statistiek.
Deze cijfers geven alleen de grootte aan van de investerings-
projecten en niet van de effectieve realisaties. Voor ongeveer
50 % van deze investeringen werd krediet verleend met staats-
tussenkomst in de vorm van een verminderde rentevoet en/of
een staatsgarantie. Dit zijn gegevens ex-ante, d.w.z. ,,aan te werven arbeiders”.
Door het ontbreken van gegevens per onderneming is het niet
mogelijk na te gaan in welke rntç çjeç arbeiders wçrkelijk
aangeworyen vçrlen.

207

De verzwâkte conjunctuur tijdens de jaren 1966 en 1967

heeft de vefdere snelle economische groei van de Belgische

economie enigszins belemmerd. Het tweede Economische

Expansieprogramma, dat loopt over de periode’ 1965-1970,
zal hierdoor waarschijnlijk weinig kans hebben om gereali-

seerd te wofden. De vergelijking tussen de schattingen

van dit programma en de realisaties tijdens de jaren 1966 en

1967 wijst reeds daarop. Het B.N.P. groeide tijdens die

jaren respect ievelij k met 2,8 % en 3,5%. Uitgegaan werd van

een groei van jaarlijks gemiddeld 4%. Hoewel deze laatste

groei, in vergelijking met de reële groei van de periode van

het Eerste Programma, vrij gematigd is, blijkt deze ge-

matigdheid toch nog optimistisch te
zijn.
De geringe groei

yan 1966 en 1967 brengt met zich mee, dat, wil het algemeen

gemiddelde van 4% behaald worden, voor de daarop-

volgende jaren tot 1970 een groeipercentage van minimaal

4,5 bereikt zou moeten worden. Dit laatste lijkt echter
op dit ogenblik vrij moeilijk te realiseren. De vooruit-

zichten voor 1968 en 1969 gemaakt door de Centrale Raad –

voor het Bedrijfsleven en voor de raming van de ont-

vangsten in de Rijksbegroting voor 1969 belopen slechts
4%5
.

De conjuncturele heropleving die men heden in België

kan waarnemen is echter niet van.die aard dat nu reeds

een verderë versnelde groei zou vaststaan. Het algemene

indexcijfer van de industriële produktie (exclusief de bouw-

nijverheid) ligt voor de gehele periode van het eerste half-

jaar van 1968 hoger dan dit van 1967
6•
Ondanks deze

• gunstige ontwikkeling resulteerde dit niet in nieuÇve arbeids-

plaatsen. Integendeel, voôr de eerste tien maanden van

1968 bedroeg het gemiddeld aantal geheel werklozèn per

maand 102.700, tegenover 85.400 in het jaar 1967. Zog-

wekkend is vooral de werkloosheid van personen beneden
de 30 jaar. Op 30 juni 1968 vertegeni,00rdigde deze groep

ongeveer 21 % van de werklozen.

Uit de divergerende ontwikkeling van de produktie en

de tewerkstelling blijkt dus dat de time-lag tussen de

• stijging van de produktie en de werkgelegenheid vrij groot

wordt. Zoals verder nog wordt aangegeven, heeft het eco-

nomisch beleid dat men in België wenst te voeren hoofd-

zakelijk een structureel, karakter. De overheid wil hierin

.

4”.

een bijzondere rol vervijllen en vooral de nationale groei

koppelen aan een gelijkmatige regionale groei.

DE REGIONALE GROEI

De regionale problematiek staat zoals in enkele andere

Westerse landen in het brandpunt van de belangstelling:

-‘

Al naar gelang het criterium kan men.in België geconfron-

teerd worden met verschillende streek- of gewestelijke
indelingen. Het land is administratief onderverdeeld in

negen provincies die .op hun beurt samengesteld zijn uit

arrondissementen en kantons. Op basis van de provinciale
en de arrondissementsgewijze indeling worden de streken

Vlaanderen, Wallonië en Brussel onderscheiden. De regio-

nale expansiewetten omschrijven dè gewesten als de ge-
meenten -‘ of groepen gemeenten – waaraan de overheid

bij het oprichten van nieuwe bedrijven of het uitbreiden

van bestaande bedrijven bijzondere hult verleent. De ge

meenten behorende tot hetzelfde gwest kunnen echtei wel

behoren tot verschillende aangrenzende arrondissementen.

De gewesten waarvoor gewestplannen (48 in aantal)

worden opgesteld met het oog op de ruimtelijke ordening,’

stemmen in vele gevallen overeen met de arrondissementen.

Het is vooral de indeling volgens de drie taalgemeenschap-

pen die hier verder ter sprake zal komen. Deze indeling

berust echter niet alleen op economische criteria Culturele
en politieke elementen hebben de gedachte vanhet bestaan

van de verschillendè gemeenschappen en economleën

geaccentueerd.

De argumentatie, die o.m. met klem verdedigd werd door

Prof. Van Meerhaeghe in zijn boek
De economie van

Vlaanderen
en dôor R. Evalenko in zijn pas verschenen

werk
Régime économique de la Belgique,
om aan te tonen

De enige raming die

hoger ligt is die .van D.U.L.B.E.A.
Deze voorziet een groei van het B.N.P. voor 1968 en 1969 van
4,5%.

– 6
Het niveau van, het algemeen indexcijfer (1958 = 100,
trendcyclische beweging) van de industriële produktie (exclusief
de bouwnijverheid) bedroeg begin 1967. (eerste drie maanden):
153; in december 1967: 157;’in januari 1968: 159 en in september
van hetzelfde jaar: 161.

TABEL 1.

Middelen en bestedingen


In prijzen van 1963 (in B.frs. mrd.)
Gemiddelde jaarlijkse groei (in
%)

1953
1960
1965
1966 1967
195160
196/65
15167
l965
)
I66
196/67
l96d6)I70
1968)170

Middelen

118,1
205,4
292,7 316,4
327,8 8,2 7,3 7,6
3,2
2,8′
7,6 8,8
1-

Invoer

………………………..

..
..
491,0
601,7 774,8
796,4
824,3
2,9
5,1
3,8
2,8
3,5
4,0
4,5
2

B.N.P.

………………………. ..
.
waarvan:

Landbouw

…………………..
..
37,4
42,4
40,3
38,8
44,4
,

1,9
-1,0
1,3
-3,5
14,4
1,4
industrie a)
…………………

199,4
272,9
284,6
300,4
4,1
6,4
4,7
4,3
2,5
4,8
‘5,7
..156,5
32,7
39,6
51,3
53,4 54,6
2,7
5,3
3,7
3,6 2,3
3,7
4,2
Diensten

…… ………

.
………
257,0
323,1
406,3
419,0
432,5
3,3
4,6
3,8 3,0
2,6
3,8
0,7
Bouwnijverheid

……………….

Overheid b)

…… … ………….,
40,8 55,2
75,1
78,7 83,2
4,4
6,3
5,1

4,9
5,6

5,5
4,5
woongebôuwen

……………….
..
37,9

..

40,9
44,0
44,7 45,5
1,0
,
1,4
1,3 1,5 1,8
1,1
0,7
Bestedingen

.



420,3
511,5
527,9 542,8
3,0
4,0
3,4
3,2
2,8

3;7
4,2.
73,6
99,8
104,1
111,4 2,8 6,3
4,5
4,3
7,0
5,4
5,3
3 Bruto binnenlandse kapitaalvorming
88,2
117,9
164,2
177,9 175,7
4,5
6,8
5,4
7,2
4,3 3,9
2,7

1

Particulier verbruik

………………..341,8
2

Overheidsverbruik

………………….60,8

-0,!
1,5
-0,2
0,7
0,4
– – – – –


4

voorraden

……………………….
.
5

Uitvoer

………………………….
.
113,9
189,9 286,1
296,3
,
316,0
7,5
8,5
7,5
3,8
6,4
7,4 8,9

Inclusief de estractieve nijverheid, elektriciteit, gas en water.

‘Inclusief onderwijs.

Berekend op basis van gegevens van de Nationale Boekhouding – N.I.S.
Tweede Economische Eapansieprogramnia 1960-1970.

,
Te verweienlijken.

.

.

.

.

.

208

‘1

t-

-‘•.,

.,-

•_.-,–__

.,
S
,

-•

– TABEL 2.

..

Kengeta/len van de regionale ontwikkeling in België

Bevolking
Beroepsbevolking
Leeftijclsstructuur in
%
d)
Aantal werklozeii c) e)
Tvlaandgemiddelden (x 1.000)

r,
r
2

20 jaar
20 tot 65 jaar
1
>
65 jaar
-1
1961

Bevolking, actieve bevolking, leeJtijdsstructuur,

werkloosheid

1
.

1970
i

1961-
.1970
1961
i

1970
1961-
1970
19611
1965
1966
1967

1968
1961 j

1970
1961
.
1970

1961
1970

Vlaamse streek a)
4.645,1
4.995,5
0190%

1.783,1
1.963,6
1
1,0

%
32,7
33,2
1

56,5
1

54,7

t
10,8
12,1
52,3
31,7 29,9
1

41,1
49,8 3.102,7 3.194,2
0,37%
1.124,0
1.135,3
1
0,12%.
29,0
1

30,1
1

57,5
t

55,4
13,5
14,5

1
21
,
5

19,6
1

24,8
1

35,8
42,6
Waalse streek b)

……..
Brusselse streek c)
1.438,9
1.515,7
0,65%
604,9
668,7
120%
23,6
25,5
64,4
57,7
12,0
16,8
11,7
6,3
6,4
8,5
10,3

RIJK

……………..
9.189,7
9.705,4
0,70%
3.512,0 3.767,6
0,85%
.
84,5
27,6
61,1
85,4
102,7

Geografisch produkt, geografisch produkt per inwoner,
1964-1966
(prijzen
1963)

-.


Bruto geografisch produkt
(in B.frs. mln.)
Geografisch produkt per inwoner
(B.frs.)
Groeipercentages van het geografisch
produkt t.o.v. het vorig jaar

1964
1965
1966 1964
1965

1966 1964
1

1965


1966

Vtaamse streek a)

………………
Waalse streek b)

……….
………..
Brusselse streek c)

………………
204,8
..303,6


150,2

314,6
209,4
158,1

326,7
210,8
163,1

63,9
65,2
101,2.

65,6
66,3
105,1

67,5 66,6
107,3

+
8,5%
+
6,4%
+
5,1%

+.
3,6%
-f 2,3%
+
5,3%

+
3,8
%
+
0,7%
+
2,2%

RIJK

………………………..-
658,6
682,1
700,6
70,2


72,1
73,5
+
7,0%
+
3,6%
±
2,7%
B,’z,to toegevoegde waarde tegn factorkosten (prijzen
1963)
van enkele sectoren. groeipercentages t.o.v. het vorig jaar ..•

Landbouw
Exlractieve
Nijverheid
Be- en verwer-
kende nijverheid
I

Handel, banken,
verzekeringen,
vervoer en verkeer

Diensten
Bouwnijverheid
woongebouwen

1964
1

1965
1966 1964
1965
1666
.
1964
1

1965
1

1966.
1964
19651
1966
1964
1965
1966
19641
1965
1966
1964
1965
1966

vlaamse


,
streek a)
+2,1
-3,8
-3,2

3,4-
0,2
.
6,5
+
12,9
+2,9
+7,8
+4,4
+6,1
+3,4
+9,8
+6,3
+4,5 +4,9 +4,5 +2,7
+22,7
-1,2
+4,1
W aalse

streek b)
+4,3
-9,7
-3,6
+

1,3
-10,1
-10,1
-1-.

9,8
+3,8 +1,3
+3,0 +3,6
+3,1
.+3,9
+0,2
+1,2
+4,7
.
+5,2
+3,1
+14,6
+2,7
+2,0
Brusselse
streek c)

.
+2,3
-8,1
-4,8
+60,0
-45,5
+4,2
+
3,5
+6,1
+3,7 +5,0 +3,9 +4,2
+6,2 +2,9
+6,1
+4,0
+7,5
+2,5
+
14,6
+3,8
+4,1

RIJK
….
+3,0
-6,4
-3,5
-0,1

7,0-
8,8
+
10,1
+3,8 +4,9 +4,3 +4,7 +3,6 +7,3
+3,9
+4,1
+4,7
+5,5 +2,8
,+18,9
+1,1
+3,6
Omvat de provincies Oost- en West-vlaanderen, Antwerpen, Limburg + arrondissement Leuven.
Omvat de provincies Luik, Henegouwen, Namen, Luxemburg + arrondissement Nijvel. –
Omdat de arrondissementen Brussel-Hoofdstad, Brussel-Randgemeenten, Halte en vilvoorde.
Hiervoor werd door het N.I.S. de definitie van taalgebied aangeduid.

.

*
Per regionaal bureau. Dit wijkt enigszins af van de arrondissenientstructuur.

Bro,ine,,:
Nationaal Instituut voor de Statistiek; Bureau voor Economische Programmatie; Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

– /

heid zich diende te vestigen in de
nabijheid van de energie-

bronnen (in casu de steenkool), en anderzijds, door het

verschijnsel dat heel wat lichte industrie zich ging vestigen

in de gebieden met ruime arbeidsreserves. Tijdens de ‘ •

periode
1955-1963
steeg het brutô geografisch produkt

(oude gebiedsindeling
7)
het meest in het arrondissement

Brussel. De gemiddelde jaarlijkse tijging bedroeg 4,3%

tegenover 4,0% in Vlaanderen en 2,2% in Wallonië.

De ontwikkeling van het bruto geografisch produkt

(nieuwe gebiedsindeling) over de jaren 1964, 1965 en 1966

In 1963 werden de grenzen van de provincies enigszins ge-wijzigd. Dit brengt bepaalde statistische moeilijkheden met zich
mee. Wegens’ de wijzigingen in de provinciegrenzen dragen
sommige regionale statistieken de vermelding ,,nieuwe grenzen”
(NO.)
oC ,,oude grenzen” (0.0.).

209

1_

dat de begrippen Vlaamse, Waalse en Brusselse economie

een zeer relatieve waarde hebben, vindt heden nog maat

weinig gehoor. Het verabsoluteren van deze begrippen

heeft geleid tot het streven naar een economische decen-

tralisatie waarvan de essentie is dat — zoals verder nog

wordt uiteengezet – de streken een adviserende rol zullen

kunnen spelen bij het bepalen van het regionaal beleid.

Tussen de verschillende streken zijn er in de laatste decen-

nia belangrijke groeiverschillen ontstaan.

Het industriebekken van Wallonië is lange tijd de belang-

rijkste vestigingsplaats geweest in België van de be- en ver-

werkende nijverheid, en in het bijzonder van de zware

industrie. Deze streek werd geconfronteerd met een dubbele

structuurwijziging t.a.v. de vestigingsplaats’ van de
in-

dustrie: enerzijds, door het’ verlaten van het klassieke

vestigingspatrooni volgens hetwelk de ijzer- en.staalnïjver-

ESB 26-2-1969

geëft aan dat, afgezien van het jaar 1964, de groei van

Wallonië eveneens beneden het percentage van de groei

van Vlaanderen en van Brussel ligt. Uit de tabel die de

ontwikkeling van de verschillende sectoren weergeeft

(tabel 2c) blijkt dat het vooral de extractieve nijverheid

en de landbouw zijn die het groeipercentage van Wallonië

negatief beïnvloeden. In vergelijking met de twee andere
streken, zijn er eveneens groeiverschillen te bemerken in

de be- en verwerkende nijverheid, de woongebouwën,

het vervoer, de diensten en de bouwnijverheid. Buiten de
sector van de diensten liggen de groeipercèntages van de

bruto toegevoegde waarde voor Wallonië beneden die van

Vlaanderen en Brussel. Daarentegen ligt het geografisch

produkt per inwoner voor Wallonië hoger dan voor Vlaan-

deren. Dit verschil vindt men ipso facto terug in de ge-

middelde beloning van de arbeid per werknemer. Pei werk-

nemer werd in 1963 te Brussel B.frs. 117.000, in Vlaanderen

B.frs. 105.000 en in Wallonië B.frs. 130.500 uitbetaald.

Weging met het aantal werknemers geeft een zelfde

discrepantie aan. De gemiddelde arbeidsvergoeding op

basis van de structuur in de Waalse streek geeft aan dat de
werkelijke bezoldiging in Vlaanderen ongeveer 20 % en in

Brussel 11 % lager ligt dan in Wallonië. De sectorale

verdeling van het looninkomen weerspiegelt eveneens deze

divergenties. De bedrijfstakken met het laagste loonin-

komen liggen inderdaad praktisch alle in Vlaanderen.

Volgens de statistiek die de rangschikking aangeeft van de

arrondissementen naar de hoogte van het belastbaar globaal

netto inkomen voor het dienstjaar 1964 (inkomen 1963)

behoort het grootst aantal Vlaanise arrondissementen nog

steeds tot de laagste inkomensgroepen (tabel 3). Slechts
één enkel Vlaams arrondissement (Antwerpen) stijgt uit

b6ven het Rij ksgemiddelde.

TABEL 3.

Rangschikking der arrondissementen naar de hoogte van het

belastbaar globaal netto inkomen per aangifte. Dienstjaar

1964 (inkomen 1963)

Inkomens in

van het

Aantal arrondissementen

landelijk gemiddelde

vlaamse streek

Waalse streek

Tussen 60 en 690/
1

Tussen 70 en 79%
6
1
Tussen 80 en 89%
9
8
Tussen 90 en 99%
5
7
Tussen 100 en 109%
1
2
Tussen 110 en 119%

2
Meer dan 120%
(Brussel en randgemeenten)

Bron:
Nationaal Instituut voor de Statistiek.

De remmende factoren t.a.v. de economische groei in

de drie streken zijn van zuiver structurele aard. De specifieke

problemen van Vlaanderen en Wallonië zijn enerzijds,

dat er in elke streek nog vrij belangrijke achtergebleven ge-

bieden zijn (Westhoek, Zuiderkempen, Zuid-Luxemburg),

waarvan de voornaamste activiteit de land- of bosbouw

is en anderzijds, dat in beide streken traditionele econo-

mische sectoren veel aan belang hebben ingeboet. Typische

gevallen zijn voor dit laatste de reeds aangehaalde steen-

kool- en de ijzer- en staalnijverheid in Wallonië en de tex-

tielnijverheid in Vlaandéren. De problemen die zich in

de Brusselse streek voordoen, zijn die van alle grote en
oudere agglomeraties die zich stedebouwkundig op een

vrij ongeordende wijze hebben uitgebreid en waar de

tertiaire sector steeds belangrijker wordt.

Naast het feit dat de streken gehinderd worden in hun

groeimogelijkheden door structurele veranderingen in

bepaalde bedrijfssectoren, spelen demografische factoren

ook een bijzondere rol. In Vlaanderen is dit een meer

positief, in Wallonië daarentegen een minder gunstig

facet van de groei. Tussen 1961 en 1970 zal Wallonië een

toename van haar bevolking en beroepsbevolking kennen

van respectievelijk 91.000 en 11.000 personen. In Vlaan-

deren ligt de toename van de bevolking en de beroeps-

bevolking aanzienlijk hoger en bedraagt respectievelijk

350.000 en 80.000 personen. De gemiddelde jaarlijkse

stijging van de bevolking en de beroepsbevolking
8
in Wal-

lonië (r
1
= 0,37%, r
2
= 0,12%) is dus geringer dan die

van de Vlaamse streek (r
1
= 0,90%, r
2
= 1,0%), van

Brussel (r =
0,65%,
r
2
= 1,20%) en die van het landelijk

gemiddelde (r
1
= 0,70%, r
2
= 0,85%). Op lange termijn

zal de trage bevolkingsgroei in Wallonië dus de groei-

mogelijkheden van de streek beperken. Een ander kenmerk

van de bevolking in Wallonië is haar oudere structuur.

De Waalse bevolking is in het algemeen ouder dan de be-

volking in Vlaanderen, maar jonger dan de Brusselse

bevolkingsgroep (tabel 2a). Het aandeel in deze laatste
streek vin de leeftijdsgroep tussen 20 en 65 jaar is zeer

belangrijk (gemiddeld 60% tussen 1961 en 1970) en wijst

op de grote aantrekkingskracht die deze grote agglomeratie

uitoefent op deze leëftijdsklasse.

De mutaties in de bedrijfstakken hebben een diepe weer-

slag gehad op de regionale tewerkstelling. De vermindering

van de werkgelegenheid in deze Sectoren – en het relatief

geringe absorptievermogen van de nieuwe industrieën die

meestal minder arbeidsintensief zijn – geeft aan de ont-

stane werkloosheid een structureel karakter. Tevens onder-

vindt men de weerslag van het migratiebeleid dat tijdens

de jaren van hoogconjunctuur gevoerd werd. Op 30 juni

1968 was 14% van de geheel werkloze arbeiders van vreem-

de nationaliteit. Deze werklozen zijn voor 51
Y.
gelokali-

seerd in Wallonië, voor 15,1 % te Brussel en voor 33,9%
in Vlaanderen. Structureel is yerder de belangrijke werk-

loosheid van de jongeren in de diverse streken. Dit struc-

turele karakter is vooral duidelijk in Wallonië, waar de

bevolking de oudste structuur heeft en tevens de relatief

grootste groep jonge werklozen kent.

Om de divergenties in groei tussen de streken en de ge-

westen te.vermindereri, is er in België in het laatste decen-

nium een economisch beleid gevoerd dat poogde aan de

gestelde problemen een oplossing te geven. Het voornemen

bestaat – zoals in de volgende paragraaf wordt uitcen-

gezet – om dit beleid nog vastere vorm te geven en cohe-

renter te maken door over te gaan tot een economische de-

centralisatie, waardoor de streken een zekere medezeggen-

schap moeten verkrijgen in het streekbeleid.

RECENTE TENDENSEN

IN HET ECONOMISCHE BELEID

Het economisch beleid dat België gedurende de laatste

jaren voerde, had – zoals reeds gezegd – als hoofd-

doeleinden de nationale groei te versnellen en de regionale

ontwikkeling evenwichtiger te doen verlopen. Op basis

van de jongste regeringsverklaring en van het pas ver-

schenen Ontwerp van kaderwet houdende de organisatie

van de planning en economische decentralisatie
9
wil men

8 r
1
=
gemiddelde jaarlijke. groei van de bevolking tussen
1961 en 1970; r
2
=
idem, van de beroepsbevolking.

210

in het instrumentarium om deze doeleinden te verwezen-

lijken twee belangrijke wijzigingen doorvoeren. In de

eerste plaats wenst men een meer normatief karakter te

geven aan de economische programmering door over te
stappen naar de economische planning. Verder is het de

bedoeling om een economische decentralisatie door te

voeren die met de nationale planning verschillende ver-

bindingen heeft en de basis moet vormen van het toe-

komstig regionaal beleid.

Het economisch beleid dat na de ‘Tweede Wereldoorlog

in België gevoerd werd, kreeg pas een duidelijke oriën-

tatie vanaf het einde van de jaren vijftig. In
1959
werd ge-

start met een expansiebeleid dat als voornaamste doel had

de economische groei waarneembaar te versnellen. De twee

voornaamste instrumenten hiervan waren de zgn. ,,alge-
mene” en ,,regionale” expansiewetteri die uitgevaardigd

werden respectievelijk op 17 en 18 juli
1959
10,
en de eco-

nomische programmering. Beide hadden duidelijk als

doel structurele wijzigingen aan te brengen in de Belgische

economie: de expansiewetten door, veranderingen uit te

lokken in de industriële structuur door het verlenen van
overheidshulp aan de nijverheid; de economische pro-

grammering door het aangeven van middelen tot her-

structurering van de economie op middellange termijn.

Het nationale en regionale karakter van de expansie-

wetten blijkt duidelijk uit het naast elkaar plaatsen van het

,,algemene” en ,,regionale” belang. Niet alleen werd er

aldus belang gehecht aan de sectorale projecten die uit-

gevoerd zouden worden in mogelijk reeds sterk geïndus-

trialiseerde gebieden, maar tevens aan de projecten die de

ontwikkeling kunnen beïnvloeden van bepaalde achter-

gebleven gewesten. De uitbreiding van de regionale wet
van 18juli
1959
op 14juli 1966 “toonl aan dat men in deze

laatste richting verder wilde gaan. De economische pro-

grammering, waarvan de draagwijdte en de inhoud gede-

finieerd werden in het Eerste en Tweede Expansiepro-

gramma, die respectievelijk slaan op de periodes
1962-1965
en 1966-1970, schreef daarentegen een zuiver structureel

en nationaal beleid voor. Aan de regionale aspecten van

de ontwikkeling werd daarin praktisch geen aandacht

geschonken.

Het is pas door de recente Regeringsverklaring en het

genoemde ontwerp van kaderwet dat men hierin enige ver-

andering wenst te brengen door op institutionele basis

het verband te leggen tussen het nationale en het regionale

beleid. Centraal is de omvorming van het huidige Bureau
voor Economische Programmatie tot Planbureau, dat een

normatief plan en planbeleid moet uitwerken en er voor

moet zorgdragen dat het plan geregiofialiseerd wordt. Het

normatieve karakter zou daarin bestaan dat het Plan

imperatief gemaakt wordt voor de overheidssector. Voor

de private sector daarentegen zou het indicatief blijven,

tenzij er tussen de overheid en de bedrijven verbintenissen

zouden worden aangegaan in de vorm van zgn. ,,vooruit-

gangscontracten” of quasi-contracten zoals deze reeds in

Frankrijk toegepast worden. Het Plan verkrjgt een regio-
naal karakter door het feit dat het de synthese zou moeten

bevatten van de projecten van de regionale plannen die

opgesteld worden door de zgn. Gewestelijke Economische

Raden. Deze raden, die nu bestaan als private organisaties
12

dienen daarom eerst het statuut te verwerven van officiële

consultatieve organisaties om erkend te worden als ver

tegenwoordiger van de streek en aldus gesprekspartners

te zijn op regeringsniveau. Om dit laatste te bereiken, wordt

in de samenstelling ervan een vrij belangrijke plaats ge-

reserveerd voor politieke figuren, en dit zowel voor de

parlementariërs uit de streek als voor de lokale en pro-

vinciale autoriteiten. Daarnaast zullen vertegenwoordigers

zetelen van de verschillende economische groepen (werk-

gevers en werknemers) en enkele deskundigen. De Gouver-

neurs van de provincies – die dikwijls leidende figuren

waren van de bestaande Gewestelijke Raden – behouden

een consultatieve functie.

Deze Raden zouden als taak krijgen ontwerpen van

regionale plannen uit te werken, enerzijds, op basis van

richtlijnen door het Planbureau gegeven, en anderzijds, op

grond van gegevens verstrekt door de nog op te richten

Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen. Deze laatste

zullen de opdracht krijgen een inventarisatie te maken van

de reële behoeften van de gewesten en eventuele suggerties

te doen voor de ontwerpen van de streekplannen. Gedu-

rende de gehele voorbèreidingsperiode van het nationale

plan, dat dus in regionaal verband geplaatst zal zijn, wordt

er voorzien in een permanente samenwerking tussen de

Gewestelijke Economische Raden en het Planbureau. Dit

schema verkeert op dit ogenblik nog steeds in het ontwerp-

stadium. Bepaalde politieke klippen dienen nog omzeild

te worden. Eén hiervan is het al dan niet (jiolitiek) samen-

gaan van de zgn. culturele autonomie van de taalgemeen-

schappen en de economische decentralisatie.
Wil het gehele systeem effect sorteren dan zullen er, bij

de institutionalisering van de verbinding tussen het natio-

nale en het regionale planbeleid twee principes nauwkeurig

gedefinieerd moeten worden. Er zal duidelijk bepaald

moeten worden in welke mate het overstappen van eco-

nomische programmering naar economische planning het

economisch beleid werkelijk normatiever zal maken. In

tweede instantie zal er omschreven moeten worden welke
de reële impuls zal zijn die de Gewestelijke Economische

Raden aan de régionale en de nationale economie zullen

kunnen geven.

Overigens is men in de huidige regeringsstructuur reeds

ten dele vooruitgelopen op het schema van economische

decentralisatie. Het economische beleid wordt nu reeds

geregionaliseerd door het feit dat aan de Minister van

Economische Zaken een Minister-Staatssecretaris voor

zowel de Vlaamse als voor de Waalse Economie toegevoegd

werd. Het protocol dat de bevoegdheden tussen de Minister

van Economische Zaken en de twee Ministers-Staats-

secretarissen regelt, bepaalt echter niets omtrent de be-

trekking tussen de consultatieve Raden en de Ministers-

Staatssecretarissen voor Streekeconomie. Een aanvulling

in het voorgestelde decentralisatieschema, in het protool

of in het ontwerp van kaderwet zal hiervoor waarschijnlijk
noodzakelijk zijn.

De moeilijkheden die de nationale en de regionale groei

in België ondervinden zijn echter zo groot, dat de invloed

Kamer van Volksvertegenwoordigers, Buitengewone zitting
1968, 22 oktober 1968, document: 125 (B.Z. 1968), no. 1.
10
17 juli 1959:
Wet tot invoering en ordening van maatregelen
ter bevordering van de economische expansie en de oprichting
van nieuwe industrieën.
Belgisch Staatsblad, 29augustus 1959;
18
juli
1959:
Wet tot invoering van bfjzondere maatregelen ter
bestrijding van de economische en sociale moeilijkheden in som-
mige gewesten.
Belgisch Staatsblad, 29 augustus 1959.
” 14 juli 1966:
Wet tot tijdelijke instelling van uitzonderlijke hulpverlening ter versnelling van de economische recon versie en
ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden en van bepaalde andere
ge;vesten die inet ernstige en dringende problemen te kampen
hebben.
Belgisch Staatsblad, 25 augustus 1966.
12
Deze Raden hebben het juridisch statuut van ,,Vereniging
zonder Winstoogmerk” (V.Z.W.). Dit heeft als gevolg dat, on-danks het feit dat de leden een Organisatie vertegenwoordigen,
zij uitsluitend â titre personel zitting hebben in de V.Z.W.

ESB 26-2-1969

211

van de institutionalisering van de economische decentra-
lisatie-gering zal zijn’indien er anderzijds niet voldoende

nieuwe financiële middelen ter beschikking worden gesteld

om het economisch potentieel volledig aan te wenden. Het

ligt in de bedoeling van de Regering deze middélen ter

beschikking te stellen van de economie. Een eerste voorstel

behelst extra hulp te verlenen aan bedrijven die zich

wensen uit te breiden of zich willen vestigen in gemeenten

die reeds onder de expansiewetten vallen en waar de werk-

loosheid 50% hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. In de

tweede plaats wenst men vanaf 1969 de pariteit van de

hulpverlening te verzekeren tussen de verschillende streken

van het land
13
. Men is echter onlangs tot de constatering

gekomen, dat bij de paritaire verdeling praktisch alle

financiële middelen die uit dien hoofde ter beschikking

staan van Wallonië reeds opgebruikt zullen zijn, wanneer

de geplande herstructurering van de ijzer- en staalnijverheid

(die zich bijna uitsluitend in deze streek bevindt) ver-

wezenlijkt wordt. De Tweede Staalconferentie
14
die o.m.

om die reden op 13 januari 1969 bijeengeroepen werd,

heeft als resultaat gehad dat hiervoor een zgn. ,,sectorieel”

krediet zou worden geopend, zodat het ,,regionale” kre-

diet voorbehouden kan blijven aan andere projecten.

Dit impliceert ipso facto meer middelen indien mén de

ontwikkeling van een sneller groeiende streek niet in gevaar

wil brengen, of transformaties in bepaalde sectoren die de

• gehele economie betreffen mogelijk wil maken.

SLOTOPMERKINGEN

Door de discussie over de economische decentralisatie ging

in België de nota die in Nederland in de Tweede Kamer

ingediend werd omtrent het regionale economische beleid

dat men er tussen 1969 en 1972 wenst te voeren vrij onop-

gemerkt voorbij. Uit deze nota is nochtans gebleken dat

de nieuwe middelen die Nedërland wil inzetten voor de

regionale ontwikkeling zeer belangrijk zijn. Deze inspanning

lijkt ons – afgezien van de beschouwingen in hoeverre het

regionale beleid zo mogelijk nog door andere consultatieve

lichamen in Nederland geëffectueerd wordt – een begin

van antwoord te zijn op de open gélaten vraag naar de wijze

waarop Nederland België kan inhalen op het gebied van

de hulpverlening aan bedrijven bij nieuwe vestiging of uit-

breiding van bestaande ondernemingen, een vraag die

onlangs impliciet werd gesteld in het Rapport van de

Stichting van de Arbeid inzake het vestigingsbeleid ten

aanzien van buitenlandse ondernemingen in. Nederland

en
,
België.

De analyse van de nationale en de regionale groei in

België toont echter dat in essentie de economische pro-

blemen die zich in dit land voordoen analoog zijn met de

Nederlandse problematiek. Zowel in Nederland als in België

wenst men het regionaal-economische beleid op gang te

brengen. De kracht waarmee men dit beleid wil voeren

moet in beide ‘landen resulteren in een aanzienlijke ver-

hoging van de omvang van de middelen.
De objectieve waarnemer kan echter twee fundamentele

vragen stellen:

welke zijn de grenzen van de interventiepolitiek van de
overheid op.dit gebied;
in hoeverre is dit beleid voor de economische integratie

tussen de Benelux- en de EEG-landen niet eerder een belem-

mering dan een stimulans, en wordt het niet noodzakelijk

om het uitvaardigen van gemeenschappelijke beleidsregels
.op dit gebied te versnellen?

Indien dit laatste misschien een oplossing vormt teneinde

de vestiging van nieu.’e bedrijven in’de lage landen op

basis van objectieve criteria te bevorderen, vermoeden wij
echter dat, door para-economische elementen enerzijds, en

‘door de (gewettigde) nationale en regionale groeikoorts

van de verschillende EEG-partners anderzijds, een gemeen-

schappelijk.beleid voor het verlenen van hulp bij het vestigen

van nieuwe bedrijven of de uitbreiding van bestaande be-

drijven wel eens een taai stuk zou kunnen worden op het

gebied van het harmonisatiebeleid, dat in het kader van

de EEG gevoerd wordt.

Prof. Dr. S.
J. Loccufier

13
Dit werd ondertussen verwezenlijkt. Zie:
Begroting van het
Ministerie van Economische Zaken voor het begrotingsjaar 1969.
Van het totaal bedrag van 2,2 B.frs. mrd. werd voor nieuwe
beslissingen B. frs. 245,6 mln. ter beschikking gesteld van ‘Vlaan-
deren, een zelfde bedrag van Wallonië en B. frs. 220,4 mln, voor
Brussel en voor bijzondere moeilijkheden (B.frs. 1,5 mrd.
slaat op de uitgaven voortvloeiende uit beslissingen genomen
véér 1969).
14
De eerste Staalconferentie vond plaats op 21 november 1966.

Economisch-statistische berichten

Het januari-nummer van het
Maandschr,ft
van het CBS

bevat o.a. een artikel over de ,,Handel van Nederland met

de ontwikkelingslanden” (samengesteld door Drs. J.

Robroeks). In dit artikel wordt nagegaan hoe de handel

van Nederland met dc ontwikkelingslanden zich na de

tweede wereldoorlog heeft ontwikkeld.
In 1953 bedroeg het aandeel van de ontwikkelingslanden

in de Nederlandse invoer 26%; in 1967 was dit terug-

gelopen tot 16%. Het aandeel van de EEG-landen in onze

invoer steeg daarentegen van 37 naar 54%. Bij de uitvoer

eenzelfde beeld. In het tijdvak 1953-1967 daalde de bijdrage

van de ontwikkelingslanden in onze uitvoer van 21 naar

11 %; die van onze EEG-partners steeg weer, van 36 tot
55%.

De voor onze handel belangrijkste groep ontwikkelings-

landen wordt gevormd door de Aziatische landen. In 1967

waren zij onze grootste afnemer en leverancier, met 46%

en 42% van onze uitvoer naar resp. onze invoer uit de

ontwikkelingslanden.

Van de drie onderscheiden groepen van ontwikkiJings-

landen (behalve Azië ook Latijns-Amerika en Afrika) is,

voor wat de handel met Nederland betreft, Afrika de

sterkste ,,groeier”. Dit continent gaf de grootste vooruit-

gang te zien in onze invoer: in de periode 1953
7
1967 werd

een groei van de Nederlandse invoer uit Afrika geconsta-

teerd van 8,8% per jaar tegenover 6,5
%,
resp. 4% bij de

invoer uit Latijns-Amerika en de Aziatische ontwikkelings-
landen. De stijging van onze uitvoer naar de ontwikkelings-

landen verliep’ veel trager. Toch liep ook daar Afrika

voorop niet gemiddeld 5,5
%
per jaar (4 resp. 2/
4
%
voor

Latijns-Amerika en Azië).

Het totale Nederlandse handelsverkeer (in- en uitvoer

tezamen) is in 1967 ten opzichte van 1953 bijna verdubbeld

(f. 7.673 mln. resp. f. 3.936 mln.). Daarbij is de invoer uit
de ontwikkelingslanden meer toegenomen dan de uitvoer,

naar deze landen nl. met 114% of 54% gemiddeld per jaar

tegenover 69% of
33/4%
‘s jaars.

Teneinde een beeld te geven van de goederen, welke bij

de handel van Nederland met de ontwikkelingsiandén een

rol spelen, wordt’ in dit artikel tenslotte een overzicht ge-

presenteerd van de handel van Nederland met de ont-

wikkelingsgebieden in 1963 en 1967, onderverdeeld naar

goederengroepen.

212

Uit de tijdschriftenmap

niangs verscheen het eerste exemplaar van het
Maandblad

Bedrjfskunde,
waarin in het vervolg opgenomen het
Maand-

blad voor handeiswetenschappen en administratieve praktijk.

De opzet van dit blad is het zijn van een ,,ontmoetingspunt

voor allen die betrokken zijn bij de bedrijfskunde in theorie

en praktijk”. Gezien de dubbele gerichtheid van het maand-

blad, zullen er, aldus een begeleidend schrijven van de

nieuwe hoofdredacteur Drs. C. van Dam, artikelen in ver-

schijnen die voor zowel theoretici als praktijkmensen

interessant en lezenswaardig zijn. Het blad zal worden in-

gedeeld in een aantal rubriken en kronieken, waaronder

Administratie en Calculatie, Automatisering en Kwanti-

tatieve Methoden, Financiering en Belegging, Leiding en

Organisatie, Marketing en commerciële economie, De mens

in de onderneming, Welvaart en Welzijn en Bedrijfskundig

Zoeklicht.

Het januari-nummer bevat een verslag van een studie-
reis van Drs. Van Dam langs tien Amerikaanse universi-

teiten en instituten, toegespitst op ,,Business Administra-

tion” en ,,Finance”; vèrder een artikel van Drs. L. W. Kokee

(,,Een kwantitatieve ondersteuning van een investerings-

beslissing”); van Drs. J. van Heileman (,,De ondernemings-

raad”) en van Drs. G. B. M. Jarring (,Marketing en com-

merciële economie”).

De abonnementsprijs bedraagt f. 15,60 per jaar,
mcl.

BTW. Administratie: N. Samsorn N.V., Alphen aan den

Rijn, Postbus 4. –

1 januari 1970 belooft een belangrijke datum te wordn

voor het thans vigerende omzetbelastingstelsel van België.

Met ingang van die datum zal ook daar de Belasting over

de Toegevoegde Waarde (BTW) van kracht worden; zulks
in navolging van Frankrijk, West-Duitsland en Nederland.

Dit als gevolg van een beslissing van de Europese Minister-

raad van 11 april 1967, waarbij de Lid-staten van de Euro-

pese Gerneenschappen zich verbonden hun stelsel van

ciimulatieve omzetbelasting uiterlijk op 1 januari 1970 te

vervangen door een gemeenschappelijk stelsel van belasting

over de toegevoegde waarde.

Hierop vooruitlopende is het jongste nummer van he’t

Belgische
Economisch en Sociaal Tijdschrift
(22e jaargang,

nr. 6 – december 1968) geheel gewijd aan de BTW. Achter-

eenvolgens komen er artikelen in voor van P. Demin

(,,Harmonisatie van de omzetbelastingwetgeving in de

EEG”), van G. Peeters (,,Enkele theoretische beschouwin-

gen i.v.m. BTW”), van C. Cappelleman (,,Belgisch BTW-

wetsontwerp”), van A. Dequae (,Sociale terugslagen van

de BTW”); van F. Michielssen (,Overgangsmaatregelen

i.v.m. voorraden en investeringen”); van F. Hofkens (,,De

BTW en de landbouw”); van R. de Cadt (,,De BTW-wet-
geving tegenover de Belgische havens”); van K. van Els-

acker (,,BTW in Nederland”); van L. Hinnekens (,,Een

vergelijking van de algemene kentrekken van de Franse,

Duitse en Belgische BTW stelsels”); van Fy. van Driessche

& G. Peeters (,,De Belgische uitvoerder geconfronteerd

met de Franse en Duitse BTW-wetgeving”); en van M.

A. Kriz (,,A fiscal innovation for the U.S.: The value-

added Tax?”). Een aantal boekbesprekingen over aan de

BTW gewijde publikaties completeert het geheel.

Genoemd tijdschrift verschijnt zesmaal per jaar. De

abonnementsprijs bedraagt Bfr. 200 per jaar. (Redactie

en administratie: Prinsstraat 13, Antwerpen.) De prijs van

dit BTW-nummer bedraagt Bfr. 75.

HI

Bij de N.V. Uitgeverij Diligentia te Amsterdam is recen-

telijk een nieuw ,,economisch en technisch weekblad voor

de Voedings- en Genotmiddelenindustrie in de Benelux-

landen” verschenen, genaamd
Foodpress.

De tot dusver door ons ontvangen afleveringen beslaan

8 pagina’s elk en handelen over zaken de voedings- en

genotmiddelenindustrie betreffende, waarbij eveneens voor

het te bestrijken terrein aandacht wordt geschonken aan

de ontwikkelingen buiten de Beneluxlanden; dit in tegen-

stelling tot wat een goede lezer zou vermoeden. Zo werd

achtereenvolgens aandacht geschonken aan het Plan-Mans-

holt, de intra-handel van vee en vlees in de EEG, de ge-

boekte resultaten bij proeven met het bestralen van verse

vis, de consumptie van groenten, vlees en fruit in de Euro-

markt, de landbouwpolitiek in het komende jaar en de

vorming van een Europese tabakmarkt.

Het abonnementsgeld bedraagt per jaar f.
55
of Bfr. 800

(Redactie en administratie: Roemer Visscherstraat 2-6,

Amsterdam).

Behoeft IJii staf

uitbreiding?.
Verzuimt dan niet E.-S.B. voor Uw oproep

in te schakelen. E.-S.B. biedt U een grote

trefzekerheid, 66k bij aspirant-leidinggevende

stratieve of aanverwante sectoren.

functionarissen in de commerciële, admini-

Advertentie-afd. E.-S.B.

Postb. 42′.. Schiedam

– ESB 26-2-1969

213

„Still going strong” geeft de op 3 mei 1899 opgerichte

Koninklijke Vereniging Oost en West haar maandblad

over tropische en subtropische gebieden, genaamd
Oost

en West
uit. Naast hetgeen tot uitdrukking komt in de

naamgeving van het blad, wordt er daarin veelvuldig aan-

dacht geschonken aan de ontwikkelingsproblematiek.

Vorig jaar verscheen er een speciaal Afrika-nummer. Dit

jaar zullen o.m. nummers verschijnen over Latijns-Amerika

en het Nabije Oosten.

Het afgelopen oktober-nummer (jaargang 61, nr. 10),

gewijd aan de ontwikkelingshulp bevat o.m. een artikel

van Drs. Y. B. de Wit (,,De feitelijke ontwikkelingshulp

van Nederland”) en van Prof. Dr. J. A. Ponsioen (,,Ont-

wikkelingshulp op een keerpunt”). Het december-nummer

•was speciaal gewijd aan Indonesië en bevatte artikelen van

o.m. Drs. F. H. Peters (,,Het verloop van de Nederlandse-

Indonesische samenwerking in deperiode 1964-1968″) en

van Mr. J. A. Steinz (,,Iridonesië: Economisch Vooruit-

zicht, To heli with your aid”).

Het blad verschijnt 11 maal per jaar; een abonnement is

inbegrepen in de contributie van minimaal f. 15 per

kalenderjaar. (Secretariaat en redactie: Dr. Kuyperstraat
5,

‘s-Graven.hage.)

VU

Van het Nederlands Vervoerswetenschappelijk Instituut

ontvingen wij het jongste exemplaar van het door dit

instituut uitgegeven
Tjjdschrift voo, Vervoerswetenschap

(4e jaargang 1968, nr. 4). Deze aflevering bevat een artikel

van o.m. Dr. W. A. G. Blonk (,,Kwantitatieve beperkingen

in het goederenvervoer tussen de lid-staten van de EEG”)

en van Dr. U. Klimke (,,Die Ziele gesamtstaatlicher

Verkehrsplanung und regionaler Wirtschaftspolitik im

Funktionswandel des Verkehrs”). Verder omvat dit kwar-

taalschrift een aantal vaste rubrieken zoals Kroniek,

Boekbesprekingen en Mededelingen van het Instituut.

De abonnementsprijs bedraagt per jaar f. 15; voor studen-

ten f. 7,50. (Administratie: Koningin Emmaplein 6, Rotter-

dam-Z.).

de rijksoverheid vraagt

in het kader van een interdepartementale werving

van toekomstige beleidsfunctionarissefl
De aan te stellen jonge
academici worden bij een
departement geplaatst in een

functie in de beleidssector.

Bij deze plaatsing wordt reke-

ning gehouden met hun voor-

keur en geschiktheid.

Gedurende hun inwerkperiode
nemen zij deel aan introductie-
en vormingsactiviteiten.

jonge juristen

economen

tot ca. 30 jaar.
De functie van beleids-
ambtenaar bestaat voor een

belangrijk deel uit:

studie
en
onderzoek

planning
van bestuursmaat-

regelen

overleg
in nationaal en inter-

nationaal verband

adviseren
van de departe-

méntsleiding

ontwerpen
van wettelijke

regelingen, voorbereiding van

stukken voor het parlement

voorbereiden
van ministeriële

beslissingen.

Bijzonderheden worden ver-

strekt tijdens een voorlich-

tingsbijeen komst op 25. maart

1969.

sociologen

politicologen

Aanstelling geschiedt op een

aanvangssalaris van tenminste

f1344,- per maand.

Ongeveer 4 jaar na indienst-
treding worden zij, bij gebleken

geschiktheid, benoemd tot

referendaris (huidig max.

salaris f 2240,- per maand).

Verwacht wordt dat zij zich

zodanig zullen ontwikkelen,
dat een verdere carrière

mogelijk is.

Belangstellenden

oôk zij die

binnenkort hopen af te stude-

ren – kunnen zich met opgave

van naam, adres, leeftijd,

studierichting en (vermoede-

lijke) datum van afstuderen tot

uiterlijk 12 maart a.s. schrifte-

lijk aanmelden bij de Rijks

Psychologische Dienst, Prins

Mauritslaan 1, ‘s-Gravenhage,

onder vermelding van vacature-

nummer 9-0361/0936 in linker-

bovenhoek van brief en

enveloppe.

214

Geld en kapitaalmarkt

GELDMARKT

De maandelijkse uitkering van het Rijk aan de gemeenten

heeft, zoalg elke maand, zijn sporen op de weekstaat van

de Nederlandsche Bank nagelaten. Het tegoed van de
Schatkist is met f. 316 mln, gedaald; de hieruit voort-

vloeiende versterking van de bankkassen is door de banken

gebruikt om de schulden aan de centrale bank te vermin-

deren. Deze daalden met f. 329 mln, tot f. 298 mln. Hieruit

blijkt, dat de markt nog steeds niet uit zichzelf in evenwicht

is. In verband hiermede handhaafde zich de daggeldrente

op het bestaande, hoge peil van
5
14%.
Het binnenlandse actieve bedrijf der banken heeft in

1968 een sterke uitbreiding ondergaan. De mutaties in de

kredietverlening aan de lagere overheid en de private

sector en die in de beleggingen op de binnenlandse kapitaal-

markt hebben in 1968 f.
465
mln. meer bedragen dan in
1967. Het bruto actieve bedrijf is in 1968 met meer dan

f. 3 mrd. geëxpandeerd.

Toeneming krediet verlening
(in f. mln.)

1967

1

1968

Lagere overheid

………………………

116

– 98
Particuliere sector:
kort

………………………………
1.744

1.983

middellang …………………………..375

296
Kapitaalmarktbeleggingen

………………..45

995

Mutatie kapitaal, reserves ene. …………..

…280

194
11

eigenlijke besparingen
……………

33

121
Netto actieve bedrijf

………………….

2.3
.
97

2.861

Ook in 1968 heeft de kredietverlening aan het bedrijfs-

leven de hoofdtoon gevoerd. De groei van het middellange

krediet lag in 1968 lager dan in 1967 (f. 296 mln. resp.

f. 375 mln.).

Door van het totale bruto cijfer de mutaties van het

kapitaal, de reserves, de op lange termijn aangetrokken

middelen en de eigenlijke spaargelden af te trekken, vindt

men de vermeerdering van de binnenlandse geldhoeveel-

heid uit hoofde van het netto actieve bedrijf der handels-

banken. Dit effect benaderde in 1968 de f. 3 mrd.

Het is mogelijk, dat evenals in 1967 ook in 1968 het

grotere beroep op de banken heeft gediend tot versterking
van de liquiditeitsreserve en dus niet tot vergroting van de

bestedingen heeft geleid. Anderzijds wijst de minder

gunstige ontwikkeling van de betalingsbalans op binnen-
landse infiatoire spanningen. De cijfers van het komende

jaarverslag van de Nederlandsche Bank zullen de duisternis,

die thans nog heerst, doen verdwijnen.

KAPITAALMARKT

Voor monetaire doeleinden is de splitsing van de totale

bij handelsbanken ondergebrachte spaargelden in eigenlijke

en oneigenlijke spaargelden zeer goed te verdedigen. Voor

hun intern beleid geloof ik niet, dat de banken deze schei-
ding maken. Relevant zijn daarom de totale mutaties in de

spaargelden. Deze hebben in 1968 f. 671 mln, bedragen

ESB 26-2-1969

tegen f. 783 mln, in 1967. De hoge rente op de obligatie-

markt kan met deze daling in verband staan, doch het is

evenzeer mogelijk, dat de incidentele ontsparing in decem-

ber (f. 18 mln.) en de geringe toeneming in de daaraan

voorafgaande maanden de belangrijkste oorzaak van de

vermindering zijn geweest.

De banken zijn zeer actief geweest als aajibieders op de

kapitaalmârkt. De uitbreiding, die aan de kapitaalmarkt-

beleggingen in 1968 is gegeven bedroeg meer dan het

dubbele van die van 1967, ni. f.
995
mln. Bijna de helft is

in 1968 naar de markt voor ondershandse leningen ge-

stroomd.

De Minister van Financiën zal zeer tevreden zijn met

het resultaat van de lening 1969. Het bedrag is na de

inschrijving vastgesteld op f. 350 mln. De vrijheid om het

bedrag vast te stellen is in feite beperkt. De omvang van de

staatsleningen beweegt zich doorgaans rond de f. 300

mln., een bedrag dat ongeveer de opnarnecapaciteit van de

markt weergeeft. Daarbij komt, dat gezien de behoefte

van anderen, zoals de Bank voor Nederlandsche Gemeen-

ten, de Staat nooit te ver mag gaan. Omdat.de markt op

een bedrag van f. 300 mln. meent te kunnen rekenen be-

perkt het systeem het majoreren maar verhindert het niet.

Vandaar dat het toewijzingspercentage 24,2% heeft be-

dragen.Op zichzelf toont dit percentage dat de rente te

hoog is geweest.

KOERSSTAAT

Indexcjjfers aandelen
30 dec.
H. & L.
14 febr, 21 febr.
(1963
=
100)
1969
1969
1969
1969

Algemeen
………………..
121
128-120
128
126
Internationale concerns

…….
127
133— 125
132
129
Industrie

………………..
119
129-118
129 126
Scheepvaart

……………..
89
94— 90
94 93
Banken en verzekering
98
112— 97
108
107
Handel enz .

………………
122
133— 121
131
128

Bron:
ANP-CBS., Prijscourant

Aandelenkoersen
1
Kon. Petroleum

…………..
f. 182,90
f. 185,90
f. 179,15
Philips

… ……….. ……..
f. 163,35 f. 167,05
f. 167.— Unilever, cert .

……………
f.
125,30
f. 130,40
f. 127,45
Zout-Organon
……………..
f. 199,80
f. 196,80
f. 195,20
Hoogovens, n.r.c .

…………
f. 101,80
f. 108,70
F. 108,15
A.K.IJ
…………………..
f. 123,20 f. 130,80
f. 125,-
AMRO-Bank

…………….
f.

64,30
f.

65,—
f.

64,90
Nat. Nederlanden
………….
800 8924
870
K.L.M.

………………..
f.212,—
f.255,75
f.236,50
Robeco

………………..

f. 255,50
f.250,35
f. 256,80

New York

Dow Jones Industrials
………
945

952

917

Rentestand
Langlopende staatsobligaties
1

6,63

6,83

6,84
Aandelen: internationalen
1

3,4
lokalen
2
. ………
3,9
Disconto driemaands schatkist-
papier

………………..
5

5

5

1
Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
‘Bron: Amsterdam-Rotterdam Bank.
Prof. Dr. C. D. Jongman

H. BRONS Jr

MAKELAAR IN ASSURANTIËN

TELEFOON (010) 11.19.80 *

MAURITSWEG 23

ROTrERDAM-2

215

Mededelingen

CONGRES TOEKOMSTPERSPECTIEVEN

TEXTIEL

Op 17,18 en 19 april a.s. vinden te Enschede weer de

• Benelux Textieldagen plaats, ditmaal onder de titeJ ,,Toe-

komstperspectieven Textiel”. Het congres zal worden ge-

opnd met een breed ,,Peispectief van de toekomst” door

Prof. Dr. F. L. Polak. Op de eerste dag o.a nog Prof. Dr.

H. J. Kuhlmeyer: ,,Perspectief van de textïeltoekomst.

Obstakels op.de
weg naar een normale rentabiliteit”.

Vrijdag 18 april wordt begonnen met een drietal parallel-

voordrachten, waarin actuele ontwikkelingen op textiel-

technisch gébied aan de orde worden gesteld. Daarna o.a.

bijdragen van Wiseman (,,New fibres and new materials”)

en Dr. T. J. Steenbergen (,,Perspectief van de computer

in de textielindustrie”). in de middagzitting staat de

marketing centraal, met o.a. een voordracht van Prof.

D. M. Phelps:’,,Managerial thinking in product develop-

men t”.

Het congres zal ‘op 19 april worden besloten met be-
schouwingen rond het thema ,,Beheersbaarheid van de

mode”. Hierbij zullen aan de orde worden gesteld hoe

rnoderesearch en modeprognostiek kiinnen worden ge-
organiseerd en hoe de resultaten hiervan in de industrie

kunnen worden toegepast.
Aanmelding en nadere inlichtingen bij Secretariaat con-

gres ,,Toekomstperspectieven Textiel”, de Ruyterplein 3,

Enschede, tel. (05420) 2 63 87.

De Kas-Associatie is o.a. gespecialiseerd in vermogensbeheer.

Een van de hierbij betrokken afdelingen verzorgt de

BELEGGINGSVO ORLICHTING

Op deze interessante afdeling is plaats voor een

MEDEWERKER leeftijd tot 35 jr.

die in overleg en nauwe samenwerking met andere medewerkers

zelfstandig – zowel mondeling als schriftelijk – contact onder-

houdt met onze cliënten over beleggingszaken.

Wij zoeken hiervoor iemand met een middelbare of daarmee
te vergelijken opleiding, die beschikt over goede schriftelijke

uitdrukkingsvaardigheid en ruime e ffectenkennis Enige ervaring

op het gebied van beleggingen is gewenst.

Uw sollicitatie kunt u richten aan onze Afd. Personeelszaken;
het maken van een telefonische afspraak voor een oriënterend

gesprek is mogelijk onder tel.nr
.
227 227,
toestel
257
of
275.

-.


KAS-ASSOCIATIE N.V.

Spuistraat
172 Amsterdam-C.

216

MODERNE

LEVENS-

VERZEKERING

automatische
groei van het verzekerde bedrag
door unieke
winstdeling…

tussentijdse
verhoging van uw
verzekering door
optiesysteem
onafhankelijk van
gezond hèids-
toestand…

zonder genees-
kundig onderzoek
terstond en
blijvend verzekerd
door inzending
van certificaat

(Vervoig van blz. 198)

.

.;

onze verantwoordelijkheid. Ontwikkelingshulp is immers in.

tegenspraak met de onafhankelijkheid die door de ex-.

koloniën zo kort geleden is verkregen en zo jaloers wordt

bewaard. Een land dat onafhankelijk wil zijn moet ook

de prijs voorde economische ontwikkeling betalen. Die

prijs bestaat uit het verlenen van prioriteit boven nationaal

prestige, boven bezetenheid met sociale systemen enz.

Zolang er ontwikkelingshulp wordt verleend wordt de

waarhei&dat deze prijs hoog is versluierd. Ontwikkelings-

hulp vertraagt dus het inzicht in de offers die de welvaart

vraagt.

5.
Op basis van dit inzicht zullén de ontwikkelingslanden

hun eigen weg moeten zoeken. Daarbij zullen zij er ver-

standig aan doen gebruik te maken van het enorme westers

economisch potentieel, door samenwerking met het Euro-

pese en het Amerikaanse’bedrijtsleven.

Prof. Glastra van Loon heeft er in zijn commentaar

(NRC,
18 februari 1969) reeds op gewezen dat Brugman

over ontwikkelingshulp praat zonder eerst expliciet, te

maken vat hij onder het ontwikkelingsprobleem verstaat.

Hoe hij dit ziet karl men, aldus Glastra van Loon, alleen

indirect uit zijn bezwaren tegen ontwikkelingshulp op-

maken. Daaruit komt dan naar voren dat Brugmans beeld

van het ontwikkelingsprobleem nogal simplistisch is, nI.

dat van een achterblijven in ontwikkeling ten opzichte van

de industrielanden. Zelf wijst Glastra van Loon op het

feit dat deze ,,achterstand” van de ontwikkelingslanden in

belangrijke mate wordt medebepaald door voor hen on-

gunstige handeisvoorwaarden in een door reeds geïndus-
trial iseerde ‘landen beheerste wereldeconomie. Daarmee

komt Glastra van Loon di6ht bij de standpunten van

Tinbergen (die behalve op de door Glastra van Loon ge-

noemde punten doorgaans ook wijst op de voor de ont-

vikkeli ngslanden nadelige internationale produktiestruc-

tuur) en van Wertheim (die in dit verband veelal de na-

druk legt op het misbruik dat de rijke industrielanden

maken van hun economische en politieke macht ten opzichte

van de ontwikkelingslanden).

Wij kunnen nog een stap verder gaan. Wertheim heeft

in zijn hiervoor genoemd artikel gesteld dat de wijze

waarop de rijke landen momenteel hulp verstrekken z.i.

• – bedoeld is om de ontwikkelingslanden nog meer achter

te houden dan in de huidige internationale economische en

politieke structuur reeds het geval is. Ook Linnemann

wijst, zij het dan genuanceerder, in zijn commentaar op

Brugmans artikel, op deze verscherping van het ontwik-

• kelingsprobleem. Zijn conclusie verschilt van die van

Wertheim: de laatstgenoemde verklaarde geen man en

geen cent voor oritwikkelingshülp ter beschikking te willen

stellen (een later afgezwakte uitspraak), terwijl Linnemann

het in navolging van Tinbergen vooral zoekt in een ver-

betering van de kwaliteit van de hulpverlening, in ,,echte”

hulpverlening hetgeen zij daaronder verstaan moge bij de

lezers van
ESB
bekend verondersteld worden. Brugman

blijkt echter ook voor dit probleem geen oog te hebben.
Dat blijkt nog eèns expliciet uit zijn antwoord aan René

Vos, die in zijn commentaar uitvoerig op dit punt was

ingegaan. –

Een kritiek op Brugmans visie zal, behalve in zijn analyse

van het ontwikkelingsvraagstuk en in zijn perceptie van

de feitelijke doelstellingen der rijke landen, ook een aan-

grijpingspunt moeten zoeken in zijn opvatting inzake de

meest wenselijke doelstellingen van het ontwikkelings-

beleid der arme landen. Het is verwonderlijk dat de tot

nu toe gepubliceerde commentaren daarover nauwelijks

spreken, en dat terwijl Brugman op dit punt net zo te kort

schiet als op de beide vorige. Het zozeer prioriteit ver-

ESB 26-2-1969

HOLLArCHÈ SOCIETEIT
VAN LEVERZEKERINGEN N.V.

A21807

DE HOLLANDSCHE SOCIETEIT MAAKT DEEL UIT VAN DELTA VERZEKERINCSGROEP N.V.
1

KONINKLIJKE

NEDERLANDSCHE

PAPIERFABRIEK N.V.

In verband met de snelle groei van onze

ondernemind hebben wij plaatsingsmoge-

lijkheid voor een

BEDRIJFSECONOOM

Onze gedachten gaan uit naar een acade-

– misch gevormde econoom van 30 tot 35

jaar, die praktijkervaring heeft op het

gebied van butgettering, bedrijfssignale-

ring en andere beheersingstechnieken.

*

Belangstellenden worden utgenodigd hun

schriftelijke sollicitatie te richten aan de

afdeling Personeelszaken, Commandeurs-

laan te Maastricht.

217

lenen aan economische groei, waaraan de sociale, culturele

en nationale ontwikkeling ondergeschikt zou moeten zijn,,.

is inderdaad een tekort schieten in visie op hetgeen ont-

wikkeling betekent.

Uit de drie genoemde uitgangspunten (1. Brugmans

negatie van de buiten de mogelijkheden der ontwikkelings-

landen liggende structurele oorzaken van de ongelijke

internationale welvaartsverdeling; 2. zijn naïeve opvatting

omtrent de doelstellingen der rijke landen; en 3. zijn

westers-econoiuistische interpretatie van het ontwikkelings-

proces) zal het door Brugman bepleite ontwikkelingsbeleid

logisch moeten voortvloeien. Dat doet het ten dele. Het

spreekt, gegeven de uitgangspunten, vanzelf dat hij grote

betekenis toekent aan het westerse bedrijfsleven en dât hij

geen enkele suggestie doet inzake de internationale han-

delspolitiek, de internationale herstructurering van de

produktie en de internationale economische besluitvorming

(samen met de internationale hulpverlening de vier hoofd-

elementen van hetgeen Tinbergen voorstelt als een inter-

nationale ontwikkelingsstrategie). Het spreekt echter niet

vanzelf dat Brugman voorstelt de hulpverlening stop te

zetten. De bijdrage van ontwikkelingshulp tot de econo-

mische groei van de ontwikkelingslanden is immers, voor

zover mogelijk, wetenschappelijk aangetoond (vgl. bijv.

Chenery); de twijfels richten zich juist tegen ontwikkelings-

hulp als een instrument dat niet alleen tot economische
groei maar tot het totale ontwikkelingsproces bijdraagt

(vgl. bijv. Wertheim).

Het standpunt van Brugman is schematisch samengévat

(blz. 198). Het is daarin tevens vergeleken met de standpun-

ten van Tinbergen en Wertheim, alsmede met het officiële

beleid van de regeringen der westerse donorlanden (in

het schema gemakshalve met ,,Udink” aangeduid, hoe-

wel onze huidige minister daarmee natuurlijk niet geheel

recht wordt gedaan; trouwens, ook in de kolommen

,,Tinbergen” en ,,Wertheim” is nièt zozeer hun beider visie

beschreven, als wel aangeduid hoe er in hun ,,scholen”

over de Noord-Zuid relatie wordt gedacht). Het schema is
natuurlijk niet volledig. Er had bijvoorbeeld nog een regel

met de respectievelijke motiveringen. aan toegevoegd

kwmen worden. Brugman heeft daar in zijn artikel ruime
aandacht aan besteed en ook zijn commentatoren gingen

tamelijk uitvoerig op de verschillende beweegredenen in.

Het punt lijkt in de discussie trouwens afdoende behandeld

te zijn. Maar afgezien daarvan is het ook niet nodig om de

motivering nog als een afzonderlijke bepalende factor in

te voeren. Ook voor de andere drie geldt dat de door hen

voorgestane vorm van internationale ontwikkelings-

samenwerking afgeleid kan worden uit hun analyse en hun

formulering der doelstellingen. Zijn die beide doortrapt

(René Vos over ,,Udink”), naïef (,,Brugman”), ambitieus
(,,Tinbergen”) of eenzijdig-juist (,,Wertheim”), dan is de

voorgestane aanpak het ook.

J. P. Pronk

CENTRAAL INSTITUUT VOOR HET MIDDEN. EN KLEINBEDRIJF

*

Ons instituut geeft bedrijfseconomische, bedrijfstechnische en planologische
adviezen en organiseert cursussen voor ondernemers, waarin het moderne
bedrijfsbeleid wordt behandeld.

Bovendien helpen wij onderwijs- en opleidingsinstituten bij het aanpassen
van programma’s en lesstof aan de nieuwe ontwikkelingen.
De afdeling
VOORLICHTING
vraagt een

WETENSCHAPPELIJK MEDEWERKER. (hedrijfseconoom)

Hij zal cursus- en opleidingsprogramma’s ontwerpen en lessen schrijven.

Het onderhouden van contacten met opdrachtgevers en docenten en het
lesgeven en leiden van cursussen behoort mede tot zijn werkzaamheden.

Gevraagd wordt eenopleiding van academisch of daaraan gelijk te stellen
niveau.

In woord en geschrift moet deze medewerker zich duidelijk kunnen uit-
drukken.

Bedrijfservaring is gewenst.

*

Met de hand geschreven sollicitaties gelieve u te richten aan de Directie van het C.I.M.K., Burg.
Hogguerstraat 1183 te Amsterdam-West (noordzijde Sloterplas).

218

-.

Auteur