Ga direct naar de content

Jrg. 53, editie 2652

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 10 1968

ECONOMISCHmSTATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

10 juli 1968

53e jrg.

No 2652

Verschijnt wekelijks

Zomertijd

COMMISSIE VAN REDACTIE:

H.

de Wt.
Zo’n instelling als de Sociaal-Economische Raad moet toch wel heel wat
flexibiliteit kunnen opbrengen. Zitten de dames en heren van de Raad en

REDACTEUR-SECRETARIS:


zijn commissies het ene moment nog diep gebogen over belangrijke natio-

A. de Wit.
aaal-economische zaken als vermogensaanwasdeling, stakingsrecht of het


halfjaarlijke economische SER-rapport en weten zij uit de veelheid van
ADJUNCT REDACTEUR-SECRET&RIS:
nuances in beoordeling binnen de Raad altijd weer een publikabele tekst

P. A. de Ruiter.
te brouwen, het volgende ogenblik worden zij overstelpt met mengelwerk

van velerlei aard. Uiteraard gaat het daarbij om aangelegenheden die ook
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:
niet van sociaal-economisch belang zijn ontbloot, doch hun ,,impact” is
F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
vaak veel kleiner. Maar onverschillig of het nu gaat om de wijziging van
J. van Tichelen

R. Vandeputte A. J. Vier ick
het Mij nreglement 1964 of van de Huurwet, omyerlenging van de wettelijke

SECRETARIS COMMISSIE VAN ADViES VOOR
opzeggingstermijn voor werknemers of over de samenstelling van’de Kamers

BELGIË: van Koophandel in de komende vier jaar

om maar enkele van de onder-

J. Geluck.
werpen van in het afgelopen jaar uitgebrachte SER-rapporten te noemen

het is allemaal even degelijk en secuur vakwerk.

Neem nu het pas verschenen advies over de herinvoering van de zomertijd.

Ook over zo’n onderwerp, waarvan bij de meesten Èrnzer misschien nooit is

________________________
opgekomen dat er nog aspecten aan zouden kunnen zitten, die een advies-
IhUL•IiIP
.


aanvrage aan een
sociaal-economische
raad zouden rechtvaardigen, weet de

Raad toch nog een rapport van 32 pagina’s (inclusief vijf bijlagen) te produ-

ceren. Dat aan het invoeren van de zomertijd, d.w.z. het vooruitzetten van

Zomertijd

649
de klok

met meestal één uur

gedurende de zomermaanden, hetgeen

later licht des morgens maar ook langer licht des avonds betekent, nog

Dr. M. C. Tideman
aardig wat vastzit, kunnen we daarin lezen.

In het algemeen kan, wat de gevolgen voor het bedrijfsleven betreft,
Recente

ontwikkelingen

in.

het
gesteld worden dat zomertijd nadelig is voor die beroepen waar des morgens
Nederlandse vreemdelingenverkeer 65
al heel vroeg moet worden aangepakt en voordelig daar waar

eel werk

in de avonduren moet worden verricht. Voorbeeld van de eerste is de land-
Drs. M. B. Engwirda:
bouw, waar men bij invoering van de zomertijd bijvoorbeeld een uur later

Het ontwikkelingsvraagstuk: nieu-
met oogsten en dergelijke zal moeten beginnen. In de sectoren van het

we groeidoelstellingen voor 1975 (1) 653
goederenvervoer daarentegen, waar, door de sterk gespreide werktijden een

aanzienlijk gedeelte van de arbeid in de avonduren valt, betekent langer

Drs. H. J. Nabbe:
licht Aug, veilig en voordeliger werken. Ook de toeristische industrie en

West-Europa en de Verenigde Sta- daarbinnen vooral het horecabedrijf

welke zo’n steuntje wel gebruiken

ten

een welvaartsvergelijking

met
i
kunnen, leert Dr. M. C. Tideman ons n dit nummer -, zouden er wel bij
,,

een naschrift van Drs. R. Iwema…

j57
varen (meer ,,terras-uren).
..

.

.

.

Zomertijdinvoering zou in het algemeen positieve invloeden kunnen

N
o t
i
t
1
e
.

hebben op recreatie- en vrijetijdsbesteding. Toen het advies zo ver gevorderd

was, moet een der leden (mevrouw Dr. H. Verwey-Jonker wellicht of de

De dochter van de koning……..651
vertegenwoordigster van het ministerie van Sociale Zaken en Volksgezond-

heid?) gedacht hebben aan de gevolgen voor het gezinsleven. Rapport

Europa-bladwijzer

no.46 660
blz. 9: ,,Indien het in de hogezomertot 22.00 â 22.30uurlicht is, kan dit

nadelig zijn voor de nachtrust, met name die van de kinderen. Er zal dus

G e 1 d

e n

k a
p i
t a a 1 m a r k t 663
meer gevergd worden van de huiselijke discipline”. Kijk, dat is nu het

.
aardige van de SER. Zijn samenstelling garandeert dat alle
1
aspecten van

Ree e n t e
p u b Ii k atje
s

……664
een pro5leem recht wordt gedaan, ook de huislijke.

dR

1
Toch niet alle. Wij misten een raming van de gevolgen voor ‘s lands economie
van dat ene uur slaap te weinig aan het begin van het zomerseizoen. Of vallen die
weg tegen de gevolgen van het uur slaap te veel aan het einde van dat seizoen?

649

Recefitè, ontwikkelingen in’ het

Nederiandseemdelingen
vre
verkeèr

/

Europa:
EEG-landen

…………….

2%
EVA-landen

…………….
+
2%
Amerika:
Verenigde Staten

…………..
+
7%
Azië:
Japan

………………….
+11%
Ontwikkelingslanden:
in Afrika

………………
+10%
in Latijns-Amerika

……….
+15%

in Caraïbische-gebied

……..
+
15%
in Zuid.Azië

……………
+10%
in Oost-Azië

……………
+20%

Ofschoon de Verenigde Naties het jaar 1967 hebben’

uitgeroepen tot ,,Jaar van het Toerisme, paspoort voor de

Vrede”, is de ontwikkeling van het internationale reis-

verkeer in het afgelopen jaar althans voor West-Europa

niet gunstig geweest. De International Union of Official

Travel Organisations in Genève heeft de volgende ramin-

gen gemaakt voor de mutaties in de ontvangsten uit het

internationale reisverkeer in 1967 t.o.v. 1966.

ij ue oeoorueung van ueze ramingen voor ae mutatie

der deviezenontvangsten moet rekening worden gehouden

met – dikwijls grote – prijswijzigingen (in de EEG- en

EVA-landen doorgaans stijgingen van al gauw
5%, in –

ontwikkelingslanden soms grotere ditlingen!), alsmede

met het niveau der deviezenontvangsten dat in West-

Europa relatief veel hoger ligt dan elders. Tegen deze

internationale achtergrond kan ook de recente ontwikke-

ling in het Nederlandse vremdeiingenverkeer worden

bezien.

1967 WEDEROM ONGUNSTIGER

De gepubliceerde cijfers .vai het internationale reisverkeer

op de voorlopige Nederlandse betalingsbalans van 1967

luiden:

ontvangsten

……………. f. 1.084 mln.
uitgaven ………….

…….f. 1.372 mln.

saldo

——————–•f

2R mln

TABEL t.

Reisverkeersbalans, 1962-1967,


Ontvangsten Uitgaven
Saldo
Saldo

>
0
.
‘1
2w

f. mln.
2
f. mln.
0

•-
o
0
,

n
t
-o
c
..o.
.n..

1962
650
12
628
12
+ 22
+ 500
1963
770
18
775
23

5
+ 370
1964 873
13
958
24

85
—640
1965
999
14
1.120
17

121
+ 80
1966

……..
996 0
1.345
20
—349 —640
1967
1.084
9
1.372
2
—288
—200
1967 a)
……..
ca

990

1
1.390
3
—400 —200

mutatie

1967

..

t.o.v

1962

. .
52
121

a) Vergelijkbaar gemaakt, zie tekst.
TABEL 2.
Ontvangsten i’reemde/ingenverkeer, 1962-1967

Indices ontvangsten
Hoeveel- Ontvangster

heids-

waarde
prijs
hoeveel-
held
in f. mln.
mutatieS in
%
per jaar

650
100

100
100

770
118
104
114
+
14
873
134 112
120
+

1962

……………….

999
154
.120
128
+
7

1963

……………….
1964

………………..

1966

…………..
996′
153
128
120

6 1965

……………….

1967a)

………….
…..
ca.990
152
134
114

5

a) Vergelijkbaar gemaakt met vorige jaren, zie tekst.

meer a&n het reisverkeer is toegerekend(d.w.z. dat van

de bruto deviezenontvangsten minder is toegerekend aan

niet-toeristische goederenaanschaf); anders waren de

ontvangsten ,,licht gedaald”, zegt de Bank.

Dèze in feite lichte daling in 1967 van de ontvangsten

1
Overigens is het zeer waarschijnlijk dat door grotere om-
wisseling van guldens in de Alpenlanden en de daarop gevolgde’
terugzending naar Nederland,.de Nederlandsche Bank een deel
der uitgaven voor wintersportreizen in december 1967 pas in
het eerste kwartaal 1968 heeft kunnen boeken, gezien de zeer
grote stijging van f. 30 mln. (=13%) in dat kwartaal tegen
slechts f. 8 mln. (4%) in de voorafgaande vergelijkbare periode.
Voor een vergelijking met het verleden lijkt het daarom reëler
ca. f. 18 mln, over te boeken van begin 1968 naar eind 1967.. Overigens blijft dan nog de jaarstijging van ruim 3% relatief
gering. –

– Uit lijkt gunstiger dan in 1966, toen tegenover t. 996 mln.

aan ontvangsten f.
1.345
mln: aan uitgaven stonden, dus

‘een negatief saldo van f. 349 mln. Verbetering is echter

• alleen aan de uitgavenkant te zien
1
(een vermeerdering

‘van 2% is in het licEt van dein de laatste jaren gebruike-

lijke 20% bijzonder gering), aangezien de stijging van de

ontvangsten slechts schijn is. Immers, op blz. 66 van het

Jaarverslag 1967 van de Nederlandsche Bank staat te lezen

dat door een wijziging in de registratie ca. f. 100 mln.

i

“S BANK
0 1

650

uit het vreemdelingenverkeer is voor de betalingsbalans

van belang, zoals tabel 1 illustreert.

Inherent aan een zgn. welvaartseconomie is dikwijls

een negatieve balans van het reisverkeer. De sterke loons-

verhoging in 1964 heeft de uitgaven sterk doen stijgen en

gegeven de hoge inkomenselasticiteit van de vraag naar

toeristische diensten, liepen de reisuitgaven van Neder-

landers in het buitenland sterk op, aan welke stijging pas

in 1967 een abrupt einde is gekomen.

Loonsverhogingen die in aanzienlijke mate de stijging

van de arbeidsproduktiviteit overtreffen, werken – even-

tueel met vertraging – altijd in de prijzen door; het

Nederlandse consumptieprijspeil is dan ook van 1964-1966

telkenjare met ongeveer 6% gestegen; de stijging van de
prijs van het toeristische-dienstenpakket is uiteraard nog

groter geweest, daar goederen – en met name de duur-

zame – altijd belangrijk minder aan prijsstijgingen uit

hoofde van grote loon sverhogi n gen onderhevig zijn dan de

arbeidsintensieve dienstverleningen.

Wij hebben een prjsindexcijfer van het toeristische-.

dienstenpakket, waarvan de buitenlander in ons land ge-

bruik maakt, berekend met behulp van de volgende

wegingspercentages.

horeca
……………………….
45°/
detailhandel
2

.30%
vermakelijkheden
……………….
10%
transport
……………………..
diversen
3
……………………..

5%

Daardoor waren wij in staat (zie tabel 2) het verloop van
de ontvangsten uit het inkomende vreemdelingenverkeer

in de afgelopen vijf jaren weer te geven in constante

prijzen. Het blijkt dan dat in 1966 en 1967 in feite een

belangrijke daling van de ontvangsten heeft plaatsgevonden.

OORZAKEN ACHTERUITGANG

De recente ontwikkeling van het inkomende vreemdelingen-

verkeer in Nederland moet dus ongunstig worden genoemd;

voor 1968 is beslist geen verbetering te verwachten, gezien

de Amerikaanse betalingsbalansmoeiljkheden die de ont:

vangsten van het vreemdelingenverkeer in ons land op

een ca. f. .30 mln, lager niveau zullen brengen dan nor-

maal
4
, de voortgezette beperkingen op het uitgaande

Engelse reisverkeer (maximaal £
50)
die nog een versterking

vonden in de devaluatie in november 1967, en de situatie

op de zeer belangrijke Duitse markt, die ons meer en meer

dreigt te ontglippen. De laatste twee verschijnselen kwamen

reeds vorig jaar tot uiting, om, in de vermindering van

het aantal overnachtingen in hotels:

uit Groot-Brittannië en Ierland – 6,5%,

uit de Duitse Bondsrepubliek

– 10,4%.

Deze teruggang van het aantal overnachtingen van

buitenlanders in hotels in 1967 (in totaal met bijna 4%)

is temeer ernstig, omdat:

buitenlandse hotelgasten ook buiten de hotellerie

vrijwel de helft van de bestedingen uit het inkomende

vreemdelingenverkeer voor hun rekening nemen;

door een tekort aan spreiding in de tijd en aan

aanbod op bepaalde plaatsen een niet onbelangrijke

vraag naar hotellogies niet kan worden bevredigd.

Hier ligt dan ook een uiterst belangrijke oorzaak van de

teruggang . van het inkomenae vreemdelingenverkeer.

Een betere spreiding in de tijd daarenboven is niet alleen

De dochter van de koning

,,Zeker een vergissing in de adressering” was onze

eerste gedachte toen wij verrast werden met een

recensie-exemplaar van een boek, dat ils titel bleek

te dragen’s .Konings oudste dogter. Het

raadsel was opgelost toen wij het boek opensloegen en

het niet een jubileumuitgave i.v.m. het honderdjarig
bestaan of daaro,ntrent van een Nationale bond van
Oranjeverenigingen bleek te zjjn, doch een ,,Kleine

geschiedenis nopens weder varen en onderkomen van

de Nederlandsche Bank”
1
. De titel van het boek

blijkt dan te zijn ontleend aan een uitspraak van

Willem 1 – u weet wel de koning-koopman – uit

1824: ,,De Nederlandsche Bank is mijne oudste dogter,

ik zal haar steeds als zoodanig blijven beschouwen”.

Het eerste deel van deze publikatie ter gelegenheid

van de officiële
opening van de nieuwe hoofdbank bevat

een beschouwing over de ontwikkeling van de Bank

als financiële instelling sinds haar bestaan. Dat is,

gezien het korte bestek (35 blz.) waarin dit is geschied,

niet veel meer geworden dan een vlot geschreven

excerpl van de beide monumentale werken over de

geschiedenis van de Bank van Prof. Mr. A. M. de

Jong. Het tweede deel, ,,Het onderkomen” geeft de

geschiedenis van de behuizing van de Bank in de ruim

150 jaar van haar bestaan. Het derde deel tenslotte,

,,Fotografisch gezien” door Cas Oorthuys e.a., geeft

zowel’een indruk van het oude gebouw, het ,,conglo-

meraat van steile binnentrappen en grezelige portalen,

eindeloze gangen en duistere optrekjes, verscholen

kabinetten en enge alkoven”, als van het nieuwe ge-

bouw, ,,door zijn openheid zo typisch van onze tijd”

(blz. 5). Wie wel eens het roosterachtige traliewerk

om het gehele gebouw heen heeft gezien, zal dat

begrip ,,openheid” niet anders dan in overdrachteljjke

zin kunnen vatten. Slaat het misschien op het plan

van Zijlstra in de toekomst kwartaalpublikatiés te

laten verschijnen?

dR

Geschreven door Mr. A. F. Kamp en uitgegeven bij
H. D. Tjeenk Willink, Haarlem
1968, 140
blz.,
f. 17,50.

economisch, maar ook sociaal van groot belang:

in een tijd waarin voor de horecabedrijven zeer

veel kostprjsverhogende factoren werkzaam zijn

(duurdere arbeid, kortere werktijden, stijgende sociale

lasten, leningen tegen 7% rente voor de dringend.

nodige investeringen, en last but not least de komende

omzetbelasting op de toegevoegde waarde), is het

kostprjsverlagende effect van een betere spreiding

in de tijd bijzonder nuttig;

door het bijzonder hoge werktempo in het hoog-

seizoen wordt er noodgedwongen van de werkkrach-

ten in het horecabedrijf wel eens meer gevraagd dan

sociaal verantwoord is.

2
Ongeveer gelijk verdeeld tussen
v
edings en genôtmiddelen
voor de vele ,,zelfverzorgers” (kampeerders, kamerbewoners,
logerenden bij familie of kennissen) en souvenirs.
Hiervoor is het indexcijfer van de totale consumptie ge-
nomen. Zie onze desbetreffende beschouwing in
ESB
van
17
aprilji.

ESB 10-7-1968

.

.

.

651

t

Behalve een tekort aan passende hotelaccomri’oditie

(vooral in Amsterdam en Den I{‘aag) en aan spreiding

van de vraag in de tijd kunnen als oorzaken van de terug-

gang in het inkomende vreemdelingenverkeer worden

aangemerkt:

– de toenemende internationale concurrentie door het

relatief goedkope vervoe’r naar warme landen;

– de vervuiling van onze stranden, parkeri en straten;

– de tekortkomingen in ons ,,toeristisch klimaat” (te

weinig verrnaaksmogelijkheden als ‘s avonds winkelen en
roulette, te weinig openbare toiletten, te weinig discipline

in het verkeer e.a.);

– een te weinig gecoördineerde aanpâk van de toeristische
propaganda in het buitenland.

VERBETERING .VAN DE ORGANISATIE

Laatstgnoenidc oorzaak van de ongunstige ontwikkeling

van het inkomende vreemdelingenverkeer in de, laatste

jaren is zeker niet de onbelangrijkste. De ontvangsteii van

het inkomende vreemdelingenverkeer verschijnen op de

betalingsbalans als een uitvoer van diensten en maken

daarvan 13% uit. Evenzeer als ons land op de wereld-

goederenmarkt voor de afzet van zijn produkten aan een

grote concurrentie het hoofd moet bieden, is dit het geval

met de uitvoer’ van diensten. In feite is de concurrentie

in het reisverkeer nog groter, omdat oorspronkelijk veraf

gelegen markten (Middellandse Zee, Nabije Oosten, Oost-

Europa) thans veel meer binnen – relatief goedkoop –

béreik van de toerist zijn gekomen.
Om deze toegenomen concurrentie het hoofd te bieden,

dient de organisatie van het vreemdelingenverkeerapparaat

te worden verbeterd. Zowel de Algemene Nederlandse

Vereniging voor Vreemdelingenverkeer als de 50 grotere en

400 kleinere V.V.V.’s in ons land schieten tekort in daad-

kracht, omdat de Organisatie gebaseerd is op een
ver-

enigiifgsstructuur,
waarin dus vele belanghebbenden elk

voor zich een geringe invloed hebben en derhalve tezamen

doorgaans weinig eensgezind en slagvaardig op nieuwe

ontwikkelingen kunnen reageren. Daarvoor is de
organi-

satiestructuur van een bedrif
nodig: een krachtig uitvoerend

‘apparaat, dat over voldoende geldmiddelen beschikt om

deze belangrijke uitvoer van diensten te bevorderen, na

grondige voorbereidirg door de nodige stafafdelingen en
gebaseerd op degelijk marktonderzoek .
Zo werkt iedere moderne industrie en dit moet ook het

parool zijn voor de werving tenbehoeve van het inkomende

vreemdelingenverkeer. Hieraan wordt naar schatting f. 20

mln, door A.N.V.V. en grote V.V.V.’s in totaal besteed;
dat is 2% van de opbrengst. Dit is te weinig om de felle

buitenlandse concurrentie om de gunst van de toerist het

hoofd te bieden. Het beschikbaar stellen door Rijk en

Gemeente van meer geldmiddelen aan een beter gestructu-

reerd wervingsapparaat dat eendrachtiger samenwerkt dan

tot op heden, wordt ook gemotiveerd door het belang van

de nationale betalingsbalans die dit jaar, door het te ver-

wachten tekort op de balans van het reisverkeer, ca. f. 450
mln. zal derven.

M. C. Tideman

* De heer Tideman schreef zijn artikel voordat bekend
werd (zie o.a. de
Votkskrant
van 5 juli ji) dat de werving
van toeristen zakelijker zal worden en de A.N.V.V. een corn-
merciler basis gaat krijgen.
Red.

652

Uw bedrijf en kantoor

is welkom in Nijmegen,

• want Nijmegen heeft:

Een nieuw industrieterrein van 100 ha

met havens in aanleg.

Aantrekkelijke terreinen voor handels-

bedrijven en kantoren in centrum.

Goede weg-, trein- en waterverbindin-

gen met binnen- en buitenland.

Ruim aanbod van gespecialiseerde en

administratief geschoolde arbeidskrach-

ten.

Maar ook uw personeel

is welkom iii Nijmegen,

want het vindt er:

Ruim assbrtiment van Woningen (geen’

woningnood).

Stad met een rijk verleden en oud

stedeschoon, gelegen in fraai rivier- en

heuvellandschap.

– •

Uitgestrekte natuurreservaten, bossen,

heide in directe omgeving.

Mogelijkheden tot recreatie in elke

vorm

schouwburg, concertgebouw,

sporthallen, ere-divisievoetbal.

VOOR INLICHTINGEN:

Wethouder

van Publieke Werken en

Stcidsontwikkellng,

Stadhuis. Tel. (08800) 2 81 00.

Het ontwikkelingsvraagstuk:

nieuwe groeidodstellinge

n.
voor 1975

Het einde van het Ontwikkelingsdecennium van de Ver-

enigde Naties (1960-1970) staat voor de deur. Sinds april

1967 is sprake, van een Tweede Ontwikkelingsdecennium

voor de jaren 1970-1980. Daarnaast heeft het UNÇTAD-

secretariaat een half jaar geleden een rapport gepu-

bliceerd, waarin nieuwe doelstellingen voor de economische

groei van de ontwikkelingslanden in.het jaar 1975 zijn aan

te treffen.

In. dit eerste artikel zal allereerst een poging tot evaluatie

van de resultaten ten aanzien van de groeidoelstelling van
het Eerste Ontwikkelingsdecennium worden ondernomen.

Vervolgens zullen wij aan de hand van de studie van het

UNCTAD-secretariaat nader ingaan op de daarin gestelde

groeidoelstellingen voor 1975. In een tweede artikel zullen

de standpunten van de geïndustrialiseerde landen
I
ten

aanzien van twee van de meest fundamentele desiderata

van de zijde van de ontwikkelingslanden worden besproken:

HET HUIDIGE GROEITEMPO: 3,5% OF 4,9%?

In 1961 werd door de Algemene Vergadering van de Ver-

enigde Naties als belangrijkste doelstelling voor het Eerste

Ontwikkelingsdecennium een jaarlijkse groei van het

reëel nationaal inkomen der gezamenlijke ontwikkelings-
landen van minimaal
5%
vastgesteld. In 1970 moest deze

doelstelling zijn bereikt. Wat zijn thans de resultaten?

Merkwaardig genoeg blijkt dat er bij de beantwoording

van deze vraag niet eens eenstemmigheid ten aanzien van de

feitelijke ontwikkelingen bestaat. Dit komt ‘wel zeer duide-

lijk tot uitdrukking in de cijfers, zoals die door twee gezag-

hebbende instanties – de OECD en de Verenigde Naties –

voor het jaar 1966 worden gegeven. Aan de ene kant stelt

namelijk het Development Assistanée Committee van de

OECD: ,,On a long-term view there was no spectacular

change in the growth performance during 1966. The overall

growth rate of 4.9 per cent was very similar to the average

rate achieved in the period 1960-1966″
2
in lijnrechte

tegenspraak hiermee houdt het Deprtnient of Economie

and Social Affais van de Verenigde Naties ons voor:

,,Prelirninary estimates indicate that after rising by well

over
5
per cent between 1963 and 1964, the combined

gross domestic product of the developing countries in-

creasedby something nearer 4 per cent in 1965 and by

between 3 and 4 per cent in 1966″
3
. Voor de beide cijfer-

opstellingen raadplege men tabel 1
(op blz. 655).

Het ligt voor de hand dat dit verschil in feitelijke beoor-

deling tot tegenstrijdige conclusies moet leiden. In Neder-
land hebben we dit dan ook duidelijk kunnen constateren.

in januari 1967 sprak Professor Linneniann immers op

grond van de VN-cijfers over het Ontwikkelingsdeen’nium’ –

als ,,The Plan that failed”
1
. In december 1967 bestempelde

Professor van ‘Dam ditzelfde Ontwi kkelingsdecennium

evenwel met een beroep op de DAC-cijfers als ,,The Plan

that succeeds”
5
.

,.

Maar is het nu wel van zo’n fundamenteel belang of liet’

bruto nationaal produkt van de gezamenlijke ontwikke-

lingslanden met 3,5% dan wel met 4,9% toeneemt? Een

eenvoudig rekensommetje toont ons, dat dit verschil –

inderdaad wél van vérstrekkende betekenis is. Doordat

namelijk de bevolkingstoename in de gezamenlijke ont-

wikkelingslanden in 1966 2,5% bedroeg (tegenover’een

jaarlijkse 1,3% in de gezamenlijke geïndustrialiseerde

landen) groeide in dat jaar in de gezamenlijke ontwikke-

lingslanden het bruto nationaal produkt per hoofd van de

bevolking volgens de VN-cijfers slechts met 1 %, volgens

de DAC-cijfers daarentegen niet 2,4%. Dit betekeaf echter

weer, dat bijeen onvernderde voortzetting van de huidige

trend, zowel van de groei van het bruto nationaal produkt

(BNP) als van de bevolkingstoename, een verdubbeling’

van liet bruto nationaal produkt per hoofd van de be-

volking voor de gezamenlijke ontwikkelingslanden volgens

de VN-cijfers pas over 70 jaar, volgens de DAC-cijfers

evenwel reeds binnen 30 jaar bereikt zou kunnen worden.

En dat scheelt nogal wat!

Ter verklaring van de verschillen tussen de cijfers van

het DAC en die van de VN voert het DAC-rapport over liet

jaar 1965 weliswaar de volgende gronden aan:

,,a. The UN do not include as less-developed countnics

Greece, Spain, Turkey, and Yugoslavia, which have high

growth rates. –

b. The DAC-calculations give a bigger weight to Latin

1
Met de terth ,,geïndustrialiseerde landen” worden’ in deze
artikelen uitsluitend de OECD-landen en Australi (dat geen
lid is van de OECD, maar wel van het Development Assistance
Committee van de OECD).bedoeld. Daarnaast zullen in na-
volging van de gebruikelijke definiëring de communistische
ontwikkelde landen in Oost-Europa en de communistische
ontwikkelingslanden in het Verre Oosten gezamenlijk als ,,coni-
munistische landen” worden aangeduid.’
2
OECD:
Development ,4ssistance Efforts and Policies,
1967
,Review,
Parijs, blz.
24.
United Nations:
World Econo,nic Survey
1966,
New York
1967,
blz.
162.
Prof. Dr. H. Linnemann:
T/ze Plan that failed,
Haarlem
1967.
Prof. Dr. F. van Dam: Verslagboek van het Congres
,,Populorum Progressio”,
Tilburg
1967,
blz: VII, 13: De DAC-
cijfers worden verder
aangehaald.
door Prof. Dr. W. Brand:
,,Ontwikkelingshulp zonder mythes en emoties”,
NRC,
3 febru-
ari
1968,
en door Prof. Dr. F. Hartog: ,,Rijk en arm in New
Delhi”,
Elseviers Weekblad,
24
februari
1968.

ESB 10-7-1968

653

America, which is growing faster than average, by using

purchasing power equivalents taken from ECLA sources”
6

Deze verklaring komt ons echter nauwelijks bevredigend

voor. Op zichzelf genomen is het argument onder a. zeker

juist: de Zuideuropese landen in kwestie worden door het

DAC nâmelijk wél onder de categorie ontwikkelingslanden

begrepen, door de VN daarentegen niét. Nochtans leggen

deze vier landen o.i. verhoudingsgewijs te weinig gewicht

in de schaal dan dat het gewogen gemiddelde van de ge-

zamenlijke ontwikkelingslanden er aanzienlijk door zou

worden beïnvloed. Het argument onder b. brengt ons er toe

om in het algemeen het belang te onderstrepen van een

uniforme werkwijze ten aanzien van het vaststellen van de

BNP’s van de ontwikkelingslanden. Dan zou immers

worden vermeden, dat in het bovengenoemde geval de

BNP’s van de Latijnsamerikaanse landen door de VN via

de officiële wisselkoers, door het DAC daarentegen via de

koopkrachtpariteitskoers worden gemeten. Meer algemeen

zou dit het grote voordeel met zich neebrengen, dat in het

vervolg duidelijk vast zal staan in hoeverre aan een Plan op

grond van de feiten als ,,succeeded” dan wel als ,,failed”

moet worden beschouwd.

NIEUWE GROEIDOELSTELLINGEN

VOOR 1975: 5,2% EN 6,1%

Inmiddels is het einde van het Eerste Ontwikkelings-

decennium zo nabij gekomen, dat reeds volop wordt

gewerkt aan het opstellen van nieuwe doelstellingen voor
de groei van de ontwikkelingslanden in de jaren zeventig.

Zo worden er door het UN Committee for Development

Planning plannen ontworpen voor een Tweede Ontwik-

kelingsdecennium, dat van 1970-1980 zou moeten plaats-

vinden. Als essentieel element voor dit Tweede Ontwikke-
lingsdecennium gaan de gedachten vooral uit naar het aan-

va arden van een internationale ontwikkelingsstrategie,

welke in het algemeen de taken van a. de ontwikkelings-

landen, b. de geïndustrialiseerde landen, c. de commu-
nistische landen en d. de internationale organisaties op

duidelijke wijze zal moeten
omschrijven.
Binnen het kader

van die ontwikkelingsstrategie zullen dan verder weer
een aantal specifieke doeleinden voor de economische

en sociale ontwikkeling van afzonderlijke ontwikkelings-

landen en van groepen ontwikkelingslanden worden vast-

gesteld
7.

Bovendien heeft het UNCTAD-secretariaat in november

1967 nieuwe groeidoelstellingen voor de jaarlijkse toe-

name van het BNP van de gezamenlijke ontwikkelings-

landen gepubliceerd. Hiermee werd door het secretariaat

gevolg gegeven aan een aanbeveling van de Eerste

UNCTAD-conferentie te Genève (1964), welke er op had

aangedrongen: ,,that the economic situations of individual

developing countries should be examined in order to

determine the feasibility of higher rates of growth and

the measures required to achieve them”
8
In het rapport,

waarin de resultaten van de daartoe ondernomen studie

zijn neergelegd, woidt uitgegaan van twee alternatieve

doelstellingen voor de in het jaar 1975 te bereiken groei
van het BNP van de gezamenlijke ontwikkelingslanden,

een lage en een hoge doelstelling. De lage doelstelling richt

zich op een jaarlijkse groei van 5,2% en ligt als zodanig

iets boven het historisch gemiddelde groeipeicentage

gedurende de periode
1950-1965,
dat door het rapport op

4,6 per jaar wordt gewaardeerd. De hoge doelstelling

mikt op het bereiken van een jaarlijkse groei van 6,1 %

in 1975.

VOORWAARDEN TOT HET BEREIKEN
VAN DE UNCTAD-GROEIDOELSTELLINGEN

Wat zijn nu de belangrijkste voorwaarden die vervuld

moeten worden om de bovengenoemde groeidoelstellingen

in 1975 te kunnen bereiken? Door het UNCTAD-secre-

tariaat wordt in antwoord op deze vraag met name nadruk

gelegd op de beide volgende punten:

Het reëel nationaal inkomen van de gezamenljjke geïn-

dustrialiseerde landen zal tot 1975 jaarlijks met 4,7% (voor

het bereiken van de hoge groeidoelstelling) of in ieder geval

niet 4,2% (voor de lage groeidoelstelling) moeten stijgen.
Deze inkoinensstjjging in de geïndustrialiseerde landen is

namelijk in de huidige situatie de meest fundamentele voor-

waarde voor een voldoende stijging van de exportopbrengsten
van de ontwikkelingslanden.

Een kleine toelichting hierop. In de eerste plaats werd in

1960 niet minder dan 74% van de totale export van de
ontwikkelingslanden afgenomen door de geïndustriali-

seerde landen, tegenover slechts 4% door de communis-

tische landen en de resterende 22% door de ontwikkelings-

landen zelf. In de tweede plaats wijst de UNCTAD-studie

op de nauwe relatie, die zich in het jongste verleden ge-

manifesteerd heeft tussen de mate van groei van het reëel

nationaal inkomen in de geïndustrialiseerde landen en de

mate van groei van de importen in die landen vanuit de

ontwikkelingslanden. Op grond van deze relatie – de

inkomenselasticiteit van de vraag naar importen uit ont-

wikkelingslanden – en op grond van het feit, dat ongeveer

driekwart van de totale exporten van de ontwikkelings-

landen wordt afgenomen door de geïndustrialiseerde

landen, is het daarom van fundamentele betekenis dat een

jaarlijkse stijging van het reëel nationaal inkomen van

4,7 resp. 4,2% zich in de geïndustrialiseerde landen gedu-
rende de periode tot 1975 zal voordoen: Deze inkomens-

stijging in de geïndustrialiseerde landen zal dan naar ver

wachting leiden tot een jaarlijkse groei van de totale export-

opbrengsten van de ontwikkelingslanden van .5,6%

(hoge schatting) resp. 5,0% (lage schatting)
9
.

Bovendien moeten additionele maatregelen worden ge-

troffen, gericht op de overbrugging van het totale deviezen-

tekort van de gezamenlijke ontwikkelingslanden, dat in

1975 een grootte van $ 16,9 mrd. (lage schatting) resp.

$ 25,7 mrd. (hoge schatting) zal hebben aangenomen.

Zoals te zien valt in tabel 2 bestaat dit totale deviezen-

tekort (trade gap) enerzijds uit een handelstekort (export/

import gap) anderzijds uit een tekort op de kapitaal-

opbrengstenbalans (factor income payments). Dit handels-

tekort zal in 1975 bij nastreving van de lage groeidoel-

stelling $ 3,4 mrd., bij nastreving van de hoge groeidoel-

stelling zelfs $ 10,0 mrd. bedragen. Daarnaast zal het

totale tekort op de kapitaalopbrengstenbalans in 1975

tot $ 12,0 mrd. (lage schating) resp. $ 14,2 mrd. (hoge

schatting) zijn aangegroeid. Tenslotte is in de samenstelling

OECD:
Developinent Assistance Efforts and Policies,
1966 Review,
Parijs.
Prof. Dr. J. Tinbergen:
Een indicatief wereidpian voor de
jaren zeventig
(F/12881/67), Den Haag 1967.
8
UNCTAD-secretariaat:
Trade prospects and capital needs
of
developing countries
(TD/34/Supp. 1), november 1967, blz. 1.
De totale exportopbrengsten van de ontwikkelingslanden
stegen van 1960-1965 jaarlijks gemiddeld met 5,9%, in 1966
zelfs met 6,9 %. Dit evenwel voornamelijk als gevolg van de zeer
hoge groeipercentages (gemiddeld 4,9%) van de BNP’s van de
geïndustrialiseerde landen in deze periode.

654

TABEL 1

Procentuele jaarlijkse groei van het bruto nationaal produkt van de ontwikkelingslanden per regio, 1950-1966

Regio OECD-cijfers
VN-cijfers

1950-55

1955-60
1

1960-66

1

1966 1950-55
1

1955-60

1

1960-64

.

1966

Latijns-Amerika

…………………………
4,8 4,9 4,5
4,1
4,7
Europa

a)

……………………………..
7,0
5,3
64 54
7,5
6.2


6,2
Zuid-Azië
……………………………….
40

..

4,2

3,8
4,9
5,5
4,8
4,1

Nabije Oosten

……………………………..

Afrika
………………………………….
4,3

..
..

4,7
3,4
2,1 4,1
Verre Oosten

……………………………..

Alle ontwikkelingslanden

……………………
4,9

.

4,8
4,8
4,9 4,9 4,5 4,0
3,5

a) De Zuideuropese landen worden door de OECD wél tot de ontwikkelingslanden gerekend, door de VN daarentegen niét.

Bronnen:
OECD:
Development
Assisfonce
Efforis and
Policies, 1966
Review,
Parijs; idem:
1967
Review,
blz. 25; UN:
World Economie Survey 1964,
New York 1965; UN:
World Econonzic Trends
(E/4059), New York 1965, blz. 5 en ii; UN:
World Economic Survey 1966, blz. 162.
‘S

TABEL 2

Projections of the trade gap of developing countries by regions, 1975
(Millions of dollars at 1960 pricea)

AFRICA
ASIA
LATIN AMERICA
TOTAL a)

1960
1963
1975
1960
1963
1975
1960
1963
1975
1960
1963
1975

(10w) (high) (10w) (high)
-.
(low) (high)
(10w) (high)

7.857
13.987h5.026
13.449
16.055
31.981
35.385
10.814
12.338 18.929
20.142
32.056
37.641
67.473
73.513
a.

Commodities
…………………….
5.250 6.355
11.312
12.152 11.725
14.054
27.474 30.542
9.099
10.232
15.671
16.646
27.204 31.832
56.661
61.907
Exports of goods and services

………….6.472

1.502
2.675
2.874
1.724
2.001
4.507
4.843
1.715
2.106
3.258 3.496
4.852 5.809
10.812
11.606

Imports of goods and services
………….

.

8.028
14.576
18.164
14.112 15.609
32.046
37.090
10.700
11.428
20.198
24.028
34.379
37.524 70.898
83.517

b.

Invisibles

………………………..1.222

Commodities
…………………….
6.375
6.368
11.562
14.408
12.656 13.990
28.097
32.233
8.947
9.497
16.559 19.730
29.774
31.956 59.720
69.994
1.085
1.660
3.014 3.756
1.456
1.619
3.949
4.857
1.753
1.931
3.639
4.298 4.605
5.568
11.178
13.523
Invisibles

…………………………

7
…460

988

..

171
589
3.138
663
-446
65
1.705
-114 -910
1.269
3.886
2.323
–117
3.425
10.004
3.

Export/Import gap

……………………

1. Factor income psymenta b)

…………..

600
1.447
2.046
1.852
2.702
6.465 7.325
1.201
1.456
3.624
4.331
3.150
4.903
11.994
14.230

5.

Trade gap

…………………………

..

771
2.036
5.184
2.515
2.256 6.530 9.030
1.087
546
4.893 8.217 5.473
4.786
15.419
24.234

3nluding ,,others”.
Includes estimate of servicing the initial debt as well as the new debt ariaing from the projected yearly deficits on the assumption that 50 per cen of the trade
gap is fihled by borrowing; (see Annexes II and III).

Bro,,:
Overgenomen uit: UNCTAD-secretariaat (TD/34/Supp. 1), blz. 86.

van het totale deviezentekort in het jaar 1975 ad $ 16,9 mrd.

resp. $ 25,9 mrd. nog een bedrag van $ 1,5 mrd. aan

technische hulpverlening begrepen
10.

Het is opvallend hoezeer door de UNCTAD-studie de

nadruk wordt gelegd op het totale deviezentekort (handels-

tekort + tekort op de kapitaalopbrengstenbalans) als

,,bottle-neck” bij het nastreven van de groeidoelstellijigen

voor 1975. Deze nadruk vloeit voort uit de bevindingen van

de door het UNCTAD-secretariaat ondernomen afzonder-

lijke landenstudies. Hierin komt namelijk tot uitdrukking,

dat bij het nastreven’ van de groeidoelstellingen voor

1975 het resulterende handelstekort voor dé meeste landen

vangrotere omvang zal zijn dan het spaartekort (savings/

investment gap). Dit is vooral van toepassing op de Azia-

tische landen en in iets mindére mate voor de landen in

Latijns-Amerika. Als uitzondering springt daarentegen een

aantal Afrikaanse landen naar voren, waar dus het spaal-

tekort een grotere ,,bottle-neck” voor het bereiken van de

gestelde groeidoelstellingen is dan het handeistekort.

Voor dit laatste verschijnsel voert de UNCTAD-studie de

volgende verklaring aan: ,,This is not an unexpected
result, since countries with particularly low levels of

income and consumption may well experience conside-

rable difficulty in providing adequate savings out of their

own resources and may therefore encounter a savings

constraint before they reach a trade constraint

Aangezien a. het tekort op de kapitaalopbrengsten-

balans van een land per definitie afhankelijk is van de

kapitaalbewegingen, die in voorgaande jaren hebben

plaats gevonden; en b, de kapitaalbewegingen in voor-

gaande jaren op hun beurt weer bepaald zijn door het

meest nijpende financieringstekort (hetzij handelstekort,

hetzij spaartekort), kan dus inderdaad geconcludeerd

worden, dat in die ontwikkelingslanden, waar het handels-

tekort structureel van grotere omvang is dan het spaar-

tekort, het uiteindelijke financieringstekort de som is van

het handelstekort en het tekort op de kapitaalopbrengsten-

balans. Niettemin lijkt het ons van belang er op te wijzen,

dat het door de UNCTAD-studie genoemde totale deviezen-

tekort ad $ 16,9 mrd. resp. $ 25,7 mrd. logischerwijze

een onderschatting moet zijn van het totale financierings-
tekort, waarmee de gezamenlijke ontwikkelingslanden bij

nastreving van de groeidoelstelling van 5,2 resp. 6,1 %

in 1975 zullen hebben te kampen. Dit wordt eigenlijk ook

al toegegeven door de UNCTAD-studie, wanneer gesteld

wordt dat de juiste grootte van het totale financieringstekort
voor de gezamenlijke ontwikkelingslanden wordt gevonden

door het optellen van de meest
nijpende
tekorten (hetzij

deviezentekort, hetzij spaartekort), die zich in de afzon-

derlijke ontwikkelingslanden voordoen.

10
Zoals men ziet is dit bedrag nog niet opgenomen in de
totale ,,trade gaps”, welke tabel 2 voor 1975 te zien geeft.
11
UNCTAD-secretariaat, a.w., bLz. 83,

ESB 10-7-1968

655

Daar het binnen het kader van de IJNCTAD-‘studie

echter niet mogelijk bleek om de spaartekorten van een

aantal, voornamelijk Afrikaanse, landen te kwantificeren,

heeft de studie zich vooral toegelegd op een berekening
van het totale deviezentekort (handelstekort + tekort op

de kapitaalopbrengstentalans), dat zich in
1975
bij het

nastreven vaii de
5,2%
(resp. 6,1 %) groeidoelstelling

in de gezamenlijke ontwikkelingslanden zou voordoen.

Dientengevolge moet het totale fitancieringstekort in elk

getal groter uitvallen dan het gekwantificeerde deviezen-
tekort ad $
25,7
mrd. resp. $16,9 mrd. Wél brengt de hier-

boven genoemde conclusie dat het handelstekort over het
algemeen van grotere omvang blijkt te zijn dan het spaar-

tekort met zich mee, dat dit totale financieringstekort
het totale deviezentekort slechts in beperkte mate zal

overtreffen.

MIDDELEN TER OVERBRUGGING

VAN HET IN 1975 VERWACHTE DEVIEZENTEKORT

Op welkewijze kan nu het door de UNCTAD-studie voor

1975 verwachte totale deviezentekort ad $ 25,7 mrd. resp.

S 16,9 mrd. worden overbrugd? Tabel 3 toont de oplossing

die door de UNCTAD-studie zelU wordt gesuggereerd.

Zoals uit de tabel te zien is, valt deze oplossing uiteen

in de posten 9, 12, 13 en 16 van de gezamenlijke kapitaal-
balans van de ontwikkelingslanden, waarbij 16 (,,Unfilled
gap”) in deze vorm meer als voorlopige residupost dan als

definitieve oplossing ‘fungeert. Gemakshalve zûllen wij

– Post 13 (,,Suppliers’ credit”) verder buiten beschouwing

laten. Ten aanzien van de posten 9, 12 en 16 valt dan nog

het volgende op te merken:

1. Uit de tabel blijkt dat de UNCTAD-studie er op
rekent, dat tenminste 70% van het in 1975

verwachte

deviezentekort van de gezamenlijke ontwikkelingslanden

gefinancierd zal worden door post 9 (,,OECD official

aid (net)”) tezamen met post 12 (,,OECD.private capital

(net)”). Anders gezegd:
de totale netto kapitaalstroom

vanuit de geïndustrialiseerde landen zal volgens de UNCTAD-

studie in 1975 $ 12,5 mrd. moeten bedragen om in dat jaar

de. groeidoelstelling van 5,2 % te kunnen bereiken; en $ 17,9

mrd. ter verwezenlijking van de groeidoelstelling van 6,1 %

‘ in datzelfde jaar.
Op de haalbaarheid van deze veronder-

stelling zullen wij in een tweedeartikel nader ingaan,

waar de totstandkoming van een totale netto kapitaal-

stroom naar de ontwikkelingslanden ter grootte van

minimaal 1 % van het BNP van de geïndustrialiseerde

landen aan de orde zal worden gesteld.

1
2. Een enkele opmerking nog met
betrekking
tot Post

16 van tabel 3, de ,,Unfilled.gap”. De UNCTAD-studie

wekt sterk de indruk, dat men al met al weinig reële moge-

lijkheden meer zag om het resterende deviezentekort ad

$.4,0 mrd. (lage schatting) resp. $7,4 mrd. (hoge schatting)

te overbruggen en daarom zijn toevlucht tenslotte maar

heeft gezocht in de opvoering van een post ,,Unfilled gap”.

Niettemin wordt elders in de studie .toch nog een poging

ondernomen om ook deze ,,unfilled gap” nog ie over-

bruggen. Deze poging is tweeledig van opzet en komt op

het volgende neer:

a. Door middel yan een meer gerichte belastingpolitiek zou

• in die ontwikkelingslanden waar het spaartekort groter is dan.

het deviezentekort het gezamenlijk. deviezentekort met naar

schatting $ 1 mrd. kunnen worden verkleind.
De door

fiscale maatregelen geïnduceerde relatieve toeneming van
• de besparingen zou namelijk per definitie tot een relatieve

TABEL 3.

Balance
of payments
of
developing countries
(Billions of dollars)

1963

1975

(At current

(At 1960 prices)

priccs)


Low

High

A. Current account

Import surplus
0,8
3,4
10,0
(-0,l)a)
Factor

income

paynients
(net)

……………….
4,9
12,0
14,2
Technical assistance

1,0
1,5 1,5
Trade gap
(

1+2+3)
. .
6,7
16,9
25,7
Change in reserves
0,8
– –
Discrepancy

…………

….

0,5
– –
Net balance ofautonomous
fiows (= 4+5+6)
8,0
16,9
25,7
Net transfer

(=1+3+5+6)
3,1
4,9
11,5

B.

Capital account
9. OECD official aid (net)


10. Other official aid
5,8
0,8
85
129

Total official ald (=9+10)
6,6
8,5
12,9
OECD private capital (net)
1,8
4,0
5,0
Suppliers’

credit (guarant- eed and unguaranteed net)
1,0
0,4
0,4
Total capital infiow
(= ii
+
12+13)
……………
12,9 18,3
IS. Capital outflow
.1,5
– –
Unfilled gap
………….
4,0
7,4
Balance on capital sccount

.9,5

(=14+15+16)

.-

8,0
16,9
.

25,7

a) At 1960 prices; negative sign indicalea export surplus.

Bron:
Overgenomen uit: UNCTAD-secretariaat
(TD134/Supp.
1), Annex II, blz. 3.

daling van het consumptieniveau in deze ontwikkelings.

landen moeten leiden. Een’relatieve daling van het con-

surnptieniveau betekent echter ‘tevens een relatieve daling

van de- import van consumptiegoederen. Het gevolg van

dit alles zou volgens de UNCTAD-studie een $ 1 mrd.

verkleining van het totale handelstekort en daardoor

van het .totale deviezentekort van de gezamenlijke ont-

wikkelingslanden kunnen zijn.

b. Verder zou een zodanige opvoering van de import-

substitutie teweeg moeten – wordeii gebracht, dat de totale

invoer van – de gezamenlijke ontwikkelingslanden in 1975

slechts 14% van hun gezamenlijke BNP zo,, bedragen.

Momenteel is deze invoerquote nog 16%. Het totale

handelstekort van de gezamenlijke ontwi kkelingslandèn

– en daardoor hun totale deviezentekort – zou door deze

maatregel met $ 8,0 rnrd. kunnen worden gereduceerd.

Zoals men in label 3 kan zien is deze maatregel voor-

namelijk opgesteld ter overbrugging van de ,,unfilled gap”,

die zich bij nâstreving van de hoge groeidoelstelling in

1975 zal voordoën
12
De wenselijkheid van deze ingreep

wordt evenwel door de UNCTAD-studie zelf reeds sterk

in twijfel getrokken: ,,The projections generally assume

continuation of import substitution by developing countries

at the same rate as in the past, even though there is sub-

stantial evidence that because of the small size of national

markets, much of the import substitution of the
1950’s

involved the creation of excess capacity and other forms

of inefficiency. 1f import substitution were stepped up

beyorid the historical rate, the cost in terms of inefficiency
might well be even higher”
13

M. B. Enwirda

52
Bij nastreving van de lage groeidoelstelling zou met een
terugbrenging van de importquote van de gezamenlijke Ont-
wikkelingslanden tot 15 Y. van het BNP kunnen worden volstaan.
13
UNCTA.D-secretariaat, a.w., blz. 93/94.

656

Westmh rova. en de Verenigde Staten,

een wévaartsvergeIijking

Onlangs heeft Drs. R. Iwenia in twee boeiende artikelen

in
ESI3
het verschil in welvaartsniveau tussen de Verenigde

Staten en enige Westeuropese landen geanalyseerd
1
. Dit

geschiedde met behulp van economische gegevens over het

jaar 1965. Wij zouden graag gezien hebben dat de heer

iwerna de bronnen van de door hem gebruikte economische

grootheden had verrield. •Door dit na te laten bezorgt hij

onnodig veel moeilijkheden aan de lezer, die deze bronnen

zelf wil naslaan en beoordelen. Dit valt des te meer te be-

treuren daar deze artikelen in een grote kring niet veel

interesse zijn gelezen. Deze ruime belangstelling is niet

alleen een gevolg van de actualiteit van het onderwerp,

maar moet vooral worden toegeschreven aan de heldere
analyse en de bondige betoogtrant van de schrijver. Wij

willen ingaan op enkele door iwema behandelde zaken en
trachten daarbij enige kritische kanttekeningen te maken.

WEL VAARTSANALYSE

Men zal zich herinneren dat Iwema zeer terecht heeft op-

gemerkt dat het meest geschikte welvaartscriterium
het

bruto nationaal produkt per man-uur van de beroeps-

bevolking
is. Met het doel de economische factoren te

.lokaliseren die de welvaartsvoorsprong van de Verenigde

Staten op Klein-Europa
2
kunnen verklaren, maakt

Iwema gebruik van de formule:

E/L . C/E . Y/CH = Y/LH. Zoals overigens door

Jwema wordt onderkend isvan theoretisch oogpunt uit

bezien deze formule niet helemaal correct, maar zou deze

moeten zijn:

E/L . C/E . Y/CM . MJH = Y/LH, waarin M = het

gemiddeld aantal uren per jaar dat de kapitaalvoorraad

wordt benut en H = het gemiddeld aantal werkuren per

werkende persoon per jaar. –

Iwema veronderstelt dat bij de welvaartsontleding tussen

de Verenigde Staten en de Europese landen het effect van

de divergentie tussen M en .H zed gering is. Hij merkt

immers op:

,,Tn werkelijkheid is het aantal gewerkte uren per jaar (H)
voor de kapitaalvoorraad en de beroepsbevolking niet hetzelfde
(continu-bedrijven), doch de gemaakte – relatief geringe —

fout is voor de onderzochte landen waarschijnlijk ten naaste bij
gelijk en zal daarom bij de vergelijking nauwelijks een rol
spelen”.

Het komt ons voor dat Iwema te haastig de ,,welvaarts-

formule” heeft vereenvoudigd. Bij nadere analyse krijgt

men namelijk de indruk dat in de Verenigde Staten de

discrepantie tussen de uren dat de kapitaalvocirraad wordt

benut (M) en de gemiddelde werktijd per persoon (H)

beduidend groter is dan in West-Europa. Tn de verwerkende

industrie
3
van de Verenigde Staten blijkt het percentage

arbeiders dat in ploegendiensten werkt ongeveer twee maal
zo hoog te zijn als in Nederland, West-Duitsland, Frankrijk

en het Verenigd Koninktijk (zie tabel 1).

Dit betekent dat de kapitaalinstallaties in de Amerikaanse

ESB 10-7-1968

TABEL 1.

Het aantal ploegenarbeiders van 18 jaar en ouder in
Y.
van

het totaal aantal arbeiders van 18 jaar en ouder in de

verwerkende industrie
a)

Land

Onderzochte

Percentage
periode

ploegenarbeidern

40
de
.cember 1963
18
Verenigde Staten …………….1962-1963

oktober 1960
19
Nederland

…………………
West-Duitsland

……………..
juli
1963
21
Frankrijk
…………………….
Verenigd Koninkrijk oktober 1964
21

a) Het statistische onderzoek in de diverse landen verschilt qua omvang en
aanpak. De in de tabel gegeven cijfers zijn het resultaat van een poging het
materiaal uit de nationale statistieken onderling vergelijkbaar te maken door
de cijfers over de omvang van ploegenarbeid op Nederlandse (statistische)
grondslag te brengen (in Nederland wordt de omvang van ploegenarbeid ge-
meten door de ploegenarbeiders van 18 jaar en ouder uit te drukken in
Y.
van
het totaal aantal arbeiders van 18 jaar en ouder). Een beschrijving van de daar-voor nodige bewerkingen
ZOU
vrij veel ruimte vergen. In het kader van dit
artikel willen wij enkel volstaan met de originele bronnen te vermelden waaruit
de cijfers over de omvang van ploegenarbeid zijn ontleend:
Verenigde Staten:

Wages and Related Benefits, part 11: Metropolitan
(,reas, United States and regional sun,marie.s,
1962163,
U.S. Dept. of Labor, Bullelin no. 1345-83.
Nederland:

Sociale Maw,dslatistiek,
augustus 1964.
West-Duitsland:

Wirtscltaft und Slatistik
(1961), no. 12.
Frankrijk:

Revue Française du Travail,
19(1965), no. 2.
Verenigd Koninkrijk:
Ministrp
of
Labour Gazeile,
april 1965

industrie veel intensiever worden gebruikt dan in de Euro-

pese en dat derhalve het verschil tussen M en H in de

Amerikaanse industrie niet onbelangrijk groter is dan in
de Europese. Wij hebben de indruk dat dit ook wel eens

het geval zou kunnen zijn voor de dienstensector. In tegen-

stelling met West-Europa is het in de Verenigde Staten

niet ongebruikelijk dat gedurende het gehele etmaal ver-

kooppunten e.a. dienstencentra open blijven voor het

publiek.

•Nu is er geen statistisch materiaal beschikbaar,dat ons

mogelijk maakt de relatie M/H voor de Amerikaanse en

de Westeuropese economie te kwantificeren. Wel zullen

wij in het hierna volgende trachten met behulp van een

rekenvoorbeeld aan te tonen dat ten gevolge van een

grotere omvang van ploegenarbeid de ratio M/H in de

Verenigde Staten waarschijnlijk niet onbelangrijk hoger

moet zijn dan in Klein-Europa.

REKENVOORBEELD

.

Het voorbeeld heeft betrekking op de situatie in de
ver-

werkende industrie
om reden dat daarvoor enige gegevens

bekend zijn over de omvang van ploegenarbeid. Gebruik

wordt gemaakt van de volgende gegevens:

ESB
van resp. 28 februari en 6 maart 1968. In de analyse zijn betrokken Nederland, België, Frankrijk
en West-Duitsland.
Tot’ale industrie, met uitzondering van de mijnbouw, de
bouwnijverheid en de gas-, water- en elektriciteitsbedrijven.

657.

– In de Verenigde Staten werkt 40 % van alle arbeiders in

ploegendiensten, in Klein-Europa 20
%.


– De kapitaalintensiteit in de Verenigde Staten is ruim

twee maal de intensiteit van die in Klein-Europa
.

Voorts wordt van de volgende veronderstellingen uitgegaan:

– Zowel in de Verenigde Staten als in Klein-Europa werkt

de helft van de ploegenarbeiders in twee-ploegendienst en

de helft in drie-ploegendienst.

– De gemiddelde jaarlijkse werktijd in de Verenigde

Staten bedraagt 1.950 en in Klein-Europa 2.100
uur.

TABEL 2.

Rekenvoorbeeld ploegenarbeid
twee-
ploegen-
dienst

drie-
ploegen- dienst dagdienst
totaal

Verenigde Staten:

20
20
60
100
apita
Kalvoorraad per persoon
4
6 2
3,2
C (= totale kapitaalvoorraad)
80
120
120
320

Aantal personen

…………….

M (= uren per jaar dat de
kapitaalvoorraad

gebruikt
wordt)

………………3.900
5.850
1.950
H (= jaarlijkse werkuren per
1.950 1.950
312.000 702.000 234.000
1.248.000
persoon)

…………….1.950

C.H
…………………..
156.000
234.000
234.000 624.000
C.
M

…………………..

M/H

………………….
2
.
3
1
2

Klein-Europa:
10 10
80
100
Kapitaalvoorraad per persoon
2
3
1,2
1,46
Aantal personen

…………

20
30
96
146
4.200
6.300
2.100 2.100 2.100
2.100

C

…………………….

C.M

………………….-
84.000
189.000
201.600
474.600

M

…………………….
H
……………………..

42.000
63.000 201.600
306.600
C.H
……………………
M/1-i

………………….
2
3
1
1,55

Het resultaat van het rekenvoorbeeld (tabel 2) is dat de

ratio M/H in de verwerkende industrie van de Verenigde

Staten bijna 30% hoger is dan in Klein-Europa.

De vraag
blijft:
zijn de veronderstellingen die aan deze

calculatie ten grondslag liggen in voldoende mate realis-

tisch? Bij gebrek aan gegevens kan deze vraag eigenlijk

niet worden beantwoord. Er zijn slechts enige globale mdi-

caties die erop wijzen dat onze hypothesen niet onrealistisch

zijn. Zowel in de Nederlandse als in de Engelse verwerkende

industrie werkte omstreeks 1963 meer dan 40% van de

industriearbeiders in twee-ploegendienst
5
. Het lijkt ver-

antwoord een positieve correlatie tussen de kapitaal-

intensiteit en het aantal ploegendiensten te veronderstellen,

immers naarmate het produktieproces kapitaalintensiever

is, neemt de aantrekkelijkheid met meer ploegen te werken

toe.

Het lijkt ons verantwoord te stellen dat er goede gronden

aanwezig zijn de hiervoor geciteerde uitspraak van Iwema

in ernstige twijfel te trekken.
Dit heeft tot gevolg dat ook

de conclusies van Iwema over de kapitaalproduktiviteit

van de ‘in de vergelijking betrokken landen twijfelachtig
zijn. Wij hebben de indruk dat de Amerikaanse kapitaal-

produktiviteit – te definiëren als Y/CM – in vergelijking
met de Europese in belangrijke mate is overschat en dat

het zeer wel mogelijk is dat de eerst vermelde dichter bij

die van de Benelux-landen dan bij die van West-Duitsland

en Frankrijk ligt. In de theorie van de economische groei

is de kapitaalcoëfficiënt, dit is de reciproke van de kapitaal-

produktiviteit, een belangrijk instrument.

Marris
6
heeft reeds aangeduid dat de bezettingsduur
van de kapitaalvoorraad (,,rate of utilization”) een extra

dimensie toevoegt aan de produktiefunctie. Ter afronding

van deze paragraaf zouden we hierop graag willen aanhaken

en willen opmerken dat in de economische theorie
dit ver-

schijnsel van de bezettingsduur van de kapitaalvoorraad niet

mag worden verwaarloosd.

WELVAARTSMETING

Wij hebben de indruk dat de cijfers die de heer Iwema

presenteert
(ESB,
28 februari jI., blz. 174) over het ge-

middeld aantal man-uren voor een aantal landen niet juist

zijn. Hij definieert het aantal man-uren per jaar als het

produkt van de lengte der gemiddelde werkweek en het

jaarlijks aantal werkweken. Deze definitie is zeer vaag.

Immers op het vraagstuk hoe de werkweek te meten, wordt

niet nader ingegaan. In het algemeen geschiedt de meting

van de wekelijkse werktijd met behulp van de betaalde

uren van de werknemers, een gegeven dat wordt verzameld

bij loonenquêtes. In deze enquêtes worden betrokken de

tijdens de onderzoekperiode aanwezige werknemers, zodat

met de invloed van ziekteverzuim en andere vormen van

verzuim geen rekening wordt gehouden. Men verkrjgt hier-

door een wekelijkse werktijd die in feite het resultaat is

van een sommering van de coitractuele wekelijkse werk-

tijd en het overwerk van aanwezige personen. Niet in

mindering worden gebracht de afwezigheidsuren wegens

vakantie- en feestdagen, ziekte, e.a. verzuimfactoren.

Men zou bij de berekening van de jaarlijkse daadwerke:

lijk gewerkte tijd rekening kunnen houden met de afwezig-

heidsuren door de wekelijkse werktijd te vermenigvuldigen
met het jaarlijks aantal effectieve werkweken. Hierover be-

staan echter onvoldoende gegevens. De afwezigheidsuren

vanwege vakantie- en feestdagen kan men vrij goed benade-
ren. Over het ziekteverzuim zijn echter nauwelijks gegevens

bekend
7.
Verwacht mag worden dat door de heer Iwema

de officiële statistieken over de wekelijkse werktijden werden

geraadpleegd en dat hij bij de vaststelling van het jaarlijks

aantal
effectieve
werkweken rekening heeft gehouden met

vakantie- en feestdagen. Wij hebben hetzelfde gedaan en

constateren voor enige landen• niet geringe afwijkingen

(zie tabel 3). Uit de gegevens kan men de gemiddelde

jaarlijkse werktijd afleiden.

Voorbeeld Verenigde Staten:

Theoretisch maximaal aantal uren
…….
52 x 40,5

=

2.106
uur
vakantie
…………
10 x 40,5/5
(uur) =
81
uur
feestdagen
………
7 x 40,5/5
(uur) =
57
uur

—138
uur

Jaarlijkse werktijden
……………………..
1.968
uur

Ontleend aan een artikel van Barna, T.: ,,Investment in
industry – bas Britain legged?”,
The Banker,
april
1957.
(Barna heeft cijfers gepubliceerd over de Verenigde Staten,
het Verenigd Koninkrijk en Duitsland). Een onderzoek van
Franzmeyer, F. (,,Anlagevermögen und Produkfionskapa-
zitat in der Niederllndische Industrie”, gepubliceerd in het Vierteljahrshefte zur Wirtschaftsforschung,
1966,
Heft no. 1)
indiceert dat de kapitaalintensiteit van de Nederlandse industrie
hoger is dan die van West-Duitsland.
In het Amerikaanse onderzoek werden de arbeiders geteld,
werkzaam in
de tweede ploeg, werkzaam in de derde ploeg en
overige ploegen. Het is onze indruk dat het percentage twee-
J ploegenarbeiders in de Verenigde Staten circa
50 bedraagt.
6
Marris, R.:
The Economics
of
Capital Utilisation, a
report on multiple shiftwork,
Cambridge University Press, 1964,
blz.
4.
Nederland vormt hierop een gunstige uitzonderingspositie
door publikaties van het Nederlands Instituut voor Praeventieve
Geneeskunde.

658

TABEL 3.

Werktijden, vakantie- en feestdagen, 1965 a)

Gemiddelde
wekelijkse
werktijd
Vakantiedagen Feestdagen
(in uren) b)

Verenigdè Staten
40,5
ca. 10
ca.

7
Nederland
46,5
15
7
België
45,2
15 10
West-Duitsland
44,5

15
10
Frankrijk
45,6
20
17

Dank ben ik verschuldigd aan de heer A. Poulissen, medewerker van
de afdeling Sociale Zaken van de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken, die zo
vriendelijk was mij te voorzien van de nodige documentatie en mij bij de inter-pretatie daarvan heeft geholpen.
Verenigde Staten: 1964-1965. Statistical
Su,oplement. Monlhly Labor
Review.
,,Gross hours in mining, manufacturing, transportation and public
utilities; wholesale and retail trade; finance, insurance and real estate, services
and miscellaneoua”. Geen gegevens over landbouw.
Nederland:
Sociale Maandstat is: hek,
jrg. 14, no. 6, juni 1966, waarin gegevens
over arbeidstijd handarbeiders en beambten in verschillende sectoren (industrie
en dienstensector), ,,Gemiddelde arbeidsduur per week
(mcl.
Overuren) van
arbeiders en beambten”.
België:
Arbeidsbiad,
jrg. 68, no. S. ,,De statistiek inzake de arbeidsduur”
(gegevens over arbeidsduur, handarbeiders werkzaam in de industrie). Gegevens
met betrekking tot beambten werkzaam in de industrie en handarbeiders en
beambten werkzaam in de dienstensector, geput uit:
Documentatie over de
bezoldigingen
en verzameling van de beslissingen der paritaire comités, (los-bladige uitgave van het N.V. C.E.D. – Sociale Wetten).
West-Duitsland:
Wirischaft und Statislik,
1966, no. 2, februari, blz. 112.
,,Erwerbsbevölkerung und Arbeitszeiten”. Ergebnis des Mikrozensus 1965.
Frankrijk:
Bulletin Mensuel de Statistiques Sociales,
,,Durée hebdomadaire
moyenne de travail” (ensemble des ouvriers et employés), février 1968, blz. 38. Geen gegevens over landbouw.

TABEL 4.

Gemiddelde jaarlijkse werktijd
(in uren)

Volgens onze
Volgens berekening
berekening
Drs. R. Twema

Verenigde Staten
1.968
1.985
2.213
2.213
2.114
1.938
Nederland

……………..

West-Duitsland
2.092
2.073
België

…………………

Frankrijk

………………
2.034
2.098

TABEL 5.

Bruto nationaal produkt per man-uur in 1965
(in koopkrachtpariteiten)

Volgens onze
I
Volgens berekening berekening

I

Drs. R. Iwema

Verenigde Staten

$ 4,65

$ 4,83
Nederland
……………..
.
$ 2,42

$ 2,42
België
………………..

.$
.

2,23

$ 2,43
West-Duitsland

S 2,42

$ 2,44
Frankrijk
………………

.$ 2,43

$ 2,35

De uit onze berekeningen resulterende cijfers geeft tabel

4. Het blijkt dat de uren voor Nederland gelijk zijn en

dat de relatieve verschillen voor de overige landen, met

uitzondering van BelgiE,7 gering zijn. Behalve voor België

bij/ven de conclusies van Iwema over de welvaartstoestand

dan ook geldig.
Uit de gegevens van tabel
5
blijkt tenslotte
dat:

De Amerikaanse Welvaart ongeveer het dubbele blijkt

te zijn van die van de Kieineuropese landen.

Tussen Nederland, West-Duitsland en Frankrijk nauwe-

lijks een verschil bestaat.

België enigermate ten achter is op de andere Europese

landen.

Nu moet hier onmiddellijk bij worden opgemerkt dat

relatief geringe verschillen tussen het berekende bruto na-

tionaal produkt per man-uur der onderscheidene landen –

ten gevolge van de vrij grove calculatiemiddelen – nau-

welijks als reëel mogen worden aangemerkt. Het is dan

ook zeer wel mogelijk dat de uit onze cijfers resulterende

achterstand van België moet worden toegeschreven aan

meetfouten.

Drs. H. J. Nabbe

Naschrift

De geachte inzender laat zich in zijn inleiding dermate

vriendelijk over mijn artikelen uit, dat ik bijna in de ver-

leiding kom, hem (ook!) in de rest van zijn betoog zonder

meer gelijk te geven. Voor een deel heeft hij dat zeker ook.

Inderdaad heb ik te lichtvaardig gesteld dat de gemaakte

fout bij het veronachizamen van verschillen in ploegen-

arbeid voor de onderzochte landen waarschijnlijk ten

naaste bij gelijk is. Drs. Nabbe heeft mij ervan overtuigd

dat voor de Verenigde Staten het begrip ,,ten naaste bij”
dan wel wat erg ruim moet worden geïnterpreteerd. Dat

neemt natuurlijk niet weg dat de kapitaalproduktiviteit,

zoals ik haar heb gedefinieerd, in de Verenigde Staten

hoger ligt dan in de Benelux. Overigens wordt de door mij

uit een en ander getrokken conclusie, nI. dat de Ameri-

kaanse voorsprong vooral blijkt te liggen in de gemiddelde.

kapitaalvoorziening per man, die oneveer het dubbele

van de Europese is, door Drs. Nabbe onaangetast gelaten.

Hetzelfde geldt voor de welvaartsmeting, die bij Drs.

Nabbe en bij mij resulteert in een – in het licht van de

waarschijnlijke foutenmarge – opvallende gelijkheid

tussen onze resultaten, zowel voor de EEG-landen als voor

de, een ongeveer twee maal zo hoge waarde vertonende,

Verenigde Staten. Een uiteenzetting van de statistisch-

technische problemen bij het meten van het aantal mali-

uren per jaar leent zich minder voor een ,,derde pagina”-

artikel in
ESB.
Mijn gegevens waren ontleend aan het

Yearbook of Labour statistics
van het Internationaal

Arbeidsbureau in Genève en aan
Europe’s Needs
,
and
Resources
van het ,,Twentieth Century Fund”, New York,

aangevuld met incidentele informatie uit de betrokken

landen. Deze gegevens kunnen zeer wel van globalere aard

zijn dan die, welke Drs. Nabbe aan de nationale statis-

tische bronnen heeft ontleend. Anderzijds kunnen de aan

internationale bronnen ontleende cijfers een grotere ver

geljkbaarheid bezitten.

R. Iwema

staalconstrucdes

DE VRIES ROBBEc0

metalen ramen en deuren

GORINCHEM

ESB 10-7-1968

659

Europa
~
–bladw*
.1
jzer no. 46

ALGEMEEN

Bij het omsnieden van de nu nog gedecentraliseerde Euro-

markt bestaande uit de zes volkshuishoudingen tot één
economische gemeenschap heeft het economisch recht

een groeiende invloed. A. Jacquemin betoogt in
Revue du

Marché
Commun
(1967, no. 105) dat de uitwerking van

de nieuwe marktstructuur grotendeels een zaak van

juristen is. Hij breekt een lans voor daadwerkelijke deel-

neming in dit proces door de Europese economen. Dit zou

tot een nieuwe aanpak kunnen leiden, waarbij de nood-

zaak van wettelijke regeling meer aan de economische

behoeften kan worden getoetst.

In een interessant onderzoek o.l.v. J. F. Brown in

Europa Archiv
(1967, no. 22) wordt de visie van het Euro-

pese communisme op de Westeuropese integratie geanaly-

seerd. In de loop van de jaren heeft de aanvankelijk af-

wijzende houding plaatsgemaakt voor een meer afwach-
tende en pragmatische instelling. Dat betekent overigens

niet dat de communistische wereld monolithisch reageerde

op de EEG. Zo was vanaf het begin de benadering van

Joegoslavië weinig theoretisch. Daar bekommerde men zich

minder om de te verwachten uitbuiting der arbeidersklasse

en versterking van de monopolies, maar vreesde men vooral

de economische gevolgen en het verlies van politieke

invloed van de ,,ongebonden” staten. Omstreeks 1962

moesten de communisten erkennen dat in de EEG resul-

taten waren bereikt, die tot een

hun overigens wel-

kome

Amerikaans-Europese tegenstelling zouden kun-

nen leiden. In de kleinere Oosteuropese landen ziet men

zich gedwongen tot maatregelen om de economische nade-

len van de westelijke blokvorming tegen te gaan. Polen

opent in 1964 handelscontacten, Joegoslavië streeft naar een

handelsakkoord, terwijl Oost-Duitsland wel het meest

vijandig blijft, maar tegelijkertijd als makelaar kan fun-

geren, omdat het een bijzondere entree tot de gemeen-
schappelijke markt heeft door de ,,Tnterzonenhandel”.

De Sowjet-Unie staat nog steeds afwijzend tegenover de

EEG. Haar
,
bezwaren richten zich nu veeleer tegen de

EEG als versterking van het ,,Duitse revanchisme” dan als

economische basis der NAVO. Interessant is tenslotte dat
met name de Italiaanse communistische partij reeds sinds

1962 de Europese integratie openlijk aanvaardt en zich

inspant voor haar arbeiders een grotere zeggenschap bij

deze integratie te verwerven.

SOCIALE POLITIEK

In
Europa Archiv
(no. 18/1967)geeft Norbert Welter een

overzicht van de recente ontwikkelingen op het terrein

van de sociale politiek in de EEG. Met de Commissie


constateert hij dat de balans positief is voor wat betreft

de uitvoering van uitdrukkelijke verdragsverpl ichtingen op

sociaal terrein, zoals het vrije verkeer van werknemers

Samengesteld door de Europa-Jnstitut en van de

Rijksuniversiteit te Leiden en de Universiteit van Ansterdani


dat op 1juli1968 tot stand zal zijn gekomen

en de
bepalingen betreffende de sociale zekerheid voor migre-

rende werknemers. Voor wat betreft de uitvoering van

art. 118, wijst Welter erop dat de Commissie bij haar

extensieve interpretatie van dit artikel op grote tegen-

stand is gestoten. De regeringen wensen de taak van de

Commissie hier zoveel mogelijk te beperken. Een nieuwe

start werd gemaakt toen Raadsvoorzitter Veidkamp in

december 1966 de Raad bijeenriep teneinde een memo-

randum van zijn hand te bespreken. In dit memorandum

werd een aantal studies op grond van art. 118 voorgesteld
om de sociale samenwerking binnen de Zes weer op gang

te krijgen. De Raad kon zich hiermee verenigen en voegde

nog een aantal andere onderwerpen hieraan toe.

Dat dit alles nog niet betekent dat hiermee de sociale
harmonisatie weer op gang is gebracht,bleek wel uit de

Raadszitting van juni 1967 waar de ministers het niet eens

konden worden over de wijze, waarop de Commissie de

sociale partners mag inschakelen bij haar werkzaamheden.

Ten onrechte veronderstelt Welter, dat op grond van het

resultaat van deze Raadszitting de Commissie bij de samen-

werking met de sociale partners in de toekomst zal moeten

inbinden. Als de Commissie dit doet dan is dat op grond

van haai eigen verantwoordelijkheid en zeker niet op grond

van het resultaat van de bijeenkomst van de Raad waar

op dit punt immers niets werd beslist. Welter is van oordeel,

dat de nu twee jaar durende stagnatie op sociaal terrein

nu wel eens ten einde zou kunnen zijn. De permanente

vertegenwoordigers hebben opdracht gekregen om in

samenwerking met de Commissie een werkprogramma van

vraagstukken op sociaal terrein op te stellen, dat daarna

door de Raad besproken zalworden. Schrijver meent dat
de Commissie de mogelijkheden voor samenwerking op

sociaal terrein tussen de Lid-Staten nu realistischer beziet
dan voorheen, zeker voor wat betreft het rekening houden.

met de wensen van de regeringen. Als de Europese Com-

missie dit ook werkelijk doet, zal zij volgens Welter meer

succes hebben dan haar ongelukkige voorganger, de

EEG-Commissie.

De institutionele problemen, die een gemeenschappe-

lijke politiek met zich meebrengt zijn het onderwerp van

een artikel door E. Heynig in de
Revue du Marché Corn-

mun
(1967, no. 100). De verantwoordelijkheid voor de

sociale politiek is blijven berusten bij de Lid-Staten, maar

art. 118 draagt de Commissie op nauwe samenwerking

tussen de landen te bevorderen. Nagegaan wordt door

Heynig hoe de bevoegdheden van de Gemeenschaps-

instellingen op dit terrein verdeeld zijn en welke activi-

teiten Raad en Commissie hebben ontplooid. Het verband,

dat bestaat tussen sociale en algemene politiek binnen de

Lid-Staten lijkt er op te wijzen, dat overeenkomsten door

,,vertegenwoordigers in het kader van de Raad bijeen”

gesloten zouden moeten worden. De auteur is het daarmee

echter niet eens. Bovendien bepleit hij, dat alle bij het

660

sociale beleid betrokken grdeperingen geraadpleegd

worden. –

Mr. J. A. U. M. van Grevenstein bespreekt in
Sociaal

Maandblad Arbeid
(no. 9, oktober 1967) de problemen

rond het Europees Sociaal Fonds. Uit de resultaten van

de jaren I961-1 966 blijkt dat eigenlijk alleen Italië en Neder-

land een positief saldo uit het Fonds hebben overgehouden,

zulks ten laste van de andere Lid-Staten. Dat Nederland

hierbij relatief meer ontving dan Italië met zijn grote

werkloosheid, duidt er wel op dat het Fonds in zijn huidige

opzet niet aan zijn doel beantwoordt. De grootste bezwaren

zijn volgens Van Grevenstein het automatisme van de
bijdragen van het Fonds, het verlenen van uitkeringen

achteraf en het feit dat het Fonds gericht is op het bestrijden

van d gevolgen van werkloosheid en niet op het voor-

komen daarvan. De voorstellen van de Commissie, gericht

op de wijziging van de werkwijze van het Fonds, hebben

alle schipbreuk geleden omdat de Lid-Staten m.u.v. Italië

niet bereid bleken via art. 235 ter aanvulling van art. 126

nieuwe taken aan het Fonds toe te vertrouwen. De huidige

werkzaamheden richten zich dan ook op een hervorming

na afloop van de overgangsperiode van het EEG-Verdrag.

Van Grevenstein signaleert dat Italië hierbij aandringt op

regionalisatie van het Fonds t.b.v. dit land. Een dergelijke

oplossing wordt door schrijver om politieke redenen afge-

wezen. Als mogelijke hervormingen van het Sociaal Fonds

ziet schrijver: doorbreken van het automatisme van de

uitkeringen, het wijzigen van deuitkeringen achteraf in

een voorschotregeling en het concentreren van de acties

‘van het Fonds op het voorkomen van werkloosheid.

Een en ander zal wel met zich moeten meebrengen, dat aan

de uitgaven van het Fonds een maximum wordt gesteld.

Eveneens in
Sociaal Maandblad Arbeid
van oktober

1967 geeft Dr. Ph. van Praag een overzicht van de mogelijk-

heden tot harmonisatie en egalisatie van de verschillende

sociale-verzekeringssystemen in EEG-verband. Met de

Europese Commissie distantieert Van Praag zich van de

opvatting als zou het doel van de sociale harmonisatie

uitsluitend het scheppen van normale doncurrentiever-

iioudingen en het verwijderen van economische distorsies

zijn. Het gaat eerder om een sociaal doel,-te weten de

opheffing van niet gerechtvaardigde sociale verschillen en

een rechtvaardiger verdeling van de rijkdommen. Uit de

resultaten van de afgelopen jaren concludeert schrijver dat

van egalisatie slechts sprake kan zijn wanneer objectief geen

enkele reden voor differentiatie aanwezig is en verschillen

in wetgeving discriminatie jegens de verzekerden inhouden.

‘Het streven naar harmonisatie op grond van art. 117

b’rengt echter onvermijdelijk tendenties tot egalisatie met

zich mee. Het is volgens schrijver echter onwaarschijnlijk,

dat uit de studies van de financiële ontwikkeling van de

sociale verzekering in het kader van de econdmische

politiek op middellange termijn en van de kosten daarvan

een absolute egalisatie zal resulteren. De verschillen in

nationale structuur maken dit niet mogelijk.

VENNOOTSCHAPSRECHT

In
Revue trimestrielle de droit européen
(april-juni 1967)

geeft Hans von dër Groeben, lid van de Commissie van de

Europese Gemeenschappen, zijn visie op noodzaak en

mogelijkheden van een Europese vennootschap. Hij komt

tot de slotsom, dat om het economische potentieel van de

Gemeenschap ten volle te benutten een vrijer verkeer van

ondernemingen en grote concentraties een eerste vereiste

zijn. Een eenvormige wet voor de Europese vennootschap

komt aan deze behoefte tegemoet, zo meent hij. Verv’olgens

besteedt hij nog aandacht aan de wijze waarop een derge-

lijke cenvormïge wet uitgevoerd kan worden en .aan een

aantal moeilijkheden, die daarmee waarschijnlijk gepaard

gaan.

H. C. Ficker vat in Neue Juristische Wochenschrift –

(22 juni 1967) ,,Die Arbeiten der Kommission der EWG

auf dem Gebiet des Gesellschaftsrechts” samen, 0p grond

vin art. 54 (3) zijn door de Commissie twee richtlijnen Ont-

worpen. De eerste en meest uitgewerkte regelt o.m. de

openbaarheid en aansprakelijkheid van bepaalde reeds –

bestaande, vennootschapsvormen. De tweede houdt zich

vooral bezig met het recht van de aandeelhouder in deze

,,Europese” vennootschappen. Daarnaast voorziet art.

220 EEG gemeenschappelijke regelingen op drieërlei

terrein: de onderlinge erkenning van rechtspersonen,

de intracommunautaire fusies en dé intracommunautaire

zetelverplaatsing. Verder houdt de Commissie ±ich op

initiatief van de Franse regering ook bezig niet een statuut

voor een Europese vennootschap, éen nieuwe rechtsvorm

naast de bestaande nationale. Dit laatste leidde tot een

deskundigenrapport (het rapport-Sanders).

in de
Journal des Tribunaux
(van 10 juni 1967) beant-

woordt J. van Rijn de door hem gestelde vraag ,,Faut-il

instituer la ‘société européenne’ ?” oiitkennend. Een

Europese vennootschap naast de in iedere Lid-Staat reeds

bestaande rechtspersonen leidt tot een ongewenste clualiteit.

Harmonisatie van wetgevingen inzake vennootschappen

en conventies voor de dringende aangelegenheden, zoals

art. 220 EEG voorziet, vindt hij beter. De Europese ven-
nootschap met haar subsidiaire en vage karakter leidt tot

rechtsonzekerheid en problemen op het gebied van de

belastingen, aansprakelijkheid, fail 1 issementsrecht, mede-

zeggenschap van de arbeiders en het optreden op de kapi-

taalmarkt. Zelfs in de Verenigde Staten heeft men niet

ter wille van de tussenstaatse handel zijn toevlucht tot een

,,federale” vennootschap gezocht.

Prof. W. C. L. van der Grinten is een notoir criticus van

de pogingen het vennootschapsrecht te regelen. in
De Naainlooze Vennootschap
(1967, jrg.
45,
no. 1) behandelt

hij de herziene richtlijn van de Commissie, waarvan in

hetzelfde nummer. de Franse tekst is afgedrukt. Drieërlei

algemene bezwaren koestert Van der Grinten: hij betwijfelt

of art.
54
(3g) grondslag kan vormen voor deze vorm van

eenmaking van het vennootschapsrecht, 617 er een nood-

zaak voor deze eenmaking bestaat, en hij vindt dat de

methode van opeenvolgende richtlijnen tot rechtsonzeker-

heid leidt. De herziening van het ontwerp heeft in vele

gevallen niet de gewenste verbeteringen gebracht. Bedenke-

lijk vindt Van der Grinten dat voor Nederland een vennoot-

schap met beperkte aansprakelijkheid wordt ingevoerd met

aandelen, die beperkt overdraagbaar zijn en waarvan geen

toondercertificaten in omloop kunnen worden gebracht.

Voorts oefent hij kritiek op de wijze waarop publikatie-

plicht, verbintenissen en nietigheid der vennootschap zijn

geregeld. Van der Grinten vindt het ontwerp een toonbeeld

van de ,,bedilzucht” van de Europese Commissie en hoopt

dat de Raad dit ontwerp zal laten rusten. Hierbij kan

worden aangetekend dat aan het eind van 1967 de Perma-

nente Vertegenwoordigers in Brussel overeenstemming

hebben bereikt over de gesloten NV (GNV), waarbij de

Nederlandse regeling alleen ten aanzien van de vrije over-

draagbaarheid van aandelen een voorbehoud heeft ge-

maakt.

ESB 10-7-1968

1
661

In
Common Market Law Review (Vol.
4, 1966-67 en

Vol.
5,
1967-68) bespreekt Y. Scholten twee aspecten van

het Europese vennootschapsrecht: in het eerste deel van

zijn bijdrage, de ontwerp-richtlijn van de Commissie; in

het tweede deel het Franse voorstel voor een Europese

vennootschap. Ten aanzien van de ontwerp-richtlijn toont

/ hij zich zeer kritisch. Uitvoerig betoogt hij, dat het Verdrag,

zijn voorgeschiedenis en het arrest Costa-ENEL de exten-

sieve interpretatie door de Commissie van art.
54
lid 3g
twijfelachtig maken. Verder behandelt hij verschillende
artikelen van de ontwerp-richtlijn vooral in het licht van

het Nederlandse recht. Scholten bepleit onder meer het

vereiste van publiciteit van de jaarstukken niet te ver-

binden aan de hoogte van de balans, zoals het Europees

Parlement voorstelde, maar aan de omvang van het ge-

plaatst kapitaal.

In het tweede deel van zijn bijdrage toont Scholten zich

voorstander van de Europese vennootschap. Ook het

Nederlandse bedrijfsleven staat thans minder afwijzend

tegenover dit idee. De nieuwe rechtsvorm zou van nut

kunnen zijn niet alleen bij internationale fusies, maar

ook bij gezamenlijke filialen van ondernemingen in ver-

schillende Lid-Staten, internationale holding companies

met aandelen in ondernemingen in verschillende landen en

de zgn. filiales uniques. –

Voorwaarde om de Europese vennootschap als rechts-

vorm te mogen gebruiken zou volgens Scholten de omvang

van het geplaatst kapitaal dienen te zijn. Het regime voor

de nieuwe vennootschap zou in geen geval een cumulatie

mogen zijn van alle eisen, die aan nationale vennoot-

schappen worden gesteld. Voor het probleem van de mede-

zeggenschap van de werknemers vindt hij het nodig een

zekere verscheidenheid te aanvaarden. De grondslag voor

de Europese vennootschap zou een verdrag, gebaseerd

op art. 236, kunnen vormen; een eenvormige wet waar-

aan later door de nationale wetgever getornd kan worden

acht Scholten uit den boze.

Een laatste probleem voor de Europese vennootschap,

die zijn zetel vrij binnen de EEG kan verplaatsen en achter-
eenvolgens aan verschillende belastingstelsels onderworpen

kan zijn, vormt de fiscale harmonisatie. Deze en de overige

problemen kunnen echter overwonnen worden en dat is

de moeite ruimschoots waard, omdat op deze wijze het

bedrijfsleven de beschikking krijgt over een nieuwe rechts-

vorm.

In
Beiriebsberater
(1967, Heft 10) is een rede opgenomen

over de grondslagen van de Europese vennootschap van

E. Gessler. Hij constateert dat in geheel West-Europa het

vennootschapsrecht op de helling staat, waarbij het gevaar

dreigt dat het verder uiteengroeit. Dit geldt ook binnen de

EEG, waar de Commissie echter, verdergaand dan het

Verdrag in art.
54
lid 3g voorschrijft, juist streeft naar een-

vormigheid door middel van de Europese vennootschap.

Op louter juridische gronden bestaat hieraan vrijwel geen

behoefte. Alleen voor internationale fusies zou de Europese

vennootschap de jurist verlossen van gekunstelde nood-

constructies. Het motief voor de Europese vennootschap

is niet-juridisch: het zou de Eitropese ondernemer het

instrument geven meer kapitaal aan te trekken om zich

aldus met zijn Amerikaanse tegenvoeter te kunnen meten.

Gessler wil de toegang tot de nieuwe rechtsvorm beperken.

Criteria daarvoor zouden ,,europâische Sachverhalte”

moeten zijn, betrekkingen tussen ondernemingen die

– binnen de EEG – over de grenzen heen reiken en

waaraan hij ook noi kwantitatieve eisen zou willen stellen.

Hiertoe zijn een centraal handelsregister en een rechterlijke

instantie nodig.

Tenslotte pleit Gessler voor een werkelijk Europese

vennootschap, die niet meer op nationale wetgeving, ook

al is die binnen de EEG eenvormig, is gebaseerd maar op

gemeenschapsrecht. De zetel zal in de toekomst niet meer
bepalend mogen iijn voor de nationaliteit van de vennoot-

schap. Ç,Met de integratie van de zes volkshuishoudingen…
moet een integratie van de grote nationale vennootschappen

in Euroçese vennootschappen hand in hand gaan”.

Tot besluit moge de aandacht worden gevestigd op de

speciale nummers van De Naamlooze Vennootschap (no.

11/12, februari/maart 1968) en van de
Revue du Marché

Commun
(no. 109, 1968) die aan de Europese Vennoot-

schap gewijd zijn, c.q. een zeer uitvoerige bespreking van
de vraagstukken op dit terrein geven.

Doe uw debiteuren de deur uit

y
ELL4

J

,

rn

NAk-

HELLER

FACTORING

Kromme Nieuwe Gracht 10, Utrecht telefoon
030-131431

662

Geld- en kapitaalmarkt

GELDMARKT

Het heeft allerwegen de’ aandacht getrokken, dat op 1 juli

ji. de bankbiljettencirculatie de grens van f. 9 rnrd. heeft

overschreden. De stand van f. 8 mrd. werd op 31 mei 1966
bereikt, het peil van f. 7 mrd. op 3 mei
1965.
In de kroniek

van 12 juni ii. gaf ik enkele berekeningen betreffende de

schommelingen in de bankpapieromloop. In het
Economisch

Ktvariaaloterzicl,t
van de Amro-Bank van juni 1968 heeft

men de stand van de ban kbiljettenci rculat ie op de week-
staatdata vergeleken met die op de overeenkomstigs tijd-

stippen in het voorgaande jaar, waaruit de trer.dmztige
ontwikkeling naar voren komt. Uit de cijfers blijkt, dat het

groeitempo aanmerkelijk daalt. De tabel, waaruit dit blijkt,

is te groot om hier over te nemen. Ter illustratie enkele
cijfers (procentuele mutaties t.o.v. de overeenkomstige

maandag van het vorige jaar):
1966 1967
1968

januari

eerste maandag
10,8
7,4
3,6
vierde maandag
9,6
6,3 3,7
ebruari
eerste maandag
10,2
7,4 4,0
vierde maandag
………
10,0
5,3
0,7
10,2
6,3 3,7
,naarl

eerste maandag

………
vierde maandag
8,2

..

•.

6,6
-0,1

De kredietexpansie bij de handelsbanken houdt aan. Deze vindt allereerst in de korte kredieten aan de private sector
plaats, doch de uitbreiding die aan de kapitaalmarkt-
beleggingen wordt gegeven is tot nu toe in 1968 ook fors.

Het middellang krediet en de kredieten aan de lagere over-
heid zijn tot onbetekende bedragen tèruggelopén:

(in f. mln.)

jan/april 1967

jan/april 1968

600 702 576 680
Particuliere sector
……………….
w.v. kort krediet
………………..
middellang krediet
…………..
24
22

Kapitaalmarktbeleggingen
34
400

Lagere overheid

………………..
150
21

Met betrekking tot de particuliere kredietverlening mag
men de seizoensinvioed niet veronachtzamen. ‘Deze is
blijkens een grafiek in het Kwartaaloverzicht van de Amro-
Bank (juni 1968, blz. 12) speciaal in het eerste kwartaal
omvangrijk geweest. De stijging van de vorderingen op de
private sector op grond van het seizoen kan globaal op
f. 200 mln, worden gesteld. Dit betekent dat de voor seizoen
gecorrigeerde kredietverlening in de eerste drie maanden
van 1968 slechts beperkt is toegenomen.

KAPITAALMARKT.

Het spaarverschil bij de drie categorieën van spaarbanken,
heeft in de periode van januari t/m mei 1968 f.611 mln.
bedragen, tegen f. 518 mln, in de overeenkomstige ‘periode

van vorig jaar. De groei van de spaartegoeden bij de,
handelsbanken is nog pas tot en met april bekend. In deze’ periode heeft in 1968 de aanwas f. 279 mln, bedragen. In
het vergelijkbare tijdvak van 1967 heeft de toeneming f. 295
mln. ‘bedragen. Uit een vergelijking met de stijging van de
beleggingen op de kapitaalmarkt ziet men dat in het lopende
jaar de beleggingen ‘(f. 400 mln.) de nieuw verkregen spaar-

gelden hebben overtroffen. Dit is een andere ontwikkeling

dan in 1967, toen de stijging van de kapitaalmarktheleggin-

gen aanmerkelijk achterbleef bij de toeneming van de

spaargelden. Destijds merkte ik hierbij op dat hierdoor

gelden uit de kapitaalmarktsfeer naar. de korte krediet-

verlening werden overgeheveld. Dat zich ook het tegen-
gestelde voor kan doen, blijkt thans.

De Europese markt voor internationale leningen blijft
zich voorspoedig ontwikkelen. In het begin van dit jaar
raamde men de omvang der emissies op $ 1 mrd. Reeds in
het eerste halfjaar echter bleek het bedrag $ 1,3 nird. te

zijn. Ook Nederlandse ondernemingen gaan zich in toe:

nemende mate voor deze markt interesseren. Men herinnert

zich de. K.L.M.-emissie in juni en thans heeft Hoogovens

beleggers uitgenodigd $ 40 mln. â 100% ter beschikking
te stellen. Gevolg gevende aan de d’uideljke tendenties in

deze markt, waar de converteerbare obligatie duidelijk

favoriet is, geeft ook Hoogovens deze stukken uit. Rente

en conversiekoers worden, zoals op deze markt gebruikelijk,
eerst kort voor de inschrijvingsdag gepubliceerd.

KOERSSTAAT

Endexcjjfers aandelen
29 dec.
H.
&
L.
28 juni
5 juli
(1953
=
100)
1967 1968 1968
1968
Algemeen

……………….
374 423

359
419
423
Internationale concerns
…….
514
623 -495
614
623
Industrie
………………..
357

370- 341,
370
369
Scheepvaart

……………..
109
11,3- 105
103
103
Banken en verzekering
……..
185
201

179
196
198
Handel
cce………………
168
175- 160
173
173

Bron:
A.N.P.-C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen a)
Kon. Petroleum

………….
f. 155.60
t’. 174,15
t’. 177,40
Philips

…………………
t’. 127,40
t’. 146,20
f.
146,80
Unilever, cert.

……………
t’.
108,40
t’.

139
f. 139,65
Zout-Organon
……………
t’. 160
f.
176,30
t’. 175,30
Hoogovens, n.r.c.

…………
t’. 125,40
f.
120
t’.

119
A.K.0
………………….
f.

66
t’.

85,05
t’.

90,85
AMRO-Bank

……………
f.

47,20
t’.

48,50
t’.

49
Nat. Nederlanden
…………
619
685
694+
K.L.M
………………….
t’. 276
t’. 204,90
t’. 205
Robeco

…………………
f. 228,40
f. 244,40
t’. 246,30

New York
Dow Jones Industrials
……..
905
898
904 c)

Rentestand
Langlopende staatsobligaties b)
6,27
6,51
6,52
Aandelen: internationalen b)
4,0
lokalen b)
………
4,2
Disconto driemaands schatkist-
papier

………………..
44 44 44

s) Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
Bron:
Amsterdam-Rotterdam Bank.

Prof. Dr. C. D. Jongnan
3 juli

(I.M.)

ESB 10-7-1968

‘,

663

Recente publikaties

Inkomstenbelastingtabel 1968. Met toe- ‘Mr. J. W. Janssen, Jhr. I4r. G. 0. J.

gen in ons land is zeer verspreid over
lichting en premieheffing A.O.W., van Tets, Mr. 0. Nijman; Drs. J. C.

vakbladen, kranten en preadviezen, die
A.W.W., A.K.W. en A.W.B.Z. L. J. Hoogteijling en Drs. J. H. C. Jansen. dan nog voornamelijk handelen over
Veen’s Uitg. Mij., Amsterdam 1968, Uitgave in samenwerking met de het pensioenvraagstuk in het algemeen,

88 blz., f. 1,95.

Adviescommissie voor Personeelfond- met nameover de waardevastheid, de

sen. N. Samsom, Alphen aan den Rijn financiering hiervan en de beleggingen
Onderneniingspeiisioenfondsen.
Onder 1968, losbiadig,
f.
27,50. met het oog hierop. Over de inhoud

redactie van. mej. Mr. H. C. L. Breve, De literatuur over pensioenvoorzienin- van de toezeggingen, over het béheer

H.

Wij zieken.

een systeemmanalist

die onze computerm

administratie verder

kanuiftbreiden

0

en perfectioneren.

Ons bedrijf werkt met een eigen computer.’

Omdat wij willen overgaan tot aanschaf ian

een nieuwe computer uitgerust met banden

en/of schijven, zodat bestaande program-

ma’s moeten worden omgebouwd en nieuwe

programmas worden ontwikkeld.

De man die wij zoeken zal in eerste in-

stantie mede de gehele voorbereiding van

deze omschakeling voor zijn rekening moe-

ten kunnen nemen. Verder zal hij de admini-

stratie die het fabricageproces begeleidt,

moeten analyséren. Hij zal voortdurend ini-

tiatieven moeten nemen tot verdere perfectie

van ons mechanische administratie-

systeem. Hij zal waakzaam moeten

blijven .dat mèt de groei van ons bedrijf dit

systeem soep& blijft functioneren.

Wij menen voor deze belangrijke functie

een opleiding bp SPD niveau als minimum

te moeten stellen. Daarbij lijkt ons het bezit

van het AM BI-diploma (of studie daarvoor)

een duidelijke pré.

Een goede honorering stellen wij – gezien

het gewicht van deze functie – als logische

consequentie.
Geïnteresseerden in deze functie nodigen

wij uit te schrijven naar Nederlandsche

Persil Maatschappij, Hoofd Afdeling Per-

soneelzaken, Stadhouderskade 19-

20, Amsterdam.

664

en över de dagelijkse praktijk bestaat

echter vrijwel geen literatuur. Met name

ontbrak tot dusverre een systematisch

en volledigoverzicht. In die leemte be-

oogt deze publikatie nu te voorzien,

die is bedoeld als handboek voor he
gehele terrein van de ondernemings-

pensioenfondsen. Doordat het boek los-

bladig is kan het steeds up-to-date

worden gehouden, hetgeen bij een zaak

die zo in beweging is als deze materie

van groot – belang is. Aangezien de

wegen waarlangs men- een adequate

pensioenvoorziening tracht te bereiken

in de praktijk zeer uiteenloen, zullen

bôpaalde gedeelten van deze publikatie

een descriptief karakter dragen en zal

het geven van standaardrecepten dik-

wijls niet mogelijk blijken. Voor de op-

lossing van een concreet probleem be-

staat vaak een scala van mogelijkheden

waaruit de lezer zelf een keuze zal

moeten doên:

Inhoud in hoofdlijnen: Inleiding –

Opzet van de pensioenregeling – De

inhoud van de pensioenregeling – De

financiering van de pensioenregeling –

Belegging van eigen risicodragende

fondsen —Fiscale aspecten – Diver-

sen (waarin een overzicht van de over-

heidsregeling en de Wet betreffende

verplichte deelneming in een bedrijfs-

pensioenfonds).

KONINKLIJKE HOLLANDIA

Fabrieken van Melkprodukten en Voedingsmiddelen N.V.

Als dochteronderneming van het Nestlé-wereldconcern be-

wegen wij ons op het terrein van verwerking en produktie

elk; melkderivaten, diëtetische produkten en voedings –

middelen. De produktie vindt plaats in- een tiental over

Nederland verspreid liggende fabrieken met een totaal van

1700 medewerkers.

De verwerking van administratieve gegevens zal binnen zeer

afzienbare tijd in onze onderneming met behulp van een com-
puter gaan plaats vinden; daarom zoeken wij kontakt met een

ADMINISTRATIEF

DESKUNDIGE

van het opleidingsniveau
accountancy of doctoraal economie

die belangstelling heeft voor een staffunktie op de afdeling

Financiën en Administratie van ons hoofdkantoor.

Deze zeer zelfstandige funktie omvat de analysevan de bestaan-

de administratieve
Organisatie,
het doen van voorstellen tot

verbetering in de stroom en verwerking van administratieve

gegevens en het doen invoeren van zulke verbeteringen met

het oog op mogelijke aûtomatische verwerking.

Zij die tussen 30 en 35 jaar oud zijn en ervaring op dit terrein

hebben (specifieke computerkennis is niet vereist aangezien in

een adequate opleiding zal worden voorzien), een analytisch

vermogen hebben, zelfstandig kunnen opereren ook in inter-

nationaal verband, en representatief in hun optreden zijn;

worden verzocht schriftelijk kontakt op te nemen met het

Hoofd van dc Centrale Afdëling Personeelzaken van Koninklijke

HollandiaN.V., Oosthavenkade 42, Vlaardingen, tel. 010-349344.

– ___-

.

VIk•1iMI/1III

ESB 10-7-1968


665

Beleggings-voorlichting:

aan hen die zich thuis willen oriënteren stelt de

AMRO Bank de volgende publicaties k9steloos ter

beschikking:

• AMRO Beursnieuws (wekelijks, met veertien-

daagse bijlage)

• Kerngetallen van Nederlandse effecten

• De Obligatiegids.

Beleggings-adviezen:

de honderden kantoren van de AMRO Bank staan

te uwer beschikking voor individuele beleggings-

adviezen en portefeuilleonderzoek.

“RO BANK

,AMSTERDAM-ROTrERDAM BANK

HET CENTRAAL LABORATORIUM

VAN DE BLOEDTRANSFUSIE-

DIENST VAN HET NEDER-

LANDSCHE ROODE KRUIS

Plesmanlaan 125, Amsterdam-Slotervaart heeft
plaats voor een

ERVAREN ADMINISTRA-

TIEVE KRACHT

Ruime praktijkervaring, buy, als assistent-ac-
countant en tenminste diploma boekhouden, is
voor deze functie vereist.
Sollicitaties te richten aan de ekon. adj. direk-
teur.

a
n
1 1 1 MEMO 1 1••I 1 1 1 1 ll 1 $

1
1

1
j

J

Jj
Voor één van onze relaties, een grote grossierscombinatie
1
in de levensmiddelensector, zoeken
wij voor het te Amsterdam gemeenschappelijk op te richten
bureau ter ontwikkeling van
1
nieuwe verkooppunten een

1
1
1
1

-.
directeur
1

1
1
1

Als zelfstandige vennoot-
een aantal jaren practische
overdragen aan de aan te
1

1

schap wordt het ontwikkelings-

bureau-verkooppunten

.
ervaring heeft in het
bedrijfsleven en belang-
stellen

functionaris.


1
belast met een markt-
stelling heeft voor Organisatie

Geinteresseerden

nodigen

1
verkenning in een groot
en marketing.
wij uit een brief in handschrift
1 gebied en tevens met de
met de gebruikelijke

1
voorbereiding, stichting en
U
Hoewel gespecialiseerde
personalia

en

informatie
1
financiering van

nieuwe
deskundigheid op het
omtrent opleiding en ervaring

I
vestigingspunten in de
werkterrein van de

te richten aan

het Instituut

afzonderlijke

grossierderj-
vennootschap

een

aan-
voor Bedrjfspsychologie van

I
rayons.
beveling kan zijn, is deze
het Raadgevend Bureau

1
niet noodzakelijk.

Ir. B. W. Berenschot N.V.


Voor de leiding van het
De directeur zal ingewerkt
t.a.v. drs. J. W. R. Tilanus,

bureau gaan de gedachten
worden door een ter zake
Grundellaan

18,

Hengelo (0).


uit naar een academisch
deskundige academicus, die Door ons zal geen naam of

gevormd

bedrjfseconoom,
als gevolg van een promotie
brief aan de opdrachtgever
1
die ouder is dan 30 jaar,
het werkterrein geheel zal
doorgegeven worden zonder

1

.
toestemming van betrokkene.
1

Instituut voor Bedrijfspsychologie
van het
Raadgevend Bureau Ir. B.W. Berenschot nx.

1

Hengelo (0). Amsterdam

Tilburg

B?usset

White Plains (USA)

hIUll
ll
II
l
R
$$I
111l$$llI

66

Waarom G.E. ook
computers maakt.

GENERAL ELECTRIÇ, de vierde onderneming in grôotte
Daarom staat G.E
ook
vér voor op het gebied van

ter wereld, maakt computers. TimeSharing, de modernste computerservice.
Dat Iigt,voor de hand, omdat dé350.000 medewerkers Voeg hierbij de ervaringde wereldomvattende

.,

van dit wereldconcern liefst 220.000 produktën maken
verkooporganisatie en deserviceverlening van BULL

waar elektriciteit bij te pas komt. Zoals b.v. krachtstations, 0 Ii zult dan de w’aarde van de combinatie
ruimtesatellieten, supersonise4e:vliegtuigmotoren,

.
BULL GEN ERAL ELECTRIC erkennen.

Onze. computers, de GE 55, de GAMMA’1O,

en noa zoveel andere

.

.
de GE 115, de GE 130, de GE 400, de GE 600

Vanzelfsprekend maakt
__


en die vân onze Time-Sha ring Service
.

waard
Sys

Lj

Wij
En datatransmissieapparatuur. zijn het verplicht aan onze naam..
.

En unieke progrâmmeringssystemen.


.

BULL

GENERALELECTRÎC

G((RL

EL€CTRIC GEDEP. HADDEISMERG VAN GENERAL ELECTRIC CV. USA


BULL GENERAL ELECTRIC
(NEDERLAPID)
N.V.,
VJiegtuigstraa1 26, Amsterdarn-W. Tel.
020-158955

ESB
10-7-1968

.


667

SIEMENS

Alle informatie binnen

handbereAk – direct de
‘ juiste

b e

slissing ne
en
:

Voor up-to-date informatie heèft U meer nodig dan een

computer. Het verwerken alleen is niet voldoende. Het

gaat er ook om, informatie op de juiste wijze vast te

leggen, daar vast te leggen waar ze ontstaat. en daar..

heen over te brengen waar ze gebruikt wordt.

Computers werken met snelheden van miljardste secon.

den. Toch laten de resultaten vaak uren en soms zelfs

dagen op zich.wachtèn.

Dat kan anders. Moderne systemen voor het vastleggen –

van gegevens en telecommunicatienetten maken het

mogelijk, de informatie-uitwisseling aan te passen aan

het tempo van de computer.

Ook over grote afstanden. In- en uitvoerstations staan
op iedere gewenste plaats opgesteld. Via telefoon. en

telexverbindingen worden deze op het rekéncentrum

aangeslotèn. Vér van elkaar verwijderde afdelingen van

een bedrijf komen organisatorisch’ in nauwer – contact
met elkaar. Iedere afdeling kan direct beschikken over

de centrale computer: over zijn snelheid, over zijn ge.

heugen. lnformatiewordt gegeven .irnde gewenste yorrn:

in tijdelijk zichtbare vorm, als gedruktformulier, of beide.

Iedereen is op de hoogte. iedereen kent alle belangrijke

gegevens en de disposities van anderen. Nu isonmiddel-

lijke informatieverwerking inderdaad mogelijk. Geen

fouten of dubbel werk door gebrek aan informatie.

Minder klachten, geen geërgerde klanten, minder kosten.

Alle informatie binnen handbereik . ons voorstel heet

TRANSDATA. Vraag nadere inlichtingen

aan de Nederlandsche Siemens Maatschappij N.V.,

Postbus 1068, Den Haag.

SIEMENS TRANSDATA –

668

.

.

Auteur