Ga direct naar de content

Jrg. 52, editie 2582

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 1 1967

F ViiM1 1 D ) DIII 01 M DK’

UITGÂVE VAN DE STICHTING .HET NEDERLANDSCH ECÖNOMISCHINStITUUT

1 maart 1967

52ejaargang, no. 2582

verschijnt wekelijks

Gevers en nemers

Gevers en nemers

………..
235

Mr.
J. A.
Freseman Grataina:
Wijziging van de

Onteige-
ningswet

…………….
236

Dr.
J. F.
Michels: Opzet

en

exploitatie

van

kunstijsbanen

………….
239

K. Rooderkerk:
Verwarmingsmarkt

in

be- weging

……………….
241

Drs. R. Bakker:
Prijsmechanisch parkeren ..
244

Tngezondèn stukken:
Drs. A. de Rycke:
Herinves-
tering van ,,cah fiows”,
met
een naschrift van Drs. L. W.
Kokee

………………..
246

A. de Tavernier:
Het produk-
tiviteitspeil van de Oosteuro- pese landbouw,
met een na-
schrift van Dr. P. C. van den
Noort

……………….
248

B o e kb es p r e k in gen:
Dr. H. B. Acker: Organisatie-
analyse (bespr. door Prof. Dr.
P.

Verurg)

…………..
250

Ch.

L.

Schuitze:

National
lincorne Analysis
(bespr. door
Drs.
J. P.
Pronk)

………
250

Prof. Dr. C. D. Jonginan:
Geld- en kapitaalmarkt …
251

Notities

……….240,

243,
245

Mededelingen

voor

econo-
misten

………………
252

D

E Haagse postbode die Plein 1813 tot zijn ,,wijk” mag rekenen, zal

dit dezer dagen als een twijfelachtige eer beschouwen. De infornieur

wordt overstelpt met actieprogramma’s, nota’s en memorandums,

die vele belangengroepen bij hem indienen, in de hoop daarmee hun wensen

en verlangens een zo ,,gewichtig” moeIjke inbreng te doen zijn bij d.e

totstandkoming van het nieuwe regeringsprogramma. Een alleszins redelijke

– en door het publieke karakter – ook eerlijke wijze van druk uitoefenen.

Dat daarbij de postbode veel te torsen krijgt, is dan ook een bijkomstigheid

en waarschijnlijk niet de Voornaamste rederi waarom de vakverenigings-
leiders meenden persoonlijk hun Program van Actie te moeten aanbieden.
Het is beslist een verheugende ôntwikkelïng dat de drie vakcentrales nu

één programma hebben ontwikkeld (vier jaar geleden opereerde het C.N.V.

op eigen houtje). Verheugend omdat het de zo gewenste duidelijkheid

bevordert, verheugend omdat overheid en werkgevers weten waar deze niet

weg te denken machtsfactor nu
in zijn geheel
voor of liever achter staat
1)
.

Ook de Raad van Nederlandse Werkgeversverbonden kwam vrijwel

tegelijkertijd met ,,wensen en opvattingen ten aanzien van het söciaa1

economische beleid” naar voren. Wij willen het hier niet hebben over de

vele verlangens die beide groepen hebben uitgesproken (daarover is de

lezer reeds volddende bekend geworden via de dagbladpers) doch slechts

een enkele opmerking maken over beider uitgangspunt. De werkgevers

hebben veel ruimte gewijd aan het hunne: ,,stimulering van de economische

groei, met vermijding van inflatie”. Weinig opzienbarend, helaas ook

weinigzeggend, indien men zich realiseert dat een voldoende mate van groei

onvermijdeljk met enige inflatie samengaat. Doch laten wij niet het oium
van ,,close reading” op ons laden en maar aannemen dat met ,,vermijding

van inflatie” is bedoeld ,,een streven naar zo gering mgelijke inflatie”.

Het had evenwel geen kwaad gekund als ook werkgevers de onontkoom-

baarheid van bovengenoemde relatie eens duidelijk hadden gesteld.

Het uitgangspunt van de werknemers is minder uitgesproken en krijgt

ook nauwelijks aandacht. Het streven naar economische groei is bij hen

impliciet geworden en als zodanig meer (een vanzelfsprekende) voorwaarde

ter verwezenlijking van hun programma dan doel (als bij de werkgevers)

geworden. ,,Het
welzijn
van mens en samenleving” is voor de werknemers

de gedachte geweest van waaruit zij hebben gepoogd hun doelstellingen

en wensen te formuleren. Een verdienste welke het werkgeversrapport

bezit, nI het uitdrukking geven aan een klaar besef van wat de macro-

economische kosten en voorwaarden zijn voor een voortgezette groei,

ontbreekt in het actieprogram van het overlegorgaan Dit mag dan op de

meeste punten veel gedetailleerder en uitgewerkter zijn
2),
de vraag ,,Wat
kost het?” gaat het uit de weg. Het zegt in een ,,ten geieide” weliswaar

zelf dat het program hoge kosten zal meebrengen, maar dit toegeven

betekent .nog niet dat men van de verplichting ontslagen is tegenover de

ambitieuze debetzijde de noodzakelijke creditkant te stellen, zeker niet

wanneer men zich blijkens andere passages bewust is van een macro-eco-
nomische verantwoordelijkheid, welke uitgaat boven de directe represen-

tatie van het arbeidersbelang.
..
dR

Wat dat betreft hebben bijv. de middenstandsorganisaties het er inaar lelijk bij laten zitten. Zij, die toch al zo vaak menen – terecht of ten onrechte – dat hun
sociaal-economische inbreng wordt ondergewaardeerd, hebben twee, op enkele
punten uiteenlopende verlanglijstjes ingediend, daarmee o.i. zelfde kracht van hun optreden als pressiegroep verzwakkend. Men ontkomt niet aan de indruk dat daarentegen de werkgeversnota, blijkens
de slordige formulering hier en daar (het paragraafje ,,Begrotingspolitiek” bijv.), het produkt van haastwerk is geweest.

COMMISSIE VAN REDACTIE:

L. H. KJaassen; H. W. Lambers; P. J.
Montagne; J. Tinbergen; A. de Wit.

REDACTEUR-SECRETARIS:

A. de Wit.

ADJUNCT REDACTEUR-SECRETARIS:

P. A. de Ruiter.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J.
Vlerick.

SECRETARIS COMMISSIE VAN ADViES
VOOR BELGIË:

J. Geluck.

35

Het Kabiner-Cals heeft als vrijwel laatste regerings-
daad een wetsontwerp tot wijziging van de Onteige-ningswet annex een voorontwerp tot een voorkeurs-
recht van gemeenten bij de Tweede Kamer ingediend. Bij de komende Kamerzittingen zal daar dus aandacht
aan moeten worden besteed. De strekking van de
voorstellen is om de prijs waartegen gemeenten (ruwe
bouw)gronden verwerven in den vervolge te baseren
op de (theoretische) agrarische gebruikswaarde in plaats
van op de usantiële verkoopwaarde. De plannen worden
door de schrijver zowel op economische als op juridische gronden afgewezen.

Wijziging van.

de Onteigeningswet?

I

N de regeringsverklaring van 27 april 1965 (Kabinet-

Cals) kwam met betrekking tot het beleid inzake de

grond de volgende passage voor:

,,Het belangrijkste instrument voor het voeren van een
doelgericht beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening in
ons land is het beleid inzake de bestemming van het structureel
in ons land zo schaarse goed: de grond. Om het mogelijk te
maken dat de grond in voldoende mate en tegen redelijke voor-
waardeh beschikbaar zal komen voor bestemmingen in het
belang der gemeenschap, stelt de Regering zich voor een reeks van maatregelen te nemen, welke deels rechtstreeks betrekking
hebben op de bestemming van de grond, deels een nadere be-
invloeding beogen van de prijsvorming van het onroerend goed”.

De opsomming van de verschillende maatregelen impli-

ceerde, dat voorstellen zouden worden ingediend tot wijzi-

ging van de Onteigeningswet. Bij het scheiden van de

markt heeft het Kabinet-Cals inderdaad een wetsontwerp

tot wijziging van de Onteigeningswet’) ingediend. Tevens

heeft het een voorontwerp
2)
opgesteld, houdende ,,Regeling

van een voorkeursrecht van gemeenten bij de verkoop van

onroerend goed”. De strekking van het wetsontwerp is,

het vaststellen van een zodanige waarderingsnorm bij ont-

eigening, dat waardestijgingen als gevolg van speculatieve

verwachtingen en waardestijgingen die tot stand komen

onder invloed van bestemmingsplannen, zoveel mogelijk

worden geëlimineerd
3).
Eenvoudiger gezegd betekent dit,

dat de grondprijs bij onteigening – en volgens het voor-

ontwerp ook bij verkoop van vooral landbouwgronden

aan gemeenten voor niet-agrarische doeleinden
in
principe wordt gebaseerd op de (theoretische) landbouw-
kundige verkeerswaarde en niet op de gebruikelijke vrije

marktwaarde.

Het Kabinet-Cats heeft daarvoor een uiterst omslachtige

en gecompliceerde regeling in het leven willen roepen die

een zekere prijsbeheersing paart aan een zekere overheids-

dwang. Daarbij is het opvallend dat de ontwerpen slechts

de handtekening dragen van de Minister van Justitie,

Samkalden, dus niet die van de Minister van Landbouw

en/of Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, waâronder im-

mers de ruimtelijke ordening valt. Wij komen daar’straks

op terug. Eerst iets over de inhoud van de voorstellen.

Inhoud der voorstellen

Bij beschouwing van het complex van maatregelen moet

men onderscheiden:

a.het ontwerp van wet tot wijziging van art. 40 a van

de Onteigeningswet, houdende vaststelling resp. bevorde-

ring van nieuwe (lagere) prijzen bij onteigeningen;

b. het voorontwerp van wet regelende een voorkeurs-

recht van gemeenten bij de verkoop van gronden, waaraan

bij een bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming

is gegeven.

Wat betreft het wetsontwerp tot wijziging van de
Om’-
eigeningswet
gaat men voor de waardebepaling uit van de

verkeerswaarde van de grond op basis van het
gebruik.
Van dit voorgestelde piincipe geeft het ontwerp een aantal

nadere uitwerkingen. Bij ongebouwd onroerend goed moet

bijv. niet alléén worden gelet op het huidige gebruik, maar

ook op ander mogelijk gebruik. Hetzelfde geldt voor ge-

bouwd onroerend goed. In bepaalde gevallen mag rekening

worden gehouden met een hogere waarde dan de verkeers-

waarde op grondslag van het bestaande gebruik. Dit heeft

betrekking op gronden die een jaar véér de ter inzage-

legging van bestemmingsplannen reeds een hogere waarde

hadden dan de op grondslag van het gebruik berekende

verkeerswaarde. Ten slotte wil een overgangsbepaling er-

voor zorgen dat de eigenaar in elk geval kan rekenen op

vergoeding van dewaarde van het goed op het tijdstip van

inwerkingtreding van de wet.
Ten aanzien van het voorontwerp inzake een
voorkeurs-
recht van gemeenten
wordt in de betreffende Memorie van

Toelichting o.a. opgemerkt, dat het een opgave van belang

voor de overheid is pm tijdig gronden te vërwerven ten

behoeve van volkshuisvesting en andere doeleinden van

openbaar nut. De ontwikkeling van de grondmarkt be-

moeilijkt echter, zo meende Minister Samkalden, een goed

gemeentelijk grondbeleid. Daarom zou z1 de positie van
de gemeenten moeten worden versterkt. Ter bevordering

van een verantwoorde ruimtelijke ordening achtte de Minis-

ter de steun, die het voorkeursrecht zal kunnen geven aan

het gemeentelijk grondbeleid ,,van zodanig algemeen belang

dat de hieraan noodzakelijkerwijs verbonden inperking van

de contractsvrjheid in beginsel gerechtvaardigd is”.

Ten einde te bereiken dat de gemeente
bij
voorkeur

koper kan worden bij een voorgenomen overdracht van

onroerend goed, moet aan de gemeente steeds mededeling

worden gedaan van het voornemen tot vervreemden.

,,Eerst nadat de gemeente te kennen heeft gegeven niet te

willen kopen, dan wel niet tegen de geschatte prijs te willen

kopen, kan overdracht aan een derde plaats vinden, hetzij

door onderhandse hetzij door openbare verkoop”
4).

Kamerstukken Tweede Kamer, zitting 1966-1967, no. 8941. Kamerstukken Tweede Kamer, zitting 1966-1967, no. 8947.
Zie Memorie van Toelichting, derde alinea, bij het wets-
ontwerp tot wijziging van de Onteigeningswet.
Uitzonderingen vormen intussen vererving (art. 3) en
tussenkomst van Gedeputeerde Staten (art. 10).

236

Het is duidelijk dat men bij bestudering der achter-

gronden en consequenties van beide voorstellen, deze als

één geheel dient te bezien. Om tot lagere onteigenings- en

koopprjzen te komen, stelde Minister Samkalden feitelijk

voor om de contractsvrijheid en het vrije prijsmechanisme

uit te schakelen. Het staat zo in de Memorie van Toelich-

ting:

,,Het besluit om al dan niet tot vervreemding over te gaan,
kan de eigenaar uiteraard in volle vrijheid nemen. Besluit hij
echter tot vervreemding, dan wordt in het onderhavige wets-
ontwerp een inbreuk op zijn beschikkingsvrijheid gemaakt en
wel voor wat de keuze van de contractspartrier aangaat; be-
houdens bijzondere omstandigheden zal dit de gemeente zijn,
indien zij de wens daartoe te kennen geeft”.
,,Een andere beperking van de vrijheid van de eigenaar is,
dat hij uitsluitend op de in de wet bepaalde wijze kan verkopen. Openbare verkoop wordt in’ het ontwerp uitgesloten”.

Beoordeling

Zonder twijfel kan het van algemeen belang worden

geacht, indien openbare lichamen hun taak redelijk kunnen
vervullen zonder dat hen daarbij onoverkomelijke barrières

in de weg worden gelegd. Dit is van temeer belang, nu

het – terecht of ten onrechte – nog steeds op de weg

van de gemeente geacht wordt te liggen om goedkope

woningen te bouwen. Daarbij komt dat de gemeenten zich

bovendien meer en meer zullen moeten concentreren op

het ,,leef baar maken” van de steden en dorpen. Zulks

impliceert zeker het requireren en gereedmaken van recre-

atieterreinen. Maar moet men
bij
deze pogingen direct

naar uiterste middelen grijpen? Is het nodig om ,,de gouden

standaard van onze westerse samenleving”, ni. de particu

liere eigendom en de contractsvrijheid min of meer licht-

vaardig
5)
aan te tasten?
Prof. Mr. J. M. Polak somt in
De Pacht
van oktober
1966, blz. 302, een aantal gevallen op waarin inbreuk op
die essentialia geoorloofd zou kunnen zijn. Hij doelt hier

op situaties waarbij vaststaat dat er geen andere oplossing
en geen alternatief te vinden is. In zulke – buitengewone –

gevallen zouden de nadelige gevolgen zoveel mogelijk be-

perkt moeten blijven en er zouden behoorlijke schadC-

vergoedingen moeten worden gegeven. Is de nood over de

gehele linie wel z6 hoog gestegen dat alle andere’ remedies

uitgeput zijn, zodat men ten langen leste naar uiterste

middelen moet grijpen? Kan het feit dat wij opgescheept

zitten meteen overtrokken pachtwetgeving een reden zijn

om de zaak nôg eens en nèg wat verder te overtrekken?

Naar ons oordeel zeker niet!

Stijgende grondprijzen

Eerst iets over de huidige toestand. Art. 40 van de

Onteigeningswet stipuleert dat ,,alleen de werkelijke waarde

van het onteigende” in aanmerking mag worden genomen.

De jurisprudentie heeft terecht aangenomen dat de werke-
lijke waarde bij onteigening in de praktijk vrijwel identiek

is met de waarde die het bij openbare verkoop zou op-

leveren. Daarbij mag volgens art. 40a (oud) niet worden

gelet op de repercussie van een uitbreidingspJan. Deze

artikelen hadden ten gevolge dat de rechter in het algemeen

de gronden die onteigend werden ten behoeve van een stad

of dorp taxeerde op de (te verwachten) waarde van ruwe

bouwgrond. indien men verwacht dat er spoedig en veel

gebouwd zal worden, zullen er veel liefhebbers zijn (zeker

niet alleen ,,speculanten”, maar vaak ook vooruitziende

bouwers en industriëlen, die zich willén verzekeren van

bouw- en werkgrond).

Er is in de afgelopen periode veel gebouwd; vele bouw-

werken (w.o. havens) kregen een begin van uitvoering;

vele wegen zijn aangelegd of geprojecteerd; nogal wat

recreatie-objecten zijn aangepakt. Daarbij komt dat er bij

de gemeenten een’ tendens bestaat om flink te verdienen

aan’ de bouwrijpe grond
6).
Voorts had de regering bij de

Pachtwet en andere wetten voor pachters van•te ontêigenen

landerijen flinke schadeloosstellingen zeker gesteld. Ook

lieten de ruilverkavelingsautoriteiten zich op grond van

art. 13 lid 2, al dan niet terecht, door de gemeenten steeds

hogere bedragen uitbetalen. Ten slotte wekte de steeds

nauwere verbondenheid der E.E.G.-partners nogal eens de

kooplust van de buitenlanders op.

Al deze samenwerkende factoren, nog versterkt door

voortdurende infiatoire tendenties, hebben ongetwijfeld de
grondprijzen in de buurt van bepaalde steden en recreatie-

oorden op de duur naar boven .gedreven. Dat betekent

dat in de praktijk de ,,werkelijke waarde”, dus de waarde

bij vrije openbare verkoop, een niet onaanzienlijk stijgende

tendens te zien geeft en dat de gemeenten die per se grond
moeten of willen bemachtigen, steeds dieper in hun porte-,
monnaie moeten tasten.

Wat is aan de stijgende grondprijzen te doen?

Men kan zich – dunkt ons – met recht afvragen of

het Rijk en vooral bepaalde gemeenten niet zelf mede

schuldig zijn aan de stijging van de grondprijzen.
Overigens

staat her vast dat zich niet in alle provincies en zelfs niet in

alle steden hoge grondprjjzen aandienen.
Bovèndïen: wat

zijn hoge grondprijzen? Het is bekend dat bijv. in de

noordelijke provincies de dorpen en vele steden voor ruwe

bouwgrond rond f. 20.000 per ha betalen (vôér de oorlog
ca. f 4.000 â f. 9.000). Gezien de omstandigheid dat onze

munt tot
‘Ig
van de vooroorlogse waarde is verzwakt, dat

nieuwe polders en ruilverkavelingsgrond ook f. 20.000 per

ha kost en dat ‘bij onze E.E.G.-partners f. 20.000 voor een

ha landbouwgrond geen uitzondering is, mag een dergelijk

bedrag zeker niet exorbitant worden genoemd. Iets anders

is het met bedragen die hiervan een veelvoud zijn. Maar

dân mag de vraag worden gesteld: is het zo nodig dat juist
in de buurt van de grote steden — waar de grond verreweg

het duurst is – zoveel wordt gebouwd?

Gesteld echter dat de grondprijzen overal onverantwoor-

5)
Vgl. Grondwet art. 4 en 165 juncto het Burgerlijk Wetboek
artt. 2 en 625. ‘
8)
Overigens is de verhouding tussen bouwgrond en huis
(ca 10 pCt.) t.o.v. de v&3roorlogse toestand niet eens zôveel
veranderd.
1.

(1. M.)

E.-S.B. 1-3-1967

237

(I.M.)

delijke hoogten zouden aannemen (wat niet is aangetoond)

dan is het uiteraard niet onredelijk dat een regering zich

daarvan rekenschap geeft en mogelijkheden onderzoekt die

deze hausse kunnen indammen. De vraag is dan: moet

men om de grondprijzen te bewaken per se een beroep

doen op maatregelen die in een schaarste-economie thuis-

horen? ,,Ja zeker”; heeft Minister Samkalden geconclu-

deerd, ,,want er is schaarste, zelfs een structurele, dus

blijvende schaarste, aan grond” (zie de aangehaalde rege-

ringsverklaring van 27 april 1965).

Grond genoeg

In
E.-S.B.
van 12 november 1962, biz. 876, hebben wij –

in tegenstelling tot de gangbare mening – verkondigd,

dat er in Nederland grond genoeg is, maar dat er iets

schort aan het gebruik ervan. Er is namelijk veel teveel

landbouwgrond in gebruik. Mede gezien de gereed komende

Zuiderzee-poldergronden, zullen vooral de marginale

(= slechte) landbouwgronden uit de produktie moeten

worden genomen en in de niet-agrarische sector

(bouw- en recreatiesector) moeten worden ondergebracht.

Dit zal resulteren in lagere prijzen voor ruwe bouwgrond

en recreatiegrond. Minister Biesheuvel zei hieromtrent in

een opmerkelijke rede op 19 oktober 1966, gehouden ter

gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Rentmeesters-
kamer, dat er zijns inziens in het algemeen gesproken geen

schaarste aan grond in Nederland behoeft te zijn. Hij ver-
wees daarbij met instemming naar een artikel van Drs. P.

Helder in het tijdschrift
Bouw
waarin deze schrijft, dat er

nu en in de toekomst voldoende ruimte is om te bouwen,

wonen en recreëren en tevens om op redelijke wjjze landbouw

te bedrijven!
In dit verband zij nog vermeld dat bij het

Ministerie van Economische Zaken een registratie van de
beschikbare industrieterreinen in Nederland wordt bijge-

houden. Juist in de (47) ontwikkelingskernen (vooral in

het noorden en zuiden van het land) zijn er meer dan vol-

doende industrieterreinen in gemeentelijke handen!
Economisch en maatschappelijk gesproken is er bepaald

geen schaaiste aan grond. Er is destijds veel grond in de

agrarische sector gebracht en het is moeilijk om die grond

er weer uit te krijgen. Indien dit gelukt, dan zijn we er. Dat

behoeft o.i. niet steeds via de (dure en ingewikkelde)

methode van de Onteigeningswet te geschieden. Ik heb dit

reeds bij verschillende gelegenheden te berde gebracht
7).

Het lijkt mij heel goed mogelijk om, via de Stichting

Beheer Landbouwgronden, agrarisch territoir in de niet-

agrarische sector over te brengen. De S.B.L. krijgt namelijk

veel grond toegevoerd uit hoofde van uitgekochte boeren

(Ontwikkelings- en Saneringsfonds) alsmede van verplaatste

boeren (naar de Zuiderzeepolders). Ook een gereorgani-

seerde ruilverkaveling zou belangrijke diensten in deze

richting kunnen verlenen.

Hierbij komt dat onteigeningsschade vaak goed en goed-

koop te vergoeden valt door het beschikbaar stellen van

boërderjen of landerijen elders. Mede in dit verband is

het interessant om kennis te nemen van de huidige opvat-

tingen van twee topfunctionarissen in de landbouwwereld.

In zijn reeds eerder genoemde rede heeft Minister Bles-

heuvel erop gewezen dat ook hij geen voorstander is van

grondprijsbeheersing; de mobiliteit van de grond is z.i.

een onmisbare stap om tot een evenwichtstoestand te ge-

raken. En laatsteljk heeft ook de Directeur van de Cultuur-

technische Dienst medegedeeld, dat de ruilverkaveling een

goed instrument kan worden om steden de nodige uit-

breiding te geven, alsmede recreatiegrond te verschaffen

tegen redelijke prijs.

Samenvatting

H

ET voorstel tot wijziging van de Onteigeningswet

annex een voorkeursrecht van gemeenten is niet nodig

omdat niet gebleken is dat er exorbitante misstanden

zijn en zulks over de gehele linie. Indien op bepaalde

plaatsen de ruwe bouwgronden wat te duur. aan de markt

worden gebracht, kan men zich met recht afvragen of de
consequentie daarvan niet eerder moet zijn dat elders op
goedkopere plaatsen wordt gebouwd. Dit zou bovendien

de landelijke spreiding ten goede komen.

Een zo in het recht en de normale gang van zaken in-

grijpende regeling als de voorgestelde zou alleen te ver-

dedigen zijn, indien er geen andere, meer regulaire, moge-

ljkhederi voorhanden zouden zijn of indien een nood-

toestand zou dreigen. Het een noch het ander is evenwel

het geval. Er zijn daarentegen mogelijkheden te over –

in het economische vlak – om te hoge prijzen af te remmen.

Daarvan zijn het stichten van een grondpool
8)
of een om-

vorming van de Stichting Beheer Landbouwgronden er

één. Een andere mogelijkheid zou zijn om de Ruilverkave-

lingswet te voorzien van duidelijke
richtlijnen
en van een

sterk controlerend college, in te zetten voor een betere

algemene grondpolitiek.

De verdienste van de besproken ontwerpen is dat
zij
de

aandacht hebben gevestigd op mogelijke toekomstige mis-

standen op het gebied van de grondpolitiek die de conjunc-

tuur zouden kunnen schaden. Mogen
zij
aanleiding zijn

om éérst te onderzoeken welke economische afweermaat-

regelen kunnen worden genomen met behulp van de reeds

aanwezige instrumenten.

‘s-Gravenhage.
Mr. J. A. FRESEMAN GRATAMA.

O.a. in
E.-S.B.
van 21 april 1965, blz. 365 en in
Vrijheid en
democratie
van 4 november 1965, hlz.
5.
Zoals ook werd aanbevolen door de Liberale Internationale
te Stockholm, 1965.

(1. M.)

Met één aandeel
VEREEN1GD BEZIT VAN

238

Opzet en exploitatie

van kunstijsbanen

S

INDS de recente ingebruikstelling van de kunstijsbaan

te Heerenveen zijn er in ons land zes kunstijsbanen.

Hiervan zijn die te Amsterdam, Deventer en Heeren-

veen zgn. lange banen, in ovale vorm van ca. 400x 10

meter, en die te Den Haag, Tilburg en Den Bosch zgn.

ijshockeybanen, in rechthoekige vorm van ca. 30 x 60

meter. In het buitenland wordt de schaatssport op kunst-

ijsbanen bijna uitsluitend uitgeoefend op ijshockeybanen,

waarvan er bijv. in Duitsland en Zwitserland elk ca. 50 zijn.

In de Verenigde Staten zijn ongeveer 500 kunstijsbanen;

dit aantal zal naar verwachting in 1970 zijn gegroeid tot

meer dan 2.000. Ook in zeer warme landen, zoals Mexico,

Zuid-Afrika en Australië e.a., heeft men kunstijsbanen.

Onze zes kunstijsbanen trekken per seizoen, van mi&len

oktober tot eind maart, tezamen ongeveer 1 mln, be-

zoekers, hetgeen een indicatie geeft van de plaats die deze

tak van sport en recreatie in ons land, ondanks het nog

geringe aantal kunstijsbanen, inneemt alsmede van de

invloed die hierdoor op de volksgezondheid kan uitgaan.

De entreegelden zijn in Nederland nergens hoger dan f. 2

per openingsperiode die doorgaans 2
k
tot 3 uur bedraagt;

het gemiddeld per bezoeker ontvangen entreegeld ligt

aanzienlijk lager.
Gebleken is dat de lange banen zonder subsidie niet
tot een sluitende exploitatie kunnen komen. De drukst

bezochte baan, die te Amsterdam, met per seizoen gemid-

deld 350.000 bezoekers, heeft een jaarlijks exploitatietekort

van
f.
50.000 â f. 100.000. De baan in Deventer trekt

aanmerkelijk minder bezoekers. De baan in Heerenveen

geniet aanzienlijke subsidies. In Zuid-Holland en in Noord-

Brabant zouden nog lange banen gesitueerd kunnen

worden met de mogelijkheid van meer dan 200.000 be

zoekers; zonder financiële ondersteuning kan dan van een

sluitende exploitatie nauwelijks sprake zijn.

De drie ijshockeybanen trekken tezamen ongeveer

350.000 bezoekers per seizoen. De Haagse baan behoort

tot de Zwoisman-groep. Inzake de exploitatie van deze

baan is alleen bekend dat zij rendabel is. De baan in

Tilburg, geëxploiteerd in de vorm van een stichting, heeft

blijkens het jaarverslag zonder subsidie een sluitende

exploitatierekening. De baan in Den Bosch, geopend in

1966 en’opgezet in N.V.-vorm, zal na de aanloopperiode

waarschijnlijk een sluitende exploitatie hebben mcl. een

béscheiden dividend.

Veruit de belangrijkste bron van inkomsten voor een

kunstijsbaan in ons land wordt gevormd door dè entree-
gelden voor het zgn. pub]iekschaatsen. De grootste toe-

loop van bezoekers ligt in de weekeinden, waarbij ook op

ijshockeybanen toppen van over 3.000 entfees worden

bereikt. Andere inkomstenbronnen zijn: trainingsuren

voor schaatsclubs (meestal niet opwegend tegen de kosten),

ijshockeytraining en -wedstrijden (idem), verhuur van

reclameruimte (niet onbelangrijk), verhuur van neven-

diensten als kantine, garderobe, sportwinkel e.d.

(T. M.)

De in ons land sterk wisselende weersomstandigheden

pleiten krachtig voor kunstijsbanen die gesloten of althans
overdekt zijn. Niet alleen heeft het weer een grote invloed

op het bezoekersaantal, maar ook op de kwaliteit en het

onderhot?d van .de ijsvloer, het stroomverbruik, het kunnen

doorgaan van georganiseerde evenementen enz. Alle lange

banen zijn ten onzent open; van de ijshockeybanen is di

in Den Haag geheel gesloten, in Tilburg geheel open en in

Den Bosch overdekt met twee open zijkanten. Een lange

open baan kost al gauw f. 1,5 mln, aan investering; Het is

nog een vraag of de voor overkapping benodigde extra

investering, die ten minste f. 1 mln, vergt, zal worden

goedgemaakt door het te verwachten grotere aantal be-

zoekers. Bovendien zal door overkapping het aantrekke-

lijke visuele effect van deze uitgestrekte ovale banen ver-

loren gaan. Een ijshockeybaan is aanzienlijk goedkoper

te overkappen. Voor een gedeelte van de zijwanden zou

een uitschuif baar systeem ideaal zijn.

Een exploitatiebegroting van een redelijk gesitueerde

open
30 x 60 meter baan ziet er in een normale winter

ongeveer als volgt uit:

70.000 bezoekerg â gem.
Personeelskosten

……
f. 30.000

f. 1,20
……………
f. 84.000

Elektriciteit, gas, water .. f. 25.000

Verhuur v. reclameruimte f. 10.000

Afschr. f. 300.000 in IS jr. f. 20.000

Diverse inkomsten . ….. f. 10.000

Rente f. 300.000 â 7 pCI. f. 21.000
Tekort
…………….
f.

4.000

Diverse uitgaven
……..
f.

8.000
Belastingen (o.b.)
……
f.

4.000

f. 108.000

,

f. 108.000

Bij 75.000 bezoekers per seizoen, een aantal dat na een

aanloopperiode zeker haalbaar is, is het tekort opgeheven.

Bovendien kan na een aantal jaren het rentebedrag door

aflossing afnemen.

Voör eenzelfde, doch
overdekte,
baan wordt de be-

groting als volgt:

90.000 bezoekers
ti
gem.
Personeelskosten

…….
f.
30.000
f.

1,20

……………
f. 108.000
Elektriciteit, gas, water .. f.
20.000
Verhuur v. rectanieruimte
f.

20.000
-Afschr. f. 600.000 in 15 jr. f.
40.000
Diverse inkomsten

…..
f.

12.000
Rente f. 600.000 á 7 pCt. 1′.
42.000
Tekort

…………….
f.

8.000
Diverse uitgaven .’
…….
f.
10.000′
Belastingen
…………..

f.
6.000

f. 148.000
f. 148.000

Ook hier een klein tekort, dat als aanloopverlies be-

schouwd dient te worden.

Voor het bereiken van maximale aantallen bezoekers

dient ook een kunstijsbaan gemakkelijk bereikbaar te zijn.

Dit met het oog op de overwegende toeloop van schaatsers
onder de 30 jaar, die te voet, per fiets, brommer of autobus

komen. Hierbij stuit men op de moeilijkheid dat in de

grotere bevolkingsaggiomeraties geschikte terreinen van

tenminste 3.000 m
2
schaars zijn. In de investeringsbegrotin-

gen van f. 300.000 resp. f. 600.000 zijn de diverse, bij een

kunstijsbaan benodigde, accommodaties zeer sober ge-

1894

: aandeelhouder in ca. 200 ondernemingen

E.-S.B. 1-3-1967

239

houden. Met een extra investéring van f. 100.000 â f. 200.000

kan men op dit punt heel wat doen.

Er zijn onzes inziens in ons land stellig meer dan 10

plaatsen waar nog een kunstijsbaan gevestigd kan worden

met een gerede kans op 70.000 en meer bezoekers per
seizoen. Gezien de huidige situatie van de overheids-,

provinciale en gemeentelijke financiën zal het echter geen

eenvoudige zaak zijn werkelijk tot een groter aantal kunst-

ijsbanen te komen. Afhankelijk van de ter beschikking ge-

brachte middelen resp. de lokale situeringsmogeljkheid

van de baan, kan overwogen worden te startenmet ijs-

hockeybanen van het open type en in een later stadium,

ëventueel tot overkapping over te gaan. In de agglo-

meraties van ruim 100.000 inwoners kan qua exploitatie-

mogelijkheid aanstonds gestart worden met een overdekte

ijshockeybaan. Aanleg van buiten de bevolkingscentra

gelegen banen of van luxe banen met nachtclubs e.d., zoals

die o.a. in Engeland wel geëxploiteerd worden, lijken ten
onzent weinig toekomst te bieden.

In Den Bosch stelde de gemeente ten aanzien van de

investeringsfinanciering in het vooruitzicht dat
zij
even-

veel zou bijdragen als door de particuliere sector zou

worden bijeengebracht. De inbreng van de gemeente ge-

schiedde grotendeels in de vorm van een hypothëcaire

lening (met normale rente). Deze stimulans heeft vruchtbaar

gewerkt, zodat reeds na zes maandèn kon worden gestart

met de aanleg van een overdekte ijshockeybaan (kosten

f. 600.000), die goed voldoet. Een gemeentelijke garantie

aan een financierende instelling voor de helft of 60 pCt.

van de benodigde financiële middelen kan waarschijnlijk

hetzelfde effect bereiken.

H

ET oergezonde en oud-Hollandse volksvermaak van
het schaatsen is ook heden ten dage in ons land nog

uiterst populair. Schaatsen als moderne topsport

leverde ons wereldkampioenen op. Dit èn de moderne

techniek hebben de bouw van kiïnstjsbanen 66k in ons

wisselende en regenachtige klimaat bevorderd. Er is in

ons land nog behoefte aan tenminste 10 regionale kunst-

ijsbanen, die
bij
voorkeur dienen te worden afgesloten van

regen en stormwind.

De verdere aanleg van zgn.
lange banen van het open type

zal zonder grootscheepse hulp bij de financiering niet

mogelijk zijn. Indien de reële kosten van deze financiering

in de exploitatierekening dienen te worden opgenomen, zal

daarnaast een aanzienlijke jaarlijkse subsidie nodig zijn

om de exploitatie sluitend te krijgen. Financiering en

exploitatie van
overdekte
lange banen lijkt onder de

huidige omstandigheden een geheel onmogelijke opgave.

Bij een goede plaatselijke situering van zgn.
jjshockey-

banen
in bevolkingscentra van ca. 100.000 zielen mag

wordengerekend op 70.000 tot meer dan 100.000 bezoekers

per° seizoen.
Bij
deze bçzoekersgetallen is een
open
baan

in normale winters zo goed als sluitend te exploiteren.

In de grotere aggiomeraties, ruim boven 100.000 zielen,

verdient het aanbeveling te starten met het
overdekte
type.

Aandacht voor het Noorden

AAST het door het C.B.S. jaarlijks uitgegeven

,,Statistisch Zakboek” wordt sedert enige jaren

door de drie noordelijke Economisch- Techno-

logische Instituten een ,,Statistisch Zakboek voor het

Noorden des lands” samengesteld. Eind 1966 ver-

scheen de vijfde uitgave (1966)
1).

Het zakboek is ingedeeld, in de hoofdstukken:

oppervlakte en bodem – bevolking – zorg voor

volksgezondheid, bejaardenzorg en voorzieningen

voor gehandicapten – volkshuisvesting en woning-

bouw – kerkelijke en politieke gezindte – onder-

wijs, vormings- en opbouwwerk – cultuur, ontspaii-

ning en recreatie – beroepsbevolking, werkgelegen-

heid en werkloosheid – landbouw en visserij –

nijverheid – detailhandel en ambacht – verkeer en

ver voer — inkomen en vermogen – sociale statis-

tieken.

Daarnaast is voor elk der drie provincies nog een

aantal gegevens per geilieente en economisch-

geografisch gebied opgenomen.

Door de recente series stimuleringsmaatregelen is

de sociaal-economische en -geografische situatie in de

drie noordelijke provincies sterk in de belangstelling

komen te staan. Het zakboek kan in dit opzicht twee

nuttige taken vervullen: door enerzijds deze belang-

stelling meer kwantitatief te richten, anderzijds
door

een nuttige informatiebron te vormen voor de onder-

nemers, die – aangetrokken door de stimulerings-

bronnen – overwegen zich metterdaad in het Noor-

den te gaan vestigen.
dR

1)
Uitgegeven door A. J. Osinga N.V. te Bolsward,
155 blz., f. 4.

Na een aanloopperiode zal ook hier een sluitende exploi-

tatie mogelijk zijn. Hoogstens zal slechts de eerste jaren een

bescheiden subsidie resp. verliesfinanciering nodig zijn.

Ook de ijshockeybanen houden geen grotere winst-

mogelijkheden in. Voor een seizoenbedrijf is in ons land
het weer (regen, storm, natuurlijke vorst enz.) gedurende
de maanden van bedrijf te ongewis en is de exploitatie te

zeer aangewezen op de weekeinden. Mede in verband met

de beperkte winstmogelijkheden is een aanvankelijke

nauwe samenwerking tussen particulier en gemeentelijk

initiatief een voorwaarde voor de realisering van deze

projecten. Daarbij dient het accent van de gemeentelijke

inbreng te liggen op de medefinanciering of financierings-

garantie alsmede het traceren en beschikbaarstellen van
een geschikt terrein. De meer risicodragende en organi-
satorische inbreng kan, mits terdege gecoördineerd, ge-

schieden door de particuliere sector.

Vught.

Dr. J. F. MICHELS.

4r

staalconstructies

DE. VRIES ROBBEc0

metalen ramen en deuren

GO RUN CH’E M

240

Verwarmingsmarkt in beweging

D

EZE, misschien wat sensationele, aanhef wil niets

meer en ‘niets minder zeggen dan dat het aantal

centraal verwarmde woningen in Nederland een

sterk opwaartse tendens vertoont. In welke mate, alsmede

de oorzaken die hieraan ten grondslag liggen, wordt in

het onderstaande uiteengezet.

Nederland heeft de naam een voorbeeld te zijn voor

wooncultuur: de doorsnee Nederlander zou relatief veel

geld uitgeven voor zijn huiselijk comfort. Iedereen heeft

wel eens de bewering gehoord: ,,Wij doen toch veel meer

aan onze inrichting dan Belgen, Fransen of Zwitsers,

want daar kan in huis een blind paard geen schade doen

en deze mensen hebben geen smaak”.

Nu zijn dit soort beweringen weinig wetenschappelijk

gefundeerd en indien wij een onderzoek instellen naar de

werkelijke wooncultuur, dan komt de Nederlander er

nogal, bekaaid af. De Nederlandse consument verwarmt

zich voor het overgrote deel nog op archaïsche wijze,

hoewel er in de laatste jaren een kentering valt waar te

nemen in de behoefte aan betere verwarming.

De toename van deze behoefte vloeit voort uit het in

het. algemeen heersende verlangen naar meer luxe en

comfort, dat wordt gestimuleerd door de sinds de oorlog
sterk gestegen inkomens. Iedereen voorziet zich van een
serie duurzame gebruiksartikelen, zoals koelkasten, t.v.-
toestellen enz.; bovendien zijn de arbeidsruimten van de

meeste Nederlanders sterk verbeterd, zodat het verklaar-

baar is, dat men verlangt naar beter verwarmde woningen

De behoefte aan c.v.

Zo’n 20 jaar geleden telde men jn Nederland globaal

2,3 mln, huishoudens, een aantal dat op 31 december

1965 3,1 mln, bleek te zijn. In deze 20 jaar, wij releveerden

dat reeds hierboven, is het inkomen per huishouden sterk

gestegen. Door reizen, betere arbeidsomstandigheden en

vele andere oorzaken hebben vrijwel alle Nederlandse

consumenten zich ten doel gesteld om de omstandigheden

waaronder zij leven aanmerkelijk te verbeteren. Deze

verlangens zijn op bijzondere wijze tot uiting gekomen
in het verbruikspatroon op het gebied van verwarming.

Vroeger stelde vrijwel iedereen zich tevreden met één

warmtebron per woning, doch nu gaat de belangstelling

uit naar verwarming in de gehele woning. Een door het

Instituut voor Gezondheidstechniek T.N.O. in samen-

werking met de Nederlandse Huishoudraad ingesteld

sociologisch onderzoek heeft uitgewezen
1),
dat ruim

60 pCt. van alle huisvrouwen centraal verwarmde woningen

prefereert, terwijl 57 pCt. zich er tevens van bewust is

dat deze wijze van verwarmen niet duur is.

Van de 2,3 mln. gezinnen in 1947 beschikte ca. 3 pCt.

over centrale verwarming. Dit percentage is gestadig opge-

lopen en momenteel is ruim 10 pCt. van alle Nederlandse

woningen centraal verwarmd. Ook de overheid, en daarbij

zijn waarschijnlijk nog andere factoren dan alleen de

hang naar luxe of de hang naar comfort in het geding,

voorziet steeds meer nieuwbouwcomplexen van’ centrale

verwarming. Hierop komen wij nog terug.

De van staatswege geïnitieerde woningbouwprogram-

ma’s, de snelle ontwikkeling van het aantal met olie

gestookte verwarmingseenheden en de opzienbarende

gasvondsten, hebben ertoe geleid dat de Nederlandse
consument aanzienlijk meer ,,verwarmingsbewust” is

geworden. Op grond van de door o.a. het Ministerie van

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vastgestelde

groei van 2 pCt. per jaar mag worden verwacht, dat in

1975 tenminste 30 pCt. van alle Nederlandse woningen

centraal verwarmd zal zijn. In de ons omringende landen

liggen deze percentages aanzienlijk hoger, ni. in 1956 was
het percentage centraal verwarmde woning in Zweden 65,

in Denemarken 35 en in Zwitserland 38. Sindsdien heeft

de centrale verwarming daar nog flink aan terrein ge-

wonnen. De huidige percentages liggen dan ook belangrijk

hoger.

Aan een artikel in het maandblad
Olie
2)
ontlenen wij

de volgende percentages van nieuwbouwwoningen die van –

cv. werden voorzien, nl. in 1962 voor Frankrijk 44,

voor België 70, voor Denemarken 76, voor Zwitserland 90,

voor Zweden 98 en in 1963 voor Nederland 22 -en voor

West-Duitsland
45.
Ook in Nederland is blijkens het

jaarverslag over 1965 van de Centrale Directie van Volks-

huisvesting en Bouwnijverheid het percentage nieuwe•

woningen met cv. sterk toegenomen, nl. in 1962 16 pCt.,

in 1963 22 pCt., in 1964 30 pCt. en in 1965 47 pCt.

Ter berekening van het totaal aantal woningen dat van
hedèn tot 1975 van een c.v.-installatie zal moeten worden.

voorzien, zijn wij uitgegaan van de woningvoorraad op•

31 december 1965 volgens de Maandstatistiek voor de

Bouwnijverheid, ni. globaal 3.260.000. Verwacht mag wor-

den dat de woningvoorraad voor wat betreft de nieuwbouw

met ca. 100.000 woningen per jaar toeneemt, terwijl in

het kader van saneringsplannen ca. 100.000 tot 200.000

woningen zullen moeten worden vervangen. De netto

toename zal derhalve tot 1975 ca. 750.000 woningen

bedragen, zodat Nederland in 1975 4 mln. woningea
Lal

tellen.

Wij merkten reeds op dat op grond van de verwachte

groei van 2 pCt. per jaar en het huidige percentage centraal

verwarmde woningen, t.w. ca. 10 pCt., in 1975 30 pCt.

centraal verwarmd zal zijn ofwel 1,2 ‘mln. woningen.

Momenteel bedraagt het aantal centraal verwarmde

woningen globaal 300.000, zodat nog ongeveer 900.000

woningen in de komende negen jaar van een c.v.-installatie

zullen moeten worden voorzien.

Wat zijn nu de consequenties van deze ontwikkeling?

In de eerste plaats dat deze 900.000 installaties tegen een

gemiddeld bedrag van f. 5.000 per stuk een investering

vergen van ruwweg f. 4,5 mrd. In de tweede plaats dat

-c.v.-installateurs , alleen onder bepaalde voorwaarden in

staat zullen zijn deze installaties te maken. In de derde

plaats dat in de naaste toekbmst woningen zonder c.v.

als ouderwets zullen worden beschouwd. Ten vierde dat
het energieverbruik zowel sterk zal veranderen ‘als sterk -.

zal toenemen.

De toekomstige Nederlandse c.v.-markt

Hierboven hebben wij aangetoond, dat in de komende

negen jaar ruwweg 900.000 woningen voorzien zullen

1
)Rapport no. 30 van liet Instituut, voor Gezondheids-
techniek, samengesteld door Mej:’ C. Horch.

2)
Het maandblad
Olie,
18e jrg., no. 12 viih decembér
1965.

E.-S.B. 1-3-1967

24:

moeten worden van een c.v.-installatie en dat hiermede

een
Vrij
grote investering gepaard gaat. Welke woningen
zullen nu het eerst van c.v. worden voorzien en hoe was

de ontwikkeling in de afgelopen jaren?

Uit de globale percentages die hierboven werden ver-

meld, blijkt dat in de van staatswege geïnitieerde woningen,

dus woningwetwoningen, in steeds toenemende mate

centrale Verwarming wordt toegepast. Volgens het jaar-

verslag van de Centrale Directie van Volkshuisvesting en

Bouwnijverheid over 1965 is het percentage woningwet-

woningen met c.v. van 1961 t/m 1965 als volgt opgelopen:

Nieuwbouw woningwetwoningen

Eengezinswoningen Meergezinswoningen

1961

…………………
1

19
1962

………………..

0
.

19
1963

…………………
1

28
1964

………………..

9
.

65
1965

…………………
23

94

Bij de premiebouw en de ongesubsidieerde bouw valt

globaal eenzelfde tendens waar te nemen, nl.:

Nieuwbouw

Premiebouw
Ongesubsidieerde bouw

eengezins-
meergezins-
eengezins-
nieergezins-
Çwoningen
woningen
woningen
woningen

24

1962

…………..
0
42
10
58
1961

……………1
.

58
II
75
1964

…………..
.3

.

77
10
81
1963

……………2

1965

……………
.0
.
93
15
83

Ten aanzien van premiebouw en ongesubsidieerde bouw

moet nog worden vermeld, dat de gegevens betrekking

hebben op een steekproef 1 : 10, terwijl de cijfers voor de

woningwetbouw betrekking hebben op de woningbouw

plannen, zoals deze in de betrokken perioden door het

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

zijn vastgesteld. Daar het geregeld voorkomt dat in een

later stadium van de bouw alsnog tot het aanbrengen

van c.v. wordt besloten, zijn de vermelde cijfers als minima

te beschouwen. Dit geldt in het bijzonder voor de een-

gezinshuizen voor de premie- en ongesubsidieerde sector.

Ten aanzien van de woningcategorieën waarin de

komende 9 jaar centralë verwarming zal worden aange-

bracht, gaan wij uit van de volgende veronderstellingen:

Het aantal woningwetwoningen zal zowel procentueel

als absoluut in de komende ,,bouwjaren” teruglopen.

Op grond van prognoses, neergelegd in de
Tweede
nota over de ruimteljjke ordening in Nederland,
wordt

verwacht dat het aantal eengezinswoningen procentueel

zal toenemen, ni. men zal zich voor het toekomstige urbani-

satiepatroon richten op gebundelde deconcentratie. Het

ligt daarom voor de hand dat de jaarlijkse toename van

het aantal met c.v. uitgeruste woningen lagere percentages,

maar hogere aantallen, zal laten zien. Wij verwachten

dat van de netto woningtoename in 1975 ca. 60 pCt., dus

450.000 woningen, voorzien zal worden van centrale

verwarming.

In verband met deze deconcentratie zalhet overgrote

deel van de Nederlandse bevolking in de toekomst in

eengezinshuizen wonen.

Hoewel nu nog niet met zekerheid vaststaat langs welke

lijnen onze bouwactiviteit zal verlopen, wordt veronder-

steld dat ten hoogste 40 pCt. van de in 1975 in ons land

aanwezige Nederlanders (de totale bevolkingsgrootte op

dat moment wordt geschat op 15 mln.) in flatgebouwen

en andere woningcomplexen zal wonen en tenminste 60 pCt.

in eengezinswoningen. Het aantal woningen met een

individuele stookinstallatie zal dus aanmerkelijk groter

zijn dan dat aangesloten op collectieve sytemen, zoals

blok- en wijkverwarmiiig. –

Normalisatie geboden

Het grote aantal met c.v. te installeren woningen zal

het kleine aantal in ons land gevestigde c.v.-installateurs

voor grote problemen stellen, indien men doorgaat op de

huidige manier te werken. Zoals bekend is, geschiedt de

aanleg van een c.v.-installatie in de meeste gevallen op

ambachtelijke wijze. Alleen de grote flatgebouwcomplexen

met uniforme installaties worden op vrij rationele wijze

aangelegd. Uit de jaarrede van de voorzitter van de Neder-

landse Vereniging voor de centrale verwarming en lucht-
behandelingsindustrie blijkt, dat reeds nu de Nederlandse

installateurs allen tezamen niet in staat zijn om aan de

vraag te voldoen.

De tijdelijke afremming van woningbouwprojecten heeft

geleid tot het vrijkomen van capaciteit bij installateurs die

nu na jaren weer in staat zijn om aandacht te schenken

aan particuliere objecten. Indien wij bedenken dat ruim

1.000 installateurs in 1965 globaal 54.000 woningen hebben

voorzien van c.v.-installaties en dat dit aantal 100.000 per

jaar moet worden, dan ligt het voor de hand, dat gezocht
moet worden naar betere arbeidsmethoden, kortom naar

een efficiënte werkwijze.

Eén van de middelen hiertoe is normalisatie. De Stichting

Voorlichtingscentrum Oliestook te ‘s-Gravenhage
3)
heeft

daarom het plan opgevat om een normalisatiecommissie

in het leven te r epen, die normen moet opstellen en werk-

methoden aanbevelen ten einde aan de ontwikkeling op

c.v.-gebied het hoofd te kunnen bieden. De installateur

zal meer dan hij tot nu toe gewend was, gebruik moeten

maken van geprefabriceerde materialen, hij zal zoveel

mogelijk moeten afzien van het tijdrovende las- en buig-
werk door gebruikmaking van eenvoudige verbindingen

en hij zal zich bij deinstallatie moeten laten leiden door

een betere werkplanning. De realisatie van deze noodzaak

zal tot gevolg hebben dat de installatie per woning goed-

koper zal worden door besparing aan man-uren en dat

het aantal installaties zelf groter wordt.

Aangezien ons land met 30 pCt. centraal verwarmde

woningen nog maar aan het begin staat van de werkelijke

ontwikkeling, zal de opleiding van c.v.-installateurs met

kracht ter hand moeten worden genomen, zodat het in

sommige gevallen gewettigde wantrouwen van consumenten

tegenover installateurs verdwijnt. Versnelde opleiding,

betere vakkennis en efficiënter arbeidsmethoden zijn de

drie pijlers waarop de uitbreiding van dé c.v.-markt moet

rusten.
Dreigende veroudering

Hierboven hebben wij reeds gewag gemaakt van het
sociologisch onderzoek naar de mening van de Neder-

landse huisvrouw over de verwarming van haar woning.

Gebleken is dat 76 pCt. van het aantal geënquêteerde

bewoners van centraal verwarmde woningen niet terug zou

willen naar een huis zonder c.v.; 12 pCt. zou dit wel willen

indien het nieuwe huis de bezwarenniet meer heeft welke

aan de huidige woning kleven, terwijl slechts
5
pCt. dit
3)
Deze instelling, waarvan de schrijver van dit artikel direc-
teur is, geeft advies over met olie gestookte verwarmings-
apparaten.

242

wel zou willen ten gevolge van de bezwaren welke huns

inziens aan c.v. verbonden zijn.

De mening van een zo groot percentage, dat naar wij

aannemen representatief geacht kan worden voor alle

bewoners van centraal verwarmde woningen, heeft ernstige

consequënties. In de eerste plaats zal het in nog niet te

overziene mate de doorstroming belemmeren van bewoners

van woningwetwoningen die op grondvan hun inkomen

een ander huis zouden moeten betrekken. In de tweede

plaats zullen woningen zonder c.v. in de toekomst als

verouderd worden beschouwd met als gevolg een aanzien-

lijke vermindering van de marktwaarde. Verwacht mag dan

ook worden dat eigenaren van goede woningen zonder

c.v. in de komende jaren hun woningen zullen gaan ver-

beteren, omdat deze anders bij voldoende woningaanbod

niet of moeilijk zullen kunnen worden verhuurd.

Fiscale tegemoetkoming van de zijde van de overheid

alsmede verruiming van kreoietfaciliteiten, zijn in dit

geval op hun plaats, omdat woningeigenaren bij de huidige

opbrengsten niet of nauwelijks in staat zullen zijn daaruit

de kosten, voortvloeiende uit de aanleg van c.v.-installaties,

te financieren. Het behoeft geen betoog dat ook hier betere

arbeidsmethoden bij de aanleg geboden zijn.

De energiemarkt

Hierboven hebben wij gereleveerd dat in 1947 slechts

3 pCt. van alle gezinnen in een centraal verwarmd huis

woonde. Van alle Nederlandse gezinnen had 97 pCt. een

kolenhaard of -kachel. In de jaren vijftig kwamen de eerste

oliehaarden aan de markt; deze hebben een verandering

in het brandstoffenverbruikspatroon ingeluid. Die ver-

andering is nog verder geaccelereerd door de komst van

het aardgas, waarop wij nog terugkomen.

De teruggang van het aantal met kolen gestookte ver-

warmingseenheden is spectaculair: twee jaar geleden

gebruikte nog ruim 70 pCt. van alle gezinnen een kolen-

haard als hoofdverwarmingsbron, nu is het percentage

al teruggelopen tot ca.
58
en het laat zich aanzien dat in

1975 nog hoogstens
5
pCt. van alle gezinnen kolen als

hoofdverwarmi ngsbron zal gebruiken.
De omzet van olie voor ruimteverwarming is sinds 1950

bijzonder sterk gestegen, nl. in 1950: 77.000 m
3
,
in 1955:

212.000 m
3
,
in 1960: 639.000 m
3
en in 1965: 1.400.000 m
3
,

een bijna 20-voudige toeneming dus. Deze toeneming is

ten dele toe te schrijven aan het vervangen van met kolen

gestookte installaties.

D

E opzienbarende gasvondsen – de daarmede ver-

band houdende publikaties getuigden in sommige

gevallen van lichtvaardig optimisme – en de snelle
stijging van het aantal met olie gestookte verwarmings-

eenheden hebben ertoe geleid dat de Nederlandse consu-

ment aanzienlijk meer verwarmingsbewust is geworden.

Bovendien heeft hij meer behoefte aan warmte, ook al

omdat de arbeidsruimten over het algemeen goed ver

warmd zijn en men het dan thuis tenminste even behaaglijk
wil hebben.

Zowel de olie- als de gasleveranciers beijveren zich om

het hardst om zoveel mogelijk consumenten van de voor-

delen van één van beide brandstoffen te overtuigen. Aange-

zien het in de bedoeling der regering ligt om de financiële

baten uit het ,,gas-buitenkansje” zoveel mogelijk te optima-

liseren, mag worden verwacht dat de ontwikkeling van de

verwarmingsmarkt zelf betrekkelijk harmonisch zal ver-

lopen. Verwacht wordt dat de energiemarkt voor huisver-

warming in 1975 als volgt zal zijn gesegmenteera: 50 pCt.

Een speciale Economst

J

S het internationale geldstelsel wel gezond? Wordt

het vertrouwen in de dollar als internationaal ruil-

middel niet langzamerhand ondergraven? Zijn de

internationale liquiditeiten op juiste wijze over de

onderscheidene landen verdeeld?

Dit zj/n enkele van de vragen die worden opgeworpen

en. beantwoord in een speciale aflevering van ‘De

Economist’, getiteld ,,Vernieuwing van het inter-

nationale geldstelsel”. Dit nummer (of liever dit boek;

het telt namelijk zo’n 240 blz. en kost f. 7) bevat een

achttal bijdragen van Nederlandse experts over de

zo actuele en belangrijke problematiek rond het

internationale geidstelsel. Niet alleen een actuele en

belangrijke, ook een moeilijke problematiek; het is

daarom voor de (monetaire) econo,nist plezierig de

discussie weer eens bijeengeveegd te zien en te weten

hoe de stand van het debat nu is.

De opgenomen bijdragen zijn van achtereenvolgens

Prof. Dr. F. J. de Jong (Vernieuwing van het inter-

nationale geidstelsel: achtergrond, probleemstelling

en overzicht van het debat), Dr. W. F. Duisenberg

(Het Internationale Monetaire Fonds en het inter-

nationale monetaire stelsel), T. de Vries (De her-

vorming van het internationale geldstelsel), Prof.

Dr. C. D. Jongman (Internationale monetaire samen-

werking en de Groep van Tien), Drs. H. de Haan

(Centralisatie van de internationale reserves), Prof.

S.Posthuma (De behoefte aan monetaire reserves

en de evenwichtsproblematiek), Drs. C. A. Klaasse

(Zwevende wisselkoersen) en Prof Dr. J. Goudriaan

(De goudwissel-grondstoffenstandaard).

‘De Economist’ mag dan oud zijn (hij is nu de

115e jaargang ingegaan), blijkens dit speciale nummer

is hij nog springlevend.

gas, 45 pCt. olie en
5
pCt. kolen. Dit laatste cijfer heeft

uiteraard betrekking op kolenhaarden, zodat eveneens

mag worden verwacht dat de energiemarkt voor centrale

huisverwarming als volgt zal worden opgedeeld: 50 pCt.

gas en 50 pCt. olie.

Veel hangt hierbij af van de ontwikkeling der kosten per

energie-eenheid. Momenteel ontlopen de kosten van met
olie of gas gestookte eenheden elkaar niet veel en ook in

de toekomst zullen de stookkosten over het algemeen niet

van beslissende betekenis zijn indien de energie-aanbieders

concurrerend blijven. Indien de overheid echter door

eenzijdige belastingheffingen de ene energiedrager tegen-

over de andere disörimineert, zal dit een natuurlijke en

gezonde ontwikkeling in de weg staan.

Ten slotte komen wij nog even terug op de toenemende

warmtebehoefte die van verstrekkende betekenis zal zijn
voor het energieverbruik. Was tot voor enige jaren 18° C

in de woonkamer een aangename temperatuur, nu is 20° C

al maatstaf en het is niet onwaarschij nlij k dat deze tempera-

tuurgrens, naar analogie van wat in de Verenigde Staten

wenselijk wordt geacht, in de, nabije toekomst omhoog

gaat. De toename van het energieverbruik zal dus niet

alleen moeten worden toegeschreven aan de toename van

het aantal c.v.-installaties, doch ook aan de hogere tempera-

turen die men wenst.

‘s-Gravenhage.

K. ROODERKERK.
E.-S.B. 1-3-1967

243

Prjlsmechanisch parkeren

M

OET het parkeren van auto’s geschieden tegen

betaling? Deze vraag werd voorgelegd aan G. J.

Roth, het antwoord gepubliceerd in een Hobart

Paper van ,,The Institute of Economic Affairs”
1).
De heer

Roth, die al vele studies over parkeervraagstukken op zijn

naam heeft staan, heeft deze vraag m.i. voortreffelijk

beantwoord
2)
Enige essentialia uit zijn boekje (verplichte

literatuur voor bestuurders van grote gemeenten!) zullen
hieronder worden weergegeven; naar ik hoop vormen zij

een waardevolle bijdrage tot de veelal op gevoeismatige’

gronden gevoerde discussie over verkeers- en parkeer-

prdblemen.

‘Waarom, zo vraagt Roth zich af, beschouwen we par-

keerruimte niet als een gewoon goed dat tegen betaling

kan worden gehuurd of gekocht? Verschilt parkeerruimte

in dit opzicht van bijv. hotelkamers of pakhuisruimte?

Neen, parkeerruimte is ook een gewoon goed, dat boven-

dien in de stedelijke centra meestal bijzonder schaars is.

Dit betekent dat men voor het parkeren zal moeten

betalen, hetgeen ,,gives an advantage to the richer over

the poorer”. Dat is een gevolg van ongeljkheden in

inkomensverdeling. Wie het daar niet mee eens is, moet

dââr dan wat aan doen. Maar, zo stelt Roth, die ongelijk-

heden vormen geen reden om invoering van het prijs-

mechanisme voor parkeren te verwerpen; de aanschaf van

auto’s en de kosten van benzine en autorparaties vallen

toch ook onder het prijsmechanisme.

Men moet ervan uitgaan dat het de taak van het parle-

ment is om de ongelijkheden in inkomen door belastingen

te verminderen. Het overblijvende netto inkomen mag

ieder naar Vrije keuze besteden. Als er ergens ontbering

‘optreedt komen – eveneens volgens een beslissing van het

parlement – publieke fondsen in actie om de nood te

lenigen (bij ons buy. de Bijstandswet). Roth vindt dat het

niet zijn taak is om te beoordelen of deze methode goed

is of niet;
hij
aanvaardt het als een gegeven dat het prijs-

mechanisme wordt gebruikt voor vrijwel alle consumptieve

uitgaven. Als dit geldt voor essentiële levensbehoeften

als voedsel, kleding en brandstof, waarom dan niet Voor

parkeren?

Als men gratis kan parkeren, terwijl de parkeerruimte

hoe dan ook toch geld kost, wordt het parkeren gesubsi-

dieerd. Subsidies kunnen soms gewenst zijn om koop-

kracht van de sterkere naar de zwakkere. over te hevelen.
Er valt niet in te zien waarom dit zou moeten gelden voor

parkeren. Over het algemeen zijn autobezitters er financieel

beter aan toe dan niet-autobezitters. Indien automobilisten

niet bereid zijn Voor het parkeren voldoende te betalen,

betekent het dat zij gesubsidieerd worden door niet-auto-

bezitters. –

Men kan natuurlijk tegenwerpen dat op automobilisten

al zôveel belastingen drukken, dat er geen redenen zijn

om hen voor het parkeren nog eens extra te laten betalen.

Daarop antwoordt de schrijver dat de belastingen op

auto’s op twee manieren te beschouwen zijn:

1. Zoals andere indirecte belastingen vormen zij een

bijdrage tot de algemene middelen Van de Staat. Zo min

als rokers en ,,drinkers” enige rechten kunnen ontlenen

aan de door hen opgebrachte belastinggelden, kunnen

automobilisten dat doen.

2.
Zij
zijn een vergoeding voor het gebruik van de

wegen. In dat geval dienen deze Vergoedingen een verband

te hebben met de aan dit gebruik verbonden kosten en,

moeten de opbrengsten van deze retributies besteed worden

aan instandhouding en uitbreiding van het wegennet.

Men kan hier naar voren brengen dat de automobilisten
jaarlijks méér opbrengen dan aan het wegennet besteed

wordt (dit schijnt in Engéland zo te zijn; voor Nederland

is het nog steeds geen uitgemaakte zaak). Roth vindt dat

niet belangrijk; het gaat er
bij
dit rëtributiesysteem niet

om wat de groep ,,automobilisten” in totaal opbrengt,

doch wat elke individuele automobilist betaalt voor de

door hem veroorzaakte kosten. Maar dan zijn aan het

parkeren ook kosten verbonden, en wel hogere kosten

naarmate men komt in een gebied waar de parkeerruimte

schaarser is.

Indien de vraag naar parkeerruimte groter is dan het

aanbod, zijn er drie methoden voor distributie. Ten eerste

,,wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Dit systeem

bevoordeelt hen die vroeg komen en de gehele dag willen

parkeren en is een nadeel voor hen die later komen en

slechts korte tijd, parkeerruimte behoeven. In de tweede

plaats zijn ‘er beperkingen van de parkeerduur. De kort-

parkeerder wordt hierbij voorgetrokken ten nadele van de

lang-parkeerder. De Britse Minister van Transport heeft

eens gezegd: ,,It is better – and in the general interest –

for eight vehicles to be able to use a street parking space
in a day, than for one to occupy it all day”. Deze stelling

is wellicht juist als men gratis kan parkeren, doch niet als

er een op kostprijzen gebaseerde prijs moet worden be-

taald. Is het voor een hotel slechter één gast gedurende een

gehele week te hebben, dan achtereenvolgens zeven per

sonen, elk één nacht?

Aannemende dat bij beide genoemde systemen het

parkeren gratis is, hebben zij het bezwaar dat
zij
niet in

staat zijn de schaarse parkeerruimte te verdelen onder hen,

,,The purpose of the Hobart Papers is to contribute a
stream of authoritative, independent and readable commen-
tary to the discussion of econoniic opinion and policy. Their
general method is to analyse the mechanism and institutions which best enable consuniers to direct the use of resources.”
,,The Institute was form.ed in 1957 as an educational
trust. Its chief aim is to risc the standard of economic dis-
cussion” by spreading knowledge of basic principles and
market analysis. Authors are invited to examine the role
of competitive markets and show how business and public
policy can best serve the interest of the community. The
Institute is ‘independent of any political party or group.”
G. J. Roth:
Paying for Parking,
Hobart Paper 33. Uitgave
van ,,The Institute of Econoniic Affairs”, Londen 1965, 64 bi’,
6 sh.

Een beter sociaal- en politiek-

economisch inzicht

met
E.-S.B.

244

die daaraan het meeste behoefte hebben. Dit kan wel
met het derde systeem: het prijsmechanisme. Daarbij

gaat Roth er van uit dat degenen, die in staat zijn anderen

te overbieden, ook een grotere behoefte aan parkeer-

ruimte hebben. Ik meen dat dit niet altijd zo behoeft te

zijn, doch dat men zich ;vel mag afvragen of dit systeem

een verdeling volgens de grootste behoeften dichter

benadert dan de thans toegepaste systemen.
De prijs voor

het parkeren dient dan zo gesteld te worden dat gemiddeld

ongeveer 85 pCt. van het beschikbare aantal parkeer-

plaatsep bezet is. Het spreekt vanzelf dat in deze gedachten-

gang de parkeertarieven niet overal even hoog behoeven

te zijn en ook op dezelfde plaats kunnen variëren, al naar

gelang het tijdstip van de dag of de dag van de week.

Voorts dienen de parkeertarieven bij gelijkblijvend aanbod

en toenemende vraag regelmatig aangepast te worden.

Het zgn. ,,bijvullen” van parkeermeters is vrijwel overal

verboden. Roth vindt dat onlogisch en onjuist. Zolang voor

de parkeerplaats betaald wordt, is het volstrekt onbelangrijk

of daar achtereenvolgens verschillende auto’s staan of

steeds dezelfde auto staat.

D

OOR het parkeren öp de openbare weg uitsluitend

tegen betaling te laten geschieden, kan men een

inzicht verkrijgen ii. de – werkelijke – behoefte

aan parkeerruimte. Men kan dan tevens afwegen in welke

mate het parkeren op de openbare weg of ,,off-street”

dient te geschieden. De te volgen werkwijze is: 1. betaling

voor ,,street parking” invoeren; 2. kostprjzen berekenen

van ,,off-street” parkeerplaatsen; 3. door met de onder 1

genoemde tarieven te manipuleren, kan men de econo-

mische vraag naar parkeerruimte in het betrokken gebied

bepalen; 4. maak ,,off-street” parkeerruimte indien de

vraag zodanig blijkt te zijn, dat de kosten – inclusief

congestiékosten – kunnen worden gedekt.

Voorts bespreekt Roth op een bondige en

duidelijke

manier een aantal met het parkeren verbonden problemen,

zoals overheids- of particuliere exploitatie van parkeer-

ruimte, de technieken om parkeergelden te innen, het

parkeren van auto’s van de bewoners der centra enz.

Overtreders van de parkeerbepalingen moeten vanzelf-

sprekend een boete betalen, doch het systeem daarvoor

dient simpel gehouden te worden. Wie niet vrijwillig de

hem opgelegde boeten plus de nog verschuldigde parkeer-

gelden, zoals vérmeld op het briefje achter de ruitewisser,

komt betalen behoeft niet gerechtelijk te wordenvervolgd.

Gas- en elektriciteitsbedrijven doen dat ook niet met

wanbetalers; zij sluiten eenvoudig de toevoer af. Niet

betaalde parkeerboetes kunnen centraal worden geregi-

streerd en verrekend wanneer jaarlijks de motorrijtuigen-

belasting wordt voldaan.

Parkeersubsidies hebben nadelige invloeden op het

openbaar vervoer: zij stimuleren lang-parkeren, d.w.z.

“non-werkvervoer per auto. Hierdoor kunnen tijdens de

Enitsuren verkeersopstoppingen ontstaan, waardoor de

siensten van het openbaar vervoer onregelmatig worden

en hun kosten stijgen. Voorts heeft de automobilist geen

inzicht in de werkelijke kosten van zijn reizen en wordt

het berekenen van kostprjsdekkende tram- en bustarieven

bemoeilijkt.

Roth is geen voorstander van het kunstmatig beperken

van het parkeren in de centra – bijv. door te weinig plaatse-.

ter beschikking te stellen of door extra hoge tarieven – ten

einde daardoor de verkeerscongesties te verminderen.

Ontwikkelingshulp als sluitpost

L

EZERS van E.-S.B. zullen met instemming hebben

kennisgenomen van de stelling van informateur

Zijlstra dat zonder overeenstemming inzake de

financieel-economische politiek het regeringsbeleid

met betrekking tot de andere punten tot mislukken is

gedoemd. Het memorandum van de informateur be-
perkt zich echter niet tot de financieel-economische

problematiek. Er worden tevens een aantal beleids-

punten opgesomd waarover ,,mede gelet op recente

discussies i n i e de r g e v a 1 het standpunt van de

fractievoorzitters (zou) zijn aan te geven”: 1) de

structuur- en rechtsvorm van de onderneming; 2) de

uitvoering van de Mijnwet continentaal plat; 3) de
staatsdeelneming in het particuliere bedrijfsleVen;

en 4) de grondpolitiek.

De keuze van deze beleidspunten getuigt van de

hooghartigheid van de economist (ook dat mag in

E.-S.B. wel eens worden gezegd). Dat is des te ge-

vaarlijker naarmate de niet-economisten onder de

politici – voor het merendeel juristen, die per definitie

nog meer in termen van de bestaande structuur

denken – minder tegenspel leveren. Dat is dan ook

nauwelijks gebeurd. Zo zei een van de fractievoorzitters

geen aanleiding te zien om in te gaan op het buiten-

lands beleid, omdat hij niet geloofde dat hierin ernstige

moeilijkheden zouden schuilen.

De ontwikkelingshulp komt onder de genoemde

beleidspunten niet voor. Kennelijk acht de infor,nateur

een standpuntbepaling inzake de internationale in-

komensverdeling minder relevant wanneer het beleid

voor de komende jaren ter sprake komt. Welke

kansen hier zijn gemist blijkt duidelijk uit de antwoor

den der fractievoorzitters op het memorandum. Drie
van de vijf achtten het niet noodzakelijk om de hulp’

verlening aan de ontwikkelingslanden te noemen als

een dier punten die in ieder geval in het regerings-

programma moeten worden geregeld.

Het ziet er naar uit dat de ontwikkelingshulp weer

tot een sluitpost gaat worden. De jongste verkiezingen

voor de Tweede Kamer werden door Tinbergen on-

langs in een interview gekenschetst als gemeenteraads-

verkiezingen. Hij had gelijk: wat ons te wachten staat

is gemeentepolitiek.

Krimpen aan de Lek.
. J.
P. PRONK.

Hij vindt dai op die manier het bestemmingsverkeer in

de centra benadeeld wordt ten gunste van het transito-

verkeer. Wel acht hij het waarschijnlijk dat, door het

parkeren in de centra aan de werking van het prijsmecha-

nisme te onderwerpen, er al vanzelf een vermindering van

de verkeersopstoppingen ontstaat en tevens, een economisch

juistere verhouding tussen het gebruik van auto’s en van

het openbaar vervoer. Ik ben het daar volkomen mee

eens en vind, dat wanneer na invoering van het prijs-

mechanisme voor het parkeren mocht blijken .dat dan

nog congesties ohtstaan, men ertoe over zal moeten gaan

het rijden op de stedelijke wegen aan het prijsmechanisme

t onderwerpen.

Krimpen aan den
Ijssel.

Drs. R. BAKKER.

E.-S.B. 1-3-1967

245

Ingezonden stukken

Herinvestering van ,,cash fiows”

H

ET artikel ,,Herinvestering van ,,cash fiows” ” van de

hand van Drs. L. W. Kokee, verschenen in
E.-S.B.

van 23 november 1966„ bevat ten aanzien van de

D.C.F.-methode een tweetal conclusies:


de methode veronderstelt een volkomen vermogens-

markt;

– vergelijking van alternatieve projecten brengt moei-

lijkheden mee, aangezien verondersteld wordt dat vrij-

vallende middelen tegen hun eigen opbrengstvoet worden

geherinvesteerd.

Beide conclusies zijn van belang. Immers, wordt niet

aan deze voorwaarden voldaan, dan verliest de ,,internal

rate of return-method” haar waarde bij de investerings-

evaluatie. Enkele korte kanttekeningen lijken gerecht-
vaardigd.

1. De auteur merkt op dat de methode een, toename van

de investering implicëert in het geval van een te lage of

ontbrekende, ,,cash infiow”. Dit duidt op een financierings-

wijze waarbij de verschuldigde interest gedurende de loop-

tijd van de lening kan worden voldaan, 6f
bij
de hoofd-

som kan worden geschreven: Als men hier de conclusie

aan verbindt dat ,,de” vermogensmarkt een volkomen

markt moet zijn, dan denkt men naar mijn mening sechts

aan één financieringsfiguur, t.w. aan die van tijdelijk

overgedragen vermogen. Werkend met permanent ver-

mogen zonder contractuele interest- en aflossingsverplich-

tingen, zou de conclusie van een perfecte marktvorrn niet

worden getrokken.

Naar mijn mening begeeft de schrijver zich,hier echter ten

onrechte op het terrein van de voorziening der middelen,

daarbij kennelijk een partieel financieringsstandpunt in-

nemend. Voor de bepaling van de rentabiliteit van het

project is de wijze waarop in de vermogensbehoefte

wordt voorzien, niet relevant. Eventuele aflossing van

schulden doet bij de D.C.F.-berekening niet ter. zake.

Alleen de kosten der middelen spelen hier een rol en wel

‘op het moment dat de I.R.V. wordt geconfronteerd met

deze vermogenskosten.

Concluderend zou ik willen stellen dat de levensvatbaar-
heid van een investering hier wordt bepaald door de hoogte

:der opbrengstvoet van het in het, project geïnvesteerde

‘vermogen en de kosten der aangetrokken middelen, weer-

gegeven door de hoogte der ,,firm’s cost of capital”. Met

deze constatering is overigens niets nieuws aan de over

dit onderwerp bestaande opvattingen toegevoegd. Denkt

men zich de versèhillende investeringen steeds gefinan-

cierd met vermogen waarvan de aard en de omvang geheel

synchroon is met de aard en de omvang der vermogens-

behoefte, dan neemt men een naar mijn mening werkelijk-

heidsvreemd standpunt in. Als men dan, zich hierop

baserend, tot de conclusie komt dat de vermogensmarkt

volkomen dient te zijn, dan lijkt’ het dat de bufferfunctie

van het permanente vermogen over het hoofd wordt

gezien. Aantrekking en afstoting van de tijdelijke middelen

behoeft niet meer project-inherent te geschieden als men

permanente financieringsfiguren (mede) in de met het

“project samenhangende vermogensbehoefte laat voorzien.

Overigens lijkt mij deze problematiek meer te liggen op het

terrein der liquiditeit dan op dat der rentabiliteit. Het is

om een indruk te krijgen over deze laatste grootheid dat

de D.C.F.-methode is ontwikkeld.

2. Het tweede punt is het probleem der noodzakelijk

geachte herinvesteringen. Rangschikking der projecten

wordt onmogelijk omdat herinvestering wordt veronder

steld tegen de eigen opbrengstvoet.

Essentieel bij dit vraagpunt is de noodzakelijk geachte

herinvestering. Kokee brengt hier naar voren dat twee

investeringen met een gelijke I.R.V. na hun (gelijke)

levensduur een gelijk aantal guldens moeten hebben op-

geleverd. Om dit te bereiken dient hij de vrijvallende

middelen – het ,,afschrjvings”-bestanddeel der ,,cash

flow” – tegen de I.R.V. te herinvesteren. Naar mijn

mening moet men zich.hier realiseren dat dan opbrengsten

van andere projecten, bij het huidige te evalueren project
worden gevoegd. Op deze ‘wijze verhoogt men de I.R.V.

van het huidige project.

Aan de hand van twee investeringen kan dit gemakkelijk

worden aangetoond.

beloning

1

vrijvallend

t,; —/—f. 144
t,;

+ f. 170

.;..’..,

f, 36

f. 134
t,;

+ f. 12,50

……..

f. 2,50

f. 10

11

1′. 38,50

+

f. 144

f. 182,50
t,; —/—f. 144
t,;

+f. 36

…,.,..

f.36
t,;

-1- f. 180

…,,.,,

f. 36

f. 144

f.72

+

f,144=f,216

Beide projecten zijn gelijkwaardig; zij hebben althans

een gelijke I.R.V. van 25 pCt. Er is echter verschil in tijd-

stip van de grootste opbrengsten. Gaat men nu om de

totaal gegenereerde guldensbedragen gelijk te doen zijn,

f. 134 (vrjvallend bij 1 op t
1
)
tegen 25 pCt. herinvesteren, dan zal de ,,cash flow” op t
2
met deze opbrengsten moeten

worden verhoogd. Opbrengsten op resp. t
1
en t
2
worden
dan f. 170 en f. 46, waardoor de I.R.V. toeneemt tot ca.

40 pCt. Van gelijkwaardig zijn de projecten dan duidelijk

ongelijkwaardig geworden. Het lijkt dat de oplossing aldus

niet kan worden gevonden.

Ziet men de oplossing, in navolging overigens van bijv.

het N.A.A. ‘Report, eenvoudig in het vaststellen van de

opbrengstvoet op het van jaar tot jaar resterend geïnves-

teerde vermogen, dan is van een herinvesteringsnoodzaak

der vrjvallende middelen geen sprake. Voor het merendeel

der voorkomende industriële investeringen geeft deze visie

praktikabele resultaten.

‘s-Gravenhage.

A. DE RYCKE.

Naschrift

D

RS. A. de Rycke stelt dat mijn beoordeling van de

D.C.F.-methode twee conclusies bevat die hij ver-

volgens afzonderlijk bespreekt. Zelf heb ik niet van
een tweetal conclusies gesproken. Aan de hand van voor-

beelden heb ik laten zien op welke wijze de D.C.F.-methode

de interne rentevoet construeert. Er wordt een reeks jaar

lijks uitstaande investeringsbdragen gecreëerd om het per

centage te verkrijgen dat jaarlijks, gedurende de levens-

duur van een project, ,,verdiend” zou worden. De interne

rentevoet is dan het percentage dat ,,gemaakt” wordt over

de jaarlijks in rekentechnisch opzicht uitstaande investering.

246

Het samengestelde-interestpercentage dat wordt toegepast

voor de ,,time-value of money”, is de verkregen interne

rentevoet. Het herinvesteringsmechanisme vormt één geheel

met het methode-inherente verloop van de uitstaande inves-

tering. Het zijn de kanten van één medaille en geen verschil-
lende zaken of conclusies die afzonderlijk besproken kunnen
worden.

Indien men – ondanks de zeer beperkte toepassings-

mogelijkheden – de D.C.F.-methode gebruikt en de interne

rentevoet van eèn bepaald project heeft berekend, doet

men er goed aan te controleren of het gebruik ervan ver-

antwoord is. Dân vraagt men zich af of de verkregen in-

terne rentevoet (ongeveer) overeenkomt met het percen-

tage dat men in komende jaren op herinvesteringen ver-
wacht te maken. En ook, of het bedrijfseconomisch ver-

antwoorde afschrijvingspatroon (ongeveer) overeenstemt

met het aan de interne rentevoet van het project ten grond-

slag liggende investeringspatroon.
Om een ruwe afbakening te geven van de gebieden waar-

op de D.C.F.-methode toegepast kan worden, heb ik het

methode-inherente verloop van de uitstaande. investering

vergeleken met bepaalde financiële dvereenkomsten. Ik

schreef dat dit zijn
parallel
heeft met een financieringswijze

enz., hetgeen ook wel zo wordt uitgedrukt (in de literatuur)

dat de methode een volkomen vermogensmarkt veronder-
stelt. De Rycke haalt mij aan met ,,Dit duidt op een finan-

cieringswijze” enz., en verwijt mij de gevolgtrekking dat

,,de” vermogensmarkt een volkomen markt moet zijn; dat

ik de bufferfunctie van het permanente vermogen over het

hoofd zie, en dat ik mij hier ten onrechte begeef op het

terrein van de voorziening der middelen, daarbij kennelijk

een partieel standpunt innemend. Kortom, allerlei dingen

die niet relevant zijn.
Op de betekenis van het methode-inherente verloop van

de investering voor de beoordeling van de interne rente-

voet gaat De Rycke helaas niet in. Dit is echter het kern-

punt. Door hem wordt niet bestreden dat de D.C.F.-

methodiëk geheel overeenkomt met financiële overeen-

komsten – buiten de sfeer van het project en de finan-
ciering ervan, hoewel dit niet beslist noodzakelijk is –

waarbij de verschuldigde interest tijdens de
looptijd
van

de lening kan worden voldaan of bij de hoofdsom kan

worden geschreven. Deze rekentechniek kan slechts voor-

namelijk in de bank- en effectenwereld met vrucht worden

toegepast. Toen de interne rentevoet voor het selecteren

van industriële investeringsprojecten werd geïntroduceerd

was het beginsel niet nieuw; elders werd het reeds lang

toegepast
1).

Onder zijn tweede punt, het probleem der nôodzakelijk

geâchte herinvestering, stelt De Rycke dat ik hier twee

investeringen met gelijke I.R.V. naar voren bracht, die na

hun levensduur een gelijk aantal guldens moet hebben op-

geleverd. Om dit te bereiken zou ik de vrijvallende midde-

len – het afschrijvingsbestanddeel van de ,,cash fiow” –

tegen de I.R.V. dienen te herinvesteren. Kennelijk heeft hij

het gehele betoog niet begrepen; ook zijn conclusie wijst

daarop. Toegegeven, de materie is niet eenvoudig, doch

waarom mijn opvattingen en vaststellingen onjuist weer-
geven? Nergens is vermeld dat het afschrijvingsbestand-

deel het overschot van de ,,cash fiow” op de interne

rente – dient te worden geherinvesteerd. Wél maakte ik
er gewag van dat men soms het
verschil tussen de ,,cash

fiows” van verschillende projecten
voor herinvestering han-

teert. Daarbij toonde ik echter vervolgens aan dat het in
beginsel noodzakelijk is de
gehele
,,cash flow” in aan-

merking te nemen, althans het te herinvesteren deel ervan.
Bewust heb ik daarbij gebruik gemaakt van het voorbeeld

met de hypothetische projecten 1 en II, met als ,,cash

inflows” 2 x f. 100 en f. 36 + f. 180. Niet essentieel is dat

hierbij het verschil tussen de eerste ,,cash flow” van project

1 en de eerste ,,cash fiow” die op project II wordt ver-

kregen, toevallig gelijk is aan het afschrijvingsdeel van

,,cash fiow” t
1
van project I. Vele andere voorbeelden zou

ik hebben kunnen gebruiken, bijv. voor project II de

,,cash fiows” f. 10 en f. 212,50 in plaats van f. 36 en f. 180.

Ik ben het eens met De Rycke waar hij zegt dat de op-

lossing zoals
hjj geeft
met behulp van zijn vergelijking van

twee investeringen, (aldus) niet kan worden gevonden.

Hierbij voegt hij namelijk aan de tweede ,,cash flow” van

project 1 de herinvesteringsopbrengst toe (f. 33,50), welke

op de herinvestering van het vrijvallende deel der eerste

,,cash flow” (f. 134) wordt verkrëgen. Dat voor de ver-

krjging van de herinvesteringsopbrengst een herinvesterings-

uitgave
vereist is, wordt in zijn berekening nièt verwerkt.

Het komt hierop neer dat De Rycke aan het begrip ,,time-

value” wel een zeer specifieke inhoud geeft, waarin niemand•

hem zal willen volgen, ni. een oneindig grote ofwel on-

bepaalde rentabiliteit op herinvesteringen. Ook hier doet

hij het voorkomen dat ik deze procedure voorsta. Men

leert echter iets andérs, zowel uit het voorbeeld in het

eerste deel van mijn artikel (E.-S.B.
van 23 november 1966,

blz. 1217) als in het tweede deel ervan
(E.-S.B.
van 30

november 1966, bli. 1238).

De Rycke ziet de oplossing èenvoudig: de D.C.F.-

methode stelt de opbrengstvoet vast op het van jaar tot
jaar resterend geïnvesteerde vermogen. Als men het zo

ziet is er van een herinvesteringsnoodzaak geen sprake,

schrijft hij. De noodzaak tot herinvestering – zo deze zou

bestaan – wordt echter niet bepaald door de wijze waarop

men iets meent te zien. Het is bovendien onjuist en ver-
warringwekkend in dit opzicht te spreken van noodzaak

of dwang. Aan het begin van mijn artikel merkte ik op

dat de verwarring en meningsverschillen die over deze aan-

gelegenheid nog bestaan, mede een gevolg zijn van de

gevolgde argumentering en formulering. Zelfs formulerin-

gen in de trant dat de D.C.F.-methode ervan uitgaat dat

de ,,cash fiows” die op een project worden verkregen,

worden geherinvesteerd tegen dezelfde opbrengstvoet die

op dat project wordt gemaakt, hebben misverstand gewekt.

Veelvuldig wordt van bedrjfszijde opgemerkt dat de be-

oordeling van een enkel project al moeilijk genoeg is.

Aan herinvestering is men nog niet toe; dat komt bij de

beoordeling van volgende projecten aan de orde, zegt men.

Dat het moeilijk is, wordt niet ontkend. Onjuist is echter

de ogen ervoor te sluiten dat aan vele rentabiliteitscriteria

impliciet
een of ander herinvesteringsmechanisme ten grond-

slag ligt. Men ontkomt er niet aan!

De Rycke komt op basis van zijn eenvoudig onjuiste

conclusie tot de vaststelling dat de in zijn voorbeeld ge-

noemde investeringen gelijkwaardig zijn. Ze zijn echter m.i.

alleen dan even attractief indien de ,,cash flow” ad f. 170

van project T en de ,,cash fiow” van f. 36 op project II

zouden kunnen worden geherinvesteerd tegen 25 pCt.
Er is•

geen sprake van herinvesteringsnoodzaak, doch men moet

zich wel afvragen wat waarschijnlijk is:

) De D.C.F.-techniek werd ook toen reeds gebruikt als
instrument voor ,;financial management”. McLean bijv. schrijft hierover: ,,This was the procedure used in our financial depart-
ment in computing the cost of funds obtained from various
sources or in estimating the yields we might obtam by investing
reserve working capital in various types of government or
commercial securities”.

E.-S.B. 1-3-1967
247

• Herinvestering van de gehele ,,cash flow” tegen 25

pCt.? Zo ja; beide projecten zijn even winstgevend.

• Herinvesteringsopbrengst van (een deel van) de ,,cash

‘flow’ minder dan 25 pCt.? Project 11 verdient dan de voor-

kéur.

• Herinvesteringsopbrengst groter dan 25 pCt.? Project

1 is attractiever.

• Geen herinvestering (en geen aflossing)? Dan doet

zich geen ,,time-value of money” voor, indien uitsluitend

gelet wordt op het rentabiliteitsaspect. Dit komt neer op

herinvesteren tegen 0 pCt., waarbij project II de voorkeur

verdient.

De Rycke staat voor, de herinvesteringen en de op-

brengsten ervan gescheiden te houden van de evaluatie

van het huidige project. Met betrekking tot het vergelijken

van
projecten
met ongelijke levensduur, wordt in de lite-

ratuur echter reeds geruime tijd gewezen op het belang

van herinvesteringsplannen en de verwachte rentabiliteit.

Ook worden zgn. uitstel-calculaties aangetroffen: hoeveel

hoger moet de nu minimaal verlangde rentabiliteit worden

gesteld, indien duurzame investering nu achterwege blijft

in verband met gunstiger investeringsmogelijkheden in de

toekomst? Naar mijn mening dient men dit consequent

door te trekken; ook voor projecten met (ongeveer) gelijke

levensduur èn voor beoordeling van het individuele voor-

stel, kan het herinvesteringsaspect niet worden gemist.

Helaas is het zo dat de ,,internal rate of return-method”

nagenoeg geen praktische waarde heeft bij investerings-

evaluatie. Dit ondanks de waarde die een aantal bedrijven

en
bedrijfstakken
(bijv. de petrochemische industrie, waarin

Drs. De Rycke werkzaam is) er nog aan toekennen. Ook in

geval van ,,capital rationing” kan aan de D.C.F.-methode

geen – speciale – praktische waarde worden toegekend.

Integendeel zelfs, omdat het optimaalprobleem (zie event.

E.-S.B.
van 30 november 1966, blz. 1238) zich bij deze

methode in sterke mate kan voordoen
2)

‘s-Gravenhage.

Drs. L. W. KOKEE.

2)
In recente publikaties wordt het gebruik van de D.C.F.-
methode meer en meet op operationele gronden aangeraden of
ontraden. Bijv. door A. J. Merritt en Allen Sykes in Capital
Budgeting and Company Finance, 1966
en ook door J. F. Weston
en E. F. Brigharn:
Managerial Finance,
second edition
1966.
Weston en Brigham bijv. merken hierover
op ,,…
that invest-
ments be ranked by the internal rate of return whenever capital
rationing is imposed. The firm should start at the top of its
list of.projects, taking investments of successively lower rank
until the available funds have been exhausted. However, no
investment with an internal rate of return less than the cost of
capital should be undertaken”. Er is echter geen reden aan te
wijzen die steekhoudend is voor verantwoorde toepassing van
de D.C.F.-methode (of een andere), al naar de hoeveelheid
financieringsmiddelen. Bovendien kan gemakkelijk worden
aangetoond dat het om wille van een grotere totale rentabiliteit
beter kan zijn juist wèl een lager gerangschikt project uit te
voeren – zelfs eventueel beneden de ,,cost of capital”-lijn
gelegen – in plaats van uitsluitend de hoogst gerangschikle
projecten.

(I.M.)

INTERN TRANSPORT

TRANSPORT WERKTUIGEN

Postbus 3, Jutphous,
T.l. (03471) 4 86

liet produkt iviteitspeil

van de Oosteuropese landbouw

H

ET artikel van Dr. P. C. van den Noort en Ir. J.

Halâszi over het produktiviteitspeil van dé Oost-

europese landbouw in
E.-S.B.
van 4 januari 1967

zal bij menig lezer ervan wel enkele bedenkingen hebben

opgeroepen. Ik ben zo vrij hier de mijne te formuleren.

Als ik het goed heb, maakt Dr. Van den Noort hier

gebruik van een methode die hij voor andere studies reeds

aanwendde; ik denk met name aan een bijdrage in het

Landbouwkundig Tijdschrift
van januari 1966: ,,Een inter-

nationale
vergelijking
van het produktiviteitspeil in de

landbouw”: In dat artikel werd, aan de hand van de zgn.

netto produktiviteitsindex, berekend dat deze index voor

Nederland in
1958/1959
op 100 gesteld, voor Denemarken

eveneens 100 en voor het Verenigd Koninkrijk en West-

Duitsland resp. 53 en 44 bedroeg. Dit waren, zoals de

auteur zelf schreef, ,,verrassende (sommigen zullen zeggen:

ongeloofwaardige) uitkomsten”. Eerlijk gezeg :1: mij

kwamen deze uitkomsten ook ongeloofwaardig voor,

maar Dr. Van den Noort had zijn conclusies met zoveel

nuances en voorzichtigheid omkleed – met een mogelijke

schattingsfout van 25 pCt. en een uitnodiging tot een
discussie inzake de gevolgde methodiek – dat het wel

voldoende de schijn leek te hebben dat de auteur zelf de

bekomen uitslagen met meer dan één korreltje zout nam.

In
E.-S.B.
van 4januari 1967 wordt een overzicht gegeven

van het netto produktiviteitspeil van de landbouw in

verscheidene Oost- en Westeuropese landen, alsmede in

Noord-Amerika. De resultaten zijn even verrassend, zo niet

onthutsend. De Belgische landbouw is ongeveer even

produktief als de Oostduitse; de Franse landbouw is

minder produktief dan de Oostduitse en Tjechische, maar

nog iets produktiever dan de Hongaarsé landbouw; de

Britse landbouw heeft een nog lager produktiviteitspeil.

Waar voor de vergelijking tussen Nederland en West-

Duitsland, resp. het Verenigd Koninkrijk, een schattings-

fout van 25 pCt. werd vooropgezet, aanvaarden de auteurs

voor de Oosteuropese vergelijking slechts een fouten-

marge van ruim 15 .pCt. en wordt in de studie weinig of

geen voorbehoud t.o.v. de bekomen resultaten geformu-

leerd.
Hoewel ik geen specialist in de materie ben, durf ik de

auteurs toch de vraag stellen of de gebruikte methode van

pr
oduktiViteitsberekening – dus het berekenen van die

netto produktiviteitsindex – in dat geval wel aangewezen

was. Het betreft hier namelijk landen met een zeer uiteen-

lopende economische structuur (zelfs de Oosteuropese

landen onderling) en met een vaak zeer gebrekkige statis-

tische infqrmatie. Daarnaast lijkt uit de studie van Prof.

Dr. J. Horring, waarnaar de heren Van den Noort en

Hakszi refereren, te blijken dat de gebruikte berekenings-

methode van de globale produktiviteit vooral betrouwbaar

zou zijn voor produktiviteitsvergelijkingen op nationaal

vlak; op het internationaal vlak zou ze bij de huidige

stand van zaken hoogstens veilig bruikbaar zijn voor het

berekenen van de
variaties
der diverse produktiviteits-

ratio’s, en niet voor de meting van het
absoluut
niveau van
de produktiviteit. De meeste auteurs op economisch gebied

schijnen trouwens, bij het verrichten van internationale

produktiviteitsvergelijkingen, gebruik te maken van minder

,,delicate” methodes; er moge hier worden verwezen naar

een studie van L. Cahen: ,,Cornparaisons internationales

de productivité au niveau des branches écononhiques”,

248

verschenen in de
Revue de la Mesure de la Product ivité,

no. 35, november 1963.
Ten slotte vraag ik mij af of het veel lezers niet zou

interesseren indien de auteurs wat nader zouden verklaren

hoe het uit te leggen is dat de bedoelde methode, gebruikt

voor een Westeuropese vergelijking een schattingsfout van

25
pCt. geeft, tegenover een fout van 15 pCt. voor een

Oosteuropese vergelijking. Van documentair en statistisch
standpunt uit lijkt mij dat wel een spannende vraag te zijn.

Kessel-Lo (Leuven).
A. DE TAVERNIER.

Naschrift

Produkt ivite itsmetingen: feiten

en vooroordelen

De schattingsfouten

D

E heer De Tavernier heeft blijkbaar een ,,clue” gemist.

Er staat namelijk niet dat het
eindresultaat
een fout

van slechts 15 pCt. bevat. Er staat, dat van het

quotiënt netto produktie/arbeid,
zowel
de schatting van de

netto produktie
als
die van de arbeid een fout van 15 pCt.

zal vertonen. Voor het quotiënt betekent dit een fouten-

marge van 30 pCt. Verder staat er, dat voor een berekening

van de netto produktiviteit een schatting nodig is van de

hoeveelheid kapitaal per man en dat dit ook niet volmaakt

nauwkeurig mogelijk is. De totale fout is dus meer dan

30 pCt. (al is deze niet voor alle landen even hoog).

Wetenschap is meten

De beroemde natuurkundige Lord Kelvin heeft ons een

prachtig gezegde nagelaten: ,,Science. is Measurement”.

In dit licht moet men onze studie zien: een poging tot

meten. De heer De Tavernier zou een waardevolle bijdrage
hebben geleverd als hij de meting had verbeterd (eventueel

had vergeleken met andere metingen), maar nu kijkt hij

alleen of de vooroordelen worden bevestigd of niet. Want

wat is het geval? De produktiviteit van de landbouw in

het vaderland van de heer De Tavernier blijkt nauwelijks
boven die van enkele landen in Oost-Europa te liggen en

om het nog erger te maken ook met de Britse landbouw is

dat het geval.
De Britse landbouw komt inderdaad wat laag uit de

bus. Hoe komt dat? Wij moeten daarvoor terug gaan naar

het grondmateriaal, een studie van het C.B.S.: ,,Een ver-

gelijking van de arbeidsproduktiviteit in het Verenigd

Koninkrijk en Nederland”. Daarin wordt met grote zorg-

vuldigheid berekend dat de netto produktie per man in de

Britse landbouw 34 pCt. lager is dan in de Nederlandse

landbouw; bovendien blijkt de Britse agrariër gebruik te

maken van ongeveer driemaal zoveel kapitaal als zijn

Nederlandse collega. Als men ook dit stille hulpje in de

berekening betrekt, blijkt het Britse peil 47 pCt. onder het

Nederlandse te liggen. Men verwacht zoiets niet. Dit kan

een prikkel zijn het grondmateriaal van het C.B.S. te gaan

verbeteren. Men kan dan enkele correcties aanbrengen

(bijv. de afschrijvingen zijn een onzeker punt), maar na

veel geplus blijkt het eindresultaat toch niet zoveel anders

te zijn. De genoemde publikatie isook in het Engels ver-

taald en onze Britse collega’s hebben er nog steeds geen

bezwaren tegen gemaakt. Integendeel, ze proberen er

achter te komen waar de oorzaak ligt en niet waar de

rekenfout zit. Er is natuurlijk wel een grond voor de voor-

oordelen die men op dit gebied
0
1
ntmoet. Men denkt bijv.

aan (1) de prachtige bedrijven in het Engelse laagland

en (2) een serie statistieken die een hoge Britse produktivi-

teit suggereren. Een voorbeeld om dit te illustreren: de

Britse economisten Sharp en Capstick publiceerden

onlangs de volgende gegevens ‘):

International comparisons
of
agricultural labour productivity

Gross product per member
of labour force in 1962
£ sterling

u.s.A.

…………………………

.
1.450
Belgium

………………………..
.
1.100
U.K.

………………………….

.
950
Netherlands
……………………..
.
900
Denmark

……………………….
.
800

Deze cijfers schijnen al mijn beweringen te logenstraffen.

Men komt er wat moeizaam achter dat dit slechts schijn

is. Het woord ,,produktiviteit” wordt namelijk in verschil-

lende betekenissen gebruikt. De bruto toegevoegde waarde

van de landbouw in deze landen ,,were converted from

national currencies to sterling at the 1962 exchange rates”.

Wat hier dus produktiviteit wordt genoemd, is niet de

technische of hoeveelheidsproduktiviteit die wij gebruiken,

maar de waardeproduktiviteit. Een land met een lage

technische produktiviteit, efficiency dus, kan een zeer

hoge waardeproduktiviteit bereiken door het prijspeil der
produkten te verhogen en dat van de grondstoffen te ver-

lagen. Ons is het evenwel te doen om de efficiency en niet
om waardevergelijkingen. Deze waardevergelijkingen zijn.

het echter die door de veelvuldige publikatie ervan de

verkeerde indruk hebben gewekt.

De heer De Tavernier verbaast zich erover dat de Oost-

duitse landbouw zo efficiënt is. Wij delen die verbazing

niet, gezien de historie van dit gebied. Oost-Duitsland

was het land van de grote riddergoederen, die al vôér

Frederik de Grote zeer efficiënt en als ondernemingen

werden beheerd. Sindsdien heeft men deze traditie voort-

gezet. Dit gebied was de graanschuur van het Duitse rijk

en hier bloeide de landbouwwetenschap.

De methode

De heer De Tavernier informeert voorzichtig of de

gebruikte methode wel toegepast mag worden en hij be-

roept zich op een publikatie van Prof. Horring. Gedoeld

wordt op een O.E.C.D.-rapport waaraan ik heb mogen

meewerken en het verbaast mij wat er door de heer De

Tavernier uit gedestilieerd wordt.
Hij
vraagt zich namelijk

af of onze meting wel juist is, omdat de gebruikte maatstaf

ongeschikt is om het ,,absoluut niveau” van de produktivi-

teit te meten. Wij bezondigen ons hieraan echter allerminst.

Wij
vergelijken
het produktiviteitspeil van twee landen en

zeggen dan: het ene is zoveel
hoger
dan het andere. Dit

is ,,zo relatief als het maar kan”. Over het absolute niveau

wordt met geen woord gerept. Er is in principe trouwens

geen verschil tussen produktiviteitsvergelijkingen in de

tijd voor eenzelfde land en geografische vergelijkingen

tussen landen op eenzelfde moment.

Dezelfde soort moeilijkheid doet zich voor, die in vak-

kringen algemeen bekend staat als het indexprobleem. Door

het optreden van dit probleem is in het algemeen geen

volkomen exacte oplossing van prijs-, hoeveelheids-,

inkomens- of produktiviteitsvergeljkingen mogelijk. Dit

‘) G. Sharp en C. W. Capstick: ,,The Place of Agriculture in
the National Economy” in
Journal
of
..4gricultural Econornics,
mei 1966.

E.-S.B. 1-3-1967

.

249

betekent echter niet dat het er niet toe doet welke maatstaf

men gebruikt. Het wil gewoon zeggen dat kleine ver-

schillen die bij meting worden gevonden, geen reële beteke-

nis hebben. Na de oorlog is het woord ,,labor productivity”

uit Amerika komen overwaaien en het heeft sindsdien een

zeker aureool gekregen. Hierdoor komt het voor dat men

deze maatstaf zonder verder nadenken gaat toepassen

op allerlei zaken. Men raakt zodoende sterk bevooroor-

deeld ten aanzien van de meetmethode. Hoewel een belang-

rijke grootheid in economische beschouwingen, is zij voor

ons doel, nI. het vergelijken van het peil van efficiency,

ontoereikend.
Hetzelfde geldt in versterkte mate voor maatstaven als de

produktie per ha of per dier. Dit zijn niet alleen minder

,,delicate” maatstaven, het kunnen volkomen misleidende
maatstaven zijn. Een simpel voorbeeld kan dit toelichten.

Stel dat twee landen (A en B) over evenveel agrarische

mankracht en grond beschikken. Ook hun finale produktie

is gelijk. Gemeten volgens de maatstaven produktie per

man resp. per ha hebben zij eenzelfde produktiviteitspeil.

Dit is echter volkomen misleidend, want in één vandie

landen (A) gebruikt men, in tegenstelling tot het andere,

enorme hoeveelheden produktiemiddelen die betrokken
worden uit het buitenland of uit de industrie. Het is dan

duidelijk dat de landbouw in land A zèlf minder produceert

(nut voortbrengt) dan die in land B met dezelfde input.

Zijn produktiviteitspëil is dus lager.

Als de heer De Tavernier zich wil beperken tot de netto

arbeidsproduktiviteit (de beste maatstaf op één na, waar-

tegen dus nog de minste bezwaren bestaan) dan kan hij
ook terecht in ons artikel. Opgemerkt moet dan worden

dat deze maatstaf de verschillen overschat. Landen als

de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Zweden ge-

bruiken enorme hoeveelheden kapitaal per man vergeleken

met de Oosteuropese landen. Dit kapitaal is en stil hulpje

dat zeker zijn steentje tot de produktie bijdraagt, maar

niet vermeld wordt bij de berekening van de netto arbeids-

produktiviteit. Dit is te vergelijken met het verzwijgen van

een deel van de arbeid. Landen die relatief veel arbeid

,,verzwijgen” komen natuurlijk relatief hoger uit de bus.

Het is inderdaad juist dat vele auteurs op economisch

gebied bij internationale produktiviteitsvergelijkingen ge-

bruik maken van minder delicate methoden. Dit lijkt me

evenwel geen verwijt dat tot ons kan worden gericht. Naar

onze mening moet men een zo goed mogelijke maatstaf

gebruiken. Als bijv. sommigen de koorts op willen meten

met een weckthermometer, is dat hun zaak, maar,
veel

vertrouwen hebben wij er dan niet in. De methode die wij

hanteren lijkt ons juist. Bij toepassing ervan doet zich nog
een vrij grote schattingsfout voor. De gemeten verschillen

zijn z6 groot dat wij reeds aardig geïnformeerd zijn ondanks

deze foutenniarge, temeer daar in enkele landen de ge-
gevens over de produktie eerder wat worden opgesierd

dan dat zij onderschattingen zijn van de werkelijke toe

stand. Een verbetering van de meting zé dat de fouten-

marge kleiner wordt, zou van belang zijn. Dit kan worden

bereikt door deze metingen te laten verrichten door een
internationaal gezelschap van deskundigen, die toegang

hebben tot de feiten.

Wageningen.

Dr. P. C. VAN DEN NOORT.

Boekbesprekin gen

Dr. H. B. Acker: Organisatie-analyse.

Hoe te werk gaan
bij
het organiseren in

een onderneming. N. Samsom NV.,

Alphen aan den Rijn 1966, 107 blz.,

f. 7,90.

I

N dit boek, verschenen in de Prak-

tijkserie voor kleine en middelgrote

bedrijven, is een veeljarige prak-

tische ervaring van de schrijver ver-

werkt tot een soort handleiding voor

organisatie-assistenten. Het behandelt

het waarnemen en analyseren van ge-

gevens met betrekking tot de organisa-

tiestructuur. In zijn voorwoord wijst de

schrijver er terecht op, dat de ontwikke-

ling van de methode voor organisatie-

analyse nog lang niet ten einde is en dat

met name het onderzoek naar de be-

sluitvorming, de informatiestroom en

de informele Organisatie nog achter-

gebleven gebied is. Dit achterblijven

heeft dan vooral betrekking op de

praktische onderzoekmethoden; ook

Acker zelf geeft op dit gebied geen grote

bijdrage. Het zijn vooral de bekende

technieken . als functiebeschrijvingen,

communicatie-analyse, bevoegdheids-

schema’s e.d., die in het werk de

belangrijkste plaats innemen.

Het onderwerp is overigens wel op

heldere en overzichtelijke wijze behan-

deld. Het bevat ook een aantal uitge-

breide vragenlijsten, die dienst kunnen

doen bij het onderzoek.

Het geheel doet mijns inziens wat al

te detaillistisch aan. Ook tegen ver

schillende raadgevingen in het kader

van de interview-methode zijn wel

bezwaren aan te voeren, zoals bijv.

tegen de suggestie om tezamen met de

geïnterviewde elke la van zijn bureau

en elke plank van zijn kast afzonderlijk

na te gaan, ten einde zich ervan te

vergewissen dat niets wordt vergeten.

Veel meer dan een nuttig hulpmiddel,

waarvan men een zeer kritisch gebruik

moet maken, zien wij dan ook niet in

dit boekje.
Bilthoven.
Prof. Dr. P. ‘ERBURG.

Charles
L.
Schultze: National Income

Analysis.
Prentice-Hall, Inc., Engle-

wood Cliffs, New Jersey 1964,
135
blz.

R

EEDS enkele malen werd in

E.-S.B.
de aandacht gevestigd op

de ,,Foundations of Modern

Economics Series”. De gezamenlijke

deeltjes van deze reeks, elk geschreven

door een vooraanstaand specialist op

het desbetreffende gebied, vormen een

inleidend overzicht van de huidige

stand van de economische theorie en

haar toepassingen. Nu kan men van

mening verschillen over het nut van een

dergelijke opzet naast die waarin het

gehele veld door een auteur beschreven

wordt. Wij zullen ons in deze discussie

hier niet mengen. Een feit is echter dat

deze reeks een uitgezochte gelegenheid

biedt aan hen die zich snel op een

bepaald deelterrein willen (her)oriën-

teren.

Het onderhavige deeltje vormt een

uitstekende, niet al te diep gravende

inleiding in een aantal macro-econo-

mische begrippen die verband houden
met het nationaal produkt en de natio-

nale bestedingen. Daarbij wordt tevens

aandacht besteed aan de betekenis van

verschijnselen als inflatie, deflatie en

economische groei; en aan de econo-

mische politiek gericht op een stabiele
groei. De problemen die verband hou-

den met de internationale economische

betrekkingen worden echter slechts

terloops aangestipt.

Het boekje beantwoordt’volledig aan

250

Geld- en kapitaalmarkt
GELDMARKT

I

N de geldmarkt hebben de laatste weken geen onver-

wachte ontwikkelingen plaats gehad, hetgeen betekent

dat de maandelijkse uitkering van het Rijk aan de

gemeenten midden februari vrijwel geheel aan de liquidi-

teit der banken ten goede is gekomen. De schuld aan De

Nederlandsche Bank kon tot een traditioneel laag peil

worden terug gebracht, waarna er nog iets overbleef om

de kas te versterken. Deze evenwichtige situatie leidde

echter niet tot een zodanige ruimte, dat er aanleiding

bestond de daggeidrente te verlagen.

Het ziet er naar uit, dat de bestaande toestand slechts

een korte overgangsperiode is. In de afgelopen week is de

bankpapieromloop al weer gaan stijgen en het bedrag’der

bankkassen van f. 44 mln, is volstrekt onvoldoende om

hierin te voorzien. Mogelijk dat de betalingen door de

Staat de ontvangsten nog wat overtreffen, doch op grond
van de verhoging van de daggeldrente op 24 februari van

4+ pCt. tot
5
pCt. mag worden aangenomen, dat hierin

geen voldoende compensatie heeft geschoten. Opnieuw

zullen de banken de loketten van De Nederlandsche Bank

zijn gaan opzoeken, waar zij trouwens langzamerhand

kind aan huis zijn.

De.vorige week besprak ik kort het binnenlandse bedrijf

der banken in 1966. Thans enkele woorden over het
buitenlandse bedrijf. Het bruto buitenlandse actieve

bedrijf verheugt zich in de laatste tien jaar in een gestadige

groei. De aanwas is zelfs sterker dan het bruto actieve

binnenlandse bedrijf. In 1956 was dit laatste bijna drie-

maal zo groot als het buitenlandse bedrijf, in 1966 nauwe-

lijkstweemaal.

Aanvankelijk is het buitenlandse bedrijf gevoed uit de

oveischotten van de. betalingsbalans. De bij de banken

binnenkomende valuta, die eertijds voor een belangrijk

deel naar de Centrale Bank werden doorverkocht, is men

zelfs op buitenlandse markten gaan uitzetten. De

grote stoot ontving deze activiteit door de invoering van de

externe convertibiliteit eind
1958,
waardoor het bruto

buitenlandse bedrijf in 1959 van f. 1.110 mln. tot f. 2.670

mln, groeide. Aanvankelijk vonden de banken de expansie

op de open buitenlandse geldniarkten; in 1960 werd met

een sprong ook de belegging op de besloten markten,
de kredietverlening aan grote buitenlandse bedrijven,

uitgebreid.

Later is men bij de financiering in steeds grotere mate

van buitenlandse bronnen gebruik gaan maken. In 1964

stegen de buitenlandse korte schulden met f. 737 mln.,

in 1965 met f. 1.357 mln., in 1966 met f. 1.367 mln. Waar-

zijn doel. De stof is, een goed Amerikaans leerboek

eigen, bijzonder helder geschreven èn overzichtelijk ge-

drukt, met een duidelijke rangschikking in paragrafen

en gemakkelijk leesbare grafieken en tabellen.

Krimpen aan de Lek.

J. P. PRONK.

E.-S.13. 1-3-1967

schijnljlc is hiermede een geringere winstgevendheid van

het buitenlandse bedrijf gepaard gegaan. Transacties in

Euro-valuta – een belangrijk deel van het buitenlandse

bedrijf – geschieden doorgaans met zeer kleine marges,

voor een deel zelfs uit prestige-overwegingen of om in

de markt te blijven. In 1966 zijn tegenover de boven-

genoemde stijging van de schulden alleen de vorderingen

op korte termijn toegenomen en wel met f. 1.129 mln.

Het netto bedrijf beweegt zich in dalende lijn. In 1960

werd met f. 2.019 mln, het hoogste punt bereikt; eind 1966

bedroeg de netto vordering op het buitenland f. 631 mln.

KAPITAALMARKT

H

ET lijkt wel of de vraag naar kapitaal de laatste tijd
terughoudend is geworden. De emissie-activiteit is

zeer beperkt. Dit is ook wel begrijpelijk in een tijQ,

dat de rente zich, zij het langzaam, in dalende richting

beweegt. Eind 1966 bedroeg het rendement op langlopende

staatsleningen gemiddeld 6,43 pCt., eind januari 1967

6,09 pCt., eind februari 6,07 pCt. Van groot belang is de

politiek, die de nieuwe regering zal volgen. Worden de

gedachten van de informateur verwezenlijkt, die o.a.

hierin bestaan dat een behoedzaam en sober beleid moet

worden gevoerd, opdat in de loop van 1967 niet opnieuw

een toestand van overspanning zal ontstaan, dan mag op

verdere rentedaling worden gerekend.

Overigens heeft de tot stand gekomen rentedaling reeds
gunstig gewerkt op het bouwbedrijf. De uitgifte van pand-

brieven door hypotheekbanken ligt in januari 1967 met

f. 36,3 mln. belangrijk boven alle maanden van 1966.

KOERSSTAAT

Indexcijfers aandelen,
29
dec,
H.
&
L. 17 febr.
24 febr.
(1953
=
100)
1966
1967 1967 1967
Algemeen

………………
270
301-268
295 298
Internationale concerns
…….
351
395-343
381
387
Industrie

………………..
269
301-271
298 299
5cheepvaart

……………..
108
1 f5— 108
114 115
Banken en verzekering
……..
154
174-155
171
174
Handel enz .

……………..
138
152-138
148 149

Bron:
A.N.P..C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen a).
Philips

………………….
f.

78,70
t’. .85,10
f.

89,30
Unilever, cert .

……………
f.

86
t’.

98,90
f. 100,20
Kon. Petroleum

… ………..
t’. 122,40
t’. 128
t’. 126,90
A.K.0 .

………………..
f.

53,80
t’.

52.80
t’.

55,40
K.L.M
………………….
f. 352
t’. 380,50
t’. 359
Hoogovens, n.r.c.

…. ……..
278
323
325
E.M.S.

…………………
150
t’.

29,80
t’.

29
Kon. Zout-Këtjen
…………
463
511
505
Zwanenberg-Organon

……..
t’.

168
t’.

195,30
t’. 207
Robeco
………………….
t’. 193
t’. 202,67
t’. 203,30

New York.
Dow Jones Industrials

…….
786
851
847

Rentestand.
Langlopende ataatsobligatjes b)
6,43
6,10 6,07
Aandelen: internationalen

b)…
.
lokalen b)

………
.
Disconto driemaands schatkist-
papier

………………..

Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
Bron:
Amslerdam-Rotterdam
Bank.
C. D. JONGMAN.

251

MEDEDELINGEN VOOR ECONOMISTEN

CURSUS ,,MARKETING”

in 1967 wordt door het Economisch Instituut Tilburg in

samenwerking met het Nederlands Katholiek Werkgevers-

verbond wederom een cursus ,,Marketing’ georganiseerd.

Ditmaal zal het accent liggen op de image-vorming. In

deze driedaagse cursus, die bestemd is voor leidinggevende

functionarissen uit kleine en middelgrote ondernemingen,

zal aandacht worden besteed aan de image als psycho-

economisch ingrediënt van de marketing-mix.

De cursus, die onder auspiciën staat van Prof. Dr. C. F.

Scheffer, zal op 23, 24 en 25 mei in het gebouw van de

Katholieke Hogeschool te Tilburg worden gegeven door

docenten bij het wetenschappelijk economisch onderwijs

in Nederland en deskundigen uit het bedrijfsleven. De

inschrijving sluit op 12 mei. Voor het verkrijgen van nadere

informaties, programma’s en inschrijvingsformulieren wende

men zich tot het Economisch Instituut Tilburg, t.a.v.

D. Moil, Hogeschoollaan 225, Tilburg.

Vraag eens proefnummers aan
voor uw kennissen

die ,,E.-S.B.” nog niet kennen

-.

Nederlandsche Persil Maatschappij N. V.

vraagt voor het hoofdkantoor te

Amsterdam een

systeem

unulist

Betrokken functionaris zal, tol taak

hebben het inventariseren en analyseren

van bestaande administratiesystemen,
het ontwerpen van nieuwe systemen, het

uitwerken daarvan en het eventueel

gereedmaken voor programmering.

1-Jij moet kritisch en logisch kunnen

denken en tact bezitten om met mensen

om te gaan.

1-Jet bezit van diploma S.P.D.
of

g’l(jkwaardige opleiding is vereist
alsmede bedrjfservaring opgedaan in

een industriële onderneming.
Geboden worden een goede salariëring,

gratijîcatie- en pensioenregeling.
Uw sollicitatie met vermelding van

leeftijd, opleiding en ervaring gelie ve u

te richten aan de

Nederlandsche Persil Mij. N. V.,

Afdeling Personeelszaken,

Stadhouclerskade 19-20 (Leidsebosje).

Amsterdam- /3.

Eigenlijk alles

op het gebied van

genummerd

controle-drukwerk

aan rollen

RO [LA NTS

SCHIEDAM

afd. waarde-drukwerk

Efficiency

bespoedigt
Uw contacten
met gegadigden

*

Indien
Uw telefoonnummer
In Uw onnonce
moet worden
opgenomen,
vermeld dan
tevens het

N ETN U M MER

252

HET VADERLAND

Vraag eens proefnummers aan

voor uw kennissen

die ,,E.-S.B.” nog niet kennen

zoekt

EEN
REDACTEUR

voor zijn sociaal-economische rubriek.

.

Economen of juristen met enige ervaring op dit gebied
genieten de voorkeur.
e

Brieven met volledige gegevens aan de directie van
Het Vaderland, Postbus 7, Den Haag.

Een J o i n t Ve n t u
r
e, waarin naast- de
N.V. COMPAGNIE COMMERCIALE

HOLLANDO-AFRICAINE
samenwerken het Nichibo-concern – de bekende Japanse

textielproducent – en een Franse handelsonderneming, evenals het Gouvernement van

Ivoorkust, zal in genoemd land een geïntegreerd textielbedrjf vestigen, dat per 1972 aan

1200 man werk zal bieden, maar waarvan hei drukken en verven in 1968 zal beginnen.

Op korte termijn wenst men in contact te treden met een ervaren

contro 11cr
(econe drs.
of
nivalid)

die van hetbegin af aan belast zal worden met de opzet en realisatie van de gehele

administratie van het eerstgenoemde bedrijf en na de start hieraan ook leiding zal geven.

Hij zal als

fi

manager.

de,l uitmaken van het managersteam, waarin vertegenwoordigers van de verschillende

nationaliteiten zitting hebben.

Gedacht wordt aan iemand tussen 35 en 45 jaar, die op basis van een opleiding op

academisch niveau zich zowel practisch als theoretisch intensief met administratief-orga-

nisatorische, evenals financieel-economische problemen heeft beziggehouden en die een

gedegen ervaring in het bedrijfsleven – liefst in de textielindustrie – heeft opgedaan.

Een gôede kennis van en spreekvaardigheid in de moderne talen is een vereiste.

Geboden wordt een uitgesproken topfunctie in een gedegen onderneming in een politiek

stabiel en meteorologisch aantrekkelijk land in tropisch Afrika.

Belangstellenden worden uitgenodigd zich – onder vermelding van gegevens die een

duidelijk beeld verschaffen van opleiding, ervaring en sollicitatiemotief – te richten tot de

Directie van de
N.V.
Compagnie Commerciale Holtando-Africaine, Jacob Obrechtstraat 56

te Amsterdam. . .

Als adviseur treedt op het
LABORATORIUM VOOR TO EG EPASTE PSYCHOLOGIE,

Amsterdam.

E.-S.B. 1-3-1967

253

Telkens en telkens blijkt ons weer hoezeer de nog steeds snel groei-
ende lezerskring van onze, uitgave

1
Eii
1
1
SIEMENS

deze wegwijzer, speciaal voor de

particuliere belegger, wat inhoud,

actualiteit en objectiviteit betreft,

waardeart.

Dit heeft vele redenen: het bevat
wekelijks

le Interessante (hoofd)artikelon, die
steeds actuele onderwerpen des.
kundig behandelen.

2e Een uitvoerig en levendig, bijna
dynamitch geschTeven beursovor-
zicht, de stemming goed weer-
gevend.

3e Door een ieder te hanteren fonds.
analyses, volgens een eigen prak-
tisch systeem, enig voor Neder-
land.

4e Een chronique scandaleuse, fair
en onderhoudend geschreven en
uiteraard zonder sensatie.

5e Een leerzame vragenrubriek, ad-
viezen voor velen inhoudend.

6e Gegevens omtrent vel, fondsen
(ook van incourante) telkens
wanneer hieromtrent iets te mol.
den valt.

Wij zenden u op uw verzoek gaarne
gratis een 2.tal proefnummors ter
kennismaking.

Adm. &el-Bel, Postbus 42, Schiedam.

U reageert op

annonces in
Siemens, een groeiende

elektrotechnische onderneming met

een programma, dat zich uitstrekt van

transistor tot krahtcentrale,

zoekt een

Hoofd van de

admonistratie

Hij zal rechtstreeks onder de directiè de

leiding krijgen over de centrale
administratie. Met behulp van een goed

ontwikkelde verslaggeving zal hij mede

richting geven aan het algemene beheer,

het financieel-economisch beleid en de

administratieve organisatie. Planning op
langere termijn, budgettering en bewaking

van de rentabiliteit van de verschillende

afdelingen, alsmede de bevordering van de

automatisering van de administratie zullen

zijn speciale aandacht moeten hebben.

Aangezien het hier een belangrijke

topfunctie betreft, worden aan
leidinggevende capaciteiten hoge eisen
gesteld.

Voor de vervulling van deze functie’ wordt

gedacht aan een afgestudeerd accountant

van ca. 35 jaar, die over een ruime ervaring

op administratief, financieel, fiscaal en

bedrijfseconomisch gebied beschikt.
Qok kandidaten, die binnenkort afstuderen

maar over jarenlange ervaring beschikken,

komen voor de vervulling van deze functie
in aanmerking.

Schriftelijke sollicitaties worden gaarne

ingewacht door de directie van de

Wilt LJ dat dan steeds

kenbaar maken!
IP 397

NEDERLANDSCHE SIEMENS MAATSCHAPPIJ N.V.

Postbus 1068, Den Haag.

254

Auteur