Ga direct naar de content

Jrg. 49, editie 2442

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 3 1964

.-

-.

Prime Mimster- Nehru

Sri Jawaharlal Nehru, who had been Prime Minister of

India since 1947, is no more amongst us. He was one of
,

the world’s principal statesmen and wilt live in history as

the builder of modern India. A man of intellect and strong

convictions, he had dominated India’s politico-economic

scene since the death of Mahatma Gandhi, whose faithful

lieuntenant and disciple he was for nearly thirty years during

the national struggie against the British for India’s indepen-

dence.

After the establisment of self-government in India in

1947, Nehru assumed the responsibility of leading the

country. His main task at home was.to
create political

stability; which had been disturbed by the partition of

India into two countries, India and Pakistan, and to break

the vicious circ!e of poverty. The former he achieved by

making India a secular and not a theocratic state. Drafted

under his leadership was the constitution of India, which pro- –

hibits discrimination on the ground of cast, religion or race.

Greatly infiuenced by the industrial growth of the

Western countries, as well as some of the Eastern countries

like the U.S.S.R., he was convinced that the only way for

India to eliminate acute poverty was rapid industrialization.

He considered that the future of India was lying in a large

number of hydro-electric dynamos rather than spinning

wheels. Although he was immensely impressed by the

works of Karl Marx and Lenin and by the economic

system of the U.S.S.R., hé could never compromise him-

self with their politica! system – totalitarianism. In this

respect he remained perfect ,,Eng!ish” having deepfaith

in basic democracy and individual liberty.

Nevertheless, he was fully convincd that planned

economic and social development was necssary for India,

where socio-econornic problems are so complex and

serious. At his initiative a Planning Commission was set

up in 1949, Nehru being the chairman until his death.

The task of this commission was to prepare long-term as

well as medium-term plans for India’s social and economic

developient, and to advise the government on social and

economic matters. His sole ambition was to establish a

socialist society in the country. Under his leadership India

completed two five-year plans, while the third is now

midway. The main objectives of the plans are:

raising the standard of living of the people;

reducing inequalities in income and wealth and

creating greater employment opportunities for the

people; the final goal being a prosperous democratic

socialist society.

1

Blz.

Prime Minister Nehru, * door J. C. Saigal, M.A.
487

Gedachten over een nieuwe universiteit,
door Prof.

Dr. H. M. H. A. van der Valk…………….
488

Achteruitgang van het woonklimaat,
door C. P.

A. Bakker ……………………………
490

De beloning van hogere functionarissen,
door Drs.

The first Five-Year Plan (195 1-56) was a great success

in that practically all targets were achieved. National.

income increased by about 20 per cent. Targets of the

Second Plan
(1956-61)
could not be fully realized owing

to bottlenecks caused by poor crops and the shortage of

foreign exchange. Nonetheless, considerable industrial

progress was made duringïhis period. Industrial production

went up by about 40 per cent; national income by about
22 per cent (although a rise by about 28 per cent was t

be effected under the second Plan). The national product

per capita increjsed by 18 per cent during 1951-61.

By the end of the second plan several enormous invest-

ment projects covering steel works and the Nangal Projects

(electrification aid fertilization) had been adopted. These

are intended to speed up the country’s industrialization.

The main problem with which India is currently con-

fronted in fulfilling her aspiration with regard to economic

development;is the growing deficit in her
(
balance of pay-
ments. Recently a separate Ministry of International Trade

was created by Sri Nehru to promote the coüntry’s trade.

Every effort is being made to increase exports.

Some of the other majoi economic reforms carried out

in the country under Sri Nehru’s leadership inciude: –
(1) Zamindari Aboljtion
1);
(2) establishment of corn-

munity development programmes in rural areas.

India’s foreign policy was based by him on the principle

of positive neutrality and co-existence. He always

emphasized that peace, termination of cold war and

disarmament are essential conditions for living and

developing, not only for underdeveloped countries but for

the whole world, if humanity is to survive this nuclear age.

He further stressed that countries should have faith in the

principle of peaceful co-existence in spite of different

political and economic systems and views.

In the U.N. Sri Nehru’s policy was always to support

the caiise of small Afro-Asian countries

both politically

and economically. He always insisted that greater

importance be attached to the interests and views of

Afro-Asian countries. This called for some changes in the

U.N. Charter, which, he advocated, should be a gradual

process. He also stressed the need to make the U.N. a

more effective body to govern the world’s political and

economic affairs.

In Nehru India and the world have lost not only a

great leader and statesman, but also an apostle” of peace.
Chaudigarh/Rotterdam

J. C. SAIGAL, M.A.

1)
Of landlordism.

Blz.

H. J. Schlüter ………
…………………
492

Het Landbouwinvesteringsfonds in België: zijn

betekenis en werking,
door A. Kempeneers…..
495

Recente publikaties ……………………..500

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. C. D. Jongman..
502

IL


t

S

*
487

/

!1

E.-S.B. 3-6-1964

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Gedachten over een nieuwe universiteit

De aanzienlijke veranderingen, die op onderwijsgebied

in vele landen aan de gang zijn, zijn gedeeltelijk van evo-
lutionaire, gedeeltelijk van revolutionaire aard. Zij houden
nauw verband met hetgeen wel eens de tweede industriele

revolutie wordt genoemd. De wetenschap zelve maakt niet
alleen een vooruitgang door, welke in een zo korte periode

in de geschiedenis nog niet is voorgekomen, ook de leer-

methoden zijn door technische vindingen, mede een gévolg

van deze vooruitgang, verbeterd. Ten slotte is er ook als

gevolg van deze vooruitgang, die de economische groei

heeft versneld, een toeloop van jongeren naar wetenschap-
pelijke instellingen, zoals waarschijnlijk ook nooit is voor-

gekomen. Kortom, we leven in een periode van versnelling.

Deze toestand schept problemen, zoals de universiteiten

nooit hebben gekend. Nieuwe methoden voor dit massale

onderwijs zijn vereist. Daarom is het zo gelukkig, dat

parallel met deze toeloop van studenten, de communicatie-

middelen en leermethoden zijn verbeterd. Dit maakt het

probleem van het wetenschappelijk onderwijs aan de massa

minder moeilijk op te lossen. Onder de problemen, welke

in verband met het te verwachten massale wetenschappelijk

onderwijs in vele landen om een oplossing vragen, behoren

vooral de Organisatie hiervan en de opvoering van de

produktiviteit van het onderwijs. Enkele aspecten hiervan

zijn in een vorig artikel belicht
1).
De opmerking van Mol-

nar
2),
dat Amerika en West-Europa hun rollen op onder-

wijsgebied hebben verwisseld en dat eerstgenoemde nu

vaak de leermeester is en laatstgenoemde kan profiteren

van de lessen, dient niet ter zijde te worden geschoven.

Wat het wetenschappelijk onderwijs in ons land betreft,

krijgt men soms het gevoel dat nog teveel in traditionele

termen wordt gedacht. De wereld bevindt zich op dit

gebied in een overgangsperiode, waardoor nog niet duidelijk

het beeld van de wetenschappelijke instellingen van ,,mor-

gen” voor de geest staat. Bij de overdenking van de nood-

zakelijke uitbreiding van het wetenschappelijk apparaat

zou het gewenst zijn zich te bezinnen op de vraag, of niet

een geheel nieuwe opzet wenselijk is. Daarvoor zou men

moeten breken met de gedachte, dat de universiteiten, zo-

als deze in Nederland bestaan, de perfecte instellingen zijn,

niet alleen voor massaal wetenschappelijk onderwijs, maar

ook voor de vervulling van nieuwe functies. De nieuwe

tijd stelt niet alleen thans reeds nieuwe eisen, maar zal dit

in toenemende mate gaan doen.

Tot de belangrijkste verschijnselen van het huidige weten-

schappelijk onderwijs in ons land behoren onder meer de

lange duur van de meeste studies, het grote aantal studen-

ten, dat uitvalt, de efficiency van het onderwijs en de op-

leiding van het steeds toenemende aantal studenten. Om

met dit laatste te beginnen, de vraag naar wetenschappelijk

onderwijs is groter dan de statistieken van studerenden

aangeven. Er zijn velen, die gaarne wetenschappelijk onder

wijs zouden volgen, maar daartoe niet in de gelegenheid

zijn. Ik denk hierbij aan degenen, die in hun vrije tijd

Zie ,,Vergeljkend wetenschappelijk onderwijs en exodus
van geleerden” in ,,E.-S.B.” van 6 mei 1964.
Thomas Molnar: ,,The Future of Education” (New York,
1961).

buiten de universiteit zonder als student te zijn ingeschreven,

toch hun universitaire examens doen
3).
Daarbij kan ge-
voegd worden het grote aantal personen, dat op latere

leeftijd 6f hun vroeger verworven kennis zouden willen

opfrissen 6f hun onderbroken studie zouden willen voort-

zetten 6f een studie zouden willen beginnen, maar daar-

voor 6f geen mogelijkheid zien, 6f afgeschrikt worden

door de lange en/of onpraktische weg die daarvoor afgelegd

moet worden.

Behalve de grote latente vraag, die er voor wetenschap-

pelijk onderwijs in ons land moet bestaan en waarin zou

moeten worden voorzien, is er bovendien plaats voor

opvoering van de produktiviteit in de leermethoden. Op

dit gebied vertoont ons land een achterstand ten opzichte

van de Verenigde Staten
4).
Kortom, er zijn allerlei functies,

die op een nieuwe universiteit 6f beter 6f gemakkelijker

kunnen worden ingevoerd.

Een dergelijke instelling zou op een andere wijze kun-

nen worden ingericht dan de bestaande universiteiten.

Het zou een meer open universiteit moeten zijn, zowel

wat studenten als wat leervakken betreft. Bovendien zou
deze nieuwe instelling straffer moeten worden georgani-

seerd. Daarvoor zou het semestersysteem, het stlsel van

het verplichte volgen van colleges, systeem van
cijfers
enz.

kunnen worden ingevoerd. Behalve dag- zouden ook avond-

colleges, niet alleen gedurende 6 A 7 maanden, maar het

gehele jaar door, moeten worden gegeven. De boven-

staande korte gedachtengang moge hier nader worden uit-
gewerkt en toegelicht.

Een deel van de studerende jeugd kan efficiënter studeren

in een straffer georganiseerd wetenschappelijk onderwijs-
systeem dan in het vrije systeem van de bestaande univer-

siteiten. Voor deze vrij belangrijke categorie bestaat er

geen andere mogelijkheid in Nederland: Deze is er wel in

de hier gedachte universiteit. Zij heeft het voordeel, dat

daardoor verspilling van talent, overheidsgelden en studie-

uitgaven voor de ouders verminderd zullen worden.

Een ander voordeel van een dergelijke universiteit is,

dat de studieduur door het semestersysteem en zomer-

colleges kan worden bekort. Dit is een aspect van het vraag-

stuk van de verhoging van het studierendement. De beste

eniof hardst werkende studenten zouden door meer vak-

ken per semester te nemen en door zomercolleges te volgen,

de studieduur aanzienlijk kunnen bekorten. In het huidige

universitaire stelsel is een dergelijke bekorting slechts in

beperkte mate mogelijk.

Ook zou het in het hier gedachte universitaire stelsel

mogelijk zijn om de doctorale studie te bekorten of in

twee gedeelten te laten doen, die onafhankelijk van elkaar

staan. Enkele Amerikaanse universiteiten kennen het

vierkwartaalsysteem voor het verkrijgen van een ,,master’s”-

graad. Dit betekent dat een student, hard werkefide, na

zijn College-studie in 12 maanden een afgeronde opleiding

Dit was althans vôér de oorlog mogelijk in de faculteit van
de rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Utrecht.
Men denke onder meer aan de achterstand op het gebied
van televisie-onderwijs.
488

1

E.-S.B. 3-6-1964

kan krijgen
5)
en een ,,master’s”-graad kan halen. Onder-
zocht zou moeten worden of dit is aan te bevelen.

De enorme vlucht, die de avondcolleges in grote steden in

Amerika hebben genomen kan bij een waardering van het

Amerikaanse wetenschappelijk onderwijs niet buiten be-

schouwing worden gelaten. In Nederland daarentegen wordt

een deel van de jeugd in speciale avondcursussen buiten de

Universiteiten opgeleid. Het zou zeker aan de algemene

opleiding en vorming van deze niet-universitaire jeugd ten

goede komen, indien voor diegenen, die diploma’s voor•

toelating tot de universiteit bezitten de mogelijkheid be-

stond van het volgen van avondcolleges op een universiteit.
Het heeft ons altijd getroffen, dat deze jongelui hoge kosten

moeten maken voor onderwijs, dat in het algemeen kwali-

tatief van mindere aard is, terwijl studenten beter en meer

onderwijs op een koopje kunnep krijgen. Als men dit vraag-

stuk op lange termijn beziet, komt men tot de paradoxale

situatie, dat de studenten op de duur in het algemeen finan-

cieel krachtiger zuilen zijn dan de jongelui die verstoken

blijven van universitair onderwijs, overdag werken en hun

vrije tijd gebruiken voor verdere studie, waarvoor zij grote

financiële en andere offers over hebben en desondanks in
het algemeen niet zo hoog
stijgen
op de maatschappelijke

ladder als hun, op wetenschappelijke instellingen stude-

rende, tijdgenoten.

Het grote verschil tussen Amerika en Nederland en wel-
licht andere Europese landen is, dat de Amerikaanse jeugd

hard moet werken om goed wetenschappelijk onderwijs te

krijgen en dat men voor elke soort onderwijs heel veel –

althans in Nederlandse verhoudingen – moet betalen
6).

5)
Dit systeem wordt onder meer toegepast aan Michigan
State College, East Lansing (Michigan). De totale vakantie in
die 12 maanden is beperkt tot ongeveer twee weken. De Business
School van Columbia University heeft een opleiding voor een ,,master’s”-graad, welke 16 maanden duurt. Een voordeel van
dit systeem is ook, dat voor goede krachten in het bedrijfs-
leven de gelegenheid wordt geschapen enige tijd volledig aan de studie te kunnen wijden. In de Verenigde Staten is het niet
ongebruikelijk, dat ondernemingen goede employés naar de
universiteit (terug)zenden. Ook de federale overheid volgt een
zelfde systeem.

Het staat vast dat jongelui, die hard gewerkt hebben voor

een plaats in een goede instelling dit onderwijs beter weten

te waarderen dan degenen, die met een eindexamendiploma

de vrije toegang tot de wetenschappelijke onderwijsinstel-

lingen als een vanzelfsprekendheid beschouwen.

Het grote aantal nieuwe beroepen dat de vooruitgang

van wetenschap en techniek schept, vereist voor opleiding,

vooral van ouderen, een behoefte aan universitair avond-

onderwijs, hetzij om zich voor een nieuw beroep voor te

bereiden, hetzij om daarvoor aanvullende kennis op te

doen. Bovendien stellen ook veranderingen in vele be-

staande beroepen nieuwe eisen aan functionarissen. Ook

in die behoeften kunnen avondcolleges voorzien.

De nieuwe universiteit zou dus niet alleen van nut zijn

voor jongeren, maar ook vobr ouderen. Opvallend is de

grotere toeloop van ouderen – waaronder een vrij hoog

percentage vrouwen – naar de universiteiten inAmerika

voor het volgen van bepaalde colleges of voortzetting van

de studie, die zij om welke redenen ook, te vroeg hebben

afgebroken. De meerdere vrije tijd, waarover men thans

beschikt; opent de gelegenheid voor verdere studie en

creatief werk. Dit is niet alleen een aspect van de vrije tijds-

besteding, het is ook van belang voor gepensioneerden in

verband met de verlenging van de levensduur. Het doet zo

verfrissend aan op de Amerikaanse universiteiten, vooral

in de grote steden, niet alleen jeugdigen, maar ook ouderen

te zien studeren.

Een bepaald aspect hiervan, moge nog worden aan-

geroerd. Het stijgend aantal studenten maakt ook de oplos-

sing van het probleem van de middelmatige studenten

urgenter. Dit probleem is voor zover ons bekend nooit in

al zijn aspecten onderzocht. Onder de middelmatige studen-

ten bevinden er zich ook een aantal, dat nooit tot weten-

schappelijke belangstelling is gekomen, eenvoudig omdat

geleerden niet altijd inspirerende docenten zijn. Een avond-

universiteit zal een groot aantal buitengewone hoogleraren

6)
De college-gelden op de meeste Amerikaanse universiteiten
en colleges bedragen voor twee semesters, d.w.z. een Nederlands
academisch studiejaar, tussen de $ 1.000 en $ 2.000 (op de
universiteiten van de meeste ,,States” zijn deze bedragen lager).

(1.
M.)

If

met én aandeel

‘Vereenigd. Bezit van
1894′

hebt U 200 ijzers in het vuur

Elk aandeel ‘Vereeni’gd Bezit van 1894’ maakt U

mede-eigenaar van een grote, deskundig samengestelde

aandelenportefeuille, die een aantrekkelijk rendement

oplevert. S-p-r.e.i-d-i.n.g ovet ca. 200 fondsen beperkt

het risico.

Alle banken en commissionairs kunnen U inlichten.

N.V.VEREENIGD
BEZIT
VAN
1894

De voordelen van aandelenbezit met beperking van risico

WESTBRS’INGEL 84, ROTTERDAM

E.-S.B. 3-6-1964
489

moeten aantrekken, personen die midden in de praktijk

van het leven staan en doceer- en studietalenten moeten

bezitten. Dit gepaard gaande met de modernste leer-

methodeli – vooral T.V.-onderwijs —zal een hoger studie-

rendement opleveren dan het bestaande systeem. Een van

de belangrijke yoordelen van het T.V.-onderwijs is o.a.

dat men de best docerende (hoog)leraren kan horen
7).

In de laatste jaren worden allerlei andere instrumenten tot

verhoging van de leerproduktiviteit toegepast
8).

Dit brengt ons vanzelf tot een belangrijk kenmerk van

– het moderne onderwijs, de kapitaalintensiteit van het

onderwijsproces. Ook hetonderwijs in Nederland zal daar-

van evenals in de Verenigde Staten het geval is meer en

meer de invloed ondergaan. Tot op zekere hoogte geschiedt

dit reeds door de uitbreiding van de universitaire inrich-

tingen in de ruimste zin van het woord. Ik denk hierbij

onder meer aan het (meerdere) gebruik van computers op

universiteiten en hogescholen. Wetenschappelijk werk kan

aanzienlijk verlicht worden door gebuik te maken van

deze machines. De kosten zijn hoog, maar computers zijn

onontbeerlijk voor de verhoging van de efficiency van

wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Een aspect van de financiële kant van een dergelijke

universiteit is dat gebouwen en installaties meer dan,tot
dusverre gebruikt zulln moeten worden om de stijgende

7)
Zelf heb ik in de laatste jaren drie T.V.-colleges thuis ge-
volgd die ik uitstekend vond. Niet alleen de docenten waren
goed, maar vaak droeg het demonstratiemateriaal bij tot de
-hoge kwaliteit van deze colleges.
8
)1k acht het niet onmogelijk dat in de toekomst de student
• iirzijn kamer kan inschakelen op de colleges, in de bibliotheek
later de bandrecorder kan vinden om een college opnieuw te
horen, films te zien over bepaalde onderwerpen enz. Dit zal de
hoogleraar als docent niet overbodig maken. Besprekingen in
seminars enz. zullen meer tot hun recht moeten komen.

kosten van het wetënschappelijk onderwijs over een zo

groot mogelijk aantal doceer- en laboratorium-uren te ver-

delen. Daarom is een universiteit, waar het gehele jaar door

en ‘s avonds colleges worden gegeven, laboratoriumwerk

kan, worden verricht enz. efficiënter en goedkoper per stu-

dent dan de gewone universiteiten.

De kapitaalintensiteit van wetenschappelijke onderwijs-

instellingen heeft iets gemeen met de industrie, die in het

kader van dit onderwerp van belang is. Dit is de snelle

veroudering van installaties, instrumenten enz. zodra het

onderwijs kapitaalintensiever wordt. Op het ogenblik be-

vindt ons wetenschappelijk onderwijsapparaat zich nog in

uitbreiding. Voordat dit voltooid is, zal blijken hoe snel

een deel van deze apparatuur veroudert en welke hoge

kosten vervanging met zich, brengt. Dit financiële pro-

bleem, waarvan de volle draagwijdte nog niet overzien kan

worden, ‘is een andere reden voor de suggestie voor een

nieuwe universiteit.

Een ander voordeel van een dergelijke universiteit is dat

de bestaande universiteiten hun traditionele positie, welis-

waar aangepast aan de nieuwe tijd – bijv. in de vorm van

meerdere specialisatie – zullen kunnen handhaven. Het

is te verwachten, dat de grote toeloop van studenten het

karakter van onze universiteiten noodgedwongen grondig

zal wijzigen. Dit proces is reeds begonnen. Ik acht dit een

verlies voor ons wetenschappelijk onderwijs, een verlies

dat eenmaal geleden, waarschijnlijk niet meer te herstellen

is. Mede voor het behoud van het karakter van de bestaande

universiteiten verdient, hoe paradoxaal het moge klinken,

de oprichting van een nieuwe universiteit overweging. Het

zal ons wetenschappelijk onderwijsapparaat de gewenste

differentiëring verschaffen, welke reeds hier en daar heeft
plaatsgevonden of in uitvoering is.

Washington
D.C.

v. d. V

Achteruitgang van, het woonklimaat

Er is in de laatste tijd herhaaldelijk en met veel lof

gesproken over het woningbouwbeleid van Minister

Bogaers in verbhnd met de stijging van het aantal gereed-

ekomen woningen. Met zijn beleid is ongetwijfeld een

flinke stap gezet op de weg naar vermindering van de

kwantitatieve wöningnôod, die door de genoemde be-

windsman recentelijk op 215.000 woningen werd gesteld

of rond 7 pCt. van de totale woningoorraad.

Deze vooruitgang mag ons echter niet de ogen doen
sluiten voor de prijs welke daarvoor moet worden be-

taald. De vooruitgang in’aantal wordt namelijk voor een
deel verkregen ten koste van de kwaliteit der woningen.

Wanneer hier gesproken wordt van woningkwaliteit,

dient niet in de eerste plaats te worden gedacht aan de

kwaliteit van de bouwmaterialen, doch aan het geheel van

factoren dat bepalend is voor het woongenot. Daaronder

neemt ook de grootte van de woning een belangrijke

plaats in. De ontwikkeling van de woninggrootte loopt
niet parallel met de wehaartsôntwikkeling, integendel,

in de laatste jaren zijn de woningen niettegenstaande

een vergroting van de welvaart steeds kleiner geworden.

Het heeft dus zin om na te gaan door welke om-

standigheden deze ontwikkeling optreedt, welke voor elk

van de drie woningbouwsectoren – de woningwetbouw,

de’ premiebouw en de ongesubsidieerde bouw – van

toepassing is.

Ten aanzien van d
woningwetbouw
vloeit deze ont

wikkeling rechtstreeks voort uit het overheidsbeleid. De

steeds stijgende bouwkosten pogen de gemeentebesturen

tegen te gaan door kleiner te bouwen om op deze wijze.

de huren van de woningen te drukken. Het effect van

deze bouwpolitiek is slechts gering. Een belangrijk deel

van de kosten van een woning is min of meer constant,

zodat door schaalverkleining een minder dan evenredige

verlaging van de huur wordt bereikt. De kritische be-
oordeling van de stichtingskosten door het Ministerie

van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid leidt tot steeds

verdergaande bezuinigingen op de uitvoering van de wo-

ning. Er zijn gelukkig veel gemeenten die daartegen be-

zwaar maken en met medeweten van het Miniterie de-

stijgende bouwkosten drukken door de aannemers op

andere wijze te bevoordelen. Het gelukkige slaat uiter-

490 –

E.-S.B. 3-6-1 964


.4

.1

1

S-

aard niet op het laatste, omdat deze politiek

betekent, dat .de ware bouwkosten versluierd

worden ten koste van andere bevolkings-
groepen dan die waatvoor die betreffende

woningen worden gebouwd. –

Ten aanzien van de
premiebouw
vloeit

het steeds kleiner worden van de wonin-

gen voort uit het systeem van premiever

lening. Gedurende een aantal jaren be-

stond de mogelijkheid om met premie

. woningen te bouwen tot een inhoud van

500 m
1
. Dit betekende praktisch, dat slechts

grote luxe woningen zonder subsidie wer-

den gebouwd. Later kwam daarvoor de zgn. premie-

grens in de plaats. De toekenning van premie werd

daarbij niet langer afhankelijk gesteld van de grootte

van de woning, doch van het bedrag van de stichtings-

kosten (grondkosten+bouwkosten). Daarbij gold verder

– onder zekere voorwaarden – de bepaling’ dat bij

overschrijding van de premiegrens de premie met die

• overschrijding werd verminderd Langs deze weg werd

bereikt, dat het bouwen met premie werd beperkt tot een

categorie woningen die niet alleén soberder van opzet

doch ook aanmerkelijk kleiner waren. ,Bij de steeds voort-

– gaande stijging van de grond- en bouwkosten vond aan-

passing van de premiegrens slechts in beperkte mate en

met grote vertraging plaats. Dit had twee gevolgen. J.n

de eerste plaats werden de premiewoningen steeds kleiner
en in de tweede plaats kwamen de woningen die voordien –

slechts als premiewoning gebouwd werden terecht in de

ongesubsidieerde sector.

De enkele jaren geleden opgetreden sterk groeiende

belangstelling voor het bouwen in de ongesubsidieerde

sector betrof dan ook
niet
zoals van bepaalde politieke

zijde werd voorgesteld, de toeneming van de bouw van

grote en luxe woningen, doch een toeneming van de

– bouw van woningen die voojdien in de premiesector

tot stand kwamen.

De uitloop van de ongesubsidieerde sector, toen nog

,,vrije” sector geheten, heeft geleid tot een stelsel van

vergunningen, waarbij aan de vrijheid eèn radicaal einde

werd gemaakt. Binnen dit stelsel van vergunningen wer-
den speciale voorzieningen getroffen tegen de bouw van
zeer grote en luxe woningen, en wel door het stellen van

een limiet voor de bouwkosten. Aanvankelijk bedroeg de-

ze limiet f. 30.000, doch onlangs werd deze verhoogd tot

f. 35.000. Het stellen van deze limiet verhinderde echter

niet het ontstaan van exorhitante hui±enprijzen. Huizen

waarvan de goedgekeurde bouwkosten f. 30.000 bedroe-

gen en de grondkosten bijv. ca
. f. 10.000 werden in de

praktijk toch voor f. 60.000 aangeboden. Ten dele waren

dit zgn. compensatiegevallen, waarbij de aannemers grond

voor woningen in de ,,vrije” sector kregen als beloning

• voor het bouwen van woningwet- en/of premwoningen

die zonder deze compensatie niet gebouwd konden wor-

den. Langs deze weg werd door de overheid een extra

belasting geschapen voor degenen.die op grônd van hun

inkomen niet meer in aanmerking konden komen voor

een woningwetwoning, terwijl zij door gezinsgrootte ook

niet meer terecht konden in de premiesector. ,.

Het is een bijzonder pijnlijke situatie, dat een kabinet

met een christelijke signatuur een beleid voert op woning-

gebied, waarvan in het bijzonder de zgn. middengroepen

met een groot gezin de dupe zijn. De beperking van de

onesubsidieerde se’ctor betekent voor hen, dat zij hetzij


van het verkrijgen van een passende woning volledig

worden uitgesloten dan wel dat zij zulk een woning slechts

tegen buitensporige lasten kunnen verkrijgen. Men dient

te bedenken, dat de huidige limiet van f. 35.000 bij de
huidige bouwkosten leidt tot woningen van maximaal

325 tot 350 m
3
inhoud, welke inhoud de bouw van wo-

ningen voor grote gezinnen verhindert. Toen op 31januari

1964 door twee leden vaij de Tweede Kamer over de

beperkingen van de ongesubsidieerde sector vragen wer-

den gesteld, noemde de Minister als uitzondering op de

richtlijn
wel
de behoefte an degenen die een vrij beroep

uitoefenen, doch
niet
de behoefte van degenen die een

groot gezin hebben.

Uit het voorgaande is duidelijk geworden waarom ook

de woningen in de ongesubsidieerde sector kleiner zijn

geworden. Deels ligt de oorzaak bij de verschuiving uit

de premiesector en voor een ander deel bij .de limiet


y

voor de goedkeuring van ongesubsidieerde bouw.

De vraag mag worden jesteld, of de versnelde leni-

ging van de ongetwijfeld nog aanwezige
kwatitatieve

woningnood geen te hoge prijs is voor de schade welke

– aan het woonklimaat wordt
1
toegebracht of anders gezegd

voor de groei van de kwalitatieve woningnood. Bij de

beantwoording van deze vraag dient men goed voor ogen

te houden, dtt de thans aangerichte schade praktisch

onhexstelbaar is. Vooral de grote steden worden thans

volgebouwd met woningen die over het algenieen reeds

thans duidelijk liggen beneden de mogelijkheden van ons

welvaartspeil en die ovér tien â twintig jaar sterk ver-

ouderd zullen zijn. Welk lot wacht de ovrmaat aan te

kleine na-oorlogse woningwetwoningen?

De successievelijke na-oorlogse kabinetten hebben een

beleid gevoerd zonder onderzoek naar de vraag naar

woonruimte. Een dergelijk onderzoek wordt thans wel
voorbereid. In afwachting daarvan worden de sympto-

men die wijzen op een sterk gegroeide vraag naar grotere

• en betere woonruimte volstrekt genegeerd. Het beleid

• dwingt tot de bouw van steeds kleinere ensteeds slechtere

woningen.

Voor het grootste deel van de bevolkinj kan in de

behoefte aan grotere, en betere woonruimte slechts wor-

den voorzien door opschuiving. De sprong van de krotbe-

woner naar een nieuwe woningwetwoning met centrale

verwarming is doorgaans te groot. Opschuiving van de

allengs te groot geworden voorraad woningwetwoningen

naar premiewoningen is al moeilijk omdat erte weinig

premiewoningen voor opschuiving beschikbaar zijn. De
.opschuiving uit de woningwetsector en de premiesector

– naar de ongesubsidieerde sector wordt door de Minister

onmogelijk gemaakt door de beperkingen van deze sec-

tor.

.

Blijkens het antwoord op de hierboven bedoelde vragen –

491′


S
t

S-
1

E.-S.B. 3-6-1964 –

De beloning van de hogere functionarissen, een
kleine maar belangrijke groep in het bedrijfsleven,

vormt voor de ondernemers een telkenjare terugkerend /
probleem. Er is geen in een C.A.O. vastgelegd salaris-

niveau, zoals voor de meeste hand- en hoofdarbeiders

het geval is. Technieken ter .bepaling van salaris-

verhoudingen functioneren nog onvolledig. Ook tonen
de bedrijven weinig bereidheid tot onderlinge uit-

wisseling van gegevens.
Dit laatste wijst op een behoefte

aan een vertrouwelijke tussenpersoon bij de informatie-uitwisseling. Als zodanig kunnen functioneren bepaalde

organisaties of instellingen en ook raadgevende orga-

nisatiebureaus. Door middel van een (periodieke)

salarisenquête is het mogelijk de invloed op de salaris-

hoogte van een aantal variabelen, zoals functie, be-

drijfsgrootte, bedrijfstak, leeftijd, opleiding, kwanti-

tatief te bepalen. Tevens worden de vraag- en aanbod-

verhoudingen op de arbeidsmarkt verdisconteerd. Naast
het directe nut van het beschikken over salarisgegevens

uit andere bedrijven, kan uit de enquêteresultaten ook
een soort functiewaarderingsschema worden afgeleid.

De beloning van

hogere functionarissen

Het belang van infôrmatie-uitwisseling

De behoefte aan informatie.

De beloning is een vraagstuk, dat steeds in het centrum

van de belangstelling staat. Verwonderlijk is dit niet. De

beloning heeft zowel macro-economisch als micro-eco-

nomisch belangrijke consequenties. Bovendien is iedereen

er persoonlijk ten nauwste bij betrokken. Ook in dit tijd-

schrift is de laatste jaren door verschillende
schrijvers
aan-

dacht, besteed zowel aan de macro-economische conse-

quenties van loonveranderingen als aan de ontwikkeling

in de technieken en methodieken voor de vaststelling van

de loonverhoudingen. Veelal wordt hierbij gedacht in

groepen: handarbeiders, beambten, boeren. Wisselend

staan de verschillende groepen in het nieuws, als het gaat

om hin deel van de nationale inkomenskoek. Ook in de

methodieken van loonbepaling moet vaak onderscheid

worden gemaakt naar min of meer homogene groepen, dat

wil zeggen groepen met een gelijksoortige belonings-

technische problematiek.

In dit artikel willen wij de aandacht op een groep van

hogere ljnfunctionarissen en stafspecialisten uit het be-

drijfsleven richten, zoals bedrijfsleider, verkoopleider, con-

troller, chef technische ontwikkeling e.d. In aantal
is
het

een te verwaarlozen groep. Voor elke individuele onder-

neming
is
zij evenwel van groot belang, niet in de eerste

plaats als kostenfactor, maar wel omdat elke onderneming
staat of valt met haar hogere functionarissen.

De collectieve overeenkomsten, zoals die worden ge-

sloten met grote groepen hand- en hoofdarbeiders, schrijven

aan de individuele ondernemingen voor, hoeveel zij moeten

en mogen betalen aan lonen en salarissen. De C.A.O.’s

laten wel enige speelruimte, waardoor de ondernemer in-

dividuele beslissingen moet nemen, zoals het al of niet

gebruik maken van de ,,marge”. Daarnaast heeft elke

ondernemer te maken met de krachten van v.raag en aan-
bod op de arbeidsmarkt. Hoewel door dit laatste behoefte

ontstaat aan informatie over het gedrag van collega-onder-

nemers, biedt toch de C.A.O. een houvast voor de loon-

vaststelling voor arbeiders en beambten.

Geen enkel houvast ten aanzien van het loonniveau heeft

de ondernemer, wanneer hij een individuele overeenkomst.

sluit met een hogere lijn- of staffunctionaris. In deze ge-

vallen voelt hij een extra behoefte aan informatie over wat

(vervolg van blz. 491)

uit de Tweede Kamer acht de Minister het niet gewenst

doch
noodzakelijk
een voorkeur te maken voor een groter

aantal relatief goedkope woningen in plaats van voor een

kleiner aantal dure woningen. Deze voorstelling van

zaken is niet reëel. De beperkingen die de Minister

doorvoert ten aanzien van de dure woningen kunnen

gebillijkt worden, doch zijn beleid, dat
in het algemeen

tot kleinere woningen leidt, leidt tot een verschuiving

van de woningnood vhn kleine gezinnen naar grotere

gezinnen, voor wie de mogelijkheden tot het vinden van

passende woonruimte, zoals hierboven reeds werd opge-

merkt, drastisch zijn verminderd. Daarbij dient men –

zoals gezegd – te bedenken, dat kleiner bouwen in de

praktijk betekent relatief duurder bouwen. De besparingen

aan materiaal en arbeid welke voortvloeien uit de ver-

mindering van het aantal m
2
per vertrek zijn minimaal.

Hetzelfde geldt voor de beperkingen op de kwaliteit van

de uitvoering.

/

Samen vallend
menen wij te mogen zeggen, dat het nood-

zakelijk is, dat de Tweede Kanier zich opnieuw bezint

op het huiiige woningbouwbeleid, dat bijzonder kwalijke

gevolgen heeft voor het woonklimaat. Daarbij dient niet

name aandacht te worden geschonken aan de positie

van de grotere gezinnen, waarvoor in de prerniesector

geen woningen meer gebouwd kunnen worden, terwijl

zij geen uitweg meer hebben in de ongesubsidieerde

sector. Een speciale pçernieregeling ten behoeve van

grote gezinnen en/of verruiming van de mogelijkheden

tot bouw in de ongesubsidieerde sector voor deze ge-

zinnen zijn een eis van sociale rechtvaardigheid:

Utrecht.

C. 1′. A. BAKKER.

492

E.-S.B.
3-6-1964

4

in andere bedrijven in dezen gebruikelijk is. Over deze

informatie kan hij in het algemeen slechts in’ zeer beperkte

mate beschikken. De meeste bedrijven tonen weinig bereid-

heid dit soort van gegevens onderling uit te wisselen. Zelfs

als deze uitwisseling wel plaatsviidt, is toch het nut ervan

vrij gering, wegens de grote verschillen tussen de om-

standigheden in twee bedrijven. Lang en overal is en wordt

daarom de oplossing gezocht in het vaststellen van ,,objec-

tieve” criteria voor de loonvorming.

Het zoeken naar ,,objectieve” criteria.

Ook bij de beloning van hand- en hoofdarbeiders spelen

de objectieve criteria een grote rol. Als basis voor het lande-

lijke overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid
over het niveau van de beloning tracht men objectieve (en

kwantificeerbare) maatstaven te vinden, zoals de produk-

tiviteitsruimte. De mogelijkheid is aanwezig om individuele

prestaties te belonen, en wel op basis van meer of minder
objectief vastgestelde normen (tarieven). De werkclassi-

ficatie is een werkwijze, waarbij men ernaar streeft de

diverse soorten werk ten opzichte van elkaar objectief te

waarderen. Een dergelijk systeem leidt tot ,,automatise-

ring”, met alle voordelen, maar ook met alle nadelen van

dien. Een nadeel is
bijv.
de verstarring, die het met zich

brengt.

Naarmate de werkzaamheden, wat ‘men noemt, ,,hoog

waardiger” worden, wordt het steeds moeilijker om aan

de handvan objectieve criteria te verrichten taken en per-
soonlijke prestaties te waarderen. Functie en functionaris

zijn in veel gevallen nauwelijks van elkaar te scheiden.

Het accent verschuift van taakinhoud (datgene wat moet

worden gedaan) naar
functie-inhoud
(datgene wat moet

worden bereikt).
Hoe
dit doel wordt bereikt, hieromtrent

houdt de functie een grote mate van vrijheid in, en daaruit

voortvloeiend een grote verantwoordelijkheid.

In dit verband verdient aandacht het werk van de Engelse

psycholoog Dr. Elliott Jacques
1).
Hij stelt, dat de verant-

woordelijkheid, dit is de mate waarin een fdnctionaris

wordt vrijgelaten, een objectieve maatstaf is voor het

niveau van de functie en dus voor, de beloning. De verant-

woordelijkheid wordt gemeten door de tijdsduur vast te

stellen van de langste periode, waarover beslissingsfouten

niet aan het licht treden. Ook dit is dus een soort werk-

classificatiesysteem. Aan de praktische meting zitten echter

enkele moeilijkheden en wij betwijfelen, of het systeem

algemeen toepasbaar is. Wat overigens ook interessant is

om te vermelden, is de constatering van Jacques, dat er

een
algemeen intuïtieve norm
bestaat ten aanzien van de

,,rechtvaardige” beloning van elke combinatie van functie

en vervuller ervan. Deze algemene intuïtie omvat zowel

– het absolute niveau, als de onderlinge verhouding van de

functies, als de waardering van de personen, alles uitge-

drukt in geld. Zelfs indien deze algemene intuïtie bestaat,

dan nog zal ze gevoed moeten worden met informatie.

Ook Jacques heeft trouwens zelf talrijke gegevens ver-

zameld.

Informatie-uitwisseling.

Terugkerende tot de hogere lijn- en staffunctionarissen,

kunnen wij, het voorgaande overziende, het volgende stel-
len. Van een voorgeschreven salarisniveau is geen sprake.

1)
Zie Drs. R. Nieuwenhuis: ,,Verantwoordelijkheid als meet
bare maatstaf voor beloningen” in ,,E.-S.B.” van 3 en 31
jul

1963.

Tevens ontbrêkt (nog) een systeem of techniek ter be-

paling van salarisverhoudingen of functioneert onvolledig.

Dit betekent, dat de ondernemer bij de vaststelling van

zijn salarisbeleid voornamelijk is aangewezen op zijn in-

tuïtie. Zijn kennis van de arbeidsmarkt is in het algemeen

vrij gering. Personeelsadvertenties, salariseisen van solli-

citanten e.d. zullen hoogstens een indicatie verschaffen,

meer niet; de groep, waar het hier om gaat, is daarvoor te

klein en te heterogeen van samenstelling. Bovendien vindt
er weinig onderlinge .tiitisseling van salariëringsgegevens

plaats.

De laatste constatering
wijst
erop, dat er behoefte be-

staat aan een vertrouwelijke tussenpersoon bij de uitwisse-

1
.

ling van salariëringsgegevens. Dit opent voor de onder-

nemer de mogelijkheid een inzicht te verkrijgen in wat

andere
bedrijven betalen aan salarisen andere vergoedingen,

terwijl tevens een vertrouwelijke behandeling is verzekerd.

De idee is niet nieuw. Meerdere salarisenquêtes zijn op-

gezet, maar nooit ingesteld. Slechts enkele worden regel-
matig gehouden, waarvan wij noemen die van het C.B.S.

en het C.S.W.V. De C.B.S.-enquête heeft betrekking op de

beloning van employés, de C.S.W.V.-enquête op de salaris-
ontwikkeling in de tijd; beide bestrjken een beperkt gebied.

Ook particuliere organisatiebureaus zijn bij uitstek ge-

schikt om de functie van,vertrouwelijk tussenpersoon te

vervullen. In dit verband is het interessant de salarisenquête

te noemen, die in 1963 door enkele belangrijke adviesbureaus

in zeven Westeuropesejanden gezamenlijk is gehouden.

Op deze R.E.B.-enquête
2),
die nogal pretentieus van opzet

is, willen wij dieper ingaan.

De vorm van de R.E.B.-enquête.

Bij de opzet van een salarisenquête dienen in eerste in-

stantie twee vragen te worden beantwoord:

Wat wordt verstaan onder beloning?

Welke variabelen bepalen de hoogte van de beloning

en welke hiervan kunnen in de encluête worden opge-

nomen?

Inkomensbestanddelen.

Sub 1. lemands inkomen is opgebouwd uit een aantal

bestanddelen. De R.E.B.-enquête onderscheidt:

– bruto basissalaris;

– tantième, gratificatie, winstdeling e.d.;
overige emolumenten, zôals pensioenvoorziening,
gebruik van auto, representatievergding, vakantie,

e.d.;

T
de stijging van het salaris in de tijd.

Invloedsfactoren.

Sub 2. Belangijke variabelen, die de hoogte van de be-

loning bepalen zijn:

1 a. functie;

bedrjfsgrootte;

bedrijfstak;
individuele onderneming;

2 a. leeftijd;

opleiding;

persoonlijke capaciteiten;

3

geografisch gebied.

2)
In Nederland is de enquête verzorgd door het Raadgevend Efficiency Bureau Bosboom en Hegener N.V. (R.E.B.) in Am-
sterdam. Het initiatief is uitgegaan ,van het Engelse collega-
bureau ,,Associated Industrial Consultants Ltd.” in Londen.

E.-Sfl, 3-6-1964

493

[BUXUb
11
-SLAVI

L
O.NeV,
I
i
.

494
E.-S.B. 3-6-1964

jig

Bedrijfsgrootte en bedrijfstak zijn te beschouwen als een –

nadere specificatie van de functie. De individuele onder-

neming als variabele is een extra specificatie van de eerste

drie. Het is duidelijk, dat de invloed van de individuele

onderneming op de hoogte van de beloning, hoewel im-

pliciet wel opgenomen, niet kan worden gerapporteerd.

Elke onderneming afzonderlijk kan overigens deze invloed

zelf ten dele bepalen aan de hand van de gerapporteerde

resultaten van de enquête.

Sub 1 a t/m d in zijn geheel geeft in grote lijnen het

,,niveau” van de functie aan. Evenzo geeft sub 2 a t/m c

• in zijn geheel het ,,niveau” van de persoon, dit is de be-

kleder van de functie, aan. Dat de persoonlijke capaci-

teiten van de functionarissen niet in een dergelijke enquête

kunnen worden opgenomen, behoeft geen betoog. Het geo-

grafische gebied is een variabele, die niet past in deze in-

deling, maar, naar is gebleken, wel degelijk van invloed is.

Ze is wellicht te vergelijken met de indeling in gemeente-

-klassen, die wij (nog) kennen bij de arbeidersbeloning.

Onderzochte functies.

Het onderscheiden van een aantal algemeen voorkomende

hogere functies (uitgezonderd directeuren) is het meest

– karakteristieke van de R.E.B.-enquête. De elf functies zijn:

controller, chef boekhouding, bedrijfsleider, chef technische

afdeling, chef
,
‘bedrijfsbureau, chef inkoop, personeelschef,

chef technische ontwikkeling, verkoopleider, exportleider

en chef arbeidstechniek.
De grote moeilijkheid schuilt in de heterogeniteit van de

funties. Om niet te veel hooi op de vork te némen, moest

dé functie-omschrijving globaal worden gehouden. De be-

drijfsleider is
bijv.
gedefinieerd als de lijnfunctionaris, die

onder de directie de hoogste verantwoordelijkheid en de

daadwerkelijke zorg heeft voor de produktie-aangelegen-

heden, inclusief de planning en de voortgangscöntrole.

Het gevolg van de globale omschrijving is, dat de functies

van de personen, die in de enquête onder één hoofd zijn

geclassificeerd, in werkelijkheid een verschillende inhoud

kunnen hebben.

Onder de chefs inkoop buy, zitten zowel

personen met een overwegend administratieve taak als wel
daadwerkelijke ,,inkopers”; hetzelfde geldt voor de export-

leider. –

Verwerking van de gegevens.

Van de acht genoemde variabelen zijn er zes in de enquête

opgenomen. Het is in principe mogelijk, om uit het ver- –

kregen statistisch materiaal de invloed van elke afzonder-

lijke variabele te bepalen. De overblijvende spreiding van de

waarnemingen wordt veroorzaakt door het ontbreken van

variabelen of een weinig gedetailleerde onderverdeling per

variabele en door de relatief geringe uitwisseling van salaris-

gegevens tussen de bedrijven onderling. Voor het bepalen

van de invloed der afzonderlijke variabelen is evenwel een

,.

grote-steekproef nodig, groter dan die in 1963 bij de

R.E.B.-enquête is geweest.

steekproef een zwak punt. Weliswaar heeft de ervaring in

Engeland, waar reeds vaker een dergelijke enquête is ge-

houden, geleerd, dat het aantal deelnemers een tweede keer

niet onaanzienlijk hoger ligt, voldoende is dit echter niet.

Er wordt naar gestreefd hier een samenwerking tussen

meerdere Nederlandse organisatiebureaus of instellingen

tot stand te brengen. Dit streven heeft inmiddels geresul-.

teerd in een samenwerking in dezen tussen de burea’us

,,Berenschot” en ,,Bosboom en Hegener”. Uit de positieve
,

reacties van de deëlnemende bedrijven
op de gerapporteerde

resultaten blijkt, dat informatie-uitwisseling in deze -vorm

in een behôefte voorziet en zij zal dan ook zeker moeten

worden gecontinueerd.

Het zou niet verwonderlijk zijn geweest, indien de R.E.B.-

enquête in 1963 een complete chaos van
cijfers
te zien zou

hebben gegeven. Dit is evenwel niet het geval. De resul-

taten van deze eerste enq’uête hebben aangetoond, dat zelfs

uit statistisch materiaal betreffende de beloning van de

hogere functionarissen in deze vrij grove vorm en van deze

Vrij beperkte omvang reeds duidelijk verbanden zijn te des-

tilleren. Hieruit kan onder meer worden geconcludeerd,

dat en/of van het marktmechanisme op één of andere wijze

een regulerende invloed uitgaat, en/of er in het bedrijfs-

leven inderdaad een algemeen intuïtieve norm van Jacqi.ies

bestaat, welke een bepaalde inkomstenhoogte koppelt aan

een bepaalde combinatie van de eerdergenoemde vari-

abelen. – -. –

De betekenis van deze salarisenquêt& ligt niet alleen in

het relatief enge vlak van de salariëring van de hogere

lijtfu.ictionarissen en stafspecialisten. Haar nut voor de

individuele ondernemer strekt zich uit tot het gehele per-

soneelsbeleid ten aanzien van deze groep. Een statistische

analyse van de bestaande salariëringsstructuur in het be-

drijfsleven kan een indicatie geven voor het ,,niveau”, dat –

men toekent aan de verschillende functies.
Het is mogelijk om uit de enquêtegégevens als het ware

eèn soort functiewaarderingsschema op te stellen. Het

,,niveau” van de functie wordt hierin gepreciseerd door

middel van bedrjfsgrootte,
bedrijfstak
en eventueel de in-

dividuele onderneming,
plus
de bij elke combinatie be-

horende centrale tendenties van leeftijd en opleiding, alle
,,objectieve” criteria. Dit niveau kan bovendien kwantita-

tief worden benaderd
3) door x duizend gulden per jaar.

Wanneer nu een individuele onderneming een bepaalde

functionaris belangrijk minderof belangrijk meer betaalt,

dan kunnen hiervoor diverse oorzaken bestaan: afwijkende

functie-inhoud, uitzonderingspositie in de
bedrijfstak,
af

wijkende persoonlijke capaciteiten van de betreffende func-

tionaris. De oorzaak kan evenwel ook liggen in het feit dat,

afgezien nog van een van de centrale tendenties afwijkende

leeftijd en opleiding, de ondernemer het ,,niveau” van de

functie heeft onder- of overgewaardeerd. Aldus kunnen de –

resultaten van de salarisenquête aanleiding geven tot een

nadere bezinning op het niveau van de verschillende func-

ties.

Amsterdam.

‘ H. J. SCHLQTER, econ. drs.

Besluit.
3)
In dit bedrag van
x
duizend gulden per jaar is uiteraard,

Hoewel de enquête de eerste keer niet vrij is gebleven

,naast het niveau van de functie, ook de relatieve schaarste aan

van enkele kinderziekten, is tdch vooral de grootte van de

de betreffende functionarissen verdisconteerd.

(1.
M.)

Het Landbouwinvesteringsfonds in België:

zijn betekenis en werking

Enkele inleidende beschouwingen
1)•

Na de tweede wereldoorlog is de kapitaalbehoefte in de

landbouwsector voortdurend gestegen. Hiertoe droegen zo-

wel economische als sociale factoren bij: intensivering van

de eigendomsoverdrachten, mechanisering van de land-

bouwactiviteiten, modernisering van de bedrijfsgebouwen,

groter gebruik van geselectioneerde zaden en meststoffen,

verbetering van de veestapel, loonstijgingen, drang naar

verhoging van de levensstandaard, e.d.m.

De landbouwer dient de combinatie van de produktie-
factoren bodem, arbeid en kapitaal in zijn bedrijf te her-

zien; De vereiste aanpassing zal slechts tot stand kunnen

gebracht worden door de vervanging van de factor arbeid

door de factor kapitaal. Deze’ evolutie gaat thans in ver-

sneld tempo door. De gestegen kapitaalbehoefte kan niet

door een groter beroep op de autofinanciering opgevangen

worden, gezien de geringe rentabiliteit van ‘de meeste land-

bouwexploitaties.

De belangrijkste financieringsbron van de landbouwer is

dan ook de kredietinstelling. Bij het beroep op deze finan-

cieringsbron Stuit de ontlener evenwel op grote moeilijk-

heden. Het krediet op korte termijn (maximum 1 jaar)

wordt doorgaans verleend op basis van de algemene solva-

biliteit van de debiteur. Als zodanig is het gemakkelijk op

deze financieringsbron een beroep te doen, vermits geen

speciale waarborgen geëist worden. Voor de duurzame in-

vesteringen is zij evenwel ongeschikt wegens de korte

krediettermijn welke toegestaan wordt.

Voor het krediet op haffiange termijn zijn de eisen

strenger en wordt veelal het landbouwvoorrecht als zeker-

heid gevraagd. Dit landbouwvoorrecht geeft aan de geld-

schieter een voorrecht op het vee, het materieel en de oogst.

Wegens het onzeker karakter van dit landbouwvoorrecht

wordt veelal slechts een gering kredietbedrag toegestaan:

meestal een derde van de getotaliseerde waardebepalingen

van het vee, het materieel en de oogst. Wanneer de ontlener

bovendien onroerende eigendom bezit, kan het krediet-

bedrag hoger gesteld worden.

De kredietverlening op lange termijn (leningen langer

dan 10 jaar) met het oog op de financiering vân grote

investeringsprojecten, zoals de bouw van een hoeve en de

installatie van een landbouwer, geschiedt deels op basis

van het landbouwvoorrecht, deels op basis van een hypo-

theek. Naargelang het om gebouwen of grond gaat, welke

hierbij als zekerheidsstelling dienen, bedraagt de hoogte

van het krediet resp. 60 en
65
pCt. van de waarde der ge-
bouwen en de grond.

Door de band en grof gezien, zal de landbouwer, wan-
neer hij bij een kredietinstelling om een lening verzoekt,

slechts 50 â 60 pCt. kunnen ontvangen van de waarde

van de door hem verstrekte zekerheden. In dergelijke

omstandigheden is het klaar dat de meeste exploitaties

er niet in slagen voldoende kredieten te bekomen voor

de modernisering of de reconversie van hun bedrijf.

‘) Zie: ,,Het landboiwkrediet in de Euromarkt” in ,,Râiffai-
senecho”, no.
145,
‘augûstus 1959, blz. 1293-1297; M. van
Dessel: ,,Kredietverlening aan de landbouw” in ,,Economisch
en Sociaal Tijdschrift”, no. 3, .juli 192,blz. .197-200.

Bekijkt men de kwestie langs de kant, van de krediet-

instelling, dan kunneneveneens verschillende zwakke pun-

ten gereleveerd worden, welke de expansie van het land-

bouwkrediet remmen
2).

De aangerekende intrestvoet mag niet zo hoog gesteld

worden als voor andere bedrijfstakken, omdat de renta-

biliteit in de landbouw al te zeer afhaiikelijk is van natuur-

lijke elementen, welke de verhoging van de produktiviteit

en in het’ bijzonder
de
stijging
van de voortbrenging be-
perken.

Daarenboven hebben de landbouwexploitaties door-

gaans een kleine bedrijfsomvang, zodat de aangevraagde

kredieten weinig tahijk zijn en vooral meestal slechts slaan

op geringe bedragen. Voor de kredietinstelling brengt dit

een verhoging van de algemene onkosten mee, gezien het
grote aantal kleine kredietaanvragen welke dienen beoor-

deeld te worden.

Verder komt het niet zelden voor dat dc kredietinstelling

de krediettermijn moet verschuiven daar de landbouwer

niet in staat is op de vastgestelde termijn zijn schuld af te

lossen. Dit komt niet omdat de landbouwer een slechte

betaler is, maar wel omdat hij door ongunstige weers-_

omstandigheden of een of andere ziekte zowel op de oogst

als op de veestapel zware verliezen kan lijden.
De oprichting van het Landbouwinvesteringsfonds (L.J.F.).

Door de oprichting van een nieuw organisme heeft de

Belgische wetgever de bovenvermelde nadelen inzake land-

bouwkredietverlening zowel voor de landbouwer als voor

de kre.dietinstellingen trachten te vermijden.

In navolging van hetgeen voor de nijverheid gedaan werd,

heeft men eveneens aan de landbouwsector belangrijke

overheidssteun verleend. Deze bestaat erin, enerzijds, le-

ningen tegen verminderde rentevoet te verstrekken en,

anderzijds, kan de staatswaarborg verkregen worden. Er

is daarenboven voorzien dat voor eenzelfde lening de

staatswaarborg en de rentesubsidie kan bekomen worden.

Volledigheidshalve is te vermelden dat slechts in enicele

uitzonderlijke gevallen alleen staatswaarborg toegekend

wordt. De begunstigden genieten meestal een rentesubsidie

samen met de staatswaarborg.

De staatstussenkonist werd verzekerd door de oprichting
bij de wet van 15 februari 1961
3)
van het zgn. L.I.F. Het

Fonds wordt beheerd door de Minister van Landbouw
4),

terwijl het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet voor

de administratie instaat.

Het L.I.F. beschikt over de volgende middelen ):

1. Een jaarlijkse dotatie van tenminste B. fr. 100 mln.,

van 1961 af op de begroting van het Ministerie van Land-

bouw uitgetrokken. Deze bijdrage vormt de belangrijkste
inkomstenbron van het Fonds.

G. Verfaille: ,,Le crédït agricole” in ,,La Revue de la
Banque”, no. 6, 1963, blz. 649-672.
Zie Belgisch
Staatsl?lad
van 2 maart 1961.
In welbepaalde gevallen is de tussenkomst van de Minister
van Financiën môgelijk.
Zie: Van Hemelrijck: ,,Het Landbouwinvesteringsfonds”
in ,,Raiffeisenecho”, mei, 1961, blz. 1466-1474..

E.S.B. 3-6-1964

495

2. Daarnâast zijn er bij-

komende middelen:

het saldo van het voor-

schot van B. fr. 115 mln, door

de wetten van 24 maart 1952

en van 11 maart 1958 aan het

Nationaal Instituut voor

Landbouwkrediet verlend,

om het toekennen van le-

ningen aan coöperatieve ven-

nootschappen te vergemak-

kelijken; de terugbetalingen en de

intresten van voorschotten en

leningen eventueel met gelden

van het Fonds.

Onder de actièmiddelen

welke ter beschikking van het

L.I.F. staan, dient in de eerste

plaats de mogelijkheid tot

het toekennen van een rente-

subsidie vermeld. Deze rente-

toeslag wordt aan de erkende

kredietinstellingen verleend

om hen in staat te stellen

leningen tegen verminderde

rentevoet toe te staan. De

rentesubsidie is vastgesteld op

maximum 3 pCt. De moge-

lijkheid béstaat dat de hulp

minder dan 3 pCt. bedraagt;

voor de leningen opgenomen

door de landbouwcôöpera-

tieven varieert de toelage van

1,5
pCt. tot 3 pCt. Tot nog

toe hebben de landbouwers –

altijd de niaximumsubsidie

verkregen. –

In de tweede plaats kan

het L.I.F. leningen waar-

borgen; het Fonds treedt op

als waarborgverstrekker t.o.v.

de kredietinstelling. De be-

delde waarborg heeft noch-

tans slechts een aanvullend

karakter doordat de krediet-

nemer eerst zelf zijn zeker-

heden moet uitputten. In geen

geval mag de waarborg van

• het Fonds meer dan 75 pCt.

van het bedrag van de toege-

kende lening dekken.

Aanvankelijk mocht het

• Fonds slechts zijn waarborg

verlenen voor een globaal be-

-. drag vanB. fr
. 500 mln.Door

deze bout kost f
…..
,..

S

Eén vitale bout breekt en de machine staat stil. Direct

gevolg: de produktie stagneert[ Misschien moet

er een monteur uit liet buitenland komen. Misschien
verliest U een belangrijke order. Het risico van

machinebreuk wordt door de toenemende mechanisatie

steeds groter. Dit risico behoeft U niet zelf te dragen.

Voor ieder bedrijf zijn er verzekeringsmogelijkheden,
die de financiële gevolgen van machinebreuk opvangen.,

– Het objectief advies van een assurantiemakelaar

kan U in staat stellen de voor U meest geshikte

keuze te doen. R. Mees & Zoonen Assurantiën

beschikt over een staf van deskundigen die U gaarne

zal adviseren inzake het sluiten van een

verzekering aangepast aan Uw speciale behoeften,

en in geval van schade Uw belangen behartigt.

R.MEES&ZOONEN

ASSURANTIËN,

Rotterdam – Amsterdam – ‘s-Gravenhage – Schiedam

Delft – Vlaardingen – Alblasserdam – Spijkenisse

1720

hetK.B. van
5
november

1963 werd deze marge op B. fr. 1 mrd. gebracht.

Deinterventies van het L.I.F.

T

De tussenkomst van het L.I.F. is voorzien in de volgende

gevallen:


J. Investeiingsverrichtingen met het doel duurzame goe-

deten te verwerven, aan te leggen, te vermeerderen of te

verbetren.

Als dusdanig is het mogelijk de tussenkomst van het

496

L.I.F. te bekomen voor bedrijfsuitrusting of uitbreiding

van gebouwen en grond. De duur waarvoor de waarborg

en de intrestverlaging geldt is verschillend volgens de ver-

richting. Bij voorbeeld voor de verbetering van bedrijfs-

gebouwen kan de verleende garantie van het Fonds even-

als de rentesubsidie voor maximum negen jaar worden

toegekend, maar voor de aankoop van machines geldt de

garantie Voor hoogstens negen jaar, terwijl de toelage

tijdens vijf jaar verkrijgbaar is.

E.-S.B. 3-6-1964 –

Reconversie van ‘bestaande bedrijven ingevolge ge-

wijzigde eonomische omstandigheden.

Dikwijls wordt aangedrongen op grotere specialisatie

van de Belgische landbouwer. De omschakeling gaat even-

wel met grote kosten gepaard zodat de tussenkomst’ van

het Fonds hier eveneens nuttig is. Hierbij wordt de maxi-
mumduur van de intrestverlaging op vijf jaar vastgesteld,

terwijl de waarborg over hoogstens tien jaar loopt.

De installatie van land- en tuinbouwers.

Door gunstmaatregelen ten voordele van de jonge land-

bouwers bij de overname van de exploitatie, wordt in land-
bouwkringen gehoopt aan de bedrijfstak nieuw dynamisme

te verlenen. De duur van de rentesubsidiëing kan negen

jaar bereiken; deze van de waarborg achttien jaar. –

De verwerking en commercialisatie van land- en tuin-

bouwprodukten door de oöperatieve verenigingen.

De tussenkomst van het Fonds wisselt naargelang ,het

gaat om reeds bestaande of om de opriêhting van nieuwe

samenwerkende verenigingen. In het laatste geval zal een

ruimer beroep op het landbouwinvesteringsfonds kunnen

gedaan worden maar de rentesubsidiëring mag nooit meer

dan 3 pCt. bédragen. Volgens het belang van de investe-

ring wordt in de praktijk een toelage verstrekt welke tussen

1,5 pCt. en 3pCt. varieert.

Enkele statistische gegevens omtrent de tussenkomsten van

het L.I.F.
6)

Vooreerst dient een belangrijke opmerking gemaakt ten

einde verkeerde interpretatie van de statistieken te ver-

mijden. De dienstenvan het Ministerie van Landbouw

voorzien, slechts twee categorieën van kredietaanvragers,

nl. deze welke de rentesubsidies bekomen hebben cii deze

welke de waarborg genoten. Een derde categorie diende

voorzien, ni. de begunstigden welke zowel de rentetoelagen

als de garantie verkregen. Aan deze categorie werd geen

aandacht geschonken. De landbouwers, welke
en de refite-

subsidie
en
de waarborg bekamen, worden afzonderlijk

in de statistieken opgenomen enerzijds in de klsse rente-

tussenkomst en anderzijds in de klasse waarborg.

De onderstaande statistieken schetsen de werking van

het Fonds sinds het ontstaan in 1961 tot op einde november

1963. Gedurende het eerste jaar bleven de verrichtingen

Vrij beperkt in omvang; tussen het onderzoek van de inge- –

diende aanvragen en de beslissing gingen er enkele maanden ”

voorbij. Het Fonds is op volle toeren beginnen draaien

tegeti het einde van 1961.
Voor de jaren 1961, 1962 en 1963 (einde november) be-

droeg de tussenkomst van het Fonds in de intresten (theo-

retisch bedrag berekend zoiider rekening te houden met de

terugbetalingen) resp. B. fr. 17,77 mln., B. fr. 65,24 mln.

6)
Onze bijzondere dank
gaat
hier naar het Bestuur der
Economische Diensten van het Ministerie van Landbouw, welke
bereidwili ig interessante cijfergegevens verstrekte.

en B. fr. 81,81 mln, en werden resp. voor B. fr. 101,00 mln.,

B. fr. 349,79 mln, en B. fr. 482,29 mln.
aanvullende
waar

borgen toegekend. Het overeenstemmend kredietbedrag

beliep voor dezelfde jaren resp. B. fr. 670,65 mln., B. fr.

2.274,80 mln, en B. fr. 2.842,70 mln.

In de verdere bespréking slaan de gegevens telkens op

de periode februari 1961 – einde november 1963.

1.
Interventies van het Fonds per sectoi

Tabel 1 geeft’voor de landbouw, de tuinbouw en de –

coöperaties de toegestane kredieten, de rentetoelage en de

staatswaarborg weer. Er dient de aandacht op gevestigd

dat de cijfers
geen
rekening houden met de vervroegde

terugbetalingen.

Door de hulp van het L.I.F. was het mogelijk 22.416

aanvrageii in te willigen, terwijl B. fr. 5,79 mrd. kredieten.

toegestaan werden. De landbouwsector kreeg iets minder

dan de
3/4
van de totale kredieten; de tuinbouw en de

coöperatiebedrjven bekwamen elk ongeveer 13 pCt.

De berekende rentelast wordt op ca. B. fr. 165 mln, ge-

steld. De resultaten volgens sector beschouwd, sluiten zeer

nauw aan bij de verdeling op basis van de toegestane kre-

dieten.

Voor de verleénde waarborgen liggen de verhoudingen

anders:’ de coöperatieven komen op de eerste plaats met

ongeveer de helft van de totale gegarandeerde bedragen;

de landbouw- en tuinbouwsector volgen met circa resp.

38 pCt. en 13 pCt.

Van het totale kredietbedrag werd B. fr. 933,08 irdn. of

16,1 pCt. door het Fonds gewaarborgd. Uit dit geringe

percentage blijkt duidelijk dat de toegestane garantie alleen

een aanvullend karakter heeft zodat de kredietaanvrager

telkens zijn eigen garanties dient uit te putten.

/ De coöperatieven bekomen zowel absoluut als relatief

gezien de hoogste staatswaarborg op de opgenomen kre-

dieten. Van de aan de samenwerkende vennootschappen

toegestane kredieten kreeg
59
pCt. de waarborg van het

Fonds. In de andere bedrjfstkken ligt de dekking merke-
lijk lager. Voor de tuin- en de landbouw beloopt dit per-

centage resp.
15,5
en 8,3.

Over de uitstaande kredietbedragen tast men volledig

in het duister.

Betreffende de uitstaande waarborgen en de werkelijk

verschuldigde intrestbedragen kon’den enkele
cijfers
be-
komen worden. Op
30 september 1963
waren de lopénde,

waarborgen als volgt gespreid bij de veI

schillende krediet-

instellingen:

in mln. frank
– Nationaal Instituut ;oor Landbouwkred jet
…………….
296,21
– Centrale Kas voor Landbouwkrediet van de Belgische Boeren-

bond
…………………. . ………………………

261,14
– Algemene Spaar- en Lijfrentekas

………………….
56,18
– Bank van de Société Générale

…………………….

31,18
– Bank van Brussel
…..
……………………………
.8,98
– Kredietbank

……………………….. ………….

0,77

Totaal uitstaande gewaarborgde kredieten
…………….
654,46

XT

TABEL 1.

Sector

Tussenkomst van het L.I.F. volgens sector
(februari 1961 – einde november 1963)

Bedrag van

Aantal
het krediet

dossiers

mln.

pCt. van
frank

totaal

Rente- tussenkomst

mln,

pCt. van frank

totaal

Waarborg

– – -.

mln.

pCt. van
frank

totaal

Landbouw
………….. . ………………………..
20.030
4.237,40
73,2 2.215 769,99
13,3
Tuinbouw

……………………………………..
..
Coöperatie

……………………………………..
..
171

..

780,76
.

13,5

Totaal

………………………………….
.
22.416
5.788,15
100,0

Bron:
Ministerie van La,dbouw – Economische Diensten.

E.-S.B. 3-6-,,1964

122,61
‘744
353,26
37,9
21,94
13,3
119,40
12,8

20,27
12,3
460,42
49,3

164,82
100,0
933,08

100,0

497

Enke
1
e instellingen, welke voor geringe bedragen tussen-

komen, werden niet in het totaal opgenomen.

De eerstgenoemde twee kredietinstellingen eisen 85 pCt.

van de uitstaande waarborgen op; voegt men hierbij het

aandeel van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, alsmede

dit van de Bank van de Société Générale, dan kdmt men

tot 98,5 pCt.

De afrekening van de door het Fonds verschuldigde

iritresttoelage geschiedde tot voor kort op vrij onregel-

matige termijnen. Thans wordt de vervaldag om de drie

maand vastgesteld; de laatste vervaldag viel op
30 sep-

tember
1963.
Toen werd opgemaakt dat in totaal door het

Fonds B. fr. 102,073 mln. rentesubsidies aan de krediet-

instellingen werden toegekend.

2.
Interventies van het Fonds volgens de bestemming van

het krediet.

De
cijfers
van tabel 2 geven de toegestane kredieten

waarbij geen rekening werd gehouden met de vervroegde

terugbetalingen.

te vergroten. Waarschijnlijk gaat het hier om oude land-
bouwers, welke door gebrek aan kennis, specialisatie en

initiatief, de kredietfaciliteiten negeren.

De rentetussenkomst hangt vanzelfsprekend samen met

de toegestane kredieten, zodat er weinig verschil is met de

relatieve verdeling volgens toegestane kredieten.

Volgeiis de toegekende waarborgen wordt het onderlinge

belang van de verschillende investeringsobjecten t.o.v. de

verdeling volgens het bedrag der kredieten en de rente-

tussenkomst sterk
gewijzigd.
De gegarandeerde kredieten

gaan voor circa de helft naar de commercialisatie en de

verwerking; samen met de gewaarborgde installatieleriingen

komt men tot 88,0 pCt., zodanig dat de kredieten voor de

bedrijfsuitrusting en de constructie in geringe mate door

de staatsgarantie gedekt worden.

3.
Jnterventies van het Fonds volgens grootteklassen en

bestemming van het krediet.

Tabel 3 geeft de indeling weer van de kredieten volgens’

de grootte van de toegestane bedragen.

‘1

TABEL 2.

Tussenkomsten van het Fonds volgens de bestemming van het krediet

(februari 1961 – einde november 1963)

Aantal
dossiers

I
Bedrag van het
krediet

.
Rente-
tussenkomst
Waarborg
Aard van de investering
Absolute
ta”
mln. frank
tot
aal
mln. frank
P
o
t
a
v
a
n

mln. frank
P
o
t
a
v
a
r

6.971
31,1
2.599,31
45,0
75,07
45,5
359,66
38,6
.
1,4
93,95
1,6
2.72
1.6
9,47
1,0
Bedrijfsuitrusting

……………………….
9.868
44,0
1.155,86
19,9
33,24
20,2
19,34
2,0

Installatie

………………………………

5.085
22,7
1.157,47
,

20,0


33,50
20,3
84,19
9,0

Omschakeling

………………………….320

Constructie

…………………………….
172

..

0,8
781,56
13,5
20,29
12,4
460,42
49,4
Commercialisatie en verwerking

…………….

Tota1

,
………………………..
22.416
100,0
5.788.15
100,0
164,82
100,0
933.08
100,0

Bron:
Ministerie van Landbouw – Economische Diensten.

Naar het aantal ingewilligde aanvragen beschouwd, zijn
het de kredieten voor de bedrijfsuitrusting welke ‘de eerste

plaats innemen; hierop komen de installatie- en de con-

structie-aanvragen. De begunstigden met betrekking tot de

omschakeling en de commercialisatie en de verwerking zijn

van gering belang. Volgens het toegestane krediet komen

deze voor de’ installatie veruit vooraan gevolgd door de

constructie- en de bedrijfsuitrustingskredieten.

De tegenstelling tussen het aantal aanvragen en het toe-

gestane krediet in de commercialisatie- en verwerkings-

sector is opvallend; dit bewijst dat het meestal om grote

samenwerkende vennootschappen gaat welke belangrijke

sommen ontlenen.

De kredieten voor de omschakeling.zijn juist zoals het

aantal aanvragen gering. Deze vaststelling wijst erop dat

vele kleine Belgische landbouwers geen ‘gebruik willen

maken van de kans welke hun geboden wordt om door over-

schakeling op meer intensieve teelten (tuinbouw) hun be-

staan te beveiligen en de rentabiliteit van hun exploitatie

De meeste kredietaanvragen slaan op bedragen gaande

van B. fr. 100.001 totB. fr
. 250.000; deze categorie komt

voor 36,3 pCt. tussen. Hiefop volgen de categorieën van

B. fr. 50.001 tot B. fr. ‘100.000 en deze van B. fr. 250.001

tot B. fr. 500.000, welke resp. 28,9 pCt. en 16,2 pCt. op-

eisen. De hoogste twee kredietkJassen hebben samen een

aandeel van 7,1 pCt. in het totale aantal verleende leningen.

Volgens investeringsobject beschouwd is het volgende

vast te stellen:

– voor de installatie heeft 66,4 pCt. der leningen be-

trekking op de klassen B. fr. 100.0011500.000;

– voor dé omschakeling heeft 80,0 pCt: der leningen

betrekking op de klassen B. fr. 50.0011500.000;

– voor de bedrijfsi:iitrusting gaat het meestal om kleine

bedragen: 96,6 pCt. van de kredieten valt in de klassen

B. fr. 1 tot 250.000;

– voor de cohstructie is geen sterke concentratie van

de aanvragen in een bepaalde categorie vast te stellen, dit

in tegenstelling met de verwerking en de commercialisatie,

TABEL 3.

Indeling per grootteklassen volgens de bestemming van het krediet

B d ••f
Verwerking
Installatie
Omschakeling
uiruig
Constructie
en col1mer-
Totaal

Grootteklassen
cialisatie

Aant.
mln.
Aant.
mln.
Aant.
mln.
Aant.
mln.
Aant.
mln.
Aant.
mln.
doss.
frank
doss.
frank
doss.
frank
,
doss.
frank

doss.
frank
doss.
frank

10,84
30

1,27
1.766
68,84
599
25,19 4
0,16 2.665
106,30
.
88,63
65
5,96
4.112
364,89
1.282 113,93
5
0,44
6.461
573,85
Van

100.001

tot 250.000

………………..
2.394 468,55
122
22,78
3.657 563,64 1.854
361,84
19
3,21
8.046
1.420,02
2.233
879,41
69
25,89
268

94,64
1.054
380,82
21
8,95
3.645
1.389,71

Van B.fr.

1

tot

50.000 …………………..266
Van

50.001

tot

100.000

…………………997

772
579,15
23 18,56
47
34,69 237
173,58
17
13,10
1.096
819,08

Van 250.001

tot

500.000

………………….

Van 500.001

tot

1.000.000

………………..
309

..

572,73
II
19,50
18
29,16
59 102,11
106
755,70
503
1.479,20
t’4eer

dan

1.000.000

……………………..

Totaal

………………………
6.971
2.599,31
320
93,96
9.868
1.155,86
5.085
1.157,47
172
781,56
22.416
5.788,16

Bron:
Ministerie van Landbouw – Economische Diensten.

498

E.:s.B. 3-6-1964

-.
.

….

waar de leningen van meer dan B.
fr.
1 mln. 61,6 pCt. van

de totale aanvragen uitmaken. Volgens het bedrag be-

schouwd eist deze klasse het leeuwedeel op nI. 96,7 pCt.

4. Geografische spreiding van de kredieten.

De regionaie verdeling van de kredieten zal als laatste

punt behandeld worden.

*

AW

gewenst is. Hierdoor is het waarschijnlijk dat de goed-

keuring in de Kamers van de nieuwe kredietgrens enigs-
zins vertraagd wordt.

Als scherper wapen ter afremming van de krediet-

verle’ning, bestaat de mogelijkheid de ,rentetoelage te ver-
lagen en de voorwaarden tot verlening van het krediet aan

strengere maatstaven te binden. Tot nog toe is omfrent de

t

t
.

f

TABEL 4.

Regionale indeling van de toegestane kredieten, de rentetussenkomst en de waarborg

(februari 1961 – einde november 1963)

1

Kredietbedrag

Rentetussenkomst

Waarborg
Aantal

Provincie

doasiers

mln. frank

P’

mln. frank

mln. frank

pct.

West-vlaanderen

………………………………….3.313

1.023,20

17,6

29,24

17,7

173,43

18,5
)ost-Vlaanderen

……………………………………2.507

779,42

13,5

22,24

13,5

147,51

15,8
ntwerpen

……………………………………….2.084

636,87

.

11,1

18,50

11,2

95,97

10,3
imburg

…………………………………………1.645

472,44

8,1

13,34

8,1

89,21

9,6

Eotaal vlaamse provincies

…………………………..9.549

2.911,93

50,3

83,32

50,5

506,12

54,2

-lenegouwen

……………………………………..2.995

724,56

12,5

20,37

12,4

102,78

11,1
amen

………………………………………….2.160

507,83

8,8

14,31,

8,7

93,04

9,9
_uik

…………………………………………….2.586

645,65

11,2

18,35

1 ii

145,51

15,6
..uxemburg

……………………………………….2.334

360,81

6,2

10,24

6,2

27,16

2,9

rotaal

Waalse

provincies

…………………………….10.075

2.238,85

38,7

63,27

38,4

368,49

39,5

lrabant

…………………………………………..2.792

637,37

11,0

18,23

11,1

58,46

6,3

1s1gemeen

totaal

…………………………………..22.416

5.788,15

100,0

164,82

100,0

933,07

100.0-

Bron:
Ministerie van Landbouw – Economische Diensten

De Vlaamse gewesten komen grosso modo voor de helft

tussen in de verleende kredieten; dezelfde verhouding geldt

voor de bijkomende begunstigingen in verband met de

rentetussenkomst en de garantie.

West-Vlaanderen heeft het meest op de kredietfaciliteiten

ee?ï beroep gedaan; hierop volgen Oost-Vlaanderen en

Antwerpen. Ook in Limburg is er veel belangstelling voor
de verleende hulp.

Wallonië heeft circa 39 pCt. van de kredietbedragen

opgenomen. Henegouwen, Luik en Namen nemen er de

gunstigste posities in. In Luxemburg zijn de ingewilligde

kredietaanvragen talrijk, maar het kiedietbedrag is in ver-

houding vrij laag.

Conclusies.

Sinls de oprichting van het L.I.F. werden B. fr. 5,79

mrd. kredieten toegekend, Welke onder een of andere vorm

van de voorziene overheidstussenkomst hebben genoten.

De kredietverlening wordt zeer aantrekkelijk gemaakt

vermits aan de landbouwrs tot nog toe een rentetoelage

van 3 pCt. werd verleend.

– De waarborg van het Fonds kwam aan vele agrariërs

ten goede, maar dit voordeel wordt slechts ten volle ge-

apprecieerd wanneer eveneens de rentesubsidie bekomen –

wordt.
De
uitstaande
waarborgen op 30 september 1963 be-
droegen B. fr.
654,5
mln., zodat toen nog een comfortabele

marge overbleef alvorens het plafond door de wet voorzien

(B. fr. 1 mrd.) benaderd wordt.

Wegëns het succes van de kredietverlening is op dit

ogenblik de kredietgrens bijna bereikt. Bij de Kamers is

reeds een wetsontwerp ingediend, welk ertoe strekt de

kredietmarge op B. fr. 1,5 mrd. te brengen met mogelijk-
heid tot verhoging tot B. fr. 2 mrd.

De huidige conjuncturele situatie is evenwel van deze

aard dat een sterke uitbreiding van de kredietverlening on–

E.-S.B. 3-6-1964

vermindering van de kredietverlening van overheidswege.

niets besloten.

Bij de beoordeling van de resultaten is opgevallen dat
zeer weinig kredieten dienen voor de reconversie vande

exploitaties. In de toekomst zou ongetwijfeld moeten ge-

ijverd worden om de kleine landbouwers ertoe aan te zetten

over te schakelen op kapitaalintensieve teelten (tuinbouw).

In dit yerband kan de vraag gesteld worden of de overheid

voldoende aandacht wijdt aan de beroepsvoorlichting der

betrokken landbouwers. 1n politieke middens wordt te

weinig gesproken over structurele hervormingen, welke
van aard zijn oih de rentabiliteit van de landbouwsector

op blijvende wijze te verbeteren, terwijl te veel het accent

gelegd wordt op de prijssubsidiëring. Langs deze laatste

weg is het wel mogelijk de financiële toestand van de land-

bouwer
tijdelijk
te verbeteren maar de oplossing van dê

problemen op lange termijn wordt er alleen door vertraagd.

De marginale landbouwbedrijven
blijven
tijdelijk in leven

door eeri kunstmatig hoog
prijsniveau
maar door de ge-

leidelijke versoherping van de concurrentie in Euromarkt.

verband dient men zich geen illusies te maken omtrent het

lot van deze exploitaties. Ter vergelijking kan hier ver-

wezen naar de massale toelageverlening aan de steenkolen-

mijnen door dewelke het ook niet mogelijk bleek een reeks

marginale exploitaties van de ondergang te redden.

Door de oprichting van het L.I.F. wordt aan de over-

heid een machtig wapen ter hand gesteld om de structurele

verbetering van de Belgiche landbouwsector in de hand te

werken. Gekoppeld .aan het ruim opgevat plan met be-
trekking tot de ruilverkaveling zou de tussenkomst van

het L.I.F.

op de duur tastbare resultaten moeten af-

werpen
7),
De tijd voor de bezinning, is gekomen want er-

is op het ‘ebied van de structuurverbetering nog een lange –

weg af te leggen.
Brussel.

A. KEMPENEERS.

7)
De kwesties in verband met de ruilverkaveling vallen nit
onder de bevoegdhèid van het L.I.F.

499__

RECENTE PUBLIKATIES

V. Morgan: A
first
approach to economics.
Pitman,

Londen 1963, 470 blz., 22 sh.

R. C. Bernhard: Wettbewerb, Monopole und bffentliches

Interesse. Ihre Behandlung in der ökonomischen Theorie

sowie im anglo-amerikanischen und deutschen Recht.

Gustav Fischer Verlag, Stuttgart 1963,
155
blz.,

f. 18,55.

0. Morgenstern: Spieltheorie und Wirtschaftswissenschaft.

R. Oldenbourg, München/Wenen 1963, 200 blz., DM

13,80.

G. M. Meier: Leading issues in development economics.

Oxford University Press, New York 1964; 576 blz.,

49sh.

Een overzicht van literatuur van toonaangevende eco-

nomisten, uitvoerig aangevuld door commentaar van de

auteur.
M. Clawson: The role of natural resources in international

development.
John Hopkins Press, Baltimore 1964,

464
blz., 60 sh.

L. N. Lindberg: The political dynamics of European eco-

nomic integration.
Oxford University Press, OxfQrd

1964, 382 blz., 50 sh.

P. A. Samuelson: Stability and giowth in the American

economy
Munksgaard, Copenhagen 1963, 60 blz.,

Kr. 7,70.

A. T. Peacock and D. J. Robertson cd.: Public expenditure:

appraisal and control.
Oliver and Boyd, London 1963,

168 blz., 21 sh.

– H.
Liebhafsky:
The nature of price theory.
The Dorsey

Press, Homewood Illinois 1963, 562 blz., $ 10,65.
G. Reuss: Fiscal policy for growth without infiation. The

German experiment.
Uitg. John Hopkins Press, Balti-

more 1964, 334 blz., 60 sh.

J. G. Chapman: Real wages in Sôviet Russia since 1928.

Harvard University Press. Cambridge (Mass.) 1963,

395
blz., $ 12.

Infiation und Weltwöhrungsordnung.
Aufsijize
von J. Rueff,

W.
Röpke u.a. Rentsch, Erlenbach-Zürich/Stuttgart

1963, 231 blz., Fr.
11-115.

M. Morishima: Equilibrium, stability and growth. A. multi-

– sectoral analysis.
Clarendon Press, Londen 1964, 224
blz., 42 sh.
Deverzamelde essays zijn voornamelijk gewijd aan het

herformuleren en ontwikkelen van de theorie van het alge-
meen economisch evenwicht van Walras.

Dr. H. M. in ‘t Veid-Langeveld: Gezinssociologie en gezins-

beleid.
Erven J. Bijleveld, Utrecht 1963, 143 blz., f. 6,90

(paperback).

Deze publikatie in de serie ,,Sociologie en samenleving”

beoogt een bijdrage te leveren aan de toegepaste gezins-

sociologie door (A) vast te stellen wat de gezinssociologie

bezit aan direct toepasbare kennis: hoofdstuk 2 beschrijft

de voornaamste theorètische ontwikkeling en de praktische

betekenis daarvan. Deze laatste wordt in hoofdstuk 3 nog

verduidelijkt door middel van uitvoeriger voorbeelden –

(B)
na te gaan hoe het fonds van voor de praktijk bruik-

bare kennis aanzienlijk zou kunnen worden aangevuld:

in hoofdstuk 4 wordt een sociologisch-theoretische visie
ontwikkeld, die vruchtbaarder zal blijken voor de maat-

schappelijke toepassing, waarvan in hoofdstuk
5
voor-

beelden worden uitgewerkt.

Aspecten van het gezinsbeleid in Nederland en een meer

algemeen verbad tussen gezinssociologie en gezinsbeleid

komen in de laatste hoofdstukken aan de orde. Enkele

uitspraken van de schrijfster: ,,Ik houd het ervoor, dat het

huidige gezin minder de ontplooiing dan de stabilisering

van de persoonlijkheid van de volwassene bevordert”.

,,Speciaal het Hollandse gezinsleven is wel eens al te ,,knus”

en werkt dan eerder verstarrend dan stabiliserend”.

Dr. M. P. van Hecke: Subsidies als instrument van de eco-

nomische politiek.
H.E. Stenfert Kroese N.V., Leiden

1963, 230 blz., f. 20 geb.

De Belgische auteur beoogt een volledige theorie van

de subsidiepolitiek te formuleren, waarbij een beschrijving

van de Belgische praktijk als grondslag dient. Een zestal

hoofdstukken zijn gewijd aan techniek, gevolgen en doel-

matigheid van resp.- infiatiecontrole en vanbeschermende

produktiesubsidies. Andere hoofdstukken betreffen invoer-
subsidies; techniek, gevolgen en doelmatigheid van export-

subsidies en investerings- en consumptiesubsidies.

Hij komt tot een genuanceerde éonclusie: zowel de vol-

ledige verwerping als de volstrekte goedkeuring van een

subsidiepolitiek is onjuist. Theoretisch zijn er gunstige en
schadelijke toepassingen. De aanwijzingen van de theorie
kunnen in de praktijk echter niet altijd in acht worden ge-

nomen wegens onvoldoënde statistische voorlichting.

A. A. Wempe: Belastingrecht. Voor het examen M.B.A. en

S.P.D.
16e druk. J. Muusses N.V., Purmerend 1963,

266 blz., f.
9,50.

In deze druk zijn opgenomen de Algemene wet inzake

rijksbelastingen en de Wet op de loterijbelasting. De in de

overige hoofdstukken behandelde stof is – behoudens

noodzakelijke wijzigingen en aanvullingen – gelijk aan

die van de voorgaande druk.

Prof. Dr. J. F. Haccoû: De fusie als vorm van’ concentratie.

H.E. Stenfert Kroese N.V., Leiden 1963, 37 blz.,

f. 2,80.

Deze publikatie is de – ietwat aangevulde en gewijzigde

– tekst van een uiteenzetting voor dé op 16juni1963 ge-

houden besloten algemene ledenvergadering van het Ver

bond van Nederlandse Werkgevers. –

500,

E.-S.B. 3-6.1964

Drs.
A. R. van der Burg: De beste beslissing nemen. Toe-

passingen der besliskunde (operations research) in het

bedrijfsleven.
N. Samsom N.V., Alphen aan den Rijn

1963, 147 blz., f. 13,90.

Uit de’ inhoud: hoe groot moet de capaciteit per een-

heid zijn? – voorraad- en besteigrootte – bepalingen van

route en onderlinge ligging – onderhoud, revisie en ver-

nieuwing van machines – concurrentiepolitiek.

John Hackett, Anne-Marie Hackeit: Economic Planning in

France.
G. Allen and Unwin Ltd., Londen 1963, 418

blz., 40 sh.
Dat een Brits-Frans echtpaar een uitvoerig Engels boek

schrijft over het Franse systeem van’ planning is wellicht

symbolisch wat de Britse belangstelling voor dat systeem

betreft. (Mogelijk zullen zich in de toekomst nog meer –

post-Gaullistische – symbolische interpietaties openbaren).

J. Hackett (medewerker van de O.E.S.O. te Parijs) en zijn

vrouw (,,Conseiller Référendaire at the French Cour des

Comptes) waarderen het Franse systeem van planning als

,,the most advanced example of such a system in an indus-

trially developed economy whose’essential structures remain

capitalistic”. Hiermede is wel enigermate de instelling ge-
typeerd van de auteurs; het kritische element neemt in hun

boek slechts een bescheiden plaats in.

Zoals bekend heeft de Franse planning eveneens actuele

betekenis voor Nederland. Het Europese parlement aan-

vaardde onlangs een conceptie van de Europese Commissie

voor een economische politiek van de E.E.G. op middel-

lange termijn. De opzet is wel wat anders uitgevallen dan

die van de Franse. Opmerkelijk is evenwel dat de parle-

mentaire commissie het Franse concept steeds weer als een

goed, resp. waarschuwend voorbeeld aanhaalde. Last but

not least zij eraan herinnerd dat Minister Andriessen

heeft medegedeeld in Nederland ,,medium term
projec-tions”
te willen realiseren; weliswaar meer naar Zweeds

model, doch ongetwijfeld ook met elementen, die verwant

zijn aan die van de Franse
planning.

• In het besproken boek wordt, na een summier historisch

overzicht, uitvoerig het institutionele kader van het sys-
teem van planning behandeld. Achtereenvolgens komen

aan de orde (status, structuur, functies van) het ,,Commis-
sariat Général du Plan”; de adviserende organen; de over-

heidssector (departementen, genationaliseerde sectoren)

en de regionale planning en technische orga9en.

De wording van het Plan is het onderwerp van het tweede

deel. De verschillende stadia worden op de voet gevolgd,

met name van het vierde vierjarenplan (parlementair goed-

gekeurd in 1962)
.
. Een zeer interessant aspect vormt het

onderwerp van het derde deel, nI. hoe de autoriteiten

trachten de plandoelstellingen te realiseren. In het deel

,,Towards the fifth plan” worden essentiële lessen van het

verleden en eisen van de toekomst onder de loep genomen,

o.m. van de methodiek (al dan niet overgaan op een simul-

taan vergelij kin genstelsel); inkomenspolitiek, open eco-

nomie, de publieke opinie: voorstanders van een ,,éco-

nomie concertée” contra die van ,,laplanification démo-

cratique” (w.o. Mendes-France); de rol van de vakvereni-

gingen (een zwakke stee in het systeem).

In het laatste deel ,,General Conclusions” wordt het

Plan gewaardeerd als een ,,way of providing permanent

arrangements for a collective and systematic reflection on

the problems and prospects of the economy. with a view

to action”.

E.-S.B. 3-6-1964

Zojuist verscheen

Prof. dr. P. J. Verdoorn.

HET
COMMERCIEEL BELEID
– BIJ VERKOOP EN INKOOP

Meer dan de beslommeringen van alle dag zijn de grote
lijnen van de verkoop- en inkooppolitiek onderwerp van
dit boek.
Aangezien de lezer’slechts weinig gebaat is met een opsom-
ming van allerhand uiteenlopende oplossingen, heeft professor
Verdoorn de nadruk gelegd op de eigenlijke analyse van de
verkoop- en inkooppolitieke vraagstukken en het onder-
kennen van de omstandigheden, die bij het uitstippelen van
een doelmatige politiek in aanmerking moeten worden
genomen.

Ook de in ruime kring reeds toegepaste methoden der
,,operations research” komen aan de orde.
565 blz. – Bedrijfseconomische Monographieën XXXIX –
f. 48,—.

Bestel uw exemplaar bij

DE’WESTER BOEKHANDEL

Nieuwe Binnenweg 331

Rotterdam

D

B

Telefoon’ (010) 5 39 41 – 3 20 76.

Giro 18961.

Gespecialiseerd op economisch gebied!

A. A. J. Smulders: Pressiegroepen en inflatie in de Ver-

enigde Staten.
Zuid-Nederlandsche Drukkerij N.V.,

‘s-Hertogenbosch 1963, 315 blz., f. 10,50.
t
.

Na de laatste wereldoorlog was er, in de Verenigde

Staten noch voldoende werkgelegenheid, noch monetaire

stabiliteit. De auteur beoogt voor deze ,,inflationary

depression” een diagnose en therapie uit te werken. Een

nadere bezinning op het infiatiebegrip leidt o.m. tot de

conclusie dat het traditionele onderscheid tussen bestedings-

en beloningsinfiatie weinig zin heeft voor een causale ana-

lyse. Wel zijn deze concepties nuttig in situaties van resp.

een excessieve vraag (bestedingsinfiatie) en een depressieve

ituatie (beloningsinfiatie).

In een overzicht van de discussies en opvattingen over

de rol van de vakverenigingen worden twee denkrichtingen
onderscheiden, die resp. geen (of een geringe) en wel (o.m.

Schiesinger) een zelfstandige invloed ‘op lonen en prijzen

erkennen. In het hoofdstuk over de empirische betekenis

tussen pressiegroepen en inflatie stelt de auteur dat de visie
van Schiesinger een grote actuele betekenis heeft.

Alvorens enige instrumenten van economische politiek

tot verwezenlijking van monetaire stabiliteit aan te geven,

wordt nagegaan of er nog andere remmende factoren tegen

inflatie
zijn.
Als zodanigkomen in aanmerking geldillusie,

belastingprogressie, dalend uitvoervolume en daarmece

yan de werkgelegenheid als gevolg van binnenlandse prj-

stijgingen.

Na een hoofdstuk over de effectiviteit van de monetaire

politiek volgt dat met nadere beschouwingen over een drie-
tal maatregelen ter verbetering van de effectiviteit van deze

politiek. Tot slot komen achtereenvolgens de kartel-, loon-

eri prijspolitiek aan de orde.

Dr. L. J. Zimmerman: Geschiedenis van het economisch

denken..
Zesde ongewijzigde druk. Uitg. Albani,

‘s-Gravenhage 1963, 312 blz., f. 17 geb.
Het aantal handboeken over de geschiedenis van de eco-

nomische wetenschappen is niet zo groot. Tot de voor-

aanstaande werken .opdatgebiedbehoort dat van Dr.

501

-4
.

Zimmerman Vrij kort na de eerste druk (in 1947) kwam

deze zesde druk tot stand. De auteur streeft ernaar iedere

theorie uit een vroeger tijdvak onmiddellijk in verband te

brengen met de actuele problematiek der economische

wetenschap en daardoor tevens een inzicht in de tegen-
1

woordige stand van deze wetenschap te geven. Als zodanig

zou het een ,,Inleiding in de theoretische economie op his
)

1i
:Id
1Iiii;

-4.
torische grondslag” genoemd5kunnen worden.

Gekozen is voor de opzet van een weergave van_de
MAATSCHAPPIJ VAN
VERZEKERING N.V.

theorieën.
Er vordt weinig gesproken over economen en

hun leerstellingen; biografische gegevens worden niet ver-
SCHIEKADE 130,
ROTTERDAM

meld.



Gezocht wordt een

Dr. H. J. J. van Beinum: Een Organisatie in beweging.

Een sociaal-psychologisch veldexperiment bij de post-
STAFFUNCTIONARIS
cheque- en girodienst.
Met een nabeschouwing door
ADMINISTRATIEVE ORGANISATIE
G.
F. J.
A. Groen. Uitg. Stenfert Kroese N.V., Leiden

1963, 195 blz., f. 18,50.
die over’voldoende •nventieve

eigenschappen beschikt om in nauwe
Met behulp van de veldexperimentele methode toetst de
samenwerking met de
auteur een

aantal hypothesen betreffende leiderschap en
administrateur van de maatschappij

/

organisatie. Voorts beoogt hij de toepasbaarheid van de
zelfstandig problemen op het gebied

resultaten van het sociaal-psychologisch onderzoek van
van werkmethodeverbetering

de kleine groep binnen het grotere organisatieverband aan
en verdere mechanisering van de

te tonen. Daartoe vond een onderzoek plaats’bij de Post-
administratie ter hand te nemen.

cheque- en Girodienst te ‘s-Grayenhage, waar bij het uit-
Opleiding: Midde.bare schoolopleiding

voerend personeel een bijzonder sterke negatieve instelling
en akte M.O. Handelswetenschappen A

t.a.v. de arbeidssituatie (arbeidstempo, onvoldoende con-
of de akte M.O. boekhouden of

tact met chefs enz.) werd geregistreerd.

Zich sterk aan-
het S.P.D. deel 1 en II, dan wel het daarmede gelijkwaardig te âchten
sluitend bij de systeemtheorieën en de resultaten van de
gedeelte der accountantsstudie.
groepsdynamica wil de auteur zowel de klassieke orga-

nisatietheorieën (waarin de factor mens wordt ontkend) als Ook zij, die reeds vergevorderd zijn

een te zware nadruk op de ,,human relations”-visie ver-
met een der hierboven bedoelde
opleidingen kunnen in aanmerking komen.

mijden. Het boek richt zich tot wetenschapsbeoefenaren

en tot hen die in de beleidssfeer werkzaam zijn.
Leeftijd t/m 30 jaar.


S
,
Sollicitatiebrieven met volledige
inlichtingen omtrent personaia

opleiding en ervaring te richten
aan het Hoofd Personeelszaken
van de Eerste Rotterdamsche,
Geldmarkt.
Postbus 298 Rotterdam,

‘In de jongste weekstaten van De Nederlandsche Bank

komt een merkwaardige ontwikkeling naar voren. De goud-

en deviezenreserve van de Centrale Bank toonde na de

eerste weken van het jaar tot 4 mei een vrij geregelde

daling. In de laatste tijd echter is de reserve toegenomen

en wel met f. 100 mln. Het is niet erg waarschijnlijk dat

de betalingsbalanssituatie plotseling is omgeslagen, zodat
Kapitaalmarkt.

men wel tot de conclusie moet komen, dat de banken op
De scherp op de marktverhoudingen afgestemde tweede

vrij ruime schaal haar buitenlandse uitzettingen repatriëren
lening 1964 van de Bank voor Nederlandsche Gemeenten,

en wel met een hoger bedrag dan nodig om het vraag-
die aanvankelijk bij

de geldnemers een zekere terug-

excedent van de cliënten naar valuta te bevredigen, waar-
houdendheid had ontmoet, heeft toch succes gehad. •Bij

door zij in staat zijn het genoemde bedrag naar De Neder-
de toewijzing zal een reductie moeten worden toegepast.

landsche Bank door te verkopen.
De aanvankelijke aarzeling heeft waarschijnlijk

erband

Opvallend is verder, dat de Staat zijn tegoed bij de
gehouden met de weifeling ten aanzien van de ontwikkeling
circulatiebank laat teruglopen, hetgeen uiteraard een markt-
van de rentestand. Het tekort op de betalingsbalans is

verruimend effect heeft. In de
25
mei eindigende periode
tevens een weerspiegeling van een storing in de verhoudin-
ging het zelfs om f. 253 mln., hetgeen men in verband heeft
gen op de kapitaalmarkt, hetgeen tot rentestijging moet
gebracht met de uitbetaling van de vakantietoeslag aan
leiden. Een zekere verhoging heeft zich inderdaad voor-
ambtenaren en zekere periodieke uitkeringen aan de ge-
gedaan, maar deze heeft plaats gehad in de laatste maanden

meenten, o.a. in verband met onderwijs.

.,

van vorig jaar, toen de betalingsbalans nog een overschot
Het saldo der banken bij de Centrale Bank was 25 mei,
vertoonde. Toekomstverwachtingen hebben destijds waar-

niettegenstaande de bankpapieromloop reeds stijgende is,
schijnlijk een rol gespeeld.

ruim. In de afgelopen week heeft de uitzetting der circulatie
In de eerste vier maanden van het lopende jaar bleef de
zich versneld, zodat op een daling van de geldmarktrente
rente zich op het in het begin van het jaar bereikte peil

geen kans bestond.
handhaven. Het is mogelijk, dat het liquiditeitsverkrappende

502

E.-S.B. 3-6-1964

S,

Alkmaar
Amsterdam
Arnhem
‘s-Gravenhage
Groningen
Helmond
Hengelo Rotterdam
Tilburg
Utrecht

Brussel
Paramaribo

VEREENIGDE ACCOUNTANTSKANTOREN

effect van het betalingsbalarstekort door infiatoirefinan-

ciering zowel van de centrale als de lagere overheid werd

verdoezeld. Doch met name bij het Rijk moet men met een

krachtige seizoenbeweging rekening houden. Eens komt de

conjuncturele waarheid aan het licht.

In de laatste weken is er een lichte rentestijging te con-

stateren. Op.de publieke markt kwam de reïte voor staats-

leningen met een gemiddelde looptijd langer dan tien jaar
van 4,85 pCt. op 4,92 pCt. Ook op’de ondershandse en de
hypothekenmarkt bestaat een lichte op,vaartse beweging.

Het grote sucçes bij de uitgifte van participatiebewijzen

Vastgoédbeleggingsfonds Nederland, waar een aanzienlijke

reductie bij de toewijzing moest worden toegepast, heeft

maar zijdelings met de rente te maken. De voortdurende

hausse op de markt voor onroerend goed is hier de hoofd-

factor.

Na de daling van het spaartegoed bij de. Rijkspost-

spaarbank hebben de boerenleenbanken in april nu ook

een nadelig spaarverschil, ni. vân f. 7 mln., moeten boeken.

Seizoenfactoren spelen hier een belangrijke rol.

lndexcijfers aandelen

30 dec.

H. & L.

22 mei

29 mei


(1953 = 100)

1963

1964

1964

1964
Algemeen
……………….
392

419-394

417

414
Intern. concerns
…………..
548

598 —553

593

589
Industrie

………………
341

356 – 340

352

352
Scheepvaart
…………….
153

161 – 147

150

146
Banken
…………………
232

249 – 232

239

236
Handel enz
……………..
165

174— 164

173

175

Bron:
A.N.P.-C.B.S., Prijscourant.

Aadelenkoersen
30 dec.
1963
22 mei
1964
29 mei
1964
Kon. Petroleum

………….
f.
147,50a)
f.
161,40
f. 158,20
PhilipsG.B.

…………..
. .
f. 148,30
f.
154,20
f. 153,70 Unilever

………………
r

f. 138,90
f.
147,30
f. 145,60 CxpI. Mij. Scheveningen
…….
398
348,
350
A.K.0
………………….
526
509
5034
Hoogovens, n.r.c.

………..
5644 642
645
Kon. Zout-Ketjen, n.r.c.

…..
775
880
881
Nationale-Nederlanden, c
870 899
910
Zwanenberg-Organon

……..
900 995
980

-‘
Robeco
…………………
f.227
f.231
f.229

New York.

Dow Jones Industrials
……..
760
821

Rentestand.

Langi. staaesobl. b)

………
4,71
4.88 4,92
Aand.: internationalen b)
……
3,l5c)
.
3,37
lokalen b)

………..
3,66 c)
.
3,38
Disconto driemaands schatkist-
papier

………………..
2j
2
7
/
8
.3

Gecorrigeerd in verband met
bonus.


Bron:
veertiendaags Beursoverzicht Amsterdamsche Bank.
19 december 1963.
C. D. JONGMAN.
AI.DVERTEEIC I1IEER

7jT

/

Efficiency

bespoedigt

Uw contacten
met gegadigden

*

‘ndien

Uw telefoonnummer

– in Uw annonce

moet worden

opgenomen,

vermeld dan

tevens het

NETNUMMER

Voor ons kantoor te Hengelo (0.) zoeken wij een

ACCOUNTANT

lid N.I.v.A. of V.A.G.A.

Gedacht wordt aaeen jonge accountant, die verdere

ervaring wenst op te doen in de algemene praktijk.

Voor gegadigden die speciale belangstelling hebben

voor de adviespraktijk bestaat – na gebleken aanleg

en geschiktheid – de mogelijkheid tot verdere specia-

lisatie.

Brieven met volledige inlichtingen te richten aan het

kantooradres Deldenerstraat 61, Hengelo (0.).

E.-S.B. 3-6-1964

4

503

S

P-1
11

A18O7

Het

NEDERLANDS

KATOENINSTITUUT

vraagt, wegens promotie van de huidige mede-

werker, voor indiensttreding op korte termijn een

MARKTONDERZOEKER

Deze functionaris zou geheel zelfstandig markt-

analytische studies op het gebied van het katoen-

verbruik in Nederland moeten kunnen verrichten.

Gedacht wordt aan een jonge econoom (25 tot 30

jaar) die over de volgende kwaliteiten beschikt:


gevoel voor cijfers


goed kunnen rapporteren


gemakkelijk en representatief optreden


bij voorkeur reeds enige praktische ervaring

Met de hand (niet met bailpoint) geschreven

sollicitaties vôér 25 juni a.s. te richten aan de

directie van het Nederlands Katoeninstituut,

Zijpendaalseweg 12, Arnhem.

SOCI ETEIT
KERINGEN
N
.
V.

meer dan

anderhalve eeuw

levensverzekering

HOOFDKANTOOR
Herengracht 475, Tel. (020) 221322,
AMSTERDAM C

HEAD OFFICE FOR CANADA
Holland Life Building
1130 Bay Street, Tel. WA 5-4511.TORONTO.

/

ADVIESBUREAUVOOR BEDRIJFSORGANISATIE AVB

te Utrecht
vraagt een

eede

die na een inwerkeriode in staatis om in teamverband middel-

grote bedrijven van uiteenlopende aard te adviseren op het gebied

van de organisatiestructuur en planning.
De gedachten gaan uit naar een functionaris van ca 35 jaar meteen

grote belangstelling voor en ervaring in het oplossen van bedrijfs-

organisatorische problemen met betrekking tot de planning in

ruime zin. Deze ervaring, welke beslist is vereist, dient bij voorkeur

verworven te zijn op de organisatie-afdeling of het bedrijfsbureau

van een grote onderneming.

Ten aanzien van de opleiding wordt in eerste instantie gedacht aan

een H.T.S.-er of academicus (b.v. bedrijfseconoom). Ook voor hen

die in het bezit zijn van het S.P.D. zijn passende mogelijkheden

op’ ons kntoor, als naast deze opleiding gewezen kan worden op
een ruime ervaring.

Eigenhandig geschreven
brieven

Psychologisch Adviesbureau

met uitvoerige
gegevens worden

L. Deen en Dr.j. G. H. Bokslag

onder
nummer 85 ingewacht bij

Nwe Binnenweg 474, R’dam.

Telkens en telkens blijkt ons weer
hoezeer de nee steeds snel groeiende
lezerskring van onze uitgave


8
1
4
~=
4
_d

deze wegwijzer, speciaal voor de parti-
culiere belegger, wat inhoud, açtualiteit
en obiectiviteit betreft waardeert.

Dit heeft vele redenen: het bevat
wekelijks:

le Interessante (hoofd)arrikelen, die
steeds actuele onderwerpen des-
kundig behandelen.

le Een uitvoerig en levendig, bijna
dynamisch geschreven beursover-
zicht, de stemming goed weer-
gevend.

3e Door een ieder te hanteren fonds-analyses, volgens een eigen prak-
tisch systeem, enig voor Nederland.

4e Een chronique scandaleuse, fair en
onderhoudend geschreven en uiter-
aard zonder sensatie.

5e Een leerzame vragenrubriek, ad-
viezen voor velen inhoudend.

6e Gegevens omtrent vele fondsen
(ook van incourante) telkens
wanneer hieromtrent iecs te mel-
den valt.

Wii zenden u op uw verzoek gaarne
gratis een 2-tal proefnummers ter
kennismaking.

Am. Bel-Bel, Pencbus 42, Sthiedam.

504

E.-S.B.
3-6-1964

t

-•’..

T’14IJ

/7

IU

U vindt puzzelen een prettige ontspanning. Maar dat vindt u waarschijnlijk niet,
wanneer u zich moet bezig houden met puzzles op verzekerings. of administratief
gebied.

CENTRAAL BEHEER en de bij haar aangesloten onderlinge ondernemersorganisa.
ties lossen deze problemén voor u op.

CENTRAAL BEHEER, instelling voor het bedrijfsleven, geeft u voorlichting en sluit
voor u op aantrekkelijke voorwaarden pensioen-, invaliditeits-, brand-, w.a.•, motor.
rijtuig
,
en andere verzekeringen.

CENTRAAL BEHEER voert met behulp van elektronische apparatuur uw loon•,
salaris
,
en andere administraties uit.

CENTRAAL BEHEER

BOS ÈN LOMMERPLANTSOEN 1 AMSTERDAM.W. TEL. 134971. POSTBUS 8400

WET.RISICO
bedrijfs.w.a.-verzekering, motorrijtuigverzekering,
ongevallenverzekering voor inzittenden van auto.
mobielen, collectieve invaliditeitsverzekering.

BRAND.RISICO


brand- en bedrijfsschadeverzekering van industriële en andere objekten.

MOLEST-RISICO
verzekering tegen oorlogscchade stormschade en
andere risico’s.

VERVOER-RISICO
transportverzekering van goederenzendingen in
binnen- en buitenland.

PENSIOEN-RISICO
collectieve ouderdoms-, weduwen., wezen- en inva-
liditeitsverzekering.

VERENIGING VOOR CENTRALE ELEKTRONISCHE
ADMINISTRATIE

C.E.A.
loon-, voorraad-, debiteuren-administratie, facturering
enz. met behulp van elektronische apparatuur.

E.-S.B. 3-6-1964

505

,1

(

(

fleclen hetben het karakter van onderzoeken, vooriDercidlen,

adviseren, uitvoeren en bewaken t.a.v. aspecten van alge-

mene, bedrjfseconomisch/administratieve, fiscale en juridi-

sche aard.

De gedachten gaan uit naar de bedrijfseconoom, die tevens

door verderegerichte studie en/of ervaring over een goed

administratief inzicht beschikt en in het algemeen de analyse

en interpretatie van cijfermateriaal beheerst. Een zô groot

mogelijke gevariecrdheid van ervaringen, bijv. opgedaan in

een dergelijke functie bij een grotere onderneming of orga-

nisatie,

wordt

op

prijs gesteld. Het critisch-analytisch

èn

creatief vermogen moet goed zijn. 1

let niveau van de functie

vraagt een goede background, een gemakkelijke manier van

optreden

en

een

behoorlijke

kennis

der

moderne

talen.

Leeftijd 30-40 jaar.

Geboden wordt, afgezien van een goede salariering, een zeer

interessante, perspectiefvolle functie.

Belangstellenden gelieven zich, hij voorkeur schdijk, te

wenden tot de heer S. van de Kift, Leidsestraat 74, Arnster

dam.

Tel.: 020-62953165316. Yolledige discretie wordt

gegarandeerd. Geen inlichtingen worden ingewonnen en geen

contact met opdrachtgevers gelegd dan na overleg met de

candidaat.

“L.

VOOR REC

LAME ,

– .

kan men te veel

De meeste.mislukkingen

en ook te weinig uitgeven

zijn vaak het gevolg van het LAATSTE’

,506

E.-SB. 3-6-1964

Auteur