Ga direct naar de content

Jrg. 47, editie 2366

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 5 1962

sVERZEIcER,

tflAi.J

4.tIVCNSVlRZ(KERIN61.

.
8
ANKSCI
.0

.

S

S

R. MEES & ZOONEN

Bankiers en assurantiemakelaars

ROTTERDAM

Execute!e
en bewindvoering.

Beheer

en administratie

van

.

vermogens

WIJNEN UIT ALLE

BINNEN. EN BUiTENLANDS
WIJ NPRODUCERENDE LANDEN

GEDISTILLEERD

Uw buitenlandse
ACCIJNSVRiJE LEVERANTIES
relaties
of
voor Uw
VAN SPIRITUALIËN UIT
privé-.
of
zakenreizen
ONS ENTREPOT VOOR:
naar het buitenland

Wijnhandel GALL
&
GALL

Stadhuisplein 25 (naast Corso) Tel.
11
39 54.
ROTTERDAM

Met Wijnhandel GALL & GALL

bent U thuis beter uit

Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Bij de afdeling Research van de Directie voor de Arbeids-
voorziening te ‘s-Gravenhage vaceert de functie van:

hoef dambtenaar
voor de
werkgelegenheid

Vereist: doctoraal examen economie
belangstelling voor macro-economische vraag-
stukken.
Taak: het verrichten van periodieke onderzoekingen
naar oorzaken en achtergronden van de ontwik-
keling van de werkgelegenheid in de verschillen-
de sectoren, alsmede in het opstellen van prog-
noses op dit gebied.
Hij is tevens belast met de organisatie en de co-
ordinatie van de werkzaamheden van de arbeids-
bureaus voor zover deze ingeschakeld zijn bij
het verkrijgen van de statistische gegevens ten
behoeve van het werkgelegenheidsonderzoek.

Salaris van
f
933,— tot
f
‘1216,— p.m., cxci. huurcomp. en vakantietoeslag.

Schr. soil. onder no. 2-2341/7188 (in linkerbovenhoek env.
en brief) aan het bureau Personeelsvoorziening van de
Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.

E C 0 N 0 MI S C H-
STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van de
Stichting Het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.
Telefoon redactie: (010) 5 29 39. Administratie: (010)
3.80 40. Giro 8408.
Privé-adres redacteur-secretaris:
Drs. A. de Wit, Sleedoorn-laan 17, Rotterdam-12, tel. (010) 18 36 32.
Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam, Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwj/naardse Steen-
weg 347, Cent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.
Abonnementsprjs:
Jranco per post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeeposi)
f
29,—, overige landen

f.
31,— per jaar (België en Luxemburg B.fr. 400). Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Losse exemplaren van dit nummer 75 ct.

Advertenties:
Alle correspondentie
betreffende
advertenties
te richten aan de N. V. Koninklijke Nederl. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam, tel. (010)
6 93 00, toestel 1
of
3.
Advertentie-tarief
f.
0,36 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

1.
0,72 permm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

r
cOMMIIEIE
VAN REDACrIE: Ch.
Glasz;
L.
M.
Koyck;
H.W.
Lambere

J. Tinbergen. Redactenr-Sacretari3: A. de Wit.
Adinnct Redacteur.Secretaiis: M. Hert.,
1
COMMISSIE VAN ADVIES VOÖR BFLGIE: F. Collin; J. E. Mertene
de Wilmare; J. van Tiehelen; El. Vendeputte; A. J. Vlerick.

1162

.

E.-S.B. 5-12-1962

-.
,

;
.
!t
•-
.

$


.

..
…-
.


1

-t


.t

‘-t

t

S

1

Overzicht van de uitgaven en ontvangsten op de Rijksbegroting

(itt
f. mln.) a)

.195811961 a)
1962
1963

Uitg.
1
Midd. Uitg. 1Midd.
Uitg. lMidd

2.964
112
3.651
128
3.931
190
R
onsumpt
2.

ente, bijdragen in verlie-
zen, aandeel in winsten

. .
598
320
659 329 679
352
Prijsverlagende subsidies en

1.

C

………….

kostprijsverh. belastingen
.
445
3.791
288
4.649
229
4.947
Inkomensoverdrachten

..
3.939 5.196 5.087 6.238
5.373
6.362
Investeringen/desinvest.

..
531
232
728 279 779
311
vermogensoverdrachten

.
927
204
1.1
,
17
216
993
251

Tussensaldo van 1 t/m 6
451
1

309
1
412

Kredietverleningen en deel-
nemingen/liquidatie
854
204
1.004 78 927
67
daarvan

……………
Staatsschuld, ont- en aan-
muntingen
……………
569
37
581
18
562
31

Saldo van 1 t/m 8

. . . .
7311
1

1.1801
979 b)

1
10
.
827
1
10
.
827
1
13
.1

15
1
13
.
115
1
13
.
491
1
13
.
491

a) Gem. b) Dit saldo is f. 40 mln. hoger dan het begrotingstekort daar onder
de uitgaven ook betalingen met onbestede gelden van voorgaande dienst-
jaren zijn opgenomen.
Bron:
Bijlage 2 van de Miljoenennota 1962, blz. 13.

Het begrotingstekort

– Na de aanbieding van de miljoenennota door de Minister

van Financiën a.i. op de derde dinsdag in september werd

in grote opmaak in de dagbladen aan het Nederlandse

volk bekend gemaakt dat de Rijksbegroting voor 1963 een

tekort van f. 940 mln, vertoont. De Staat zal dus geld

moeten lenen om zijn uitgaven te kunnen dekken. Deze

wijze van presentatie leidt voor velen tot de conclusie dat

er iets mis is met de staatshuishouding.
Bij
de niet des-

kundige burger wordt aldus de indruk van een minder

gunstige positie van het Rijk gewekt.

Hoe staat het nu met het onderhavige begrotingstekort

van het Rijk? Ter beantwoording van deze vraag zullen wij

onze aandacht richten op de –

uitgaven van het Rijk zoals
t’

deze worden vermeld in de

cijferopstelling van bijlage 2

van de Miljoenennota 1963.

Hierin worden de uitgaven

en middelen van het Rijk

in een 8-tal tabellen volgens

economische criteria, met aan

het slot een recapitulatie,

ingedeeld. Deze samenvatting

geeft ons een mogelijkheid

om het zgn. begrotingstekort,

in de tabel saldo genoemd,

aan een nadere analyse te

onderwerpen, waarbij speciaal

op het karakter van de uit-

gaven gelet zal worden.

De acht categorieën, waar-

in de uitgaven zijn verdeeld,

kunnen we in twee groepen

splitsen:

categorieën, die het ver-

mogen van het Rijk verkleinen,

categorieën, die dit ver-

mogen niet verkleinen.

De uitgaven van de categorieën 1, 2, 3, 4 en 6 (zie de

tabel) zijn zonder meer in groep a onder te brengen. Het

is immers duidelijk dat ze het vermogen verkleinen. Bij de

uitgaven van categorie S (investeringen) staat tegenover

een vermindering van de kas een vergroting van de waarde

van het kapitaalgoederenbezit met eenzelfde bedrag. Echter

het grootste deel van deze uitgaven geschiedt voor weg-
en waterbouwkundie werken enz. (f. 646 mln. in 1963).

Het is duidelijk dat deze kapitaalgoederen
moeilijk
of niet

in geld kunnen worden omgezet. Dus hoewel deze kapitaal-

goederen blijvende waarde hebben en in de staatsbalans

opgenomen worden, rekenen wij, daar de commerciële

waarde ‘gering is, deze uitgaven voor onze analyse toch

tot groep a.

De categorieën 7 en 8 worden gerekend tot groep b;

immers tegenover de vermindering van de kas staat een

equivalente vergroting yan vorderingen
(bij
krediet-

ver1ening) of bezit (bij deelneming) resp. vermindering

van schuld (bij aflossing).
De saldi van groep a geven steeds een overschot te zien,

resp. van f. 451, f. 309 en f. 412 mln. (zie tussensaldo van

1 t/m 6 in de tabel). Hieruit blijkt, dat steeds van een over-

schot kan worden gesproken wanneer de kredietverlening

en staatsschuldaffaires buiten beschouwing worden gelaten.

Dit betekent dat het vermogen van het Rijk in deze jaren
is tôegenomen en dit, ondanks een begrotingstekort, ook

in 1963 zal gaan doen. Het in deze jaren optredende na-

delige saldo van 1 t/m 8, resp. van f. 731, f. 1.180 en f. 979

mln., wordt dus duidelijk veroorzaakt door de categorieën

‘7en8.

Is het geoorloofd de kre-

dietverlening en staatsschuld-

affaires buiten’ beschouwing

te laten? Inderdaad, mits de

kredietverleningen een grote

mate van zekerheid in zich

bergen. Het grootste deel

van de kredietverlening heeft

betrekking op de woning-

bouwvoorchotten en er zul-

len weinigen zijn die dit een

gevaarlijk krediet zullen vin-

den. Uitgaven van de cate-

gorie staatsschuld betekenen

aflossingen van de schuld van

de Staat, hetgeen uiteraard

geen invloed heeft op het

totale vermogen van de

Staat.

Keren we terug tot het be-

grotingstekort van f. 940 mln.

in 1963, dan kunnen we stel-

len dat dit geen
werkelijk
te-

kort is. Dit ,,tekort” hangt

nl. samen .met het aflossen

door het Rijk van ca. f. 480 mln, op de binnenlandse

gevestigde staatsschuld en van ca. f. 70 mln, op de buiten-

landse. Daarnaast zal aan de gemeenten een netto bedrag

van ca. f. 720 mln, als woningbouwvoorschotten worden

verleend.

De financiering van het tekort zal ook geen moeilijk-

heden behoeven te geven daar uit de voorinschrijfrekening

ca. f. 600 mln, zal kunnen worden vrijgemaakt. Daarnaast

zal de aflossing van f. 480 mln, op de staatsschuld de no-

dige ruimte op de kapitaalmarkt verschaffen om via een
nieuwe staatslening het restant van het tekort te dekken.

De conclusie mag dan ook zijn dat onze staatshuis-

houding een gezonde indruk wekt
1),

‘s-Gravenzande.

H.
PRAKTIEK.

1)
In dit artikel is de conjuncturele doelmatigheid van het
beleid buiten beschouwing gelaten.

Blz.
Blz.

Het begrotingstekort, door Drs. H. Praktiek

1165
door Drs. J. J. G. Jonker met een naschrift

Waarheen met onze sociale verzekering?,
door
van W. B. M. van Apeldoorn ……………
1175

Prof Dr. F. Hartog

…………………..
1166

Boekbesprekingen:
Herzienmg van de rechtsvorm der onderneming?

Dr. K. A. M. Bogaert: Conversietechniek bij
(II)

door M. Ruppert

…………………
1169
converteerbare obligaties,
door A. H. M.
Het

compromis

inzake

reclametelevisie,

door
van

der

Donk

………………………
1176
D

P.

r.

.

ros

…………………………….
1171
Dr. L. Lips: Wiskunde voor economen,
door
Voorbeeld van een premiespaarregelmg,
door
Prof. Dr. L. H. Kiaassen ………………
7
Drs. C.P.dHaans

……………………
1173

In

e zonde n stuk:
Geld- en kapitaalmarkt, door Dr. C. D. Jongman.
1178

Koelkastenactie van levensmiddelenbedrjven,
Recente publikaties

……………………..
1179

E.-S.B. 5-12-1962

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

1165

/

In dit artikel wordt een oleidooi gevoerd voor

bepaalde
wijzigingen in het stelsel der
sociale ver-

zekering
in Nederland, met het oog op de steeds

stijgende premielast bij uitbreiding van de bestaan-

de voorzieningen en de onbillijke en onzuivere

w’erking van p’remieheffiiig naar het inkomen bij

uitkeringen die los staan van het inkomen. Als


mogelijkheden van vermindering van bepaalde

voorzieningen worden vermeld enkele reeds door

de Minister van Sociale Zaken in
twijfel gestelde

verstrekkingen door de ziekenfondsen, alsmede de

kinderbijslag voor het eerste en tweede kind. Als

stelsel
vai
premieheffing bij gelijke verstrekkingen

wordt voorgesteld één van gelijke bedragen,
los

van het inkomen.

Waarheen

met onze

sociale verzekering?

Inleiding.

Op het gebied van de Nederlandse verdelingspolitiek

vindt thans een herbezinning over de grondslagen plaats.

Deze herbezinning wordt door uiteenlopende factoren ver-

oorzaakt. Bij de loonpolitiek is de overgang op een nieuv

stelsel de’ gerede aanleiding. Bij de sociale verzekering is

het vooral de adviesaanvrtag van de Minister van Sociale
:

Zaken en Volksgezondheid aan de S.-E.R., over het tot

stand brengen van een volksverzekering tegen zware ge-

neeskundige risico’s en de eventuele uitbreiding van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering tot een volksverze-

kering. Het aan de orde stellen van deze mogelijkheden

heeft velen bewust gemaakt van twee ontwikkelingen in

ons stelsel van sociale verzekeringen die zich in de laatste

tijd Vrij snel hebben voltrokken: het veldwinnen van de

volksverzekering en de stijging van de totale premie. Al

derde gebied van ‘erdelingspolitiek is erhet fiscale beleid.

Op dit punt is een zekere herziening van het belasting-

systeem in voorbereiding, doch als ik het goed zie wordt

deze bescheiden en in hoofdzaak slechts technische om-

bouw thans ver overschaduwd door de steeds duidelijker
blijkende noodzaak, ons belastingsysteem en de tarieven

in sterke mate aan te passen aan de eisen van de E.E.G.

In de sfeer yan de verdelingspolitiek is met name de druk

van de loon- en inkomstenbelasting in Nederland relatief

hoog,en het is zeer de vraag of dit zo kan blijven in ver

band met de toenemende vrijheid van kapitaalverkeer en

migratie.

Wij zouden geen goede Nederlanders zijn als wij deze

gelegenheden met aangrepen om ons grondig te verdiepen
in de uitgangspunten van het verdelïngsbeleid. Wat betfeft

de loonvorming is dit uitvoerig gebeurd, met name in dit


tijdschrift. Ook de sociale verzekeringen en de belastingen

worden druk besproken. Echter zijn de uitingen van eco-

nomen onder deze stemmen ver in de minderheid. Zij

schijnen de desbetreffende gebieden in hoofdzaak over te

laten aan de specifieke deskundigen en geïnteresseerden.

Daardoor komen economische overwegingen nogal eens in

de verdrukking. –

1166

Nu heb ik zelf ook een zekere schroom moeten over-

Winnen’ om toch als econoom aan deze discussie deel te

nemen. Men ‘weet als buitenstaander niet of althans niet

nauwkeurig hoe de kaarten liggen op het gebied van de

tactische verhoudingen en men kan maar zeer ten dele de –

administratieve kant van de zaak overzien. ‘Anderzijds

biedt een zekere afstand van de bestaande controversen

misschien de mogelijkheid om op enkele punten de dingen

wat meer onbevooroordeeld te stellen, met minder ge-

bondenheid aan het bëstaande.

Daarom zal in twee artikelen worden getracht, enkéle

nieuwe gezichtspunten te openen inzake sociale verzeke-
ringen en het belastingsysteem. De sociale verzekeringen

komen thans aan de orde, terwijl in een volgend nummer

van dit tijdschrift een beschouwing aan de direçte be-

lastingen zal worden gewijd onder de titel ,,Waarheen met

onze directe belastingen”?

Kan er nooit iets
nf?

De voortgaande uitbreiding van de sociale verzekering

is een ontwikkeling die enerzijds moet worden toegejuicht,

omdat er nog steeds risico’s zijn die moeilijk te dragen en

moeilijk particulier te verzekeren zijn. Anderzijds wekt de

stijgende premielast steeds meer weerstand, ook bij velen

van degenen wier bestaan er zekerder door wordt. Dit

laatste kan worden, tegengegaan door behalve aan uit-

breiding ook voortdurend te denken aan inkrimping, na-

melijk voor die voorzieningen welke langzamerhand als

collectieve regelingen overbodig zijn geworden. Het is im-

mers zo dat, naarmate de gemiddelde welvaart en vooral

de welvaart van de laagste inkomenstrekkers stijgt, steeds

meer risico’s door de subjecten zelf gedragen kunnen wor-
den. Waar, een reële keuzemogelijkheid bestaat dunkt mij

dat altijd het laatste geprefereerd moet worden, omdat de

persoonlijke verantwoordelijkheid dan tot haar recht kan

komen.

In dit verband is het van groot belang, dat de Minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid in zijn vermelde

E.-S.B. 5-12-1962

adviesaanvraag zinspeelt op de rnôgéhjkheid, lichte risico’s

uit de. verplichte ziekenfondsverzekering te lichten om

ruimte te maken voor verzekering tegen langdurige ziekten

en gebreken. Naar mijn mening behoort dit laatste beslist

onder de verplichte verzekering thuis. Deze risico’s kan

vrijwel niemand particulier dragen. Daarentegen zijn de

lichte risico’s (genoemd worden o.a. huisartsenhulp, farma-

ceutische hulp, taridheelkundige hulp, hulp vân de vroed-

viouw en ziekenvervoer) door de welvaartsstijging lang-

zamerhand draagbaar geworden ook voor de laagste in-

komenstrekkers. Als ik nog aarzel, is het met betrekking

tot de tandheelkundige hulp. Vcior de andere genoemde

voorbeelden verdient het mi. ernstige overweging, ze terug

te voeren naar de particuliere sfeer. Dit voorkomt ook

verspilling in de vorm van overvolle fonds-spreekuren en
niet afgehaalde of niet gebruikte geneesmiddelen.
Er zit nég een uitbreiding van de sociale verzekering in

de lucht. De uitkeringen van de A.O.W.
zijn
nog belangrijk

te laag om volledig aan hun doel (vrijwaring voor gebrek

op de oude dag) te beantwoorden. Bovendien gaat de

premie geleidelijk omhoog als gevolg van de relatieve toe-

neming van het aantal bejaarden. Ook hier kan er aan

het andere einde wel iets af, namelijk van de kinderbijslag.’

Deze past eigenlijk niet in ons systeem van sociale verze-

kering, dat gericht is op het grotendeels wegnemen van de

financiële gevolgefi van belangrijke inkomensdervingen die

buiten de schuld van het subject ontstaan. Men moet de

STICHTING HET NEDERLANDSCH

ECONOMISCH INSTITUUT

opgericht 1929

Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6, tel. (010) 5 65 20

(?b

Het Nederlandsch Economisch Instituut verricht
á
.
research met het doel te komen tot in de praktijk uit-

voerbare oplossingen voor vraagstukken op het gebied

van

Europese integratie

ruimtelijke ordening nîzet en prijs

lnvesteringsphinnlng vestigingsplaats

verkeer en vervoer
rentabiliteit en kostprijs

gemeentefinanciën

structuur van bemlrj îstakken ontwikkelingsprojecten
conjmuictuur

industrialisatio
loomi- en salarisbeleid

arbeidsmnarktverhoudingon
ofîiciency

consiunptlegewoonten

Deze en soortgelijke onderzoekingen worden ver-

richt door een pmvangrijke en ervaren wetenschap-

pelijke staf welke, waar gewenst, samenwerkt met

specialisten uit andere vakgebieden.
Opdrachten worden aanvaard van het bedrijfsleven,

de overheid en instellingen, zowel in binnen- als

buitenland.

E.-S.B. 5-12-1962

kinderbijslag dan ook niët zo zeer zien als eensociale ver-
zekering in deze zin, doch als een zekere herverdeling om

gedeeltelijk tegemoet te komen aan behoefteverschillen.

Nu is het in ons land een algemeen verbreide opvatting;

dat het loon voor volwassen mannelijke arbeiders voldoende

nioet zijn voor het onderhouden van een gezin van ge-

middelde samenstelling (d.i. man, vrouw en twee kinderen).

Hiermee is in strijd het bestaan van de kinderbijslag voor

het eerste ên tweede kind
bij
de regeling voor arbeiders.

Deze voorziening is kort na de oorlog tot stand gekomen

als tijdelijke tegemoetkoming. De bedoeling was, haar weer

in te trekken
bij
een voldoende stijging van het loonpeil, –

zodat dit zijn functie als gezinsloon weer zou kunnen ver

vullen. Zou há nu geen tijd worden om te constateren

dat deze toestand inmiddels is bereikt en dat daarom de

kinderbijslag voor het eerste en tweede kind kan vervallen?

Daarvoor zal wel een zekere compensatie nodig
zijn
in de

sfeer van de lonen, die enige ruimte absorbeert en dus in

de plaats komt van andere mogelijke verbeteringen van de

arbeidsvoorwaarden. Maar dan zijn we er ook van af en

kan althans voor de arbeiders de wenselijke verhoging van

de A.O.W. worden bereikt zonder noemenswaardige ver-

hoging van de totale op het loon drukkende premie.

Natudrlijk is de hier bepleite beperking van de kinder-

bijslag tot de oôrspronkelijke doelstelling ook om zichzelfs

wil van belang. Als een bepaalde voorziening niet dringend –

meer nodig is moet de wenselijkheid tot verlaging van de
totale piemielast het zwaarst wegen. Een belangrijke ver-

hoging van de A.O.W.-uitkeringen is echter een geschikte

aanleiding om de wet van de traagheid
bij
het afchaffen

van overbodig geworden regelingen te doorbreken.

Zo is het in het algemeen gewenst om van tijd tot tijd

ôude voorzieningen in te ruilen voor nieuwe. De toene-

mende welvaart maakt het enerzijds mogelijk belangrijke
risico’s te dekken waar men nog niet toe gekomen was en

uitkeringen op te voeren die tot dusver minimaal waren.

Anderzijds stelt die zelfde welvaartsstijging in staat, de

kleinere risico’s geleidelijk weer aan de subjecten zelf over
te laten.

Premieheffing.

Ons stelsel van sociale verzekering kent in het algemeen
prernieheffing als financieringsbasis. Bij arbeidersverzeke-

ringen kan dat ook moeilijk anders. Nu het element van de

volksverzekering sterk in betekenis wint, bestaat de ver

leiding om deze voorzieningen geheel of gedeeltelijk te

gaan dekken uit de algemene middelën. De groep van

uitkeringsgerechtigden valt voor deze verzekeringen immers

samen met die van de belastingbetalers. Toch’valt te hopen,

dat men deze verleiding zal weten te weerstaan. En even-

eens zou het-moeten worden toegejuicht als de toeslagen

uit de algemene middelen, die er bij sommige sociale ver-

zekeringen nog zijn, zouden vervallen, zodat het stelsel

van premiedekking zonder uitzondering zou worden toe-

gepast. Zelfs al is de kring van ontvangers en betalers de-

zelfde, dan nog is
bij
dekking uit de algemene middelen

de band tussen de omvang van de prestatie en de omvang

van de contraprestatie doorgesneden.

Het is bij de sociale verzekering van groot belang, deze

band zo nauw mogelijk te doen zijn en dus de premie-

hoogte af te stemmen op de uitkeringsrechten. In de eerste

plaats is dit een eis van bihijkheid, en in de tweede plaats

een kwestie van zuiverheid bij het afwegen van het voor
en tegen. Wanneer de lusten en de lasten zo nauwkeurig

1167

mogelijk op elkaar worden afgestemd, kan de groep voor, –

wie de verkering geldt voor zichzelf uitmaken wit zij

verkiest. Wanneer zij geheel of gedeeltelijk van elkaar

worden losgemaakt is zulk een afweging niet meer mogeljk.r

Er treedt dan een onzuiver element in de besluitvorming

binnen, omdat er een groep is die profiteert, en die dus

daarom v6ér is, en een groep die schade lijdt, en die dus

daarom tegen is. De zaak komt dan noodgedwongen in de

sfeer van politieke machtsverhoudingen, waarbij, als ht

aantal levoordeelden groter is dan het aantal benadeelden,

een nooit aflatende druk bestaat om aldoor tot uitbreiding

van de voorzieningen over te gaan. Ter illustratie kan

worden verwezen naar een voorbeeld uit een ander onder-

deel van de verdelingspolitiek: de subsidies aan boeren.

Waarom is er een altijd aanwezige druk van de boeren

om de subsidies te verhogen? Omdat deze geldelijke steitn
in overwegende mate betaald wordt uit de algemene finan-

ciële middelen. Het zou waarschijnlijk heel anders zijn als

de boeren dit zelf zouden moeten betalen, door extra hef-

fingen in tijden van gunstige exploitatie-uitkomsten. Wan-

neer als stelregel zou gelden dat iedere groep, die voor

zichzelf bepaalde voorzieningen wil, ,deze ook zelf moet
bekostigen, zou het hele probleém van de pressiegroepen

grotendeels verdwijnen.

Terugkerende naar de sociale verzekringen ontmoeten

we daar als meest afschrikwekkend voorbeeld van on-
billijke en onzuivere verdeling van lusten en lasten de

kinderbijslag voor zelfstandigen, waarbij aan de top alleen

maar de plicht bestaat tot premiebetalingen en er geen

recht is op uitkering. Dit is de uiterste consequentie van

een systeem dat het niet nauw genoeg neemt
bij
de af

stemming van premies op uitkeringsrechten. De voört-

durende verhoging van de loongrens bij verschillende

arbeidersverzekeringen, naarmate het loon stijgt, is even-

min vrij van deze smet. Het gevaar is groot dat hierbij het

doel van de sociale verzekering uit het oog wordt verloren,

omdat niet op de voorgrond staat de welis om de hoogste

inkornensgroep tevrjwaren tegen financiële gevolgen van

bepaalde èalamiteiten, doch om ten koste van deze groep

overschotten te behalen die de exploitatie sluitend moeten

maken. Dit is één aspect van de onzuiverheid waarvan

hiervéôr sprake was. Waarschijnlijk zou een enigszins

achterblijven van de loongrens bij de loontijging meer in

overeenstemming zijn met de prèferenties van de bovenste

laag, omdat
bij
de voortdurend stijgende premie eigen

voorzieningen steeds aantrekkelijker worden. –

Een beroep op solidariteit baat hier niet. Solidariteit is

iets vrijwilligs en kan niet worden afgedwongen. Men kan

de solidariteit alleen als argument aanvoeren wanneer aan-

getoond kan worden dat elke inkomens-schijf die onder de

werking van bepaalde sociale verzekeringen wordt gebracht

daar in overwegende maté v66r is, ook
bij
een ongunstige
verhouding tussen premie- en uitkeringsrechten.

Al deze problemen kunnen worden vermeden door bij

sociale verzekeringen waarbij de uitkeringen niet afhankelijk

zijn van het loon of inkomen, de premie eveneens -als een

absoluut bedrag per hoofd of per gezin vast te stellen en

niet als een percentage van het loon of inkomen. Alleen

dan is een zo nauw mogelijke aansluiting gevonden tussen

prestatie en contra-prestatie, en daarmee ook een automa-

tische rem op de voortdurende uitgroei van deze voorzie-
ningen. De laagste loon- of inkomensgroep, die thans im-
mers voortdurend pressie uitoefefit tot uitbreiding van de

sociale verzekering om de onzuivere reden van inkomens-

herverdeling en niet om financiële vrjwaring te verkrijgen

teen calamiteiten; zal dan juist als rem gaan fungeren,

doordat de voor ieder gelijke prémiebedragen dan betaal-

baar moeten zijn voor deze laagste loon- of inkomens-

trekkers. Slechts in deze situatie kan de invoering van

sociale verzekeringen en de uitbreiding of inkrimping van

bepaalde voorzieningen op eigen merites worden beoor-

deeld door de belanghebbenden zelf.

Kan men ter verdediging van het herverdelingselement

bij de socialé verzekering nu niet aanvoeren dat ook de
gewone belastingen. stijgen naarmate het inkomen toe-

neemt? Premies van sociale verzekeringen worden toch meer

en meer als een bepaald soort belastingen aangemerkt en

voor verschillende doeleinden daarbij opgeteld. In som-

mige opzichten komen zij daarmee inderdaad overeen (met

name betreft dit de dwangmatige invordering), doch juist

als nivelleringsinstrument zijn zij principieel verschillend.

Algemene belastingen dienen immers tot financiering van

collectieve consumptie. Er is hier geen band tussen pres-
tatie en contra-prestatie. Voor een proportioneel en zelfs

een progressief tarief van directe belastingen kan men zich

dan beroepen op het ‘afnemend grensnut van het géld bij

stijging van het inkomen (dat we ook hiermee niet helemaal

uitkomen hoop ik in het volgende artikel aan te tonen,

doch voor het thans aan de orde gestelde probleem is deze

grensnut-these voldoende).

Bij sciale verzekeringen staan tegenover de premies
echter geen collectieve goederen, doch rechten op uit-

keringen die even individueel zijn als de betalingen. Deze

uitkeringen zijn daarom voor éénzelfde subject onder-

worpen aan precies hetzelfde afnemende grensnut als de

premies. Daarom moet men beide tegelijk in ogenschouw

nemen en dan heffen het afnemend grensnut van de be-

talingen en van de uitkeringen elkaar op, zodat er per

saldo geen argument is voor hogere premie bij hogere

inkomens in geval van gelijke verstrekkingen.
Ik zie dan ook geen enkele rechtsgrond voor procentueel

gelijke premies wanneer de uitkeringen niet eveneens met

het inkomen op en neer gaan. Billjkheid, zuiverheid van

beslissingen en ingebouwde remming van pressiegroepen

wijzen alle in de richting van gélijke absolute premie-

bedragen
bij
gelijke uitkeringsrechten. Een beroep op soli-

dariteit en een verwijzing naar de analogie met algemene

belastingen blijken geen van beide op te gaan.

Wil men een groot woord, dan zou ik het voorgaande

kunnen kenschetsen als een pleidooi voor het vermijden

van
misbruik
van de sociale verzekeringen voor doeleinden

die daaraan in wezen vreemd zijn en alleen maar ver-

troebelend kunnen werken.

Uiteraard houdt dit ook in het
afwijzen
van belastingen

als financieringsbron van overdrachtsuitgaven. Reeds wer-

den in dit verband toeslagen aan sociale verzekerings-

uitkeringen en subsidies aan boeren uit algemene middelen

afgekeurd. Het kdmt mij voor dat hier slechts één uit-

zondering op haar plaats is. Er moet een laatste reddings-

boei zijn voor degenen die door hun bijzondere omstandig-

heden niet of niet voldoende geholpen worden door de

sociale verzekeringen. Dit is de sociale bijstand. Hiervoor

gaat een beroep op de solidariteit wèl op, omdat aange-

nonien mag worden dat vrijwel ieder bereid zal zijn, er

voor te zorgen dat er geen mensen verkommeren. Men mag

echter niet van de nood een deugd maken en dit uitzon-

deringsgeval tot de regel verheffen.

Hiermee
zijn
we al doorgedrongen op het gebied van de

belastingen. Daarover dus de volgende keer meer.

Haren.

F. HARTOG.

1168

E.-S.B. 5-12-1962

Herziening van de rechtsvorm der onderneming?

(II)..

Herziening geen bijdrage tot oplossing sociale vraagstuk?

Het tweede hoofdbezwaar tegen het C.N.V.-rapport vat

,,De Nederlandse Industrie” als volgt samen:

,,De sleutel tot de oplossing van het vraagstuk van de ,,drei-
gende isolering van de enkeling” (sociaal-ethische sectie) ligt
dan ook onzes inziens veeleer in een uitwerking van de mogelijk-
heid die de economische sectie met de term participatie aan-
duidt dan in de realisering van medezeggenschap van de factor
arbeid”
1)

Deze tweede bedenking van ,,De Nederlandse Industrie”

tegen de toekenning van een bepaalde vorm van mede-

zeggenschap aan het personeel houdt dus in, dat daardoor

geen bijdrage wordt geleverd aan de oplossing van het

eigenlijke sociale vraagstuk, de ,,dreigende isolering van

de enkeling”. Het is in wezen hetzelfde argument, dat ge-

bruikt werd in de rede van Mr. J. Me’ynen, gehouden op

7 december 1961 ter gelegenheid van de uitreiking van de

Henri Sijthoff-prijs 1960
2).
Op de in deze rede gevolgde

gedachtengang hebben wij reeds betrekkelijk uitvoerig ge-

antwoord
3).
Wij veroorloven ons daarnaar te verwijzen

en volstaan daarom thans met het volgende.

Het pleidooi voor inschakeling en erkénning van de

werknemer op de plaats, waar hij in de dnderneming is

gesteld, verdient o.i. hartelijke instemming. Men kan deze

inschakeling en erkenning van de individuele werknemer

met de economische sectie van de C.N.V.-commissie ,,parti-

cipatie” noemen; men kan ook de voorkeur geven aan

Meynens term ,,bevordering van, de directe mondigheid”.

Tussen de beide termen bestaat voor ons gevoel wel enig

onderscheid. De eerste
lijkt
ons objectiever; de tweede kan

de ongewilde indruk wekken van een ietwat paternalistische,

benadering van de arbeider. Maar als Meynen bedoelt –

en dat doet hij – de werknemer een zinvolle en vooral

verantwoordelijke plaats te geven in het produktieproces
en derhalve te streven naar een zodanige organisatie van

het werk, dat ook in’ de laagste organen van de bedrijfs-

hiërarchie een reëel stuk verantwoordelijkheid kan worden
beleefd, dan hebben wij met de term ,,directe mondigheid”

vrede.

Wij zeiden reeds, dat het pleidooi voor deze participatie

of ,,directe” mondigheid van de individuele arbeider har-

telijke instemming verdient. Degenen, die hiervoor pleiten,
bevinden zich in het goede gezelschap, waartoe onder meer

paus Johannes XXIII
4)
en de evangelische sociaal-ethicus

Heinz-Dietrich Wendland
5)
behoren.

Het verdrietige is echter, dat van deze participatie of

,,directe” mondigheid weinig of niets terecht zal komen,

wanneer de arbeider, terecht, het gevoel moet houden, dat

hij ,,maar” arbeider is, ondergeschikt aan de factor kapi-

taal. Een verdediger van het huidige vennootschapsrecht

schreef even treffend als
duidelijk:
,,De onderneming (i.c.

de N.V.)
beschikt
(cursivering van ons, R.) over’ de pro-

,,De Nederlandse Industrie”, jaargang 1962; nr. 10, blz.
381, rechterkolom.
,,Werknemers-medezeggenschap en de oplossing van het
sociale vraagstuk in de onderneming”, Amsterdam 1961.
De rede van Mr. J. Meynen, ,,Evangelie en Maatschappij”,
15ejaargang, nr. 718, blz. 244 e.v. Vgl. de jongste sociale encycliek ,,Mater et, Magistra”.
,,Botschaft an die soziale Welt”, Hamburg 1959.

duktiemidde1en, waaronder de arbeid (!). De arbeid blijft

ondergeschikt aan de vermogensrechtelijk gedirigeerde en
enormeerde (!) onderneming”
6).
Wie mocht menen, dat

deze woorden in de 19de eeuw geschreven zijn, maakt

een, overigens begrijpelijke, vergissing. Het moge een uit-

spraak zijn, die geheel in overeenstemming is met de heer-

kende opvattingen in die eeuw’ – de uitspraak zelf dateert

van 1962. Het is weinig aannemelijk, dat, wanneer de ge-

hele structuur en rechtsvorm der onderneming gegrond

blijven op deze onderschikking van de arbeid aan het kapi-

taal, de arbeider veel
prijs
zal stellen op werkelijke mede-

verantwoordelijkheid, onverschillig of men die nu partici-

patie dan wel directe mondigheid noemt. Dat de arbeider

ondergeschikt is aan de leiding aanvaardt hij ten volle,

maar dat
hij
in tegenstelling tot de aandeelhuder niet er-

kend wordt als een constituerende factor van de onder-

‘neming vormt een hechte grordslag voor de instandhouding

van zijn wantrouwen tegen de structuur van de samen-

leving èn van de onderneming, een wntrouwen, dat weinig

beorderljk is voor de arbeidslust, de goede verhoiidiigen

in de onderneming efi het verantwoordelijkheidsbesef. En
‘tbch staat’ en valt onze ‘ondemnemingsgewijze produkti&

met dat verântwoördetijkheidsbesef.

Nu stelt ,,De Nederlandse Industriè” – en men wordt

in de kring van het Verbônd van Nederlandsche Werk-

gevers niet moede het te herhalen -, dat de erkenning van

de arbeid als constituerende factor van de onderneming,

bijv. in die zin, dat ook het personeel de bevoegdheid ver-

‘krijgt een deel der commissarissen te kiezen, geen wezen-

lijke bijdrage levert voor de oplossing van hetsociale

‘vraagstuk in de onderneming. Grif erkend kan worden,

‘dat deze erkenning van de factor irbeid het sociale vraag-

stuk niet ,,oplost”. De onderneming zal er niet aânstonds

een sociaal paradijs door worden. Daarvoor is het sociale

‘vraagstuk te veel ‘éen probleem van inter-mônselijke be-

‘trekkingen, dat wil zeggen een vraagstuk, dat in laatste
`Instantie beheerst ‘wordt door ‘de innerlijke gezind,heid

‘van mensen. Maar dat betekent geenszins, dat de erkenning

van de factor arbeid niet een
bjjdrage
zou zijn tot’ de op-

lossing van het sociale vraagstuk. En dat laatste is dunkt

ons stellig het geval, al ware het alleen omdat dan eindelijk

aan de factor arbeid recht wordt gedaan terzake van de

structuur en de rechtsvorm der onderneming.

Naar onze opvatting zal daarom het ene gedaan moeten

worden, zonder het andere na te laten. Het ene is de be-

vordering van de ,,directe” mondigheid van de individuele

arbeider. Het andere is de bevordering van de ,,indirecte”
mondigheid, dat is de toekenning van het actief kiesrecht

aan het personeel wat de samenstelling vân het college

van commissarissen betreft. Wordt dat laatste nagelaten,

dan zal er van het eerste weinig of niets terecht komen.

Overigens lijkt ons alleen van belang te zijn de vraag of

deze herziening van de structuur der onderneming er zal

komen
vrijwillig
of
gedwongen
(hetzij door de wet hetzij
door de macht der werknemers). Dât zij er zal komen is

voor ons niet aan twijfel onderhevig. De gehele maatschap-

Mr. J. Goppel: ,,De onderneming als ontmoetingspunt
van kapitaal en arbeid” in ,,De Naamloze Vennootschap”,
jaargang 39, nr. 9, blz. 154 e.v.

E.-S.B. 5-12-1962

1

1169

S

• pelijke ontwikkeling verdraagt de onderschikking van de

arbeid aan het kapitaal o.i. niet veellangèr, zulks te minder

nu verschillende recente publikaties het reeds lang aan-

wezige vermoeden van het bestaan van niet-aanvaardbare

vormen van oligarchie en van hier en daar nog voor-

komend nepotisme hebben bevestigd. De herziening van

de structuur en rechtsvorm der onderneming is dan ook

o.i. niet tegen te houden. Het gaat naar onze opvatting

alleen nog om de, vraag: vrijwillig of gedwongen. Het ant-

woord op die vraag is niet afhankelijk van de ,,directe

mondigheid” der werknemèrs, doch van de emancipatie

der
ltegenwoordige
ondernemingsleidingen.

Beroep op een
Vennootschapskamer bij kennelijk wanbeheer.

Het derde kernpunt van de kritiek beschrijft ,,De Neder-

landse Industrie” als volgt:

,,Naar onze mening veronachtzaamt men, zo doende, het
wezenlijke verschil tussen de verhouding burger/overheid ener

zijds en de verhouding werknemer/werkgever anderzijds. De
politieke democratie is van een heel ander karakter dan de
noodzakelijk hiërarchische verhoudingen binnen een onder-
neming. De belangen waarom het gaat lenen zich in het eerste
geval veel gemakkelijker voor objectivering. Daardoor kunnen.
de besluiten van de overheden ookeerder aan de redelijkheid
worden getoetst zonder dat het beleid zelf in de beschouwingen
wordt betrokken. Wat de gezagsverhoudingenbinnen de onder-..
neming betreft, is die toetsing niet denkbaar zonder dat de
beroepsinstantie in het beleid van de ondernemingsleiding treedt:

Er zou hier van een probleem kunnen wordèn gesproken, indien de feitelijke verhoudingen tot willekeur, tot misbruik.
van gezag dus, zouden leiden. Maar dat is niet het geval, zoals wij reeds in ons vorige artikel stelden. Ook de juridische sectie zëlf stelt eerder het tegendeel”
?).

Dit derde hoofdbezwaar behoeft dunkt ons geen uit-,

voerige behandeling. Het blad heeft o.i. het gelijk geheel

aan zijn zijde, wanneer, het wijst op het wezenlijke verschil,
1

tussen de verhouding burger/overheid enerzijds en de ver-

houding werknemer/werkgever anderzijds. Wat het blad
echter verder schrijft moet op een misverstand berusten.

De redactie meent, dat – in tegenstelling tot ondernemers-

beslissingen – besluiten van de overheden (eerder) aan de

redelijkheid getoetst kunnen worden, zonder dat het be-.

leid zelf in de beschouwingen wordt betrokken. Dit nu

i
een misverstand. Eén blik in de jurisprudentie van de,

Kroon zal het blad van de onjuistheid van zijn opvatting

overtuigen.

•’ Overigens ‘zij opgemerkt, dat de C.N.V.-commissie het

scheppen van de mogelijkheid van een voorziening bij

kennelijk wanbeheer weliswaar alleszins wenselijk èn door

de praktijk van het bedrijfsleven geboden acht, doch zich

niet gebonden heeft aan elk dçtail van de door haar

juridische sectie in overweging gegeven vormen.

Te vroeg?

De .opmerking van algemene strekking, waarmede ,,De

Nederlandse Industrie” haar kritiek besluit, luidt:

,,Wij hebben sterk de indruk dat de meeste verschillen van
mening tussen de rapporteurs en ons voortkomen uit een
uiteenlopende beoordeling van de vraag, of, en zo ja, wanneer,.
een zich aftekenende maatschappelijke ontwikkeling ,,geïnsti-
tutionaliseerd” moet worden. Onder erkenning van het feit
dat een. goede ontwikkeling kan leiden tot de behoefte aan een zekere aanpassing van de wetgeving, zijn wij toch van mening
dat men daarmee voorzichtig moet
zijn.
Aan C.N.V.-zijde
blijkt men de neiging te hebben, ,,sociale controle” pas vol-
waardig te achten, indien zij wordt ,,geïnstitutionaliseerd”.

7
),,De Nederlandse Industrie”, jaargang
l92,
nr. 14, blz.
553,
linkerkolom.
Daartegenover menen
wij
steeds te moeten wijzen op het feit,
dat – vooral te vroege – wettelijke formalisering het gevaar
meebrengt va’n verstarring en van afdamming van de maat-
schappelijke ontwikkeling”
8).

Met deze opmerking slaat ,,De Nederlandse Industrie”

,de spijker o.i. precies op de kop. Het blad erkent het feit,

dat een goede ontwikkeling kan leiden tot de behoefte

aan een zekere aanpassing van de wetgeving, maar –

aldus ,,De Nederlandse Industrie” daarmde moet men

voorzichtig zijn. Diè gedachtengang kunnen
wij
volgen.

Zelfs zouden wij hem niet willen bestrijden, echter onder

één voorwaarde, namelijk dat de ,,goede ontwikkeling”

niet
door een bepaalde groep wordt geremd. En – om de

dingen nu maar
bij
de naam te noemen— zolang uit de

kring van de geestverwanten van ,,De Nederlandse Indus-

trie” getracht wordt de ,,goede ontwikkeling” tegen te

houden,
blijft er voor de voorstanders van die goede ont-

wikkeling niets anders over dan actie, hetzij in de onder-

nemingen, de
bedrijfstakken
of het
bedrijfsleven
als ge-

heel, hetzij bij de wetgever.

Voor de erkenning van de factor arbeid op het niveau
van de bedrijfstak en van het bedrijfsleven als geheel is

strijd en overheidsingrijpen nodig geweest. Gehoopt moet

worden, dat die erkenning in de sfeer van de onderneming

niet door macht of wettelijke dwang tot stand gebracht

behoeft te worden. Wij geven de voorkeur aan overleg,

de methode waardoor in Nederland reeds zoveel op sociaal

gebied tot stand is gebracht. Het moge waar
zijn,
dat dit –

overleg gevoerd wordt door partijen, die macht bezitten.

Het moge ook waar zijn, dat er achter het overleg de nio-

gelijkheid van overheidsdwang staat. Maar dat alles neemt
niet weg, dat wat in overleg tot stand komt het in betekenis

wint van het door macht of wet afgedwongene.

Er is ook een andere methode. Die heeft Ir. J. C. L.

Smit, één der directeuren van L. Smit en Zoon’s Scheeps-

en Werktuigbouw N.V. te Kinderdijk, onlangs beschreven.

In een gesprek met de redactie van ,,De Onderneming”,

het orgaan van het’ Centraal Sociaal Werkgevers- Ver

bond
9),
vertelde deze vooraanstaande ondernemer:

,,Over de diepere ‘achtergronden van de verhouding tussen
de ondernemer en zijn mensen ben ik eigenlijk voor het eerst
serieus gaan nadenken in mijn onderduiktijd tijdens de-bezet-.
ting. Als vrucht daarvan hebben wij toen een Kern opgericht,
en daar heb ik zo ongeveer gezegd (en u begrijpt dat dat een
vrij gesloten en koppig man wel enige zelfoverwinning kostte):
,,Ik heb nagedacht over onze verhouding. Ik besef nu, dat wij
elkaar nodig hebben. Wij kunnen in de onderneming net zo min zonder jullie als jullie zonder ons. Ik ben graag bereid,
jullie minder dan vroeger als bedrijfsonderdelen te beschouwen
en meer te behandelen als mensen. Ik wil het jullie zo goed
mogelijk geven, en niet alleen in materieel opzicht”.
Intussen merkte ik, dat min of meer dezelfde wensen bij
andere ondernemers leefden, en ook tot uitdrukking kwamen.
Maar toen kwam van werknemerskant, speciaal van de bonden,
niet de wens maar de
eis
dat er een dergelijke verhouding ge-
schapen zou worden. En nu ben ik zo’n koppige bliksem dat
ik ga steigeren als ik iets môet doen, ook al is het precies wat
ik uit eigen beweging had willen doen”.

Deze zich ,,koppige bliksem” noemende ondernemer

gaat dus steigeren, als hij iets moèt doen, ook al is het

precies wat hij uit eigen beweging had willen doen. Toen

hij echter een ogenblik later over de arbeider kwam te

spreken, zei hij:

,,Ook bij de werkman zit een kern, dië drommels goed weet
wat éen aap is, en die evengoed als u of ik erkent, dat de ge- –

T.a.p. Jaargang
12,
nr. 18, 1 september
1962,
blz.
596.

1170

E-S.B. 5-12-1962

t’

Het coniprornis inzake reclarnetelevisie

De belangrijkste passages van de 48
bladzijden
(inclusief

de bijlagen) tellende Memorie van Antwoord op het Voor

lopig Verslag inzake de Nota Reclarnetelevisie treft men

aan in het vierde hoofdstuk, dat handelt over het in Neder-

land.toe te passen systeem. Hierin wordt door de betrokken

bewindslieden, Mr. Y. Scholten (O.,K. en W.) en Drs. F.

J. W. Gijzels (E.Z.) een compromisvoorstel gelanceerd, dat,

de mogelijkheid schept twee concurrerende commerciële
organen naast elkaar op het tweede net te laten opereren.

De N.T.S./omroepen hebben gereageerd in een commen-

taar, waarin de bewindslieden wordt verweten ,,gespeend

te zijn van werkelijkheidszin” en ,,geen begrip blijken te

hebben voor demoeilijke problemen” die de televisie heeft

op tè lossen, waardoor zij ,,een verantwoorde verdere

ontwikkeling van de televisie” bemoeilijken; voorstellen,

die ,,het publiek niet dienen, maar schaden”. –

De voorstellen van de regering komen hier op neer,

dat met handhaving van het systeem van een zelfstandige

programmamaatschappij, aan de N.T.S. op het tweede net

tien uur wordt toegewezen, waarom de N.T.S. zelf ôok

heeft gevraagd, en twintig uur ter verzorging aan een

commerciële concessionaris. Daarnaast wordt de suggestie

gedaan om die tien uur N.T.S.-programma te doen finan-

cieren, niet uit kijkgefden, maar uit inkomsten door reclame-

uitzendingen verkregen. Een suggestie, die een politiek tac-

tische ommezwaai van de regering betekent, die immers in

de Nota Reclametelevisie van februari 1961 het standpunt

heeft ingenomen, dat de verzorging van reclame-uitzendin-

gen moeilijk kan worden opgedragen aan de N.T.S./

omroepen, die zich steeds tegen inVoering van reclame in
de televisie hebben verzet en ook thans nog niet overtuigd

zijn van de economische noodzaak daarvan. Zouden de

Hilversumse omroepen toch op deze suggestie ingaan, al

of niet gedwongen door aandrang uit de Kamer, dan zal

(vervolg v4n.blz. 1170)

middelde mens nu eenmaal zijn beste krachten niet kn geven
als er niet ook een stok achter de deur staat. Hoe groot die
stok moet zijn? Dat is eigenlijk heel eenvoudig: groot genoeg
om ongewenste elementen uit de onderneming te ontslaan, en
daar versta ik onder: de man die niet positief het belang van
de samenwerking voor ogen houdt”.

Er is o.i. geen reden Ir. Smit te ‘bestrijden. Hij heeft

naar onze opvatting geheel gelijk: de stok achter de deur
moet groot genoeg zijn voor hen, lie niet positief het be-
lang van de samenwerking voor ogen houden. Die ,,stok

achter de deur” kun – dat moet ,,De Nederlandse Indus-

trie” o.i. worden toegestemd – leiden tot een tè vroege
5

wettelijke formalisering met het gevâar van verstarring en

afdamming van de maatschappelijke ontwikkeling.’ Het

gevaar van ,,verstarring enafdamming van de maatschap-

pelijke ontwikkeling” is echter nôg groter, wanneer men

zich zou conformerefi aan de huidige opvattingen in de

kring van de geestverwanten van ,,De Nederlandse Indus-
trie”.

Het C.N.V.-rapport heeft gepleit voor vrijwilligheid en

geleidelijkheid. Indien beide worden, afgewezen, lijkt het

gebruik van ,,de stok achter de deur” – helaas – on-

vermijdelijk.

Zeist.

M. RTJPPERT. –

ES.B 542-1962

een apart lichaam moeten worden gecreëerd, dat onder

dezelfde vijftien voorwaarden zal moeten opereren :als de

onafhankelijke programmamaatschappij, alleen met deze

uitzondering, dat een programmaraad overbodig -wordt

geacht, omdat de in dat lichaam samenwerkende omroep-

organisaties voldoendè waarborgen bieden voor het peil

der programma’s.

Bovendien wordt voorgesteld, dat die programma’s van

het N.T.S.-orgaan worden beschouwd als de verplichte

N.T.S. -programma’s, die moeten worden uitgezonden vol-

gens de thans geldende regels, dat van het totaal 40 pCt.

onder N.T.S.-signatuur moet worden uitgezonden. Het

totaal zal met deze uitzendingen over het tweede net 40 uur

bedragen, waarvan dus 16 uur N.T.S. Daarvan tien op het

tweede net en de rest op het eerste net, welke rest voor

het grootste deel wordt ingenomen door vaste N.T.S.-

onderdelen, zoals het populaire nieuwsjournaal, het zon-

dagse sportjournaal enz. De voorstellen van de staats-
secretarissen lijken volledig aanvaardbaar, maar in de

N.T.S.-gedachte betekenen ze een dubbel gevaar. In de

eerste plaats is er de vrees, dat dit nieuwe N.T.S.-orgaan

met’ de onafhankelijke programmamaatschappij een dub-

bele concurrentie betekent met de omroepen, die hun

posities verzwakt zien. De N.T.S. als een mogelijke zelf-

standige prcgrammamaatschappij is steeds als een dreiging

gevoeld, omdat rrogramma’s onder de N.T.S.-signatuur

door het publiek doorgaans als beter worden beschouwd

dan de omroepprogramma’s, hoewel ze door omroep-

medewerkers worden samengesteld, echter als algemeen

aanvaardbaar door alle omroepcomponenten moeten wor-

den geaccepteerd. Dat het eerste net vrijwel geheel weer

zal toevallen aan de omroepen weegt niet op tegen de

vrees, dat het publiek steeds meer voorkeur zal gaan geven’

aan het concurrerende N.T.S.-programma, dan echter

samengesteld door een zelfstandige programmastaf. Langs

deze weg wordt een, zo men wil nationaal, programma

geïntroduceerd, dat in Hilversumse ogen nimmer genade

zal vinden. Zelfs het feit, dat de kijkgelden voor het eerste’

programma beschikbaar komen, waardoor de concurrentie-

positie van de omroepen alleen maar sterker wordt, zal de

pil van het ,,nationale N.T.S.-programrna” moeilijk kunnen

vergulaen.

Wat zal de reactie kunnen
zijn
van de commerciële

concessionaris, die als onafhankelijke programmamaat- –

schâppij twintig uur krijgt? In de eerste plaats -dwingt zich

een vergelijking op,met de oorspronkelijke’situatie, toen in

1956 aan de Minister van 0., K.en W. werd gevraagd acht

‘uur toe te wijzen, zodat het eerste net verdeeld zou wor-

den tussen N.T:S./omroepen en C.TV. Deze aanvrage

duidt erop, dat met een start van acht uur per week, ge-

leidelijk’ uit te breiden tot 16 uur, een economisch ver-

antwoorde exploitatie mogelijk werd geacht. Ir) de loop

der jaren wijzigde zich de situatie. De N.T.S. kreëg mëer

zendtijd; de noodzaak te komen toteen tweede programma

werd steeds sterker gevoeld. In de regringsnota werd dit

net ter – programmaverzorging toegewezen aan de C.TV.

Nu herhaalt zich de ontwikkeling,. alleeji met dit grote

verschil,’dat er in1956 slechts 30.000 TV-ontvangers waren

geregistreerd en nu, ruim zes jaar later, ongeveer 1.250.000.

De inkomsten van de gesubsidieerde televisie zijn enorm

1 ii:

gestegen; de inkomsten van de commerciële maatschappij
zullen eveneens aanmerkelijk hoger. komen te liggèn, om

dat ze gebaseerd zullen zijn op het aantal contactpunten

c.q. aantal TV-gezinnen, dat men bereikt. Wanneer ex-

ploitatie van een programma van dertig uur door twee

maatschappijen mogelijk is, zal een onafhankelijke pro-

graminamaatschappij het regeringsvoorstel ongetwijfeld

kunnen accepteren. Zou Hilversum de commerciële ex-

ploitatie van tien uur afwijzen, dan wordt het de onaf-

hankelijke concessionaris bepaald gemakkelijk gemaakt.

Kijkgeldprognose.

De vraag, of het tweede net wel of niet kan worden

gefinancierd uit de opbrengsten der kijkgelden, vindt in

de Memorie haar beantwoording. In november 1961 depo-

neerde de N.T.S. op het Departement van O.,K. en W.

een nota, waarin wordt berekend dat zelfs met handhaving

van het thans geheven kijkgeld van f. 36 per jaar een

sluitende exploitatie mogelijk is, terwijl nochtans de directe

programmakosten per uur zuden stijgen van f. 6.000 in

1962 tot f. 9.000 in 1970.

De juistheid van deze berekening wordt in de Memorie

afdoende bestreden, omdat met een aantal factoren in het

geheel geen rekening wordt gehouden en verder omdat de

gehele omroepprognose van een ongemotiveerd optimisme

getuigt t.a.v. de toenemende kosten, vooral de directe

programmakosten, waaronder worden verstaan de kosten

die aan derden worden betaald, o.a. honoraria van losse

medewerkers, auteurs- en televisierechten, koop of huur
van films, Eurovisiekosten, betalingen persbureaus. Met

name het peil van die kosten zal reeds in 1965 de f. 9.000

per uur hebben bereikt en in 1970 zijn opgelopen tot

f. 12.000. In de toelichting op dit bedrag zeggen de staats-

secretarissen nog ter waarschuwing, dat dit bedrag conser-

,vatief is geschat. Alhoewel een vergelijking met het buiten-

land uiterst moeilijk is kan een opgave van de uurkosten

van de B.B.C. over het boekjaar 1960-1961, toen aan

programma’s f. 22.280 per uur werd besteed, verhelderend

werken. Dat in 1970 f. 12.000 toeteikend zal zijn, menen

wij dan ok te moeten betwijfelen..
Daarenboven worden voor de N.T.S. de kosten van de

NOZEMA en de P.T.T. geraamd, niet van f.
7,5
mln, in

1963 oplopend tot f. 10 mln, in 1970, maar van f. 7,8 mln.

(1963) tot f. 14 mln. (1970). Vervolgens wordt er in de

Memorie op gewezen, dat het tweede net niet een geleidelijke

uitbreiding van 10 tot 30 uur moet geven, maar dat althans

direct 20 uur moet worden uitgezonden om de kijkers een

werkelijke keuze te bieden, hetgeen niet alleen financiële

consequenties zal hebben voor de directe programma-

kosten maar ook voor de exploitatielasten van de N.T.S.
en de omroeporganisaties. En tenslotte ontbreken
bij
de

N.T.S.-opzet nog schattingen betreffende de regionale tele-

visie en de schooltelevisie.

Met al deze overwegingen rekening houdende is het de

bewindslieden niet gelukt, uitgaande van het wettelijk toe-

gestane kijkgeld van f. 40 per jaar, tot een sluitende prog-

nose te komen. Wanneer in 1970 tweemaal 30 uur uit de
kijkgelden zou moeten worden gefinancierd, zal moeten
worden gerekend op een tekort van f. 13,4 mln.; worden

die opbrengsten alleen aangewend voor een programma

van 40 ijur, dan nog is het tekort f. 3,6 mln. Vele zijn de

berekeningen, die in de loop der jaren
zijn
gemaakt.
Nimmer hebben die de werkelijkheid ook maar kunnen

benaderen. Aan de cijfers, zoals deze nu zijn overgelegd,

kan dan ook geen beslissende betekenis worden toegekend.

Wel kan worden gezegd, dat een verantwoorde programma-

verzorging, uitsluitend uit de
kijkgelden,
onbestaanbaar is.

De N.T.S. noemt het in haar commentaar niet van reële

betekenis, te verwijzen naar het beschikbaarkomen van het

derde programma. Men kan zich afyragen of het wel reëel

is, dat derde net te reserveren voor een programma, dat

in opzet en uitvoering jn principe weinig verschilt van de
beide andere programma’s. Ware het niet veel aantrekke-

lijker dit net te reserveren voor bijzondere ,,minderheids”-

televisie, zoals schooltelevisie, zgn. ,,instructional” tele-

visie, kortom te bestemmen voor opvoeding en onderwijs,

aangevuld met Eurovisieprogramma’s uit het buitenland?

‘s-Gravenhage.

Dr. P. GROS.

(1. M.)

Een zakenman vraagt;..

De fabrieks-installatie, welke wij naar Palermo leveren, is binnen

vier weken voor verscheping gereed. Wij zouden nu gaarne een

.gecômbineerde verzekering voor transport, montage en proef-

draaien bij goede assuradeuren willen sluiten. Kunt U deze

onderbrengen en ons hiervoor een premie noemen?

Een vertrouwde raadsman antwoordt…

.Eén van de vele vragen, die aan onze deskundigen dagelijks

worden voorgelegd.., en waarop 2ij niet het meest-voor-de-hand-

liggende, maar het voor de cliënt meest gunstige antwoord geven.

Doordat men zich bij H. Albert de Bary terdegein uw probleem

verdiept, bent u altijd zeker van eer betrouwbaar advies.

Belangeri-behartiging is een woord met inhoud bij…

Handel – Maatschappij H. Albert de Bary & Co. nv. Devlezenbsnk

Herenracht 450 – Amsterdam-C. – Tel. 22 tI 55 – Telex 12029

1172

.

E.-S.B.
5-12-1962

Voorbeeld van een “remie”s’p
“aa

P
.
rrege1ing

In onze vorige artikelen
1)
behandelden wij de fiscale

faciliteiten ii’i het algemeen en die van de premiespaar-

regelingen in het bijzonder, van welke faciliteiten men
op

grond van de
op
1 januari ji. van kracht geworden ,,Wet

houdende voorzieningen met betrekking tot premiespaar-

regelingen en winstdelingsspaarregelingen voor wetk-

nemers” kan genieten.

Hoeveel die besparingen zowel voor werknemer als

werkgever bedroegen, hebben wij in ons artikel ,,Winst-

delingsspaarregelingen voor werknemers”
2)
nader uiteen-

gezet. Thans zouden wij ter illustratie van de besproken

piemiespaarregelingen een praktijkgeval willen vermelden.

Daartoe hebben wij de directie van de Stichting Nuts-

spaarbank te ‘s-Gravenhage, die wij hiervoor zeer enken-

telijk zijn, bereid gevonden haar regeling te mogen publi-

ceren. Op deze regeling
is
onlangs de goedkeuring ver-
kregen moet worden van het College van Rijksbemidde-

laars.

Hieronder volgt dan de tekst van dit reglement.

STICHTING NUTSSPAARBANK TE ‘s-GRAYENHAGE

Reglement voor een gepremieerde bedrijfsspaarregeling,
als bedoeld in: Besluit premiespaarregelingen en winst-
delingsspaarregelingen.

DEFINITIES
Artikel 1.

In dit reglement wordt verstaan onder:

Spaarbank:

Stichting Nutsspaarbank te ‘s-Gra- venhage, waarvan het bestuur zich
bereid
heeft
verklaard te voldoen aan
de bepalingen van dit reglement.
Deelnemer: Het personeelslid, dat is toegetreden
tot de spaarregeling, waarop dit
reglement van toepassing is. Bijzondere spaarrekening: De door de spaarbank ten name van de deelnemer
bij
de spaarbank ge-
opende spaarrekening, als bedoeld in artikel
5,
lid 1.

DOEL
Artikel 2.
De spaarregeling heeft ten doel het bevorderen van de spaar-
zin en de vorming van duurzaam bezit bij de personeelsleden
van de spaarbank.

DEELNEMERS
Artikel 3.

Aan de spaarregeling kunnen deelnemen alle personeelsleden
in volledige dienst van de spaarbank, met uitzondering van
gehuwde vrouwen, wier echtgenoot een volledige dienstbetrek-king vervult.

WIJZE VAN DEELNEMING
Artikel 4.

Op schriftelijk verzoek van de deelnemer wordt
bij
de uit-
betaling van zijn salaris resp. loon een gedeelte daarvan
ingehouden. Dit spaarbedrag bedraagt ten hoogste f 65,-
per maand resp. f 15,— per week.
Indien de deelnemer het voornemen heeft aanspraak te maken
op spaarpremies op grond van het verrichten van periodieke
betalingen als bedoeld in artikel 8, lid 2 sub a, 2, dient hij

,,Fiscale faciliteiten voor de bezitsvorming” en ,,Premie-
spaarregelingen voor werknemers” in ,,E.-S.B.” van resp.
7 en 21 november jI.

,,Winstdelingsspaarregelingen voor werknemers” in
,,E.-S.B.” van 14 november jl.

het bedrag van deze betalingen eveneens schriftelijk aan te
melden. Ten aanzien van het aan te melden bedrag is het
bepaalde in de tweede.volzin van-het vorige lid van overeen-
komstige toepassing. – –
Het van de deelnemer op
zijn
salaris rsp. lon in te houden
spaarbedrag en de voor toekenning van een spaarpremie in
aanmerking te brengen bedragen wegens periodieke betalin-
gen mogen samen niet hoger zijn dan resp. f 65,— per
maand of fl5,— per week.
Het spaarbedrag wordt in guldens afgerond. De inhouding gaat in bij de uitbetaling van het salaris resp.
loon over de maand resp. eerste loonweek van de maand
volgende op die, waarin het verzoek is ingediend. Een ver-
zoek tot inhouding mag slechts eenmaal per kalenderjaar
worden ingediend.
De deelnemer kan te allen
tijde
schriftelijk verzoeken de
inhouding van het spaarbedrag te doen beëindigen. Het
recht op spaarpremie
blijft
over het gespaarde bedrag. ge-
handhaafd, zulks met inachtneming van de overigens daar-voor gestelde voorwaarden. Voorts kan de deelnemer in de
maand december schriftélijk verzoeken een door . hem – aan
te geven wijziging te brengen in het. spaar.bedrag.-

Artikel 5.

. -.

……
De spaarbedragen worden door de spaarbank aan het einde van elke maand gestort op dë bijzonderé spaafrekening ‘an

Het is aan een deelnemer niet toegestaan rechtstreeks gelden
op de bijzondere spaarrekening te storten, behoudens in het
geval, bedoeldin artikel 18, lid 1, onder c.

Artikel 6.

Het verzoek bedôéld in artikel 4, lid ‘1, alsrnededè aaninel-
ding,- bedoeld in artikël 4, lid 2, dienen te geschieden’ door
middel van een formulier volgens

het als bijlage bij dit regIe-
-ment gevoegde model BI..

Het verzoek, bedoeld in artikel 4, lid 6, dient te geschieden
door middel van een formulier volgens liet als bijlage bij dit
reglerfient gevoegde modél B.2.



..

.-n

..

Artikel 7. .

.

– -. ..,-

.

. :-

De deelnemer heeft de Vrije beschikking over dêop zijn bij zon-
dere spaarrekening gestorte spaarbedragen.

SPAARPREMIE – – – –

Artikel 8.

Onverminderd de door de spaarbank te – vergoeden rente
heeft de deelnemer ten lasté van dé spaarbank aanspraak op een spaarpremie, indien een op de bijzondere spaarrekening
gestort bedrag, sinds het einde van het kalenderjaar waarin
deze storting plaats vond, vier kalenderjaren ononderbroken
op die rekening heeft uitgestaan.
Op de in het vorige lid bedoelde spaarpremie bestaat voorts
aanspraak:
a. indien de deelnemer aantoont dat hij:
een van de bijzondere spaarrekening opgenomen bedrag
heeft aangewend ten behoeve van één of meer der in
artikel 10 bedoelde bestedingsdoeleinden;
periodieke betalingen heeft verricht ten behoeve van
één of meer der in artikel 10, lid 1, onder a,b, c, en e,
genoemde bestedingsdoeleinden;
b. indien het dienstverband van de deelnemer met de spaar-
bank is geëindigd ten gevolge van, diens overlijden of
emigratie;
c. in alle overige gevallen van

beëindiging vân het dienst-
verband van de deelnemer met de spaarbank, met dien
verstande dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op
het gedeelte van de spaarpremie, dat evenredig is aan het
aantal volle kalenderjaren, gedurende welke een bedrag
op de bijzondere spaarrekening heeft uitgestaan.
3. De spaarpremie bedraagt 50 pCt. van het op de ‘bijzondere
spaarrekening aanwezige bedrag of/en het ten laste daarvan

E.-S.B. 5-12-1962

.

1173

1

bestede bedrag, dan wel in het geval bedoeld
in het vorige lid onder a, 2, van het ujtgégeveii
bedrag en bedraagt over een kalenderjaar
nimmer meer dan f390,—.

Artikel 9.

Op de uitvoering van deze spaairegelirig wordt
toeicht gehouden door de Directie der spaarbank
of door door deze aan te wijzen personen.

BESTEDINGSDOELEINDEN

Artikel

10.

1

1. Als hestedingsdoeleinden worden erkend
uitgaven ter verwerving van onroerende zaken, als hoe-
danig voor de toepassing van dit reglement tevens worden
aangemerkt lidmaatschappen van coöperatieve verenigin-
gen waarvan de leden op de enkele grond

van -hun lid-
maatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben van
een aan de coöperatieve vereniging in eigendom toe-
behorend gebouw dan wel van een afzonderlijk gedeelte
van een zodanig gebouw, voor zover deze uitgaven niet
zijn gefinancierd door middel van een hypothecaire lenirig;
aflossingen op hypothecaire leningen, rustende op en aangegaan ter financiering van onroerende zaken, als
• bedoeld onder a, daaronder begrepen aflossingen door
een lid van een coöperatieve vereniging als bedoeld onder
a, op hypothecaire leningen, voor welke het onder a,
– bedoelde gebouw dan wel een afzonderlijk gedeelte van een zodanig gebouw is verbonden;
uitgaven ten behoeve van de verbetering van een gebouw,
waaronder worden verstaan alle technische voorzieningen,
aangebracht dôor de eigenaar van dat gebouw dan wel
door het lid van een coöperatieve vereniging als bedoeld
onder a, waardoor het woongerief, indien het een woning,
of de gebruikswaarde, indien het een bedrijfsruimte be-
treft, geacht kan worden te zijn gestegen, met inbegrip
van in rechtstreeks verband met de verbetering uitgevoerde
andere werkzaamheden, indien de gezamenlijke kosten
van deze verbetering ten minste een bedrag van f 500,-
belopen;
aanschaffingen ter gelegenheid van het huwelijk van de
deelnemer, voor zover die zijn geschied in het tijdvak,
dat aanvangt één jaar vôôr en eindigt drie maanden
nâ het sluiten van het huwelijk, met dien verstande dat
de premie – in afwijking van het bepaalde in artikel 11,
lid 3 – eerst zal worden uitgekeerd, wanneer het huwelijk
is voltrokken;
voldoening van premies, verschuldigd ingevolge overeen-
komsten van levensverzekering, als bedoeld in artikel 1,
onder letter a, van de Wet op het levensverzekerings-
bedrijf, door de deelnemer gesloten, hetzij op eigen leven,
hetzij op dat van zijn echtgenote of van de kinderen,
waarvoor hij voor de heffing van de loonbelasting kinder-
aftrek genoot op 1 januari van het jaar waarin de premie
is betaald, mits Ie. de overeenkomst is aangegaan Toet een verzekerings-
instelling, die in het bezit is van een verklaring van de
– Verzekeringskamer als bedoeld in artikel 18 van de
Wet op het levensverzekeringsbedrijf, of met .de
Sociale Verzekeringsbank;
2e. in de overeenkomst, voor zover het tijdstip van uit-
kering niet wordt bepaald door het overlijden van de
• verzekerde, een looptijd van ten minste
5
jaar, is

voorzien;
3e. de polis niet tot zekerheid is bezwaard of overgedragen
tenzij dit heeft plaatsgevonden terzake van een
• hypothecaire lening, als bedoeld onder b, van dit lid
en het verzekerde bedrag zal worden aangewend tot
aflossing van die lening.
2. Voor de toepassing van het in lid 1 onder e. bepaaldé worden
regelmatige inleggingen, waartoe de deelnemer zich heeft
verplicht ingevolge een overeenkomst met de spaarbank tot
sparen met levensverzekering, aangemerkt als premies voor
levensverzekering.

OPNEMEN VAN SPAARGELDEN EN UITKERING
VAN SPAARPREMTES Artikel 11.

1. De deelhemer, die en bedrag van zijn bijzondere spaar-
rekening wenst op te..nemen ten behoeve van één of meer

1174

(1. M.)

der in artikel 10 genoemde bestedingsdoéleinden, dient
daartoe gebruik te maken van ëen formulier volgens het als
bijlage bij dit reglement gevoegde model B.3.
Nadat de deelnemer het opgenomen bedrag heeft aangewend
voor één of meer van de bestedingen bedoeld in lid 1, zendt
hij het in het vorige lid bedoelde formulier in aan de spaar-
bank met het vérzoek de hem toekomende spaarpremie uit
te betalen.
Tndien het opgenomen bedrag is aangewend voor één of meer
van de bestedingen bedoeld in lid 1, wordt het verzoek
ingewilligd en de spaarpremie aan de deelnemer uitgekeerd na afloop van het kalenderjaar.
Ht bedrag, dat door een deelnemer ten behoeve van één of
meer van de bestedingen, bedoeld in lid 1, van de bijzondere
spaarrekening wordt opgenomen, zal door de spaarbank
aan de crediteur van de deelnemer worden overgemaakt.

Artikel 12.

De deelnemer, die een bedrag van zijn bijzondere spaar

rekening wil opnemen en dit anders wenst te besteden dan voor
één of meer der in artikel 10 genoemde bestedingsdoeleinden,
behoeft geen gebruik te maken van’ het in het vorige artikel
bedoelde formulier. –

Artikel 13.

Een verzoek om toekenning van spaarpremie wegens perio-dieke betalingen, als bedoeld in artikel 8, lid 2, sub a, 2, kan
slechts éénmaal per jaar na afloop van het kalenderjaar
worden ingediend en dient te geschieden door middel van
een formulier volgens het als bijlage bij dit reglement ge-
voegde model B.4.
Het bepaalde in lid 3 van artikel 11 vindt alsdan overeen-
komstige toepassing.

Artikel 14.

Na bepaling van het bedrag door de spaarbank, als bedoeld
in artikel 17, dat een -op het salaris resp. loon van een deel
nemer ingehouden bedrag sedert het einde van het jaar, waarin
het werd ingehouden, vier jaar ononderbroken op diens bijzon-
dere spaarrekening heeft gestaan, wordt de spaarpremie aan
de deelnemer uitgekeerd.

Artikel 15.

Ingeval van beëindiging van het dienstverband van de deel-
nemer met de spaarbank, boekt de spaarbank het op de bijzon-
dere spaarrekening van de deelneme aanwezige bedrag ter-
stond af en schrijft dit
bij
op de gewone spaarrekening van
de deelnemer.
Over het in lid 1 bedoelde bedrag wordt aan de deelnemer
de hem toekomende spaarpremie uitgekeerd.

Artikel 16.

Telkenjare op 31 december bepaalt de spaarbank het spaar
saldo over dat jaar. Dit bedrag wordt aangeteken’d. Is het spaar-
saldo over enig jaar negatief, dan wordt dit in mindering ge-
bracht op het spaarsaldo over het vorige jaar. Is het laatstbedoel-
de saldo daartoe niet toereikend, dan wordt het overblijvende
gedeelte van het negatieve saldo in mindering gebracht op het spaarsaldo over het voor-vorige jaar en zo vervolgens.

Artikel i7.

.

De spaarbank bepaalt jaarlijks in de maand januari het be-
drag, dat sinds het einde van het jaar, waarin het op een
bijzindere spaarrekening is bijgeschre’.’en, vier jaar ononder-broken op die rekening heeft uitgestaan.
De spaarbank boekt het in lid 1 bedoelde bedrag terstond
af van de bijzondere spaarrekening en schrijft dit
bij
op de
gewone spaarrekening van de deelnemer.

E-S.B.’
5-12-1962

EFFECTENBEZIT
Artikel 18.

1. Het houden van effecten, welke een deelnemer heeft aan-
gekocht ten laste van spaarbedragen die nog geen vier kalen-
derjaren op de bijzondere spaarrekening hebben uitgestaan,
wordt voor de toepassing van dit reglement gelijk gesteld
met het aanhouden van die spaarbedragen op de bijzondere
spaarrekening, mits:
de aan- en verkoop van de effecten is geschied door
tussenkomst van de spaarbank;
de effecten in bewaring worden gehouden door de spaar-bank, waarvoor de spaarbank geen kosten zal berekenen;

bij
verkoop of aflossing van een effect de opbrengst, althans
de aankoopprjs zo deze minder bedraagt dan de op-
brengst, wordt teruggestort op de bijzondere spaar-
rekening, indien en voor zover de aankoopprijs werd ge-
financierd uit spaarbedragen, welke ten tijde van de ver-
koop nog geen vier kalenderjaren op de bijzondere spaar-rekening zouden hebben uitgestaan.
2. Het belenen van de effecten en het vervreemden daarvan,
anders dan door verkoop, wordt gelijk gesteld ,met het
opnemen van spaarbedragen, anders dan voor één of meer
der in artikel 10 genoemde bestedingsdoeleinden.
3. De spaarbank voert voor de bewaring van bovengenoemde

INGEZONDEN STUK

effecten een zôdanige administratie, dat te allen tijde kan
worden nagegaan of de effectent voor gelijkstelling met de
voor aankoop gebezigde spaarbedragen in aanmerking
komen.

RENTE
Artikel 19.

De op de bijzondere spaarrekening gekweekte rente zal niet
op deze bijzondere spaarrekening worden geboekt, doch worden
bijgeschreven op de gewone spaarrekening van de deelnemer,
welke hij bij de spaarbank dient aan te houden.

SLOTBEPALINGEN
Artikel 20.

De Directie van de spaarbank heeft te allen tijde het recht
deze spaarregeling te wijzigen dan wel op te heffen. In alle ge-
vallen, waarin dit reglement niet voorziet, wordt beslist door
de Directie of door de door deze aangewezen personen, bedoeld
in artikel 9.

Artikel 21.

Deze spaarregeling wordt geacht in werking te zijn getreden
op 1 januari 1962.
‘s-Gravenhage.

Drs. C. P. d’HAANS.

Koelkistenactie van levensmiddelenbedrijven

Drs. J. J. G. Jonker te Amsterdam schrijft ons:

In Economisch-Statistische Berichten van 10oktober jI.

geeft de heer W. B. M. van Apeldoorn een interessatite

analyse van de invloed van de koelkastenactie van enkele

levensmiddelenbedrijven op de omzet van de levensmid-

delenbedrijven en op die van de elektrotechnische handel.

Aan deze analyse knoopt schrijvei een aantal opmerkingen

vast, die ook door anderen, o.m. in sommige dagblad-

commentaren, naar voren worden gebracht. Met name wordt

gesteld dat het verschil in prijs van een koelkast geleverd

door het levensmiddelenbedrijf en van een koelkast

geleverd door de gespecialiseerde handel het gevolg is van

een traditionele margeberekening die maar ten dele gemo-

tiveerd is. De branches in de niet-levensmiddelenhandel

wordt daarom aangeraden zich op eigen kracht, o.a. door

samenwerking en door margeverlaging, aan te passen aan

de ontwikkeling zoals deze op gang is gebracht door de

levensmiddèlenbedrijven. Een regulerend ingrijpen van de

overheid of van de bedrijfsoverheid, bijv. het hoofdbedrijf-
schap Detailhandel en Ambachten, wordt uit den boze ge-

acht, omdat hierdoor, zoals de heer Van Apeldoorn ver-

meldt, het dynamisch karakter van de handel nog verder

wordt onderdrukt. –

Naar onze mening is dez opvatting eenzijdig en soms

zelfs onjuist. Ons voo?naamste bezwaar tegen het artikel

van de heer Van Apëldoorn is, da’t hij op slechts enkele

plaatsen en dan nog heel summier aangeeft, dat de aanbie-

ding van koelkasten e.d. door grootwinkelbedrijven in

levensmiddelen geschiedt tegen minimale marges met als

doel het behouden van bestaande en het aantrekken van

nieuwe afnemers van levensmiddelen. Daarnaast tracht

schrijver echter aan te tonen dat hier voornamelijk sprake

is van verkenningsacties op het gebied van de verkoop van

niet-levensmiddelen, waarbij verkoop geschiedt op basis

van een bedrijfseconomisch juiste toerekening van kosten.

Erg duidelijk komt niet naar voren welk motief op dit

ogenblik naar de mening van de schrijver een rol speelt.

Wel baseert. de heer Yan Apeldoorn zijn verdére bewe-

ringen op de veronderstelling, dat reeds nu sprake is van

en normaal in het assortiment opnemen van bepaalde

groepen nieuwe artikelen, waarbij de grootwinkelbedrijven
in levensmiddelen een juiste kostentoereken ing toepassen.

Zo stelt schrijver: ,,Voorts zou inwilliging van het verzoek

(aan de overheid om in te grijpen) ertoe leiden, dat door

beperking van de concurrentie de prijzen van koelkasten en

van tal van andere duurzame gebruiksartikelen hoger blijven –

dan, gezien de stijgende kwantitatieve omzetten, nodig is”

en ,,Thans heeft het er echter alle schijn van, dat de prijs-

verschillen slechts een gevolg zijn van een traditionele

margeberekening, die maar ten dele gemotiveerd is”.

Hoe de ontwikkeling in de toekomst zal worden, willen

wij in dit verband buiten beschouwing laten,omdat het

om de vraag gaat of hier sprake is van normale concurren-

tie ôf dat de verkoop van branche-vreemde artikelen ge-

schiedt om de verkoop van levensmiddelen te stimuleren.
De aanbiedingen van koelkasten en recentelijk van speel-

goed, zoals deze thans door de levensmiddelenbedrijven

worden gedaan, berusten onzes inziens geheel of voor en

belangrijk deel op de overweging dat een binding van de

klant voor de aankoop van levensmiddelen wordt bereikt.

Het feit, dat de aankoop van spaarzegels voor deze artikelen

gekoppeld is aan de aankoop van levensmiddelen wijst

hier al op. Het grootwinkelbedrijf in levensmiddelen kan

zich dus permitteren om een deel van de kosten verbonden

aan de verkoop van deze speciale spaarzegelartikelen –

we denken bijv. aan de kostbare reclamecampagnes – ten

late te brengen van de levensmiddeleiafdeling. Om in
t

deze gevallen de vakhandel te betichten van het vragen

van te hoge marges is geen fraai voorbeeld van ;,Truth in

advertising”. Wanneer men spreekt van te hoge marges,

zoals de heer Van Apeldoorn doet, zonder in te gaan op

de kosten en de omzetsnelheid verbonden aan de verkoop

van deze artikelen, dan lijkt ons dit bedrijfseconomisch
weinig overtuigend. In dit verband verbaast het ons, dat

wèl gesproken wordt over de handel in elektrotechnische

artikelen, terwijl de positie van de warenhuizen en van de

discount-houses, die als element in de strijd op de markt

van elektrotechnische artikelen zeker niet van een conser-
vatieve instelling beschuldigd kunnen worden, onvermeld

blijft.

E.-S.B. 5-12-1962

1175

Indien de verkoop van branche-vreemde artikelen zou

berusten op een normale kostentoerekening, zou er

geen reden zijn voor onrust. Een verruiming van de vesti-

gingswet, die de dynamiek in de handel bevordert, wordt
op het ogenblik vrij algemeen aanvaard. Uiteraard zullen

er verschuivingen plaatsvinden en zal van de middenstand

een actieve aanpassing gevraagd worden aan deze nieuwe

ontwikkelingen. In het verleden heeft het midden- en

kleinbedrijf uit eigen kracht de concurrentiepositie t.o.v.
het grootbedrijf weten te handhaven. De heer Van Apel-

doorn noemde alleen de levensmiddelenhandel, maar ook

voor de detailhandel in textiel, in huishoudelijke artikelen

en speelgoed bijv. bestaan inkoopverenigingen, die de

leden in staat stellen te concurreren met het warenhuis.

Het wordt echter een ander geval, wanneer bepaalde onder-

nemingen de verkoop van branche-vreemde artikelen tot
zich trekken om deze als lokartikel te gebruiken, waarbij

van een juiste kostentoerekening geen sprake is. Door geen

enkel middel, ook door samenwerking niet, kan de vak-

handel en het warenhuis zich hiertegen verweren.

De heer Van Apeldoorn geeft toe, dat er zich gevallen

van ,,loss-leader-selling” voordoen en hij acht deze vorm

van concurrentie oneerlijk, maar zwakt deze uitspraak

direct weer af met de mededëling, dat wanneer een bedrijf
tegen een lagere dan de normale prijs verkoopt, dit bedrijf

niet direct van oneerlijke concurrentie mag worden be-

schuldigd. Wij zijn het op dit punt met de schrijver eens en

willen zelfs verder gaan. Ook wanneer een bedrijf in zijn

commercieel beleid artikelen tegen of zelfs beneden de

inkoopprjs verkoopt, dan behoeven we dit nog geen on-
eerlijke concurrentie te noemen. Uiteraard zal een veel-

vuldige toepassing van dit middel in de concurrentiestrijd

tot chaotische toestanden in de detailhandel leiden, doch

dit behoeft voor de individuele ondernemer geen reden te

zijn om dit middel niet te gebruiken. Er
zijn
zo nog wel meer

activiteiten in de concurrentiestrijd te noemen, het cadeau-

stelsel bijv., die op ‘zich niet verwerpelijk zijn, doch waaraan

onzes inziens een grens is. Zodra
namelijk
een redelijke

ontwikkeling in de detailhandel verstoord wordt, zal de

overheid of de bedrijfsoverheid regelend moeten optreden

om onnodige verstoring van de detailhandel te voorkomen.

Wij hebben de indruk, dat na een periode, waafin de

vestigingswet een zekere verstarring in de detailhandel
bevorderde, nu een, periode is aangebroken, waarin het

bepleiten van een beperkende regeling gezien wordt als

een achterhoedegevecht van een behoudzuchtige midden-

stand, die een dynamische ontwikkeling belemmert en

waarbij iedere wettelijke regeling in detailhandelskwesties

als ongewenst wordt beschouwd. Uiteraard zal het niet

gemakkelijk
zijn
om steeds aan te geven wanneer en in

hoeverre bindende regelingen gewenst zijn, ook omdat de

belangen van de diverse bedrijfsvormen in de detailhandel

niet steeds gelijk liggen. In dit verband zou men de vraag
kunnen stellen of een wetenschappelijke benadering, van

de detailhandelsvraagstukken nog niet te veel te wensen

overlaat?

NASCHRIFT

Bij
het ingezonden stuk van Drs. J. J. G. Jonker zouden

wij de volgende kanttekeningen willen plaatsen.

1. Drs. Jonker gaat voorbij aan de strekking van ons

artikel.

2. Ter adstructie van zijn kritiek geeft hij. de desbe-

treffende onderdelen van ons betoog op een weinig ge-
lukkige. wijze weer. Een tweetal voorbeelden moge dit

verdüideljken.

,,Een regulerend
ingrijpen
van de overheid of van de

bedrjfsoverheid, bijv. het hoofdbedrijfschap Detailhandel

en Ambachten
1),
wordt uit den boze geacht, omdat hier-

door, zoals de heer Van Apeldoorn vermeldt, het dyna-

misch karakter van de handel nog verder wordt onder-

drukt”.

De enige passage uit ons artikel waarop de aangehaalde

parafraie kan slaan, luidt als volgt:

doch niet kan worden verwacht, dat de

Staatssecretaris van Economische Zaken op een dergelijk

verzoek (tot het nemen van wettelijke maatregelen) zal

ingaan. Zoü hij dit wel doen, dan zou het dynamisch

karakter van de handel namelijk nog verder worden onder-

drukt, zonder dat zulks uit een oogpunt van algemeen be-

lang is gewenst”.

,,Daarnaast tracht schrijver echter aan te tonen dat

hier voornamelijk sprake is van verkenningsacties op het
gebied van de verkoop van niet-levensmiddelen, waarbij

verkoop geschiedt op basis van een bedrjfseconomisch

juiste toerekening van kosten”.

De desbetreffende zin luidt evenwel:

,,De actie mag dan opgezet
zijn
om klanten te trekken

voor de levensmiddelenafzet, niet ontkend kan worden dat

het voor de levensmiddelenbedrjven
tevens
een verkennings-

actie is op het terrein der niet-levensmiddelen”.

Hoe
1?rs.
Jonker in ons artikel heeft kunnen lezen, dat

verkoop
bij
de levensmiddelenbedrjven
geschiedt op basis

van een
bedrjfseconomisch
juiste toerekening van kosten,

is ons niet duidelijk.

3. Nogal onvriendelijk vinden wij het inlassen van de

slagzin: Truth in advertising”. Wij zullen dit maar be-

schouwen als een ,,slip-of-the-pen”.

4. De slotvraag van Drs. Jonker zouden ook wij willen

stellen.
‘s-Gravenhage.

W. B. M. VAN APELDOORN.

1)
Bedoeld wordt vermoedelijk het Hoofdbedrijfschap Detail-
handel en/of het Hoofdbedrijfschap Ambachten.

[BOEKBESPREKINGEN

Dr. K. A. M. Bogaert: Conversietechniek bij converteerbare

obligaties.
H.E. Stenfert Kroese N.V., Leiden 1961,

120 blz., f. 12,50.
Het verleden jaar van de hand van Dr. K. A. M. Bogaert

verschenen boek ,,Conversietechniek bij converteerbare

(1. M.)

1176

E.-S.B.
5-12-1962

obligaties” is de eerste diepgaande beschouwing over het

belangrijke vraagstuk van de conversietechniek
bij
de na-

oorlogse Nederlandse converteerbare obligatieleningen.

Het vraagstuk van de conversietechniek – de wijze van

uitoefening van het recht om met obligaties aandelen te

verkrijgen – is daarom van grote importantie, omdat door

de wijze van vaststellen dezer techniek de vermogens-

structuur van de vennootschap in de toekomst bepaald

wordt. Een simpel voorbeeld ter illustratie. De uitoefening

van het conversierecht
bij
een conversiekoers van bijv.
200 pCt. kan – om maar twee louter theoretische voor-

beelden te noemen – bereikt worden door tegen drie

obligaties van f. 1.000 één aandeel van f. 1.000 uit te geven,

onder
bijbetaling
door de debitrice van f. 1.000, ofwel door

tegen één obligatie van f. 1.000 en bijbetaling van f. 1.000

door de houder één aandeel van f. 1.000 uit te geven.

Het eerste voorbeeld leidt tot een geringere kapitaal-

uitbreiding en een decaissement voor de vennootschap

terwijl in het tweede geval de kapitaaluitbreiding aan-

merkelijk groter is en bovendien nieuwe middelen in de

vennootschap vloeien.
Nadat de auteur in de eerste hoofdstukken een duidelijke

probleemstelling heeft gegeven en gewag heeft gemaakt

van hetgeen door anderen – overigens summier – over’

de conversietechniek is gesçhreven, gaat deze in de vol-

gende hoofdstukken over tot een schematische vaststelling,

op basis van de voor de sedert
1945
in Nederland uit-

gegeven converteerbare obligatieleningen geldende con-

versievoorwaarden, van de mogelijke
wijzen
van uit-

oefening van het conversierecht en de toepasbaarheid

dezer techniek. De gevolgen van ieder’ der wijzen van

conversietechniek
bij
algehele conversie voor het aandelen-

kapitaal, de agioreserve en de liquiditeiten worden ver-

volgens behandeld in hoofdstuk V. In het daarop volgende

hoofdstuk wordt onder de titel ,,De realisering van alge-

hele conversie” een interessant overzicht gegeven van wat

autoriteiten op het gebied van de converteerbare obligatie

menen ten aanzien van de
uiteindelijke
omzetting van

obligaties in aandelenkapitaal en de verwachtingen resp.

doelstellingen van de vennootschappen dienaangaande.

Na deze onderbreking wordt in hoofdstuk VU de draad

weer opgenomen en het in hoofdstuk IV en V beschrevene

nader uitgewerkt. Hierin wordt de vennootschap de wëg

gewezen, hoe
bij
algehele conversie het voor ogen staande

doel kan worden bereikt. De toetsing van de gevonden

gegevens aan hetgeen zich in de
praktijk voordoet, welke

geschied is op basis van een enquête
bij
de vennootschappen,

die na 1945 tot uitgifte van converteerbare obligatieleningen

zijn overgegaan, vindt men in het dan volgende hoofd-

stuk. In hoofdstuk IX worden de gevolgen van de wij-

ziging van de conversiekoers tijdens de looptijd van de

lening en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden voor
de vennootschap tot aanpassing aan . d& dan bestaande

behoefte besproken. Het boek besluit met het geven van

enkele richtlijnen voor het vaststellen van de keuze van

conversietechniek.

Mocht de niet al te zeer op formules beluste lezer bij

een eerste oppervlakkige kennismaking met het boek wel-

licht afgeschrokken worden, de vele formuleloze blad-

zijden zullen de belangstellende lezer opwekken toch van

deze formules en grafieken kennis te nemen, omdat blijkt,
dat deze een welhaast verrassende overdaad aan mogelijk-

heden voor het vaststellen van de wijze van conversie-

techniek aan het licht brengen, die
bij
het doornemen van

de lijst van converteerbare obligatieleningen stellig niet

direct naar voren treden resp. door het niet aanwezig zijn

niet naar voren kunnen treden. —

Toch blijven – zoals meestentijds – enkele wensen

onvervuld, met name ten aanzien van de motieven, welke

gelden voor het vaststellen van de
wijze
van conversie-

techniek. De indruk wordt niet weggenomen, dat de door

de schrijver hiernaar ingestelde enquête
eigenlijk
een in het

licht van
zijn
publikatie
vrij
teleurstellend resultaat heeft

gehad – hetgeen deze trouwens. ook min of meer con-

stateert -, zeker indien men bedenkt, dat de wijze van

vraagstelling de medewerkende vennootschappen enigszins

noopte tot een beantwoording in de door de auteur ge-

wenste richting. Het resultaat moet dan ook met de nodige

voorzichtigheid gehanteerd worden en mag zeker niet be-

schouwd worden als een afspiegeling van hetgeen de mede-

werkende vennootschappen voor ogen stond. Wel kan men

vaststellen, en de
schrijver
laat zulks ook niet na, dat er

vennootschappen
zijn,
die zich weinig rekenschap schijnen

te hebben gegeven van de – overigens soms theoretische

– mogelijkheden, welke schuilen in de wijze van vast-

stellen van de conversietechniek. Alleen al om deze reden

moet de verschijning van dit boek worden toegejuicht,

omdat het voor vennootschappen en meer speciaal haar

adviseurs in financieel-economische aangelegenheden ge-

legenheid biedt een diepgaande studie te maken van en

zich derhalve een gefundeerd oordeel te vormen over de

voor- en nadelen, die een financiering met in de vorm van
een converteerbare obligatielening te verkrijgen middelen

biedt.

Het is overigens jammer, dat Dr. Bogaert naast de bij

de vennootschappen ingestelde enquête geen navraag heeft

gedaan bij de
bij
dergelijke operaties bemiddelende en

meestentijds adviserende instellingen naar de motieven,

welke aldaar worden gehanteerd voor een advies resp.

beslissing tot het aangaan van een converteerbare obli-

gatielening en binnen welke grenzen deze instellingen zich
zouden willen bewegen ten aanzien van de vaststelling van

de conversietechniek en de hoogte der conversiekoers. Dit

had waarschijnlijk het. inzicht in deze materie verdiept en

wellicht tot een meer gefundeerde conclusie geleid ten

aanzien van de geconstateerde wijzen van uitoefening van

het conversierecht. Dit leidt tot de signalering van een

tweede bezwaar. De tabellen en grafieken zijn vervaardigd
aan de hand van vaststaande gegevens, nl. de voorwaarden

der na de oorlog in Nederland uitgegeven converteerbare

obligâtieleningen. Hiertegen kan moeilijk bezwaar worden

gemaakt. Het nemen van uitersten als grenzen kan het

beeld echter nodeloos ingewikkeld maken. Zo blijkt ten

aanzien van de hoogte der conversiekoers, dat deze in

meer dan de helft van de gevallen 200 pCt. of lager is en

indien de grens gesteld wordt op 275 pCt., blijkt hieronder

zelfs
bijna
85
pCt. te vallen. Ten aanzien van de verhouding

der nominale waarden van de in te leveren obligaties en

te verkrijgen aandelen doet zich eveneens een accumulatie

van bepaalde verhoudingen voor., Beide voornoemde op-

merkingen leiden tot de vraag, of het voor de auteur

nuttig zou zijn geweest, indien deze
bij
de enquête mede

gevraagd had naar de motieven ten aanzien van de vast-

stelling van de
hoogte
der conversiekoer.s en een eventuele

correlatie met de ten tijde der vaststelling der conversie-
koers bestaande koers der aandelen.

Vanzelfsprekend beoogt het hier besproken boek niet

de maatstaven en overwegingen volledig te behandelen.

Dit is trouwens de opzet niet geweest, doch indien zowel

door middel van de wijze van enquêteren en de keuze van

E.-S.B.
5-12-1962

.

1177

de te ondervragen instellingen als aan de hand.van reeds

verschenen publikaties Dr. Bogaerts boek uitbreiding in

deze zin zou hebben ondergaan, zou dit het werk – zonder

afbreuk te

doen aan de probleemstelling – verder in

waarde hebben doen toenemen en in ieder geval de induk

hebben kunnen wegnemen, dat in vennootschapsland niet

altijd voldoende inzicht bestaat in de essentie en de mo-

gelijkheden van de converteerbare obligatielening.

Evenwel, ondanks het hiervoor gestelde, mag de publi-

katie van dit boëk een verheugend verschijnsel en een wel-

kome aanwinst genoemd worden, omdat al weer blijkt,

dat de facetten der converteerbare obligatie talrjker wor-

den naarmate voor dit financieringsmiddel -de belang-

stelling groeit. Dit boek behandelt één van de belangrijkste,

doch misschien minst overwogen, problemen. Daaren-

boven zullen de beschouwingen over daarmede verband

houdende actuele kwesties, ofschoon hier en dâar aân-

vechtbaar (waarvoor bijv. ten aanzien van het beschrevene

inhoofdtuk
lx,
handelende over de wijziging van de

conversiekoers tijdens de looptijd van de lening, moge

worden verwezen naar de artikelen van schrijver dezes in

,,E.S.B.” van 11 en 18 april 1962), in ieder geval uitnodigen

tot een verdere bestudering van de aspecten van de con-

verteerbare obligatie.

Zwïnenburg.

A. H. M. VAN DER DONK.

Dr. L. Lips: Wiskunde voor economen. P.
Noordhoff N.V.,
Groningen, 239 blz., f.
15,75.

De introductie van de wiskunde in het propadeutisch

examen aan de economische hogescholen en faculteiten in
Nederland heeft de belangrijkheid van de groep economen

die geen wiskundige basisopleiding heeft gehad, relatief

doen afnemen. Aangezien evenwel deze introductie dateert

van na de oorlog blijft toch nog wel deze groep op zich
van voldoende omvang om bijzondere aandacht te ver-

dienen. Dit geldt temeer daar ook steeds grotere delen van

de, vakliteratuur mathernatische bewerkingen bevatten.

1-let is zelfs zo dat de moderne ontwikkeling van belang-

rijke onderdelen van de economische wetenschap nauwe-

lijks meer te volgen is zonder een zekere basiskennis van

de wiskunde.

In het voorvoord tot zijn ,,Wiskunde voor economen”

blijkt de heer Lips dit probleem duidelijk te onderkennen

wanneer hij schrijft: ,,afgestudeerden die hun vak willen
bijhouden maar die in hun studietijd met geheimzinnige

symbolen, die door ingewijden met de termen differentiaal-

quotiënt en integraal werden aangeduid, kennis hebben

gemaakt, worden hierdoor verontrust en krijgen het gevoel

niet meer bij te kunnen blijven”
1).
Hij meent dat de boeken

wasruit hogere wiskunde te leren.valt er weliswaar te kust

en te keur zijn, doch het bezwaar hebben dat zij bijna

alle afgestemd zijn op studenten op B-niveau. Hij zegt

verder dat het naar zijn mening mogelijk moet zijn Stu-

denten met H.B.S.-A opleiding de wiskunde zo voor te

schotelen, ,,dat zij het idee krijgen dat dit vak toch nog

meevalt endat de afkeer ervan omslaat in een verlangen

om er wat meer van te willen weten”. En met het boven-
staande voor ogen heeft hij zijn boek geschreven.

De wijze waarop in het boek wordt getracht de begin-

selen van de differentiaal- en integraalrekening zo een-
voudig en helder
mogelijk
uiteen te zetten verdient lof.

1)
Vrij
citaat.

11
1
8

De afleidingen zijn simpel gehouden eneen voor de eco-

nooni onnodige exactheid bij de bewijsvoering is ver-

medeii. Als zodanig zou het boek duszijn functie kunnen

vervullen. Daarbij moet dan worden aangetekend dat de

behandelde stof wèl bepaaldelijk onvolledig is. Zo zal men

vergeefs zoeken naar ook zelfs maar een zinspeling op de

moderne algebra. De belangrijkste delen van de reeks-

ontwikkeling ôntbreken volkomen en ook differentie-

vergelijkingen komen niet ter sprake. Evenmin worden be-
handeld permutaties en combinaties noch poolcoördinaten.

In een ander opzicht schiet het boek evenwel meer te
kort. En dat wordt direct duidelijk indien men het boek

beoordeelt van het standpunt van de econoom. Men zou,
zich op dit standpunt stellend, immers verwachten dat in

het boek duidelijk wordt gemaakt hoe ecânomische be-

grippen verwant zijn aan mathematische begrippen en

omgekeerd, bijv. hoe het marginaal denken verwant is aan

de differentiaalrekening, hoe een partieel differentiaal

quotiënt zich verhoudt tot de ceteris paribus clausule in

de economie, op welke wijzé de integraalrekening het ver

band kan leggen tussen de micro- en de macro-economie

enz. In het kort gezegd dus kan men als tweede eis aan

een wiskundeboek voor economen stellen dat de wiskunde

en de economie in gemtegreerde vorm worden gebracht.

Daarbij kan men weer van tweeërlei standpunt uitgaan,

ni. behandeling van de economische theorie en dus vol-

gend de systematik van de economische theorie, en een

zuiver wiskundige systematiek, geïllustreerd met voor

beelden uit de economie. Het valt te betreuren dat het boek

van de heer Lips in dit opzicht te kort schiet.

In het hele, 239 bladzijden tellénde,-boek wordt slechts

een halve bladzijde ge’jd aan een economisch vraagstuk.

In feite geeft het dus zuivere wiskunde. Door deze be-

handeling wordt weliswaar ,de kloof tussen het wiskunde-

niveau van H.B.S.-A en dat van de meeste courante boeken

over wiskunde” overbrugd; doch de kloof die van veel

meer essentiële betekenis is, ni. die.tussen de wiskunde
en de theoretische economie zal er bepaald nièt nauwer

door worden.

Het is jammer dat de vele energie die zonder twijfel

aan het boekje is besteed tot een zo onbevredigend resultaat

heeft geleid. Vele veranderingen, omwerkingen en aan-

vullingen zullen nodig zijn alvorens het boek naar inhoud

aan de verwachtingen dôor de titel gewekt zal beantwoor-

den.

Rotterdam.

Prof. Dr. L. H. KLAASSEN.
L

LD-
‘N

ITÂ

4LM4iITTj

De verlaging van de daggeldrente op 28 november ii.
van 11 pCt. tot 1/
4
pCt. geeft duidelijk aan, dat de ruimte

op de geldmarkt, die reeds uit de weekstaat van De Neder-

landsche Bank per 26 november naar voren kwam, zich

in de afgelopen week heeft gehandhaafd. Het tijdstip van

de verlaging is merkwaardig. Immers, in de periode direct

voorafgaande aan de maandultimo pleegt veel geld uit

de kassen der banken te vloeien.
Bij
de novemberultimo

treedt de expansie van de bankbiljettencirculatie zelfs

doorgaans versterkt op, omdat wij allen de in voorgaande

maanden braaf gespaarde gelden voor dë Sinterklaas-

aankopen gaan gebruiken. Dat de omzetting van giraal in
chartaal geld geen krapteverschijnselen heeft opgeroepen
E.-S.B. 5-12-1962

1•

moet worden verklaard uit de aanvankelijk ruime kaspositie

der banken – het tegoed bij de Centrale Bank bedroeg

26 november. f; .565 mln., terwijl 11ien’ de verplichte kas-
reserve op
f.
360 niln: â f. 370 mln. kan stellen – en waar-

schijnlijk ook aan het blijven vloeien van gelden uit’s Rijks

kas. In de zevendaagse periode, die op 26 november is

geëindigd, is het staatstegoed
bij
de Centrale. Bank met

f.
256 ‘mln, teruggelopen en deze tendentie zal zich waar-

schijnlijk in de verslagweek hebben gehandhaafd.

Kapitaalmarkt.

Hoe sterk de spaargewoonte bij ons volk nog groeit

blijkt uit het aantal spaarrekeningen per 100 inwoners.
in
1959
,was, aldus het C.B.S., het percentage 92, in 1960

95
en in 1961 98,4. Dat betekent dus dat, wanneer wij mo-
gen veronderstôllen dat elke spaarder slechts één rekening

heeft – wij mogen dit wel niet ‘aannemen maar gegevens

hierover zijn nieC beschikbaar -, vrijwel iedereen, jong en

oud, rijk en arm, ‘een spaarbankboekje bezit. Dat het niet

bij het aanhouden van.zo’n boekje blijft, maar dater ook

langs deze weg wordt géspaard; ziet men uit het spaar-

verschil, de resultante van inleggingen en uitbetalingen. In
1961 bedroeg dit f. 951 mln. Wat het lopende jaar aangaat

weten wij reeds dat, wanneer wij een vergelijking maken

tussen de eerste tien maanden van het jaar, bij de drie

traditionele groepen van spaarinstellingen in deze periode

van 1961 f. 840 mln.
bij
elkaar is gebracht en in het lopende

jaar tot nu toe bijna f. 900 mln. De traditionele spaar

banken hebbentezamen bijna 90 pCt. van de totale spaar-

tegoeden ondei beheer. De handelsbanken hebben de

overige 10 pCt. aangetrokken.

De emissie van de Europese Investeringsbank (f. 30

mln., 20 jaar,
43/4
pCt., a pan) zal wel de laatste buiten-

landse uitgifte in 1962 op de Nederlandse kapitaalmarkt

zijn. De Nederlandsche. Bank is dit jaar bepaald minder

royaal met vergunningen geweest dan vorig jaar. Dat is

ook wel begrijpelijk, want de tegenstroom, de verkopen

van Nederlandse effecten naar het buitenland, is veel min-

der geworden Zouden geen hinderpalen in de.weg zijn
gelegd dan zou het.buitenland hier zeker meer hebben
geleend. Dat zou een hogere rentestand hebben mede-

gebracht. Echter economisch-politieke ‘overwegingdn enniet

de marktsituatie b’epalen de omvang der buitenlandse

emissies.

indexcijfers aandelen.

27 dec.

H. &.,L.

23 nov.

30 nov.
(1953 = 100)

1961

1962

1962

1962
Algemeen
………………..
410

431-295

343

39
Intern, concerns
………….
566

594.— 384

461

. 471
industrie

………………
366

396 – 292

323

326
Scheepvaart
…………….
184

186— 126

135

132
Banken
…………………
253

270-221

241

246
Handel enz
………………

160

171 – 129

147

150

Bron:
ANP-CBS., Prijscourant.

Aandelenkoersen.
Kon. Petroleum
………….
f. 126,70

f. 148,30 f. 148,70
Philips G.B
………………
f. 246,10

f. 148,30 f. 153,80
Unilever
……….. . …….
f. 189,70

f. 139,30

f. 142,50
Robeco
………………….
f. 252,50

f. 204

f. 207
Hoogovens, nrc. ……….. .776

560

575
A.K.0
………………….

404′!,

382

3914
Kon. Zout-Ketjen, n.r.c
…….
1.070

760

780
Zwanenberg-Organon
……..
1.024

889

919
Interunie
………………..
f. 228

f. 183

f. 187,50
Amsterd. Bank
…………..
396

.

372

379

New York.
Dow Jones Industrials
……..
731

645

649

Rentestand.
Langl. staatsobl. a)

……….
4,12

4,28
4,27
Aand.: internationalen a)
2,83 b)

.
3,18
lokalen a)

…………
3,55

,

.
3,79
Disconto driemaands schatkist-
papier

…… . …………
1/
4

Bron:
Veertiendaags beursoverzicht Anssterdamsche Bank.
19 december,
C. D. JONGMAN.

E.-S.B. 5-12-1962

RECENTE PUBLIKATIES

P. J.
Polgieser: inleiding tot de Bedrjfseconomie.
Vijfde

druk. J. Muusses NV., Puimerend 1962, 351 blz.,

f. 11,50. –

Deze vijfde druk onderscheidt zich van zijn voôrgangers

door de herschrijving van de afdeling Kostprijs. Hierbij is
getraçht de belangrijke ontwikkeling in de vakliteratuur te

verwerken. De andere delen van dit boek betreffen ,,De’

Balans” – ,,De Financiering” – en ,,De Organisatie”.

,,Financiële Notities”, bundel herdrukte opstellen van de

hand von
Prof:
Dr. C. F.
Scheffrr.
N.V.
Uitgevers-

maatschappij v/h G. Delwel, ‘s-Gravenhage.1962, 203

blz., f. 7,90. –

De 17 opstellen zijn: Financieringstheorie en finan-
cieringspraktijk – Verkenningen op het terrein van het

financiële beleid -. Beschouwingen over de financiering der

produktiehuishouding – De voorgecalculeerde balahs als

sluitstuk van het financieringsplan – Het werkkapitaal als

hulpmiddel der balansanalyse – Rentabiliteitsanalyse –

Eiige aantekeningen omtrent de ,,cash flow” – Finan-

cieringsstructuur bij ziekenhuizen – Krediet op niiddel-

lange termijn – Spaargelden als bron voor kiedietverlening –

Notities over het afbetalingskrediet – De converteerbare

obligatie als beleggingsobject en financieringsfiguur – Der

Schutz hationaler Interessen bei Aktiengeseilschaften in

den Niederlanden – Financiering van banken d.m.v.

deposito-obligaties – De kredietverlening van klein- en

middenbedrijf en het Industrieel Garantiefonds – Concen-

tratie en financiering – Vervangingswaardeleer en finan-

ciering.

P. J.
Potgieser: Bedrijfsecononiisclie vraagstukken.
Deel

1: 128 blz., f. 3,90. Deel 11: .226 blz., f. 6,90.

J. Muusses, Purmerend 1962.

Bij deze vijfde druk is de stof in 2 delen verwerkt.

Deel 1 bevat de vraagstukken die geschikt zijn voor het
examen Bedrijfseconornie voor de M.B.A.-examens.
Deel 11 is gericht op het vak Bedrijt’seconornie van het

examen S.P.D. en M.O.-Boekhouden/Handelswetenschap-

pen.

De vraagstukken hebben betrekking op ,,De Kostprijs”

– ,,De Balans” – ,,De Financiering” en ,,De Organisatie”.

Dr. K. A. M. Bogaert: Welvaartsniveau en Defensie-

uitgaven.
H.E. Stenfert Kroese, Leiden 1962, 28 blz.,

f.2.

Rede, uitgesproken
bij
de aanvaarding van het ambt,

van Buitengewoon Hoogleraar in de Economie bij de af-
delin Soiale’ en Economische Studie en Leiderschap van

de K.M.A. te Breda op 7 november 1962.

Dr. W. J. van cle Woestijne: Techniek en Economie.

H.E. Stenfert Kroese, Leiden 1962, 22 blz., f. 1,80.

Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt

van Gewoon Hoogleraar in de Economie aan de Tech-

nische Hoogeschool te Delft op woensdag 31 oktober 1962.

Statistiek der
geineentefinanciën.
Cornptabele gegevens

1958-1960:
Centraal Bureau voor de Statistiek. W. de

Haan N.V., Zeist 1962, 41 blz., f. 4.

1179

t
,

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN

VOOR NOORDELIJK NOORDBRABANT TE

WAALWIJI(

roept gegadigden op voor de functie van

SECRETARIS

wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de huidige functionaris per 1 maart 1963.

Een juridische of economische opleiding wordt noodza-
kelijk geacht.

Salaris nader overeen te komen.

Woning eventueel binnen redelijke tijd beschikbaar.

Eigenhandig – niet met balipoint – geschreven sollici-
taties met uitvoerige inlichtingen en met bij sluiting van
een recente pasfoto binnen twee weken na het verschijnen
van deze oproep te zenden aan de Voorzitter der Kamer,
de heer J. Timmermans, Grotestraat 268 te Waalwijk.

V
oor rCCI’.’.iiC

kan men te veel

en ook

te weinig uitgeven.

De meeste mislukkingen zijn vaak het gev6tg –

van het laatste

GEMEENTE ALKMAAR

(Ie klasse)

Sollicitanten worden opgeroepen naar de betrekking van

DIREtTEUR

der in 1963 te openen
‘detailhandelsvakschool.

Zij, die met gunstig gevolg het doctoraal examen, in de economische wetenschappen hebben afgelegd of in het
bezit zijn van de acte handelswetenschappen M.O., en
bijzondere belangstelling hebben voor de detailhandel,
genieten de voorkeur.

Salaris van
f 959,—
tot
f
1.324,— of ‘
f
980,— tot
f
1.360,— per maand, al naar gelang van bevoegdheid.

Sollicitatiestukken met uitvoerige inlichtingen in te zen-
den aan het gemeentebestuur v66r 9 december 1962.

D. HUDIG & CO

Ao. 1825

MAKELAARS IN ASSURANTIN

ROTTERDAM

Telefoon (010) 130800

Wijnhoven 23

Telex ,211 03

Postbus 518

VAN DER HOOP, OFFERS & ZOON

Ao. 1807

BANKIERS

/ ROTTERDAM

Telefoon 114620

Westersingel 88

Telex 22199

Postbus 502

IIIhuhIlllIIItllllIIIIIlIIIIllIllIIlllIIIIlIllIrlllIlIIIIllIIIIlIlIlIIl

Telkens en telkens blijkt ons weer.
hoezeer de nog steeds snel groeiende
lezerskring van onze uitgave
deze wegwijzer, speciaal voor de parti-
culiere belegger, wat inhoud, actualiteit
en objectiviteit betreft waardeert.

Dit heeft vele redenen: het bevat
wekelijks:

le Interessante (hoofd)artikelen, die
steeds actuele onderwerpen des-
kundig behandelen.

le Een uitvoerig en levendig, bijna
dynamisch geschreven beursover-
zicht, da stemming goed weer-
gevend.

3e Door een ieder te hanteren fonds-
analyses, volgens een eigen prak-
tisch systeem, enig voor Nederland.

4e Een chronique scandaleuse, fair en
onderhoudend gesthreven en uiter-
aard zonder sensatie.

.5e Een leerzame vragenrubriek, ad-
viezen voor velen inhoudend.

6e Gegevens omtrent vele fondsen
(ook van incourante) telkens
wanneer hieromtrent iets te mel-
den valt.

Wij zenden u op uw verzoek gaarne
gratis een 2-tal proefnummers ter
kennismaking.

Adm. Bel-Bel, Postbus 42, Schiedam.

1180

E.-S.B.
5-12-1962

,

Li

OPPO
LISOM

BOA
iJ

C

L

rl
:
A

1
CLUSTER PAK

NU OOK IN EUROPA

Cluster Pak; de veelvoud-verpakking voor 2 tot 10 flessen of blikken. Voor

bier en frisdranken, voor alle conserven. Het Cluster Pak procédé wordt

in de Verenigde Staten reeds meer dan 10 jaar toegepast. Door alle brou-

werijen, door de grote frisdranken-industrieën, door tal van vooraanstaan-

de conservenfabrieken.

omdat
Cluster Pak’s arbeidsbesparend werken. Elke handeling geschiedt

niet meer per fles of blik, maar per Cluster Pak.

omdat
Cluster Pak’s duidelijker ,,spreken” dan het beste etiket of de

fraaiste wikkel.

omdat
de brede zijkanten van elk Cluster Pak

als opvallende showcards fungeren.

p
nikk

omdat veelvoud-verpakking tot veelvoud-ver-

koop leidt.

Uitvoerige documentatie wordt u gaarne toegezonden door

1

MEAD-BRAMSON
NV.
.GROTÈ KOPPEL 14
.
AMERSFOORT
.
TEL. 03490-21114

E.-S.B. 5-12-1962

1181

Fa.A. O.Beuthvan Wickevoort Crommelin

Economische Pensioenadviseurs

Rubensstraat 89 – Amsterdam-Z.

Tel. 020-725410

* ,,De weg uit de pensioendoolhof” is op aanvraag gratis
voor directies of fondsbesiuren verkrijgbaar.

Er ontbreekt nog .
één
specialist aan

Uw bedrijf….

Gn onderneming met oog voor verantwoorde bedrijfs-

voering2al het belang van specialisten willen ontkennen.

Toch missen vele ondernemingen de hulp van een econo-

misch-pensioenadviseur, die terzake van alle facetten op
zijn gebied deskundig is.

Een feit is, dat in de premie voor de pensioenreg1ing een

marge voor een tussenpersoon ingecalculeerd is. Déverzeke-

ringnemer heeft het — geldswaardige – recht, de ecotiomisch-

pensioenadviseur als tussenpersoon aan te wijzen.

Door deze aanwijzing ontvangen de belanghebbenden die

voortdurende,juridisch- en economisch-deskundige bijstand
waarop zij recht hebben.

Economisch doctorandus ge-
specialiseerd in

RESEARCH OP

SOCIAAL GEBIED

• verzorgt publikaties in-‘
zake sociale verzekéring,
pensioenen en lonen;

• richt documentaties in

• geeft advies.

Br. onder no. E.-S.B. 49-1,

postbus 42, Schiedam.

llIIlIlIliIIlIIllIIlIllIllIIIIllIIIlIIIllIIiIllIllIlIIIIllIlllllIlIIlIll

Voor vacerende functies

en beschikbare krachten

op hoog
niveau
zijn
de

advertentiekolommen van

Economisch-Statistische

Berichten” het aan gewezen

medium:

le)
Omdat Uw annonce onder
de aandacht komt van stufper-

soneel in de grote bedrijven.

2e) Omdat Uw annonce wordt

gelezen door diegenen, die de

zakelijk belangrijke beslissingen

nemen, of daarbij von grote

invloed zijn.

EÜROPËSEiNVESTERINGSBANK

t ‘

:

-.

Uitgifte

van

nom.
‘f. 30.000.000.-
4’4°Io
20-jarige obligatiën,

in stukken van nominaal f. 1.000.- aan toonder,

.1tot.de..Joers van 100 pCt.

Aflossing geschiedt â pari op 15 December, voor de eerste maal op 15 December 1973, in 10
gelijke jaarlijksé termijnen .ran f. 3.000.000.-.
Vervroegde algehele of gedeeltelijke aflossing is toegestaan van 15 December 1973
af,
uit-
sluitend op 15 Decemberan elk jaar, in de jaren 1973 t/m 1976 á 101’/2 %, daarna á 101 %.

Ondergetekenden berichten, dat
zij
de inschrijving op bovengenoemde uitgifte open-
stellen op

Donderdag, 6 December 1962

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags ‘4 uur,

bij hare kantoren te Amsterdam, Rotterdam
en ‘s-Gravenhage, voor zover aldaar
gevestigd, op de voorwaarden van het prospectus van uitgifte d.d. 28 November 1962.

Exemplaren van het prospectus en inschrjvfngsbiljetten alsmede – tot een beperkt
aantal – exemplaren van de statuten van de Europese Investeringsbank en van haar
laatste jaarverslag zijn verkrijgbaar bij de inschrjvingskantoren.

Amsterdam
28 Novenber 1962.
Rotterdam

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.

DE TWENTSCHE BANK N.V.

HOPE
& CO.

R. MEES & ZOONEN

NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ N.V.

PIERSON, HELDRING &
PIERSON

ROTTERDAMSCHE BANK N.V.

1182

E.-S.B. 5-12-1962

ECONOMISCH ADVIESBUREAU Drs. II. KALKHOVEN

Rotterdam

Amsterdam

Reemraadssingel 261

Tintorettostraat 6

In opdracht van Commercial Plastics Ltd., Engeland

en Boekelo-Plastics N.V. Nederland zoeken wij voor

hun te Amsterdam gevestigde gemeenschappelijk

verkoopkantoor

GENERAL SALES MANAGER

De aan te’ stellen functionaris, die rechtstreeks verant-‘

woordelijk is aan de Directie, moet vanuit dit kantoor

leiding geven aan een reeds bestaande Organisatie van

agenten en vertegenwoordigers, werkzaam in de Benelux.

Gelet op de toekomstige ontwikkelingen bestaat de

mogelijkheid dat het werkterrein van dit verkoop-

kantoor wordt uitgebreid tot geheel West-Europa.

Voor deze functie is naast een academische of daar-

mee gelijk te stellen opleiding, ervaring met moderne

marketing-technieken en het leiding geven aan een

verkoopapparaat vereist.

Leeftijd: 35-40 jaar.

T.a.v. de honorering wordt- gedacht’ aan een inkomens-
niveau van .f. 25.000,— —± f. 35.000,—.

Zij, die voor deze veeleisende functie in aanmerking denken te komen, kunnen zich voor

het verkrijgen van nadere inlichtingen telefonisch in verbinding stellen met Drs. H. S. Menco

(020 – 79 20 12). De opdrachtgevers zullen eerst na ovçrleg met eventuele candidaten van

hun sollicitatie op de hoogte worden gebracht.

Jiaak gebruik van

de rubriek

VACATURES

voor het oproepen van sollicitanten voor leidende

functies. Het aantal reacties, dat deze annonces
ten gevolge hebben, is doorgaans uitermate be-

vredigend; begrijpelijk: omdat er bijna geen

grote instelling is, die dit blad.niet regelmatig

ontvangt èn waar het niet circaleert!
E.-S.B. 5-12-1962

1183

Instelling van onderlinge VERENIGINGEN voor

VERZEKERINGEN DIENSTVERLENING

tenbehoeve van het bedrijfsleven.

PENSIOEN-RISICO:

collèctieve ouderdoms-, wedu.

wen-, wezen- en invaliditeits-

verzekering.

BRAND-RISICO:

brand. en bedrijfsschadeverze.

kering van industriêleen andere

objecten.

MOLEST-RISICO:

verzekering tegen oorlogsscha-

de, étormschade en andere risi-

co’s.

VERVOER-RISICO:

transportverzekering van goe-
derenzendingen in ..binnen en

buitenland.

WET-RISICO:

bedrijfs-w.a.-verzekering, motor-

rijtuigverzekering,- ongevallen-

verzkeringvoorinzittendenvan ..

automobielen.

Onderling

kosten

dragen

betekent

kó sten
bes

VERENIGING

VOOR CENTRAÏJE

ELEKTRONISCHE

ADMINI STRATIE

(C.E.A.):

loon-, voorraad-, debiteurenad-

ministratie, facturering enz. met

behulp van elektronische appa-

ratuur.

Geniet de voordelen van aansluiting bij deze

verenigingen.

BOS EN LOMMERPLANTSQEN 1 AMSTERDAM-W. TEL. 134971- POSTBUS 8400

1184

E.S.B. 5-12-1962

Auteur