Ga direct naar de content

Jrg. 47, editie 2324

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 14 1962

Alle assurantiën

R. MEES&ZOONEN

Rotterdam

BANKIERS EN ASSURANTIE

MAKELAARS

72O

Bèleggingen en vermogensbeheer

Behoeft

Uw staf

uitbreiding?

Verzuimt dan niet E.-S.B. voor Uw oproep

in te schakelen. E.-S.B. biedt U een grote

trefzekerheid, 66k bij aspirant-leidinggevende

functionarissen in de commerciële, admini-

stratieve of aanverwante sectoren.

Advertentie-afd.

Postbus 42

Schiedain

Vakblad op het gebied van de detailhandel in verwar-

mings- en huishoudelijke apparaten zoekt

tEDE WERKER(S)

die artikelen leveren over specifieke branche-

onderwerpen, algemene d’etailhandelsvraag-

stukken, financiering, kartelpolitiek, vertikale

prijsbinding, verkoopkunde enz. enz.
Brieven aan redaktie De Schouw, Stationsweg 12-14 te
Leiden.

E C 0 NO MIS CH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van de
Stichting Het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.
Telefoon redactie: (010) 5 2939. Administratie: (010)
3 80 40. Giro 8408.

Privé-adres redacteur-secretaris:
Drs. A. de Wit, Sleedoorn-
laan 17, Rotterdam-12, tel. (010) 18 36 32.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam, Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.

‘Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwj/naardse Steen-
weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.

Abonnementsprijs:
franco
per post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen
f.
31,— per jaar (‘België en Luxemburg B.fr. 400).
Abonnementen kû,nen ingaan met elk nummer en slechts
.worden beëindigd per ultimo von een kalenderjaar.

Losse exemplaren van dit nummer
75
ct.

Advertenties:
Alle correspondénlie bétreffende advertenties’ te richten aan de N. V. Koninklijke Nederi. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam, tel. (010)
6 93 00, toesteil
of
3.

Advertentie-tarief
f
0,36 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f.0,72 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder
opgaaf
van
redenen te weigeren.

N.V. Instituut voor

Electronische Administratie

Gk,,hayen lOo, Rotterdam.l, tol. (010) 115751

Verricht tegen
vast tarief
administraties

en rekenwerk. Loonadministratie met in-

begrip van: afleveren van gevulde loon-

zakjes, overal in Nederland, vermelding

van gecumu leerde gegevens op loonslips,

jaar- en kwartaulcijfers in overzichtelijke

vorm, verdeling van-lonen over kosten-

soort en -plaats naar behoefte. Tevens

voorraad- en debiteuren-odministratie,

aangepast aan Uw eisen – Controctsduur

(min. 6 maanden) naar verkiezing.

138

E.-S.B. 14-2-1962

Toerisme in. Europa

Democratisering van luxe is een uiting van toenemende

welvaart. Hiert6e kan ook de ,,boorn” van het toerisme

worden gerekend. In een onlangs verschenen studie van

de O.E.S.O.
1),
waarin voornamelijk het jaar 1960 wordt

behandeld, berekenden de auteurs dat in het voornoemde

jaar het aantal aangekomen toeristen in de lid-staten, be-

nevens Zuidslavië, met bijna 15 pCt. t.o.v. het voorgaande

jaar toenam. Topcijfers boekten Spanje (46 pCt.), België

(40 pCt.), waarna op enige afstand Groot-Brittannië en

Portugal met 20 pCt. volgden. Nederland bleef met 14

pCt. nog enigermate beneden het gemiddelde.

De wedijver bij het verkrij-

gen van toeristische ontvangs- ”

ten resulteerde
bij
dë in de

tabel yermelde landen, naar

geschatte absolute bedragen,

in de volgende kopgroep:

Italië,
Frankrijk
en Groot-

Brittannië, West-Duitsland,

Zwitserland en Spanje en

daarna Oostenrijk: Opvallend

is hierbij de groei van Spanje

naar het niveau van Zwitser-

land. De rangorde na aftrek
van ioeristische uitgaven in

het buitenland geeft een

ander beeld: Italië, Spanje,

Frankrijk, Zwitserland en vervolgens Oostenrijk. Wederom

naar bestedingen. in absolute bedragen leverden West-

Duitsland, Groot-Brittarinië en Frankrijk het merendeel
der Europese toeristen. Relatief was evenwel het aantal

dat – van alle Nederldse vakantiegangers naar het

buitenland trok geijk aan dat van de Fransen, nI. ca.

25 pCt. –

Een vergelijking met andere betalingsbalansbestand-

delen bevordert het inzicht in de economische betekenis

van het toerisme. Gerelateerd aan de totale waarde van de

expdrtontvangsten beliepen de ontvangsten dank zij toe-

risme voor Spanje: 40 pCt., Oostenrijk: 20 pCt., Italië:

18 pCt. en voor Zwitserland: 16 pCt. Voor ons land beliep

dit 3 pCt. De netto ontvangsten door toerisme dekten in

Italië en Oostenrijk tot resp. 86 en 78 pCt. de tekorten

op de handelsbalans. In Zwitserland en
Frankrijk
nam

het toerisme in de rangorde van de exportsectoren resp.

de tweede en derde plaats in. In Zwitserland nog véér’

S.
5)
,,Tourism in Europe”, Parijs 1961, 99 blz., $1,25

die van uurwerken en in Frankrijk op korte afstand na die
van ijzer en staal en van automobielen.

Het lijkt ons dat de toenemende urgentie van het vraag-

stuk van vakantiespreiding geen toelichting behoeft.’Ook

bij een internationale vergelijking slaat Nederland in dit

opzicht een pover figuur. Landen als Oostenrijk, België

en Noorwegen bewezen dat op dit gebied resultaten kunnen

worden verkregen. In Oostenrijk trad o.a. spreiding van

vakanties van middelbare scholen in werking. In België werd

ontdekt dat de weersgesteldheid in juni beter is dan in

juli en augustus waarna een ,,vakantie in juni”-campagne

werd gestart. Hieraan ver-

‘ leenden de betrokken sectoren

medewerking zodat het aan-

tal vakantiegangers in juni

1960 t.o.v. 1959 met gemid-
______

deld 20 pCt. toenam. In Noor-

wegen nam gedurende de

laatste lOjaren het zomersei-

zoen toe van 24 tot 4 maan-

den terwijl het winterseizoen

van 2 tot 3 maanden aan-

groeide. Over het geheel ge-,

nomen was de situatie even-

wel ook internationaal niet

rooskleurig. De O.E.S.O.-

studie ziet reeds als lichtzijde

dat in een aantal landen de groei van het toerisme niet tot

een hogerpercentage toeristen in de seizoenmaanden leidde.

In de transportsector profiteerde alleen het luchtvervoer

van het toegenomen verkeer op de Noord-Atlantische

Oceaan waarbij de scheepvaart een lichte teruggang moest

incasseren. Reeds in 1960 nam evenwel ook bij het lucht-

vervoer de beschikbare capaciteit meet toe dan die van
de gebruikte. Het vervoer op de weg stond in het teken

van een aanzienlijke stijging van het aantal particuliere

automobielen. Hiertegènover bleef het vervoer met trein

en touring-car, globaal genomen, stabiel. Verschillende

overheden beseften dat de’ groei van het autopark uit-

breiding van het wegennet nodig maakt. In aantallen km

werden de autowegen in Italië, West-Duitsland, Groot-

Brittannië, Frankrjk”en België met resp. 263, 107, 63,

41 en 28 verlengd. Nederland bracht het tot 12 km. Tot

slot zij vermeld dat onder de vele andere gegevens, die in

de besproken studie worden veistrekt, o.a. uitvoerig aan-

dacht wordt besteed aan de ontwikkeling van de hotel
:

industrie in de lid-staten.
M. F8…

Aantal aangekomen

Toeristische ontvangsten en
toeristen in 1960

uitgaven (x $ 1 mln,) in 1960
Landen
Aantal in

1960 in
1960

pCt. van

ntvang-

Itga-

Saldo
>< 1.000

1959

5
en

ven

België

1.931

140,2

93,5
a)

.
W.-Duitsl

5.475 ‘

109,7

481

679

—198
Frankrijk ……..5.613

111,1

525

325

+200
Italië

9.100

105,8

642

92

+550
Neder. ……….
.1.477

114,1

128

127

+

1
Oostenr . ……..

4
..553

108,4

232

61

+171
Spanje

……….
6.113

145,7

297

50

+247
ver. Kon.

……
.1.669

119,7

525

574

– 49
Zwitserl
…..

4.949

107,9

297

117

+180

Oprn.:
Wegens gebrek aan uniformiteit zijn de gegevens der landen
internationaal niet exact vergelijkbaar.
a)
mci.
Luxemburg.

lii:
(IisJ
.

Blz.

Blz.
Toerisme in Europa, door Drs. M. Hart ………
139

investeringen?,
door Drs. D. M. N. van Wens-
Wetsontwerp kapitaal uitgaven publiekrechtel ijke

veen……………………………….
150
lichamen, door J. 1-fasper ………………

140

Op zoek naar criteria voor agrarische inves-
De betekenis van de vakantiespreiding,
door Dr.

teringen, door Dr. C. de Galan ………….
151
M. C. Tideinan ……………………….
144

Over de omvang der landbouwinvesteringen in
De ondernemer in het huidige tijdsbestek,
door

Nederland, door Drs. R. Iwema ………..
152
Drs. G. Haanen ………………………
147

Boekbespreking:

Die ekonomiese toestand in Suid-Afrika,
door

M. A. Robinson, M. C. Morton en J. D. Calder-
Dr. C. Verburgh ………………………
148

wood: Wegwijzer in de economie,
bespr. door
Ingezonden stukken:

Prof. Dr. J. E. Andriessen ……………..
156
Afnemende meeropbrengsten van Nederlandse

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. C. D. Jongman
157

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen; J. R. Zuidema. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: M. Hart.


COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick.

E.-S.B. 14-2-1962

AUTEURSRECHT vOORBEHoUDEN

139

De voorgestelde ,,Wet kapitaaluitgaven publiek-
rechtelijke lichamen” heeft voornamelijk gevolgen voor
de gemeenten. Zij heeft een voorgeschiedenis, die niet
steeds met voldoende objectiviteit is geschreven. Los
van monetaire en conjuncturele spanningen is het goed
dat de gemeenten de gevolgen van grote uitgaven op
het eigen budget weer meer moeten gaan afwegen. De
regering vraagt de wetgever om bijzondere bevoegd-
heden, o.m. tot afremming van activiteiten en even-
tueel invoering van een centrale financiering van kapi-
taaluitgaven als naar haar oordeel de omstandigheden
daartoe aanleiding geven. Gaan de voorschriften niet
te ver?
Schrijver noemt de volgende maatregelen, die
het voeren van een eigen financiële gemeentelijke poli-
tiek zullen bevorderen: 1. de gemeenten zouden moeten
zorgen voor de zelffinanciering van kapitaaluitgaven van openbare nutsbedrijven; 2. er behoren meer zgn.
kapitaalwerken dan thans uit de gewone dienst te
worden gefinancierd en 3. voor de onrendabele kapitaal-
uitgavèn kan een plafond worden bepaald dat verband
hôudt met de aanwezige schuld, drukkende op on-
rendabele objecten.

Wetsontwerp

kapitaaluitgaven

publiekrechteljke

lichamen

Wetsvoorstel.

Eind december 1961 is verschenen het reeds lang aan-

gekondigde ontwerp ,,Wet kapitaduitgaven publiekrech-
telijke lichamen”. Dit wetsvoorstel gaat ervan uit, dat het

in het belang van het algemene financieel-economische be-

leid gewenst is regelen te stellen met betrekking tot de

financiering van door publiekrechtelijke lichamen te ver-

richten kapitaaluitgaveri. Met publiekrechtelijke lichamen
worden bedoeld provincies, gemeenten, waterschappen en

gemeenschappelijke regelingen van die lichamen. Publiek-
rechtelijke bedrijfsorganisaties vallen hier dus buiten. Men

kan zich in zijn beschouwingen zonder bezwaar tot de
gemeenten bepalen, daar zij onder bedoelde lichamen

verreweg de grootste en belangrijkste groep vormen.
In het kort gezegd is het de bedoeling:

te voorkomen, dat de gemeenten te veel kasgeld op-

nemen;

in tijden van conjuncturele spanning een plafond

aan te geven voor het totale ‘bedrag, dat aan lang geld

mag worden opgenomen;

in tijd van overspanning van,de kapitaalmarkt een

centrale financiering in te voeren (bijv. via de Bank voor

Nederlandsche Gemeenten).

Op deze wijze zal ten behoeve van het monetaire verkeer

de toeneming van de uitgaven worden beperkt en zal bij

conjunctureel gevaarlijke hellingen de veiligheid worden

verhoogd. Het rentegamma wordt afgeschaft.

Het ontwerp van 1949.

Zullen de gemeenten tegen dit nieuwe ontwerp zoveel

bezwaar maken als tegen dat van 1949? In dat jaar –

het was merkwaardig – werd een wetsontwerp, dat de

invoering van een zekere mate van conjunctuurpolitiek

beoogde, in het openbaar besprbk&n en al veroordeeld,

hoewel het nog niet eens was gepubliceerd. Die wet zou

– zo meende men – de gemeenten gaan dwingen tot het

actief deelnemen aan de landelijke conjunctuurpolitiek.

Dat was bekend geworden door preadviezen van de hoog-

leraren Tinbergen en Simons voor het te Rotterdam op

2 juni 1949 gehouden congres van de Vereniging van

Nederlandse Gemeenten. Ook was het een en ander uit-

gelekt door een publikatie van de N.V. Bank voor Neder-

landsche Gemeenten
1)

1)
Zie ,,E.-S.B.” van 8 en 29 juni en van 6 juli 1949, nos.
1674, 1677 en 1678, en van 21 juni 1950, no. 1728.

Tinbergen voelde wel voor het opleggen van veiplich-
tingen, Simons meer voor persuasie. Tot de debaters be-

hoorden Prof. Mr. C. W. de Vries, die niet veel van de resul-

taten verwachtte, omdat de gemeenten voor de conjunc-

tuur in het algemeen minder gevoelig zijn en daardoor

dus minder kunnen doen dan het Rijk, en Mr. A. A. van

Rhijn die, nog onder de indruk van de massa-werkloosheid
van de jaren veertig, in hoofdzaak
uitbreiding
van de werk-

gelegenheid als doel aangaf. Door anderen echter werd

de gemeenten voorgehouden, dat zij
bij
de wet gedwongen
zouden worden in slechte tijden de belastingen te verlagen
en de uitgaven te verhogen, waartegenover dan zou komen

te staan, dat de belastingen in betere
tijden
zouden moeten

worden verzwaard, terwijl tegelijkertijd de uitvoering van

openbare werken; waaronder de woningbouw, zou moeten
worden verminderd.

De gemeenten trokken de doelmatigheid van zulk een

wet in twijfel. Ten eerste konden zij nog maar weinig be-

lasting zelf heffen, omdat de inkomstenbelasting door het

Rijk was overgenomen, en een verhoging van de belasting

op vermakelijkheden en op de honden voor een landelijk

te voeren conjunctuurpolitiek niet veel zou kunnen be-

tekenen; ook zouden zij de uitvoering van openbare werken

niet zomaat ineens kurmen vertragen. Immers, de nuts-

bedrijven (elektriciteit, gas, water en – toen nog – de

telefoon) moesten na de oorlog noodzakelijk worden ge-

moderniseerd en bovendien uitgebreid om de industriali-

satie tegemoet_te treden. En konden de gemeenten in het

schrikbarende woningtekort berusten? Zouden zij ook geen

scholen meer mogen bouwen? De gemeenten wilden eerst

wel eens weten of de regeringspolitiek van 1930-1940 inder

daad voor goed was omgebogen. Niettemin verklaarden

zij
zich
bij
monde van de Vereniging van Nederlandse

Gemeenten en in vertegenwoordigende lichamen bereid
om, als het algemeen belang zulks eiste, geen niet-strikt

noodzakelijke werken te zullen ondernemen, waarvan de

conjunctuur overspannen zou geraken.

De financiering gedurende de laatste jaren.

Hebben de gemeenten in de daaropvolgende jaren• in

overeenstemming hiermede gehandeld? Niet
altijd.
Maar

dat blijft tochmoeijk te beoordelen, want wât niet-strikt

noodzakelijk is, kan subjectief worden beoordeeld en wat

in duizend gemeenten gebeurt, is moeilijk te volgen. De

afwijking wsook weer niet zo ernstig als de openbare

140

E..S.B.
14-2-1962

mening uit publikaties van de President van De Neder-

landsche Bank en van regeringszijde zou kunnen opmaken.

De grieven tegen de gemeenten waren van tweeërlei aard,

t.w.
het laten oplopen van de vlottende schuld, ook voor

het financieren van kapitaaluitgaven; en

het toegeven aan een ongebreidelde drang naar ex-

pansie.

Met betrekking tot het eerste punt hebben de gemeenten

erop gewezen – en heeft de President van De Nederland-
sche Bank ook wel als juist erkend – dat de regering zelf

had gevraagd met kapitaalwerken, met name de woning-

bouw, door te gaan ook al zou voorshands met kasgeld

moeten worden gefinancierd. Overigens leek de toeneming

van de kasgeldschulden uit monetair oogpunt ernstiger

dan, zij was, omdat de gemeenten veel kapitaal wegens,

het kunstmatig laag gehouden renteniveau op de geld-

markt moesten lenen. Even later konden
zij
dezelfde mil-

joenen, die
zij
al eerder hadden afgelost en die slechts

tijdelijk met het etiket ,,kort geld” op de geidmarkt rond-
zweefden, op de gebruikelijke wijze weer voor lange tijd

ter kapitaalmarkt opnemen. En dan mogen
wij
niet ver-

geten, dat de regering zelf de crisis had verscherpt door

enige honderden miljoenen in het gemeentefonds te hou-

den, zodat de gemeenten in plaats van hun eigen reserves

te gebruiken, kasgeld moesten opnemen. Ik kom op het

behandelde onder dit hoofdje nog in een ander artikel

terug.

De tweede grief had betrekking op het totstandbrengen

van teveel openbare werken tegelijkertijd. V66r 1930, toen
er nog een hoofdelijke omslag was, moesten de gemeenten

zich
bij
iedere uitgaaf wel afvragen of bruintje dat wel

zou, kunnen trekken; Voor onrendabele kapitaalwerken
moesten de belastingenomhoog om rente en aflossing te

kunnen betalen. Van het ,antwoord op die vraag is de uit-

voering van een werk niet meer afhankelijk. De gemeente-

raden gaan na wat zij noodzakelijk achten en wat in hun

oog urgent is en dan kunnen die werken tot stand komen.

De Minister van Financiën heeft in de zitting van de Eerste

Kamer van 1957/1958
2) O.M.
opgemerkt, dat de gemeente-

raden plannen kunnen aannemen zonder zich af te vragen

of in de volgende jaren de nodige middelen voor de be-

taling van rente en aflossing wel beschikbaar zullen zijn.

De Minister liet daarop volgen: ,,Blijkt de volgende be-

groting niet te kloppen, dan wordt een subjectieve ver

hoging” (uit het gemeentefonds) ,,gevraagd, en deze zal

herhaaldelijk moeten worden gegeven, omdat het om vast-

staande verplichtingen gaat”. Dit is nu juist de toestand

waarvoor van gemeentezijde is gewaarschuwd: door het

wegvallen van het belastinggebied ontbreekt de noodzaak

om
bij
het doen van een uitgaaf te overwegen welk offer

aan de gemeenschap zal moeten worden opgelegd.
Hier zit de kwetsbare Achilles-pees van de gemeenten.

De nieuwe bevoegdheden.

1. De Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken

dan wel de Ministers van Financiën en van Verkeer en

Waterstaat
3
stellen éen tijdvak vast waarbinnen het ver-

krijgen van vaste financieringsmiddelen voor nieuwe kapi-

taaluitgaven verzekerd moet zijn (ten hoogste 1 maan-

den). Dit voorschrift moeten Gedeputeerde Staten, bij

2)
Aangehaald in’: ,,Het financieringsged’rag der gemeenten”,
door Dr. B. van der Land (blz. 1981199).

hun toch reeds vereiste goedkeuring van raadsbesluiten,
ii’acht nemen. Zij moeten tweemaal uitkijken en mogen

dan pas goedkeuren.

2. Indien de vlottende schild laag is, zullen zonder

vaste financieringsmiddelen kapitaaluitgaven kunnen wor-

den gedaan. De zwaardere keuring van Gedeputeerde

Staten, bedoeld sub 1, kan dan achterwege blijven. Om te
beoordelen of een kasschuld laag is, bepalen de Ministers

tot welk percentage van de gewone ontvangsten de kas-

schuld mag toenemen om kapitaaluitgaven nog met kas-

geld te mogen financieren. Dit is ten minste 25 pCt. en
– om de kleine gemeenten te ontzien – is het bedrag ten

minste f. 100.000.

3. De Ministers kunnen, als de kasschuld te hoog

wordt, voor andere zaken beschikbare kapitaalmiddelen

aanwijzen (buy. de opbrengst van grondverkopen) om

aan ongedekte verplichtingen ten laste van de kapitaal-

dienst te kunnen voldoen.

4. Bij Koninklijk Besluit kan aan bepaalde. gemeenten

dispensatie worden verleend van de eis, dat de gemeenten

niet zonder vaste kapitaalmiddelen mogen financieren.

5.
Bij
Koninklijk Besluit (Algemene Maatregel van Be-

stuur) worden voorschriften gegeven:

hoe de hoogte van de vlottende schuld berekend

moet worden;

hoe de ,,gewone inkomsten” moeten worden be-

rekend voor de bepaling van het percentage bedoeld sub 2

(daar hangt dus veel van af voor de berekening van het

bedrag, dat mt het minimum van 25 pCt. wordt bedoeld).
6. Eveneens kunnen
bij
Algemene Maatregel van
Be-

stuur algemene voorschriften worden gegeven betreffende

de voorwaarden van de vaste leningen, behalve met be-

trekking tot de rente.

7.
De
Ministers kunnen in tijd van monetaire spanning

het totaal van de bedragen vaststellen, dat de gezamenlijke

gemeenten in een tijdvak van twaalf maanden aan vaste

leningen mogen opnemen. Rijksvoorschotten voor de

woningbouw vallen hier buiten.

8. De Ministers kunnen aan Gedeputeerde Staten voor-

schriften geven hoe zij de provinciale contingenten over

de gemeenten in hun provincies zullen moeten verdelen.

9. De Ministers kunnen in tijden van overspanning van

de kapitaalmarkt voor ten hoogste twaalf kalendermaanden

een centrale financiering van alle gemeentelijke kapitaal-

uitgaven voorschrijven.
10. De Ministers kunnen dè termijn van twaalf maanden,
genoemd sub 7 en 8, verlengen mits v66r de afloop van die

termijn de instemming van de wetgever wordt gevraagd.

11. De Ministers krijgen blanco bevoegdheid ter uit-

voering van , de bepalingen, die op de overspanning van

de kapitaalmarkt betrekking hebben.

12. De Ministers kunnen tijdens de termijn, bedoeld

sub 9, voorschriften geven betreffende het garandden

van rente en/of aflossing door de gemeenten.

13. Bij Algemene Maatregel van Bestuur worden voor

schriften gegeven betreffende het verstrekken van gegevens

door de gemeenten en aan wie.

Vrijheid en gebondenheid.

Afgezien van enkele – zij het belangrijke – verschillen

komt de regeling neer op een voortzetten van de praktijk,

die met het rentegamma is opgedaan. Hierin ligt danwel

een ongezocht liewijs hoe principieel verkeerd het was het

vernietigingsrecht van de Kroon te hanteren in plaats

van te handelen krachtens een wet.

E.-S.B. 14-2-1962

141

Wij gaan nu na of de gemeenten nog een redelijke
vrijheid van handelen zullen hebben ôf dat
zij
meer

gebonden worden dan strikt noodzakelijk is. Want hierop

komt het aan.
Buiten tijden van monetaire en culturele spanningen
kunnen de gemeenten langs de bekende paden werken

blijven uitvoeren en financieren als
zij
een lage kasgeld-

schuld hebben. Zij kunnen ook voor bepaalde werken

volledige vrijheid behouden als zij van de Ministers

incidenteel dispensatie van financiering zonder vaste nieuwe

middelen krijgen. Ook zijn zij Vrij van extra toezicht

als
zij
voor een bepaald doel een schema maken, waarbij
de financiering voor tien jaar met toegezegde leningen of

bijv. door grondverkopen wordt verzekerd.

Maar zodra de kasschuld hoger komt dan f. 100.000

of meer zal zijn dan het door de Ministers te bepalen

percentage van de gewone middelen (ten minste 25 pCt.)

zullen zij onder extra toezicht van Gedeputeerde Staten

vallen. De vraag is nu, welke regelen zullen de Ministers

stellen om uit te maken wat ,,gewone middelen” zijn. Ik

neem aan, dat dit voorschrift verband houdt met de prak-

tijk, volgens welke de President van De Nederlandsche

Bank op verzoek van de gemeentebesturen bepaalt tot

welk percentage van de gewone dienst kasgeldpromessen

bij zijn bank verdisconteerbaar
zijn.
Hier wordt, schijn-

baar objectief, een limiet aangegeven, doch men kan even-

goed een willekeurig bedrag bepalen.

Want wat de ontvangsten van de gemeenten zijn blijkt

niet zonder nadere uitvoerige berekeningen uit de be-
groting, omdat voor de grote diensten en bedrijven af-
zonderlijke begrotingen worden opgesteld, wier
saldo

slechts in de gewone dienst van de gemeentebegroting

wordt verwerkt. Een waterleidingbedrijf met eigen gewone

ontvangsten van bijv. f. 10 mln., wiens begroting sluit,

komt met nihil voor in de hoofd-begroting der gemeente,

hoewel de gemeentelijke ontvangsten wel degelijk en reëel

f. 10 mln, bedragen. Ook deze nutsbedrijven hebben uit

,kasoogpunt mutaties, die met trage ontvangsten of met

reserveringen voor grote uitgaven (rente en aflossing,

premiebetalingen enz.) verband houden. Hoe het zij, het

vaststellen van een percentage van de op de begroting

geraamde gewone ontvangsten is een ruwe benadering.

Echter mag ervan worden uitgegaan, dat de regeling wel

niet op al te lage bedragen zal neerkomen, omdat de ge-

meenten anders gedwongen worden tot het aanhouden van

hoge liquiditeiten, die zij niet tijdelijk bij andere gemeenten

kunnen plaatsen als alle gemeenten tot het aanhouden

van te veel kasgeld gedwongen worden. Hoe men de be-

rekening opzet, de gemeenten worden met dit kasgeld-

plafond en met de dreiging van een extra strenge goed-

keuring van hun besluiten door Gedeputeerde Staten ge-

dwongen tijdig
kapitaalmiddelen aan te trekken. Mocht

er toch iets mislopen, dan kunnen de Ministers dekkings-

middelen, die een gemeente voor bepaalde doeleinden had

gereserveerd, een andere bestemming geven.

Enigszins vreemd doet aan de bepaling, dat de termijn

van 15 maanden, waarvoor de vaste financiering in maxi-

mum verzekerd moet zijn, begint te lopen op de dag van

het nemen of respectievelijk het goedkeuren van een raads-

besluit. Het komt meermalen voor, dat tussen deze dag

en de aanbesteding, het verkrijgen van de rjksgoedkeuring

en de gunning één of zelfs twee jaren verlopen, zodat grote

betalingsverplichtingen pas ontstaan ná afloop van de

termijn van 15 maanden. De bedragen zullen dan wel weer

verschijnen in de ‘verplichte kasgeldprognoses en leiden

tot overschrijding van het percentage van de geoorloofde
kasgeldschuld, maar het werk zal worden uitgevoerd, zo-

dat het beoogde doel, nl. het kunnen reageren op span-

nende situaties, niet wordt bereikt.

Tegen de regeling met betrekking tot het
plafond voor

het aantrekken van vaste financieringsmiddelen vallen

enige bezwaren te maken. Het is opvallend, dat de elek-
triciteitsbedrijven, die door de provincies, eventueel ge-

combineerd met gemeenten, worden beheerd en die in het
particuliere gewaad van de N.V. zijn gestoken, niet onder
de wet zullen vallen.
Wij
kunnen derhalve een herhaling

krijgen van de enige jaren zo gewraakte toestand, dat de

gemeentelijke elektriciteitsbedrijven financieringsmoeilijk-

heden ondervinden, terwijl de provinciale N.V.’s uit-

breidingen en vernieuwingen kunnen voortzetten. Waarom

dit wordt toegestaan is niet toegelicht. De gemeentelijke

elektriciteitsbedrijven zijn verre in de minderheid; boven-

dien kunnen zij slechts tot uitbreiding van installaties
overgaan binnen een nationaal plan, zodat de werken

toch, maar dan door de provincies, zullen worden uit-

gevoerd.

Een andere bijzonderheid is, dat het plafond wordt

vastgesteld niet voor het totaal bedrag dat benodigd is

voor de betaling van werken, maar voor het totaal bedrag

dat aan vaste leningen mag worden opgenomen, en dan
nog in verband met het naaste verleden. Aangezien het

kan voorkomen, dat in die voor-periode in mindere mate

kon worden geconsolideerd, kan een verdere verlaging

van het plafond de omzetting van kasschuld in langlopende

leningen onmogelijk maken, hetgeen op zichzelf ongewenst

is. Trouwens, er is nog een bepaling, die een tegengestelde

werking zal hebben. Art. 4, lid 1 en art.
5,
lid 1 sub b

schrijven voor, dat in een bepaald tijdvak slechts leningen

met een looptijd langer dan een jaar mogen worden aan-

gegaan. Aangezien het
kennelijk
niet de
3
bedoeling is het

(1. M.)

Kabels met papier. en mèt plasticisolatie voor hoogspanning, laagspanning

en telecommunicatie. Kabelgarnituren, koperdraad en koperkabet, staaidraad en bandstaal

N.V. NEDER.LANDSCHE KABELFABRIEKEN

DELFT

142

E.-S.B. 14-2-1962

w

Uit alle windrichtingen

komen dagelijks waardevolle gegevens

bij ons binnen, die wij ter beschikking

stellen van onze cliënten ter ondersteu-

ning van hun exportactiviteit. Wendt

U voor nadere inlichtingen tot één van

onze 170 kantoren.

DE TWENTSCHE BANK

Uw financiële raadsman

(1. M.)

opnemen van kasgeld te verhinderen, kan de redactie van

deze artikelen beter zo gélezen worden, dat leningen met

een looptijd langer dan één jaar slechts mogen worden

aangegaan indien aan bepaalde eisen wordt voldaan (in

de toelichting op art.
5,
2e alinea staat het goed).

De bepaling dat verlenging van de termijn, waarbinnen

de Ministers zich van exorbitante rechten voorzien, bij

de wet moet worden goedgekeurd, dient blijkbaar om de

gemeentelijke zelfstandigheid nog enigszins te ontzien.

Daarentegen zal de
centrale financiering
het gemeentelijke

initiatief tot het âantrekken van vaste financierings-

middelen wegnemen. Deze financiering is bedoeld als een

ultimum remedium. De gemeenten hebben reeds in deze

toestand verkeerd. Er waren toen wel grote bezwaren tegen

de wijze waarop de Ministers het rentegamma hanteerden,

doch bepaald niet tegen het optreden van de directie• van

de Bank voor Nederlandsche Gemeentei, die met grote

zorg het bemiddelingswerk heeft verricht.

Voorts mag het Westen des Lands hopen, dat bij de

vaststelling van het nationale plafond (art. 4) en de ver-

deling over en binnen de provincies geen discrirniriaties

zullen plaats hebben.

Aan het einde gekomen van mijn beschouwingen over
,,vrijheid en gebondenheid” zou ik willen opmerken, dat.

de regeling uit de gezichtshoek van het tegenhouden van

kapitaaluitgaven een bijzonder efficiënte uitwerking zal

hebben, omdat de besluiten van de gemeenten ten behoeve

van het extra-onderzoek aan een genadeloze bureaucra-

tische behandeling worden onderworpen.

• Dit vestigt de aandacht op de omstandigheid, dat Ge-

deputeerde Staten door een dubbel goedkeuringsrecht en

de uitbreiding van hun verdelingstaak ook nieer eigen

politiek zullen gaan voeren, hoewel
zij
daarvoor in opzet

niet zijn bedoeld. Gedeputeerde Staten vormen een politiek

college, dat zonder enige politieke controle werkt. Zij
vergaderen niet in. het openbaar, zij zijn aan niemand

verantwoording schuldig. De laatste jaren hebben getoond, /

dat al dat beraadslagen, adviseren en besluiten achter

gesloten deuren uit democratisch oogpunt steeds meer be-

zwaren ontmoet. Bij de behandeling van grote bestuurs-

problemen worden soms grote en kleine belangen in on-

voldoende mate gescheiden, waardoor de bestuursefficiency

in het gedrang gaat komen. Men denke eens aan, de agglo-

meraties en de grote gemeenten. Er zijn er ten minste drie

in het Westen des Lands, die stuk voor stuk groter en
zéker belangrijker en beter geëquipeerd zijn dan hele

provincies in Nederland.

Met vol begrip voor het streven van de regering om

excessen bij
het optréden van spanningen tegen t gaan,.

meen ik toch dat de vrijheid van de gemeenten meer be-

perkt wordt dan strikt noodzakelijk is te achten. In dat

verband zou ik aandacht willen vragen voor de volgende

punten, die ik trouwens al eens eerder voor de Benelux-
conferentie te Brussel in 1948 naar voren heb gebracht:

de gemeenten zouden moeten zorgen voor de zelf-

financiering van kapitaaluitgaven van openbare nuts-

bedrijven. Enkele bedrijven zijn verliesgevend, doch als

regel en tezamen genomen winstgevend of althans ren-

dabel te maken. In de tariefstelling hebben de gemeénten

een middel om te zorgen voor een aflossingsplan, dat vol-

doet aan de strekking van art. 1, lid 3, sub b van het wets-

ontwerp. Een voorschrift in deze zin zou de gemeentelijke

verantwoordelijkheid voor het bedrijfsbeleid verhogen en

de discriminatie t.o.v. de proVinciale bedrijven in N.V.

gewaad voorkomen;

er behoren meer zgn. kapitaalwerken dan thans uit
de gewone dienst te worden gefinancierd, bijv. alle uit-

gaven waarvöor anders op een termijn van 3 tot
5
jaar

wordt geleend. Daartoe kan men een post voor kleine

kapitaaluitgaven op de gevone dienst plaatsen. Worden

de werken als zodanig erkend en goedgekeurd, dan i’âl

uit een gelijknamige post uit het gemeentefonds bij wijze

van ,,verfijning” een bijdrage kunnen worden gegeven.

Dat fonds behoeft dan geen gelden meer achter te houdeh,

zoâls in het verleden is geschied en het kan aldus mee-

streven naar het •doel, dat met de nieuwe wet wordt

bèoogd;

voor de onrendabele kapitaaluitgaven kan een p!a-

fond worden bepaald dat verband houdt met de aanwezige

schuld, drukkende op onrendabele objecten. Ruw genomen

gaat het in de meeste gevallen reeds om de helft van de

kapitaaluitgaven, t.w. de bouw van scholen, wegen, brui-

gen, gemeentehuizen, schouwburgen, ziekenhuizen é.d.

Zou de Minister van Financiën – die na aanvaarding van

dit wetsontwerp de boventoon zal voeren in het overleg

niet zijn ambgenoot van Binnenlandse Zaken, de ,,natuur-

lijke beschermer” der gemeenten – deze zelf beperking niet

aan de gemeenten durven over te latén dan zou alleen voor

deze uitgaven een wettelijke regeling behoeven te wordèn

gemaakt. M.i. zal alleen dan de onvermijdelijk schijnende

bevoogding tot de kleinst mogelijke proporties worden

teruggebracht.

Rotterdam.

J. HASPER.

E.-S.B. 14-2-1962

.

143

Door de grote bevolkingsdichtheid en de sterk
groeiende welvaart, die het aantal vakantiegangers
snel doet toenemen, is de beschikbare recreatie-
ruimte en vooral -accommodatie in ons land soms
overbelast. Aan vakantiespreiding moet daarom grote
betekenis worden toegekend. Klimatologische gegevens
tonen aan, dat de maanden mei en juni, uit een oog-punt van volksgezondheid, betere vakantiemaanden
zijn dan juli en augustus. Wat het economisch aspect
betreft, kan vakantiespreiding leiden tot niet onbelang-
rijke prijsverlagingen bij
de logiesverstrekkende be-
drijven en bij
de
transportondernemingen.
Voorts is,
met het oog op de vrij omvangrijke inkomensgroep die
thans om financiële redenen âfziet van het met vakantie
gaan, ook het sociale aspect van de vakantiespreiding
van belang. Door de
bij
vakantiespreiding te effectueren
prijsdaling zou namelijk een groter deel van de
bevol-
king in de gelegenheid komen zijn vakantiedagen bulten
de woonplaats door te brengen. Bovendien kan de
seizoenverlenging, die het gevolg is van een doelmatige
vakantiespreiding, een anders noodzakelijke prijsver-
hoging tegengaan, met name in de goed bezette
maanden juli en augustus.

De betekenis

van de

vakantiespreiding

Inleiding.

Toerisme .is een onderwerp dat menigeen raakt: veln

gaan op reis voor zaken of genoegen, één dag of enige
weken. Misschien schuilt juist in het feit dat dit onder-

werp zovelen interesseert, daar men persoonlijk erbij be-

trokken is, de voornaamste oorzaak dat de zich snel wijzi-
gende problematiek van het toerisme door velen wel in de

breedte is besproken, maar dôor weinig onderzoekers in

de diepte is nagegaan. Dit euvel heeft zich overal voor-

gedaan in de Westerse landen, waar de research de enorme

vlucht van het nationale en internationale toerisme niet

heeft
bijgehouden.
Met name in Nederland zijn weten-

schapskringen en Overheid nog maar
nauwelijks
wakker

geschud voor diepgaand wetenschappelijk onderzoek over

het toerisme. Zwitserland, Italië, Oostenrijk en de Duitse

Bondsrepubliek liggen in dezen ver aan de spits; daar heb-

ben universitaire instituten voor vreemdelingenverkeer druk

werk, mede door opdrachten van het georganiseerde be-

drijfsleven.

Wellicht komt het in ons land ook nog zover. Dit is

te meer te hopen, omdat Nederland in vergelijking met

andere landen één belangrijk toeristisch vraagstuk extra

kent, n.l.
de druk op de ruimte.
Door de grote bevolkings-

dichtheid en de sterk groeiende welvaart, die het aantal

vakantiegangers snel doet vermeerderen (zowel door ver-
betering der secundaire arbeidsvoorwaarden als door stij-

ging van het nationaal inkomen per hoofd van de be-

volkin) is de beschikbare recreatieruimte en vooral -accom-

modatie soms overbelast. Twee oplossingen liggen dan

voor de hand:

a.
spreiding in de ruimte.
Dit gebeurt deels reeds eigener
beweging, want de buitenlandse vakantiegangers bezoeken
overwegend West-Nederland, de eigen landgenoten de rest

van het land en het 6uitenland.
Alleen ons strand is een

1)
Zie mijn proefschrift: ,,De economische betekenis van het
vreemdelingenverkeer voor Nederland”, uitgave Mouton &
Co., ‘s-Gravenhage, januari 1960, blz.
145.

attractie voor beide categorieën en vormt dus een knelpunt.

Reeds éerder
1)
werd daarom gepleit, o.a. door de

A.N.W.B., om meer toegangswegen naar de kust te maken

(met begrip voor de functie van de duinen, o.a. voor water

kering en -winning), waardoor meer recreatieruimte be-

schikbaar komt;

b.
spreiding in de tijd.
Hier
‘zijn
de knelpunten veel

groter. Daarom zal dit artikel uitsluitend over dit vraag-

stuk handelen. Achtereenvolgens zullen behandeld worden:

wat moet worden verstaar onder vakantiespreiding?;

waarom is vakantiespreiding gewenst:

a) uit het oogpunt der volksgezondheid;

b) uit economische overwegingen:

voor de logiesverhuurder;

voor de consument;
c) het sociale aspect.

Wat moet onder vakantiespreiding worden verstaan?

Zoals het woord reeds verklaart, wordt hierbnder ver-

staan de verdeling over het jaar van de buiten de woon-

plaats doorgebrachte vakantieweken. Eigenlijk duidt sprei-

den op: verdelen van hetzelfde aantal over een langere

periode;
bij
seizoenverlenging wordt gedacht aan het be-

reiken van dezelfde bezettingsgraad over een langere peri-
ode, dus een groter aantal. Gelet op het gefixeerde aanbod

van vakantie-accominôdatie (een niet verkocht hotelbed,

bungalow, tentplaats of treinplaats kan onmogelijk de

volgende nacht dubbel worden verkocht om de schade in

te halen) komt hier meer ter sprake de seizoenverlenging.

Voor toerwagenondernemers, die immers een flexibel aan-

bod hebben (daalt de vraag met 40 personen, dan wordt

een bus teruggenomen) is seizoenspreiding en -verlenging

echter vrijwel identiek.

De informatie over de vakantiespreidirig is tweeledig,

n.l. door de logiesverstrekker of door de consument. De

eerste bron geeft door onvolledigheid in de registratie

geen zuiver beeld, al zijn er wel interessante facetgegevens.

144

1

E.-S.B. 14-2-1962

topmaanden geldt, terwijl de hogere percen-

tages in juni en september juist een goed

teken van spreiding zijn. De spreiding van

de buitenlandse vakantiegangers is veel moei-

lijker te beïnvloeden dan van de Neder-

landse, die bovendien blijkens de laatste

twee kolommen van tabel 2 ruim vier maal

zo talrijk zijn, uitgedrukt in overnachtingen

in deze drie ligiesvormen. Een reden te

meer om onze aandacht te bepalen bij de

Nederlandse vakantiegangers.

(1.. M.)

Representatieve inlichtingen van
de
Nederlandse vakantie-

ganger zijn slechts uit een landelijke enquête te verkrijgen.
In 1947 werd door de Nederlandse Stichting voor Statistiek

een landelijk onderzoek ingesteld naar de vakantiebesteding

an de Nederlandse bevolking; over 1954 en 1960 deed

het Centraal Bureau voor de Statistiek dit, maar de resul-

taten van het laatste onderzoek zijn op dit punt nog niet

gepubliceerd.

TABEL 1.

Verdeling van de vakantieweken
a)
in de tijd

(in procenten van het totaal)

1947

1

1954

jaar = 100 mei tot okt.

mei tot okt.

l

100

januari

……………
– – – –

– – –
mei

………………
2,5

.

6,2

2,7
2
8,3
9
juli

le helft
………….
5,6
6,0
8

februari………………0,1
..0,3

17,3
20

maart

……………..0,5
april

………………1,3

augustus le helft•
31,7 33,8
34

juni

………………..7,8

2e

..

…….
23,2
24,8 20

2e

..

…………

..
.

6,7

..

7,1
7 .
september

…………..
oktober

…………….1,2
0 ,6


november

…………..
december
……………
2,2
– –

a) Vakantie gedefinieerd als ten minste twee overnachtingen op werkdagen
buiten de woonplaats doorgebracht.

De volgende conclusies vallen uii tabel 1 te trekken:

In 1947 werd 6,2 pÇt. der vakantieweken in de eerste

vier en laatste drie maanden van het jaar doorgebracht,

met een duidelijke piek in december.

In de periode half juli tot half augustus werd in 1947

51 pCt. en in 1954 zelfs 54 pCt. van de vakantieweken

opgenomen.

Een vervroeging in het jaar lijkt aanwezig: augustus

was in 1947 58,6 pCt. en in 1954 54 pCt., juli resp. 23,3

en 28 pCt., juni resp. 8,3 en 9 pCt.

Daar tabel 1 alle Nederlandse vakantiegangers omvat

en de trek naar het b’uitenland aanzienlijk beter gespreid is,

betekent dit dat de druk op de Nederlandse recreatie-

ruimte door landgenoten in juli en augustus nog groter

is. Ook het bezoek van buitenlanders aan ons land is beter

gespreid dan van Nederlanders die in eigen land hun

vakantie doorbrenjen; dit wordt in tabel 2 aangetoond.

Het behoeft hier echter niet uitsluitend vakantiegangers

te betreffen; ook zakelijke bezoeken kunnen hieronder

vallen, al komen deze vermoedelijk slechts in de pensions

in geringe en in de hotels in grotere mate voor.

Augustus – en blijkens de pensioncijfers ook mei

(bollen!) – blijkt een aantrekkelijke maand voor buiten-

landers te zijn om naar Nederland te komen, want alleen

dan steekt het percentage ongunstig af bij dat van onze

landgenoten. Ongunstig, want hogei, zoals voor de twee

TABEL 2.,

Spreiding der gasten over het seizoen, naar logiesvorm,

in 1960

(in procenten van het totaal aantal geregistreerde overnachtingen)

mei
1
juni
1
juli
1
aug.
1
sept.
1
(xI.00C

Na)lBb)I N
1
B IN
S
IN
1
B IN
1
B
1
N IB

kampeerbedrijven
1
5,2
2
,3l6,
2
jl
7
,
2
l38,5l36,6l
3
5,6l40
,9l 4,51
3
,
0
1
5
.
27
91 989
jeugdherbergen c) 11,9 6,6 21,5 17,0 31,8 32,3 32,6 34,4 2,2 9,7 349 150
pensions
……….
4,1 7,6 17,7 18,0 38,5 29,1 33;6 35,9 6,1 9,4 916 543

totaal
……….
5,4 4,2 16,7 17,4 38,1 34,0 35,2 38,9 4,6 5,5 6.544 1.592
hotela d)
………
– 15,9 – 18,8 -24,3 -26,7 – 14,3

-2.257

Nederlanders.
Buitenlanders.
In april 11,1 voor buitenlanders en 3,6 voor Nederlanders.
cl) In de overige maanden van het jaar 34,9 pCt.; voor Nederlanders geen
cijfers beschikbaar.
Bron:
CBS.: Statistiek Vreemdelingenverkeer. Cijfers betreffende de eerste en tweede helft van juli en augustus zijn helaas niet beschikbaar.

Waarom is vakantiespreiding gewenst?

Bij de beantwoording van deze vraag treden drie as-

pecten aan de dag: de gezondheid, het economisch en het

sociale aspect.

De volksgezondheid.

Vakantie dient tot re-creatie, d.w.z. tot herschepping

yan krachten. Het is een belang voor de werker zowel

als voor de werkgever dat de mens ten minste twee weken

per jaar vakantie houdt, zich daarbij werkelijk ontspant,.

uiteraard
bij
voorkeur met verandering van decor. Maar

daartoe moet de weersgesteldheid zich lenen.

TABEL 3.
Kliinaatgegevens voor Nederland °’

dagtempera-I
uren zonne-
1
neerslag in 1
temperatuur
zeewater
tuur in °C
schijn
mm b)
in °C c)

iïiei
…………….
1

14,1
1

211
52

(49)
13
juni

……………
16,3
223
57

(
55)
164
juli

……………
18,7
199
78

(
89)
18
augustus
………..
1

18,4
1

186 89

(101)
18
september

………
1

15,4
1

146
71

(
73)
164

gemiddeld
………
1

16,6
,

1

193

1
69,4 (73,4)
1

164

Gemiddeld over de jaren 1931.1960 volgens het KNMI. in De Bilt,
overgenomen uit het Statistisch Zakboekje van het Landbouw-Economisch
Instituut. Tussen haakjes het gemiddelde over de jaren 1949-1960.
Naar gegevens van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen.

Door de veelvuldige zonneschijn en de géringe regenval

zijn
mei en juni betere vakantiemaanden dan juli en augustus.

Deze laatste twee maanden zijn met name bijzonder voch-

tig, hetgeen zeker niet goed is voor de volksgezondheid.

Juist in de laatste decade is de vakantieganger in Nederland

zon te kort gekomen: juli en augustus zijn in grote mate
natter geweest dan normaal, september en juni normaal

ei mei droger. .

•E.-S.13. 14-2-1962

.

J-45

Uit deze klimatologische gegevens spreekt, uit een oog-

punt van volksgezondheid, een duidelijke voorkeur voor

het nemen van vakantie in juni, zelfs ook mei, de maanden

met de meeste zon. Dit is belangrijker dan een temperatuur-

verschil van twee graden, ook aan het strand.

Het economisch aspect.

it het onlangs verschenen C.B.S.-rapport over de ,,be-

drjfsvergelijkende produktiviteitsmeting van logiesverstrek-

kende bedrijven” bleek dat van de totale kosten van een

continuhotel 41+ pCt. een variabel karakter heeft.
Bij
een

juist rendabele exploitatie (bezettingsgraad 52 pCt.) is dan

bijna 60 pCt. der kosten vast
2).
Voor een specifieke

zomeracccmmodatie als de bungalow mag deze verhouding

eveneens worden aangehouden.

Wanneer nu de vraag naar logiesaccommodatie in juli

en augustus het aanbod overtreft, dan is de producent

niet in staat op korte termijn zijn capaciteit te vergroten.

Wèl bijv. een jaar later, hetgeen overigens weer tot ver-

hoging van de vaste kosten leidt. Daarenboven heeft de

verhuurder van logiesaccommodatie ook te kampen met

personeelsschaarste en met werknemers, die zelf in de

zomer met vakantie willen.

De voornaamste reden dat de producent zijn aanbod

ook op langere termijn niet snel zal willen verhogen, is

echter de
ongelijke
bezettingsgraad. Vele bungalow-

bedrijven hebben slechts een volledige bezetting van twee

maanden per jaar. In die korte periode moeten alle 60 pCt.

vaste kosten worden terugverdiend, d.w.z. dat in de ver-

huurprijs per week 6,7 pCt. van de vaste kosten moet wor-

den ingecalculeerd. Verlenging van het seizoen zou op

jaarbasis berekend bijv. een verbetering der bezetting van

twee tot drie maanden kunnen opleveren. Dat betekent

dat diezelfde vaste kosten nu in 13 weken gedekt moeten

worden, d.w.z. per week 4,6 pCt. Dalen de vaste kosten

dus met 2,1 pCt. per week, ook bij de variabele kosten zal

:.een dalende tendens ontstaan. Deze hebben immers voor-
namelijk betrekking op personeel en het aantrekken daar-

;van voor drie maanden (15 juni tot 15 september), die

slechts in totaal een bezetting van 67 pCt. opleveren, is

per week duurder dan voor de periode 1 juni tot 15 sep-

tember en een bezetting van 86 pCt. (3 maanden volledig).

Geeft dus een seizoenverlenging een daling bij de vaste

kosten van 2,1 pCt. op 60 pCt. (= 1,3 pCt. op het totaal),

dooi een besparing op enige variabele kosten is er alle

aanleiding om voor bungalows een daling van de huur-

prijs per week met 3 pCt. te verwachten, indien de jaar-

bezetting van .twee tot drie maanden wordt verlengd. De

vraag daarvoor is alleszins aanwezig; maar het aanbod

in juli en augustus niet, doch in de mooiste zomermaand

juni wel.

Een daling van de consumentenprijs met 3 pCt. wordt

niisschien teleurstellend laag geacht en dan nog wel bij

2)
Deze percentages wijzigen zich uiteraard sterk met de
bezetting. Achtereenvolgens noemen
wij
hier enige bezettings-
percentages van continuhotels met de daarbij behorende per-
centages vaste en variabele kosten: 90-45-55; 70-52-48;
60-55-45;
50-60-40;
40-65-35;
30-71-29.

zo’n aanzienlijke verlenging van het reizoen. Echter gel

dt

de prjsdalende invloed van een gelijkmatiger ei hogere

bezetting niet alleen voor het logiesverstrekkende bédrijf,

maar eveneens voor de transportôndernemingen. Ja, hier

zelfs in veel sterkere mate. De berekeningen van een

studiegroep
3)
leidden tot de conclusie dat de vaste kosten
van een toerwagenbus
bij
verlenging van de exploitatie-

duur van 3 tot 4 maanden dalen met 24 pCt. per reiziger

per exploitatiedag. Daar de vaste kosten zeker 60 pCt.

uitmaken van de totale kosten, betekent dit een mogelijke

verlaging van de consumentenprjs met niet minder dan

15
pCt.

Ook de Spoorwegen zotiden met seizoenverlenging zeer
gebaat zijnen een kostprjsverlaging bereiken. De vervoers-

dichtheid is in juli en augustus namelijk bijna tweemaal

zo groot als bijv. in oktober en november. Bovendien zou

een spreiding binnen de week zeer gewenst zijn, omdat

zowel het militaire vervoer als dat van vakantiegangers

sterk geconcentreerd is op de weekeinden.

Het sociale aspeci

Met het oog op de vrij omvangrijke inkomensgroep,

die nu om financiële redenen afziet van het vakantie nemen

buiten de woonplaats, is ook het sociale aspect van de

vakantiespreiding van belang. Zoals hierboven werd aan-

getoond, kan vakantiespreiding tot niet onbelangrijke

prijsverlagingen leiden. Daardoor komt een groter deel

van de bevolking in de gelegenheid
zijn
vakantiedagen

ook inderdaad buiten de woonplaats door te brengen.

Het onderzoek naar de vakantiebesteding van de Neder

landse bevolking dat het C.B.S. over de jaren 1954 en

1960 heeft gehouden, toonde aan dat
59,
resp, 55 pCt.

van de Nederlandse bevolking geen vakantie buiten de

woonplaats geniet. Hieraan liggen zeer verschillende oor-

zaken ten grondslag: binding aan het beroep (landbouw,

middenstand), ziekte, lastig met de kinderen, maar ook

het ontbreken van financiële middelen om er met het gehele

gezin ten minste één week op uit te gaan, terwijl de moge-

lijkheden dat de ouders er eens alleen uittrekken, niet steeds

eenvoudig gerealiseerd kunnen worden.

In 1954 genoot 82 pCt. van de mannelijke gezinshoofden

een inkomen dat minder dan f. 6.000 per jaar bedroeg;

van de vakantiegangers behoorde 72 pCt. tot deze in-

komensgroepen, van degene, die geen vakantie buiten de

eigen woonplaats doorbracht 89 pCt. Wel een bewijs dat

de financiën veelal een belangrijk beletsel vormen voor het

met vakantie gaan en dat dus aan het sociale aspect der

vakantiespreiding, annex prijsverlaging, niet mag wordçn

voorbijgegaan.

in een volgend artikel hopen wij in te gaan op de. te

verwachten ontwikkeling van het aanbod van en de vraag

naaé recreatieruimte en op de vraag, wat thans – in 1962

– voor een doelmatige vakantiespreiding kan worden ge-

daan. .

voorschoten.

Dr. M.
C. TIDEMAN..

3)
Nederlands Verkeers Instituut, Monografle XIX,
juli
1958, blz. 10.

(1. M.)

146

E.-S.B. 14-2-1962

De ondernemer

in het huidige tijdsbestek

De kring Eindhoven van de Tilburgse Academische

Economische Kring organiseerde ter gelegenheid van het
5e lustrum een forumdiscussie over de taak en de functie

van de ondernemer in het huidige tijdsbestek. Prof. Dr.

P. A. – J. Steenkamp, buitengewoon hoogleraar aan de

Technische Hogeschool te Eindhoven en Directeur van

de N.V. Conservenfabriek De Hoorn te Uithoorn, leidde
als voorzitter het onderwerp voor de talrijke aanwezigen

in en deelde mede, dat ieder forumlid een bepaald facet

van deze complexe problematiek zou behandelen, waarbij

historische beschouwingen of lange definities vermeden

zoudel3 worden.

De ondernemer als leider van mensen.

De heer
J. P. A.
Nelissen, voorzitter van de Raad van

Bestuur Bouwbedrijf, ging bij de behandeling van deze

materie uit van enige pauselijke uitspraken. De verhouding

van werkgevers en werknemers dient gedragen te worden

door een,wederzijds respect; arbeid is niet alleen een bron

van inkomsten maar ook een vorm van plichtsvervulling

ten opzichte van de gemeenschap. Aan de hand van enige

uitspraken van industriële leiders, stelde hij echter vast,

dat veel ondernemers ervan weerhouden worden om meer

democratisch te regeren, omdat de werknemers nog niet

voldoende mondig zijn.

Het centrale probleem in deze verhouding is de men-

taliteit. Leidinggeven schept meer verplichtingen dan lei-

ding ontvangen en dientengevolge moet de ondernemer

voorop gaan in het betonen van respect voor anderen,

voordat dit respect afgedwongen wordt.

De ondernemer als koopman.

Dr. R. A. Jellema,
Directeur van de Koninklijke Gist-

en Spiritusfabriek Delft, vergeleek de positie van de onder-

nemer als koopman met die van een veldheer op het slag-

veld. T.o.v. )iet eenvoudige patroon vanvoor 1940, is de

huidige situatie zo sterk gewijzigd, dat een volkomen

wijziging van de strategie noodzakelijk is.

Hij voorzag grote moeilijkheden ten gevolge van de kartel-

wetgeving in de Europese Economische Gemeenschap, aan-

gezien de inzichten van de Nederlandse regering, namelijk

misbruikwetgeving i.p.v. verbodswetgeving, geen weer-

klank hebben gevonden. Deze kartelwetgeving zal een be-

langrijke structuurwijziging betekenen, die ook de binnen-

landse markt zal beroeren. –

De sterk toegenomen invloed van de overheid leidt niet

tot een terugvallen van de verantwoordelijkheid van de

ondernemer. Wel worden de accenten in de taak van de

ondernemer verlegd. De taak van de ondernemer is breder

geworden. Hij moet alert
zijn
voor het welzijn van de

onderneming en van hen, die erbij betrokken zijn, binnen

het kader van het algemeen belang. In de grote strijd

tussen Oost en West heeft de ondernemer een belangrijke

taak, want de ondernemingsgewijze produktie is onver-

brekelijk met de vrijheid in het Westen verbonden.

De ondernemer als diplomaat.

Dr. G. A. Kohnstamm,
Hoofd van de Econ’omische Af

deling van de Alg.
Kunstzijde
Unie te Arnhem, vergeleek

de uitoefening van de ondernemersfunctie met een spel,

dat gespeeld moet worden binnen de spelregels van de

maatschappij. De ondernemer kan wel invloed uitoefenen
op de vaststelling van de spelregels, maar hij zal zijn spel

moeten spelen volgens de spelregels.

Deze spelregels
zijn
mede tot stand gekomen door de

invloed van de overheid en de vakbonden. De overheid

grijpt in wegens haar verantwoordelijkheid voor de con-
junctuur, de vakbond presenteert de rekening van de 19e

eeuw. Niettemin kan de bndernemer heden ten dage hét

spel nog steeds spelen. Door de strakker geworden spel-

regels is het ondernemerschap moeilijker, maar ook meer

stimulerend geworden.

De ondernemer en de publieke rechisgemeenschap.

Mr.
J. C.
van Alphei de Veer,
Directeur-Generaal van

Handel en Nijverheid van het Ministerie van Economische

Zaken, ging er in zijn beschouwing van uit, dat ajsolute

vrijheid in het bedrijfsleven onbestaanbaar is. Vrijheid in
maatschappelijke zin betekent, dat alle deelgenoten in de

maatschappelijke samenleving gezamenlijk vrijheid hebben.

De overheid kan door bepaalde beperkingen het maat-

schappelijke reservoir aan vrijheid vergroten. Het reservoir

aan vrijheid is tegenwoordig veel stabieler dan vroeger.

De inbreuken van buitenaf zijn dan ook veel minder grillig

geworden. De vrijheid in een geordende samenleving is

die van een park en niet die van een jungle.

De ondernemer en de sociale gedachte.

De heer
J.
A. Middel/nijs,
voorzitter van de Katholieke

Arbeidersbeweging, pleitte voor medezeggingschap van de

werknemers. De ondernemer moge hierin een beperking
van zijn vrijheid ondervinden, maar hij dient rekening te

houden met anders gerichte belangen en verantwoordelijk-

heden.

Hoewel men van mening kan verschillen over de juri-

dische vormgeving van de medezeggingschap, bestaat de

noodzaak niettemin. De moderne vakbeweging doet er

veel voor om werknemers te vormen, die in de maatschappij

beter hun taak kunnen vervullen. De werknemer is niet

langer onmondig en hij wil mede het beleid van de onder

neming – bepalen en de daaruit voortvloeiende verantwoor-

delijkheid dragen. De ondernemer moet hem daartoe de

mogelijkheid bieden. Dit is geen beperking van de vrijheid

van de ondernemer, maar een uitbreiding van de onder-
nemerstaak, om met de werknemer dit spel te spelen.

Het bedrijfsleven moet aan deze ontwikkeling mede-

werken en zelf met initiatieven komen, om te vermijden,

dat men in de toekomst geconfronteerd zal worden met

onvoidragen wettelijke regelingen.

/ Eindhoven.

Drs. G. HAANEN.

E.-S.B. 14-2-1962

147

Als voornaamste kenmerken van de économische ont-
wikkeling in de Republiek van Zuid-Afrika gedurende 1961 noemt schrijver de verlangzaming van het groei-
tempo en de problemen welke de betalingsbalans heeft
opgeroepen. De directe oorzaak van de economische
moeilijkheden was een belangrijke daling van de buiten-
landse kapitaalbeleggingen in de Republiek en een
vermindering, hoewel van geringere omvang, van de
binnenlandse kapitaalvorming. Voor deze gang van
zaken was in hoofdzaak de in dat jaar opgetreden
vertrouwenscrisis verantwoordelijk. De economische
vooruitzichten voor 1962 acht schrijver redelijk goed;
hij zegt er evenwel bij dat niet ontkend kan worden dat
een voortduren van de vertrouwenscrisis in de private
sector de verwezenlijking van deze verwachting in ge-
vaar kan brengen. De goud- en valutareserves zullen volgens schrijver in 1962 geen problemen opleveren
indien de huidige beperkingen van de invoer en van
de repatriëring van kapitaal gehandhaafd blijven. Hij
verwacht dat de Regering bij verbetering van de
betalingsbalanspositie zal besluiten om deze beperkin-
gen zo veel mogelijk op te heffen teneinde het ver-
trouwen zowel binnen als buiten de Republiek te
versterken.

Die

ekonomiese . toestand

in Suid-Afrika

Die vernaamste kenmerke van die economiese ontwik-
keling in die Republiek van Suid-Afrika gedurende 1961

was die verlangsaming in die groeitempo van die binne-

landse ekonomiese aktiwiteit en die probleme wat die

buitelandse betalingsbalans opgelewef het. Die onmiddel-

like oorsake vir hierdie ekonomiese moeilikhede was ‘n

belangrike afname in buitelandse kapitaalbelegging in die
Republiek en ‘n daling, hoewel van minder grote omvang,

in binnelandse kapitaalvorming. Vernaamlik verantwoorde-

lik vir hierdie gang van sake was ‘n vertrouenskrisis wat

voortgespruit het uit sulke gebeurtenisse as binnelandse

onluste, republiekwording en uittrede uit die Statebond

en wat verder versterk is deur die toestande in Afrika ir

die algemeen.

Nasionale inkome.

Hoewel offisiële syfers omtrent die nasionale inkome

in 1961 nog nie vrygestel is nie, is daar ‘n skatting be-

skikbaar wat deur die Buro vir Ekonomiese Ondersoek

opgestel is ‘). In tabel 1 word die skattings vir 1960/61

en die vooruitskatting vir 1961/62 vergelyk met die wer-

kelike syfers van die twee voorafgaande jare.

Dit blyk dat die nasionale inkome vir 1960/61 na ver-

wagting 4.7% hoër sal wees as in
1959/60;
in laasgenoemde

jaar was die toename 7.2%. Klemhandeispryse het van

1959/60 na 1960/61 gestyg met 1.6%, sodat die reële

geografiese inkome niet 3.1 % toegeneem het. Indien ‘n
groei van 2.1 % in bevolking aangeneem word, beteken

dit dat die reële inkomste per hoof van die bevolking met

ongeveer 1
Y.
gestyg het.

Een van die orimiddellike oorsake van die afname van

die groeitempo na die middel van 1960was die tydelike

dog sterke daling in die goedereuitvoer in die tweede helfte

van 1960 wat te wyte was aan ‘n daling in die gemiddelde

pryse sowel as die fisiese hoeveelheid. Die vernaamste
oorsaak van die stagnasie in, ekonomiese ontwikkeling

was egter di& voortdurende aarseling by private onder-

1)
A Survey of Contemporary Economic Conditions and
Prospects for 1962, G. J. Hupkes and M. van den Berg, Bureau
for Economic Research, University of Stellenbosch.

nemings onder buitelandse sowel as binnelandse beheer

om nuwe kapitaaluitgawes aan produksieinstallasies en

andere vaste bates aa’n te gaan. Hoewel die styging in

die Suid-Afrikaanse volksinkome en die land se ekono-

miese oplewing gedurende die jaar geeindig 30 Junie 1960

die verwagting laat opleef het dat die investerings in die

privte sektor in die daaropvolgende jaar in gunstige sin

beinvloed sou word, is hierdie verwagting nie gerealiseer
nie. Selfs die begrotings van 1959 en 1960 wat maatreëls

bevat het, soos o.m. belastingtoegewings om private indus-

triële kapitaaluitgawes te stimuleer, het nie die gewenste

effek gehad lie. Daarbenewens het ‘n hele aantal nywer-

hede tariefbeskerming ontvang.

TABEL 1.

Netto geografiese inkome, in miljoene Rand, vir jare
eindigende op 30 Junie

Feitelik
Voorspel

1958159
1959160
1960161
1961162

462.0
504.5
507
521
4258
475.0
498
510
131.1
145.0
161
176
993.5
1,034.7
1,093 1,178
528.8
571.4
586 608
346.5
374.6 406
418
47.0
51.8
56 62
111.5 116.8
122 129
155.5 172.8
169 175

178.8 196.9
211
222
102.6
106.5
110 115

3,483.1
3,740.7
3,919
4,114
117.8
123.2
126
129

436.1
467.7 490
519 140.2 146.6
152 160

4,177.2
4,478.2
4,687
4,922

Die bruto vaste kapitaalbesteding in die private sektor

het slegs matig toegeneem in 1960/61. Boonop was die

ligte styging vernaamlik die gevolg van grotere uitgawe

vir die
vervanging
van kapitale bates. Die netto kapitaal-

besteding het gedurende die afgelope vier jaar min of

A. Bedrijfsiewe
Landbou, bosbou, vissery
Mijnbedrijf: Goud
……….
Ander
……….
Private Nywerheid
……….
Handel
Vervoer
………………..
Drankverkoop e.d
………..
Professies
Private financies
…………
Diverse aktiwiteite:
Publiek
………………
Privaat

………………

B. 10. Private huisbesit

C. Finale verbruikers
Openbare liggame
……….
Andere

Netto geografiese inkome
……….

148

1
E.-S.B. 14-2-1962

meer gelyk gebly soos tabel 2 wys. As ‘n persentasie van

die nasionale inkome het die netto kapitaalvorming in

die private sektor selfs ‘n voortdurende daling vertoon

sedert 1952.

TABEL 2.

Netto vaste kapitaalvorining, in miljoene Rand, en as

‘n persentasie van die netto nasionale inkorne

1952
1
19531 1954

1955
1
19561 19571
1958
1
19591
1960

Netto vaste kapitaal-
vorm. (miljoene Rand)
Publiek
……….
189
264
231
209 242
282
364
306
303 369
346
359
319
275
284
289 277 288

558
610
528 517
566
653 583
590
591
Privaat

……….

Netto nasionale inkome
in fabriekspryse

..

(R

milj.)

……..
2,583 2,956
3,176 3,376
3,706 3,904
3,996
4,243
4,482

Netto vaste kapitaalvor-
ming as ‘n persentasie

van netto nas. inkome

.

Publiek
……….
7.3
8.9
7.3
6.2 6.5 7.2
9.1
7.2
6.8
Privaat

………
.4.3
11.7
11.3
9.4 7.4
7.3 7.2
6.5
6.4
21.6 20.6
18.61
15.6
14.0
.14.5
16.3 13.7 13.2

Bron: 0.3.
Hupkes en M. van den Berg; A Survey of Contemporary Economie
Conditions and Prospects for 1962, Bureau for Economie Research, Uni-
versity of Stellenbosch.

Volgens.die President van die Suid-Afrikaanse Reserwe-

bank kan die beperkte investerinsaktiwiteit gedurende

1960/61 gedeeltelik toeeskiyf word aan suiwer ekonomiese

faktore soos die voortbestaan van surpluskapasiteit in

sekere bedryfstakke van die industrie en skerp konkurrensie

uit die buiteland. ,,Maar die grondoorsaak”, volgens die

President
2),
,,skyn te gewees het die onsekerheid en afname

van vertroue wat deur die politieke gebeurtenisse op die

.vastelahd van Afrika in sy geheel veroorsaak en deur die

onluste in Maart 1960 in sekere Bantoe-dorpsgebiede van

Suid-Afrika verskerp is”.

Soos die tabel.wys het die kapitaaluitgawe in die pu-

blieke sektor ‘n aansierilike daling na
1958
vertoon. Die

vernaamste rede daarvoor was die voltooiiiig van sekere
ontwikkelingsprojekte wat deur die regering onderneem

is. Die grootste enkele afname in publieke kapitaalbesteding

was ‘n daling in 1959 van R 71 miljoen in die uitgawe vir
uitbreiding en modernisering van die spooweg- en hawe-
apparaat.

Hoewel verklaarbaar uit ‘n bedryfsekonomiese standpunt
(voltooiing van ‘n investeringsprogram) was die nasionaal-

ekonomiese effek van hierdie plotselinge reduksie van

kapitale owerheidsbesteding bepaald 6ngunstig omdat dit

saamgeval het met ‘n daling van kapitaaluitgawes in die

private sektor. Dit lyk asof die anti-sikliese effek van ower-

heidsbesteding nie eintlik ‘n oorweging was by die be-

planning van die regering se investeringsprogramma.
Die nadelige invloed van die daling in private en Open-

bare kapitaalbesteding is versterk deur ‘n aansienlike uit-

vloei van private kapitaal in 1960 en in die eerste heifte

van 1961, hoofsaaklik vanweë dieseifde redes as wat hierbo

genoem is vir die afname in private kapitaaluitgawes.

Ondanks ‘n groot kompenserende uitbreiding van sentrale-

er handelsbankkrediet, het die kapitaaluitvloei geleidelik

die gunstige finansiële toestand waarin die binnelandse

ekonomie verkeer het so verander dat dit baie minder

bevordelik vir ‘n uitbreiding van kapitaaluitgawes geword
het. Die voortdurende daling van die offisiële buitelandse
valutareserwes het die vertroue nog verder benadeel.

2)
Jaarlikse Ekonomiese Verslag, Suid-Afrikaanse Reserwe-
bank, Augustus
1961, blz. 3.

Die betalingsbalans.

”..As gevolg van ‘n baie hoë invoersyfer, wat saamgeval

het met ‘n aansienlike daling in clie uitvoer, het die handels-

balans vir 1958 ‘n tekort opgelewer van R
355
miljoen,

die hoogste, tekort sedert 1951. Die daaropvolgende jaar
het in- en uitvoer egter weer na mekaar toe beweeg sodat

die tekort vir
1959
slegs R 118 miljoen bedra het. Die

netto goudproduksie in daardie jaar het ‘n syfer van

R 504 miljoen bereik, ‘n styging van
15%
oor
1958.
Hierdie

gunstige verloop in buitelandse handel en goudproduksie

gedurende 1959 was die rede dat die lopende rekening van

die Suid-Afrikaanse betalingsbalans vir die eerste keer

sedert die oorlog aktief geword het.

Hoewel gedurende1959 private kapitaaltot ‘n bedrag

van R 39 miljoen die land verlaat het en offisiële en bank-

instellings R 32 miljoen aan buitelandse lenings terug-

betaâl het, was die saldo op lopende rekening groot genoeg

om die tekort op die kapitaalbalans uit te wis en nog

R 80 miljoen tot die goud- en valutareserwes toe te voeg.

In 1960 het die beeld egter grondig verander toe.R 152

miljoen aan private kapitaal die land verlaat het, invoere

R 132 miljoen groter was as die vorige jaar terwyl uitvoere

konstant gebly het. Hoewel die lopende rekening nog ‘n

klein voordelige saldo van R 21 miljoen gewys het, was

die tekort op kapitaalrekening egter so groot dat ge-

durende 1960 R 132 miljoen ingeteer is op die goud- en

valutareserwes, die grootste afname sedert 1948
Die onvermydelike gevolg was die verskerping van in-

voerbeheer en restriksies op die beweging van kapitaal

na die buiteland.

Monetêre toestand.

Die probleem met die betalingsbalans gedurende die

afgelope jaar het Suid-Afrika weer eens voor die dilemn

ia

geplaas om maatreëls ter verbetering van die betalings-

balans te moet kombineër met maatreëls ter stimulering

van die binnelandse ekonomiese aktiwiteit.

Eers in Augustus, 1960, toe voorlopige skattings van

die nasionale inkome vir
1959/60
‘n aanwysing gegee het

dat ekonomiese aktiwiteite bevredigend ontwikkel het, is

besluit op maatreëls wat direk gerig was op die herstel

van die monetêre ewewig met die buiteland.

As eerste stap is deur die Suid-Afrikaanse Reserwebank

die bankrente verhoog van 4% tot 44% ten einde die

dispariteit tussen die Engelse en die Suid-Afrikaanse rente-

koerse te verminder. Dit is in November, 1960, gevolg

deur maatreëls wat gerig was op die beperkingvan invoere.

‘n Ligte verbetering in die buitelandse betalingsposisie

het daarna ingetree sodat gedurende die eerste kwartaal
van 1961 die doelstelling van vinniger binnelandse ont-

wikkeling meer voorrang kon kry. Die begroting van

Maart, 1961, het ‘n aantal maatreëls ingesluit wat gerig

was op die versnelling van die ekonomiese bedrywigheid
3),

terwyl die Reserwebank tot April, 1961, die handelsbank

en ander finansiële instellings bygestaan het ten einde die

vermindering van die likwiditeit, wat’die gevolg was van

die betalingsbalanstekort, teen te gaan.

Vanaf Mei, 1960, was die betalingsbalansprobleem weer

op die voorgrond, aangesien die goud- en valutareserwes

opnuut ‘n gevaarlike daling begin vertoôn het.

3)
Sien artikel i,an skrywer in ,,E.-S.B.” van
5
April,
1961,
Bis. 356.

E.-S.B. 14-2-1962

149

Op 5 Mei, 1960, is die offisiële bankrente verder ver-

hoog van
4+
tot
5
%, terwyl later in die maand die beheer

op invoer verder versterk is terwyl ook beperkings ingestel

is op geldoormakings na die buiteland en reisigersvaluta.

Die val van die reserwes was egter so onrusbarend dat

dieregering uiteindelijk moes oorgaan tot ‘n maatreël wat

sy so lank moontlik uitgestel het, naamlik beperkings op

die repatriasie van buitelandse kapitaal. Op 16 Junie, 1961,

toe die reserwes ‘n minimumpeil van R 142 miljoen ver-

geleke met R 304 miljoen op 1 Januarie 1960, bereik het,

is die volgende voorskriftè deur die Minister van Finansies

uitgevaardig:

Buitelandse houers van Suid-Afrikaanse effekte,

wat hulle op die Johannesburgse Effektebeurs verkoop,
sal geblokkerde Rand vir die opbrengs ontvang. Hierdie

fondse kan alleen gebruik word om ander effekte, wat

in Johannesburg gekwoteer is, te verkoop.

Suid-Afrikaanse inwoners word verbied om fondse

na London of Bulawayo oor te maak met die doel om

Suid-Afrikaanse of Rhodesiese effekte te koop.

Van ,,Residents” word verlang dat hulle opgawe

doen van al hul buitelandse bates en skulde.
Bogenoemde maatreëls het direk ‘n einde gemaak aan

die uitputting van die reserwes. Saam met aansienlike

kort-termyn lenings wat deur offisiële instellings in die

buiteland verkry is en ‘n aantal private lenings wat af

gesluitis; het hulle die effek gehad dat die reserwes toe-

geneem het van R 142 miljoen op 16 Junie, 1961, tot

byna R 200 m4ljoen teen die einde van Oktober, 1961,

en omstreeks R 240 miljoen in die middel van Desember,

1961.

Na die verskerping en uitbreiding van invoerbeheer het

die invoer van handelsware gedaal van R 267 miljoen in

die tweede kwartaal tot R 228 miljoen in die derde kwartaal

van 1961. Daarteenoor het die uitvoer met slegs R 7 mii-

oen gedaal. Hoë goudproduksie is in die derde kwartaal

gehandhaaf en daar was ‘n daling in die onsigbare be-

talings, met die gevolg dat die netto lopende surplus op

die betalingsbalans gestyg het van R 9 miljoen in die eerste

kwartaal, tot R 21 miljcen in die .2e kwartaal en verder

tot R
59
miljoen in die derde kwartaal van hierdie jaar.

Vooruitsigte vir
1962.

Op grond van die syfers in tabel 1 blyk dat die voor-

uitskatting vab die nasionale inkome vir 196 1/62 die syfer

vir 1960/61 met
5.0%
oorskry. As ons aanneem dat die

algemene pryspeil ‘n verdere matige styging van ongeveer

1.5%
sal vertoon en dat die bevolking weer met 2.1 %

sal toeneem, dan resulteer hieruit ‘n verwagte styging van

die reële nasionale inkome per hoof van die bevolking

van 1.3 %. Hierdie syfer is ongeveer gelyk aan die ge-

middelde tempo van toename tussen
1951/52
en
1959/60,

wat 1.4 % was. Dit is ook ‘n fraksie hoër as die groeikoers

vir
1959/60
wat ongeveer 1.0% was.
Die geringe versnelling in die ekonomiese ontwikkeling

wat vir 1962 verwag word, is in aansienlike mate gebaseer

op die goeie vooruitsigte wat in industriële kringe leef.

Op grond van rapporte wat deur fabrikante ingedien is
4)

sal die bydrae van die fabrieksnywerheid tot .die nasio-

nale inkome van Suid-Afrika in 1962 na verwagting met

7.8% styg. Die handelsektore verwag ‘n 3.7% toename,

terwyl die goudmynindustrie sy bydrae moontlik met

2.4% sal toeneem vergeleke met ‘n toename van 4.8%

Hupkes en Van den Berg, op. cit. bls. 38.

in die afgelope jaar. Die bydrae van die landbousektor

sal waarskynlik nie baie toeneem nie en sal in elk gevat

minder styg as die nationale inkome as ‘n geheel.

Wat bruto volksuitgawe betref is die aansienlike toe-

name wat in 1960 plaasgevind het, gevolg deur ‘n baie

kleiner styging in 1961, vernaamlik as ‘n gevolg van ‘n

absolute daling in private kapitaalvorming en ‘n verlang-

saming in die groeitempo van private verbruiksuitgawe.
Gedurende 1962 sal die bruto volksuitgawe waarskynlik
iets vinniger toeneem as wat in 1961 die geval was, aan-

gesien geen belangrike vermindering in private kapitaal-S

vorming verwag word nie en kapitaaluitgawes in die

owerheidsektor waarskynlik vinniger sal toeneem als in

1961.

Uit die bostaande blykdus dat die ekonomiese voor-

uitsigte vir die jaar 1962 redelik goed is, hoewel dit nie
ontken kan word dat ‘n voortduring van die vertrouens-

krisis in die private sektor die rëalisering van hierdie

verwagtings in gevaar kan bring. Gedurende die afgelope

een en ‘n half jaar was daar miskien te veel van ‘n ,,wag

en sien” houding by die ondernemers. Dit is egter ‘n

moeilike opgawe vir ‘n regering om deur spesifieke finan-

siële, fiskale of ekonomiese – maatreëls die psigologiese

besigheidsklimaat te verbeter.

Hoewel die goud- en valutareserwes weer baie sterker

staan en seker geen probleme in 1962 sal oplewer indien

die huidige beperkings op invoere en op repatriasie van

kapitaal gehandhaaf word, kan dit egter verwag word

dat ‘n verdere verbetering van die betalingsbalansposisie
die regering sal laat besluit om genoemde beperkings
50

ver moontlik te verlig ten einde die vertroue van die

sakelewe in binne- en buiteland te versterk.

Stellenbosch, 28 Desember 1961.

C. VERBURGH.

INGEZONDEN STUKKEN

Afnemende meeropbrengsten van

Nederlandse investeringen?

Drs. D. M. N. van Wens veen te ‘s-Gravenhage schrijft ons:

,,E.-S.B.”, van 20 december ii. opent met een interessant

redactioneel artikel over ,,Investeringen, capaciteits-

benutting en economische groei”, als omlijsting van een

tabel, opgesteld door het ,,Institut für Konjunkturfor-

schung” te Berlijn, inzake de toename van het reëel bruto

nationaal produkt, de investeringen als percentage van het

bruto nationaal produkt en de marginate kapitaalintensi-

teit van een viertal E.E.G.-landen, de E.E.G. en de E.V.A.

als geheel en de Verenigde Staten. Het begint als volgt:

,,In de discussie hier te lande over de te voeren economische

politiek neemt de vraag of er in conjunctureel opzicht

sprake zou zijn van ,,overinvesteringen” een belangrijke

plaats in. Tijdens de parlementaire debatten kwam tevens

aan de orde of door het hoge Nederlandse investerings-

niveau de groei van het nationaal inkomen t.o.v. die vn

de investeringen is gedaald. In dit geval zou de investerings-

vruchtbaarheid onder het teken van de afnemende meer-

opbrengsten
zijn
gekomen”.

Inderdaad laat de weergegeven tabel zien dat het inves-

teringsniveau in Nederland hoger is dan in de E.E.G.-

landen als geheel (12,4 pCt. tegen 10 pCt., over de periode

1956-1960), 56k dat de
stijging
van het bruto nationaal

produkt is achtergebleven bij de stijging van de investerin-

150

.

E.-S,B. 14-2-1962

gen (althans over de periode 1958-1960, niet over 1956-
1960) getuige de stijging van dat investeringsniveau van

10,9 pCt. in 1958 tot 12,9 pCt. in 1960. Mag men hieruit
echter concluderen tot afnemende meeropbrengsten?

Het antwoord luidt ontkennend. Een
stijgend
relatief

investeringsniveau duidt namelijk op een stijgende groei-

voet van het nationaal produkt of op een
stijgende
kapitaal-

intensiteit
(zijnde
de verhouding tussen de investeringen

en de groei van het nationaal produkt). De vermelde tabel

toont inderdaad dat de groeivoet van het Nederlandse natio-

naal produkt is toegenomen, zelfs meer nog dan met de

stijging van het investeringsriiveau overeenkomt, omdat de

kapitaalintensiteit is gedaald. Van afnemende meeropbreng-

sten is dus niet veel te bespeuren! Maar al zou het inves-

teringsniveau zijn gestegen door een hogere kapitaal-

intensiteit, dan nog kan men niet zonder meer concluderen

tot afnemende meeropbrengsten, omdat een stijging van

de kapitaalintensiteit normaliter gepaard gaat met een –
meer dan evenredige – daling van de arbeidsintensiteit,

bijv. in geval van mechanisatie, waardoor het effect per

saldo is een hogere produktiviteit der gezamenlijke produk-

tiefactoren. Dat de arbeidsproduktiviteit (het omgekeerde
van de arbeidsintensiteit) in Nederland de laatste jaren zo

sterk is gestegen, is dan ook voor een belangrijk deel te

danken aan het hoge investeringsniveau en aan de wellicht

wat hoge kapitaalintensiteit van de produktie in ons land.

Voorts nog een opmerking over de waarde van de

weergegeven tabel als vergelijkingsmiddel voor de groei-

voet, het investeringsniveau en de kapitaalintensiteit in de

diverse landen. Deze waarde is maar betrekkelijk omdat een

statistische eigenaardigheid het uitzicht op de ware tenden-

sen min of meer beneemt. Investeringen als zodanig zijn

niet te meten, doch slechts te benaderen door van de

bruto investeringen de afschrijvingen af te trekken. Nu zijn

afschrijvingen in een groeiende economie altijd grdter dan

de herinvesteringen omdat de afschrijvingen de actuele

kapitaalvoorraad betreffen en de herinvesteringen de

kleinere kapitaalvoorraad van weleer. Naarmate de groei-

voet hoger is, zijn de investeringen dus meer ondergewaar-
deerd en zijn dienovereenkomstig, de kapitaalintensiteit en

het investeringsniveau te laag geschat.

Deze – overigens onvermijdelijke – schattingsfout is

duidelijk te zien in de tabel, die voor alle landen, naarmate

de groeivoet van het nationaal produkt toeneemt in de

jaren
1959
en 1960, opvallend dalende kapitaalintensiteiten

vermeldt. Deze dalingen kunnen, zeker voor 1960, niet in

hun geheel worden toègeschreven aan het in gebruik nemen

van voordien ongebruikte capaciteitsreserves. De samen-

hang tussen de hoogte van de kapitaalintensiteit en de

groeivoet van het nationaal produkt is overal in de tabel

te mooi om toevallig te zijn. Waar er theoretisch geen aan-

wijzing bestaat, dat een
stijging
van de groeivoet tot een

daling van de kapitaalintensiteit zou leiden (eerder het

tegendeel), moet deze samenhang worden toegeschreven aan

statistische vertekening. Als in genoemde tabel West-

Duitsland het presteert, een hogere groeivoet te bereiken

met een lagere kapitaalintensiteit dan Nederland, dan is

de eerste prestatie een misschien benijdenswaardige

realiteit, de tweede echter naar verhouding een compli-

menteuze vertekening.

Naschrift.

Met belangstelling namei wij kennis van de opmerkin-

gen van de geachte inzender. Kennelijk zijn er enkele mis-

verstanden gerezen. Ten onrechte verkreeg Drs. Van

Wensveen de indruk dat het onderhavige artikel met be-

hulp van de in de tabel vermelde gegevens over de drie

grootheden beoogde aan te tonen dat in Nederland de

investeringen in het stadium van verminderde meer-

opbrengsten zouden zijn gekomen.

De door Drs. Van Wensveen geciteerde zinsneden over

de parlementaire debatten dienden om de aandacht te

vestigen op deze belangwekkende discussies over een twee-

tal aspecten van de samenhangen tussen het beloop van

het nationaal inkomen met die van de investeringen.

Onzerzijds werd hierover geen waarde-oordeel uitge-

sproken. De overgang van de
verwijzing
naar de parlemen-

taire discussies naar het commentaar op de tabel, waarin

andere facetten aan de orde kwamen, vergde wellicht enige

opmerkzaamheid.
Wij
menen evenwel dat uit dit commen-

taar, hetwelk overigens een samenvatting was van het ter

plaatsé vermelde artikel van het ,,Wochenbericht” van

24 november jI., voldoende duidelijk bleek dat het geen

poging representeerde om de actualiteit van afnemende

meeropbrengsten van Nederlandse investeringen te ,,be-

wijzen”. Dit zoti een andere aanpak over een langere

periode hebben vereist. Hierbij denke men o.a. aan de

uiteenlopende waarden van de kapitaalcoëfficiënt in de

verschillende landen.

Drs. Van Wensveens betoog, waarin derhalve een

argumentering wordt gekritiseerd die niet door ons werd

toegepast, bevat interessante elementen. Overigens noemden

wij het beloop van de marginale kapitaalintensiteit niet een

exacte indicator van, doch slechts
,,een
aanwijzing”
voor

de mate van capaciteitsbenutting. Tenslotte zij opgemerkt

dat de relatief gunstige Westduitse verhouding tussen de

groei van het nationaal inkomen met die van de inves-

teringen niet geheel behoeft te worden herleid tot een

mysterieuze ,,statistische vertekening”, doch in belangrijke

mate kan worden toegerekend aan de vluchtelingenstroom,

die een groot aantal
geschoolde
werknemers opleverde.

Op zoek naar criteria voor agrariscliè investeringen

In zijn artikel ,,Lopen de landbouwinvesteringen in

Nederland in de pas?”
1)
is door Dr. J. T. P. de Regt een

interessante poging gedaan de hoogte van de agrarische
investeringen in Nederland af te wegen tegen een aantal

criteria. Deze poging verdient lof, met name met het oog

op de kwantificering, omdat er mee wordt voorkomen dat

‘) In ,,E.-S.B.” van 3 januari 1962.

in het vage over de (overigens onbetwistbare) noodzaak

van structuurverbeterende investeringen en mechanisatie

wordt gesproken.

Dit wil niet zeggen dat de analyse van De Regt geheel

acceptabel is. Vooral op de vergeljkingsmaatstaven, die
hij gebruikt, is kritiek mogelijk. Deze maatstaven vallen

in twee categorieën uiteen: normen ontleend aan de inves-

teringen in West-Duitsland en criteria op grond van het

nationaal inkomen en vermogen.

E.-S.B. 14-2-1962

151

De Westduitse vergelijkingsbasis wordt door De Regt

helaas niet nader geargumenteerd. Het is dus niet duidelijk,

waarom juist aan dit land een normerende functie wordt

toegekend en niet aan andere Westeuropese landen, bijv.
België. Het is algemeen bekend, dat West-Duitsland zeer
actief bezig is zijn agrarische structuur te verbeteren, een

structuur die veel ongunstiger is dan bijv. de Nederlandse
2).

Duitsland wil een achterstand inhalen. Men mag op grond

hiervan de Duitse inspanningen op dit terrein niet als
norm voor Nederland hanteren, nog minder indien de

Duitse agrarische investeringen op zichzelf niet nader

worden afgewogen. –

Afgezien van dit algemene argument zijn ook de spe-

cifieke criteria die De Regt in West-Duitsland aanwijst

van
twijfelachtige
waarde. De beloning in de Westduitse

landbouw en de toegevoegde waarde zijn relatief gering;

nog sterker is dat het geval met het aandeel van de land-

bouw in het nationaal inkomen, dat in West-Duitsland

ongeveer 7 pCt. bedraagt bij een aandeel van de agrarische

beroepsbevolking van 15 pCt. (in Nederland zijn beide

percentages ongeveer 11). Daardoor
zijn
deze grootheden

als vergelijkingsmaatstaf onbruikbaar, behalve misschien

in die zin, dat men in West-Duitsland op grond van de

Nederlandse cijfers op een hoger inkomen kan aandringen!

Zolang niet wordt aangegeven hoe het mechanisatiepeil

en de agrarischestructuur in West-Duitsland moeten wor-

den beoordeeld is ook een vergelijking van de investe-

ringen per ha weinig zeggend. Wellicht de beste basis is

die van de arbeidskrachten, overigens nog onder veel

voorbehoud. Het blijkt, dat in dit opzicht West-Duitsland

zijn jarenlange achterstand heeft ingehaald.

In het algemeen kan ten aanzien van landenvergelijkingen

nog worden gezegd, dat in feite hierbij de bedragen voor

onderzoek, onderwijs en voorlichting mede in rekening

moeten worden genomen.
Ook de vergelijking tussen het aandeelvan de landbouw

in de totale investeringen en in het nationaal inkomen
en vermogen gaat mank. In het algemeen kan worden

gesteld, dat in dit opzicht het handhaven van historische

verhoudingen een onduldbare verstarring zou meebrengen.

Op grond van de toeneming van de welvaart en de stijging

van de beroepsbevolking kan van de zijde van industrie

en dienstensector op een hoge prioriteit aanspraak worden

gemaakt. Daar komt bij, dat ook van de nijverheid het

2)
Vgl. o.a. de artikelen van J. D. Dorgelo in ,,E.-S.B.” van
16, 23 en 30 augustus 1961.

aandeel in de nationale investeringen (exclusief voorraad-

vorming) met rond 30 pCt. veel geringer is dan dat van

het nationaal inkomen (ongeveer 43 pCt.). Dit vindt zijn

oorzaak in een belangrijk aandeel van woningbouw,

defensie, Deltaplan e.d. in de totale investeringen. Dat

de landbouw ook van de strikt aan de bedrijfstakken toe

te rekenen investeringen relatief iets minder krijgt dan de

industrie, zegt zonder nadere analyse weinig.

De infrastructurele investeringen zijn heel moeilijk te

verbijzonderen. Terecht wordt door De Regt aangegeven,

dat een deel van de waterbouwkundige en cultuurtech-

nische investeringen niet aan de landbouw
zijn
toe te

rekenen. Omgekeerd zou men echter een deel van alge-

mene infrastructuurwerken wel over de landbouw moeten
verbijzonderen, hetgé’en overigens praktisch niet wel mo-

gelijk lijkt.

Mijn conclusie is, dat de criteria van De Regt ons weinig

verder helpen. De Regt ziet dit wellicht zelf in, als
hij
aan

het slot van zijn artikel spreekt over nader beraad en

twijfel over de hoogte van de investeringen.
Bij
dit nader

beraad, waartoe ook het bovenstaande een beknopte bij-

drage wil zijn, zal men zich meer tot de gebruikelijke

economische maatstaven, rendementen, moeten wenden,

waarbij amendering met sociale criteria mogelijk is. Na-

tuurlijk zijn er de door De Regt aangegeven problemen

van zwakke marktpositie (waarbij overigens in De Regts

artikel de politieke denkbeelden wat zwaar zijn aangezet,

getuige ook de verhoudingen in de tuinbouw) en van de

wereldmarkt, die niettemin op korte termijn als een datum

kunnen worden beschouwd. Zeker zullen aan de bedrijfs-

investeringen rendementseisen moeten worden gesteld, die

een extra gewicht krijgen door de schaarste aan arbeids-
krachten. En wat de structuurverbeterende investeringen

betreft zal men moeten trachten de door binnen- en

buitenlandse pogingen
3)
ingeslagen weg te vervolgen. Het

lijkt niet onwaarschijnlijk (dit mede om misverstanden te

voorkomen), dat dan de door De Regt uitgesproken twijfel

over de hoogte van de structuurverbeterende investeringen

in Nederland gerechtvaardigd zal blijken te zijn.

Middelburg.

Dr. C. DE OALAN.

3)
Zie o.a. het ,,Meerjarenplan voor ruilverkaveling en andere
cultuurtechnische werken in Nederland”, 1958; W. M. Otto
in ,,Landbouwkundig Tijdschrift”, januari 1961; A. Mans en
C. de Galan in ,,E.-S.B.” van 22 juli 1959. In het bijzonder in
West-Duitsland is men op dit gebied ook zeer actief.

Over de omvang der landbouwinvesteringen in Nederland

In ,,Economisch-Statistische Berichten” van 3 januari
jI. doet Dr. J. T. P. de Regt een interessante poging enig

licht te werpen op de ontwikkeling van de landbouw-

investeringen hier te lande.
Hij
volstaat daarbij niet met

een raming van de feitelijke ontwikkeling, doch tracht

tevens een economisch oordeel over deze ontwikkeling uit

te ápreken. Dat dit deel van zijn betoog niet geheel uit de

verf gekomen is, zal niemand, die enig besef heeft van de

uiterst gecompliceerde vraagstukken waar het hier om gaat,

mogen verbazen. De hiernavolgende kritische beschou-

wingen beogen dan ook niet meer te zijn dan een poging,

ter oplossing van het door Dr. De Regt aangesneden vraag-

stuk, een enigszins andere weg te wijzen dan de door hem

bewandelde.

Ter beantwoording van de vraag, of er – economisch

gezien – teveel of te weinig in de landbouw wordt ge-

investeerd, accepteert De Regt niet zonder meer als

criterium een vergelijking van de in en buiten de landbouw

behaalde investeringsrentabiliteit. Hij acht de rentabiliteit

der landbouwinvesteringen een dubieuze indicator voor

het
werkelijk
economisch nut daarvan. Zijn betoog luidt

ongeveer als volgt: de niet-agrarische sectoren zijn alleen

daardoor reeds rendabeler dan de landbouw, dat eerst-

genoemde veelal profiteren van monopoloïde markt-

152

E.-S.B. .14-2-1962

vormen, terwijl de landbouw veeleer gebukt gaat onder

het regime der volledige vrije mededmging, waardoor het

hem, in tegenstelling tot de niet-agrarische bedrijfstakken,

niet mogelijk is, door produktiebeperking zijn winst te

maximaliseren. Een dergelijke afroming van het consumer’s

surplus op zijn voortbrengselen zou hem overigens uit

sociale overwegingen ook nooit worden toegestaan. Een

en ander betekent, dat de rentabiliteit van de investeringen

in de landbouw een in ongunstige zin vertekend beeld

van hun economische betekenis oplevert.

Nu valt op deze beweringen onzes inziens wel het een
en ander af te dingen.. In de eerste plaats dient men zich

van de graad van moriopolisme en de daarmede samen-

hangende mogelijkheden tot produktiebeperking buiten

de landbouw geen overdreven voorstelling te maken. In

handel en industrie is de concurrentie geenszins afwezig

en het zuivere monopolie is een uiterst schaars ver-

schijnsel.

In de tweede plaats kan, gezien het subsidie- en garantie-

prijsbeleid, voor grote stukken van de landbouw toch

nauwelijks van volledige
Vrije
mededinging worden ge-

sproken. Voorts bedenke men dat de landbouw zich, wat

betreft de uit sociale overwegingen aan
zijn
prijszetting

gestelde eisen, geenszins in een uitzonderingspositie be-

vindt, terwijl voor hem de nadelige consequenties ervan

althans ten dele worden gecompenseerd door het subsidie-

beleid. Is dus enige twijfel gerechtvaardigd ten aanzien

van de vraag, of de landbouw als gevolg van de door

De Regt gesignaleerde institutionele oorzaken lagere pro-

venuen en daarmede een lager rendement van het in hem
geïnvesteerde vermogen afwerpt dan de overige sectoren
van bedrijvigheid, dit geldt a fortiori voor de (marginale)

rentabiliteit van de landbouwinvesteringen. Er bestaat im-

mers een enorme spreiding in de kostenniveaus der indi-
viduele bedrijven in de landbouw, groter wellicht dan in

enige andere bedrijfstak. Er is derhalve een groot aantal

landbouwbedrijven, wier kostprijzen afwijken van de nor-

men, waarop de garantieprjzen
zijn
gebaseerd. De voor-

delen van de kostprijsverlagende investeringen op deze

bedrijven blijven derhalve binnen de landbouw en vloeien

niet naar de afnemers, terwijl kostprijsverlaging bij de

monopoloïde marktvormen, zoals deze in de industrie wel

worden aangetroffen, wel degelijk een tendens tot prijs-

verlaging pleegt in te houden.

Menen wij dus, dat De Regt een enigszins eenzijdige

voorstelling van zaken heeft gegeven, hij heeft ongetwijfeld

genoegzaam aangetoond dat een blote vergelijking van de

privaat-economische rentabiliteit van investeringen binnen

en buiten de landbouw een twijfelachtig criterium vormt

voor de beoordeling van hun relatieve omvang.

Dit neemt echter niet weg dat, wanneer we afzien van

speciale gezichtspunten, die thans niet actueel zijn, zoals

bijv. het werkgelegenheidsaspect of het betalingsbalans-

aspect der investeringen, de economist hier geen andere

maatstaf ten dienste staat dan enige vorm van rentabiliteits-

vergelijking. Zou deze niet uitvoerbaar zijn, dan dient hij
zich onzes inziens van een oordeel over de relatieve om-

vang der landbouwinvesteringen te onthouden.

De Regt poogt in zijn artikel echter een tweetal andere

maatstaven aan te leggen.

Bij de eerste vergelijkt hij het procentuele aandeel van

de landbouwinvesteringeri in de totale nationale inves-
teringen met het procentuele aandeel van het agrarisch

inkomen in het nationaal inkomen en constateert dat het

eerstgenoemde percentage over de gehele beschouwde

periode lager ligt dan h’et tweede.Wanneer wij de volgende

symbolen invoeren:

LCL = landbouwinvesteringen

LC = nationale investeringen

= landbouwinkomen

Y = nationaal inkomen

kan zijn waarneming als volgt worden weergegeven:

LC
L

Y
L

LC
L

Lic
– ofwel
LC

De Regt constateert dus dat de landbouw een ge-

ringer deel van zijn inkomen investeert dan het nationaal

gemiddelde. Deze constatering biedt echter geen enkel

houvast voor een oordeelsvorming. Er zullen ongetwijfeld

bedrijfstakken te vinden
zijn,
waarvoor het bovenstaande

in nog sterkere mate geldt; men denke slechts aan de

diens tverleningssector. Naarmate de kapitaalintensiviteit

van de produktie in een
bedrijfstak
geringer is, zal, ceteris

paribus,
zijn
investeringsquote eveneens lager liggen.

Bij zijn tweede criterium vergelijkt De Regt het

aandeel van de landbouw in de nationale investeringen

met zijn aandeel in het nationaal vermogen en constateert

dat ook hier het eerste percentage beneden het tweede ligt.

In symbolen 1):

LC
L

CL

LC
– ofwel _.± – < –
LC

C

C
L

C

Dit betekent dus dat de groei van de kapitaalgoederen-
voorraad in de landbouw kleiner is dan in de gehele eco-

nomie. Dit criterium geeft weliswaar meer inzicht dan het

vorige, doch levert evenmin een maatstaf op ter beoordeling

van de omvang der landbouwinvesteringen. Tenzij namelijk

de kapitaalintensiviteit van de agrarische voortbrenging

relatief zou afnemen, hetgeen waarschijnlijk in strijd met

de feiten is, duidt bovenstaande vergelijking op een relatief

teruglopende betekenis van de landbouw in het geheel van

de nationale bedrijvigheid. Dit laatste nu is een seculair

verschijnsel en geheel in overeenstemming met de toe-

nemende industrialisering van ons land.

De Regt maakt in zijn artikel tevens een vergelijking

tussen de ontwikkeling der landbouwinvesteringen hier te

lande en die in de Duitse Bondsrepubliek. Hoewel deze

vergelijking op zichzelf interessant is en inderdaad op-

vallende verschillen aan het licht brengt, komt zij toch

enigszins in de lucht te hangen doordat het ontbreken van
een beoordelingscriterium het evenzeer onmogelijk maakt

de ontwikkeling aldââr op haar economische merites te

toetsen.

Op het eerste gezicht lijkt de ontwikkeling in Nederland

echter eerder in overeenstemming met algemeen-econo-

mische beginselen dan die in de Bondsrepubliek. Dit blijkt

uit een nadere beschouwing van de eerste grafiek in

De Regts artikel. Terwijl namelijk in Nederland over de

beschouwde periode het aandeel van de landbouw zowel

in de nationale investeringen als in het nationaal inkomen

daalt, bewegen beide grootheden zich in West-Duitsland

in tegenovergestelde richting: het aandeel van de landbouw

in de nationale investeringen stijgt, bij een voortdurende

1)
CL = kapitaalgoederenvoorraad in de landbouw;
C = nationale kapitaalgoederenvoorraad.

E.-S.B. 14-2-1962

153

daling van zijn aandeel in het natidnaal inkomen. Hoewel

een dergelijke ontwikkeling gedurende een periode van

geforceerde kapitaalintensivering van het agrarische pro-

duktieproces niet verwerpelijk behoeft te zijn, temeer daar,

zoals wij zagen, het landbouwinkomen zonder meer geen

correcte maatstaf voor de rentabiliteit der landbouw-

investeringen behoeft te vormen, is het
duidelijk
dat zij

zich niet onbeperkt kan voortzetten, zonder ernstige twijfel

aan haar economische zin te doen rijzen.

Wij
zijn
door de pogingen van De Regt slechts gesterkt

in onze overtuiging, dat alleen een rentabiliteitsonderzoek

hier uitkomst kan brengen. Wil een rentabiliteitsvergeljking

tussen de investeringen in en buiten de landbouw hier
zinvol zijn, dan zullen echter – wat dat betreft zijn wij

het geheel met De Regt eens – zodanige correcties op de

rhet behulp van de investeringen verkregen additionele

inkomens moeten worden toegepast, dat de werkelijke

sociaal-economische rentabiiteith der investeringen wor-

den benaderd. Rentabiliteitsverschillen uit hoofde van ver:

schillen in de mate, waarin de provenuen der investeringen

binnen de eigen sector blijven, resp. doorstromen naar de

andere sector of de binnenlandse consument, zullen daarbij

moeten worden geëlimineerd. Een dergelijke berekening

van nationaal-economische rentabiliteiten is zeker geen

geringe opgave. Misschien kan daarbij echter moed worden

geput uit de pogingen, die thans op dit gebied voor de

verkeerssector worden gedaan.

Bij de bepaling van de nationaal-economische rentabi-

liteit der investeringen in de landbouw, vormt de te onzent

gevoerde landbouwpolitiek uiteraard een datum. Dit be-

tekent o.m. dat
wij
ons distantiëren van de volgende rede-

nering, waarop ook door De Regt – in afwijzende zin –

wordt gezinspeeld: de bestaande overproduktie van land-

bouwprodukten maakt de rentabiliteit van alle landbouw-

investeringen dubieus; opheffing van het subsidie- en

garantieprijsbeleid zou dan ook mèt de produktie, de

investeringen in de landbouw drastisch verminderen. De

merites van deze redenering nu geheel in het midden latende,

voor het hier aanhangige vraagstuk is zij niet ter zake

dienend. Aan de orde is niet een beoordeling van de te

onzent gevoerde landbouwpolitiek, doch de nationaal..

economische rentabiliteit der landbouwinvesteringen, ge-

geven deze politiek. Dit brengt o.a. met zich dat, indien

en voor zover als gevolg van structuurverbeterende inves-

teringen de landbouwsubsidies zouden worden verlaagd,

de hierdoor vrijgekomen bedragen tot de rentabiliteit dezer

inyesteringen zouden moeten worden gerekend.

N. E. T.

Drs. R. TWEMA.

NASCHRIFT

Dr. De Galan
ziet het inderdaad juist, indien hij ver-

onderstelt, dat ook ik geen absoluut normerende functie

aan de door mij ,,bij gebrek aan betere maatstaven” ge-

maakte vergelijkingen toeken. Ware dit anders, dan had

ik ten aanzien van het niveau der structuurverbeterende

investeringen niet van
twijfel
doch van zekerheid ge-

sproken.

Bij mijn twijfel laat ik o.m. de overweging gelden, dat

in een periode, waarin het agrarisch inkomen per hoofd

structureel achterblijft bij dat in de rest van de volkshuis-

houding, een accentverschuiving dient plaats te vinden

naar investeringen ter verbetering en aanpassing van de

landbouwstructuur. In werkelijkheid ziet men echter een

daling van de structuurverbeterende investeringen. Daarbij

wil ik – dit ter vermijding van misverstand – opmerken

dat deze verbetering behalve in de sfeer van de investeringen

gezocht moet worden in het scheppen van alternatieve

werkgelegenheid, uittreding van ondeinemers uit de land-

bouw, vergroting van de bedrijfsomvang per man en een

sterkere beheersing – zowel naar kwantiteit als naar kwa-

liteit – van het aanbod van landbouwprodukten. Ik kan

slechts herhalen op dit punt nader beraad te bepleiten.

Indien men ervan uit mag gaan, dat

in het kader van de Euromarkt in de nabije toekomst

een vrj(er) verkeer van landbouwprodukten tot stand zal

komen, en

in het Europese orkest de Nederlandse landbouw

in het algemeen stellig niet de zwakste Partij speelt, zodat

Nederlahd niet als een marginale aanbieder van landbouw-

produkten kan worden beschouwd (ook hier is overigens

nader onderzoek gewenst),

dan moet als uitgangspunt worden aanvaard, dat Nederland

aan landbouw zal blijven doen. Daarmede is het voorts

rationeel, dat de Nederlandse landbouw – evenals

andere sectoren van het economisch leven dit trouwens

doen – tracht zijn relatieve concurrentiepositie te hand-

haven. In
afwijking
van het oordeel van
De Galan,
acht ik

het dan ook van belang waar te nemen wat er bij de buren

geschiedt – vooral als deze een structurele achterstand
wensen in te halen -, een en ander te confronteren met

de ontwikkeling in het eigen land en daaraan eventueel

consequenties voor de handhaving van de eigen relatieve

concurrentiepositie te verbinden. Dat ik West-Duitsland

als vergelijkingsmaatstaf heb gebruikt, heeft enerzijds een

opportunistische reden; voorshands was voor mij slechts

van dit land adequaat cijfermateriaal toegankelijk. Ander-

zijds is West-Duitsland een interessant vergelijkingsobject

omdat men er tendenties kan waarnemen tot accent-

verlegging van inkomensoverdrachten aan de landbouw
naar investeringen die erop gericht zijn de bestaansbasis

van de landbouw structureel te verstevigen, de produktie-

kosten te doen dalen en aldus deze bedrijfstak in staat te
stellen meer op eigen benen te staan. Ook dit aspect zou

in het kader van het door mij bepleite beraad betrokken

dienen te worden.

Men kan mij tegenwerpen, dat een wederzijdse boks-

houding terwille van handhaving of versterking van de

relatieve concurrentiepositie slechts tot een gemeenschap-

pelijk debâcle in de landbouwsector zal kunnen leiden.

Men vergete echter niet, dat de E.E.G. haar kracht juist

ontleent aan scherpere concurrentie en het uitbuiten van

comparatieve kostenvoordelen. Dit zal in hoge mate be-

palen welk aandeel de diverse landen in de expansie van

de markt zullen hebben. Zonder twijfel zou het echter

verstandig zijn indien men zich op Europees niveau ernstig

zou beraden over de gewenste omvang van de agrarische
produktie in de E.E.G., alsmede over de vraag waar deze


produktie comparatief gezien het beste kan plaatsvinden.
Zonder een dergelijke visie mist het gemeenschappelijke

landbouw- en structuurbeleid een essentiële grondslag.

Vroeger of later schijnt toch – gelet op de beperkte om-

vang van de menselijke maag, de grote technologische

vooruitgang in de landbouw en de vermoedelijk geringe

154

E.-S.B. 14-2-1962

aanbodregulerende functie van de prijshoogte in de land-

bouw — een beheersing van het aanbod van landbouw-

produkten onontkoombaar. Men kan van een individueel

land zulk een beperking van de produktie en het achter-

wege laten van investeringsinspanningen niet verlangen,

_zeker niet als het geen aanleiding ziet zich als een marginale

aanbieder te beschouwen.

3. Er mag met
mijn
oppontnten niet het misverstand

bestaan, dat ik de rentabiliteit als beoordelingscriterium

over de omvang der agrarische investeringen in principe

zou verwerpen. Ik h’èb slechts de nadruk erop willen leggen

dat men met rentabiliteitsvergelijkingen zeer voorzichtig

moet zijn en dat er verschillende factoren zijn, die een

praktische toepassing ervan, vooral ook wat de structuur-

verbeterende investeringen betreft, ten zeerste bemoeilijken.

Deze factoren wil ik hieronder nader toelichten:

a. Ik stileer ongetwijfeld te sterk, maar ik meen dat er,

uitgaande van voldoende werkgelegenheid en dus van de

aanwezigheid van voldoende koopkrachtige vraag, eeh

kern van waarheid schuilt in de volgende causaliteitsketen:

1. voedselschaârste -+ hoge landbouwprijzen —> gun-

stige rentabiliteit van landbouwinvesteringen
1);

2. ruime voedselvoorziening -> ingezakte landbouw-

prijzen —> lage tot matige gemiddelde refitabiliteit van

‘landbouwinvesteringen.

Ijidien een moderne volkshuishouding zich ten aanzien

vâhhaar voedselvoorziening een ,,affluent society” ten

doel stelt, moet zij op grond daarvan in beginsel tevens

een naar verhouding geringe
gemiddelde
rentabiliteit van

het geïnvesteerde vermogen in de landbouw als een logisch

daaruit voortvloeiend en natuurlijk verschijnsel aan-

vaarden. Bij vergelijking van investeringen op basis van

gemiddeldé
rentabiliteiten – zelfs van nationaal-econo-

mische – in en buiten de landbouw, bevindt dan ook de

landbouw (voor de tuinbouw ligt dit weer iets anders)

zich
bij
voorbaat in het nadeel
tenzij,
zoals ook
Drs. Iwema

voor ogen staat, een mogelijkheid wordt gevonden bij deze

rentabiliteitsvergelijkingen met het concumers’ surplus

rekening te houden. Vooralsnog lijkt mij dit een onmo-

gelijke opgave.

Het garantiebeleid – als ,,countervailing power”
2),

waarvoor men buiten de landbouw meer geruisloze en

mede daardoor meer adequate instrumenten pleegt te han-

teren – moge de nadelige gevolgen van de volledige vrije

mededinging voor de boer temperen, doch dit is niet in die

mate het geval dat het volgende citaat van
Prof Dr. J.

Wisselink
3)
voor de landbouw van toepassing zou zijn.

Volgens Prof. Wisselink zijn in de sfeer van de industrie

zodanige prijzen nodig, ,,dat het gemiddelde goed geleide

bedrijf behoorlijk kan afschrijven (inhoudende de mogelijk- T.

heid tot zodanige m’dernisering, dat het zijn structurele

positie kan behouden), behoorlijke arbeidsvoorwaarden kan

geven, noodzakelijke reserves kan vormen en het benodigde

kapitaal een beloniiîg kan geven, voldoende om het an

te trekken of te behouden”. Dank zij produktdifferentiatie,
produktiebeperking, prijsafspraken en andere beschermen-

de maatregelen zijn vele nietagrarische bedrijfstakken

Wanneer in de onderontwikkelde gebieden geval 1 zich
niet voordoet, dan is dit een gevolg van het ontbreken van de
door mij veronderstelde voldoende koopkrachtige vraag.
Galbraith: ,,American capitalism. The concept of counter-
vailing power”
(1952).
Zie bijlage bij ,,E.-S.B.” van 7 november
1956.

daarentegen wel in staat bij de prjszetting met dit ,,struc-

turele” kostprijselement rekening te houden.

Om misverstand te vermijden wil ik erop wijzen, dat ik

in de landbouw zulke prijzen
bij
de bestaande vraag- en

aanbodverhoudingen overigens ook niet
bij
voorbaat zou

willen bepleiten. Onder de huidige omstandigheden acht

ik het juister, indien in de landbouw ten deze mede van

overheidswege een adequaat st’ructuurbeleid — waarvan

structuurverbeterende investeringen één aspect vormen —

wordt gevoerd.

Over de vraag van welke investeringsobjecten men

de rentabiliteit zou moeten vergelijken,
zwijgen
mijn oppo-

nenten. Wil rfien een nationaal-economische rentabiliteits-

vergelijking toepassen ter beantwoording van de vraag,

of de agrarische structuurverbeterende investeringen in de

pas lopen, dan dient men daarto& investeringsobjecten te

kiezen, die zowel binnen als buiten de agrarische sector

als
marginaal
zijn te beschouwen. Daarbij zal men, zoals

Drs. Iwema
erkent, – ook wijzigingen in het consumers’

surplus in aanmerking moeten nemen. Welke investeringen

moet men nu buiten de landbouw als ver,eijkingsobject

kiezen? Investeringen in de sfeer van de reclame, luxe

kantoorgebouwen; nieuwe steenkolenmijnen op grote diepte,

uitbreiding van de vliegcapaciteit?

De door mij uitgesproken twijfel betrof vooral het

beloo’p van de structuurverbeterende investeringen, die —

zoals alle klima.atsinvesteringen – een zeer lange levens-

duur bezitten. Bij rentabiliteitsprognoses is men doorgaans

al heel blij, als men een voorspelling voor de eerstvolgende

10 jaar kan doen. Bij klimaatsinvesteringen gaat het evenwel

om perioden van 30 â 40 jaar. Dit alleen reeds maakt

rentabiliteitsberekeningen voor zulke lange-termijnprojec-

ten uiterst moeilijk. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat

pogingen hiertoe stellig gewenst zijn. Dit gebeurt in de

praktijk ook
4).

d:
Iwema
meent, dat de economist zich van een oordeel

over de relatieve omvang der landbouwinvesteringen dient

te onthouden indien het hem niet mogelijk is dit oordeel

— afgezien van ,werkgelegenheids- en betalingsbalans-

aspecten — op rentabiliteitsvergelijkingen te baseren.

Mijn opponent meent hiermede impliciet, dat de economist

door rentabiliteitsvergelijking toe te passen uitsluitend

economische grootheden in ogenschouw behoeft te nemen.

Iwema
ziet echter over het hoofd, dat ,,our notion of

efficiency is relative to distribution of income; should we

seek to redistribute income to future genratios, the

interest rate loses its actual meaning as an efficient price”
5
).

De ,,sociale tijdsvoorkeur” van de gemeenschap wijkt vaak

af van de ,,private tijdsvoorkeur” zoals deze in de markt-

rente tot uitdrukking komt. Dit is één van de redenen

waarom klimaatsinvesteringen, – waartoe ik o.a. ook de

door mij besproken agrarische structuurverbeterende in-

vesteringen rangschik – als regel niet door particulieren,
doch door de’ overheid ter hand worden genomen.
Toch is de totstandkoming van klimaatsinves’teringen

in het algemeen van groot belang voor de welvaarts-

ontwikkeling van de gehele volkshuishouding, omdat zij

mede bepalend zijn voor, het rendement van de overige
investeringen in de private sfeer. Bij berekening van de

Zie o.m. een binnenkort in het ,,Landbouwkundig Tijd-
schrift” te publiceren artikel (no. 4 van februari
1962)
over
de economische betekenis van een tuinbouwruilverkaveling
in Noordholland.


Eckstein: ,,Water Resource Development. The economics
of project evaluation”
(1958),
blz. 100.

E:s.B. 14-2-1962

155

rentabiliteit van klimaatsinvesteringen zal men in het alge-

meen een geringere tijdsvoorkeur (rente) mogen incalcu-
leren. Wanneer
Iwema
meent, dat de economist zich bij

rentabiliteitsberekeningen geheel door het hem vertrouwde

kompas van zuiver economische overwegingen kan laten

leiden, dan ziet hij over het hoofd, dat bij de door hem

bepleite nationaal-economische overwegingen een niet-

economische beslissing moet worden genomen ten aan-

zien van de hoogte der in te calculeren sociale tijdsvoor-

keur.

Bij nationaal-economische rentabiiteitsvergelijkingen

van marginale investeringen zou men de toekomstige in-

komens- en uitgavenstromen moet;n disconteren op basis
van deze sociale tijdsvoorkeur.

4. Tot slot nog enige korte opmerkingen.

– De Galan
heeft mij nieuwsgierig gemaakt waarop

hij zijn vermoeden baseert dat de door mij geuite twijfel

waarschijnlijk gerechtvaardigd zal zijn, indien hij
nèch

kan steunen op bedrijfstaksgewijze rentabiliteitsvergelij-

kende investeringsstudies,
nôch
aan de door mij gemaakte

vergeljkingen enige indicatieve betekenis wenst toe te

kennen.

Indien
De Galan
stelt, dat ook van de nijverheid

het aandeel van de nationale investeringen met rond 30

pCt. veel geringer is dn dat van het nationaal inkomen

(ongeveer 43 pCt.), dan moet
hij
zich realiseren dat hij

daarbij niet de hoge infra-structufele overheidsinvesteringen

in aanmerking neemt. Dit is daarentegen in
mijn
bereke-

ningen voor de landbouw wel in hoge mate gedaan.

Zolang het rentabiliteitscriterium bij het door
mij
aan

de orde gestelde vraagstuk nog niet voldoende praktisch

hanteerbaar is, zal men moeten uitzien naar andere indica-

tieve criteria. Daartoe heb ik een eerste poging gedaan.

Op dit vraagstuk is men echter stellig nog niet uitge-

studeerd.

De Bilt.

Dr. J. T. P. DE REGT.

M. A. Robinson, M. ‘C. Morton en J. D. Calderwood:

Wegwijzer in de economie. G.
J.A. Ruys Uitg. Mij.

N.V., Bussum; Diogenes, Antwerpen, (1961), 272 blz.,

f. 13,50.

Van het mij onbekende boek ,,Introduction to economic

reasoning” verscheen een Nederlandse bewerking door

Drs.
W.
Tinis. Op het eerste gezicht lijkt hier een kans te
zijn gemist. Wanneer nu toch een eenvoudig leerboek uit

het Engels vertaald moest worden, waarom dan niet

Samuelsons beroemde inleiding genomen? Vooral ook om-

dat de bewerker zich grote moeite heeft getroost om alle

Amerikaanse voorbeelden uit het boek te vervangen door

Nederlandse en Belgische’— dat had ook met Samuelsons
werk kunnen gebeuren.

Doch bij nader inzien gaat men hier iets anders over

denken, want deze Wegwijzer heeft
zijn
charmes voor

zover dit althans van een boek gezegd kan worden. Die

aantrekkelijkheden liggen niet zozeer op het terrein van

de theorie voor beginners. Eigenlijk geeft dit boek nauwe-

lijks e’conomische theorie, doch veeleer theorie en praktijk
van de economische politiek. Hoe een prijs tot stand komt,

waar de inkomens van afhangen, hoe de economische

orde er uit kan zien en waardoor de conjunctuurbeweging

wordt bepaald – het zijn allemaal zaken die min of meer

in het vage blijven. Ook zal men van geen enkele theo-

reticus de naam aantreffen, zelfs die van Keynes niet. De

herkomst van onze economische kennis wordt zorgvuldig

verborgen gehouden.

Al de ruimte die men door deze onorthodoxe opzet

heft kunnen besparen, is aangewend voor zeer praktisch

ingestelde beschouwingen, waarmee de krantelezer, die

de economische rubrieken niet schuwt, zijn voordeel kan

doen. Aardig is vooral ook de metlode, waarbij aan het

eind van elk hoofdstuk een zeker vraagstuk aan de orde

wordt gesteld, waarvoor alternatieve oplossingen worden

aangegeven. Hiermee wordt inderdaad enige scholing in

,economic reasoning” bewerkstelligd.

Na een inleidend hoofdstuk wordt begonnen met een

statistisch ingestelde bdchouwing van de economische

kringloop, culminerend in een zeer fraaie grafiek (blz. 47)

van de inkomens- en bestedingsstromen in Nederland.

Het derde en vierde hoofdstuk, respectievelijk handelende

over de concurrentie en de vakverenigingen, kunnen wat

minder mijn bewondering wegdragen. Het begrip concur-

rentie en zijn twee tegenpolen: monopolie en samen-

werking is wel erg oppervlakkig behandeld. Daar staat

tegenover dat het praktische vraagstuk, namelijk de ver-

ticale prjsbinding, zeer helder uit de doeken wordt ge-

daan. Wat raadselachtig is het daartegenover weer, waarom

de bewerker, die zich veel moeite heeft gegeven het hofd-

stuk over de vakbeweging geheel op Nederlandse leëst te

schoeien, dit betoog afsluit met een uitvoerige behandeling

van de bezitsvorming. M.i. is dit een detailkwestie in het
gestelde verband van de invloed van de vakbeweging op

het economisch leven.

De hoofdstukken over geld, conjunctuur en conjunctuur-

politiek
zijn
plezierige lectuur en ook de praktische pro-

blemen, namelijk de betekenis van de overheidsschuld, de

spreiding van de werkloosheid en de alternatieven
bij
een

noodzakelijke bestedingsbeperking, zijn goed gekozen. Al-

leen lijkt mij het cartogram op blz. 148 weinig verhelderend;

omdat daarin absolute en geen procentuele gegevens zijn

verwerkt geeft het de indruk alsof de werkloosheid in de
Nederlandse probleemgebieden geringer is dan elders.

Heel fraai is hoofdstuk 8 over de economische groei,

dat gegeven de ramingen voor de periode 1960-1970 voor

Nederland en België weer nagenoeg geheel door de be-

werker, zelf moet zijn geschreven. Het was wellicht beter

geweest wanneer de groeiproblemen van de onderontwik-

kelde landen in lit hoofdstuk waren behandeld en niet in

hoofdstuk 9, dat de internationale economische politiek

bespreekt. Dan was in het laatstgenoemde hoofdstuk ook

wat meer ruimte beschikbaar geweest voor de integratie-

vraagstukken, die nu te summier zijn behandeld. Dit hoofd-

stuk is overigens nog wel erg Amerikaans; men mist hier

veel meer dan elders de invloed van de Nederlandse be-

werker, die het zo langzamerhand waarschijnlijk moe was
geworden voor de Amerikaanse snit steeds maar weer een

meer Europese mode in de plaats’te stellen. Tenslotte

geeft hoofdstuk 10 nog een samenvattend overzicht van

de overheidsinvloed op het economisch leven.

Al niet al een boek dat voor de gemiddelde ,,E.-S.B.”-

lezer – dus de belangstellende voor economische vraag-

stukken maar geen theoretische diepgraver – het bepaald

waard is om gelezen te worden. Een waarde die het vooral

ontleent aan de wel zeerruime interpretatie, die Tims aan

het begrip vertaling heeft gegeven.
Wassenaar.

J. 11 ANDRIESSEN.

56

E.-S.B. 14-2-1962

Geidmarkt

Met een stijging van het balanstotaal met ruim 14 pCt.

hebben de georganiseerde landbouwkredietinstellingen in

het afgelopen jaar een sterkere groei te zien gegeven dan

de handelsbanken. Bij deze instellingen nam het balans-

totaal in 1961 met de,helft van het zojuist genoemde per-

centage, dus met 7 pCt., toe. De krachtige expansie bij

het boerenleenbankwezen weerspiegelde zich aan de credit-
zijde van de gecombineerde balans vooral in een toeneming

van de post spaargelden en wel met f.
594
mln.; de andere
bestanddelen van de toevertrouwde gelden, termijndepo-

sito’s en direct opvraagbare tegoeden, droegen slechts in

bescheiden mate tot de groei bij, n.l. slechts f. 66 mln.

De kredietverlening aan de particuliere sector, gemeten

aan de cijfers vân kredieten in rekening-courant en voor-

schotten, onderging een stijging, die de 22 pCt. te boven

ging. Voor hen, die zich herinneren, dat de kredietcontrole-

regeling van De Nederlandsche Bank ook op het landbouw-

kredietwezen van toepassing is, moet worden opgemerkt,

dat de langjarige leningen der boerenleenbanken niet onder

de regeling vallen, omdat
zij
geacht worden te zijn ge-

financierd met kapitaalmarktmiddelen, d.w.z. de spaar-

gelden. In feite heeft de toeneming der spaargelden de

stijgingder voorschotten nog met ca. f. 100 mln, over-

troffen.

Recent nieuws van de geidmarkt betreft de door de

Agent van het Ministerie van Financiën geopende mogelijk-

heid tot verkoop over de toonbank van achtsnaandspapier.

Op het eerste gezicht lijkt het of de jaren van weleer, toen

het Ministerie van Financiën onbeperkt schatkistpapier

afgaf, zijn terug gekomen. Het ligt meer voor de hand, dat

het hier gaat om een verdere uitvoering van ‘s Ministers

plan, door tijdige uitgifte van in het najaar vervallend

papier de schok van de belastingbetaling op te vangen.

De vraag komt naar voren of wellicht overneming van het

Engelse systeem van schatkistpapieruitgifte, een wekelijkse

tender, nog niet doelmatiger is. Uit het disconto van
l/16

pCt., d.i. nog
/16
pCt. lager dan het toch al lage disconto

bij de laatste tender, spreekt wel een uiterste zuinigheid

van de rjks6verheid. Men wil de markt tegemoet komen,

doch de banken moeten om de gebruikelijke najaars-

moeilijkheden te voorkomen hiervoor, al klinkt het

paradoxaal, een hoge prijs betalen.

Kapitaalmarkt.’

Niettegenstaande de spaarquote in ons land in de laatste

jaren uitzonderlijk hoog ligt, vermindert de activiteit bij

degeen, die het sparen willen bevorderen niet, doch neemt

juist toe. Men kan dat wellicht een voorbeeld van con-

traire reactie noemen. soms beperkt de activiteit zich tot

voorlichting, zoals de Stichting Verbreiding Effectenbezit,

die zich
beijvert
zeer licht verteerbare brochures in het

licht te geven. Van overheidsweg’e bevordert men door

premies het jeugd- en het ambte’narensparen. Per 1 januari

van dit jaar is de wet houdende voorzieningen met be-

trekki ng tot premiespaarregelingen en winstdelingsspaar-
regelingen van kiacht geworden, waarbij de Staat eveneens

een bijdrage levert.
Bij
het Parlement is een wetsontwerp

betreffende fiscale faciliteiten voor bezitsvorming met be-

trekking tot effecten in behandeling en ten departemente,
leest men in de staatsstukken, wordt ijverig aan een alge-

mene premiespaarregeling gewerkt. Sparen is slechts het

eerste,
zij
het het
moeilijkste,
deel van een triologie, die

getiteld is: Sparen, Beleggen e’n Investeren. De tot nu toe

van kracht zijnde regelingen geven een zekere voorkeur

voor bepaalde beleggingsvormen, n.l. huizenbezit en ver-

zekeringen. Dat belanghebbenden in het effectenwezen een

deel van de nieuwe spaarstroom gaarne in hun richting
zouden zien vloeien behoeft geen betoog. De bovenge-

noemde Stichting Verbreiding Effectenbezit is hiervan een

uitvloeisel. De vakorganisaties blijven niet achter. Kost-
geleden werd opgericht het Beleggingsfonds voor Prote-

stants Nederland en de Katholieke Arbeidersbeweging

stichtte eveneens een beleggingsfonds. Deze ontwikkeling

kan een
structuurwijziging
in het bezit teweeg brengen

doch mocht dit het geval
blijken
dan zal dit toch eerst

op de lange duur van betekenis worden.

Indexcjjfers aandelen

27 dec.

M. & L.

2 febr.

9 febr.
(1953 = 100)

1961

1962

1962

1962

Algemeën
……………….
410

415-399

412

415
Intern, concerns
…………..

566′

566-545

560

564
Industrie

………………
366

388 – 361

386

338
Scheepvaart
…………….
184

186-181

182

‘ 194
Banken
…………………
253

257 —247

250

257
Handel enz . …………….

160

168— 159

167

167

Bron:
A.N.P.-C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen

.

Kon. Petroleum
………….
f. 126,70

f. 129,70 t’: 131,80
Philips G.B
………………

9844

958

957
Unilever
……………….
f. 189,70

t’. 188,20 t’. 189,20
Robeco
…………………
f.252,50

f. 249

f. 252
Hoogovens, n.r.c . ………..

776

763

777
A.K.0
………………….

404’/

398

393
Kon. Zout-Ketjen, n.r.c
……
1.070

1.095

1.080
Zwanenberg.Organon
……..
1.024

1.050

1.060
Interunie
……. . ………..
t’. 228

t’. 266

t’. 228,50
Amsterd. Bank
…………..
396

389

407

New York.

Dow Jones Industrials
………
731 –

707

714

Rentestand.

Langi. staatsobl. a)
……….
4,12

4,05

4,03
Aand.: internationalen a)

2,83 b)

.

2,85
lokalen a)
…………
3,55 b) ‘

.

3,40
Disconto driemasnds schatkist-
papier
………………..
1/
4


1

Bron:
Veertiendaags beursoverzicht’Amsterdamsche Bank.

19 december.

C. D. JONGMAN.

8
Jhaaei

sinds 1841

in dienst van Handel
en
Nijverheid

Kredietinformaties

Incasso

Handelsadressen

Marktgidsen

225 kantoren

IN NEDERLAND:

DUN
&
BRADSTR’EET N.V.

Amsterdam

1
Rotterdam-4

Den Haag

Keizersgracht 738
1
Schiekade 189
1
Fluw. Burgwal 6

E.-S.B. 14-2-1962

157

Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen voor
functies in de beleidssector worden geplaatst enige

JONGE ACADEMICI

(b.v.k. juristen en economen)

met belangstelling voor internationale vraagstukken en
– een behoorlijke kennis van de moderne talen.

Leeftijd: b.v.k. tussen 25 en 30 jaar.

Na enige jaren dienst in de rang van adjunct-referendaris
(salaris f. 530.— tot f. 680.— p.m.) kan, bij gebleken
geschiktheid, aanstelling in vaste dienst volgen met be-
vordering tot referendaris 2e klasse (salaris f. 660.— tot
f. 980.— p.m.).

In de toekomst is verdere bevordering tot referendaris
(salaris f. 887.— tot f. 1145.— p.m.) mogelijk.

De genoemde salarissen zijn excl. vakantiegratificatie en
de as. salarisverhoging.

De gelegenheid tot solliciteren bestaat ook voor hen, die
binnenkort afstuderen of uit militaire dienst komen, dan
wel reeds enige’jaren werkzaam zijn.

Voor deze laatste categorie bestaat, indien de voorpraktijk
aansluit bij de onderhavige functie, de mogelijkheid tot
hogere inpassing.

Eigenh. geschr. soli, met voil. gegevens omtrent opliding
en ervaring onder no. 2-263/7188 (in linkerbovenhoek
t
brief en env.) aan het bureau Personeeisvoorziening v.d.
Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.

Voor een oriente?end gesprek kan desgewenst tel. een
afspraak worden gemaakt. Tel. 184000- t. 368/286.

p.. . . .. .
Ii;!,…,

Bij het

BUREAU ALGEMEEN BEHEER

van de

DIENST DER PUBLIEKE WERKEN

kan worden geplaatst een

FUNCTIONARIS

die zal worden belast met het verrichten van economische
onderzoekingen met betrekking tot de ontwikkeling van
Amsterdam in het algemeen en die van de bouwbedrijvigheid
in het bijzonder.

Gegadigden dienen economisch geschoold te zijn.

Daarbij wordt onder meer gedacht aan hen, die het candidaats-
examen in de economie hebben afgelegd
en
zich voorbereiden
,voor het doctoraal examen.

Salaris, afhankelijk van opleiding en ervaring, nader overeen
te komen.

Sollicitaties onder no. B 8046 in te zenden
bjj
de, Directeur
der Gem. Personeelsvoorziening, Sarphatistraat 92, Amster-
dam-C.

Blijf bij – lees ,,E.-S.B.”!

.

MAAN DSTAAT

(IN GULDENS)

PER 31 JANUARI 1962

vorig jaar
31Jan. 1962
1
virig jaar
31jan. 1962
DEBET

.
CREDIT

Kas, kassiers en daggeldieningen
f

203.878.269
f

185.389.894
Kapitaal
f

90.010.000
T

90.010.000
Nederlands schatkistpapier
f

538.619.902
T

524.203.476
Reservefonds
f

54.000.000
T

59.000.000
Ander overheidspapier

.
f

48.824.847
f

22.895.471
3%

Deposito-obligaties ,per

1962

Wissels
f

62.121.282
f

43.503.922
en

leningen

Maatschappij

voor
Middellang Crediet

.
T

88.116.000
T

139.585.000
Bankiers in binnen- en buitenland
f

484.672.776
f

354.373.825
Deposito’s op termijn
f

629.322.885
T

558.255.732
Effecten en syndicaten
T

66.872.644
f

96.915.108
Crediteuren
f1.625.71.942
[1.694,892.077
Prolongatiën en voorschotten
Geacepteerde wissels
f

30.989.617
T

31.128.535
tegen effecten
T

108.066.658
t

125.333.906

Debiteuren
f1.045.244.003 f1.288.756.170
Door derden geaccepteerd

,
f

456.963

f

304.335

Overlopende saldi en andere
Deelnemingen (incl.,voorsch.)
f

32.527.271
T

41.175.915
rekeningen
f

72.060.246

T

109.372.00
Gebouwen en inventarissen
f

1
f

1


(2.590.827.653
f2.682.547.688
(2.590.827.653
f
2.682.547.6w’

AMSTERDAMSCHE
BA.N1(

158
E.-S.B. 14-2-1962

CE UTIRAAL

BEHEER

VERZEKERINGEN VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

MOLEST-RISICO


vereniging voor onderlinge verzekering van schade door oorlogsgeweld aan onroerende en roerende goederen Verzekerd
bedrag meer dan 8 miljard gulden Het lidmaatschap van deze
onderlinge biedt tevens gehele of gedeeltelijke dekking tegen andere
risico s als schade door sabotage val of noodlanding van een
vliegtuig overstroming uitstromen van water, storm Naast de
molestverzekering wordt de mogelijkheid geboden tot volledige
stormschadeverzekering tegen aantrekkelijke premies en op ruime
voorwaarden Ondernemingen zowel als particulieren kunnen als lid toetreden Inlichtingen worden gadrne vrijblijvend verstrekt

Naast
MOLEST-RISICO
kunnen voor u van belang zijn

BRAND-RISICO

Brand en bedrijfsschadeverzekering voor industriele en andere objecten

VERVOER-RISICO

Transportverzekeringen van goederenzendingen in binnen
en buitenland

WET-RISICO

Bedrijfs w a verzekering
Motorrijtuigverzekering w a dekking voor alle motorrijtuigen
f 500 000

per gebeurtenis Ongevallenverzekering voor inzittenden

PENSIOEN-RISICO

Ouderdoms

weduwen

wezen en invaliditeitsverzekering

DIENSTVERLENING AAN HET BEDRIJFSLEVEN

VERENIGING VOOR CENTRALE ELEKTRONISCHE
ADMINISTRATIE

C E
A

verricht administratieve werkzaamheden voor haar leden met behulp van elektronische apparatuur als loon voorraad en debiteurenadministratie facturering enz

E.-S.B. 14-2-1962

159

HOLLANDSCHE SOCIETEIT

VAN LEVENSVERZEKERIIGEN N.V.

Hoofdkantoor Nederland.:

Herengracht 475, Amsterdam-C. tel. 221322

Head Office Canada:
1130 Bay Street, Toronto 5

.meer dan anderhalve

;euw levensverzekering

S

iiiii

S

AMSTERDAMSCHE BANK

vraagt een

CANDIDAAT NOTARIS

of

•MEESTER IN DE RECHTEN

als medewerker van haar uridische afdeling.

Brieven aan: afdeling Personeelzaken, Heren-
gracht 595, Amsterdam.

D.HUDIG
&CO.

Ao.
1825

MAKELAARS IN ASSURANTIN

ROTTERDAM

Telefôon (010) 13 08 00

Wijnhaven
23

Telex 2 11 03
Postbus
518

VAN DER
HOOP, OFFERS ‘& ZOON’

Ao.
1807

BÂNKIERS

ROTTERDAM

Telefoon
11
4620
Westersingel
88

Telex
2 21
99
Postbus 502

HET CENTRAAL BUREAU VOOR DE STATISTIEK

Oostduinlaan 2 te ‘s-Gravenhage

vraagt:

A. SOCIOLOGEN

voor statistische onderzoekingen op demografisch gebini,

dan wel op onderwijskundig
en
cultureel terrein – vac.no
.

7268/7 188.

Vereist: doctoraal examen sociologie, sociografie of econo-

mie met sociologische studierichting.

B. ECONOMEN

voor research op rnacro-ectuiomisch terrein en voor bedrijfs-

vergelijkende produktiviteitsmetingen – vac.no
. 2-239/7188.

Vereist: doctoraal examen economie (bedrijfeconomische

richting).

C. ECONOMEN/WISKUNDIGEN

voor econometrische en mathematisch-statistische onder-

zôeken – vac.no
. 2-24017188.

Vereist: doctoraal examen economie, econometrische studie-

richting en/of belangstelling voor statistische behandeling

van economische problemen; doctoraal examen wiskunde,

b.v.k. met bijvak mathematische statistiek en met’ belang-

stelling voor de toepassingen van de statistiek.

Kandidaten voor de functies onder A, B en C zullen als

lid van de
wetenschappelijke staf van de verschillende afde-

lingen en bureaus een grote mate van zelfstandigheid en

creatief vermogen
aan de dag moeten leggen.

D. ADJUNCT-ACCOUNTANTS

voor werkzaamheden in het kader van de produktiestatistie-

ken van de
industrie – vac.no. 2-238/7188.
Vereist: M.O.-opleiding, N.I.V.A./V.A.G.A. opleiding of

academische vorming.

• Ook degehen die in 1962 afstuderen kunnen solliciteren;

voor het voltooien van de studie kan dan een regeling

worden getroffen.

• Salaris afhankelijk van leeftijd en ervaring en van de

functie waarin aanstelling plaats vindt.

Uitv. schr. soli, onder het bij de gewenste functie genoemde

vacaturenummer (in linker bovenhoek van env. en brief)

aan het bureau Personeelsvoorziening v. d. Rijksoverheid,

Prins Mauritslaan 1, Den Haag.

160

E.-S.B. 14–1962

11

Inderdaad steeds komen er meer op de weg want steeds meer raken aan

nemers èn opdrachtevers doordrongen van de voordelen, welke fabrieks.
+ oovtcon

mortel biedt

Let er op, dat Uw leverancier deze vlag mag voeren: ,,Goedgekeurd door
‘I

en -onder controle van de Betonvereniging’.

U bent dan verzekerd van een machtige steun bij de kwaliteitsbewaking

MAA:N;CHÏ


Verdere.pluspunten zijn:

+

Efficiency. Met de regelmaat van-de klok wordt de specie in het afgesproken

tempo op de bouwplaats gebracht; daardoor blijft de gang in uw werk. En een

stukje van uw personeelsprobleem wordt weggenomen!

+
5Ok9
VM

Kôstenbesparing. Niet alleen tijd, maar ook ruimte kan geld zijn. Geen ruimte

meer nodig voor zand grind en cementopslag Geen voorraadverliezen

CE

Bouwen is duur. Maak het niet duurder dan nodig is
Bouw met hoogovencement en bespaar f3 per ton
UD1 KOU

Verkoopassocatie Enci-Cemij
N.V.

Herengracht 507 – Amsterdam •
Tel. 3 85
31 (5 l
ij
nen
)

E.-S.B. 14-2-1962

+

161

11

DE STICHTING VAKOPLEIDING EN VAKEXAMENS ,,STIVO”

landelijk instituut voor vakonderwijs van de samenwerkende organisaties in de
detailhandel in huishoudelijke artikelen, glas en keramiek, luxe- en kunstnijver-
heidsartikelen
en speelgoederen, gevestigd te
‘s-Gravenhage,

vraagt voor spoedige indiensttreding een

/

JON E E ON
m

Zijn functie zal het volgende inhouden

• het mede leiding geven aan een cursus modern
bedrijfsbeleid, bestemd voor jonge ondernemeis in
de detailhandel in deze sector.

• de opzet en Organisatie van de opleiding voor vak-
examens alsmede

• algemene assistentie van de directeur.

• Het aanvangssalaris voor deze functie ligt op een

behoorlijk niveau en is mede afhankelijk van even-
tuele praktische ervaring.

Q Brieven, bevattende zodanige gegevens dat een goede

indruk van de sollicitant kan worden verkregen, zo

mogelijk onder bijsluiting van een recente foto, te

richten onder nr. E.-S.B. 4-1, Postbus 42, Schiedam.

/

Grote fabrikant van merkartikelen vraagt

FUNCTIONARIS

S

VOOR

MARKTONDERZOEK

Deze functionaris zal geheel zelfstandig a die gegevens –

verzamelen en statistisch verwerken, welke ter voorlichting

van de Directie bij de bedrijfsvoering nodig of nuttig zijn.

Tot zijn taak behoort tevens het presenteren van markt-

gegevens
aan
daarvoor in aanmerking komende groepen

medewerkers.

Voor deze functie is een middelbare opleiding benevens

verdere economische scholing vereist.

Aan hen, die bewijzen aan de gestelde eisen te voldoen,

wordt een aantrekkelijk salaris in uitzicht gesteld,-waarnaast

uitstekende sociale voorzieningen gelden.

Brieven met uitvoerige gegevens en zo mogelijk recente

pasfoto te richten aan het

LABORATORIUM VOOR TOEGEPASTE PSYCHOLOGIE,

Vossiusstraat 54-55, Amsterdam-Z., onder letters L.M.

Efficiency
,

bespoedigt

Uw contacten

met gegadigden

*

Indien

Uw telefoonnummer

in Uw annonce

moet wordn

opgenomen,

vermeld dan

tevens het

S
NETNUMMER

162

E.-S.B. 14-2-1962

non

Koninklij
*ike Léerdam

De Directie van de N.V. Koninklijke Nederlandsche Glas-
fabriek ,,Leerdam”. te Leerdam, behorende tot hét concern

van de N.V. Vereenigde GIasfabrieken (United Glassworks)

roept reflectanten op voor de functie van

oofd

van de afdeling

Technische Efficiency en
Organisatie

Onder deze afdeling met een twintigtal technische, organisatorische, en

administratieve medewerkers, ressorteren momenteel

de groep Tariefbureau en Arbeidsanalyse, welke zich ‘bezig houdt

met methode-studie, arbeidsanalyse; taakstelling, tarifering, werk-
classificatie en technische calculatie;

de groep Planning en Bedrijfscontrôie, omvattende capaciteits- en

aanmaakpianning op langé en korte termijn, voortgangscontrôle,

werkvoorbereidlng en signalering, alsmede
de staffunctie Transport, welke zich bezig houdt met het, zoeken

naar verbeteringen, toepassingsmogelijkheden e.d. niet betrekking

tot het In- en extern transport.

De vele aspecten van ons bedrijf (ruim 1300 personeelsleden) met zowel

geméchaniseerde produktie.afdellngen voor wit, bruin en groen verpakkings-

glas en glas voor huishoudelijke doeleinden, als een ambachtelijk bedrijf voor

kunstnijverheidsprodukten, vragen voor deze functie een krachtige persoon-

lijkheid met een gedegen kennis op bovengenoemde terreinen, goed inzicht

In de organisatorische problemen en capaciteiten In het leiding geven.
Voor deze functie wordt gedacht aan een lngenieur’rnet ervaring op bedrijfs-

economisch gebied of aan een academisch gevormde econoom met technische,

belangstelling.
-‘

Uitvoerige, eigenhandig geschreven sollicitaties met vermelding van op-

leiding, ervaring, leeftijd, referenties enz., onder bijvoeging van een pasfoto.

te richten aan de Directie, Postbus 8, Leerdam.

Op volledige diacretie kan onvoorwaardelijk worden gerekend

E.-S.B. 14-2-1962

.

163

Sluit uw verzekering bij de

Algemeene Friesche Levensverzekering-Maatschappij

VEREEING VAN tEVESvËkZEKEaING EN LIJFRENTE

,,I)e Groot-Noordhollandsche van 1845″

Algemeene Friesche Brandverzekering-i’iaatschappij N.V.

LEEUWARDEN, BURMANIAHIIIS

AMSTfRDAM, VAN BRIENENHUIS

ROITERDAM – DEN HAAG – UTRECHT – GRONINGEN – HENGELO – HAARLEM

164

. •’
ALGEMENE KUNSTZIJDE UNIE N.V.

ARNHEM

Voor onze, industrieel-economische
af.

deling, die zich in. het bijzonder bezig

houdt met problemen, verband hou-

dend met de ontwikkeling van ons

industrieel produktie-proaramma op

langere termijn, vragen wij

MEDEWERKERS

.

.
VOOR -MARKTANAI.YTISCH

ONDERZOEK

bij voorkeur met academische op.

leiding en industriële ervaring. Vol.

doende beheersing der moderne talen

voor marktonderzoek binnen en buiten

Europa is vereist, alsmede gevoel voor

technologische toekomstmoge!iikheden,

voor industriële toepassing van nog

jonge produkten.

Leeftijd tot 40 jaar.

Sollicitaties, voorzien van pasfoto en

onder vermelding van nummer 4, te

het adres Velperweg 76

te Arnhem

Abonneert 1f op

DE ECONO!’EST

Maandblad onder redactie

van

Prof. P. Hennipman,

Prof. A. M. de Jong,

Prof. F. J. de Jong,

Prof. P. B. Kreukniet,

Prof. Ii. W. Lambers,
Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart

Prof. J. Zijlstra.

*

Abonnementsprijs
f
22,50;

fr.
p.
post
.f
23,60; voor stu-

denten
f
19,—; fr. per post

/ 20,10.

*

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel

en door uitgevers

DE ERVEN F. BONN

TE HAARLEM

E.-S.B.
14-2-1962

Auteur