Ga direct naar de content

Jrg. 44, editie 2188

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 17 1959

Economisch mStahstische

0

I

I

Bert’chten

Opinies over ploegenstelsels’

Prof. Dr. J. Tinbergen

Inflatie, integratie en

maatschappelijke orde

Antwoord aan Professor Witteveen

*

J. 0.
van Gruisen

Het wetsontwerp voor een nieuwe

Mijnwet voor Nederlands Nieuw-Guinea

*

J.
de Wit

De financiën van de

verplichte ziekenfondsverzekering

*

Dr. E. D. de P.4eester

XVII e congres van de Internationale
Kamer van Koophandel

’44
k

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

44e JAARGANG

No. 2188

WOENSDAG 17 JUNI 1959

chef voor de afdeling

marktonderzoek

1

S


S
.-

t..-

S

KAMER VAN KOOPHANDEL EN

FABRIEKEN VOOR ROTTERDAM

vraagt

assistent van de secretaris

(econoom of jurist)

Enige bekendheid met scheepvaart- en haven-

bedrijf strekt tot aanbeveling.

Eigenhandig geschreven brieven aan Kamer van Koophandel

en Fabrieken voor Rotterdam, Coolsingel 58 te Rotter’dam.

die belast is met de voorbereiding van alle
vormen van marktonderzoek die voor een
goed commercieel beleid nodig zijn. De
meeste van deie onderzoekingen zullen
buitenshuis blijven geschieden door ge-
specialiseerde bureaus. Het is de bedoeling
dat de Chef van de afdeling Marktonder-
zoek opgenomen zal worden in het
Marketing-team.

Kandidaten moeten academisch gevormd
zijn en feeling hebben voor commerciële
problemen, terwijl een analytische aanleg
noodzakelijk is.
n

Zijmoete ervaring hçbben met statistiek
en cijfer-beoordeling en zich goed in woord

L

d

n geschrift kunnen uitdrukken.

eboden wordt een prettige werkkring-van
ynamische en adviserende aard, gunstige
alariëring en aantrekkelijke sociale voor-
aarden, waaronder de mogelijkheid tot
rekte opneming in het pensioenfonds.

Zij die menen voor deze funktie in
aanmerking te komen kunnen hun
sollicitaties, voorzien van recente
pasfoto, richten aan de Koninklijke.
Dobbelman N.V., Direktie Com-
merciële Zaken, Graafsedwarsstr. 12
te Nijmegen.

474

R.Meei&Zoo,ien

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam

s-Graven bage

Delft

Schiedam

Vlaardingen

Alblasserdam

Beheer en administratie

van vermogens

-Executele en
bewind-

voering

E C 0 N 0 MI S C H-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Neder1andsh Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoöchweg 118, Rotterdam-W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban que de Corn-
mérce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34. –

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, -Zwjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.

,

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam- W.

Abonnementsprjs:
franco per. post, voor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen

f.
31,— per jaar. (België en Luxemburg B.
fr.
400).
Abonnementen kunnen ‘ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.’

• Losse nummers 75 ct.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedjjk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de N. V. Koninkljjke Nederi. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedarn (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbarç krachten”

f.
0,60 per mm (dubbèle kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; L. M. I(oyck; H. W. Lambers;
J. Tinbergen; J. R. Zuidema. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens
de Wilruars; J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick.

Opinies over ploegenstelsels

(II)

Het twe-dagploegenstelsel werd, aldus konden wij

vorige week op gezag van Hilda G. Brown
1)
mededelen,

door de meeste ondervraagden geprefereerd boven het

normale dagwerk. Een dergelijke conclusie kan niet worden

verbonden aan een andere variant van het ploegenstelsel,

ni. de wisselende dag- en nachtploegen. Geen der geën-

quêteerden was met dit stelsel gelukkig. De schaarse voor-

delen ervan —’het meest werd het lange weekend als zo-

danig genoemd – werden slechts met tegenzin door de

ondervraagden naar voren gebracht en het was alsof zij

volkomen in het niet verzonken bij de ernstige bezwaren
die tegen het nachtwerk werden gevoeld. Opmerkelijk is

bijv. dat de hogere beloning voor nachtwerk door de meeste

mannen niet als voordeel werd beschouwd omdat zij deze

niet vonden opwegen tegen de vele ongemakken van de

nachtploeg.

Onder de nadelen werd het feit, dat het werken in de

nachtphEeg het huishouden en de maatschappelijke acti-

viteiten van de vrouw in de war bracht, veelvuldig genoemd.

De mate waarin die last werd gevoeld bleek overigens meer

afhankelijk te zijn van het temperament en de levensopvat-

ting der echtgenoten dan van strikt huishoudelijke omstan-

digheden. De meest gehoorde klacht van de huisvrouw

was, dat zij niet kon opschieteh met haar.werk wanneer

haar man overdag probeerde te slapen: de ,,nervous strain

caused bij the necessity to keep quiet during the day was a

serious hardship to some of the women”. Een ernstig

probleem vormen ook de aard en het tijdstip van de maal-.

tijden der in de nachtploeg werkehde mannen. Voorts waren

sommige vrouwen ‘s nacht nerveus, anderen misten de

gezelligheid ‘s avonds thuis en weer anderen klaagden er-

over ‘s avonds niet uit te kunnen gaan.

Bovendien vermoedt de enquêtrice – wier onderzoek

naar zij elders opmerkt ,,did not howéver provide first-

hand information about unhappy or tbroken marriages

which had reulted from night-work” – dat een veel groter

aantal vrouwen dan het wilde toegeven last ondervond

van het humeur van haar in de nachtploeg werkende echt-
genoot. Niet minder dan een kwart der mannen gaf name-
lijk te kennen zich, wanneer zij in de nachtploeg werkten,

geïrriteerd, depressief, of niet fit te gevoelen .Jmpliciet

hadden zij dezelfde klachten als de meerderheid, die klaag-

1)
,,Some effects of shift work on social and domestic life”, ,,Yorkshire Bulletin of Economic and Social Research”, occa-
sional paper no. 2.
de overdag niet goed te kunnen slapen en derhalve ,,dag-

rust” tekbrt te komen. Deze slapeloosheid werd afwisselend

toegeschreven aan lawaai, daglicht, het doorbreken van

vaste gewoonten en het tegennatuurljk karakter van nach-

telijke arbeid. Ook de overgang van de ene ploeg naar de

andere bleek voor de meerderheid der mannen moeilijk-

heden op te leveren. Klachten over een slechte spijsvertering

als gevolg van nachtwerk werden minder veelvuldig euit,
maar typische opmerkingen duidden er toch’wel op dat de

eetlust vaak te wensen overliet. Eén man beweerde zelfs

gedurende twee weken nachtdienst vier pond af te vallen,

die hij – gelukkig maar – weer ,,aandikte” wanneer hij

in de dagploeg zat.

Gezien de vele bezwaren die tegen de nachtploeg naar

voren werden gebracht is het interessant tot slot nog even•

stil te staan bij de ervaringen en opinies dergenen, die véort-

durend nachtdienst
2)
verrichten. Geen hunner klaagde over

gebrek aan slaap – twee lieden beweerden zelfs dat het

nachtwerk hun gezondheid ten goede kwam – of bver

onaangename gevolgen voor de spijsvertering. De belang-
rijkste redenen waarom deze mannen, en vooralde ouderen

onder hen, er de voorkeur aan geven permanent nachtdienst

te verrichten was, dat zij bezwaren hadden tegen het, hun

levensritme doorbrekende, wisselen van ploeg. Ook werden

zij aangelokt door de hogere beloning. Afgezien hiervan

meenden de meesten dat nachtwerk jn enkele belangrijke

opzichten te prefereren is boven dagwerk: bovenal werd

het nachtwerk geprezen vanwege ,,the relaxed atmosphere

which prevailed then” terwijl er voorts een zekere bekoring

van uitgaat om overdag vrij te hebben en dan rustig te

ontbijten en wat in de tuin of in huis rond te sôharrelen.

Nog meer werd echter bij het nachtwerk zélf het ontbreken

van haast, het minder strenge toçzicht en het gevoel meer

verantwoording te dragen op prijs gesteld. Kortom, de

man die de permanente nachtploeg karakteriseerde als een

,,happy family” zal wel niet zover bezijden de waarheid

zijn ook al duidt het volgende citaat erop, dat ook dit geluk

betrekkelijk kan zijn: ,,either regular nights give you an

inferiority complex”, in verband met het lagere werktempo,

,,or you have it and so go on to regular nights”.

2)
Het drie-ploegenstelsel, dat veel minder populair is dan het twee-dagploegenstelsel maar meer gezien dan de hier besproken
variant laten wij rusten. Slechts zij vermeld dat de voor- en na-delen van dit systeem tot op zekere hoogte een combinatie zijn
van die der beide andere varianten.

iu;iuiuju

Blz.

Blz.

Opinies over ploegenstelsels (11) ……………475

In gezonden stuk:

Inflatie, integratie en maatschappelijke orde;

twoord aan Professor Witteveen,
door Prof.

Dr, J. Tinbergen ……………………..
476

Het wetsontwerp voor een nieuwe Mijnwet voor

Nederlands Nieuw-Guinea,
door

J. 0. van

Gruisen …………………………….
478

De financiën van de verplichte ziekenfondsver-

zekering,
door J. de Wit

………………
480

XVIIe congres van de Internationale Kamer van

Koophandel, door Dr. E. D. de Meester ……
483

BIJLAGE

De Westeuropese katoenindustrie en de nieuwe marktvormen, door Dr. W. T. Kroese.
Sociaal-Economische Raad en Volksvertegen-

woordiging, door Dr. W.Drees Jr., met een

naschrift van Dr. N. Cramer ………….
485 –

B o e k b e s p r e k i n g:

Dr. D. Horringa: Leidérschap en Organisatie in

de Nederlandse onderneming,
bespr. door

Drs. A. C. J. Rottier ……………….
486

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. M. P. Gans

488

Mededelingen voor economisten ……………488.

Statistieken

………………………….489

AUTEURSRECHT vOORBEHOUDEN

47

,-

,,De weg naar nieuwe inflatie”.

Professor Witieveen heeft het recente S.-E.R.-advies
1)

onlangs aan scherpe kritiek onderworpen
2)
en daarmee een

aantal hoogst belangrijke kwesties van economische politiek

aan de orde gesteld. Met name heeft hij de S.-E.R. ver

weten, vroeger aanvaarde normen voor de loonbepaling over

boord te hebben geworpen, daarbij suggererend dat dit

zou zijn geschied, omdat op die manier geen motief voor

loonstijging meer zou zijn te
verkrijgen.
Witteveen ziet ons

aldus ,,de weg naar nieuwe inflatie” gewezen en uit zijn

bijzondere zorg over het lot der ,,vergeten groepen”. Hij
ziet voorts speciale risico’s in dé zgn. vrijere loorpolitiek

en roept op tot bezinning op de ervaring der achter ons

liggende jaren.

Zoals altijd, verdient wat hij te zeggen heeft grote aan-

dacht. Enerzijds omdat het weinig waarschijnlijk zou zijn,

dat hij zich alleen maar vergiste, anderzijds, omdat hem

toch wel een zekere eenzijdigheid kan worden verveten en

omdat hij de kwaliteit van de S.-E.R.-ledeh toch wel iets

schijnt te onderschatten. Daar ik het voorrecht heb gehad

bij de lâatste fase Van de voorbereiding van het advies

direct betrokken te zijn geweest, zij het mij vergund, mijn

inzicht naast dat van mijn collega te stellen; mijn persoonlijk

inzichi, wel te verstaan.

Vroegere S.-E.R.-normen ten onrechte losgelaten?

Het is juist dat de’ S-ER. ter beoordeling van de loon-

politiek achtereenvolgens verschillende normen heeft

gehanteerd. Na’ar mijn mening echter niet ten onrechte. Er

is hier een duidelijke gang te constateren van primitievere
naar meer doordachte normen. Er zijn drie fasen geweest:

in het begin heeft men gestreefd naar handhaving van het

reële loon dat, vlak na de oorlog, als een soort minimum

was geïntroduceerd, waarvan nien de noodzakelijk geachte

rantsoenen kon kopen. In de tweede fase heeft men, uit-

drukkelijk als een voorlopige oplossing, het evenredig delen

in de welvaartsverii’ieerdering als norm gehanteerd. Beide

fasen waren gekenmerkt door het rekening houden met

andere factoren op ‘een enigszins incidentele wijze; gedu-

rende beide fasen ook heeft men het criterium achtereen-
volgens door technische herzieningen gewijzigd. Er is nu

een derde fase aangebroken, waarin men aanvaard heeft

dat de loonpolitiek niet op zichzelf staat, doch onderdeel

is van een geheel van maatregelen, gericht op een geheel

van doelstellingen en dit gezichtspunt op meer symmetrische

wijze verwerkt, volgens de bekende methoden van het

Çentraal Economisch Plan, Men tracht m.a.w. een combi-

natie van maatregelen te vinden, die de combinatie van

doelstéllingen zo goed mogelijk belooft te benaderen.

Jammer genoeg is de S.-E.R. daarbij ditmaal niet eens-

gezind geweest; er zijn nl. drie combinaties aangeboden, die

door drie groepen als de beste gezien wôrden. Witteveens

zorg is dat echter elk dezer combinaties zal leiden tot

prijsstijging en daarom niet voldoet aan één der doelstel-

lingen die men zou moeten aanvaarden: het vermijden

van inflatie.

Wat is inflatie?
Over de betekenis van deze term
is
al heel veel geschrevèn,,

ook door ons beiden. Ik heb indertijd uiteengezet
3),

waarom ik er de voorkeur aan geef de zaak als volgt te’

beien. Men vermijdt inflatie, indien men het prijsniveau

houdt op het meest gewenste onder de mogelijke niveau’s.

Welk prijsniveau? We hebben hier de keuze tussen de kosten

van levensonderhoud en enkele andere, bijv. het groot-

handelsprjsniveau of het exportprijsniveau. Waarschijnlijk
mèt Witteveen v6el ik er het meeste voor dat we de kosten

van levensoderhoud als criterium kiezen. De keus is in de
huidige constellatie wel van meer belang dan gewoonlijk,

omdat, indien een andere doelstelling wordt gevormd door

een vrij aanzienlijke’ huurverhoging, het nogal een verschil

maakt. De koste’n van levensonderhoud worden door een

huurverhoging heel wat sterker beïnvloed dan de groot-

handels- of de uitvoerprijzen.

Is het nu reëel om, in deze omstandigheden, als meest

gewenst prijsniveau een gelijkblijvend niveau te postuleren?

Dit zou betekenen dat tegënover de huurverhoging dan,

een vrij sterke dâling van een aantal overige prijzen moet

worden geëist. Kan men verwachten dat in ons land deze

andere prijzen tot daling kunnen gebracht worden, juist

nu we aan de integratie met een aantal Europese landen

zijn begonnen, waarin het prijsniveau duidelijk hoger ligt

dan bij ons? Ik b’etwijfel dat zeer, hoe graag ik het zou

willen en hoe zeer ik ook mëen dat wij in een ‘later stadium

in deze richting pogingen moeten doen.

Daarom zou het wel eens kunnen zijn dat zèlfs met zeer

rigoureuze instrumenten van economische politiek in de

huidige. omstandigheden een volkomen constant peil van

de kosten van levensonderhoud niet te verwezenlijken zou

zijn. Dat is jammer genoeg, evenals het jammer is dat we
soms een zekere werkloosheid niet helemaal kunnen ver-

mijden. Maar daardoor wordt het verwijt dat collega

Witteveen tot de S.-E.R. richt wel iets minder indrukwek-

kend dan het bij eerste lectuur schijnt. Dat ik het verwijt

niettemin niet wil bagatelliseren, moge verderop in dit

artikel blijken.

De keuze der juiste middelen.

Terwijl we dus niet het onderste uit de kan kunnen eisen

tav, een stabiel prijsniveau, moet niettemin de vraag

beantwoord worden, welke middelen van economische

politiek moeten worden aangewend om er zo dicht mogelijk

bij te komen. Professor Witteveens antwoord is dat de
loonstijging minder moet zijn dan 6f wel openhartig is

gesteld door groep C of wel door hein verwacht wordt bij

toepassing van de aanbevelingen van groep A of zelfs van

grôep B. Terecht verwijt hij deze laatste groepen dat ze

Inflatie, integratie en maatschap.p’èljke orde

Antwoord aan Professor Wiueveen

Advies inzake het in 1959 en 1960 te voeren sociaal-econo-
misch beleid, ‘s-Gravenhage 1959.
H. J. Witteveen: ,,De S.-E.R. Wijst
0fl5
de weg naar nieuwe
inflatie”, ,,E.-S.B.” 44 (1959), blz. 436 (3 juni 1959).

476

J. Tinbergen, Economic Policy: Principles and Design,
blz. 63.

geen poging hebben gedaan om de gevolgen van hun voor-

stellen kwantitatief te schatten. Hij vergeet echter te ver-

melden dat de cijfers die groep C geeft voor dit standpunt

zelf wat te ongunstig zijn, omdat geen schatting wordt

gemaakt van de effecten van versterkte concurrentie die

deze groep bepleit, o.a. door het verbieden van de verticale

prjsbindingsôontracten. Wij zijn het daarbij eens met de

heer Witteveen, dat van de vrijere loonvorming voor de

prijzen enige nadelige gevolgen te vrezen zijn, al is het aan

de anderé kant theoretisch juist dat loonsverhoging in de

inframarginale bedrijven dat effect niet behoeft te hebben.

De fundamentele moeilijkheid is echter dat het een-

voudigste middel dat Professor Witteveen en groep B voor

de geest staat, nI. een geringere loonstijging dan door

groep C is voorgesteld, de bevriezing van de inkomens-

verdeling voortzet die op den duur onaanvaardbaar wordt

voor de vakbeweging. Ik kom hierop zo dadelijk terug.

Huren.
Bij het bespreken van het advies over de huren ziet Witte-
veen een discriminatie in de aanbeveling dat voor woningen

die vôér 1918 gebouwd zijn in een groot aantal gëvallen

de huurverhoging slechts zal worden toegestaan, indien de

verhuurder aannemelijk kan maken dat daartoe aanleiding

is. Zijn verontwaardiging over deze ,,discriminatie” schijnt

mij wat eenzijdig, evenals die over het feit dat dearbeiders

die in deze woningen wonen misschien toch wel compensatie

voor de algemene huurverhoging zullen ontvangen, ôok als

ze zelf geen huurverhoging opgelegd krijgen. Want hij is

niet verontrust over he feit dat de huurbedragen die uit-

eindelijk voor tal van woningen, tussen de oorlogen ge-

bouwd, zullen worden verkregen, aanzienlijke meevallers

zullen inhouden. De uiteindelijk te verwachten evenwichts-

huren toch zullen het aan nieuwbouwbezitters mogelijk

moeten maken om rente en afschrijving op nieuwbouw

stichtingskosten te ontvangen. Deze huren zullen dus ook

voor bezitters van wat oudere woningen veel meer rente

opbrengen dan zij zelf, voor zover zij met hypotheek ge-

financierd hebben, behoeven te betalen.

Men kan nu eenmaal niet elk detail regelen en er zullen

dus aan beide kanten mee- en tegenvallers zijn. Ten aanzien

van de zeer oude woningen wordt echter normalerwijze

aangenomen, dat ze elk jaar ca. 4 of
3/4
pCt. in vérbruiks-

waarde achteruitgaan en daarom is het niet onredelijk dat

men als regel de woningen v66r 1918 gebouwd en beneden

een zeker huurbedrag slechts dan in de nieuwe huurver-

hoging doet meegaan, indien de eigenaar kan bewijzen

dat de woning op peil is gebracht door vernieuwingen

– iets wat bij de grotere woningen uit die tijd meestal wel

geschied zal zijn.

Vergeten groepen.

De verdere prijsstijging zal inderdaad de vergeten groepen

opnieuw treffen – maar het is goed te bedenken dat door

de invoering van de A.O.W. de meest flagrante gevallen

ineen geheel andere positie zijn gebracht. Er zijn nog wel

vergeten groepjes, maar men kan over hen niet op dezelfde

wijze bezorgd zijn als véôr 1957.
Toch reden tot’ zorg.
Gaarne wil ik echter stellen dat er toch reden tot zorg is.

Als men tracht de problemen van vandaag objectief te zien,

komt men met een zwart-wit-beschouwing niet uit en ik

heb geenszins behoefte om dat te suggereren. Men kan m.i.

echter de impasse die dit S.-E.R.-advies tot uitdrukking

brengt niet begrijpen, als men het niet plaatst in een wijder

kader dan de engere conjunctuurpolitieke beschouwings-

wijze die de basis schijnt te zijn van Witteveens betoog.
Dit wij der kader is ook wat men behdeft om de plitieke

verandering te begrijpen die zich, juist in de periode waarin

dit advies tot stand kwam, heeft voltrokken. Na de betrek-

kelijk eensgezinde herstelperiode na de oorlog zijn wij op-

nieuw geconfronteerd, nu’de directe zorgen wat minder

kunnen zijn, met enkele meer fundamentele vraagstukken

van economische politiek. Als voorbeeld kan genoemd

worden de hierboven besproken S.-E.R.-norm voor de

inkomensverdeling, bestaande uit een evenredige verdeling

tussen werknemers en overige groepen (om het nu maar

simpel te zeggen). Deze was bepaald bedoeld als een voor-

lopige sleutel. Indien men nI. tracht te peilen, wat de werke-

lijke verhouding9n in onze maatschappij zijn, dan is het

duidelijk dat naar allerlei maatstaven – laten we nu maar

eens zeggen christelijke en socialistische – de bestaande

inkomensverdeling niet de voor’ altijd meest bevredigende

is. Waarom het gaat is daarom dit: er moet inderdaad begrip

bij de vakbeweging zijn voor de vraagstukken van Witte-

veen, maar er moet dan ook aan de andere zijde begrip zijn

voor de noodzaak van een verdere verandering van de

maatschappelijke orde.

Hoe kunnen wij door een sluitend geheel van maatregelen

en instellingen bereiken. dat de inkomensverdeling verder

genivelleerd wordt, zonder economische evenwichten te

verbreken? Persoonlijk denk ik aan verdere uitbreiding van

onderwijsmogelijkheden, aan het versterken van de prijs-

concurrentie, aan het inperken van erfrecht en van de

consumptie van kapitaalwinsten, aan het inperken van het

,,leven uit onkostenrekening”, doch dat zijn slechts voor-

beelden en anderen kunnen aan andere mogelijkheden

denken. De recente politieke verschuivingen zijn er de uit-

drukking van dat, op het eerste gezicht, de meningen in ons

volk zich van elkaar hebben verwijderd, wanneer het gaat

om de meest gewenste maatschappelijke orde. Het zal van
groot belang zijn voor een evenwichtige ontwikkeling van

onze samenleving, als het gesprek over deze verdere struc-

tuurveranderingen in de S.-E.R. op open wijze wordt

gevoerd, en als daarbij de lange-termijn-belangen wat meer

tot.de
verbeelding spreken dan de korte-termijn-belangen

en de onderhandelingetjes over bijslagen, gemeenteklassen

e.d. in centen nauwkeurig.

Het zou een grote vergissing zijn te menen dat de thans
aan het bewind zijnde politieke conbinatie er een garantie

voor is, dat we de maatschappelijke orde kunnen terug-

schroeven naar een ouder schema en de verdere structuur

wijzigingen uit ons hoofd kunnen zetten. Geen regering kan

deze problemen verwaarlozen en er is geen aanleiding

om te geloven dat de huidige regering ze niet
,
zou zien.

Het is echter wel mogelijk dat sommige groepen onzer

bevolking deze zaken niet zo duidelijk zien. De S.-E.R.

kan daarom een belangrijk werk doen, indien hij, in zijn

beste tradities van voorheen, tot ‘eensgezinde conclusies

tracht te komen over deze lange-termijn-maatregelen. Als

hij dat zou doen, zou het minder moeilijk zijn om op korte
termijn onnodige prijsstijgingen te voorkomen. Het is hier

niet de plaats om in te gaan op een meer volledige en stelsel-

matige bespreking van al deze problemen. Ik hoop echter

voldoende duidelijk te hebben geïlkistreerd wat het wijdere

raam is waarin wij de problemen moeten zien en welke

taak daarbij voor de S.-E.R. kan zijn weggelegd.

‘s.Gravenhage.

. J.

TINBERGEN.

T

477

rT

Het onlangs ingediende ontwerp Mijnwet voor

Nederlands Nieuw-Guinea wordt door schrijver aan

een kritische beschouwing onderworpen. Hij betwijfelt,

of de volgens de M.v.T. aan de thans nog geldende

Indische Mijnwet van 1899 klevende bezwaren door de

voorgestelde wetswijziging zullen worden ondervangen.

Schrijver heeft de stellige
indruk
2
dat de fundamentele

opzet van het ontwerp is de particuliere mijnbouw aan

de zgn.
mjjnbouwovereenkomst
te binden en hij betoogt

vervolgens, dat met zekerheid kan worden aangenomen,

dat de mijnbouwovereenkomst de ontwikkeling van de

particuliere mijnbouw op zijn minst ernstig zal ver-

tragen. Voorts is schrijver van mening, dat het wets-

ontwerp onvoldoende rekening houdt met de belangen

der bevolking en dat de voorgestelde cijnsregeling als

irreëel en schadelijk moet worden afgewezen. Het zou

beter zijn, indien het wetsontwerp wordt teruggetrokken

en zou worden volstaan met een beperkte wijziging van
de bestaande Indiséhe Mijnwet.

Het wetsontwerp voor

seen nieuwe Mijnwet

voor Nederlands

Nieuw- Guinea

In maart ji. is bij de Tweede Kamer een ontwerp Mijn-

wet voor Nederlands Nieuw-Guinea ingediend. Voor dit

Rijksdeel geldt thans nog de Indische Mijnwet van 1899.

Bezwaren tegen
de bestaande Indische Mijnwet.

In de Memorie van Toelichting wordt medegedeeld, dat

een nieuwe wet gewenst wordt geacht, omdat:

de ,,Indische Mijnwet” onvoldoende soepel moet wor-

den geacht om exploratie en exploitatie op uitgebreide
schaal snel en doeltreffend te stimuleren;

de limitatieve en onvolledige opsomming van delfstoffen

in de Indische Mijnwet van 1899 in het algemeen niet

meer up-to-date
is,
in het bijzonder omdat de bestaande

wet de splijtbare mineralen niet regelt.

De limitatieve opsomming van delfstoffen, waarover de

rechthebbende op de grond niet mag beschikken, anders
dan na verkregen recht die delfstoffen op te sporen of te

ontginnen, is in de Indische Mijnwet inderdaad niet meer

up-to-date. In het voormalige Nederlandsch-Indië werd

dit reeds als een bezwaar gevoeld, doch men wist zich te
redden met een stelsel van winningsvergunningen buiten

de Mijnwet om. Bauxiet is hiervan het bekende voorbeeld.

Het bezwaar, dat de Indische Mijnwet onvoldoende

soepel is en een belemmering vormde voor de ontwikkeling

van de mijnbouw in het voormalige Nederlandsch-Indië
heeft zich naar mijn weten nimmer ernstig voelbaar ge-

maakt. Of de voorgestelde wetswijziging hierin verbetering

zou brengen, moet, zoals hierna zal worden toegelicht,

ernstig worden betwijfeld.
De opzet van de
nieuwe wet.

Evenals de Indische Mijnwet onderscheidt het ontwerp:

a) opsporingsvergunning, b) concessie, c) mijnbouwover-

eenkomst. Het ontwerp. wil de opsporing en ontginning

via opsporingsvergunning en concessie beperken tot wat

de MerDrie van Toelichting noemt ,,kleine” delfstoffen,

terwijl opsporing en ontginning van wat de Memorie

noemt ,,grote” – delfstoffen, slechts tot uitvoering zullen

kunnen worden gebracht via de ,,mij nbouwovereenkomst”.

Als ,,grote” delfstoffen worden limitatief opgesomd veer-
tien delfstoffen, w.o. steenkolen, aardolie, nikkel, kobalt,

koper, ijzer, zink, lood, mangaan, chroom, aluminium en

splijtbare stoffen bevattende ertsen, terwijl alle andere

delfstoffen, niet lirnitatief opgesomd, met uitzondering

van delfstoffen te gebruiken voor bouwniateiialen, tot de

zgn. ,,kleine” delfstoffen worden gerekend. Onder deze

zgn. ,,kleine” delfstoffen vallen dus o.a.: goud, zilver, tin,

kwik, molybdeen en zwavelhoudende ertsen.

Aan deze in het ontwerp gevolgde indeling van ,,grote”

en ,,kleine” delfstoffen ontbreekt iedere systernatiek; zij

berust kennelijk slechts op zuiver opportunisme, afgestemd

op onze huidige, nog hoogst onvolledige en gebrekkige
kennis van de geologie van Nederlands Nieuw-Guinea.

In het voormalige Nederlandsch-Indië was de ,,grote”

mijnbouw slechts tot ontwikkeling gekomen voor aardolie,

steenkolen en tin (de laatste is volgens het wetsontwerp

een ,,kleine” deifstof), terwijl nikkel- en aluminiumertsen

enige belpfte inhielden zich tot ,,grote” delfstoffen te zullen

ontwikkelen, toen de normale ontwikkeling in Neder-

landsch-Indië werd afgebroken. Dit gemis aan systematiek

bij de gevolgde indeling der delfstoffen is te ernstiger, om-

dat de indeling in de praktijk onhanteerbaar zal blijken

te zijn. De ,,grote” en ,,kleine” delfstoffen van het wets-
ontwerp komen in de werkelijkheid veelvuldig tezamen

in natuurlijke afzettingen voor. Men denke hierbij o.a.

aan complexe goud-zilverertsen en de zwavelijzerverbin-

ding pyriet.

De bepaling van de Indische Mijnwet, die de conces-

sionaris het recht geeft niet in zijn concessie-akte genoemde

delfstoffen in zijn terrein te winnen voor zover de samen-

hang dier delfstoffen met de in de concessie-akte genoemde
delfstoffen hun gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt,
ontbreekt in het ontwerp. Een dergelijke bepaling verdraagt

zich ook niet met de gewrongen indeling in ,,grote” en

,,kleine” delfstoffen van het ontwerp. De ertsopspoorder

moet er bij voorbaat rekening mede houden, dat hij bij

478

zijn opsporingen ,,kleine” en ,,grote” delfstoffen tezamen

tegenkomt en dit betekent, dat hij aanstönds de gedachte

om via opsporingsvergunning en concessie mijnrechten

te verwerven moet laten varen. Het wetsontwerp laat de
ertsmijnbouw slechts kansen via de zgn. mijnbouwover-

eenkomst, waaronder volgens het ontwerp zowel de ,,gro-

te” als de ,,kleine” delfstoffen kunnen vallen.

Bij verdere bestudering van het ontwerp krijgt men de

stellige indruk, dat het de fuidamentele opzet van het ont-

werp is de particuliere mijnbouw in Nederlands Nieuw-

Guinea aan de zgn. mijnbouwovereenkomst te binden, ook
al zal de niet-deskundige lezer, die in het ontwerp 20 arti-

kelen (van de in totaal 42 artikelen) gewijd vindt aan de
,,opsporingsvergunning” en de ,,concessie” en slechts 3

artikelen aan de ,,mijnbouwovereenkomst”, dit niet aan-

stonds onderkennen.

De ,,Mijnbouwovereenkomst”.

Men kan zich afvragen of er ernstige bezwaren verhon-

den zijn aan een systeem, waarbij de particuliere mijnbouw

in Nederlands Nieuw-Guinea de facto geheel gebonden

wordt aan de zgn. mijnbouwovereenkomst en er in de

praktijk geen plaats meer zal zijn voor de klassieke weg,

die de particuliere ertsmijribouw via de opsporingsvergun-

ning naar het begeerde ontginningsrecht, de mijnconces-
sie, voert. Deze laatste weg heeft het grote voordeel, dat

rechten en verplichtingen van de opspoorder en ontginner

van delfstoffen tevoren nauwkeurig in de wet zijn bepaald

en alle ruimte laat voor het ontwikkelen van initiatief van

de particuliere mijnbouw. Onder de Indische Mijnwet was

deze weg gesloten voor de zgn. strategische delfstoffen,

aardolie en steenkolen, die aan een speciale overeenkomst

waren gebonden, de zgn. 5a-overeenkomst, terwijl de Over-

heid daarnaast bepaalde streken voor de vrije particuliere

mijnbouw kon sluiten, hetzij wegens defensiebelangen, het-
zij in verband met door de Overheid zelf uitgevoerde explo-

ratie, hetzij, in een sporadisch voorgekomen geval en voor

een specifieke delfstof, op fiscale overwegingen.. In deze

gevallen had de Overheid de keuze 6f zelf tot ontginning

over te gaan, 6f via de zgn: 5a-overeenkomst op bijzon-

dere voorwaarden de opsporing en ontginning toe te ver-

trouwen aan een door de Overheid geselecteerde gegadigde.

De ervaring heeft uitgewezen, dat overeenstemming over

5a-overeenkomsten slechts na langdurige en veelal moei-

zame onderhandelingen tot stand kwam. Door de afschaf

fing, zoals het ontwerp beoogt, van de machtiging bij de

wet tot het aangaan van 5a-overeenkomsten, wordt slechts

zeer ten dele aan dit bezwaar tegemoet gekomen. Nog

erger wordt de toestand, wanneer de Overheid het nodig

acht in de mijnbouwovereenkomst verfijnde financiële rege-

lingen te treffen en/of de wijze van ontginning en verwer-

king nader te regelen. Zulke gevallen brengen onvermijde-

lijk mede, dat de Overheid, alvorens te ‘onderhandelen,

gedwongen wordt voor eigen rekening langdurige en veel-
al.kostbare onderzoekingen in’te stellen, teneinde zich een
positie te verschaffen, waarin met particuliere gegadigden

over een mijnbouwovereenkomst met kennis van zaken

kan worden onderhandeld. Zolang dergelijke gevallen uit-

zondering blijven, kan men daarin berusten op de over-

weging, dat deze procedure in het bijzondere geval door

‘s lands belang wordt vereist, doch wanneer een dergelijke

uitzonderingsprocedure tot regel wordt verheven, moet

worden geconcludeerd, dat daarmede het tegengestelde

wordt bereikt van hetgeen volgens de Memorie van Toe-

lichtïfig wördt beoogd, iii. dat aan de exploratie en ont-

ginning van delfstoffen zo weinig mogelijk beletselen in de
weg mogen worden gelegd.

Met zekerheid kan worden aangenomen, dat, wanneer

dit ontwerp het Staatsblad bereikt, de ontwikkeling van

de particuliere mijnbouw ernstig wordt vertraagd, sterker,

dat ieder particulier exploratie-initiatief in Nederlands

Nieuw-Guinea onmogelijk wordt gemaakt en de particu-

liere
mijnbouw
teruggedrongen wordt in een passieve po-

sitie, waarbij moet worden afgewacht, 6f en wanneer door

onderzoekingen van de Overheid mijnbouwobjecten naar

voren komen, die de belangstelling van het particuliere

inititief verdienen.

De positie van de autochtone bevolking.

Het trekt de aandacht, dat het wetsontwerp onvoldoende

rekening hoUdt met de belangen van de bevolking. In de

Indische Mijnwet komt de bepaling voor, dt de wet niet

geldt voor de ontginning van delfstoffen door de bevolking

,,voor zover die ontginning op kleine schaal en voor eigen

rekening en bate geschiedt”, welke bepaling in het voor-

malige Nederlandsch-Indië door de Overheid zeer ruim

werd geïnterpreteerd. Deze bepaling ôntbreekt in hetont-

werp. Ook bij verdere ontwikkeling van de bevolking

maakt het ontwerp de Papoea, die actief wil gaan deelne-

men aan de mijnbouw in zijn land, vrijwel kansloos. Dit

geldt zowel voor de ,,kleine” als voor de ,,grote” delfstof-

fen van het ontwerp. De Indische Mijnwet is ook in dit

opzicht verre te verkiezen boven het ontwerp.

De nieuwe cijnsregeling.

De Indische Mijnwet kent een cijns van 4 pCt. van de
bruto-opbrengst. Het ontwerp wil de cijns stellen op ten

minste 2 en ten hoogste 10 pCt. van de bruto-opbrengst.

Bedacht moet worden, dat deze cijns kostprijsverhogend

werkt, hetgeen in de mijnbouw dubbel bedenkelijk is, om-

dat daarm’ede de onderste grens’ van het nog ontginbare

erts aanmerkelijk omhoog wordt gebracht. Zulks is zeker

niet in het belang van een uitputtend verbruik van de bo-

demschatten van het land. Principieel is daarom slechts

een lage cijns verantwoord. Een cijns van 10 pCt. van de

bruto-opbrengst werkt welhaast prohibitief. De Overheid

kan weliswaar dit tarief volgens het ontwerp terugbrengen

tot 2 pCt., doch de moeilijkheid is, dat nimmer tevoren

kan worden bepaald welk tarief redelijkerwijze kan worden

vastgesteld. De voorgestelde regeling ,,twee tot tien per

cent” moet als een irreële en schadelijke regeling worden

afgewezen.

Men kan slechts de ernstige hoop uitspreken, dat dit

wetsontwerp zal worden teruggenomen. Het ontwerp is

onrijp en veelal schadelijk voor een verdere ontwikkeling

van de particuliere mijnbouw in Nederlands Nieuw-Guinea.

Zo al een wijziging van ‘de Indische Mijnwet urgent wordt

geacht, bepale men zich tot een voorzichtige en beperkte

wijziging van de bestaande Indische Mijnwet, die ‘nog

steeds een weldoordacht en doorwrocht geheel vormt en

voor de Overheid voldoende armslag laat om de bijzondere

1atidsbelangen tot gelding te brengen zonder het particu-

liere initiatief te veel aan banden te leggen, zoals de erva-

ring in het voormalige Nederlandsch-Indië heeft uitge-

wezen..

‘s-Gravenhage.

J. 0. VAN GRUISEN.

479

Mki

Aan de hand van een onlangs verschenen ad-
vies van de Sociaal-Economische Raad ter zake
van de ziekenfondspremie voor
1959,
dat mede
gebaseerd is
op een advies van de Ziekenfonds.
raad, schetst schrijver enige ontwikkelingslijnen
van de financiële positie der verplichte
zieken-
fondsverzekering.
Sedert
1955
zijn de kosten der
medische hulp
voortdurend
gestegen, waarbij voor-
al de post ziekenhuisverpleging een steeds grotere
plaats inneemt.
De stijging der
inkomsten blijft
hierbij
ten achter. De
jaarljkste tekorten worden
gedekt uit de reserve die eind
1948
f.
165 mln, be-
droeg en eind
1959
waarschijnlijk tot ca. f.
50
mln, zal zijn gedaald. Vervolgens behandelt schrtj-
ver de financiële kant der zgn. bejaardenverzeke-
ring. De S.-E.R. is van oordeel dat, daar de ver-
plichte ziekenfondsverzekering een steeds toene-
mend deel van de loonsom opeist, zal moeten
worden nagegaan of en zo
ja welke grenzen er
aan deze ontwikkeling dienen te worden gesteld,
gezien andere desiderata waarvan
verwezenlijking
binnen afzienbare tijd gewenst
moet worden ge-
acht.

I

£

ue nnancien van de

• verplichte

ziekenfonds-

verzekering

Verlengde lijnen.

In enige artikelen, laatstelijk in Zen bijdrage in ,,E.-S.B.”

van 7 januari 1959, heeft ondergetekende beschouwingen

gewijd aan de financiën van de verplichte ziekenfonds-

verzekering. Het gaat hierbij om grote bedragen, thans

reeds ongeveer
f. 425
mln, per jaar. Een der aanleidingen

tot de publikatie van het artikel van
7
januari 1959 was de

beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Volks-

gezondheid tot vaststelling van het premiepercentage voor

het jaar 1959 op
4,5.
Op dat moment kon echter nog geen

gebruik worden gemaakt van de volledige gegevens, welke

aan de beschikking van de Minister ten grondslag lagen.

Thans is dat wel het geval. In de reeks publikaties van

de Sociaal-Economische Raad is namelijk kort geleden

het advies verschenen, dat een commissie uit de S.-E.R.

(voorzitter Prof. Mr. N. E. H. van Esveld) op 10 november

1958 ter zake van de ziekenfondspremie voor
1959
heeft

uitgebracht. Evenals in vorige jaren heeft de S.-E.R. in

zijn publikatie tevens opgenomen het advies van de Zieken-

fondsraad over hetzelfde onderwerp en laatstgenoemd

advies wordt, volgens goede gewoonte, gevolgd door een

aantal bijlagen met uitvoerig cijfermateriaal. Met behulp

van dit materiaal zullen in het onderstaande enige ontwik-

kelingslijnen, geschetst in het artikel van 23.januari 1957,
worden doorgetrokken.

De voortgaande kostenstijging.

In vorengenoemd artikel zijn cijfers opgenomen, welke

de sterke stijging van de kosten der ziekenfondsverzekering

in de jaren
1946-1955
aantoonden. (Over 1956 waren toen

nog geen uitkomsten beschikbaar). De kosten per ver-

plicht-verzekerde (rechtstreeks-verzekerden en medever-

zekerde gezinsleden door elkaar genomen) bedroegen in

1946 gemiddeld f. 21,16, in
1955
f.
56.

Thans kan, overeenkomstig de destijds uitgesproken ver-

wachting, v’orden geconstateerd, dat de kostenstijging zich

na
1955
in stevige mate heeft voortgezet. In 1956 steeg het

kostencijfer per ziel tot f. 59,85. Voor 1957 wordt in d

door de S-ER. gepubliceerde stukken een voorlopig

kostencijfer per ,,wettelijk-verzekerde”
1)
genoemd vai

f. 65,78. (Volgens latere gegevens moet dit cijfer op f. 65,93

worden gesteld). Voor 1958 zijn de kosten in een herziene

raming begroot op f. 72,49; voor 1959 zijn ze geraamd op

f. 75,04 (welk bedrag geen post voor onvoorziene uitgaven

bevat en thans alvast moet worden verhoogd met f. 0,24
wegens enkele ‘wijzigingen in honorariumregelingen)
2).

Het voorlopig geraamde niveau der kosten over 1959 ligt

dus al weer ruim 33 pCt. boven het kostenpeil van
1955.

Een specificatie van de kosten over 1955 en van de

geraamde kosten over 1959 over enkele hoofdgroepen

geeft het volgende beeld ):

stijging

1955

1959
1
abso- t in procenten
van 1955
1
luut

f.

9,22
f. 1028
f.

1,06
II
Genees- en verbandmiddelen

..,,
7,73
,,

9.70
,,

197
25
Huisartsenhulp

……………

5pecialistische hulp

… …….
,,
12,15
3,49
40
Tandheelkundige hulp

……..
.
,,

5,21 ,,

1,55
42
Ziekenhuisverpleging

……..
25,11
8,01
47

…8,66 …3,66

2,63
,,

2,24
,,-0,39
—15
Sanatoriumverpleging

…………
m
Kraagelduitkering a)

……..
..

…7,10


,,

1,20
,,.

1,20

Overige verstrekkingen

……..,66
.
2

,,

3,96
,,

1,30 49

f. 51,66
1
f. 69,85
1
f. 18,191

35

Beheerskosten
…………….1
f. 4,38
1
f. 4,99 1 f.

0,611

14

s) Deze uitkering is als verstrekking van de ziekenfondsen ingevoerd met
ingang van 1 augustus 1957.

De post ziekenhuisverpleging blijkt in het budget der

ziekenfondsen nog steeds zwaarder te gaan wegen. In 1955

ging ruim 30 pCt. van de uitgaven der ziekenfondsen

naar de ziekenhuizen, in 1959 zal dat percentage naar

raming 33 zijn.

1)
De term ,,wettelijk-verzekerden” wordt sinds
1957
ge-
bruikt, omdat toen naast de verplichte verzekering een af-
zonderlijke verzekering is ingevoerd voor bejaarden met lage
inkomens (thans beneden f.
3.530
per jaar, welk bedrag
vermoedelijk binnenkort wordt verhoogd tot
f.
3.590).
Deze
verzekering is niet verplicht, maar wel wettelijk geregeld en door de lage premie (mogelijk gemaakt door grote bijdragen

480

Bovendien moet er nog rekening mede worden gehouden,

dat de kosten van de klinisch-specialistische hulp slechts

ten dele in de post ziekenhuisverpleging zijn begrepen,

namelijk alleen voor zover deze kosten in zgn. ali-in-tarie-

van zijn begrepen. Voor het overige zijn de genoemde

kosten, tezamen met die van de poliklinische en consul-

tatieve specialistische hulp, vervat in de post specialistische

hulp. De totale kosten van verpleging en behandeling van

verzekerden in ziekenhuizen lopen naar schatting tegen

de 40 pCt. van alle kosten der ziekenfondsen.

Uit de cijfers blijkt verder, dat de stijging alle kosten-
groepen omvat, met uitzondering van de sanatoriumver-

pleging. In de daling van de kosten van sanatoriuinverple-

ging weerspiegelt zich het terugdringen van de tuberculose
als volksziekte.

Het zou te ver voeren hier de cijfers nader te analyseien

en na te gaan, waarom de stijging in de onderscheidene

kostengroepen zo uiteenloopt. Wie daarover meer wil

weten, vindt in de jaarverslagen van de Ziekenfondsraad

veel materiaal.

Inkomsten stijgen minder snel dan kosten.

Niet alleen de uitgaven der verplichte ziekenfondsver-

zekering stijgen, maar ook de inkomsten. Dit geldt ook bij
gelijkblijvend premiepercentage; elke algemene of indivi-

duele loonsverhoging immers betekent meer premie-op-

brengt (tenzij het loon boven de zgn. premieloongrens,

welke thans op f. 19 per dag ligt, stijgt, want over het loon

daarboven wordt geen premie berekend).

Over een reeks van jaren bezien heeft echter de stijging

der inkomsten – bij gelijkblijvend premiepercentage –

geen gelijke tred kunnen houden met de stijging der uit-

gaven en ook voor
1959
kan niet op een gelijke mate van

stijging worden gerekend.

Het advies van de Ziekenfondsraad over het premie-

percentage voor 1959 gaat op dit punt nader in. Het noemt

drie oorzaken, welke een snelle stijging der uitgaven ver-

oorzaakten en nog bij voortduring veroorzaken:

De toeneming van de mogelijkheden, welke de medisch

wetenschap biedt, van het aantal artsen, ziekenhuis-

bedden en medische inrichtingen van allerlei aard en

van de belangsteffing der bevolking voor de gezondheids-

zorg veroorzaken een voortdurende stijging van de

vraag naar verstrekkingen.

De tarieven der ziekenhuizen zijn in de laatste jaren

zeer sterk gestegen als gevolg van verbeteringen in de

(vervolg noot 1)

van het Rijk en van het vereveningsfonds) zeer aantrekke-
lijk. V66r 1957 waren de meeste bejaarden met lage inko-
mens verplicht-verzekerd. Met ,,wettelijk-verzekerden” wor-
den bedoeld verplicht-verzekerden en verzekerden in de be-‘
aardenverzekering tezamen. Wat het verzekeringsbestarid
betreft stemt de wettelijke verzekering dus ongeveer overeen
met de verplichte verzekering van v66r 1957, zodat een
vergelijking van de kosten geen moeilijkheden oplevert.
Het kostencijfer per verplicht-verzekerde is voor
1959
geraamd op f. 70,40. Dat is dus bijna f.
5
lager dan het be-
drag per wettelijk-verzekerde. In dit verschil komen de hoge kosten van de verzekering der bejaarden tot uiting.
Een gelijke specificatie voor enkele vroegere jaren geeft
het artikel van 23 januari 1957 (blz. 71, tweede kolom). De
toen aan de tabel toegevoegde noten gelden ook voor de
thans gepubliceerde cijfers. De thans voor
1955
gegeven cij-
fers wijken in lichte mate af van die, welke in het genoem-
de artikel zijn opgenomen, zulks als gevolg van nabetalin-
gen en correcties.

arbeidsvoorwaarden van het personeel, uitbreiding van

de outillage en vooral door de hoge kosten van nieuw-

bouw en uitbreidingen. Ook het vervallen van de sub-

sidiëring uit ‘s Rijks Kas van de nieuwbouw moet hier

worden gereleveerd.

in de loop der jaren is de verplichte ziekenfondsverze-

kering belast met,onderscheidene uitgaven van bijzon-

dere aard, te weten de uitkering ahn het Praeventiefonds,

het tekort op de verplichte verzekering van de ,,rente-

trekkers”, de helft van het tekort op de bejaardenver-

zekering en het kraamgeld. In de begroting voor 1959

zijn voor deze uitgaven bedragen opgenomen van onder

scheidenlijk f. 6 mln., f. 6,8 mln., f. 27,1 mln, en f. 7,4

mln. Het totale bedrag der posten ad f. 47,3 mln, cor-
respondeert met 0,53 pCt: van het verzekeringsplich-

tige loon.

Volledigheidshalve moet aan deze opsomming worden

toegevoegd, dat enkele malen de bestaande verstrekkingen

naar omvang en inhoud zijn uitgebreid. De jaarlijkse kosten

van deze uitbreidingen kunnen op ongeveer 0,3 pCt. van

het verzekeringsplichtige loon worden gesteld.

Slinkende reserve.

Het premiepercentage is reeds sinds 1949 lager gewee’t’
dan voor een sluitende explbitatie nodig zou zijn geweest.

In de jaren tot en met 1948 was een zodanige reserve ont-

staan, dat een belangrijke mate van intering verantwoord

werd geacht
4).
De reserve is dan ook, volgens de bij het

advies gepubliceerde gegevens, van haar hoogtepunt van

f. 165 mln. (eind 1948) gedaald tot f. 79,5 mln, aan het

eind Van 1956.

Nadien is nog vanwege de Ziekenfondsraad gepubliceerd,

dat de rekening der verplichte verzekering over 1957 is

vastgesteld met een tekort van f. 3,75 mln., waardoor dd

reserve dus verder is gedaald tot f. 75,7 mln. Het is vrijwel
zeker, dat ook de rekeningen over 1958 en 1959 met tekor

ten zullen sluiten. Verwacht wordt daarom, dat aan het

eind van 1959 de reserve tot rond f. .50 mln. zal zijn gedaald,

dat wil zeggen tot minder dan 12 pCt. van de jaarlijkse

uitgaven en vrijwel tot het bedrag, dat bij de beslissing over

de premie voor
1959
als de noodzakelijke reserve is aan-

gemerkt
5).

Stijgend premiepercentage.

Id

Voor
1955
was het premiepercentage nog 4. Voor 1956

en 1957 is het op 4,2 gesteld, voor 1958 op 4,4 en vor

1959 op 4,5. Het tekort over 1959 wordt bij dit percentae

geraamd op f.11,1 mln.

Had men geen beschikking over een aantal miljoen&r
uit de reserve meer verantwoord’ geacht en had men dus’
door verhoging van hèt premiepercentage voor een shui

tende exploitatie moeten zorgen, dan was een verhoging

Men zie het staatje in ,,E.-S.B.” van 23 januari
,195
blz. 69, eerste kolom.

1-1
Zie hierover de beschouwing in ,,E.-S.B.” van 7 janu-
ari
1959
(blz. 15,
tweede kolom). In de Ziekenfondsraaq
bestond ten aanzien van de gewenste hoogte der reservç
geen eenstemmigheid. De commissie uit de S.-E.R. sprak
zich voor het genoemde bedrag van f. 50 mln, uit, doch
acht mettertijd, als het nieuwe stelsel van premie-inningis
,,ingeloperi”; een verdere vermindering van de reserveloe
f. 45 mln. verantwoord.

481

l

van het percentage tot 4,6 nog niet geheel voldoende ge-
weest. (Een verhoging van het percentage met 0,1 levert

in de huidige omstandigheden ca. f. 9 mln. meer premie

per jaar op).

De bejaardenverzekering.

De
bovenstaande cijfers inzake de kostenstijging be-

treffen, wat de jaren sinds 1957 betreft, de wettelijke ver-

zekering, dus de verplichte verzekering en de’ bejaarden-
verzekering tezamen. Voor beidG takken der verzekering

doet zich het verschijnsel van de sterke kostenstijging voor;

voor de bejaardenverzekering geldt dit echter nog sterker

dan voor de verplichte verzekering, omdat de bejaarden in

het algemeen veel behoefte hebben aan medische hulp en
ook in bijzondere mate profiteren van de vorderingen der

medische wetenschap. Het sterkste geldt dit laatste ten aan-

zien van geneesmiddelèn, ziekenhuisverpleging en specialis-

tische hulp. Er zijn echter ook verstrekkingen van het

ziekenfonds, waarvan de bejaarden in mindere mate of

zelfs helemaal niet gebruik maken (sanatoriumverpleging,

tandheelkundige hulp, verloskundige hulp, uitkering van

kraamgeld). Op grond van de laatstbekende cijfers kan

worden aangenomen, dat een bejaarde voor alle verstrek-

kingen tezamen gemiddeld ongeveer anderhalf maal zo veel

kosten veroorzaakt als een verplicht-verzekerde.

De ziekenfondsen boeken de kosten van de twee genoem-

de takken der verzekering niet afzonderlijk, doch tezamen

onder het hoofd wettelijke verzekering. Na afloop van het

jaar worden de totale kosten gesplitst. Het aantal verzeker-

den in de bejaardenverzekering wordt afzonderlijk geregis-

treerd en wat de kostenverschillen tussen de twee soorten
verzekerden betreft beschikt men over gedetailleerde ge-
gevens, verkregen bij een vijftal ziekenfondsen, welke de
kosten zo nauwkeurig mogelijk splitsen.

De premie voor de bejaardenverzekering wordt zo ge-

regeld, dat de verzekerden zelf de helft of, voor de inko-

inens beneden f. 2.520 (binnenkort vermoedelijk f. 2.580),

ëen vierde deel betalen van de op dè boven aangegeven

wijze berekende kosten van hun verzekering. De rest komt

voor de helft uit ‘s Rijks Kas en voor de andere helft ten

laste van de kas der verplichte verzekering. Op de begroting

der verplichte verzekering voor 1959 komt hiervoor een

bedrag van f. 27,1 mln, voor.

Het aantal bejaarden, opgenomen in de bejaardenver-

zekering, bedroeg bij de aanvang van 1959 rond 660.000.

Hiervan betaalden rond 169.000 geen premie (dit zijn de

mede-verzekerde, echtgenoten), rond 84.000 betaalden de

(d
hoogste premie at wil zeggen dat hun inkomens waren

vdtgesteld op bedragen tussen f. 2.520 en f. 3.530) en rond

407.000 betaalden de laagste premie. De controle op de

opgaven der inkomsten geschiedt door gemeentelijke

instanties.

Als gevolg van de kostenstijging (en mede voor het in-

halen van tekorten) moesten de premies voor de bejaarden-

verzekering reeds tweemaal Vrij belangrijk worden ver-

hoogd. In 1957 waren deze premies nog f.
0,55
en f. 1,10,

in 1958 f. 0,67 en f. 1,34, met ingang van
1959
zijn zij ver

hoogd tot f. 0,82 en f. 1,64.

Perspectieven.

Het totale beeld, dat uit de thans beschikbare financiële

gegevens oprijst, geeft geen reden tot optimistische bespie-

gelingen al is er ook geen reden voor een alarmstem-

ming.

Tot nog toe heeft de verplichte verzekering zich zelf

kunnen bedruipen; het is in de loop der jaren mogelijk ge-

weest de verstrekkingen uit te breiden en belangrijke geld-

middelen voor andere doeleinden (Praeventiefonds, sub-

sidiëring vrijwillige verzekering in de jaren 1947-1950, bij-

dragen aan de bejaardenverzekering sinds 1957) beschik-

baar te stellen; de verzekering beschikt nog over een reserve

en zij heeft nog nimmer een beroep op hulp uit ‘s Rijks Kas

gedaan. Dit laatste mag wel met nadruk worden gezegd,

omdat men herhaaldelijk de onjuiste gedachte ontmoet, dat

het Rijk grote bedragen op de verplichte verzekering tçe-

legt. Wat het Rijk wel doet, is het dekken van de helft op

het tekort van de bejaardenverzekering; verder wordt uit

‘s Rijks Kas een bedrag van f.
5
mln, per jaar beschikbaar

gesteld voor het verlenen van premiereducties voor
vrij-

willig-verzekerden met geringe draagkracht.

Ten aanzien van het voorkomen van onnodige uitgaven

en het doeltréffender doen functioneren van het apparaat

van de ziekenfondsverzekering is al heel wat gedaan. Er is

stellig op dit stuk nog wel meer te bereiken, maar het is

uitgesloten ,,dat langs deze weg besparingen zouden kunnen

worden verkregen, welke een premieverhoging zouden

kunnen voorkomen” (advies van de Ziekenfondsraad).

Bovendien worden doorlopend en van tal van zijden allerlei

uitbreidingen van de .verstrekkin gen bepleit: hulp aan ‘polio-

patiënten, aan asthmapatiënten, meer medewerking aan

revalidatie, kraamzorg, uitgebreider tandheelkundige hulp
aan jongeren enz.

Ook.een ziekenfondswet, waarnaar al jaren wordt uit-

gezien, zal het financiële probleem niet kunnen oplossen,

al kan zij daartoe bijdragen door het scheppen van een

zo doelmatig mogelijke regeling en door een duidelijke

afbakening van’ bevoegdheden en verantwoordelijk-

heden.

Het spreekt haast vanzelf, dat ook in de adviezen van de

Ziekenfondsraad en van de S.-E.R.-commissie bezorgdheid

doorklinkt. Laatstgnoemd advies geeft ook blijk van on-

voldaanheid Qver eigen inzicht in de materie en eigen moge-

lijkhèden tot oordeelvorming. Zeker, de Ziekenfondsraad

zorgt voor uitvoering en betrouwbaar cijfermateriaal, maar,

zegt de S.-E.R.-commissie, de uitgavenposten zijn geba-

seerd op bepaalde beginselen, welke de Ziekenfondsraad.

heeft aanvaard en waaromtrent de S.-E.R.-commissie ten

enen male onvoldoende is georiënteerd. Zij zou, gaat zij

verder in haar bespiegelingen, daarvoor ook niet voldoende

tijd hebben en is in haar huidige samenstelling voor een

dergelijke taak ook niet het meest aangewezen college.

Toch acht zij het dringend noodzakelijk, dat de S.-E.R.

overgaat tot ,,een meer omvattende studie van het ver-

plichte ziekenfondsverzekeringswezen, met name wat de

economische implicaties betreft”. Gezien het feit, dat deze

verzekering een steeds toenemend deel van de loonsom
opeist, zal moeten worden nagegaan ,,of en zo ja welke

grenzen er, aan deze ontwikkeling dienen te worden gesteld,

zulks met het oog, op het feit dat er nog tal van andere

sociale desiderata zijn, waarvan een verwezenlijking binnen

afzienbare tijd gewenst moet worden geacht”.

Ligt hier inderdaad in eerste instantie een taak voor de

S-ER.? Of voor de Ziekenfondsraad? Of voor beide, al

of niet tezamen? Dit zijn vragen, waarop de nieuwe Minister

van Sociale Zaken en Volksgezondheid het antwoord zal

moeten geven.

Amsterdam.

J. DE WIT.

482

XVIIe congres van de

Internationale Kamer van Koophandel

Washington, 19-25 april 1959

In april van dit jaar vond in Washington het XVIIe

congres van de Internationale Kamer van Koophandel

plaats. Deze congressen van het,,wereldparlement van het

bedrijfsleven” zijn steeds een evenement voor hen, die er

aan deelnemen, maar vormen bovendien bij uitstek de

gelegenheid, waarbij de Internationale Kamer van Koop-
handel, die thans ruim veertig jaar bestaat en dus een van

de oudste niet-gouvernementele internationale organisaties

is, voor het voetlicht treedt van de publiciteit. Een van de

wezenstrekken van een studerend en adviserend lichaam

als de I.K.K., dat wars is van politieke strijd en zich ge-

heel beperkt tot een economische benadering van de vele
onderwerpen, welke zij haar werkterrein mag noemen, is

namelijk, dat zij slechts bij uitzondering stof, oplevert,

welke voor het couranten-lezende publiek voldoende

interessant wordt geacht. Men kan het met dit laatste al

dan niet eens zijn, een feit blijft het, dat een eerbetoon als

door President Eisenhower aan de J.K.K. bewezen door

een persoonlijke begroeting en een korte doch kernachtige

toespraak als thans in Washington plaatsvond, veel meer

publiciteit verkrijgt dan jaren arbeid door tal van voor-

aanstaande, deskundigen uit het wereldbedrjfsleven in de

werkcommissies van de I.K.K. verricht, plegen te ver-

werven. En dit,’terwijl men dç betekenis van het betreffen-
de commissoriale overleg en de invloed, die daarvan op de

meningsvorming in de wereld uitgaat, bepaald niet dient

te onderschatten. *

De I.K.K. heeft namelijk in de veertig jaren van haar

bestaan en vooral ook sedert de jongste wereldoorlog een

zeer aanzienlijke goodwill gekweekt, zowel bij regeringen

als bij gouvernementele en .niet-gouvernementele inter-

nationale organisaties. Toegegeven moet worden, dat zij

in zekere zin de tijd heeft mee gehad. De grote economische

gebondenheid, die na de tweede wereldoorlog aanvankelijk

veelal onvermijdelijk was en later hetzij uit natuurlijke

traagheid, bureaucratische praktijken of soms zelfs prin-

cipiële overwegingen bleef voortbestaan, heeft haar de

wind in de zeilen geblazen, toen volkeren en bedrijfsleven

naar groter vrijheid en terugkeer tot meer normale ver-

houdingen gingen verlangen. Het ontstaan van vele andere

internationale organisaties, in welke de Kamer op inter-

nationaal niveau gesprekspartners vond, werkte er eveneens

toe mee haar positie te, versterken. Het blijft echter een

feit, dat zij in plaats van een sterker positie te verwerven,

haar positie ook gemakkelijk had kunnen.verliezen, indien
zij zich bij het leiding geven aan de gedachtenvorming van

het bedrijfsleven te ver van de werkelijkheid zou hebben

‘verwijderd of wanneer zij haar relaties met” de andere

internationale organisaties niet op een juiste basis zou

hebben weten te plaatsen.

De bijeenkomst in Washington, waaraan door ruim

1.700 personen uit 45 landen en door bijna 150 vertegen-

woordigers van internationale organisaties werd deel-

genomen, heeft wederom het bewijs geleverd, dat dit geen

ijdele woorden zijn en dat de Internationale Kamer van

Koophandel een organisatie is, welke uit de gehele vrije

wereld, waaronder wij in dit geval ook Joegoslavië

rekenen, vooraanstaande persoonlijkheden weet samen te

brengen, wanneer het erom gaat zich gezamenlijk te be-

raden over onderwerpen, welke op enigerlei wijze samen-

hangen met de economische grondslagen van onze maat-

schappij.

Ditmaal stond in het bijzonder het onderwerp van de

verantwoordelijkheid der ondernemers
in het bandpünt

der’ belangstelling. Dat de ondernemer primair verant-

woordelijkheid draagt voor zijn eigen onderneming en dus

tegenover aandeelhouders en werknemers, was in confesso.

Moeilijker te beantwoorden bleek de vraag, of hij (niet in

zijn kwaliteit van staatsburger, doch ztiiver als onder-

nemer) ook verantwoordelijkheid draagt tegenover zijn
stad, zijn land of zelfs tegenover de ‘ereld.’En of hij dan

ook zeer concreet – verantwoordelijkheid draagt met

betrekking tot het conjunctuurverloop of bijv. de waarde-

vastheid van het geld. 1-her kon men constateren, dat er

nogal wat verschil van opvatting bestond. Algemeen werd

erkend, dat het bedrijfsleven in de huidige maatschappij

ten ‘deze een
colleciieve
verartwoordelijkheid bezit, welke

via de organisaties van het bedrijfsleven wordt uitgeoefend.

Dit impliceert naar schrijvers mening, dat voor de indivi-

duele bedrijven de plicht zou bestaan zich dan ook ter uit-

oefening van die collectieve verantwoordelijkheid te organi-

seren. Wat de individuele verantwoordelijkheid der onder-

nemingen betreft, werd in hoofdzaak door de leiders van

zeer grote ondernemingen betoogd, dat dit soort onder-

nemingen terdege verantwoordelijkheid voor de gang van

zaken in hun land of in de wereld gevoelt en daar ook naar

pleegt te handelen. Hierbij kan men zich echter de vraag
stellen, waar hier de grens ligt tussen het voeren van een

,,far-sighted policy” in het uiteindelijk eigenbelang van de
ondernemingen in kwestie en waar er sprake is van behar-

tiging als onderneming van zuiver algemene belangen,

waarmede geenszins gezegd bedoeld te zijn, dat beide

belangensferen niet zeer goed kunnen samenvallen. Hèt

meest ver ging, wat de individuele verantwoordelijkheid

der grote ondernemingen betrèft, de Amerikaan en Ere-

President van de I.K.K., de heer Philip Reed (General

Electric), die o.a. betoogde, dat elke grote onderneming

ten minste één van zijn topfunctionarissen speciaal voor de

behartiging van dit soort verantwoordelijkheden (en be-

langen) dient vrij te maken.

Ten slotte moge hier de opmerking worden gemaakt, dat

juist wanneer men de neiging heeft

de verantwoordelijkheid

van het bedrijfsleven zo breedte zien, men er goed aan zal

doen het begrip verantwoordelijkheid een zeer duidelijke

inhoud te geven en dit in iedergeval in dier voege te begren-

zen, dat geen verwarring ontstaat over de vraag wie in

laatste instantie aansprakelijk is voor het te voeren beleid.

Het is immers duidelijk, dat al mogende ondernemers bijv.

op het stuk van de waardevastheid van het geld of op dat

van de conjunctuur een
zekere
verantwoordelijkheid bezit-

ten, het niet de ondernemers doch de regeringen zijn, die

het monetaire resp. conjuiicturele beleid hebben te bepalen

483

en daarvoor jegens hun volkeren

verantwoordelijkheid

(in de zin van aansprakelijkheid) dragen. De ondernemers-

verantwoordelijkheid heeft hier een sterke begrenzing en

de ondernemer zou o.i. bepaald in strijd met de verant-

woordelijkheid, welke aan zijn eigen functie inherent is,

handelen door die grens te. overschrijden.

Een ander punt, dat op het Congres van Washington

zeer in de belangstelling stond, betrof het vraagstuk van

de onderontwikkelde gebiéden. In zekere zin is dit ook

een vraagstuk van verantwoordelijkheid en het was interes-.

sant vast te stellen, dat de voorzitter van de vergadering,

die zich in het bijzonder met dit vraagstuk bezig hield,

Sir Jeremy Raisman (Lloyds Bank), het in zijn inleidend

woord als volgt stelde: ,,It is good business as well as good

citizenship for overseas enterprises to take part in the

development of local resources and skills and in the edu-

cation for managership”. Een deel van deze uitspraak werd

direct te niet gedaan door hetgeen Sir Jeremy hierop deed

volgen, namelijk dat in de onderontwikkelde landen ver-

schillende factoren in tegengestelde richting werken, zoals

extreem nationalisme, te grote.nadruk op industrialisatie en

een dikwijls onjuiste b’elastingpolitiek. Overigens werden

de enorme omvang van het vraagstuk, waarom het hier

gaat en de belangen, die daarmede verbonden zijn, op zeer

sprekende wijze aan het Congres voorgelegd door de

directeur van het nieuwe Speciale Fonds van de Verenigde

Naties, de heer ‘Paul Hoffman, die er in de openings-

zitting van het Congres de aandacht op vestigde, dat niet

minder dan 60 van de 82 landen der Verenigde Naties

als onderontwikkeld dienden te worden beschouwd en dat

in deze landen het gemiddeld inkomen met $ 120 per per-

soon per jaar beneden het bestaansminimum ligt, terwijl

het gemiddeld jaarinkomen in de meer ontwikkelde landen

$ 800 en in de Verenigde Staten zelfs meer dan $ 2.000

per jaar bedraagt. Voorts vestigde de heer Hoffman er de

aandacht op, dat het nationaal inkomen in de onder-

ontwikkelde gebieden met 3 pCt. per jaar toeneemt, waar-

van 2 pCt. weer moet dienen om de sterke bevolkings-
toename op te vangen. Van kapitaalvorming kan aldus

in deze landen maar zeer weinig terecht komen. Niet

minder dan $ 30 mrd. aan goederen en diensten vermeer-

derd met een waarde van nog eens $
5
mrd. aan teclmische

bijstand zal – aldus de heer Hoffman – nodig zijn om

in de komende periode van tien jaar althans te bereiken,

dat een aantal landen, welke er relatief gunstig aan toe zijn

of die zich bijzonder
sterk ontwikkelen, zich aan hun staat

van armoede ontworstelt. Het gemiddelde jaarinkomen zou

op deze wijze voor alle onderontwikkelde landen gemiddeld

van $ 120 op $150 kunnen worden gebracht, hetgeen een

enorme inspiratie en aanmoediging vor, de onderontwik-

kelde landen zou inhouden. Dat een tienjarig programma

van zulk een omvang voor de ontwikkelde landen een te

zware last zou vormen, werd door de heer Hoffman ten

stelligste ontkend.

Het lijdt geen twijfel, dat deze redevoering grote indruk

heeft gemaakt, niet alleen bij de delegaties der minder-

ontwikkelde landen, die deze rede uiteraard slechts konden

toejuichen, doch ook bij andere delegaties en stellig bij de

Amerikanen, die nu eenmaal zeer gevoelig zijn voor de

combinatie van enerzijds het vervullen van een missie en

anderzijds het ontstaan van grote zakelijke mogelijkheden,

welke een dergelijk groot programma stellig zou mee-

brengen. De United States Council vatte in een van haar

publikaties over het Congres een en ander samen in de

conclusie: ,,Everyone recognized that no one can prosper

for long if the hundreds of millions in the less developed

lands

do not begin to see some hope for improvement in
their lot”.

Een derde punt, eveneens een ,,highlight” van het Con-

gres – en in het raam van dit verslag is het niet mogelijk

veel verder te gaan dan deze enkele punten in het licht te

stellen
1)
– was een speciale bijeenkomst, welke door de

Amerikaanse afdeling van de I.K.K., de United States

Council, voor de congresleden was georganiseerd in de

vorm van een vraaggesprek met een elftal vooraanstaande

zowel Republikeinse als Democratische Senatoren en Leden

van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarbij

van de
zijde
van de diverse delegaties vragen aan deze heren

konden worden gesteld, die betrekking moesten hebben op

de Amerikaanse economische of handelspolitiek. Niet min-

der dan 19 vraîgen werden voor een volle zaal aan de be-

trokken leden van het Amerikaanse Congres voorgelegd,

die deze vragen met de grootst mogelijke openhrtigheid

en zakelijkheid beantwoordden, zodat men rechtstreeks

met de realiteit van de Verenigde Staten op,handelspolitiek
en economisch terrein werd geconfronteerd.

De belangrijkste vraag in deze bijeenkomst aan de panel

gesteld, luidde: hoe – naar het oordeel van de heren Sena-

toren en leden van het Huis .van Afgevaardigden – de

Amerikaanse handelspolitiek in de eerstkomende jaren

waarschijnlijk zou verlopen; zulks in het bijzonder met het

oog op de wanverhouding, die nu eenmaal in de Verenigde

Staten bestaat tussen theorie en praktijk, waarbij enerzijds

gepleit wordt voor invoerverruiming en verlaging van in-

voerrechten en anderzijds telkens weer een beroep gedaan

wordt op de ontsnappingsclausule in de wet op de handels-

overeenkomsten. De antwoorden, welke men hierop achter-

eenvolgens van de verschillende j,anel-leden ontving, liepen
uiteen van: ,,niet veel verandering vergeléken bij de huidige

lijn” (de Republikeinse Senator voor Connecticut, Prescott

S. Busch) tot ,,er zijn sterke tendenties vooral ook bij de

leden van de Labour-Unions aan het werk om hinderlijke

buitenlandse invoer te weren” (het Republikeinse lid van

het Huis van Afgevaardigden voor New Jersey, William

Widnall) en ,,het profectionisme zal o.a. om dezelfdè reden

èn doordat het Zuiden meer gemdustrialiseerd raakt, eer

toe- dan afnemen” (het Republikeinse lid van het Huis van

Afgevaardigden voor Minnesota, Walter Judd). In Soort-
gelijke richting sprak ook de Republikeinse Senator voor

Utah (Wal lace Bennett), die het unfair noemde de Verenigde

Staten protectionistisch te achten alleen omdat het in een

aantal gevallen industrieën tracht te ‘redden, die in hun be-

staan bedreigd worden door een plotselinge lawine van

geïmporteerde goederen.

Ook bij de beantwoording van de andere gestelde vra-

gen bleek meermalen, dat het voor-ons meest optimistische

geluid ten aanzien van de Amerikaanse invoerpolitiek niet

verder ging dan de verwachting, dat als de situatie niet
verslechterde, men de huidige lijn hopelijk zou kunnen

vasthouden. Het feit, dat de werknemers in steeds toene-

mende mate bij de eigendom van hun eigen industriële

bedrijven worden betrokken, moge wellicht gunstige zijden

hebben voor de betrokken ondernemingen, vanuit het oog-

punt van een vrijer handelsverkeer bezien, lijkt deze ont-

wikkeling op den duur niet zonder bedenking, daar de Po-

litieke macht der werknemers zich waarschijnlijk nog ster-

ker zal gaan uiten in de richting van bescherming, wanneer

1)
Voor een meer volledig verslag kan men zich wenden tot
het Secretariaat van de Nederlandse Organisatie voor de I.K.K.,
Tournooiveld 2, ‘s-Gravenhage.

484

men niet allëen bevreesd wordt voor zijn job, doch daar-
naast ook nog voor de waarde van zijn bezit.

Men zou een geheel verkeerde indruk van het Congres

verkrijgen, wanneer wij het bij deze algemene hoofdpunten

lieten en niet tevens vermeldden, dat in een groot aantal

meer gespecialiseerde groepszittingen tal van technische

onderwerpen werden besproken, zoals vraagstukken op het

gebied van de industriële eigendom, internationale bank-
techniek, handelsarbitrage, moderne marketing-techniek,

en zoals kwesties van douanetechniek, belastingen, zee-

en luchtvervoer en van transport in het algemeen. In deze

zittingen waren uiteraard meest specialisten aan het woord,

die zich voldoende duidelijk uitdrukten om ook door in-

telligente niet-specialisten te worden begrepen.

Tijdens de slotzitting van het Congres werden meer dan

vijftig resoluties en rapporten, het resultaat van het werk

der diverse gespecialiseerde commissies sedert het Congres

van Napels (1957), goedgekeurd en werd tevens de nieuwe

President van de I.K.K:, de heer Carlos Manterö (Portu-

gal) als opvolger van de heer Edmond Giscard d’Estaing

(Frankrijk) geïnstalleerd.

De uit twintig gedelegeerden bestaande Nederlandse de-

legatie, die geleid werd door Prof. Dr. J. F. ten Doesschafe,
heeft zich tijdens het Congres zeer doen gelden. Niet alleen

stonden twee belangrijke groepszittingen (scheepvaart en

luchtvaart) onder Nederlandse voorzitters (de heren Mr.
D. A. Delprat resp. Mr. L. H. Slotemaker), daarnaast le-

verde o.a. Dr. P. Rijkens een zeer de aandacht trekkende

bijdrage in de zitting, welke gewijd was aan het vraagstuk

van de onderontwikkelde landen. Ook de redevoeringen

gehouden door de heren Ir. L. P. Ruys (scheepvaart), Mr.

L. H. Slotemaker en Mr. Dr. H. A. Wassenbergh (lucht-
vaart), Ir. J. Bolhuis (transport en doiianetechniek), Mr.

A. J. van Soest (belastingen), Mr. Ir. G. Oudemans

(industriële eigendom), Mr. G. M. Greup, (posterijen),

Drs. C. A. Klaasse (banktechniek) en Mr. F. Gerst (pallet-

pool) alsmede de rede van Dr. W. H. van den Berge, die

als gast het congres bijwoonde, over het werkvan de

Customs Co-operation Council verdienen hier gememo-
reerd te worden, daar zij stuk voor stuk een waardevolle

bijdrage vormden voor de verdere discussie over de

betreffende onderwerpen.

Al naar gelang de behandelde nderwerpen in de aan-

•dacht van het grote publiek staan, vonden zij ook hun

weg in de pers, die er als steeds weer toe heeft bijgedragen,

dat op het nuttige werk van de I.K.K. weer eens het licht

der publiciteit is gevallen.

‘s-Gravenhage.

Dr. E. D. DE MEESTER.

INGEZONDEN STUK

Sociaal-Economische Raad en Volksvertegenwoordiging

Dr. W. Drees Jr. te ‘s-Gravenhage schrijft ons:

In het onderstaande wil ik ingaan op enkele punten uit

de beschouwing van Dr. N. Cramer getiteld ,,Publiek

S.-E.R.-moen” en gepubliceerd in ,,E.-S.B.” van 13 mei

1959.

1. Dr. Cramer stelt, in een beschouwing over mijn

artikel in ,,E.-S.B.” van 11 maart 1959
1
)de vraag of het

democratischer is wanneer de Regering door ambtenaren

dan wel door ,het bedrijfsleven wordt geadviseerd. Hij

schrijft:

,,Het is althans niet zonder meer duidelijk, waarom de Rege-
ring zoveel democratischer handelt als zij vaart op het kompas
van aan haar ondergeschikte ambtenaren dan wanneer zij de
adviezen van het georganiseerde bedrijfsleven mede tot uit-
gangspunt van haar beslissingen neemt”.

Het argument dat ambtenaren ondergeschikt zijn aan

de Regering is
wat adviezen betreft
niet juist. Ambtenaren

(in dit geval gaat het vooral om de directie van het

Centraal Planbureau) zijn aan de Regering ondergeschikt

bij de uitvoering van het beleid, maar genieten een grote

vrijheid wanneer zij (gevraagd of ongevraagd) adviezen

uitbrengen.

2. Dr. Cramer heeft, naast het argument van de onder-
geschiktheid van ambtenaren, een tweede bezwaar tegen

de door mij op blz. 187 van ,,E.-S.B.” voorgestelde taak-

verdeling.• Dr. Cramer ziet een democratisering van de

uitvoerende macht gelegen in het inschakelen van een

adviesinstantie als de S.-E.R. Mijn bezwaar, namelijk dat

de S.-E.R. te sterk gericht is op het producentenbelang,

bespreekt Dr. Cramer als volgt:

,,Als Dr. Drees Jr.
betoogt, dat de S.-E.R. slechts een deel
van het Nederlandse volk – alleen de producenten .-,- vertegen-
woordigt, dan is dat op zich zelf genomen, niet helemaal on-
juist, doch dan is er wel plaats voor een tweetal kanttekeningen.
In de eerste plaats stelt Dr.
Drees
de zgn. kroonleden kennelijk
wat achteloos terzijde en verliest hij voorts uit het oog, dat ook
de overige leden er niet zitten als mandatarissen van hun organi-
saties. ,,De leden van de Raad”, zo luidt art. 22, ,,stemmen
zonder last of ruggespraak”.
In de tweede plaats ziet hij toch wel over het hoofd, dat het
hier om het begin van een ontwikkeling gaat. Wie stelt, dat de
S.-E.R. nog niet op de meest democratische wijze wordt samen-
gesteld, heeft daarmee nog niet bewezen, dat dit op ondemocra-
tische wijze geschiedt of dat verbetering zou zijn uitgesloten.
Het feit, dat ons kiesrecht gedurende de vorige eeuw voorname-
lijk op de belastingbetaler was afgestemd, is toch nimmer aan-
leiding geweest om de volksvertegenwoordiging maar te sluiten
pf af te schaffen. Het streven werd gericht op uitbreiding van het
kiesrecht!
Voor beide bovengenoemde factoren – het verbod van last
en ruggespraak en het beperkte kiesrecht – heeft de negentiende
eeuw intussen wel een ander sluitstuk toegepast: de openbaar

heid van beraadslaging!”

Indien men deze opmerkingen nader uitwerkt wordt een

interessante conclusie bereikt. Dr. Cramer bepleit naleving

van het voorschrift om te stemmen zonder last of rugge-

spraak, uitbreiding van de sferen die in de S.-E.R. zijn

vertegenwoordigd en openbaarheid van beraadslaging.

Indien men hieraan ook nog zou toevoegen dat de Regering,

conform artikel 41, voorgenomen maatregelen
2)
(bijv.

wetsontwerpen) zou voorleggen, dan blijkt dat
de volks-

vertegenwoordiging
de wensen van Dr. Cramer vervult!

Schrijver dezes moge concluderen dat dé slotopmerkingen

van Dr. Cramer – welke goeddeels worden onderschreven

– uitlopen op de situatie van vôôr 1950, toen de Regering

voorgenomen maatregelen rechtstreeks voorlegde aan een

algemeen gekozen en in openbaarheid beraadslagende

vertegenwoordiging van het Nederlandse volk.

,,Centraal Planbureau, Sociaal-Economische Raad en
democratie”.
In ,,De Onderneming” van 28 maart 1959 wordt op blz.
246 bepleit dat de maatregelen worden geconcretiseerd.

NASCHRIFT

De poging van Dr. W. Drees Jr. om de lezers van zijn

gelijk te overtuigen, verdient alle waardering. Maar bij na-

dere overweging kan men haar toch moeilijk geslaagd ach-

ten.

485

Zijn bewering dat ambtenaren ten aanzien van advie-

zen niet aan hun Regering ondergeschikt zouden zijn, is

formeel onhoudbaar. Art. 2. van de wet op het Centraal
Economisch Plan (nr. 180) stelde vast, dat het Centraal

Planbureau ressorteert onder de Minister van Economische

Zaken en dat de directie door deze Minister – in overleg

met diverse ambtgenoten – wordt benoemd, geschorst en

ontslagen. Nergens in deze wet valt te lezen, dat normale

ambtelijke ondergeschiktheid niet geldt voor het uitbrengen

van adviezen en dat ten aanzien van de betrokken ambte-

naren een verbod van last en ruggespraak zou bestaan,

zoals voor de S.-E.R. wèl wettelijk is vastgelegd. De ambte-

naren mogen, zoals Dr. Drees Jr. schrijft, feitelijk ,,een gro-

te vrijheid” genieten, deze zelfstandigheid blijft ingepast

in hun algemene ondergeschiktheid. Het recent ontslag,

door het laatste kabinet-Drees verleend an de wiskundig

adviseur van de Pensioenraad, Jac.Olie, laat te dien aanzien

nauwelijks twijfel.

Maar zelfs als het anders was, dan zou daarmee geen

antwoord zijn gegeven op mijn vraag, waarom de inscha-
keling van ambtelijke adviesinstanties, die eenzijdig door

de Regering worden aangewezen, zoveel democratischer

zou zijn dan het horen van de Sociaal-Economische Raad,

waarin – hoe dan ook – het georganiseerde bedrijfsleven

is vertegenwoordigd. Werkelijk niet aan de Regering onder-

geschikte ambtenaren zouden – integendeel – uit demo-

cratisch oogpunt eerder bedenkelijke figuren vormen!

De tweede opmerking van Dr. Drees Jr. mondt uit in

een grapje. Het is hem natuurlijk gaarne toegestaan mijn
betoog ,,nader uit te werken”, maar hij zal mij niet euvel

duiden, dat ik het resultaat daarvan niet voor mijn rekening

neem.

Op mijn pleidooi voor openbaarheid bij de behandeling

van adviezen in de Sociaal-Economische Raad is hij immers

niet ingegaan; voorts gaat hij voorbij aan het staatsrech-

telijk toch niet onbelangrijke verschil tussen een instantie,

welke o:a. adviseert en een orgaan, dat mede-beslist. Want

terwijl ik – terloops – het oog richtte op mogelijke ver-

betering van het zgn. organisch kiesrecht voor een advies-

orgaan, schakelt hij plotseling over op het individualistisch

kiesrecht, voor een mede-wetgevend lichaam en roept dan

triomfantelijk uit, dat onze in openbaarheid vergaderende

volksvertegenwoordiging al vôôr 1950 voldeed aan de desi-

deratâ, weilce ik stelde!

Gaarne stem ik uiteraard in met de eerbied voor de

volksvertegenwoordiging, welke uit zijn woorden spreekt.

Maar ik herinner me van Dr. Drees Jr. eens een ander grap-

je gelezen te hebben – gemaakt in zekere jaarvergadering
van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde – waarin

onze volksvertegenwoordiging er minder goed afkwam. Dit

handelde over het afnemend verantwoordeljkheidsgevoel
der Kamers bij uitbreiding van huti ledental. Er werd, als
ik me goed herinner, in diezelfde vergadering voorts ge-

schertst over het gebrek aan deskundigheid van onze ,,ge-

achte afgevaardigden” op economisch gebied. Zonder die

grapjes te onderschrijven, kan men toestemmen, dat die

kennis voor uitbreiding vatbaar zou kunnen zijn. Maar

mede juist op grond van die overtuiging, ijvert sinds lang

een meerderheid in ons parlement voor meerdere inscha-

keling van-los-van-de-Regering staande en toch deskundige

adviesinstanties zoals bijv. de S.-E.R. er één is. Dit streven

heeft reeds bij de totstandkoming van de wet op het Cen-
traal Planbureau geleid tot aanvaarding van een amende-

ment op de considerans, waarin naar de (toen nog) komende
publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie werd verwezen. Blijk-

baar
is
onze volksvertegenwoordiging dus zelf van de ad-

viezen van de S.-E.R. niet zo afkerig als Dr. Drees Jr.

blijkt te zijn. Gelet op bovenvermelde grapjes, gemaakt in

de Vereniging voor de Staathuishoudkunde, zou Dr. Drees

Jr. daar eigenlijk erkentelijk voor moeten wezen.

Scheveningen.

Dr. N. CRAMER.

Dr. D. Horringa: Leiderschap en Organisatie in de Neder-

landse o’nderneming.
Van Gorcum & Comp. N.V.,

Assen 1959, 199 blz., f. 16,50.

In de serie ,,Bouwstenen voor de kennis der maatschap-

pij” verscheen een werk van Dr. D. Horringa over ,,Leider

schap en organisatie in de Nederlandse onderneming”.

Het boek wordt door Prof. Dr. P. J. Bouman in een inlei-

dend wdord sterk aanbevolen voor diverse groepen wier

belangstelling naar de behandelde onderwerpen uitgaat.

Wanneer reeds terstond kan worden vastgesteld, dat

dit werk temidden van de niet onaanzienlijke stroom van

literatuur over vraagstukken rond de Organisatie en het
,,top-n’ianagement” van industriële ondernemingen een

opvallende en in zekere, zin unieke plaats inneemt, dan is
dit niet omdat het de bedoelde problemen typisch zou be-

handelen voor de
‘Nederlandse
onderneming. Integendeel,

ondanks de gekozen titel is dit bepaald niet het geval; de

geciteerde literatuur en voorbeelden duiden nu ‘juist niet

op een vaderlandse origine; met name Urwick en Drucker

komen herhaaldelijk aan het woord. De waarde van deze

studie is daar uiteraard niet minder om. Men zou zelfs

kunnen stellen, dat een verenging van de problematiek

tot uitsluitend Nederlandse ondernemingen zou geleid

hebben tot een te sterke accentuering van wellicht karak-

teristiek Nederlandse, doch in wezen weinig belangrijke

detailpunten. De essentiële vraagstukken van organisatie

en leiding in de industrie liggen – althans in de industriële

.landen van het Westen – nu eenmaal niet zo heel ver uit-

een.

De opvallende plaats, welke Horringa’s werk inneemt ligt

65k niet in de keuze van de behandelde onderwerpen als

zodanig. Het boek ter hand ne.mend, verwacht men, geheel

overeenkomstig de inhoudsopgave, een inventarisatie van,

alle reeds min of meer bekende en vaak behandelde vraag-

stukken, welke zich in en om de organisatie en de top van
een onderneming voordoen, indien men deze verwachting

ook al bewaarheid ziet, is ditmaal echter – en daaraan

ontleent het boek zijn opvallende en unieke karakter – een
originele en boeiende wijze van stellen gevolgd. Horringa

heeft bewust niet gestreefd naar volledigheid maar veeleer

naar het overdragen van een typische benaderingswijze.

Typisch in tweeërlei opzicht: op de eerste plaats – en dat
proéft men in de qpzet van het geheel en in de wijze van

behandeling der verschillende hoofdonderwerpen – is

hier sprake van een homogene integratie van industriële

sociologie, van psychologie en van zakelijk bedrijfsorgani-

satorschap.

Op de tweede plaats is dit boek merkwaardig en nieuw

doordat de zich voordoende hoofd- en detailproblemen

en ook de oplossingen daarvan consequent in een nauwe

relatie worden gebracht met de aard van de topleider of

topleiding, waar men in concreto mee te maken heeft.

Hiermede worden twee nieuwe elementen geïntroduceerd

in de leer der Organisatie of althans expliciet als belang-
rijke medebepalende factoren gesteld. Werd tot nu toe in

de meeste gevallen het hoofdaccent in dergelijke verhan-

delingen gelegd op de merites van verschillende organi-

satiestructuren, in dit werk wordt enerzijds een nauw ver-

band gelegd tussen de leer der Organisatie en andere op

het leven in een onderneming betrekking hebbende weten-

schappen, en wordt anderzijds steeds uitgegaan van de

verschillende typen ondernemingsleiding, die in de praktijk
worden aangetroffen.

Ik kom hieronder nader op deze systematisch gehan-

teerde typologie terug.

In het algemeen kan worden opgemerkt – en ook Prof.

Bouman stelt dit zeer terecht in zijn inleidend woord –

dat het boek geheel de geest ademt van iemand,die bij-

zonder goed thuis is in de praktische vraagstukken, zoals

die zich in een onderneming voordoen. De schrijver verle-

vendigt zijn studie met talloze, soms min of meer anek-

dotische voorbeelden en situaties, enweet aldus vaak zuiver

de kern te treffen van het betrokken probleem. Horringa

beheerst de praktijkkant van deze stof, voortreffelijk; hij

brengt de aan andere auteurs ontieende citaten en voor-

beelden op het juiste moment naar voren, waardoor

onwillekeurig de indruk ontstaat, dat hij dit alles ont-

leent aan eigen rijke ervaring. Het boek is zodoende reeds

een klein doch waardevol archief van interessante cases

over bepaalde organisatorische structuren (of over het

ontbreken van dergelijke structuren).

Als wij in het kort de loop van het boek op de voet vol-

gen, kan worden opgemerkt, dat de hoofdstukken 1 en II

de onderwerpen ,,De onderneming in cle samenleving” en
,,Leiderschap en organisatie” aan de orde stellen. Feitelijk

gaat het hier om een algemene inleiding op de later be-

handelde problemen. Met een scherpe visie op de hoofd-

lijnen van de leer van de Organisatie en de problematiek
rond de topleiding wordt hier een achtergrond opgetrok-

ken, waarbij ook recente studies over deze onderwerpen

worden benut.

Terecht benadrukt de schrijver hier ook de relativiteit

van de verschillende ,,organisatie-principes”; hij noemt ze
,,vuistregels” en geeft met dit woord pregnant het karakter
aan van deze principes, welker exactheid en betrouwbaar-

heid .vaak worden overschat.

De hoofdstukken 111, IV en V. geven een schildering

van de eenmansonderneming, van de familievennootschap

en van de open N.V.

Onder de eenmansonderneming verstaat Horringa overi-

gens niet alleen het zeer kleine bedrijf, doch evenzeer de

complexe grootondrneming, indien deze althans in hoofd-

zaak door één persoon en wel op een sterk autocratische

wijze wordt bestuurd (zoals bijv. destijds Ford).

Een dergelijk ,,charismatisch” leiderschap typeert de
schrijver op meesterljke wijze; door een rake expositie

der markante facetten van een dergelijk type van leiding-

geven komt hij tot een suggestief beeld.
De conclusie van zijn beschouwing over dit type
(blz.52)

– dat nI. ,,de eenmansonderneming, ondanks de gesigna-

leerde gevaren, in een dynamische economie een uiterst
belangrijke rol vervult” – doet echter wat verrassend aan

na de scherp analyserende beoordeling (bijna veroordeling)

in de 14 voorafgaande bladzijden en zij stemt eigenlijk

niet overeen met de gegeven karakterisering. Wellicht werd

het milde eindoordeel ingegeven door de bewondering,

welke schrijver blijkbaar koestert voor de resultaten van

het charismatisch leiderschap. Dit type leiderschap behoort

echter slechts thuis in een bepaalde fase van het ondër

nemingsbestaan – de oprichtingsperiode – en kan pas als

geslaagd worden beschouwd, indien het heeft bewezen de

omschakeling naar een volgende, andere, fase veilig te kun-

nen stellen. Voor het idealiseren van dit type – als blijvende

structuur en op zich genomen – is in wezen geen enkele

reden.

Door het scherp aanvoelen en weergeven van de sfeer
en de aard van de drie genoemde ondernemingsvormen,

brengt Horringa het boek op hoog niveau en geeft hij

aan de behandeling van de stof een originele tint. Men

vraagt zich hierbij meermalen af of de industriële socioloog,

de psycholoog ofwel de praktische bedrijfsorganisator aan

het woord is, zo goed zijn al deze aspecten tot een geheel

verwerkt. In dit verband zou men hoogstens kunnen op-

merken, dat door de keuze van de uitgangspunten de ge-

volgde psychologische beschouwing beperkt blijft tot de

leidende figuren van een onderneming; zij betrekt hierbij

bijv. niet de geleid-wordenden, die onder enkele van de

behandelde leiderstypen in verschillende opzichten bepaald

tot ,,lijdenden” kunnen verworden.

Zoals hiervoren reeds is gezegd, wordt de gehele pro-

blematiek mede bezien vanuit het karakter en de aard van

de leiding. Hierin onderscheidt Horringa – in navolging

van Nelsori – een viertal sterk uitgesproken typen; de

invloed van deze typen komt in de loop van het boek telkens

weer aan de orde. Het is deze wijze van behandeling welke
een nieuw element in de beschouwing betekent; de betrok-
ken typologie is als het ware het steeds terugkerend ,,leid”

(ings)rnotief bij de verdere uiteenzetting. Zo buy, waar

hij de wenselijkheid van bepaalde structuren in een onder-

neming laat afhangen van de ,,in de onderneming over-

heersende stijl van leiding geven”, of op een andere plaats,

waar de delegatie wordt besproken en deze zelfde beleids-

stijl als een belangrijk meebepalend element wordt genoemd

voor de mate waarin en de manier waarop moet worden

gedelegeerd. Ook andere aspecten van het leiding geven

– als de communicatie, de bedrijfsbesprekingen, de zorg

voor de opleiding en de relatie tot de arbeiders – worden

vanuit deze gezichtshoek bezien. Horringa hanteert om

het zo eens te zeggen zijn ,,4-dubbele Nelson” voortreffelijk

en demonstreert met deze hoofdgreep zijn vat op de stof.

In hoofdstuk VI over het ,,Structureren van de onderne-

ming” als hulpmiddel van het leiderschap (weer telkens

in relatie gebracht met het type leider) komt m.i. het boek

op zijn hoogtepunt. Verschillende waarheden, die ieder
weet of althans denkt te weten, worden op zo’n heldere
manier geformuleerd, dat zij soms als nieuwe vondsten
aandoen. Het zou geen zin hebben om hiervan een paar

voorbeelden te noemen, omdat zij – losgemaakt uit het

betoog en het gehele kader waarin Horringa ze stelt –

inderdaad niet méér zouden zijn dan ,,oude waarheden”.

De goed gekozen indeling van dit hoofdstuk bevordert

mede de overzichtelijkheid van dit geheel en maakt het

werk juist als algemene handleiding bijzonder waardevol.

Na dit hoogtepunt – als de voornaamste onderwerpen

zijn besproken – verliëst het boek iets van zijn boeiend

karakter. Hoofdstuk VII bijv. (Vorming van managers)

blijft wat beschrijvend van aard en de conclusies zijn wat

te algemeen gehouden. Alleen de paragraaf over ,,vormende

situaties” is meer uitgewerkt en kan worden vergeleken met

het niveau van het boek in de voorafgaande hoofdstukken.

Hoofdstuk VIII (De arbeider als medewerker) is even-
eens descriptief. In een zevental paragrafen geeft het een

487

goede typerirg van de verschillende kwaliteiten waarin men

de arbeider uit een odgpunt van de leiding kan bezien en

welke ,,behandeling” daarmee correspondeert. Deze type-

ring is te aardig om haar niet even te noemen. Achtereen-

volgens worden de arbeiders gezien als ,,kinderen van de

patroon”, als werkers in dienst vân de ,,homo economicus”

(en dus als economische tegenspelers), als ,,onvolmaakte

machines”, als ,,kiezers” (pionnen in een politieke machts-

strijd), als ,,objecten” van wetenschappelijk onderzoek,

als medewerkers door taakintegratie en ten slotte als mede-

werkers door produktiviteitstoerekening.

De conclusie op blz. 164 – dat nl. het scheppen van een

zekere mate van levensvervulling voor diegenen, die in de

onderneming hun bestaan vinden niet kan worden bereikt

langs de weg van steeds meer muziek onder het werk en

steeds meer sociale voorzieningen, doch dat de werkelijke

integratie van de arbeiders in de onderneming zich zal

moeten afspelen in de vitale sfeer van het werk, alsook

van de beloning en van het leiderschap (d.i. de wijze waar-

op het leiderschap over hen wordt uitgeoefend) – is weer

een voorbeeld van simpele doch rake weergave van een

,,algemeen bekende wijsheid”.
Hoofdstuk IX brengt de nog overgebleven brokstuldcen,

die overigens duidelijk in relatie staan met het hoofdpro-

bleem van het boek – bijeen en heet dan ook terecht

,,Enige actuele problemen”. Deze capita selecta zijn op

zich zeker lezenswaardig, doch vormen bepaald geen

apotheose aan het eind van een goed werk; als zodanig

hadden wij gaarne een soort panorama gezien, waarin

belangrijke verworven inzichten in een synthese zouden

zijn bijeengebracht.

De slotconclusies op blz. 192— nl. dat de reeds begonnen

toenadering tussen sociale wetenschappen en organisatie-

leer met kracht moet worden voortgezet, teneinde onze

kennis omtrent hetgeen zich in de onderneming afspeelt
te vergroten, en vervolgens dat in het bijzonder meer en

bewuster aandacht moet worden besteed aan het leider-

schap in zijn vele vormen en vooral aan de vorming van

toekomstige industriële leiders – sluiten bepaald niet aan

op de lijn, zoals die in de laatste hoofdstukken is door-

getrokken en hebben op deze wijze dan ook niet het kader

gekregen dat zij verdienen.

Indien ik mijn eindoordeel moet samenvatten, zou ik

willen zeggen, dat het boek ,,Leiderschap en organisatie

in de Nederlandse onderneming” een waardevolle bijdrage

is op verschillende vakgebieden.

Daarenboven betekent het voor studenten een degelijke

en theoretisch gefundeerde praktijkleer over de Organisatie

van de onderneming en over het top-management, en voor

de praktijkmensen een ,,praktische theorie”. Voor leiders

en aspirantleiders van het industriële bedrijfsleven is het

een waardevolle gids van op praktische ervaring en theore-

tisch inzicht gebaseerde nuttige aanwijzingen en conclu-
sies. Aan al deze categorieën en personen beveel ik deze

studie dan ook sterk ter lezing aan.

Heerlen.

A. C. J. ROTTIER, ec. drs.

Leeft met Uw tijd
mee!

Leest de

MEDEDELINGEN VOOR ECONOMISTN

Orinterende cursus
ii1
de wiskundige

statistiek te Rotterdam

De Raad van Beheer van het Mathenlatisch Centrum

heeft besloten in september a.s. ook te Rotterdam te be-

ginnen mt een oriënterende cursus in de wiskundige sta-

tistiek. De cursus die ongeveer één jaar duurt, zal worden

gegeven door Dr. C. van Eeden. Het cursusgeld, waarin
zijn begrepen de kosten van de aan de deelnemers uit te

reiken syllabus, bedraagt f. 10. De bijeenkomsten vinden

plaats eenmaal per veertien dagen op een in overleg met

de deelnemers te kiezen avond. Belangstellenden die aan

de cursus wensen deel te nemen, wordt verzocht zich zo

mogelijk véôr 1 augustus a.s. op te geven bij de admini-

stratie van het Mathematisch Centrum, 2e Boerhaave-

straat 49, Amsterdam-O, met vermelding van de avonden

in de week waarnaar hun voorkeur uitgaat. Zo spoedig

mogelijk ontvangen zij nadere mededeling omtrent plaats

en tijd van de cursus.

De geidmarkt.

Voor de periode van 22juni t/rn 21juli is het kasreserve-

percentage vastgesteld door De Nederlandsche Bank op

6, d.i. 1 pCt. lager dan in de thans lopende periode.

Met ingang van 22 juli zal het huidige niveau evenwel

worden hersteld.

Twee aspecten van deze maatregel vallen bijzonder op.

In de eerste plaats het strikt tijdelijke karakter van de

verlaging. En in de tweede plaats de ,,timing” van de aan-

kondiging, geruime tijd voor de aanvang van de nieuwe

periode.

Wat het eerste aspect betreft, de maatregel is erop gericht

om de geldmarkt heen te helpen over de moeilijkheden die

op 1juli overwonnen moeten worUen als er ca. f. 400 mln.

op de 41 pCt. Staatslening 1959 moet worden gestort.

Nadat de Schatkist reeds de mogelijkheid had geopend om

de betaling desgewenst niet in contanten te verrichten maar

door inlevering van per 16 en 30 juli vervallend schatkist-

papier (hiervan staat bijna f. 500 mln. uit), heeft thans ook

De Nederlandsche Bank de markt soelaas willen bieden.

Deze additionele steun zal i+iede daarom van pas komen,

omdat mag worden aangenomen dat de bankbiljetten-

circulatie zich op de stortingsdatum op een hoog niveau

zal bevinden, niet alleen vanwege de ultimo, maar ook in

verband met de vakantiebehoefte. Deze factor zal weliswaar

ook in de volgende kasreserveperiode zijn invloed doen

gelden, maar dan zullen er meer compenserende, verrui-

mende factoren tegenover staan, zoals de kwartaalsuitkering

ad ca. f. 275 mln. die de Staat 25 juli aan de gemeenten zal

doen.

Wat de vorm betreft waarin de Bank de geldmarkt de

helpende hand biedt, in principe zou deze bijv. ook die van

de openmarktpolitiek of van het ,,stallen” van schatkist-

papier (verkoop door de banken met beding van weder-

inkoop) hebben kunneti zijn. Gezien de omstandigheid dat

de door .de Staat verleende fadiiteit juist betrekking heeft

488

ç-F

vl,

op het inleveren van schatkistpapier, k’,vamen deze metho-

den waarschijnlijk minder in aanmerking dan het thans

gevolgde systeem. Niettemin kan men zich afvragen of het

eigenlijk wel in overeenstemming is met de aard van het

kasreservestelsël dit te bezigen voor het overbruggen van

tijdelijke krapteperioden.

Een ander opvallend aspect van de verlaging is, dat de

aankondiging reeds tamelijk lang voor het aanbreken van
de nieuwe periode heeft. plaats gevonden. Het is moeilijk

hiervoor een verklaring te vinden. Zou men hebben willen

voorkomen dat de banken meer dan nodig is tot het repa-

triëren van buitenlandse beleggingen ,zouden overgaan?

– Dat het deviezenreservoir van de handelsbanken langzamer-

.hand een respectabele omvang heeft aangenomen blijkt uit

de door de Bank gepubliceerde gegevens met betrekking tot

dérepresentatieve handelsbanken. In april blijkt hun devie-

zenvoorraad met f. 100 mln., te zijn toegenomen. In de

eerste vier maanden van 1959 heeft de stijging ruim f. 450

mln. – tot een niveau van netto f. 528 mln. – bedragen.

De kapitaalmarkt.

De
berichten over de Amerikaanse (hoog)conjunctuur

blijven onverdeeld gunstig. De werkloosheid is in mei weer

flink gedaald, de investeringen in vaste activa en in voorra-

den stijgen, de kooplust vân het publiek, alsmede de

bereidheid 6m zich dienovereenkomstig in de schuld te

steken,, nemen toe. Dit alle’s vermocht niet te verhinderen,
dat de stemming in Wall Street nerveus is geweest, getuige
de aanzienlijke koersfluctuaties, die per saldo op een lichte
koersdaling zijn uitgelopen.

Dezelfde constellatie heeft men in de verslagweek op het

Damrak kunnen aantreffen. Ook hier schommelden sommi-
ge aandelenkoersen van de ene dag op de andere met enkele

tientallen punten.

In de obligatiesector bleef de jongste staatslening beneden

de èmissiekoers. Overigens moet de storting op deze lening

nog plaatsvinden en wel op 1juli a.s. Meer dan een maand

is er gelegen tussen de inschrijvings- en de stortingsdatum;

een zo groot interval is bij een marktsituatie zoals die ten

tijde van de inschrijving bestond a.h.w. een invitatie aan de

premiejagers om zonder een cent eigen geld een belang bij

de obligaties te nemen. Ziehier één van de oorzaken van het

verschijnsel dat het bedrag waarvoor op een lening wordt

ingeschreven bepaald geen zuivere maatstaf’is voor de

reële plaatsingsmogelijkheid.

V66r de emissie van de jongste staatslening zag het ernaar

uit dat de rentegamma-barrière zou worden doorbroken,

odat het zonder nadere maatregelen van de Regering met
de centrale financiering door de Bank voor Nederlandsche

Gemeenten gedaan zou zijn geweest. De’ lichte stijging

van de rentestand die sedertdien heeft plaats gevonden heeft

dit moment weer veider weggebracht.

Blijkens het jaarverslag van de B.N.G. heeft deze instel-

ling in het kader van de centrale financiering in 1958

* f.’1.542 mln. op de kapitaalmarkt opgenomen. Doordat
er nog een potje was van vorig jaar, is er een nog groter

bedrag aan de gemeenten doorgegeven, t.w. f. 2.030 mln.

Ter vergelijking diene dat de gemeenten rechtstreeks ca.

f. 320 mln, op de kapitaalmarkt hebben geleend. Behalve

voor financiering van onderhanden en aangevangen kapi-
taalwerken, zijn deze bedragen gebezigd voor de.consoli-

datie van vlottende schuld. Eind 1958 kwam nog f. 816

mln, voor consolidatie in aanmerking, d.i. f. 766 min.

minder dan een jaar tevoren. Tijden het eerste kwartaal

van 1959 iser nog ca. f. 176 mln. geconsolidéerd.

+1
De Nederlandse levensverzekeringsmaatschappijen heb-
ben, wat het binnenlandse bedrijf betreft, in het le kwartaal

1959 f. 191,5 mln. (v.j. f. 195,8 mln) meer ontvangen aan

premiën en koopsommen dan zij aan begunstigden hebben

uitgekeerd. In dezelfde periode zijn hun beleggingen met

f. 204 mln, toegenomen tot f. 7,1 mrd. Voor bijna de helft

komt deze stijging voor rekening, van de onderhandse

leningen. .

Aand. indexcijfers A.N.P.-C.B.S. 2jan.

5 juni 12 juni
(1953 = 100)
1959
1959 1959
Algemeen

…………………………… 255
299
291
Internat.

concerns

…………………
375
434 422
Industrie

……………………………
174
219
211.
Scheepvaart

…………………………
151
153 151
Banken

…………………………………
138 166
166
Indon.

aanci
………………………….
103
127
127

Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
f. 183,20
6. 164,60 f. 160,65
Unilever

………………………………
452
581% 568%
Philips

…………………………………
493%
668
3
/4
633
A.K.0 .

…………………………………
262
348% 349%
Kon.

N.

Hoogovens

………………
341
524
509%
Van

Gelder

Zn .

…………………… 193 244
3
/4
234
H.A.L.

…………………………………
158½
148
3
/4 159
Amsterd.

Bank

………………………
253%
285 290
Ver.

H.V.A.

Mij-en

………………
131%
148%
153%

Stâatsfondsen
2%

pCt.

N.W.S

.

……………………
59%
63
59
3%

pCt.

1947

…………………………
901ju
92+1
92+
3
1
/,

pCt.

1955

1

……………………
87½
88
88%
3

pCt. Grootboek 1946
88% 90%
90
1
/4
3

pCt.

Dnllarininr

…………….
90’h,
91?
92
4% pCt.

Nederland

1958

…………
99+1
1001+
100%

Diverse obligaties
3½ pCt. Gem. Rotterdam 1937 VI
90
1
/
93 94
3
1
/4
pCt.

Bkv.Ned.Qem.195411/III
91fr
87%
86%
3% pCt. Nederi. Spoorwegen
89
91% 92%
3%

pCt.

Philips

1948

………………
95 96
3
/4
9678
3
1
/4
pCt. Westl. Hyp.

Bank
83%
88 88
6

pCt. Nat.

Woningb.len.

1957
110
111%
112
New York
Aandelenkoersgemiddelde
Dow Jones Industrials
588
645
627
M. P. GANS.

PRODUKTIE-INDEXCIJFERS
1)

(1953 = 100)
2
)

Omschrijving
Jaar-
gem1lden
I
9
e
jan.
febn
dec.
jan.
febr.

1957
1
1958

Aantal arbeidsdagen
0)

23+
23+
22 24 22
23
234
22
Algemene indexcijfers van
de nijverheid
‘) …….
Algemene

produktie-
126 126
116
.
122
113
126
126
121
index

……………
Idem, gecorrigeerd voor
$
seizoen en lengte van
demaand
6
)
123 124
124
129
130
133

klasse’

………….

122
114 108
108
94
104
97
86
Chemische

nijverheid
(excl.

aardoliepro-
dukten)

………….
133
136
131
139
127
131
139
135
Leder- en rubbernijver-

Indexcijfers per

bedrijfa-

123 120
106
122
113 125
134
123

Bouwmaterialen en aar-

105
110 100
113
99
104 116
105

dewerk
…………..

Metaalnijverheid
137
138
120 133
125
129
140
141
130
129
108
129
116
131
145
131

heid

……………

Textielnijverheid
112
108
103
112
105
109
113
105

Mijnbouw

…………

Gas,

elektriciteit

en

Papierindustrie ……..

138
141
159 163
140 159
166
153
water

……………
Voedings-

eis

genot-
middelenindustrie
116
118
114
106
97
129 103
96

‘) Bron:
C.B.S.
2)
De wegingscijfers hebben betrekking op 1949.
‘) Onder arbeidsdagen worden verstaan alle dagen, met uitzondering van de
zondagen, nieuwjaarsdag, 2e Paasdag, Hemelvaartsdag, 2e Pinksterdag en de beide
Kerstdagen. Zaterdagen zijn als halve dagen geteld. ‘) Exclusief bouwnijverheid.
0) Zie voor de berekeningswijze Statistische en econometrische onderzoekingen, 4de kwartaal 1958.

489

CONTROLS MAATSCHAPPIJ

EUROPA N.V.

(dochtermaatschappij van de Controls
t
Company of America, Illinois) te Nij-
megen zoekt in verband met sterke
expansie van het bedrijf een

JONGE ECONOOM

diewordt toegevoegd aan decomptroller.
Hij krijgt enerzijds een taak op het
terrein van de interne accountancy; na
grondige inwerktijd zal hij in dit verband
onder meer contact onderhouden met
het accountantsbureau van het concern
in Parijs. Anderzijds zal hij zich moeten
inwerken op het terrein van administra-
tieve organisatie, de juistheid van proce-
dures en methoden nagaan en speciale
onderwerpen als kosrprijsberekeningen,
voorraad-controlesystemen in studie
nemen. Goede beheersing, van tenminste
de Engelse taal is vereist. Kandidaten
zullen eventueel worden uitgenodigd
voor een psychologisch onderzoek.

Eigenhandig
(niet met bailpoint) geschreven
brieven met volledige inlichtingen over leef-
tijd, opleiding en praktijk en vergezeld van
een recente pasfoto voor 6
luli
as. aan de
Nederlondsche Stichting voer Psycho-
techniek,
Wittevrouwenkade
6,
Utrecht,

onder nummer
E.S.B. 45032.

IN- EN UITVOER
1)

(waarde in miljoenen guldens)

Dekkings-

Invoer

Uitvoer

percentage
Jaar

.

mei

Jfl)

mei

mei

Mel
el

1938 ……………112

119

84

85

75

71

1956 …………..

..

.1.138

1.115

933

890

82

80

1957
……………
1.478

1.350

997

944

67

70

1958
……………
1.152

1.123

1.015

970

88′

86

19.9
……………
1.128

1.178

1.089

1.056

97

90

‘)BrOn: C.B.S.
‘) Maandgèmiddelde.

Maak gebruik van de rubrie

k

,,VACATU RES”

voor het oproepen van sollicitanten voor leidende

functies. Het aantal reacties, dat deze annonces
ten gevolge hebben, is doorgaans uitermate

bevredigend; begrijpelijk: omdat er bijna geen

grote instelling is, die dit blad niet regelmatig

ontvangt en waar het niet circuleert!

N.V. GEBR. D. SCHUITEMA

GROOTHANDEL IN LEVENSMIDDELEN – VRIJWILLIG FILIAAL-
BEDRIJF CENTRA

zoekt ter opleiding tot staffunctionaris een aantal

JONGE ACADEMICI
(economie)

Voor de uitbouw van ons bedrijf hebben wij in de toekomst behoefte aan een – aantal commercieel ingestelde academici, die in de ioop der jaren bij gebleken
geschiktheid staffuncties kunnen innemen.

Het is de bedoeling, dat eventuele gegadigden na een opleidingsperiode gedurende
langere tijd op de verschillende hoofdafdelingen van het bedrijf werkzaam zijn, teneinde een zo all-round mogelijke ervaring op te doen.

Met de hand geschreven brieven te richten aan de directie van bovengenoemde firma,
Herman Heijermansweg 20, Amsterdam-Z.

Mr. A. F. M.de Kok

GRAFOLOGISCH
ADVISEUR

Prins Hendrikstraüt 20

Den Haag

Blijf
fij
1

Leest ,,E. -S. B.”

Over de gehele wereld

reiken onze verbindingen in set inter-

nationale handels- en betalingsverkeer.

1 ??7%

I
t

aardoor kunnen wij U een uitgebreide

L


haoorlichting
verschaffen voor de

ling van Uw exportplannen en de

g vanUw buitenlandse transacties.

WENTSCHE BANK

Uw financiële raadsman

490

.;_I

.meer dan anderhalve

eeüW levensverzekering

/

HOLLANDSCHE SOCIETEIT

VAN
LEVENSVERZEKERINGEN
N.V.

Hoofdkantoor Nederland.:
Herengracht 475, Amsterdarn-C. tel. 221322

Head Office Canada:
1130 Bay Street, Toronto 5

(

f

)

GEMEENTE HEERLEN

R. S. STOKVIS
&
ZONEN N.V.

Heiman Dullaertplein 3 – Rotterdam

Vr

vraagt voor spoedige indiensttreding
als medewerker op haar Directie-
Secretariaat een jooge

meester in de rechten

met tenminste enige jaren praktijk in het bedrijfsleven.

Gegadigden dienen naast gedegen juridische kennis over
commercieel gevoel en .grondige kennis der moderne.
talen te beschikken, belangstelling te hebben voor be-
drijfseconomische problemen en in staat te zijn op pret-
tige wijze contact met hoger en lager geplaatste func-
tionarissen in het bedrijf te onderhouden.

Eigenhandig (niet met ballpoint) geschreven sollicitaties met volledige gegevens en recente pasfoto te richten aan
afdeling Personeelszaken, postbus
426,
Rotterdam.

IA

Amsterdamsche Bank

Geconsolideerde Maandstaat fter
31 MEI 1959

Debet
,

.
/
Credit

Kas, kassiers en daggeldleningen
f
141.677.150,57
Kapitaal

.
-f

90.01.0.000,-

Nederlands schatkistpapier
627.331.703,39
Reservefonds
49.000.000,-

Ander overheidspapier
96.996.375,—
3 pCt. Deposito-obligatiën

Wissels

.
,,
111.268.854,33
per 1962
25.000.000,—

Bankiers inbinnen- en buitenland
139.267.621,60
Deposito’s op. termijn
387.217.070,25

Effecten en syndicaten
,,
50.114493,59 Crediteuren
1.330.916.466,53

Prolongatiën en voorschotten
Geaccepteerde wissels

.
34.604.458,58

tegen effecten
,,
91.638.869,33
Door derden geaccepteerd
1.270.768,04

Debiteuren
,;
701.799.484,08
Overlopende saldi en andere

Deelnemingen
(mcl.
voorschotten) ,,
15.179.353,08
rekeningen
,,

57.255.142,57

Gebouwen, safe-inrichtingen en
inventarissen
1,-

f
1.975.273.905,97
.
J
1.975.273.905,97

Bij de .Gemeentebedrijven, omvattende Distributiebe-
drijven voor Elektriciteit, Gas en Water en Productie-
bedrijf, is vacant de functie van:

Hoofd van de algemene en

administratieve dienst

Vereist wordt ruinie kennis en eraring in de behan-
deling van bedrijfseconomische en administratieve pro
blemen, commerciële aanleg en het vermogen om leiding
te geven aan het administratieve personeel.

Salariëring nader overeen te komen; het Verplaatsings-
kostenbesluit is van toepassing.

Uitvoerige sollicitaties, vergezeld van een recente pas-
foto, te richten aan Burgemeester en Wethouders binnen
14 dagen na het verschijnen van dit blad.

491



-a
• ‘!
-ï- :
mUr

,

loon

mi

•g IL

11.1

M;;

lb

I.I
._ •;;.—uI.II

Is

•-

H “•


lul

oil
k

1’J
E –

‘i

. • 1. —
ii

-iU
INFO,

R
• _-J.au

I-..
1•l.
h
IUuI
4

•:u:i

…I
.u•.

..

)NDERLINGE VERZEKEF

/OÛR HFT REDRIIFSIFV

:1 1

i L1S

k
1
jLSJ U-

11I1 LS

De

Westeuropese katoenindustrie

ende

nieuwe marktvormen

dôor

.

Dr. W. T. Kroese

Deze publikatie is mede mogelijk ge-
maakt door het Economisch. Instituut

voor de Textielindustrie en de Vereniging

Katoen-, Rayon- en Linnenindustrie

S

S

Bijlage
bjj
,,Econornisch-Staiistische Berichten” van 17 juni 1959

De Westeuropese katoenindustrie

en de nieuwe marktvormen

1)

1. Inleiding.

Nu wij de wording van de Europese Economische

Gemeenschap allengs werkelijkheid zien wôrden, -is het
begrijpelijk, dat velen zich afvragen hoe het de verschil-

lende
bedrijfstakken in het zgn. Kleine Europa zal vergaan.

Dat in dit verband door de Nederlands-Duitse Kamer
van Koophandel direct aandacht wordt geschonken aan

de katoenindustrie is toe te schrijven aan de belangrijkheid

van deze nijverheid. Binnen de O.E.E.C.-gemeenschap

geeft zij immers aan ruim 1 mln. mensen werk. In de totale

textielindustrie is het aantal tewerkgestelden zelfs 3 mln.

of 12 pCt. van allen, die in West-Europa industriële arbeid

verrichten. Mt de confectie en aanverwante industrieën

tezamen wordt het cijfer van de arbeidsbezetting niet min-

der dan
5
mln.
2)

Wil men zich met vrucht wijden aan de moeilijke taak

een toekomstbeeld voor de katoenindustrie te vormen,

dan dient men allereerst het ontstaan en de ontwikkeling

van deze bedrijfstak tot op de huidige dag te schetsen.

De problemen van nu kunnen dân worden begrepen,

wanneer men het karakter van de industrie grondig heeft

leren kennen.

Om dit te bewerkstelligen zullen wij in gedachten tot

ver over de grenzen van West-Europa moeten gaan. Eerst

daarna kunnen wij ons aan de nadere detaillering van de

problematiek der zes landen van de E.E.G. zetten. Dit met

name waar het gaat om de mogelijkheden te peilen, die

deze nieuwe marktvorm ons kan bieden.

Dat er gunstige vooruitzichten zijn, verwachten wij aan

de hand van cijfers en door een enkele beeldgrafiek te kun-

nen aantonen. Daarbij beseffen wij wel degelijk, dat veel

van datgene wat wij straks zullen behandelen voor het
overgrote deel nog tot het domein der theoretische be-

schouwingen behoort.

Tèch is het goed een poging te wagen de toekomstmoge-

lijkheden te kwantificeren. De harde
werkelijkheid,
de

dagelijkse strijd tegen storende invloeden van buiten af,

houdt ons nl. zo zeer bezig, dat wij ons te weinig tijd gun-

nen af en toe eens afstand te nemen; wij verzuimen daar-

door het lokkend perspectief te signaleren, dat toch wel

degelijk bestaat. Als wij ons, in een ander uiterste ver-

vallend, uitsluitend tot de bestudering van het niet on-

gunstige verdere toekomstbeeld zouden beperken, zou dit

weer leiden tot een ontvluchten van de werkelijkheid.

De gevaren, die ons daelijks en in de naaste toekomst

zullen omringen, laten zich nu eenmaal niet wegdromen.

Daarom is het gewenst deze beschouwingen over de

toekomstige ontwikkeling af te ronden door het noemen
van enkele voorwaarden, waaraan op korte termijn moet

worden voldaan, wil onze bedrijfstak zijn belangrijke

rol in West-Europa blijven vervullen.

‘)Een studie vor een voordracht, te houden voor de Neder-
lands-Duitse Kamer van Koophandel in Enschede, dd. 18
juni 1959.
2)
The Textile Industry in Europe, O.E.E.C., februari
1956,
Paris.

H. De huidige positie van de Westeuropese
katoenindustrie

in het internationale bestel.

Het ontstaan en de onstuimige ontwikkeling van de
katoenindustrie in Lancashire geldt nog steeds als het

klassieke voorbeeld van de eerste industriële revolutie.

De landen van het Europese Continent en de New Erigland

States van Noord-Amerika volgden in het begin van de

l9de eeuw dit voorbeeld.

Tot de eerste wereldoorlog gaf de Westeuropese katoen-

industrie, een veredelingsindustrie bij uitstek, de toon aan

op de internationale weefselmarkt.

Na 1914/1918 was het Japan, dat zijn intrede deed in

het strijdperk. De katoenindustrie van Osaka kwam,

zag en overwon op economisch gebied tot het land van de

Rijzende Zon politiek struikelde.

India, en tot op zekere hoogte ook Pakistan, volgden

na de tweede wereldoorlog in de voetsporen van Japan.
De katoenindustrie van het Voor-Indische subcontinent

deed voor dit territoir de balans van netto-importeurs naar

netto-exporteurs overslaan.

De rol van de beide Aziatische producenten is echter

fundamenteel verschillend. Het grondstofarme Japan bleef

het land van de veredelingsindustrie, zij het dat de produktie

zich aldaar verplaatste van de grove naar de middelzware

en
fijne
weefsels.

India, dat Japan in de goedkope soorten wegdrong,

was daarentegen de voorloper in een geheel nieuwe ont-

wikkeling: de gang van de verwerkende industrie naar de

grondstofvoortbrenging. Een verschijnsel, dat zich ook

elders in Azië (Pakistan), Afrika (Egypte) en Latijns-

Amerika (Mexico en Brazilië) voordeed.

De geleidelijke teruggang van de Noord-Atlantische
katoenindustrie en de opkomst van de produktiecentra

in Azië en Latijns-Amerika zijn terug te vinden in de ver-

gelijkende cijfers van de verschillende
spincapacileiten

(bijlage 1)
3).

Plaatsen we hiernaast de
produktiecjjfers
dan blijkt, dat

in West-Europa weliswaar het kwantum der katoenweefsels

vermindert, doch de produktie van rayon en gemengde

weefsels deze achteruitgang voor een groot deel weer

teniet doet. –

Wat de Verenigde Staten betreft ziet men hoezeer een

inkrimpen van het produktiepotentieel door het werken

met twee en drie ploegen met een grote krachtsinspanning

kan worden opgevangen.

Ten slotte valt op te merken, dat men niet alleen in de

grondstofarme landen maar ook juist in de Verenigde

Staten tot verwerking van rayon en synthetische garens en

vezels overgaat (zie bijlage 2).

Het meest sprekende beeld voor alle verschuivingen

krijgt mén nog bij het vergelijken van de
exporten van

katoenen, rayon en gemengde weefsels,
zoals deze door ons

3)
Teneinde het volgen van de inleiding of het lezen van de
tekst niet te bemoeilijken worden de veridarende grafieken
tijdens het houden van de voordracht besproken respectievelijk
detabellen ineen aantal bijlagen verwerkt.

– tot 1958 werden bijgewerkt (zie bijlage 3). De uitvoer van-

uit West-Europa daalt voortdurend. Japan herovert de

grote plaats, die het véôr de tweede wereldoorlog innam;

de laatste tijd vooral dank zij de handel in rayon en ge-

mengde weefsels. Daarnaast nemen de exporten van India
en relatief meer nog die van de kleinere producenten sterk

toe.

In grote trekken kan de positie van de Westeuropese

katoennijverheid worden gekenschetst als een industrie,

die zich enerzijds kwantitatief redresseert, anderzijds

geleidelijk aan op een meer hoogwaardige produktie

oriënteert. Daarbij wordt niet alleen de verwerking vân

katoen maar ook van rayon en alle overige synthetische

vezels ter hand genomen.

Internationaal bezien vindt deze tendens onder andere

haar weerslag in een steeds meer
inkrimpende wereldmarkt;

zowel relatief als kwantitatief (zie bijlage 4)
4).

De grote opkomst van de rayon, de polyamide-, de

polyester- en de acrylnitril-veiels komt tot uiting in een

vergelijking van de wereldproduktie van deze vezelsoorten

met katoen en wol. En tôch blijft katoen nog altijd 2/3de

van het verbruik van de belangrijkste vezels uitmaken

(zie bijlage
5)!

Tot dusverre werd de Westeuropese katoenindustrie

in alle berekeningen als één homogene eenheid opgenomen.
Hoewel insiders weten, dat van een gelijke verdeling van de
spin-, weef- en finishcapaciteit over de verschillende landen
geen sprake is, zal toch menigeen bij een nadere detaillering

verbaasd staan te kijken bij het constateren van de grote

onderlinge verschillen, die wij nu zullen opsporen.

111. De onderlinge verhoudingen in de
Westeuropese katoen-

industrie.

Zolang Engeland en het Continent in het recente verleden

de rol van ‘s werelds kleermaker konden vervullen, was de

relatief grote produktiecapaciteit iii onze contreien verant-
woord. Zij leverde een belangrijke
bijdrage
in de betalings-

balans en gaf rendabel werk aan honderdduizenden. Door

de zojuist geschetste ontwikkéling wordt de Westeuropese

katoenindustrie heden ten dage geconfronteerd met het

alles overheersende vraagstuk van de surpluscapaciteit.

Een situatie, die maar al te vaak leidt tot een indistrieel

pessimisme, waarin soms onnodig, soms zeer voorbarig,

moeizaam verworven stellingen worden prijsgegeven.
Een van de eerste wapenen waarnaar men, mits door een

offensieve geest geleid, zal grijpen, is een nieuwe grondstof.

Op het toenemen van het verwerken der nieuwe vezels

wezen wij reeds.

Hiermee gepaard gaat meestal een modernisering van het

machinepark. Bij de nadere detaillering van de
Europese

spincapaciteit
zullen wij de gelegenheid krijgen de liquidatie

van de vernuftige doch inmiddels sterk verouderde nule-

spindles aan te geven (zie bijlage 6).

De teruggang in het spillenaantal is overigens niet overal

in dezelfde mate te constateren. In Zuid-Europa kan zelfs

nog van een expansie wprden gesproken.

Het meest geprononceerde beeld van de contractie vinden

wij echter – als steeds – bij Engeland. Uit het grote aantal

mule-spindles (12 mln.!), dat daar thans nog aanwezig is,

blijkt overigens, dat Engeland nog lang niet aan het eind

4)
Dit verschijnsel werd meer uitvoerig beschreven in: ,,Past,
Present and Future of the Cotton Industry (1904-1954)”. Dr.
W. T. Kroese, Manchester,
1954.
Voor de Nederlandse tekst
zie bijlage bij ,,E.-S.B.” van 26 mei 1954.

van het inkrimpingsproces toe is. Terecht sprak Winter-

bottom verleden jaar dan ook vn de noodzaak van een

vrijwel totale liquidatie van deze verouderde apparatuur
5).

Ongetwijfeld zal het tempo, waarin de scrdpping der

spuien in Lancashire ter hand wordt genomen, aanmerkelijk

worden versneld door de steun, die de Engelse Regering

kort geleden aan dit streven toezegde
6).
Op het ogenblik
verwacht men in spinnerskringen, dat ten minste 8 is 10

mln. spillen onder de slopershamer zullen sneuvelen. Eerst

daarna zal de Regering bereid zijn ook nog gelden voor de

modernisering ter beschikking te stellen. Na een zeer lange

periode van aarzeling, die ten detrimente vn de industrie

werkte, heeft men in Engeland dus eindelijk doorgetast.

De geleidelijk voortgaande modernisering van de Eurô-

pese industrie blijkt ook bij het naast elkaar zetten van de

capaciteitscjjfers der weverijen.
Vergelijken wij de gegevens

uit de periode véér de crisis der jaren dertig met de huidige

cijfers, dan valt direct in het oog hoe moeilijk wederom de

gang van de industrie in Lancashire is geweest. Verder blijkt

hoezeer Frankrijk, Italië en West-Düitsland de toon aan-

geven in de E.E.G. Nederland en België volgen in belang-

rijkheid als onderling
vrijwel
gelijkwaardige partners.

Ten slotte zien wij, hoe alle landen doende zijn hun machine-

park te automatiseren (zie bijlage 7).

Nu moet men zich van de scherpte van het beeld, dat

door deze cijfers wordt gevormd, geen al te grote voorstel-

ling maken. Een aanbouwautomaat van een verobderd
type is immers bij lange na niet te vergelijken met een

modern automatisch weefgetouw, om van een Sulzer-

machine nog in het geheel niet te spreken. En toch worden

al deze heterogene elementen samengebracht onder één

begrip: automatisering.

Om misverstanden te voorkomen dient hier ten over-

vloede te worden opgemerkt, dat automatisering niet

altijd het enig zaligmakende middel voor modernisering

behdeft te zijn. Bepaalde produktiemethoden in de sector

der variabele fantasie-weverjen zijn vooralsnog zeer wel

denkbaar zènder het gebruik van automaten. Ditzelfde

geldt voor sommige ,,specialities”.

Uit een analyse van de
produktiecjjfers
spreekt wedeiom

hoe de voortbrenging vankatoenen weefsels in Engeland

terugloopt (zie bijlage 8). Opvallend is echter, dat vrijwel

alle overige Westeuropese producenten met een geslonken

doch meer moderne apparatuur relatief meer produceren
dan voorheen. Het verschil tussen de voor- en de na-oor-

logse produktie van Duitsland is uit den aard der zaak

terug te voeren op het capaciteitsverlies vdn belangrijke

Oostduitse centra.
Het meest dramatisch komt de karakterwijziging van de

Europese katoenindustrie tot uiting in de
exportgegevens

van Engeland. Vlak voor de eerste wereldoorlog bereikte

Lancashire het trotse record van een export van 7.000 mln.

yards katoenen manufacturen. Op het ogenblik is deze

uitvoer teruggevallen tot een niveau van 6 is 7 pCt. (zie

bijlage 9). Wel dienen wij te bedenken, dat de goedkope

In Harrogate – oktober 1958 – raamde W. T. Winter-
bottom, dat Engeland kon volstaan met een capaciteit vao
ca. 6 mln. spuien (hoofdzakelijk ringspillen, werkende in twee
ploegen). Een berekening, die door Robson (The Cotton Industry
in Britain) grotendeels werd bevestigd.
Op 23 april 19,59 maakte de Regering bekend, dat zij be-
reid was voor een bedrag van £ 30 mln. steunte verlenen aan de
katoenindustrie in Lancashire. Gedurende vijf jaar zou 2/3de
van de kosten worden gedragen, die gepaard gaan met de
,,scrapping” van produktiecapaciteit. Daarna zou voor 1/4de
in de modernisering der industrie worden bijgedragen.

katoentjes uit dé jaren 1912/1913 een volmaakt ander

cachet hadden dan de hoogwaardige weefsels, die thans

worden geëxporteerd.

De oveige grote Westeuropese exporteurs konden zich

na de tweede wereldoorlog goed herstellen. Alleen Italië

bleef gebukt gaan onder het verlies van belangrijke histo-

rische afzetgebieden.

Tijd en plaatsruimte gebieden ons dit overzicht te be-

perken. Zouden wij dieper ingaan op de structuur der vijf

nationale katoenindustrieën van de E.E.G., dan zou het

totale beeld nog meer dat van en kaleidoscoop benaderen.

Wat de weefselimporten betreft zijn het bijv. – naast

Engeland – speciaal West-Duitsland en de Benelux, die

verantwoordelijk zijn voor een sterke stijging van de invoer.

Het betreft hier voornamelijk ruwdoekpartijen – groten-

deels van overzeese herkomst – die ter veredeling voor

re
1
-export-doeleinden worden aangevoerd
7)

Als wij daarnaast de
apparatuur
bestuderen dan zien wij

grote verschillen in de gemiddelde bedrijfsgrootte der

ondernemingen. Nemen wij de
arbeidersbezetting
onder de

loep dan blijkt de invloed van de vrouwelijke arbeidster

in de Zuidelijke landen aanmerkelijk groter te zijn dan in-

Noord-Europa (zie bijlage 10).

Het zijn
blijken
van grote onderlinge verschillen; even
zovele bewijzen ook van de grote problemen, welke voor

ons opdoemen nu wij aan de wieg staan van de eenwording

in een der eerste nieuwe marktvormen.

Het proces van de aanpassing der capaciteiten aan de

vraag is nog niet ten einde. Een globale becijfering leert

dns, dat de spin- en weefcapaciteit in de Verenigde Staten,

uitgedrukt per inwoner, ongeveer gelijk is aan de capaciteit

in de E.E.G.-landen. Het verbruik van katoen per hoofd

is in de Verenigde Staten echter ruim het dubbele (zie bij-
lage 11). Een andere becijfering iegt ons, dat West-Europa

de textielconsumptie in dat deel van de wereld met 15 pCt.

moet doen toenemen voor het geval de overzeese export

ineen zou schrompelen
8).
Er is dus nog alle reden voor

inkrimping.

Met de technische contractie enerzijds en de commer-

ciële expansie anderzijds gaat de modernisering van het

machinepark gelijk op. In het O.E.E.C.-rapport: The Fu-

ture of the European Cotton Industry
9),
berekenden de

experts, dat de katoenindustrie van Europa in het komende

decennium rond $ .220 mln, per jaar zou dienen te inves-

teren. Een cijfer, dat wij alleszins acceptabel achten.

Het zijn dus wel enorme bedragen, die nodig zijn om
modern te blijven. Investeringen, die per arbeider soms
10 soms 20 en meer malen. eisen dan het vooroorlogse

bedrag
‘°).

Het is in dit verband verblijdend te mogen constateren,

dat de mdustrie zich sedert de tweede wereldoorlog reeds
enorme opofferingen heeft getroost. Zelfs blijkt zij bereid
het aanpassingsproces aan de nieuwe structurele verhou-

dingen in versneld tempo te doen verlopen. Welke zijn’dan

Zouden
wij
ook nog de concentrische en de excentrische
landen in onze beschouwingen opnemen, dan valt te constateren,
dat Scandinavië een historisch importgebied is gebleven. In de
katoenproducerende landen – Griekenland en Turkije –
nèmen de importen af door de opkomst van de nationale
produktie.
Afzetvergroting van textielprodukten, Dr. H. J. KuhI-
meijer; Nederlandse Textieldagen, . Arnhem
1959:
Zie ook
,,E.-S.B.” van 3 juni
1959.
Parijs, juli
1957.
The Cotton Industry of Western Europe in a changing
world, Dr. W. T. Kroese, Manchester
1958.

toch wel de perspectieven, die dit vertrouwen op de toe-

komst rechtvaardigen? Waarom wordt het industriële

pessimisme, dat meestal aan het bestaan van een teveel

aan apparatuur verbonden is, zo zeer naar de achtergrond

gedrongen?

1V.
De vooruitzichten
der nieuwe
marktvormen.

Een der voornaamste problemen, waarvoor de Westeuro-

pese katoenindustrie zich ziet gesteld, is wel: hoe het beste

de bestaande surpluscapaciteit op te vangen. Alleen als dit

bereikt kan worden, is optimisme gerechtvaardigd.

Het meest vergelijkbare land voor West-Europa is Noord-

Amerika. Geen wonder dan ook, dat men voor de oplos-

sing van dit vraagstuk in eerste instantie naar de Verenigde

Staten pleegt te kijken.

Uitgaande van de status quo is het allereerst interessant

het vezelverbruik per hoofd van de bevolking
te vergelijken.

Daaruit blijkt, dat de Verenigde Staten in 1957 10,2 kg ka-

toen en 4,2 kg rayon per hbofd consumeerden. De gemid-

delde verbruikscijfers voor West-Europa lagen toentertijd
op 4,9 kg katoen en 2,6 kg rayon (zie
bijlage
12).

Hoewel dit reeds een kleine vooruitgang sedert 1938

betekent – vôôr de wereldoorlog werd in Europa resp.

4 kg katoen en 1,4 kg rayon verbruikt – lijkt het in verge-

lijking tot de Verenigde Staten toch mogelijk bij ons meer

textielgoederen af te zetten
“).
Nu zijn de verhoudingen, waaronder men in de ,,spen-

ding nation” met haar groot gelijkgeschakeld verbruiks-

patroon leeft, zeer sterk verschillend van onze markt. Een

van de meest kenmerkende contrasten is de grote versnip-

pering in nationale Europese deelmarkten, elk met een

afwijkend regime van in- en uitvoerrechten, fiscale lasten

en sociale verhoudingen. Begrijpelijk, dat de wens naar

een afschaffen van veel dezer irreële, in de sfeer der geogra-

fische beperktheid ook wat ouderwets aandoende toe-

standen, ingang vond, zodra de tweede wereldoorlog werd

beëindigd.

Een der eerste pogingen tot het scheppen van een groter

afzetgebied werd ondernomen door de reeds bestaande

Belgisch/Luxemburgse eenheid en Nederland’
2
). In verhou-

ding tot de huidige pogingen om grotere marktvormen te
verkrijgen was de Benelux relatief een klein experiment.

Het loont echter de moeite na te gaan, welke resultaten in

onze textielsector werden behaald.

Sedert 1949 nam de
textielhandel tussen België en Ne-

derland,
uitgaande van het basisjaar 1949, in gewichts-

kwantum gemeten toe met 129 pCt. Dit cijfer is geenszins

een slotakkoord. Evenmin is het een eenzame topprestatie,

zoals uit het verloop der laatste 8 â 9 jaren blijkt (zie bij-

lage 13). Al met al biedt dit praktijkbeeld dus een roos-

kleurig perspectief.

Welke zijn vrvo1gens de vooruitzichten voor de grote

nieuwe marktvorm, de Europese Econimische Gemeen-

schap? In de vele beschouwingen, die de laatste jaren ge-
wijd zijn aan de mogelijkheden, die daardoor worden ge-

vormd, is zelden een poging gedaan de toekomstige afzet

op het gebied van de textiel te kwantificeren. Meestal blijft

het bij enkele betrekkelijk vage aanduidingen.
Begrijpelijk, want het is niet zo eenvoudig met een con-

creet cijfer voor de dag te komen. Wij onderschatten de

bezwaren, die aan een toekomstpeiling kleven, geenzins.

Het verschil in vee1verbruik’ tussen de Verenigde Staten
en Europa ligt ten dele in de industriële sector.
Hiertoe werd reeds op
5
september
1944
in Londen
besloten.

Toch menen wij, dat het zijn nut heeft onder het nodige

voorbehoud een voorspelling te doen.

Dank zij het feit, dat ons enkele recente berekeningen

ter beschikking stonden
13),
zullen wij nu het stijgingsper-

centage van het kledingverbruik per hoofd van de bevol-

king in West-Europa in de komende 15 jaren ramen. Hier-

bij gelden de volgende overwegingen.

Allereerst is rekening gehouden met
een toeneming van

de bevolking.
Met het jaar 1970 als eindpunt voor ogen –

het moment waarop de E.E.G. ten volle zal functioneren

– menen wij met een cijfer van 74 â 8 pCt. niet veel bezij-

den de waarheid te zijn (zie bijlage 14).

Vervolgens: de stijging van het reële inkomen per hoofd

van de bevolking. Bij constante prijzen wordt deze in een

periode van 15 jaar – dus bijv. van 1955 tot 1970 – ge-

raamd op 45 pCt.

In welke mate nu deze stijging het verbruik van kleding

ten goede komt hangt mede af van de hoogte van
de. ver-

bruikselasliciteit van kleding t.o,v. het inkomen.
Hierbij

dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid,

dat een toeneming van het inkomen leidt tot een daling

van de verbruikselasticiteit.

Wij zijn ons ervan bewust, dat de stijging van het ver-

bruik van land tot land en van artikel tot artikel of van

vezelsoort tot vezelsoort zal verschillen
14).
Over dit laatste

staan ons enkele gegevens ter beschikking, die een nadere

detaillering mogelijk maken.

Zouden wij ni. in plaats van het kledingverbruik het

vezelverbruik in gewichtseenheden (kg) onder de loep ne-

men, dan zien wij bijv. dat in de O.E.E.C,-landen een in-

komensstijging van 10 pCt. een vermeerdering van het ka-

toenverbruik met rond 4 pCt., van synthetische vezels daar-

entegen met 13 pCt. teweeg brengt. Percentages die betrek-

king hebben op de directe vraag naar ,,meer”.

In onderontwikkelde landen zijn de overeenkomstige
cijfers voor katoen 8 pCt. en voor rayon 13 â14 pCt. In

deze gebieden zou bij een stijging van het inkomen met

10 pCt. het totale vezelverbruik met 8 pCt. toenemen. In

het O.E.E.C.-gebied zou het stijgingspercentage 5 bedragen
(zie bijlage 15).

Nemen wij de landen afzonderlijk, dan vertoont de

verbruikselasticiteit op een enkele uitzondering na een

grote parallelliteit met de verschillen in inkomen per hoofd

van de bevolking, zoals uit de volgende tabel blijkt.

TABEL 1.

Verband tussen niveau van de verbruikselasticiteit van kleding

en het inkomen per hoofd van de bevolking

Verbruikselasticiteit
Inkomen per hoofd t.o.v. de totale reële
Land
in
$
consumptieve uit-
__________________
gaven per hoofd

Italië
………………….
1,65

1,30
o.E.E.0
……………….
1,24
Noorwegen
740

.306
..

1,20
Denemarken

.538

744
1,04

Frankrijk

………………
730

Verenigd Koninkrijk
778
1,23
Canada

………………
0,75
Ver.

Staten

…………….
.296
1.864
0,57

De berekeningen, die de basis vormen van ons betoög,
zijn van de hand van M. Fraenkel, ‘s-Gravenhage. Binnenkort
zullen meer details over deze cijfers worden gepubliceerd.
Een uitzondering (die de regel bevestigt?) is het verband
tussen de stijgende welvaart en het niet dalend doch nog meer
stijgend kledingverbruik in de Verenigde Staten. De procentuele
toename van de totale bestedingen der consumenten in constante
dollars, berekende men van
1947
tot
1958
op 36 pCt. Het katoen-
verbruik voor kledingdoeleinden bedroeg in dezelfde, periode
43 pCt. Afzetvergroting van textielprodukten, Dr. H. J. Kuhl-
meijer.

1
De trend in dit alles wijst voor West-Europa onomstote-

lijk in de richting van een groter volume van het verbruik.

Een volume, rJat wordt beïnvloed door de toeneming van de

bevolking en een stijging van het inkomen, zij het dat het

kledingverbruik t.z.t. niet meer proportioneel met het laatste

zal toenemen.

Voor onze berekening wordt aangenomen, dat een stijging

van het inkomen per hoofd met 10 pCt. in West-Europa

een daling in de erbruikselasticiteit met 6 pCt. veroorzaakt.

Onder volume dient verder een kwantitatieve stijging

gekoppeld aan een kwalitatieve verbetering te worden

gezien. Dit laatste percentage, een behoefte dus aan betere

kleding, zal volgens recente berekeningen waarschijnlijk

schommelen tussen 41 pCt. en 46 pCt.

Om te komen tot een benadering van
de verwachte stijging

van het kledingverbruik naar waarde in West-Europa
hebben

wij alle zojuist uiteengezette overwegingen tezamen ge-

voegd en in een beeldgrafiek (zie blz. 6) verwerkt
15).

De stijging van het totale kledingverbruik van 1955 op

1970 zou dus ca. 60 pCt. bedragen. Naar raming uiteenval-

lend in 34 pCt. ,,meer” en 26 pCt. beter.

Een cijfer als hier geproduceerd heeft geen andere

pretentie dai’i een vrij grove benadering te zijn
16)
Sommigen

zullen het als te hoog kwalificeren
17);
in O.E.E.C.-kringen

acht men een stijging van de Europese consumptie van ka-

toen- en rayondoek met meer dan 2 pCt. per jaar alleszins

acceptabel
18).

Het meest belangrijke van deze wijze van benaderen

achten wij niet zo zeer de juiste hoogte van het percentage

als wel de accentuering van het feit, dat de vraag naar

,,meer” aan een behoefte aan ,,beter” wordt gekoppeld.

Bij een analyse van de maatregelen, die moeten worden

genomen om de geboden kansen te benutten, zal deze

conclusie een grote rol spelen.

Op de methodiek van de totstandkoming van één groot

afzetgebied behoeven we hier niet in,te gaan. Deze is genoeg-

zaam bekend. Evenzeer is het in West-Europa geen geheim,

dat deze E.E.G.-markt met zijn 164 mln, consumenten een

welkome uitbreiding zou ondergaan door de totstandko-
ming van de vrjhandelszone. In totaal zou het afnemers-

blok, dat niet door invoerrechten in 17 â 19 relatief kleine

deelmarkten zou worden versnipperd, ruim 240 mln.

afnemers tellen.

De problematiek, die aan de totstandkoming van deze

tweede grotere marktvorm vast zit, heeft geheel eigen

facetten. Voor onze industrietak noemen wij in de aller-

eerste plaats het vraagstuk van het certificaat van oorsprong.

Het punt dus, wanneer een artikel als een produkt van de

zone mag worden beschouwd.

De wapenstilstand, die
‘p
het ogenblik heerst in het

strijdperk om de vrjhandelszone, moge dan een welkom

moment van bezinning zijn, het lokt toch niet erg om theo-

retische beschouwingen te wijden aan iets wat nog zo zeer

in de lucht hangt. Liever wenden wij ons tot de maatregelen,

die moeten worden genomen om het herstel van het even-

wicht te bereiken. Een evenwicht tussen een in te krimpen

Voor de cijfers, die aan deze grafische voorstelling ten
,

grondslag liggen, zie bijlage 16.
Als wij naar het Noorden moeten sturen is het minder
erg N.W. of N.O. te koersen dan pal Zuid.
,,Britain and Europe”,
E.I.U. 1957.
Bij een schatting van
de groei van de consumptie van katoenen en gemengde weefsels
in de E.E.G. komt de Economist Intelligence Unit op 21 pCt.
,,meer”.
16)
The Future of the Cotton Industry. -Met dit percentage –
30 pCt. ,,meer” – komt onze tierekening vrijwel overeen.

Verwachte stijging van het kleding’erbruik naar waarde in West-Europa als gevolg van

inkomensstijging en bevolkingstoeneming 1955-1970

.

Elke schijf stelt 5 pCt. van de waarde van het verbruik in 1955lvoor.

0
waarde van het verbruik in 1955

hoeveelheidstoeneming als gevolg van toeneming bevolking

hoeveelheidstoeneming als gevolg van inkomensstijging

toeneming door kwaliteitsverbetering als gevolg van in

komensstijging

produktiecapaciteit en een expanderende markt, zich uit-

breidend zowel in de richting van méér als ‘van beter.

Waar wij als vaststaand mogen aannemen, dat deze

toekomstmogelijkheid kan worden verwezenlijkt, heeft

het zin na een moeilijke overgangsperiode met enig opti-
rnisie de komende jarefi tegemoet te zien.

V. Kansen tot herstel van het evenwicht.

Het ware ten enen male foutief het zo voor te stellen

alsof de katoenindustrie in West-Europa nu ineens onvoor-

bereid ‘aan de .vooravond van grote wijzigingen staat. In

ons overzicht van de exporten der verschillende landen

der E.E.G. hebben wij ons niet verdiept in de richting,

waarin deze gingen. Uit een vergelijking van de importen
en exporten van katoenen weefsels- blijkt echter hoe zeer

het inter-Europse verkeer reeds is toegenomen.

De handel van de Kleine Zes met overig Europa
is op het

ogenblik in gewichtseenheden uitgedrukt tot het drie-

voudige van voor de oorlog gestegen. Het verkeer met

voormalige en nog bestaande overzeese gebiedsdelen

schrompelde tot de helft in. Ten slotte bleef het volume van

de handel met de rest van de wereld vrijwel gelijk. Op het
ogenblik bestaat deze echter voor
1/3
uit import. V66r de

oorlog was invoer van overzee praktisch vrijwel te ver-

vaarlozen (zie bijlage 17).

Hoewel wij over het algemeen dus een veel grotere

oriëntering op de Europese markt ziën, is het toch gevaar-

lijk te generaliseren. Lang niet elk land heeft dezelfde

belangen bij de afzet op het Continent. Het beste blijkt

dit uit een analyse van de uitvoer van katoenen, rayon en

gemengde
weefsels
uit West-Europa naar de verschillende
landengroepen
(zie bijlage 18).

Bij een vergelijking van een soortgelijk onderzoek over

de situatie in
1955
met de huidige toestand valt het op hoe

bijzonder autarkisch Frankrijk handelt. Weliswaar zijn de

exporten naar de vrije wereld de laatste jaren wat toege-

nomen, doch dit is slechts schijn daar het hier een her-

groepering van enkele historische, politiek gebonden afzet-

markten betreft. Zij mogen tot de ,,overige landen” gere-

kend worden, ‘het economisch verkeer pleegt over het

algemeen slechts langzaam te reageren op wijzigingen in de

status van voormalige overzeese gebiedsdelen. En dan nog

zette Frankrijk in 1957 65 pCt. van de uitvoer af in de eigen

overzeese gebiedsdelen. In
1955
was dit 88 pCt.

Een tweede land, dat nog sterk op de uitvoer naar politiek

afhankelijke gebieden en Dominions is geöriënteerd, is

Engeland. In
1955
zette het daar 78 pCt., thans nog 73 pCt.

van zijn exporten af. –

Het meest Europees geöriënteerd zijn België en West-

Duitsland. Zij exporteren naar dë overige landen op het

Continent en naar Engeland momenteel resp.
65
pCt. (in

1955:
62 pCt.) en 53 pCt. (in
1955:
59 pCt.) van hun totale

uitvoer.

Ten slotte de vrijbuiters op de vrije wereldmarkt, Italië

enNederland.Dezezijnvoorresp. 35pCt. (in
1955:
27pCt.)

en 20 pCt. (in
1955:
23 pCt.) afhankelijk van uitvoeren

naar niet met Europa verbonden gebieden. Hun belangen

bij de afzet in West-Europa schommelen om de 40 pCt.

Wederom komt uit deze vergelijking het kaleidoscopisch

beeld van onze industrie naar voren. Elke nationale indus-

trie zal, alihatis voorlopig, nog haar eigen weg gaan en

goeddeels ook wel moeten gaan. Daarvoor zijn de histo-

rische en de hieruit resulterende economische banden met

bepaalde markten te sterk.

6

Geleidelijk aan zal echter de eenwording van de Europese

Economische Gemeenschap haar uitwerking op het afzet-

patroon niet missen. De planning van het tempo, waarin

de nieuwe marktvorm tot stand komt, is zeer voorzichtig

gekozen. Men raamt immers een 12 tot 15 jaar nodig te

hebben aleer de buitentarieven op één niveau zijn gebracht,

de interne tariefmuren kunnen worden geslecht, de opbouw

van een gemeenschappelijke handelspolitiek een feit is..

Toch is het goed zich nu reeds op het grote afzetgebied van

straks 175 â 180 mln. mensen voor te bereiden; Een struc-

turele omschakeling kost meer tijd dan men denkt en de

tijd gaat snel.

Bovendien, een te grote voorzichtigheid, een te traag

tempo, kan ook grote gevaren met zich brengen. Menigeen

vraagt zich daarom reeds in gemoede af of het niet verstan-

diger zou zijn met het tot stand brengen van de zo zeer

gewenste grotere markteenheid wat meer spoed te betrach-

ten dan aanvankelijk werd bedoeld. Een te lange over-

gangsperiode werkt ook mentaal vertragend.

In ieder geval loont het de moeite de mogelijkheid hiervan

te onderzoeken. In het bijzonder is het gewenst de reeds

bij voorbaat gemaakte’ voorbehouden – even zovele

motieven tot vertraging van het tempo – aan een kritische

beschouwing te onderwerpen. Sedert deze bij de eerste

discussies over de E.E.G. werden opgesteld, is er al veel

gewijzigd.

Als voorbeeld noemen wij de sociale harmonisatie, die

in ieder geval aan een verdere eenwording der markten

vooraf moest gaan. De onderdelen daarvan, nl. dë over

werkvergoedingen en de gelijke beloning voor mannen en

vrouwen, zijn bekend. Berekend kan worden, datveel van

de stijgingen van het gemiddelde loonpeil, die daardoor

in sommige landen t.o.v. het index-land Frankrijk zullen

voorkomen, door een stijging van de produktiviteit zullen

worden opgevangen
19).

Belangrijker misschien is, dat inmiddels het loonpeil van

een bedrijfstak zoals de onze op internationaal niveau veel

meer tot elkaar is gekomen.

Ter illustratie van dit verschijnsel vergeleken wij
de

gemiddelde uurlonen voor Nederland met enkele andere

Wesfeuropese landen. Wij
zijn daarbij uitgegaan van het

bekende rapport van Ohlin, dat de sociale aspecten van de

Westeuropese integratie behandelt
20
). Volgens deze studie

zouden landen als West-Duitsland, België en Frankrijk’ op

een loonindex van meer dan 140 liggen t.o.v. Nederland

(100). Zo op het eerste gezicht een geducht obstakel voor

de samenwerking, al moge hier direct bij worden opgemerkt,

dat ook tussen België en Nederland nog steeds verschillen

in arbeidskosten bestaan zônder .dat dit belet heeft de

voorloper van de E.E.G. tot een succes te maken.

Komen wij nu van deze I.L.O.-publikatie uit Genève

van
1955
dichter bij huis en raadplegen wij een recente

vergelijking van lonen in de katoenindustrie
21)
dan blijkt,

dat de bruto-lonen en andere arbeidskosten per gewerkt

uur in het najaar 1957 als volgt waren te rangschikken:

In een studie over de Nederlandse katoen-, rayon- en
linnenindustrie in een geïntegreerd West-Europa, welke binnen-
kort zal worden gepubliceerd, is de stijging van de Néderlandse
produktie per hoofd van de bevolking, vereist om verhoging
van het kostenpeil bij sociale harmonisatie te voorkomen,
geraamd op
9,8
pCt.
Social Aspects of European Economic Co-operation. In-
ternational Labour Office, Genève
1956.
Vergelijkingen van lonen en andere arbeidskosten in de katoenindustrie van enkele Westeuropese landen. Secretariaat
der Fabrikantenverenigingen, Enschede
1958.

TABEL 2.

Gemiddelde uurlonen voor Nederland (100) in vergel(jking

met enkele andere Wesleuropese landen
(mcl.
sociale lasten

en betaald verzuim)
22)

Belgi8
………………….
110
verenigd Koninkrijk
……..
106
Frankrijk

………………
101
Nederland
………………
100
West-Duitsland
…………..
98
Italit

………………….
82

Cijfers die een heel wat kleinere spreiding te zien,’ geven

dus.

Het zou ons te ver voeren om binnen het kader van deze

voordracht ook nog aandacht te vragen voor een andere

harmonisatie, nl. de fiscale. Toch zal het noodzakelijk zijn

dit uitermate belangrijke complement van de sociale

harmonisatie t.z.t. in het gehele, ingewikkelde samenstel

van maatregelen te betrekken, wil men werkelijk een een-

wording bereiken
23).

Op al deze handelingen kunnen wij als industriëlen echter

weinig directe invloed uitoefenen. Wij worden met de

gevolgen van alle maatregelen geconfronteerd en zullen

deze bij het beramen van de plannen hoe het evenwicht te

herstellen in onze berekeningen moeten opnemen.
Zo werd de
»
stelling van het toenemend kledingverbruik

in West-Europa ontwikkeld zonder rekening te houden met

eventuele prijseffecten. Zojuist wezen wij reeds op een

stijging van het loonpeil door de overwerktoeslag en,de

gelijke beloning voor man’nen en vrouwen. Mocht zo’n

kostenverzwaring al kunnen worden opgevangen door een

grotere arbeidsproduktiviteit, daarnaast blijven andere

factoren bestaan, die wel degelijk tot een wijziging in het
prijspeil kunnen leiden
24).
Van land tot land zal de natio-

nale katoenindustrie de gevolgen hiervan te boven moeten

zien te komen.

.

Binnen de bedrijfstak zelf blijft er echter nog zoveel te

doen over, dat wij heus niet alleen op de gevolgen van inter-

nationale maatregelen behoeven te wachten. Velen onzer

zullen moeite genoeg hebben hun taak van aanpassing in

het vereiste tempo te.verrichten.

Allereerst blijft de noodzaak van verdere modernisering.

Wij releveerden reeds de bedragen, die hiermee gemoeid

zijn. Meestal noemt men dan in één adem hiermee de

wenselijkheid van een sterke specialisering in hoogwaardige

kwaliteiten; een vlucht naar
»
de top van de’ consumptie-

pyramide. Het is één van de leuzen, die men in gesprekken

over de Euromarktzo dikwijls hoort verkondigen.

Zij, die dit middel om uit de impasse te geraken aan-

prijzen, vergeten twee dingen. In de eerste plaats, dat de

vraag naar deze produkten beperkt is. Verder dat bedrijven,

die uit de massale seriefabricage zijn voortgekomen, zich

onmogelijk in meerdere, kleine eenheden kunnen oplossen,

Zie bijlage
19.
Via hogere indirecte belastingen wordt een
groter deel van het staatsinkomen in landen als Italië en Frank-
rijk betaald door de lagere inkomens. Zou dit in het loonpeil verdisconteerd worden, dan zou Nederland, netto berekend,
zelfs nog iets hoger in de tabel komen te liggen.
De concurrentiepositie van de landen met een hoog quo-
tum aan directe belastingen zal bijv. slechter zijn dan die van
landen met een lager quotum aan directe belastingen en een
hoog quotum ‘aan indirecte belastingen. Fiscale harmonisatie is wellicht nôg belangrijker dan sociale harmonisatie. Mr. Dr.
B. J. M. van Spaendonck in een tweetal voordrachten voor
de Ned. Mij. voor Nijverheid en Handel te Amsterdam en
Hengelo. Najaar
1958.
O.a. door de handhaving van het evenwicht in de betalings-
balans en de daarmee gepaard gaande wisselkoerscorrecties.

die dan elk een strenge specialisatie in hogère regionen

zouden moeten doorvoeren. Het gedrang in de top, waar

alleen hoogwaardige fabricagemethoden op hun plaats

zouden
zijn,
zou trouwens velen al gauw te machtig

worden
25)

Is het daarom niet veel verstandiger het Amerikaanse

voorbeeld voor ogen te roepen. In de Verenigde Staten

pleegt de katoenindustrie zich juist op de massafabricage

te werpen. Bepaalde nouveauté’s kunnen volgens Ameri-

kaanse begrippen beter worden ingevoerd uit landen, die,

gezien het relatief lagere loonpeil, de versnipperde produk-

tie van fancy-weefsels kunnen verzorgen,
t

Ongetwijfeld ligt in deze oplossing, die al dan niet door

concentratie van meerdere bedrijven kan worden nage-

streefd, een mogelijkheid. Specialisatie, gepaard met

standaardisatie en massale seriefabricage, werkt kostprijs-

verlagend. Het antwoord dus op de kostenverhogerde

invloeden van de E.E.G. die wij zojuist opsomden.

Bovendien, mocht men door zé te handelen wat eenzijdig

en dus kwetsbaar worden, dan zou specialisatie gepaard

aan risicospreiding binnen een concern of een straf georga-

niseerd syndicaat de oplossing kunnen betekenen.

Enerzijds overschatte men deze mogelijkheid nu weer

niet. De eenwording van West-Europa brengt zeker geen

vervlakking van het traditionele individualisme met zich.

Een voorbeeld in de Duits-Nederlandse sfeer moge dit

aantonen.

Zolang de huisvrouw in Gronau haar lakens ,,mit

allmahlich verstârkter Mitte” wenst, is het onmogelijk een

normaal geweven Nederlandse sheeting vanuit Eschede

enkele kilometers verder oostwaarts aan de man te brengen.
Blijven wij bij deze ,,bedgewoonten” nog even verwijlen,

dan is een ander voorbeeld van het gespleten karakter van

de textielmarkt illustratief,. ditmaal in het gebied van de

vrijhandelszone. Een fabrikant van wollen dekens zal bijv.

een zeer geringe afzet in Noorwegen hèbben. De fabri-

kanten van de bekende donzen dekbedden uit het hoge

Noorden zullen het op hun beurt weer moeilijk krijgen om
hun artikelen veel zuidelijker in de Euromarkt te slijten.

Deze verschillen in afzetgewoonten mogen wij echter

niet te zwaar tellen. Als contrast kunnen we de jeugd met
al haar impulsieve handelingen naar voren halen. De ver-

overing van Europa door de spijkerbroeken uit de Ver-

enigde Staten is een sprekend voorbeeld van een mode,

die dwars door alle conventies heen gaat,

Recente marktonderzoekingen door de Nederlandse

katoenindustrie kunnen veel meer van dergelijke voorbeel-

den verschaffen. Over het algemeen doet de laatste jaren

een ,,European way of life” met een eigen ,,class distinction”

zijn intrede. Wanneer de weefsels meer veranderlijk, meer

luxueus worden, zal van de daarmee gepaard gaande nieuwe

gebruiksgewoonten profijt worden getrokken.

Het is dus zaak waar mogelijk deze nieuwe mogelijkheden

te richten en te kanaliseren,zo, dat zij door de industriële

vormgeving kunnen worden opgevangen. Vergissen wij

ons niet, dan is de investering in de marketing straks min-

stens zo belangrijk als de bouw van nieuwe fabrieksruimten

en de installatie van moderne machines. In destrijd om de

consumentengulden of frank, lire of mark zullen steeds

weer nieuwe wegen moeten worden ingeslagen.

25)
Een aanbeveling als door ons bestreden, wordt helaas
aangetroffen in de textielparagraaf van de Zesde Industrialisatie
nota. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Vreemd,
dat een dergelijk naïeve wegwijzing in deze op hoog peil staande
nota is binnengeslipt.

Market-research zal hierbij de richting aangeven, direct

gevolgd door technische research ter ,,vertaling” van

hetgeen aan afzet wordt voorspeld en aangevuld door

,,promotion” om de verkoopsinspanning te ondersteunen
26).

Natuurlijk wordt dit spel door menige onderneming

reeds individueel bedreven. Onze eigen experts maken ons

vertrouwd met het ,,glamourizen” van onze artikelen, die

slechts met ,,sales-appeal” onder het publiek kunnen komen.

Daarnaast laten de landelijke en internationale organisaties
zich niet onbetuigd. In vele landen van West-Europa wordt

bijv. nuttig werk verricht door de zgn. katoeninstituten.

Onder leiding van de Cotton Council International werken

zij samen in het International Liaison Committee for

Promotional Activities
27),
hetgeen de internationale uit-

wisseling van gegevens waarborgt. De eigenlijke promotor

van deze activiteiten, de National Cotton Council of Amen-

ca, broedt op een Unified Ali-Fibre Textile Promotion.

Op regeringsniveau ontwikkelt de International Cotton

Advisory Committee in Washington de laatste tijd de

nodige activiteit. Zij propageert tezamen met de F.A.O. en

de O.E.E.C. een studie van ,,the prospective consumption

of textile fibres”.

Onder auspiciën van de O.E.E.C. is verder een nauw

contact gelegd tüssen de industrie, de confectie en de

handel. Nieuwe ontwikkelingen en nieuwe deelnemers

in de markt worden daarbij besproken, en een grotere

samenwerking tussen de industrie, de mode-ontwerpers

en de pers gepropageerd.

Kortom, er is bepaald geen gebrek aan activiteit om uit

de impasse te geraken. Om de surpluscapaciteit, voor zover

deze voorlopig aanwezig is, zodanig om te vormen, dat zij

passend zal zijn voor de te verwachten grotere en kwalitatief

veeleisender vraag. Allen in de industrie werkzaam worden

door opleiding en scholing hierop voorbereid. Hoe zwaar

de taak soms ook lijkt, zij kân vervuld worden, mits, vooral

in deze moeilijke overgangsperiode, aan bepaalde voor-

waarden wordt voldaan, m.a.w. mits de men de industrie

met rust laat.

VI.
Dreigende verstoringen.

In de inleidende passages schetsten wij de ontwikkeling
van de internationale handel in weefsels uit katoen, rayon

en de overige synthetische vezels. Wij wezen daarbij op de

onstuimige opkomst van Japan, India en enkele andere

Aziatische producenten. Voor de Westerse katoenindustrie

is deze dreiging groot.

De laatste jaren is echter een geheel nieuwe en naar het

zich laat aanzien nog gevaarlijker mededinger in het strijd-

perk getreden, nL Communistisch China. Voortbouwende

op hetgeen Japan tijdens de bezetting van China heeft

verricht, zien wij de textielindustrie – der traditie getrouw

– in de voorhoede van de industriële opmars van dat

geweldige land.

Hetzij rechtstreeks, hetzij via Hongkong – het grote lek

in de O.E.E.C. -, vloeit de stroom van politiek geprjsde

katoentjes over Azië. In
1958
werd zodoende naar raming

450
mln. yards geëxporteerd
28).
In de laatste tijd is Chinees

ruwdoek zelfs geen onbekend verschijnsel meer in West-

28)
Het stramien, waarop de Market Research Section van de
National Cotton Council of America steeds pleegt voort te
borduren.

Een Comité van de International Federation of Cotton
and Allied Textile Industnies.

Communist China’s Cotton Textile Exports, Foreign
Agricultural Service, U.S. Department of Agriculture, 1959.

Europa. En waar eenmaal ruwdoek penetreer.t, zullen

gefinishde goederen volgen! Men zie de evolutie van de

Japanse export. En er is geen enkele reden waarom het

intelligente en ijverige Chinese volk deze weg niet relatief

snel zal afleggen.

Enkele jaren geleden werd het gevaar van de Aziatische

verstoringen, hetwelk reeds lang door de insiders in de

katoenindustrie was

gesignaleerd, ook van overheidswege

onderkend. In het bekende O.E.E.C.-rapport
29)
wordt

immers verklaard, dat de invoeren yan katoenen en rayon

weefsels uit Aziatische landen ,,shbuld remain within limits

which would not endanger the efforts of re-organization

of the European industry”. Dit was nog voordat de Chinese

vloedgolf losbrak. Duidelijker kan haast niet worden

gewaarschuwd. –

De motieven om tot het binnen de perken houden der

Aziatische importen over te gaan zijn niet moeilijk te geven.

Allereerst is er de Europese betalingsbalans. Het maakt een

enorm verschil uit of men alleen de ruwe katoen ten laste

hiervan krijgt of ook nog de complete toegevoegde waarde.

Verder is het noodzakelijk de werkgelegenheid in de grote

bedrijfstak der textielindustrie op peil te houden.

Er is geen sprake van een roep om prôtectie, die slechts tot

verstarring leidt. Men kan echter van een industrie niet

verwachten, dat zij kapitaal ter investering aantrekt en

jeugdige werkkrachten voor vakmanschap opleidt, tech-

nische reorganisaties doorvoert en marketing-programma’s

ontwikkelt, indien zij tegelijkertijd niet verzekerd is van een

zekere mate van stabiliteit. Indien zij zich niet gevrijwaard

weet voor de rampzalige gevolgen van de ondermijnende

Aziatische import.

Wordt hier niet teveel gegeneraliseerd, zal een leek mis-

schien kunnen opmerken. Is het niet mogelijk alleen bepaal-

de eenvoudige doeksoorten, die nu reeds hun weg naar

Europa vinden, af te grendelen, waarbij de Europese in-

dustrie zich op het minder kwetsbare terrein der gecompli-

ceerde weefsels kan terugtrekken?

• Nu is elke discriminatie binnen een bedrijfstak al moei-

lijk te rechtvaardigen. Veel erger is het, dat men door zo te

handelen de collectieve verticale positie van de gehele be-
drijfskolom aantast
30).
Men zal niet ongestraft een groot

deel van de spincapaciteit en de massale weefproduktie

kunnen abandonneren zonder de gehele industrie in het

hart te treffen.

in de Verenigde Staten heeft men deze logische redene-,

ring gevolgd toen -de importen van Japanse textiel van

1952 tot 1956 zulk een omvang aannamen, dat de -basis

van de Amerikaanse industrie werd bedreigd. In 1957 werd

in overleg met de Japanse katoenindustrie een jaarlijkse

limiet gesteld van
235
mln. sq. yards katoenen textielen,

welke uit Japan konden worden geïmporteerd
31).

Is het niet denkbaar, kan- een volhouder opmerken, dan

maar de gehele katoenindustrie op het altaar der inter

nationale ‘samenwerking te offeren? Hef antwoord kan

schuilen in de wedervraag: ,,Is het denkbaar, dat de West-

europese gemeenschap voor haar kleding afhankelijk wordt

20)
The future of the European cotton industry.
Verticale efficiency en7 verticale kostprijs. Prof. Dr. J.
Wisselink. ,,E.-S.B.” vanjø juni 1959.
Ca. 2 pCt. van de Amerikaanse produktie van katoenen
stukgoederen. Potentialities of the cotton and allied textile
industries of Japan, Kojiro Abe, Manchester 1958. Toch heeft
zelfs deze 2 pCt., omdat ze zich op enkele artikelen concentreerde
(o.a. de corduroy), weverijen in de Verenigde Staten in grote
moeilijkheden gebracht.

van produktiecentra, die aan de andere
zijde
van de aard

bol liggen?”

Bovendien, door zo te handelen zou men eerst met recht

discrimineren. De katoenindustrie was in de eerste indus-
triële revolutie in het voorste gelid. Zij is dit nôg, waar op

het ogenblik een industriële revolutie in de zich ontwik-

kelende gebieden plaatsvindt.

Ook in de oude Westerse industrielanden vecht zij weer

in dÉ eerste gelederen, ditmaal tegen het opdringende Oos-

ten. Maar vlak achter haar staan al die andere bedrijfs-

takken, die zeker even kwetsbaar zijn. Waarom dus slechts

één industrie te offeren en dan later zodra anderen volgen

aan de Aziatische penetratie een halt toe te roepen.

Ten slotte zou iets dergelijks in het geheel niet beant-

woorden aan de opvattingen van Japan zè!f. Nog in Bux-
ton (1952) toonde de delegatie uit Osaka een groot begrip
voor de situatie op de internationale textielmarkt. Zij trad

deze tegemoet onder de slogan: “to live and let live!”.

Gold de strekking van dit gezegde toen voor haar zelf, nu

is zij meer van toepassing op West-Europa en de Verenigde

Staten.

Deze beschouwing zou overigens niet compleet zijn, in-

dien, na het signaleren der verstoringen en het attenderen

op de wenselijkheid tot het nemen van afweermaatregelen,
niet tevens een oplossing voor dit probleem werd gegeven.
Wij zullen trachten deze tot slot te formuleren

VII. Richtlijnen
voor. de toekomst.

De taak om een uitweg te vinden wordt ten zeerste ver-

gemakkelijkt doordat de organisaties van de nationale ka-

toenindustrieën in het E.E.G.-gebied zich reeds met deze

materie hebben bezig gehouden. De richtlijnen, die zij in

volkomen harmonie aan de betrokken regeringen hebben

voorgesteld, zijn de volgende.

De ontwikkeling van de zojuist door ons geschetste ab-

normale concurrentie dwingt op korte termijn tot het aan-

vaarden van een gemeenschappelijke handelspolitiek ten-

einde in de katoensector de verhoudingen tot de derde-

landen te regelen. Onder deze landen worden gerangschikt

de landen met lage lonen of staatshandel en de landen die

met meerdere wisselkoersen werken.

Alleen door zo op te treden is het mogelijk dewerkge-

legenheid in de katoenindustrie veilig te stellen, de doel-

einden van de E.E.G. te verwezenlijken en de door de

O.E.E.C. gepropageerde liberalisatie van het intra-Euro-

pese handelsverkeer in stand te houden.

– Aanknopend aan artikel 110 en volgende van het ver

drag van de Gemeenschappelijke Markt, wordt de toe-

passing van de gemeenschappelijke handelspolitiek als volgt

gedacht: –

De importen van artikelen van katoen, rayon en synthe-

tische vezels worden gecontingenteerd voor zover dezé di-

rect dan wel indirect uit de genoemde landen afkomstig

zijn. Als-plafond van de contingentering wordt gedacht aan

een percentage van maximaal 1 â 2 van de nationale pro-
duktie van textielen uit katoen, rayon en synthetische ve-

zels in de importerende landen
32).

Tevens zouden bepaalde maatregelen moeten worden

genomen, die de beëindiging van de restitutieregeling voor

het handelsverkeer tussen de E.E.G.-landen onderling ten

doel moeten hebben! Dit alles geldt slechts voor het binnen-

landse afzetgebied van de E.E.G. Invoeren voor re-export

Bij 1 iCt. zou dit neerkomen op 6.100 ton katoenen weef-sels en 1.400 ton weefsel uit rayon en synthetische vezels.

1
1
,

blijven vrij binnen het kader der Westeuropese regelingen

voor het veredelingsverkeer.

Het zou ons te ver voeren de vele details van de voor-

stellen tot beteugeling der invoeren, als buy. de afweer-

maatregelen contra indirecte importen hetzij bnder vrijdom

van invoerrecht hetzij zgn. afkomstig uit derde normale
landen – dus aldaar veredeld – op te sommen
33
).-Met het

geven van de korte samenvatting van deze weldoordachte

en juridisch uitvoerbar6 richtlijnen menen wij te ki.fnnen

volstaan.

In wezen komt deze oplossing neer op een handhaven

van de status quo. Een status quo, welke—naar wij zullen

zien – geenszins statisch is. Het historisch gegroeide

handeisverkeer tussen Japan en sommige Westeuropese

landen als West-Duitsland, België en Nederland blijft be-

staan. Hierdoor wordt Japans ruwdoek op het Continent

veredeld en buiten het gebied waarvoor de handelspolitiek
zou gelden gereëxporteerd. Dit is een normale werkverde-

ling tussen Japan, met een grote spin-weefcapaciteit, en de

Europese veredelingsindustrie
34).
Doordat dit weder ge-

exporteerde doek geen factdr wordt in de Europese voor-

ziening, tast het ook de economische veiligheid hiervan

niet aan.

Er is echter meer. Door het quoteringsplafond voor alle

aangesloten landen vast te stellen, zullen de invoermoge-

lijkheden in totaal stijgen. Een analyse van de wijze, waar-

op op het ogenblik elk lid van de E.E.G. zijn binnenlandse

behoefte dêkt, tôont ni. aan, dat Frankrijk en Italië prak-

tisch autarkisch zijn. West-Duitsland, maar vooral de Bene-

lux hangèn voor de bevrediging van de behoefte nu reeds

voor resp.
5
pCt. en ca. 21 â 22 pCt. af
van buitenlandse

aanvoeren (zie bijlage 20).

• Het is nog te vroeg om hier in cijfers uit te drukken hoe

groot de additionele invoerkansen precies zullen uitvallen.

Vast staat dat van een ,,buiten de deur houden” van Japan

en overig Azië zeker niet gesproken zal kunnen worden.

Integendeel!

In het voorstel is steeds sprake van een contingentering
der invoeren uit abnormale landen. Indien wij het Japanse

motto van ,,leven en laten leven” tot het onze maken, zul-

len de katoenindustrieën uit het Westen er zeer zeker toe

medewerken de Vrije Aziatische landen hierbij de meeste

kans te geen. Het Westen is er zich van bewust, dat deze

landen waardevolle partners zijn in de hevige strijd van de

landen zonder gordijn tegen de bamboe en ijzeren gordijn-

landen.

Uit die onvrje wereld worden de textielen tegen zuiver
politieke prijzen geëxporteerd. Economische offensieven

tot het bereiken van bepaalde doeleinden, waar nöch Japan

• en India, nèch Europa nèch Amerika bij gebaat zijn. Ligt

het dan niet voor de hand, dat met deze quotering in het

bijzonder die importen worden getroffen?

Maar wordt dan tdch aan Japan, aan India en aan al die

andere landen met lage Aziatische lonen niet veel plaats

onder de zon misgund? Zij, die de ontwikkeling van de

exporten van katoenen en rayon textielen door de belang

rijkste uitvoerlanden van het Westen en Oosten
van nabij

plegen te volgen, weten wel beter.

Met nadruk zij hier nog vermeld, dat als additionele voor-
waarde wordt genoemd dat de importen niet mogen plaatsvinden
tegen abnormaal lage prijzen.
In 1955/56 voerde Europa gem. 132 mln. yds. katoenen
manufacturen uit Japan in. In 1957 en 1958 was dit kwantum,
dat grotendeels voor veredeling besteind was, resp. 226 en 160
mln. sq. yds.

10

Tijdens de. eerste Buxton-conferentie
35)
werd door de

gehele internationale exporterende katoenindustrie erkend,

dat de bestaande wereldcapaciteit vôorlopig voldoende

was om alle behoeften te dekken. Ook Japan en India stem-

den zonder voorbehoud véôr een betreffende resolutie.

Sedertdien voerden Japan en India hun spincapaciteit. met

17 pCt. op; het Westen zag zijn aantal spillen met 15 pCt.

dalen.

De twee Aziatische grootmachten vergrootten hun ex-

portenna Buxton met 58 pCt., West-Europa en de Ver-

enigde Staten voerden relatief 18 pCt. minder uit (zie bij-

lage 21). Er moeten echter juist in dit stadium grenzen

worden gesteld.

Met het aanvaarden van de uitgestippelde richtlijnen zou
het probleem, dat wij in deze Inleiding hebben ontwikkeld,

tot oplossing kunnen worden gebracht. Een regeling, die

overigens niet beperkt behoeft te blijven tot de enge groep

der E.E.G.-landen. Het is ons bekend, dat ook onze colle-

ga’s in Oostenrijk en Zwitserland geheel achter dit complex

van maatregelen staan. Het ware te wensen, dat deze ,poli-

tiek in de O.E.E.C., dus’in ruimer verband, wordt toegepast.
De katoenindustrie van de E.E.G. heeft met dit zeer con-.

crete plan een weg gewezen, die tot de oplossing van een

groot probleem kan leiden. Een vraagstuk, dat immers

,veel groter is dan dat van de katoenindustrie alleen. Vlak ach-

ter de AziatiSche springvloed van weefsels rollen reeds ette-

lijke volgenden aan, o.a. ceramiek, optiek, enz.

Het is de opgave van het Westen een oplossing te vinden

hoe het naast het zich emanciperende Oosten kan voort-

le*n
36),
tegelijkertijd de energiek naar boven strevende

nieuwe landen de behulpzame hand biedend

Het internationale economische bestel is voortdurend in

beweging. Een wereldomvattende overeenkomst als het

G.A.T.T. heeft de problematiek, waarvoor wij ons gesteld zien

onvoldoende gepeild. Het is tekort geschoten in dynamisch

economisch inzicht.. Het vredesverdrag van Versailles deed

dit ook. Het Agreement is op dit punt dan ook volkomen

verouderd
37)
en het geeft geen pas, dat men zich door ge-

brek aan fantasie alleen kan vastklarpen aan de mogelijk-

heid van toepassing van een tijdelijke escape-clause
38).

Nèg staat de Europese Economische Gemeenschap in

de kinderschoenen. In een bedrijfstak als de onze zijn ver-

schillende geesten dank zij een jarenlange voorbereiding

Een conferentie van de vijf grote textielexporteurs, India,
Japan, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en West-
Europa, welke in 1952 door dé Cotton Board in Engeland werd
geoüganiseerd.
Hoe zwaar deze opgave weegt moge blijken uit de no
steeds bestaande loonverschillen tussen de meest geavanceerde
Aziatische textielproducent Japan en West-Europa. Rekening
houdende met de arbeidsproduktiviteit en de verplichte en vrij-
willige sociale lasten, bevinden zich de Japanse ârbeidskosten
volgens zeer recente onderzoekingen op een niveau, dat varieert
van 41 pCt. tot 50pCt. van het Westerse! Japan, Wirtschaft und Wettbewerb, Dr. H. Kuhmann en Dr. L. Köllner, Münster
1955.
Tëxtilwettbewerb mit Japan; Bericht über die Japanreise einer
Studiengruppe der deutschen Baumwollindustrie, Frankfurt
1958. Ondanks deze grote verschillen hebben wij in ons betoog
nergens het argument van de sociale dumping gebezigd. O.i. is
hier van een doelbewuste dumping geen sprake. Men moet nu
eenmaal accepteren, dat men gindS een levenspeil en een levens-
stijl heeft, die fundamenteel met die van ons verschillen.
Het zalrn echter niet eenvoudig zijn het GA.T.T. op dit
punt te wijzigen, daar men daarvoor over een grote meerderheid
(2/3de) der stemmen moet beschikken.
Men zie naar art. 35 van hët G.A.T.T., waar 2 landen
van de E.E.G. (West-Duitsland en Ita1i) geen, de overige 4
landen wl een beroep op kunnen doen.

rijp om al ver voöruit te denken. Het is in deze spirit, dat

Daarmee zijn niet alleen de direct betrokken werknemers,

de voorstellen, worden gedaan om onze mooie industrie de

leiders en kapitaalverschaffers gediend. Het is ook niet al-

kans te geven het evenwicht te herstellen.

leen de Europese betalingsbalans. Naast de materiële is er

Als de dreigende verstoringen
tijdig
worden voorkomen,

de geestelijke stimulans. De katoenindustrie geeft dan na-

zal de katoenindustrie het moeilijke consolidatieproces kun-

melijk tevens een voorbeeld aan de gehele .Westerse samen-

nen voltooien. Zelfs is het zeer goed denkbaar, dat de voor-

leving, hoe een verjongde industrie zich door werkkracht,

uitzichten der nieuwe. marktvormen na de aanpassingen

durf en fantasie aan geheel nieuwe omstandigheden weet

in de overgangsperiode een kans op nieuwe expansie bieden.

aan te passen.

Almelo, 5 mei 1959.

W. T. KROESE.

.

DOCUMENTATIE-MATERIAAL

/

De hiernavolgende tabellen zijn ten dele de – tot op

heden bijgewerkte – uittreksels van s6ortgeljke becijfe-

ringen, gepubliceerd in het Nederlands (De Westeuropese

katoenindustrie in de kentering der tijden; Economisch-

Statistische Berichten, Rotterdam, 1957) en in het Engels

(The Cotton Industry of Western Europe in a changing

world; International Federation of Cotton and Allied Tex-

tile Industries, Manchester 1958).

Bijlage 1. Produktiecapaciteit van de katoenindustrie in

de vrije wereld (spillen).

Produktie van katoenen, rayon en gemengde

weefsels in de vrije wereld.

Export van katoeien, rayon en gemengde’weef-

sels in de vrije wereld.

Raming van de produktie’en de internationale

handel in katoenen en rayon weefsels in de vrije

wereld.’

Produktie van katoen, wol, rayon en alle overige

synthetische vezels.

Produktiecapaciteit van de Westeuropese ka-

toenspinnerijen.

Produktiecapaciteit van de Westeuropese ka-

toenweverjen.

Produktie van katoenen, rayon en gemengde

weefsels ,in West-Europa.

Export van katoenen, rayon en gemengde weef-

sels in West-Europa.

Bijlage 10. Enkele gegevens over de produktiecapaciteit en

de arbeidsbezetting van de katoenindustrie in de

Europese Economische Gemeenschap.

Spin- en weefcapaciteiten per 1.000 inwoners in

vergelijking tot het ‘katoenverbruik per hoofd.

in Europa en de Verenigde Staten.

Verbruik van katonen, rayon en gemengde

weefsels per hoofd der bevolking.
Tien jaar textielhandel tussen België en. Neder-

land.

,

Bevolkingstoeneming in West-Europa en de Ver-

enigde Staten.

Verbruikselasticiteit t.o.v. het inkomen van en-

kele textielprodukten.

Verwachte stijging van het kledingverbruik naar

waarde in West-Europa als gevolg van inko-

mensstijging en bevolkingstoeneming.

Import en export van katoenen weefsels in West-
1

Europa.

, .

Export van katoenen, rayon en gemengde weef-
sels uit West-Europa naar verschillende landen-

groepen.

Gemiddelde uurlonen in enkele Westeuropese

landen.

De behoeftevoorziening van de binnenlandse

markten van het E.E.G.-gebied door de natio-

nale katoenindustrieën.

Export van katoenen, rayon en gemengde weef-

sels door de Verenigde Staten/West-Europa en

– .

India/Japan.

11

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.

Produktiecapaciteit van de katoenindustrie in de

vrjje wereld

(x
1.000 katoenspillen)

Jaat

1
West-
1

Ver.
India
IJ)
apan a
Overige1

Totaal
Europa
Staten
t
landen

1913114

………
1
91.898 31.520
6.397
3.388
1

3.390
136.593
1939

…………
1
72.870
25.911
1

10.054
I’ll.502
1

6.144
1126.48!
1957

…………..
49.369 21.196
12.376
12.112
13.833
108.187

a) De ,,All Japan Cotton Spinners Association” was zo vriendelijk ons de
volgende gegevens te verstrekken betr. de zgn. rayonvezel-spillen alsmede
betr. de spillen waarop synthetische vezels versponnen plegen te worden (in
duizendtallen per 31juli van elk jaar):

1957

1958

Rayonvezel-spillen ……2.922

2.762
Synthetische-vezel spillen

172

676

Bron:
International Federation of Cotton and Allied Textil Industries.

BIJLAGE 2.

.
Produktie van katoenen, rayon en gemengde
weefsels
in de vrije wereld

(in mln. yards, mln. sq.yards, 1.000 quintals)

West-Europa
Ver. Staten
India

1

Japan
Overige landen
Totaal-

Jaar
Rayon Rayon

Rayon Rayon
Rayon Rayon
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
g emengd
,
g emengd me
gengd
gemengd
gemengd gemengd

14.530
6.800
1.214
1.050 1.200
24.800
1912/13
.

………..

..
12.367
8.056 2.419
2.648
1.500
27.000
10.205
1.835
8.530
1.002
3.975
50
3.873
1.297
2.500
190
29.100
4.374
1929

…………….
1936/38

………..
10.190
3.340
10.500
2.542
5.317

.
300
3.838
2.426
5.700
1.150
35.500
9.758
1957

……………
1958 a)
9.565
3.120
9.900
2.500
4.900
280 3.150
2.050
5.400
-1.100
32.915
9.050
a) Raming.

Bron:
Cotton Board.

BIJLAGE 3.

Export van katoenen, rayon en gemengde
weefsels
in de Vrije wereld

(in mln. yards, mln. sq.yards, 1.000 quintals)

West-Europa

Ver. Staten
India Japan
Overige landen

Totaal

Jaar
Rayon
Rayon Rayon
Rayon
Rayon
Katoen Ray
+
on
1,

Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
+
Katoen
. +

gemengd
gemengd gemengd
gemengd
gemengd
gemengd

1912/13
8.999
445
89
280
30
9.843 5.174
564
146
1.791
25
7.700
3.014
298
252
19
203
2.511 502
30
4
6.010
823
1929

……………
1937

…………….
1.948
949
559 208 880
2
1.468 1.370
300
45
5.155
2.574
1957

……………
1958 a)
1.760 830 510
165
620
10
1.210 1.250
300
40
4.400
2.295

a) Raming.

Bron:
Cotton Board.

BIJLAGE 4.
BIJLAGE 5.

Raming van de produktie en de internationale handel

Produktie van katoen, wol, rayon en alle overige

in katoenen en rayon weefsels
.

synthetische vezels

(in mln. yards, mln. sq. yarda, 1.000 quinlals)
(a. in mln. lbs.; b. in pCt. van totale wereldproduktie)

1912/13
1929
1936/38
1957
1958 a)

Jaarlijkse produktie in de Vrije
wereld

Katoenen weefsels
24.800 27.000
29.100
35.545
32.915
Rayon weefsels
50
700
4.400
9.758
9.050

Jaarlijkse wereldhandel

9.800 7.700
6.000
5.155
4.400


750
2.574
2.295
Katoenen weefsels

………
Rayon weefsels

…………..

Wereldliandel

in

pCt.

van
wereldproduktie ……….
39 pCt.
28 pCt.
20 pCt.
17 pCt.
16 pCt.

a) Raming.
Bron:
Cotton Board.

12


Jaar
Katoen
Wol
Rayon en
alle overige
synth. vezels
I

Totaal

1913/14

…….a.
11.462 1.725
23
13.210
b. 86,8 13,0
0,2
1938/39

…….a.
13.130.
2.405
2.084
17.619
b.
74,5
13,7
11,8
1956/57

…….a.
18.266
2.895

6.196 27.357 b.
66,8
10,6
22,6

Bron:
Textile Organon.

BIJLAGE 8.

Produktie van katoenen, rayon en gemengde weefsels
in West-Europa

(in mln. yarda, mln. sq. yards, 1.000 quintals)

1937 1957

1

1958a)

Land

o
0
,s
Ou
>E
,
o
0
Ou
0
0
0
E

België en Ltixemburg
350515
40
846
94
660
80
1.510

1.635
250
1.908
614 1.990
620
2.130

2.030
480
1.632
681
1.530
600
1.020

894 450
1.166
523
1.110
500

Frankrijk

…………….

415

570
401
660
73
627
70

West-Duitaland

………..
Italië

………………..
Nederland
…………….

Totaal E.E.0.

……….
5.425

5.644

1.2601 6.2121
1.9851
5.9171
1.870

8.OÖO

3.320
482
1.628
660
1.425
590
Totaal conc. landen
8.315

3.860

..

534
2.423
940 2.185
830
Ver. Koninkrijk
………..

Totaal excen. landen
790

70!
4!
1.555
415
1.550
420

Totaalgeneraal

……..
..14.530f10.205f

1.835110.1901
33401 9.6521

3.120

a) Raming.

Bron:
Cotton Board.

BIJLAGE 6.

Prodiikiiecapaciteii van de Westeuropese

katoenspinnerjjen

(x 1.000 spuien)

Land T

a)l
1914
1939
1957

M
510 259
1
R
1.008
1.725
1.600

M
4.014
2.303 296

België

………………………..

R
3.386
7.491
5.961
Frankrijk

…………………….

M
5.450
3.287
4
R
5.955
8.938
5.851

Italië

………………………..
M
1205
550
8
R
3.395
4.774
5.566

M
194
253
ii
R
305
988
1.048

Totaal

E.E.0.

………………..
M
11.373
6.652
320
R
14.049
23.916
20.026
T
25.422
30 .568
20 .346

.45.149
25.847
12.177

Weat-Duitaland

…………………

Nederland

……………………..

M
R
10.822 10.475 10.310
Ver.

Koninkrijk

……………….

Totaal concentrische landen
M
48.954 26.425
12.201
R

.

14.041
12.595
12.745

M
1.196
455
138
R
1.901
2.728 4.625
Totaal excentriache landen

………..

M
61.523 33.532
12.659
R
29.991 39.239
37.396
Totaal generaal

…………………

T
91.514
72.771
50.055

a) M = selfactor spillen.
R = ringspillen.
T = totaal.

Bron:
International Fede,’alion.

BIJLAGE 7.

Produktiecapaciteit van de Westeuropese

katoen we ver ijen

(x

1.000 looms)

Land
Typea)
1930
1958

België
………………………..
0
.

54,4
23,3
A

10,3
0
182,6
60,6
A
17,5
68,1
181,5
65,1
A
24,6
58,2
0
119,7
35,4
A
26,8 79,6
0
52,3
20,2
A
2,5
13,4

Frankrijk

……………………..

Totaal

E.E.G
…………………..
0
590,5
.

204,6

Weat-Duitsland

………………….

..

0

A
71,4
229,6
T
661,9
434,2

Nederland

……………………..

678,8 221,3

Italië

………………………….

A
14,1
44,9
Totaal concentrische landen
0
727,2

.
235,9

Ver.

Koninkrijk

………………..

..

0

A
29,5
73,0
0
108,7
96,5
A
0,9
39,3
0
1.426,4 537,0

Totaal excentrische

landen

………..

A
101,8
341,9
Totaal

generaal

………………..

T
1.528,2
878,9

a)
0
=
niet geautomatiseerde getouwen.
=
automaten getouwen.
T
=
totaal aantal getouwen.

Bron:
International Federation.

BIJLAGE 9.

Export van katoenen, rayon
en gemengde weefsels’

in West-Europa

(in mln. yarda, mln. sq

yarda,

1.000 quintals)

132
1937

1957

1958a)

Land
,

o
o
Ou
o
0.

‘E


o
>’E

0
>’

België

…………….
l6Q

142
10

224
81

185
70
443

374
40

318
141

280
145
390

193
50

218 225

200
195
490

365
96

106 120

110
90

Frankrijk

…………….

340

186

..

5

250
86

265 90

West-Duitsland

…………
Italië

………………..
Nederland
…………….

Totaal E.E.G.

……….
1.823f

1.2601
2011

1.116
653

1.040
590

Ver. Koninkrijk

…….
7.0751.648
77

570
160

485
120
Totaal conc. landen
7.120

1.719

..

97

668
266

583
223
Totaal excen. landen

. .
56

35

164
31

139
15

Totaal

generaal

……….
8.999f

3.014f
2981′ 1.9481
9501

1.7621
828

a) Raming.

Bro’n:
Cotton Board.

1

1

13

BIJLAGE 10.

Enkele gegevens over de produktiecapaciteit en de

arbeidsbezetting van de katoenindustrie in de Europese
Economische Genieenschaj

(januari 1958)

L

Aantal spinnerijen en de gemiddelde capaciteit (3- ets 4-cil. spinnerijen)

Land
Aantal onder-
Gem. aantal spuien
nemingen
per onderneming

Bel’gië

…………………
48

33.000
Frankrijk

………………
217

29.100

Nederland

21

49.800
Italië

………………….
156

34.900

West-Duitsland

150

40.000
592

34.400

II.

Aantal wererijen en gemiddelde capaciteit

(single svevers en spinwevers tezamen)

Land
Aantal onder-
Gem. aantal weefget.
nemingen
per onderneming

België

a)

………………..297

81
Frankrijk

……………….587

218
Italië

…………………..723

159
Nederland

78

416
West-Duitsland

544

227

a) Alleen de capaciteit van de ondernemingen die lid zijn vah de

Astociation
Nationale des Tisseurs de Cotors” zijn in aanmerking genomen.

IE!.

Arbeidsbezetting in spinnerijen en weverijen

Land

Spinnerijen
Weverijen

België

………………….17.784

14.793
Frankrijk

……………….54.550

64.282
Italië

………………….67.131

77.255
Nederland

……………..10.315

19.162
•West-Duitsland

74.914

112.050

Bron:
International Federation of Cotton and Allied Textile Industries.

BIJLAGE 12.

Verbruik van katoenen, rayon en gemengde weefsels

per
hoofd der bevolking

(in kg per jaar)

Land

1938

1957

5,5
8,6
5,2
8,6 6,5
9,5
3,5
5,3

België

………………………….

6,2
9,2

Frankrijk

………………………
West-Duitsland

………………….

8,7
10,2

Italië

…………………………
Nederland

……………………..

Totaal gemiddelde West-Europa

. . .
5,3
7,5
Ver.

Koninkrijk

………………..

1,8
2,3
India

…………………………..
Japan

…. .

…………………..
9,0
..
7,3
Verenigde

Staten

……………….
10,8


14,4

Bron:
F.A.O

BIJLAGE 13.

Tien jaar textielhandel tussen België

en Nederland, 1949-1958

(1949= 100)

1949
1950
1951
1952
1953
1954 1955
1956
1957
1958

Grondstoffen

en

af-
100

126
119
172
188 189
215
217
275
237
100

159 147
131
182
196 159 168
169 154

vallen

……………

Garena

………….
Eindprodukten
100

311
228
209 277 326
322 364
389
373

100 156
138
170
198
208
220 228
251
229

a) Januarifnovember omgerekend op jaarbasis.
Bron:
Ned. stal, gegevens.

L

k

1′

/
/

BIJLAGE 11.

Spin- en weefcapaciteiten per 1.000 inwoners in vergelij-

king tot het katoenverbruik per hoofd in Europa en

de Verenigde Staten

(capaciteit: 1956; verbruik: 1957)

Spitten
Getouwen
Katoenverbruik
Land
per 1.000
per 1.000
in kg
inwoners
inwoners
per inwoner

België
185
3.8 5.8
Frankrijk
125
2,4
6,1
2,6
3,4
Nederland
100
3,8
7,0
Italië

……………120

West-Duitsland
120
2,6
5,8
Ver. Koninkrijk
470
6,2
6,4
Verenigde Staten
128
2,7
10,2

Bron:
Verbruik: F.A.O.
Capaciteit: International Federation.

BIJLAGE 14.

Bevolkingsfoeneming in,.West-Europa en de

Verenigde Staten

Prognose 1958- 1970

1958
1970
(x. 1 mln.)

Euromarkt-landen ………………166

177
Concentritehe landen ……………79

83
Excentrische landen ……………..80

91
.

Verenigde Staten ……………….74

208

Bron:
Ned. Stichting voor de Statistiek.

BIJLAGE 15.

Verbruikselasticiteit t.o.v. het inkomen van

enkele textielprodukten

‘-(in pCt. stijging van het vezelverbruik naar hoeyeelheid)

O.E.E.C.-landen:
Alle vezels (wol, katoen, rayon) …….
5,0
Katoen

………………………..3,8
Synthetische vezels

……………….13,0

Zich economisch ontwikkelende landen:
Alle vezels (wol, katoen, rayon) …….8,1
Katoen………………………..
5,8
Rayon………………………..13,6

/ Bron:
Vezelverbruik: F.A.O., Rome. Inkomen: ,,Statistische en econometrische onderzoekingen” (3e kw.
1956), CBS., Prof. Dr. J. B. D. Derksen.

14

/

BJJLAGE 16.

Verwachte sljjging van het kledingverbruik naar waarde

in West-Europa als gevolg van inkomensstjging en

bevolkingstoeneming

BIJLAGE 17.

Import en export van katoenen weefsels

;

in West-Europa

1

(x 1.000 ton) /

T k
per hoofd
.
ceneai het

Stijgingsper-
cea

van het
Zes landen
.

Jaar
Engeland
OE.-

constante
inkomen
oof

t.O.v.
hoofd t.o.v.
prijzen
vorig jaar
vorig jaar



1938
1957
1938
1957
1938
1957
1955
100
1,30

1960
113
120
13
156
Import:
1965
128
108
13
14’O

Van O.E.E.C.-landen
………
5,5
28,7
3,2
9,0
29,5
26,1
1970
145
0:95
13
12:4
Van overige landen
0,7
16,9 3,3
47,9
10,2
14,2

Stijging van het kledingverbruik per hoofd van
1955 op 1970
……
48 pCI.
Totale import

………….
6,2
45,6
6,5

1

56,9
1

39,7
1

40,3
Toeneming van de bevolking

……………………………..
8 pCt.
.
Export:
Naar O.E.E.C.-landen
……..
20,2 47,9
16,0
5,9
3,3
11,5
Stijging van het totale kledingverbruik van 1955 op 1970
……….
60 pCt.
Naar

Naar raming uiteenvallend in 34 pCt. ,,meer” en 26 pCt. ,,beter”.
elc land

..
. Naar vooroorlogse eigen over-
35,8

..

22,8
13,7
13,1
2,4
3,8

Deze gegevens uitgewerkt n de beeldgrafiek.
i
zeese gebieden van elk land
Naar overige landen
31,1
51,1

..

10,0
31,4
35,3
73,6a)
8,7
31,1

2,3

7,3


Toeneming
Hoeveelheids- Hoeveelheids-
door kwali-
1382
112 1
138 6
588
80
22,6
aa
Wrde van
toeneming als toeneming als
teitsverbete-
Totale

export

…………..
‘ ‘ ‘ ‘
Jaar

het verbruik
gevolg van gevolg van
ring als ge-

in 1955 toeneming van de bevolking
inkomens-
stijging
volg van
inkomens-
a) Inci. Canada, Nieuw-Zeeland,
Australie, Zuid-Afrika.
– –

. –
stijging
Bron:
O.E.E.C.

1955
1960
1965

100
100
100.
2,5
5,1

.

9,2

11,7


19,1

24,2

6,8

18,5

14,3

38,5
1970
100
7,7

.
30,2

37,9
21,6

59,5

Bron:
Berekeningen:
M.
Fraenkel, Den Haag.,
Grafiek: Ned. Stichting voor de Statistiek, Den Haag.

BTJLAGE 18.
Export van katoenen, rayon en gemengde
weefsels
uit West-Europa naar verschillende landengroepen

Van
Italië
Nederland
West-
Duitsland
België/
Luxemb.
Engeland
Frankrijk
Andere
conc. landen
Excentr landen
Jaar

.
.
000

pCt. pCt.
pCt.

Zes landen van de gemeensch. markt
1955
1957
1955

19
28
65

9
12
31

49
88
47

17
26
17

46
59
237

9
13
50

73
113
86

29
37
33

8
10
74

1 1
9

15
22
23

3
5
4

41
58
50

27 28 34

4
12 16

3
6
10
1957
60
27
54
16
177
40
85
28 69
10 19
4
57
28
28
14

1955
84
40
96
34
283
59
159 62
82
10 38
7
91
61
20
13
1957
88 39
142
42
‘236
53
198
.65
79
11
41
9 115
56
40 20

1955.
1957
2
1
1
0 9
21
4
7
255
157
30
21
460
301
88
65
91 101
57 52
Eigen overzeese gebiedsdelen

Overige 0.E.E.C.-landen

………….

Overige overzeese gebiedsdelen
……..

1955 1957
39
31
19
14
74 45
26
14
86
61 18
14
18
14
7
4
58
57
7
8
1 1
0 0
14 12
9 6 30
20
19
10
1955
29
14
44
16
54
11
42
16
399
48
8
2
13
9
4 2

Totaal O.E.E.C..landen

…………..

1957
27
12
80
24 56
13
39
13
382
52
7
2
15
7 7
4

1955 1957
68 58 33
26
120 126
43
38
140
117
•29
27
69
,
74
27
24
712
596 85
81
469
309
90
67
27 27
18 13
125
128
78
66

Britse Dominions
………………..

Totaal politiek afhankelijke overzeese

1955

.
58
27
64
23 56
12
30
II
45
5
16
3
32
21
14
9

gebiedsdelen en Dominions

……..

1957
80
35
68
20 90
20
33
11
55
8
109
24
62
31
27
14

1955
210
100
280
100
479
100
258
100
839
100
523
100
150
100
159 100

Overige landen

…………………

Totaal

generaal

………………..
1957
226
100 336
100
443
100
305 100
730
100
459
100
204
100
195
100

Bron: Cotton Boord.

15

‘1

/

11

BIJLAGE 19.

Gemiddelde uurlonen in enkele Westeuropese landen

(inch soiale lasten en betaald verzuim; indices Nederlandse uurlonen = 100)

Gehele industrie in 1954 (volgens Olilin):
Frankrijk

………………………..
146
Ver.

Koninkrijk

…………………..
142
België

……………………………
142
West-Duitsland

…………………….
121
Italië

……………………………
118
Nederland

………………………..
100

Katoenindustrie in 1955:
Frankrijk

……………………….
126
Ver.

Koninkrijk

…………………..
114
België

……………………………
110
Nederland

………………………..
100
West-Duilsland

…………………….
94
Italië

……………………………
92

Katoenindustrie in 1957:
België

……………………………
110
Ver.

Koninkrijk

…………………..
106
Frankrijk

………………………..
tOl
Nederland

………………………..
100
West-Duitsland

…………………….
98
Italië

…………………………….
82

Bron:
Vergelijking van lonen en andere arbeidskosten in
de katoeninduslrie
van enkele Westeuropese landen. Secr. Fabrikanlen Ver.,
Enschede 1958.

BIJLAGE 21.

Export van katoenen, rayon en gemengde weefsels door
de Verenigde Staten! West-Europa en India/Japan

(mln. sq. yards)

jaar

1 Vër.

‘e

Totaal

India

Japan Totaal
Staten

1953 ………….
1

844
1
3.074

3.918
1

655

1
1.338

1.993
1958 ……………664

2.535

3.199

625

2.524

3.149

Bron:
Cotton Board.

BIJLAGE 20.

De behoefte voorziening van de binnenlandse markten
van het E. E. G.-gebied dôor de nationale katoenindustrieën

Totaal

Katoen

Overige weefsels

t
pCt.

ton

pCt.

ton

pCt.

België:
Aflev. md. b’land

31.194k

79

28.489

82

2.705

53

Import ……….8.443

21

6.066

18

2.377

47
Totaal …

39.637

100

34.555
1

100

5.082

100

Export

………34.541

32.714

1.827

Frankrijk (Métropoli-
lain,Algerië en Dep.
d’Outre Mer):
Atlev. md. b’land

195.990

98

187.660

98

8.330

89

Import ……….4.650

2

3.590

2

1.060

II
Totaal

200.640
1

lOO 1191.250
1

100
1
9.390
1

100

Export ……….6.680
1

1
6.210
1

470

Frankrijk (als boven +
les Marchés d’Outre
Mer de la zone franc)

Aflev. md. b’land 220.600

85 210.120

89

10.480

45

Import ……….39.400

15

26.590

II

12.810

55
Totaal

260.000
1

100 1236.710
1

100
1
23.290

1100
Expoit

……….6.680

6.210

470

Italië:

Aflev. md. b’land 181.590

99

107.687

99

73.903a)

100
Import

952

1
1_
813
1

1

139

0
Totaal

182.542
1

lOO
1108.500
1

100
1
74.042
1

100

Export

………16.358

6.761

a) Excl. gem. weefsels.

Nederland:
Atlev. md. b’land

40.766

78

35.090

83

5.676

57

Import ………11.502

22

7.297

17

4.205

43
Totaal a)

52.268
1

100

42.387
1

lOO

9.881

100
Export b)

. . . .

36.770

31.513

5.257
Excl. ruwdoek
mcl. ruwdoek.

West-Duitsland:

1

Aflev. md. b’land 273.700

95
223.100

96

50.600

93

Import ……….13.500

5

9.700

4

3.800

7
Totaal

287.200
1

100 1232.800
1

100
1
54400
1

100

Export

……….20.300

12.900

7.400

(alle cijfers zijnincl. ruwdoek)

– Engeland:

Aflev* md. b’land 176.000

86

123.000

83

53.000

94

Import… . ….. ..28.000

14

25.000

17

3.200

6

Totaal.. 204.000
1

100 1148.000
1

lOO
1
56.200
1

100

Export a) 340.000

27.000

7.000

‘a) Ransing.

16

t-,

Auteur