Ga direct naar de content

Jrg. 44, editie 2180

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 22 1959

4
4e
JAARGANG
No. 2180

WOENSDAG 22 APRIL 1959
t

EconomischmStatt”S tische

Bertchten

: De toekomst der witte boorden dragers

*

Drs. J.- Poot

Huurverhoging en huurbij slag

*-

Prof. Mr. J. Offerhaus

Het Verdrag van’ 15 juni 1955 over

internationale koopcontracten

(H)

*

Mr. Ir. G. Oudemans, Mr. Chr. Kooij,

Mr. J. Wolterbeek

Industriële eigendomsrechten en de

mededingingsbepalingen uit het

Eurornarkt-verdra.

*

F. Piot

Enkele resultaten van de

Tentoonstelling te Brussel

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

/

1

L

SCHËEPVAART VEREENIGING

NOORD

(Vereéniging van Ondernemers’

mde

Haven- en Vervoerbedrijven

te Amsterdam)

zoekt voor de vervulling van een
secretariaatsfunctie op. haar bureau en
dat van enige met haar verbonden in-
stellingen een

MEESTER IN DE RECHTEN

OF ECONOOM

..

Van de aan te stellen functionaris wordt
in de eerste plaats verwacht dat hij de
normale ‘secrerariaatszaken zoals het
stellen van brieven, het notuleren en
rapporteren beheerst. Daarnaast krijgt
hij echter op den duur een aantal zeer
gevarieerde werkzaamheden te verrichten
op economisch-organisatorisch en fiscaal
terrein. Enkele jaren ervaring in de –
advocatuur bf het bedrijfsleven is vereist.
Enige specialisatie in burgelijk en
handelsrecht en kennis van de moderne
talen wordt van belang geacht. Leeftijd
30-40 jaar. Kandidaten zullen eventueel
worden uitgenodig4voot.en psyçho
t
*

logisch onderzoek.

s.
..

t.

Eigenhandig
(nie1met balipoint) geschrèven
brieven met volledige inlichtingen over leef.
tijd, opleiding en praktijk en vergezeld von
een recente pasfoto vodr 4 . mei aan de
Nederlandsche Stichting voor Psycho-
techniek,
Wittevrouwenkade 6, Utrecht,
onder nunimer. E.S.B. 22924.

R. Mees& Zoonen

Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rôtterdam.

Amsterdam. ‘s-Graven bage.

Delft — Scbiedam

Vlaardingen

Alblasserdam

Financiering van invoer,

uitvoer en transito

Alle assurantiën

Beleggingen en

vermogensbeheer

-.

•Ht*è h
4
,

,

4
:

.

,. —

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van’het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam 6.
Telefoon redactie: 0 1800-52939. ‘Administratie: 0 1800-
38040. Gfro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening

Redactie-adres voor België:
Dr: J. Geluck,’Zjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.

:

,v.

Abonnementen:.
Pieter de Hoochweg 118, Rottçrdam 6.

Abonnementsprjjs:
franco per porf, voor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen

f.
31,– per jaar. (België en Luxemburg B.fr. 400).
Abonnernenten kunnen ingaan met elk numper, en slechts
worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Losse nummers 75
ct.

Aangetekende stukken
in – Néderland aan het Bijkantoor
,

Wesizeedjjk, Rotterdam 6.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
‘tè ‘ridhte,ï aan de N. V. Koninklijke Nederl Boekdrukkerjj
H. .A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-..
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”


f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt.
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenetvte weigeren. ,.

.,qdtehke4.’

.

,,&-,Pj3.”

S –

.

Bijde

t’
t.
‘.

N.V.
PROVINCIAAL EN GEMEENTELIJK
UTRECHTS STROOMLEVERINGSBEDRIJF

te Utrecht bestaat behoefte aan een

bedriifseconomisch’

gé$choolde kracht

die na een redelijke inwerkperiode in staat nibet zijn, als
staffunctionaris de directie terzijde te staan en zo nodig
de economische onderdirecteu, chef van de financiële
en dministratie”e afdeling, te vervangen.

De gedahten gaan ut naar een accountant met opleiding
N.I.v.A. – of V:A.G.A en ruime bedrijfservaring.

Schriftelijke, sollicitaties te richten aan de directie van
bovengenoemd bédrijf, Keulsekade 189 te Utrecht.

314,1

1

t

4,

l

• ,.,

‘.’.. ‘.

t1,r,”

De toekomst der witte boorden dragers

Indien men zich voor ogen houdt, dat ook de arbeids-

markt niet ontkomt aan het krachtenspel van vraag en

aanbod, dan kunnen de vragen, waarmede wij vorige

week op deze plaats eindigden, worden geformuleerd als

volgt: hoe komt het, dat de bereidheid der Engelse witte

boorden dragers om hun diensten voor een relatief, en

soms zelfs absoluut, lagere prijs aan te bieden sedert 1938

zo sterk is toegenomen en: zullen vraag en aanbod zich

in de nabije toekomst zodanig ontwikkelen, dat de rela-

tieve beloning der ,,white collar workers” nog verande-

ringen ondergaat? Fogarty
1),
die wij hier nog steeds aan

het woord laten, gaat op beide vragen uitvoerig in. Ge-

durende en kort na de oorlog, zegt hij, was het Britse volk

ervan doordrongen dat in het belang van de oorlogvoering

en het herstel daarna de consumptie moest worden be-

perkt. Ook was men het er over eens dat de lasten volgens

draagkracht moesten worden opgelegd. Daarom is het
merkwaardig dat de beperkingen door het laag gesala-

rieerde kantoorpersoneel kennelijk gemakkelijker werden

geaccepteerd dan door de even veel verdienende fabrieks-

arbeiders.

Ter verklaring van dit verschijnsel worden wel de vol-

gende factoren genoemd. In de eerste plaats is de inko-

mensverlaging door de witte boorden dragers minder

hevig gevoeld dan vaak wordt verondersteld, omdat de

levensstandaard van vele gezinnen – dank zij het feit

dat zich juist in bedoelde periode de revolutie der het

leven veraangenamende huishoudelijke apparaten vol-

trok,
terwijl
ook de sociale voorzieningen een grote vlucht

namen – in veel mindere mate werd beïnvloed dan het

nominaal inkomen. Voorts vond.tot voor kort eigenlijk

alleen vergelijking der inkomens van de ,,white collar
workers” onderling plaats; de verdiensten der handar-

beiders lagen als vergelijkingsmateriaal doorgaans buiten

het gezichtsveld. Daardoor kon het inkomensverschil

tüssen beide groepen werknemers kleiner worden zonder

dat door het kantoorpersoneel alarm werd geslagen. Ten

slotte hebben de met promotie verband houdende salaris-

verhogingen het feit dat er in ,,white collar jobs” minder

werd verdiend wat verdoezeld en bovendien heeft de nood

tijdens en na de oorlog lang genoeg geduurd om ook

degenen wie geen promotie ten deel viel, aan een relatief

of soms zelfs absoluut lagere levensstandaard te doen ge-

wennen.

1)
M. P. Fogarty: ,,The white-collar pay structure in
Britain”, ,,The Economic Jâurnal”, van maart
1959.

Fogarty gelooft niet, dat een eventuele verdere achter-

uitgang van de positie der witte boorden dragers even

gemakkelijk zal plaatsvinden als in de periode 1938-

1948. De tijd van acute nationale nood, die de offerbe-
reidheid van het volk verhoogde eri daardoor – naar hij
meent – in eerste aanleg de oorzaak was van de huidige

positie der ,,white collar workers”, is voorbij. Bovendien

worden tegenwoordig wel degelijk de inkomens van fa-

brieksarbeiders als vergeljkingsmaatstaf gehanteerd, ter-

wijl de revolutie op huishoudelijk gebied wat is geluwd

of in ieder geval minder spectaculaire resultaten oplevert.

Wij mogen dan ook, zegt Fogarty, verwachten dat de witte

boorden dragers thans harder zullen vechten dan in de
veertiger jaren, teneinde althans hun huidige positie te

handhaven. Of zij daarbij succes zullen boeken valt,

aangezien zij geen homogene groep vormen, niet zonder

meer bevestigend of ontkennend te beantwoorden. Voor

de kantoorbedienden lijkt de kans dat hun positie zal

verbeteren niet bijster groot. Dank zij de grotere spreiding

der onderwijsmogelijkheden ontwikkelt het aanbod zich

niet in hun voordeel en in verband met de automati-

sering moet het zelfde worden gezegd van de vraag.

,,They can probably not hope for much more than

to set on their labour a reserve price which will help

them for slipping back farther in relation to manual

workers”.

Wat de hoger gekwalificeerde ,,white collar workers”

betreft, is een dergelijke algemene conclusie niet moge-

lijk. De vraag naar deze krachten neemt ongetwijfeld toe.

Het aanbod eveneens: in 1960 zullen de Britse universi-

teiten ni. driemaal zoveel afgestudeerden afleveren dan

in 1938. Eén ding staat echter onomstotelijk vast: eerste-

klas krachten zullen schaars blijven. Het is zelfs zeer

wel mogelijk, dat de schaarste groter zal worden. Deze

stelling steunt Fogarty met de volgende cijfers: het aantal

studenten aan Britse universiteiten steeg van 1938 tot

omstreeks 1955 met 60 pCt.
;
het aantal ,,first degrees”

daarentegen met slechts 25 pCt. Vermoedelijk zal deze

schaarste, zo zij al niet de inkomensplafonds omhoog

drukt, ertoe bijdragen dat de eerste klas krachten in finan-

cieel opzicht geen terrein meer verliezen. De wat minder

begaafden behoeven dan tenminste niet meer bevreesd

te zijn te, worden verpletterd onder de neerstortende sala-

risplafonds van hun meerderen. Zoals de afgelopen twintig

jaren is geschied.

De toekomst der wittb boorden dragers …….

Huurverhoging en huurbijslag,
door Drs. J. Poot

Het Verdrag van 15 juni 1955 over internationale

koopcontracten (11), door Prof. Mr. J. Offerhaus

Industriële eigendomsrèchten en de mededingings-

bepalingen uit het Euromarkt-verdrag,
door

Mr. Ir. G. Oudemans, Mr. Chr. Koojj
en
Mr. J.

Wolterbeek

…………………………..

Blz.

Blz.

315 Enkele resultaten van de Tentoonstelling te Brussel

316

door F. Plot …………………………..
325

B o e k besprekingen:

320

M. J. Anema: De praktijk der public relations,

bespr. door Drs. G. de Bruyn …………
328

P. G. Bosch, ec. drs.: De organisatiegids,
bespr.-

door Dr. D. Horringa ……………….
329

323 Geld- en kapitaalmarkt, door Dr. M. P. Gans …
329

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen; J. R. Zwdema.
Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Coffin; J. E. Mertens de Wilinars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

315

Na geconstateerd
te hebben, dat (en aanzien

van het rendabel huurniveau uiteenlopende ramin-

gen bestaan, stelt schrijver dat dit niveau eerst zal

worden bereikt als de huren met f. 1,2 mrd. wor-

den opgetiokken, d.w.z. vrijwel wèrden verdub-

beld. Schrijver acht geleidelijke huurverhoging

met looncompensatie ongewenst. Naar zijn mening

voldoet dit stelsel niet aan de twee voorwaarden,

die aan een huurverhoging moeten worden gesteld,

t.w. dat de minder-draagkrachtigen niet de zwaar-

ste tol betalen en dat een
huurverhoging
niet ge-

paard gaat
met een dienovereenkomstige stijging

van de bouwkosten. Deze bezwaren acht schrijver
niet verbonden aan een huurverhoging ineens, die

gekoppeld
wordt aan een
huurbijslagsysteem. In

dat systeem krijgen de huiseigenaren niet de ge-
hele huurverhoging van f. 1,2 mrd. ineens, maar

in vier etappen uitgekeerd; de huurbijslag vermin-

dert dienovereenkomstig elk jaar met f. 300 mln.

Vrij algemeen heerst momenteel de overtuiging dat er

iets met de huren moet gebeuren. Het rapport dat de

Teldersstichting onlangs over het huurvraagstuk heeft

uitgebracht draagt zelfs de veelzeggende titel ,,Het wo-

ningvraagstuk in een beslissendë fase”. Maar ondanks

een zekere overeenstemming over de wenselijkheid van
huurverhoging, bestaat er geen eenstemmigheid over de

volgende vier aspecten:
de omvang van de huurverhoging;

de aar4 van de huurverhoging;

de wijze en mate van compensatie;

het tijdstip van de huurverhoging.

De geschilpunten, die hierover bestaan, hebben met

twee vragen te maken. In de eerste plaats met de vraag,

of een dusdanige regeling kan worden getroffen, dat niet

de minder-draagkrachtigen de zwaarste tol moeten be-
talen. Met deze eis van sociale rechtvaardigheid houdt

eveneens verband de tweede vraag,
til.
die naar de uit-

werking van de huurverhoging op de bouwkosten. De

laatste huurverhogingen van resp.
5
en 25 pCt. gingen

immers gepaard met een stijging van de bouwkosten van

totaal 35 pCt. .Betekent dit nu dat een huurverhoging

automatisch leidt tot een dienovereenkomstige opvoering

van de bouwkosten? In dat geval ni. als de huurverschillen
tussen de voor- en na-oorlogse woningen toch niet worden

weggewerkt, heeft huurverhoging inderdaad weinig zin.

Tegen de achtergrond van deze twee vragen willen wij

bovengenoemde aspecten van de huurverhoging achter-

eenvolgens bezien.

Omvang huurverhoging.

Ten aanzien van het punt waar het rendabel huur-

niveau ligt, bestaan zeer uiteenlopende ramingen. De

Regering is er bij de laatste huurverhoging van 25 pCt.

van uitgegaan, dat het rendabel

huurniveau van voor-

oorlogse woningen t.o.v. het huurpeil van 1940 op 240

en van na-oorlogse woningen op 290 kan worden gesteld.

Conform de cijfers uit, onderstaande tabel houdt dit in,

dat toentertijd met de optrekking van de huren tot het

veronderstelde rendabel huurniveau een huurverhoging

van in totaal f. 600 mln, was gemoeid.

Huurverhoging

en

huurbij slag

TABEL 1.

Index huren op
basis van 1940

Huursom 1956

. renda-
bel
(in mln. gid.)

1956 a)

1956

huur-
t peil

vooroorlogse woningen
850

141
1
184
1
240
Overige woningen. …..

……
.
150

200

220

290
Totaal
………………
.

1.000

1

a) Raming op basis van het S.-E.R.-advies inzake de bestedingen.

De huurverhoging van 25 pCt. bedroeg in tôtaal f. 230

mln. Indien alle omstandigheden gelijk gebleven waren,

zou er dus thans nog een huurverhoging van f. 370 mln.

moeten worden doorgevoerd om het rendabel huurniveau

te bereiken. Het is duidelijk, dat hiermede niet kan worden

volstaan. V66r de laatste huurverhoging rees er reeds

twijfel of bovengenoemde ramingen niet aan de lage kant

waren. Sindsdien zijn de bouwkosten met 35 pCt. toe-

genomen. Dientengevolge is het effect van de huurver-

hoging volledig teniet gedaan. Zo beschouwd zijn wij

thans nog even ver als vôôr de laatste verhoging. Dat

betekent dat globaal de huren met ten minste nog f. 600

mln, zouden moeten worden opgetrokken.

Tijdens het laatste congres .van het Centraal Sociaal

Werkgevers-Verbond heeft Prof. Van Beusekom gesteld

dat een rendabele woningbouw in West-Europa slechts

mogelijk is bij een huur die 30 pCt. van het inkomen uit-

maakt. Terecht vond hij dit teveel. Immers, hoewel het

Nederlandse huurpeil t.o.v. het buitenland altijd be-

trekkelijk laag heeft gelegen, zou een dergelijke dras-

tische huuroptrekking ook internationaal gezien uit de

toon vallen. Recente Amerikaanse publikaties vestigen

er
til,
juist de aandacht op, dat het aandeel van de huren

in de gezinsuitgaven de tendens vertoont omlaag te gaan
1).

Nochtans is het wooncomfort aldaar sedert 1929 nog aan-

zienlijk gestegen; twee badkamers per huis worden er

bijv. thans regel.

1)
Emmet Hughes and Todd May:
,,Housing —The slalled
revolution”
in ,,Fortune” van april
1957, blz. 285:
,,In fact
housing as a percent of total personal consuniption expendi-
tures has for a generation, been going from low to lower – from
13.8
per cent in
1929
to 11.3 per cent in
1955″.

316

Het is duidelijk dat deze Amerikaanse toestanden niet

zonder meer naar Nederlatid kunnen worden overgebracht.

Zoals uit onderstaande tabel blijkt, wijkt onze situatie,

althans in de jaren dertig, daarvan ook af. Want hier

volgen de huren juist de omgekeerde richting en nam hun

aandeel in de gezinsconsumptie toe van 9 pCt. in 1929

tot 12 pCt. in 1

938, zij het dat in 1939 een daling is op-

getreden tot 11 pCt. In feite zet de daling zich na de oorlog

pas goed door, hoewel deze hoofdzakelijk aan de huur-

stop moet worden toegeschreven.

TABEL 2.

Hel aandeel van de huren in de totale gezinsconsumptie a)

Totale
In pCI
.
van
Totale
In pCt. van
huur-
de totale
huur-
de totale
Jaar
waarde (in mln,
gezins-
Jaar

waarde
(in mln,
gezins
gld.)
consumptie gld.)
COnsumplie

1923
322
7
1949
619
5,3
1929
459
9
1950 637
5,0
1935
501
12
1951
739
5,4
1939
503
ii
1952
766 5,6
1947
595
5,9
1953
792
5,5
1948
604
5,5
1954
986
6,3

5)
Centraal Bureau voor de Statistiek: Statistische en econometrische onder-
zoekingen, 3e kwartaal 1955.

Intussen is het niet onmogelijk, dat ook zonder over-

heidsmaatregelen het aandeel van de huren in de gezins-

consumptie na de oorlog zou zijn gedaald. In elk geval

staat het niet vast, dat dit aandeel een permanent stijgende

tendens zou moeten vertonen. Wel zijn met het na-oor-

logse overheidsingrijpen dé bouwkosten permanent ge-

stegen. Maar dit wil niet zeggen, dat bij normale con-

currentie het aandeel van de huren aanzienlijk boven

het vooroorlogse peil van 11 â 12 pCt. zal moeten stijgen.

In de Verenigde Staten, waar de Overheid zich heeft

onthouden van vergaande controle op de woningbouw,

en deze integendeel heeft gestimuleerd door gunstige

kredietbepalingen, liggen althans de bouwkosten lager

dan véôr de oorlog, in de volgende paragraaf zullen wij
hierop nader ingaan.

Een en ander maakt het niet onaannemelijk om het

aandeel van de huren in de nationale gezinsconsumptie,

dat in 1954 slechts 1/16 bedroeg, bij herstel van concur-

rentie op 1/8 te bepalen. in dat geval moet de huursom

bij een gefixeerde nationale gezinsconsumptie van f. 20

mrd. op rond f. 2,5 mrd. worden gebracht. De huidige

huursom bedraagt
bijna
f. 1,3 mrd. Aangenomen mag

worden, dat het rendabel huurniveau kan worden bereikt,

indien de huren met f. 1,2 mrd. worden opgetrokken,

d.w.z. bijna worden verdubbeld. Volgens vorengenoemd

rapport van de Teldersstichting zouden de huren met

f.
0,5
mrd. moeten worden verhoogd
2)

Aard huurverhoging.

Tot nu toe is men er in Nederland – terecht – van uit

gegaan, dat een huurverhoging niet zonder compensatie

kan worden doorgevoerd. En omdat de compensatie

2)
in dit rapport wordt op blz. 21 de gemiddelde huurprijs
van een vooroorlogse woningwetwoning in 1958 op f. 435 en
voor een in 1958 gebouwde woningwetwoning op
f.
718 gesteld.
Omdat echter per nieuwe woningwetwoning momenteel f. 350
subsidie wordt gegeven, moet de reële huur op f. 718 + f. 350 =
f. 1.068 worden gesteld. Het huurverschil tussen een vooroor-
logse en een na-oorlogse woningwetwoning bedraagt dan ook
niet 65 maar 145 pCt. Ten gevolge van de verwaarlozing van
de subsidiepost is naar onze mening een huurverhoging van
f. 0,5 mrd. aan de lage kant.

hoofdzakelijk in het loon is gezocht, mocht vanwege onze

concurrentiepositie deze looncompensatie niet te groot

zijn. Dientengevolge kan de huurverhoging ook niet

groot zijn. Geleidelijke huurverhoging en looncompensatie

zijn daarom onafscheidelijk verbonden. Dat zou geen

bezwaar zijn, indien het stelsel van geleidelijke huurver

hoging zou voldoen. Maar dit is zeer de vraag. Het is

bepaald geen toeval dat gelijktijdig met de laatste geleide-

lijke huurverhogingen van
5
en 25 pCt. de bouwkosten

met ongeveer 35 pCt. zijn gestegen.

In het meergenoemde rapport van de Teldersstichting

wordt in bijlage T de extra stijging van de bouwkosten

geanalyseerd. Het valt in deze analyse op hoezeer de zgn.

,,overige kosten” gestegen zijn. De materiaalkosten, die

globaal 60 pCt. van de bouwkosten uitmaken, zijn gestegen

van f. 5.742 tot f. 6.603 of met 15 pCt.; de arbeidskosten,

die 25 pCt. van de bouwkosten uitmaken, van f. 2.393

tot f. 3.613 of met 50 pCt.; de overige kosten, die slechts

15 pCt. van de bouwkosten uitmaken, echter van f. 1.435

tot f. 3.086 of met 115 pCt. De stijging van de overige

kosten zou worden veroorzaakt door ,,de kwaliteits-

verbetering van de woningwetwoningen in de onderhavige

periode (het gebruik van duurdere materialen, een betere
afwerking e.d.), de stijging van het ondernemersinkomen

en vermoedelijk ook door de daling van de arbeidspro-

duktiviteit tijdens de jongste hausse (blz.43)”.

Ongetwijfeld is het van grote betekenis om vast te stellen

welke componenten het meest aansprakelijk zijn Yoor de

stijging van de bouwkosten. In feite is het evenwel nog

belangrijker te constateren, dt de bouwkosten zo sterk

konden stijgen. Met medewerking van de Overheid is

deze stijging tot stand gekomen. Dat betekent dat het

door haar gehanteerde prijsbeheersingssysteem (curve-
prijs) heeft gefaald. Mede blijkt dit uit de recente prijs-

stijging, die nergens in West-Europa zo sterk is geweest

(t.o.v. 1953-index: Nederland 139, België 107, Denemar-

ken 112, Frankrijk 127, Italië 110, Zweden 109, Zwitser-

land 114, West-Duitsland 117). Nog duidelijker blijkt

dit uit vergelijking van ons prijzenbeloop met dat van véér

de oorlog, temeer als dit vergeleken wordt met dat van

de Verenigde Staten. Terwijl de prijzen in Nederland na

de oorlog in het algemeen zijn verdrievoudigd, liggen die
in de nieuwbouw
54
maal zo hoog. Dat betekent dat de

huidige woningen twee maal zo duur zijn als die van voor

de oorlog. Dit is echter volkomen tegengesteld aan het

beeld in de Verçnïgde Staten, waar de woningbouw,

zoals gezegd, praktisch vrij is gelaten en waar de Over-

heid zich voornamelijk heeft beperkt tot het verstrekken

van kredieten onder gunstige bepalingen. Zoals onder-
staande, aan een Amerikaanse publikatie
3)
ontleende,

grafiek aangeeft, zijn de woningen aldaar – uitgedrukt

in het prijspeil van 1929 – aanmerkelijk goedkoper dan

v66r 1940. Ten overvloede zij opgemerkt, dat dit niet

is gegaan ten koste van de kwaliteit der woningen
4),

Leo Grebler, David M. Blank and Louis Winnick:
,,Capi-
(al Jormation in residential real estale”.
Princeton University
Press, 1956, blz. 107.
In de samenvatting van genoemd boek worden op blz.
13 de volgende oorzaken hiervoor aangegeven:
,,The principal factors operating to reduce real capital per
new dwelling unit have been:

The increasing proportion of housing built in the West
and South where, largely for cimatic reasons, input per
dwelling unit is lower than in the East and North.
The larger proportion of construction in rural nonfarm
areas, where input per unit is lower, since the late twenties.

TJ9

317

Average Construction Éxpenditure per Privote Nonform Dwellirig Unif
Storted, in Current end 1929 Prices, 1889-1953
Th,,i@ndt
of
doIIor

1
t

t

II

II

1

8
0

S’

0

S’

0

S’

0

fl

001
01

01

01

01

01

0
,

0′

01

01

01

0101

Met deze feiten voor ogen kan de waarde van ons prijs-

beheersingssysteem bepaald niet hoog worden aange-

slagen. In dit verband zou het wel interessant zijn om van

begin 1956 af het prijzenbeloop nauwkeurig regionaal

te analyseren. Dan zal het opvallen, dat de bouwkosten

in bepaalde gebieden hët sterkst gestegen zijn even voor-

dat de huren werden opgetrokken. Reeds einde 1955,

begin 1956 kon in het Westen, met name in de grote ste-

den, een tendens tot sterk stijgende bouwkosten worden

waargenomen. Sindsdien heeft de stijging zich over de

rest van Nederland voortgeplant. Aldaar werden – gelei-

delijk aan de bouwkosten, benevens de curveprijs, aan het

gestegen prijspeil in de grote stad aangepast. M.a.w.,

terwijl het de bedoeling was van de huurverhoging dat

de huren van de vooroorlogse woningen zouden worden

afgestemd op de kostprijs van de nieuwe woningen, wer-

den juist omgekeerd de bouwkosten in de nieuwbouw

aangepast aan de huren, die op het punt stonden te worden

opgetrokken. Ten onrechte is dit verschijnsel hoofdzake-

lijk aan de overspannen arbeidsmarkt tijdens het capaci-

teitsbeleid toegeschreven. Voordat het capaciteitsbeleid

in werking trad, waren de bouwkosten in de economische
centra reeds aanzienlijker gestegen dan daarna tijdens het

capaciteitsbeleid.

Deze stijging was aanvankelijk niet al te bezwaarlijk,

omdat de gestegen bouwkosten in de nieuwbouw konden

wordên opgevangen door looncompensaties. Het lijkt

(vervolg noot 4)

.A decline in the average size of households and dwelling
units.
The tendency toward lighter materials and construction.
The long-term increase in the price of new construction
• relative to other prices, which has induced consumers
to economize on housing.
6, And possibly occupancy of new construction by an in-
creasing percentage of families farther down in the income
pyramid, at least during the past fifteen to twenty years.

– The main forces operating to raise real capital per dwelling
unit have been:

The addition or elaboration of constructionand equipment
items such as garages, closets, heating systems, and kit-
• . chen cabinets.
The growing proportion of single-family houses since the
– • late twenties.-


The rise in real inc ome.

ons niet uitgesloten dat de looncompensaties deze stijging

in de hand hebben gewerkt. Aangezien een geleidelijke

huurverhoging moeilijk denkbaar is zonder looncompen-

satie en beide intensieve overheidsbemoeiing tot conse-

quentie hebben, kan de trits geleidelijke huurverhoging

– looncompensatie – overheidsingrijpen alleen worden

doorbroken, indien een huurVerhoging- ineens wordt

doorgevoerd. In dat geval is, zoals in de volgende paragraaf

zal worden aangetoond, looncompensatie overbodig en

kan de overheidsbemoeiing tot redelijke proporties wor-

den teruggebracht. Immers, het overheidsingrijpen is

thans nodig, omdat de Overheid subsidies voor de nieuw-
bouw moet toewijzen. Deze subsidies zijn evenwel nood-
zakelijk zolang de v66r- en na-oorlogse huren teveel ver-

schillen. Ten gevolge van de huurverhoging ineens worden

de huurverschillen weggewerkt, waardoor de subsidie-

verstrekking en het gedetailleerde overheidsingrijpen

overbodig worden.

Wijze compensatie.

Blijkens het bovenstaande gaan wij er van uit, dat naar-
mate het gedetailleerde overheidsingrijpen in de woning-

bouw afneemt, de bouwkosten eveneens zullen dalen.

Dèze stelling hebben wij gebaseerd op twee feiten. Ener-

zijds op het feit dat tijdens de periode van intensieve over-
heidsbemoeiing de bouwkosten
bijna
twee maal zo sterk

zijn gestegen als de kosten van levensonderhoud. Ander-

zijds op het feit dat in de Verenigde Staten, waar de Over-

heid zich heeft beperkt tot het vestrekken van kredieten

onder gunstige voorwaarden, de bouwkosten op een

niveau liggen dat lager is dan het vooroorlogse, terwijl

het woonpeil aanzienlijk is toegenomen. Indien onze

stelling juist is dat door een huurverhoging ineens de bouw-

kosten hier op den duur eveneens zullen gaan dalen, dan

is daarmede meer dan voldaan aan de eerste voorwaarde

die aan een huurverhoging moet worden gesteld. Deze

voorwaarde hebben wij in het begin van ons artikel zé
geformuleerd, dat een huuroptrekking niet mag leiden

tot een dienovéreenkomstige verhoging van de bouwkos-

ten.

De vraag is nu of eveneens kan worden vôldaan aan de

tweede voorwaarde. Deze luidt dat een dusdanige rege-

ling moet worden getroffen, dat niet de minder draag-

krachtigen de zwaarste tol &an de huurverhoging moeten

betalen. Momenteel is de situatie zo, dat de minder draag-

krachtigen zich het betrekken van een nieuwe woning
vrijwel niet kunnen permitteren. Hoe langer hoe meer

worden de middengroepen in nieuwe woningwetwoningen

gehuisvest. Zoals tot op heden kan worden geconsta-

teerd, hebben de geleidelijke huurverhogingen deze situatie

eerder in de hand gewerkt dan tegengegaan. Als een ge-

leidelijke huurverhoging werd doorgevoerd, had deze

voor de minder draagkrachtigen voornamelijk tot effect,

dat zij in dezelfde oude huizen bleven wonen, maar daar-

voor meer huur moesten gaan betalen. En voor de mid-

dengroepen was de hogere huur van de woningwetwo-

ningen geen bezwaar, gelet op ‘de zware subsidies en de

meer dan voldoende looncompensaties. Wil in deze situatie

verandering worden gebracht, dan zullen de subsidies

niet meer op de woning, maar op de bewoners moeten

worden afgestemd en wel op hun inkomen. Dat wil dus

zeggen dat er een -huurbijslagsysteem moet komen, dat
gebaseerd is op de draagkracht der bewoners.

Wij stellen ons voor dat een huurbijslagregeling zeer

wel te verenigen is – met een huurverhoging ineens. In

318

het voorgaande is gesteld, dat met de huurverhoging

ineens een bedrag van f. 1.200 mln, is gemoeid. Als de

huren met dit bedrag worden opgetrokken, dan zal het

aandeel van de huren in de nationale gezinsconsumptie

ongeveer een achtste bedragen. De huurbijsiag zou nu

zo kunnen worden geregeld, dat ieder die momenteel

in
de
bestaande woningvoorraad meer dan een achtste

van zijn inkomen (gemakshalve zijn inkomen en gezins-

uitgaven aan elkaar gelijk gesteld) aan huur betaalt,

voor huurbijslag in aanmerking komt. Dit betekent een

hele sprong t.o.v. de huidige situatie nu gemiddeld 1/16

van de gezinsconsumptie aan de huren wordt besteed

(1,3 mrd. van 20 mrd.).

Het is echter de vraag, of de overgang van 1/16 naar 1/8

toch niet te groot is en of derhalve de huurverhoging

niet beter in etappes kan worden doorgevoerd, zoals

aangegeven is in onderstaande tabel 3. Daaruit blijkt

dat in het eerste jaar van de huurverhoging ineens van
f. 1.200 mln., een bedrag van f. 300 mln, naar de huis-
eigenaars gaat en dat de resterende f. 900 mln, over de
huurders worden herverdeeld. Het jaar daarop ontvan-

gen de huiseigenaars en de huurders beide f. 600 mln.

Het derde jaar ontvangen de huiseigenaars f. 900 mln.

en de huurders slechts f. 300 mln. enz.

TABCL 3.

Huursom ten laste van
Uit te keren bedrag

gezinsconsumptie
in mln. gld. aan:

(gefixeerd op f. 20 mrd.)

Absoluut
in pCt.
eiars

900
1.600
8
600
600
1.900
9,5
le jaar

………….300
2e jaar

………….
..
900

..

300
2.200
11
3e jaar

………….
..
4e jaar

………….
1.200

2.500
12,5

De huurbijslag vermindert dus elk jaar met
f.
300 mln.

en bedraagt het eerste jaar f. 900 mln. De huursom die

ten laste van de huurders komt bedraagt derhalve f. 2.500

mln. (rendabel huurniveau) minus de huurbijslag van

f. 900 mln., dus f. 1.600 mln. Dat wil zeggen daj van de

gezinsconsumptie van f. 20 nird. 8 pCt. ten laste van de

huren komt. In principe komt dan elke huurder, die meer
dan 8 pCt. van zijn inkomen aan huur betaalt, voor huur-

bijslag in aanmerking. De huurbijslaggrens loopt elk

jaar met ongeveer 1,5 pCt. op.

Deze herverdeling houdt dus in dat de huurders elk
jaar een bedrag van
f.
300 min, minder ontvangen. De

vraag is nu of hiervoor compensatie moet worden gege-

ven. De mogelijkheid daartoe is aanwezig. Immers, het

Rijk keert momenteel een bedrag van f. 375 mln. aan

woningsubsidies uit. Deze uitkering kan achterwege blij-
ven, indien een huurverhoging ineens wordt doorgevoerd.

De daarmee vrijkomende f. 375 mln, kunnen worden
gebruikt ter compensatie van de huurders, waarbij er

een bedrag van
f.
75 mln, overblijft. Overwogen zou kun-

nen worden om deze compensatie te geven via een be-

lastingverlaging.

in sociaal opzicht zal deze herverdeling ongetwijfeld

gunstig werken. De middengroepen die thans in woning-

wetwoningen gehuisvest zijn, kunnen daarin weliswaar

blijven wonen, maar ontvangen dan geen subsidie meer.

Een van de gevolgen kan zijn dat zij de voorkeur gaan

geven aan niet-gesubsidieerde bouw, hetgeen een extra

prikkel zal geven aan de particuliere bouw.

Zal de uitwerking van het huurbijsiagsysteem op de

bouwkosten nu eveneens gunstig zijn? Men zou zich im-
mers kunnen voorstellen, dat de bouwkosten sterk zullen

gaan stijgen, omdat het verschil tussen de kostprijshuur

en de sociaal wenselijke huur toch in de vorm van een

huurbijslag wordt bijgepast. Dit gevaar kan worden voor-

komen, indien voor de
nieuwbouw
de
huu.rbijslag
gebonden

wordt aan enkele typen woningen. Deze woningtypen

zullen nauwkeurig moeten worden omschreven, wat in-
deling en comfort betreft en zullen een bepaalde bouw-

prijs niet te boven mogen gaan. Waar die grens precies

moet liggen, zal wellicht regionaal verschillend zijn, maar
zal gemiddeld de
f.
15.000 niet mogen overschrijden. Van

woningen, die meer dan f.
15.000
kosten, komen de be-
woners niet voor huurbijslag in aanmerking. Eventueel

zou als extra prikkel voor het drukken van de bouw-

kosten een degressieve huurbijslagschaal kunnen worden

ingevoerd, in die zin dat naarmate de bouwkosten lager
liggen een hogere toeslag op de gemiddelde huurbijslag

wordt gegeven.

Ten slotte zouden wij de grens van f. 15.000 niet als

een permanente willen beschouwen. Naarmate ten gevolge
van concurrentie in de niet-gesubsidieerde bouw de bouw-

kosten omlaag gaan, kan dienovereenkomstig de boven-

grens van de gesubsidieerde bouw omlaag worden ge-

bracht.

Tijdstip huurverhoging.

Belangrijke principiële bezwaren tegen het huurbijslag-

systeem als zodanig bestaan kennelijk niet meer. In het

meergenoemde rapport van de Teldersstichting wordt op

blz. 33 gesuggereerd om de woningbouw ten behoeve

van de minst draagkrachtigen permanent te subsidiëren.

Het wordt daarbij gewenst geacht om het bewonen van

deze permanent gesubsidieerde woningwetwoningen aan

een inkomensgrens te binden. Intussen zou dit huur-

bijsiagsysteem pas kunnen worden ingevoerd als een ren-
dabel huurniveau is bereikt, nâdat twee geleidelijke huur-

correcties zijn aangebracht. In ons systeem kan echter

het huurbijsiagsysteem reeds thans, gelijktijdig met de

huurverhoging worden ingevoerd.

Tegen degenen die van een
huurbijsiagsysteem
een grote

administratieve rompslomp verwachten, zouden wij willen

aanvoeren dat in landen waar een huurbijsiagsysteem

reeds bestaat met betrekkelijk weinig krachten kan worden

volstaan. In dit verband mogen wij verwijzen naar het
pre-advies over de huren van Dr. Umrath, uitgebracht
op het laatste congres van Volkshuisvesting en Stede-

bouw. Bovendien kan het Departement van Volkshuis-

vesting, dat thans grotendeels is belast met het uitwerken

en controleren van financieringsregelingen, met deze

nieuwe taak worden belast. In de eerste plaats valt hierbij

te denken aan het apparaat ,,Grootboek woningverbete-

rmg”.

Alhoewel het
huurbijslagsysteem,
zoals hiervoor is aan-

getoond, ook wat beschikbare financiële middelen be-

treft, onmiddellijk in werking zou kunnen treden, zouden

wij dit voorlopig willen zien uitgesteld. Het is immers van

groot belang dat zulk een systeem op het meest gunstige
moment wordt ingevoerd, ni. in een periode van dalende

prijzen. Om daarvoor gunstige voorwaarden te scheppen,

zouden wij daarom, bij wijze van overgang, eerst de

invoering van de premieregeling, door ons besproken ,in

,,E.-S.B.” van 14 januari 11., willen aanbevelen. Dit houdt

in dat de algehele huurverhoging nog ten minste 1 â 2

jaar zou moeten worden uitgesteld.

‘s-Oravenhage.

Drs. 1. POOT.

319

In dit tweede stuk over het Verdrag van 1955

betreffende het toepasselijke recht bij
de interna-

tionale koop van roerende lichamelijke zaken

wordt besproken, waarom het recht van de ves-

tigingsplaats van de verkoper en, in bepaalde ge-

vallen, van de koper, toepasselijk is verklaard.

Ter sprake komt het belang hiervan voor Neder

landse exporteurs en importeurs. Wat is het zwaar-

tepunt van de rechtsbetrekking? De internationale

koop is een ruim begrip, zodat vermeden wordt

dat een rechter of een arbiter verschillend recht
moet toepassen in en buiten het Verdrag. Bij f1-

lières en bij de termijnhandel brengt de identiteit

der voorwaarden ook gelijkheid van recht mede;

aan het usantieel bestaande moet niet worden ge-

tornd. Ten slotte is van belang de vaststelling van

de inhoud van vreemd recht en de vergelijking

met het streven naar uniform intern kooprecht.

Het Verdrag van

15 juni 1955

over

internationale

koopcontracten

(II)

Bij de toelichting van het Verdrag van 1955 over het

internationaal privaatrecht van de koop van roerende

lichamelijke zaken, ontworpen door de Haagse Conferentie

in haar 7e Zitting van 1951, zijn wij in het vorige artikel
1)

genaderd tot art. 3. Krachtens deze bepaling geldt, indien

een duidelijke rechtskeuze ontbreekt, de wet van de ,,ré-

sidence habituelle” van de verkoper. In de theorie van het

internationaal contractenrecht, in enkele wetgevingen en

in bijv. de Zwitserse jurisprudentie is deze conflicten-

oplossing reeds eerder naar voren getreden. De prestatie

van de verkoper is de meest kenmerkende, en men kiest

niet de wisselende plaats waar de verkoper presteert,

maar de blijvende plaats van zijn vestiging. Daar ligt het

zwaartepunt van de relatie, daarmede heeft zij de ,,most

real” of ,,most substantial connection”. Dientengevolge

zijn tevens als regel alle contracten van de verkoper, aan

hetzelfde recht onderworpen, hetgeen met een gezonde

economische Organisatie in overeenstemming is; calcu-

latie van prijzen wordt bevorderd door gelijkheid van

voorwaarden
2)
Partijen zullen al tijdens de onderhande-

lingen weten welk recht gelden zal. De wet van de plaats

van contractsluiting, bij correspondentiecontracten niet

steeds op uniforme wijze bepaalbaar, heeft dan haar

vroegere betekenis verloren.

Dat het zwaartepunt bij de activiteit van de verkoper
ligt, vindt ook zijn uitdrukking in de regeling van art. 3

lid 1 slot; valt de beslissende handeling, het ontvangen

van de order, bij een ,,établissement” (wij geven de ver-

taling ,,kantoor” voor beter) van de verkoper in een ander

land, dan is de wet van dat land toepasselijk. De reden

waarom men hier het zwaartepunt verlegt, is dat de ver-

koper zijn Organisatie heeft gedecentraliseerd en dat

kennelijk het betrokken kantoor meer dan het hoofdkan-

toor met de transactie te maken heeft. Wilde men met alle

varianten rekening houden, dan zou de regeling veel

Zie ,,E.-S.B.” van 15 april 1959.
Vgl. aldus voor de wet van de verkoper 0. Lando, Scan-
dinavian Conflict of Laws Rules respecting Contracts, American
Journal of Comparative Law 1957, blz. t.

ingewikkelder zijn geworden; men had dan bijv. ook waar-
de moeten toekennen aan de plaats van werkelijke of over-

eengekomen levering.

De gehele regeling van art. 3 is te zien als een vereen-

voudigd schema, dat met de belangrijkste aanknopings-

punten rekening houdt, met het voordeel van voorspel-

baarheid der beslissing en de mogelijkheid van contrac-

tuele afwijking. Vooral als het gaat om voorrang voor

het hoofdkantoor of het buitenlandse bijkantoor van de-

zelfde verkoper, of over nabestellingen bij het hoofdkan-

toor die men onder hetzelfde contract wil brengen, zullen

de beide kantoren wel moeten letten op de vraag, welk

recht gelden zal.

Indien verkopersrecht geldt, zal de Europese expor-

teur tevreden
zijn.
Omgekeerd zal hij die importeert uit

een land met een ontwikkeld en bekend rechtstelsel in

de regel geen bezwaar maken tegen de wet van de buiten-

landse wederpartij. De statistiek leert, welk hoog per-

centage van de Nederlandse invoer uit de E.G.K.S.-

landen komt. Maar men denkt ook aan rijst uit Thailand,

sisal uit Afrika, hout uit Rusland, huiden uit Chili, copra

uit Indonesië. De vrees is uitgesproken, dat de importeur

zich zou onderwerpen aan onbekend recht in onderont-

wikkelde landen. Er wordt daar echter veel Engels of

Frans recht toegepast, of Europese deskundigen hebben

een codificatie naar Westers model ontworpen (Libanon,

Iran, Ethiopië, Vietnam). Ook kopen Europese importeurs

dikwijls van hun in die landen gevestigde dochteronder-

nemingen, zodat zij de bepaling van het toepasselijk recht

in eigen hand hebben.

En overigens: het karakter van rechtsregel brengt

gelijkheid van partijen en wederkerige toepassing mede.

Naarmate de betekenis van Aziatische en Afrikaanse lan-

den op economisch of politiek terrein toeneemt, zal de

verkoper daar het eigen recht willen laten gelden voor

zijn exporten en minder gemakkelijk berusten in vonnis-

sen waarin Europees recht is toegepast, hoewel het juri-

disch zwaartepunt bij de verkoper ligt. Dit wordt ver-

sterkt, naarmate de rechters der niet-Westerse landen

320

meer in de geschillen zouden worden betrokken. Deze

ontwikkeling zou zich ook zonder Verdrag kunnen voor-

doen, indien de Europese rechter van de thans bestaande

vrijheid gebruik maakt en te gaarie een Europees aan-

knopingspunt (contractsluiting, levering, gebruikte taal)

beslissend zou achten. Van deze gedachte van billijke en
rechtvaardige wederkerigheid in de behandeling van pri-

vaatrechtelijke contracten vraagt het Verdrag de erken-

ning. Is eenmaal het denkbeeld van een rechtsregeling

aanvaard, dan is het duidelijk dat men daarbij niet van-
daag de belangen van de exporteurs en morgen die van

de importeurs kan laten voorgaan en dat aan conjunc-

tuurinvloeden geen plaats kan worden ingeruimd.

Ik laat hierbij terzijde de door Mr. De Baat opge-

worpen en door Mr. A. S. Fransen van de Putte in W.P.

N.R. 4516 uitgewerkte vraag, of arbiters, recht doende

als goede mannen naar billijkheid, mogen afwijken van

het volgens het Verdrag toepasselijke, voor hen niet ge-

makkelijk vast te stellen buitenlandse recht, en of langs

die weg de taak van arbiters in Nederland zou worden

verlicht. Anderen zijn van mening dat aan de goede man-

nen naar billijkheid slechts weinig vrijheid van afwijking

toekomt (vgl. Prof. Cleveringa in Arbitrale Rechtspraak

no. 372).
1
1

In art. 3, lid 2 wordt de wet van het land van de ,,ré-

sidence habituelle” van de koper – of diens ,,établisse-

ment” dat de order heeft geplaatst – toepasselijk ver-

klaard, wanneer de order in dat land is ontvangen door

de verkoper of – in het algemeen – diens vertegenwoor-

diger. Hier geeft niet de positie van de verkoper de door-

slag, maar de vestiging van de koper tezamen met het

feit, dat de verkoper of diens vertegenwoordiger zich

daarheen heeft begeven. Men vond deze uitzondering

billijk, ook in het belang van de kleine kopers. Het ont-

vangen van de order betekent wederom, dat bij het bepa-

len van de toepasselijke wet het gehele gebeuren van de

contractsluiting in één feitelijk moment wordt gefixeerd,

waardoor men de onzekerheid vermijdt, verbonden aan de

vaststelling van de plaats en het moment van ,,contract-

sluiting”. Overigens: de partij die stelt dat de order in

het land van de koper is ontvangen, zal dit feit moeten

bewijzen; faalt hij daarin, dan zal volgens de hoofdregel

verkopersrecht gelden.

Is het een bezwaar, dat Nederlandse verkopers, wier

vertegenwoordiger buitenslands verkoopt (evenals Neder

landse kopers die buitenlandse verkopers bezoeken), op
deze wijze onder vreemd recht vallen? Maar dat zal ook

tegenwoordig reeds gebeuren, wanneer, zoals hier, het

zwaartepunt in het buitenland ligt.

Er is gezegd, dat Jaarbeurs-usances zouden meebrengen

dat, bij verkoop in Nederland door een buitenlandse

verkoper, het recht van de verkoper geldt. Maar dan is

er in zulke gevallen ook ,,rechtskeuze”, als uit de bepa-
lingen der overeenkomst blijkt dat dit gebruik geldt. En
anders kan het niet moeilijk zijn dit punt in het contract

te voorzien.

Er is gewezen op nabestellingen, op een contract dat

onder’ kopers-recht valt, rechtstreeks bij het kantoor

van de verkoper, waarbij verschillend recht zou gelden
voor gedeelten van wat eigenlijk één contract is, en op

het geval van twee identieke contracten met twee kopers,

door of namens de verkoper in verschillende landen ge-

sloten. Men vergete echter niet dat de aanknopingspunten

dan verschillend zijn en dus rechter of arbiter, ook thans

reeds, verschillend recht kan toepassen; men moet ergens

een grens trekken. Belanghebbenden gaan door het Ver-

drag geen stap achteruit; zij gaan vooruit, omdat zij te-

voren weten welk recht geldt. En ook hier is het niet moei-

lijk een rechtskeuze te doen, vooral bij nabestellingen en

als het niet meer een nieuwe relatie betreft maar een onder-

nçming waarmede men eerder zaken heeft gedaan.

rR
IT
LK

In het Verdrag is niet een definitie van de internationale

koop (,,vente â caractère international”) opgenomen;

in 1951 was het Prof.
Meijers
die het eerst voorstelde,

te spreken van ,,ventes internationales” in plaats van

,,conflits de bis en matière de vente” (Actes 1951, blz. 19).

Iedere koop met een internationaal element valt eronder,

behoudens, volgens art. 1 lid 4, dat de enkele verklaring

nopens de toepasselijkheid van een wet of nopens de

bevoegdheid van een rechter of scheidsman aan een koop

niet het internationale karakter kan verlenen; hiermede

wordt tevens wetsontduiking tegengegaan. De Scandina-
vische gedelegeerden hadden in 1951 aanvankelijk voor-

gesteld, een beperkende definitie op te nemen, door de

eis van vestiging van partijen in verschillende landen te

stellen, maar dit amendement werd afgewezen en de vol-

gende dag is de tegenwoordige, ruime tekst aanvaard met

13 tegen 1 stem (Groot-Brittannië) en 2 onthoudingen

(Italië – dat nu geratificeerd heeft – en Japan).

Ook bij gelijke nationaliteit en domicilie ‘van partijen

zal, bij een koop van buitenslands liggende, of varende,

buy. c.i.f. buitenlandse haven te leveren, goederen, of van

goederen die buitenslands moeten worden betaald, de

vraag van het’ toepasselijk recht gaan spelen. Dit is ‘ook

een internationale koop. Maar indien het buitenlandse

element zwak is, zullen de binnenlandse of ,,interne”

elementen overwegen, en het juridisch resultaat zal bij

toepassing van de Verdragsregels hetzelfde zijn als bij een

,,interne” koop.

Er zijn met deze ruime werkingsomvang twee voordelen

gewonnen. Men heeft slechts met één stelsel van inter-

nationaal privaatrecht te maken, terwijl, bij een beperkte

omschrijving, de gevallen met een ,,zwak” buitenlands

element, zouden worden onderworpen aan het ,,gewone”

internationaal privaatrecht, dat de rechter buiten het

Verdrag zou toepassen. En in de tweede plaats profiteert

men nu voor de gehele internationale koop van de vrijheid

van rechtskeuze van art. 2.

Om deze redenen is het eveneens ongewenst, dat de

,,internationale koop” zou worden uitgelegd in de zin van

het Ontwerp-Uniform kooprecht van het Instituut van

Rome. Dat Ontwerp trekt de grens aldus, dat partijen in

verschillende Staten gevestigd moeten
zijn,
en tevens één
van de 3 volgende voorwaarden vervuld is: 1. transport

van het goed over een grens; 2. aanbod en aanneming van

het aanbod verdeeld over twee (of meer) Staatsgebieden;

3. levering in een andere Staat dan contractsluiting.

Bij dit Ontwerp vallen vele transacties met een inter-

nationaal element buiten de tekst. Men zal altijd moeten

controleren of de voorwaarden vervuld zijn; zo niet,

dan wijst het internationaal privaatrecht van de rechter,

dat onafhankelijk van het Verdrag an Rome zou gelden,

de toepasselijke wet aan. Twee systemen naast elkander.

Het zou ook, naar mijn mening, onjuist zijn, de definitie

321

van Rome, die met moeite als compromis tot stand ge-

komen is, bij wijze van interpretatie van het Haagse Ver-

drag toe te passen; het Ontwerp van Rome is in geheel

andere organisaties ontstaan, slechts zijn enige juristen

bij de beide voorbereidingen als gedelegeerden betrokken

geweest.

Hieraan worde nog toegevoegd dat het recht betreffende

deviezen, goudclausules en andere onderwerpen van mo-

netaire en economische aard (in- en uitvoer) buiten het

Verdrag staat. Men was het daarover ter Conferentie

volledig eens, al kon men over geen van de precieze for

muleringen van de uitsluiting’ een meerderheid tot stand
brengen. Het gaat hier om bepalingen van administratief

recht van een sterk dwingend karakter, die wel invloed

hebben op de uitvoering van verplichtingen van koper of

verkoper en dus bijv. op de vraag of er al dan niet over

macht is, maar die liggen buiten het kooprecht. De rechter

moet vrij zijn in de beoordeling van de betekenis van
dergelijke overheidsmaatregelen. Hij blijkt ook thans

reeds verschillend te oordelen, al naarmate het betreft

voorschriften uitgevaardigd in zijn eigen land of in het

land welks recht het contract beheerst of een derde land

waar bijv. alleen de betaling of de levering plaatsvindt.

Ook blijft een beroep op de openbare orde open (art. 6).

nN

Er zijn nog enkele vormen, waarvan de handel zich

veel bedient en waarbij moet- worden nagegaan, of het

Verdrag invloed heeft. Dit zijn de kettingcontracten of

filières, ook aangeduid onder benamingen zoals doorver-

koop, doorgave, contractovername, en de termijnhandel,
al dan niet met tussenkomst van een liquidatiekas. In het
algemeen is de figuur deze dat de eerste verkoper aan de
laatste koper levert en de tussenliggende partijen onder-

ling afrekenen. Het behoort zo te zijn dat de contracten

onder hetzelfde recht vallen. Staat nu uit de inrichting

n het contract, identiteit van condities, gebruikte taal,

betalingsregeling, vast, dat partijen een dergelijke fihière

hebben beoogd, dan is dit o.i. aan te merken als een on-

twijfelbare rechtskeuze, in de zin van het Verdrag, ten

gunste van de wet die het eerste contract beheerst, onge-

acht of deze wet toepasselijk was door rechtskeuze in

dat eerste contract of krachtens de werking der overige

Verdragsregels.

Voor de termijnhandel ter beurze en de aldaar inge-

schreven of aangemelde contracten is, krachtens art. 3

lid 3, het recht van het land waar de beurs gevestigd is,

van toepassing, eveneens behoudens afwijkend beding,

zodat ook hier, krachtens de gelijkheid van condities

en reglementen, identiteit van recht voor de achtereen-

Overweegt U eens ook

E.-S.B.

in Uw publiciteit te betrekken ii!

volgende contracten zal’
blijven
gelden. Men gaat dus

door het Verdrag in geen opzicht achteruit. Staan in een

bepaald geval de contracten werkelijk los van elkander,
‘dan is het ook niet ofïredeljk, dat bij verschil in aankno-

pingspunten verschillend recht geldt; zo zou ook thans

reeds door arbiters of rechters worden beslist.

MR

Wij eindigen nu met twee algemene gezichtspunten.

Het eerste is, dat het Verdrag vanzelf zowel de partijen

als rechters en arbiters meer dan tevoren bewust zal ma-

ken van de vraag, of eigen of vreemd recht geldt. Het

toenemend internationaal verkeer brengt dit mede. De

Europese integratie zal het proces zelfs versnellen. Verge-

lijkt men de buitenlandse jurisprudentie met de altijd

nog vrij schaarse Nederlandse, dan ziet men de frequentie

der gevallen van toepassing van buitenlands recht, en dit

ondanks het feit dat men gewoonlijk aan dit punt niet

toekomt, omdat partijen hetgrootste deel van hun rechten

en verplichtingen reeds in hun contracten geregeld hebben.

De
wijze
waarop de inhoud van vreemd recht wordt

vastgesteld is hier en elders verschillend. Ik kan de landen,

waar vreemd recht door getuigen bewezen moet worden,

niet gelukkig prijzen, evenmin die, waar de rechter bij

gebreke van zekerheid maar aanneemt dat het vreemde

recht gelijk is aan het eigene. Het Nederlandse stelsel,

wâarbij de rechter, voorgelicht docr de raadslieden van

partijen, zelfs ambtshalve, vreemd recht toepast, is m.i.

juister. In het zeerecht gebeurt dit regelmatig. De weder-

zijdse informatie door juridische instituten wordt gedurig

efficiënter. Dat het vreemde kooprecht soins moeilijk
raadpleegbaar zal zijn, kan niet worden betwist, maar

moet door hen, die hebben nagelaten een rechtskeuze te

doen, in de koop worden toegenomen. Zij ontkomen

aan dit probleem ook niet buiten het Verdrag, door, erop

te spelen, dat de rechter – hier of in een ander wereld-
deel – wel Westers recht zal willen blijven toepassen.

De tweede opmerking betreft het uniforme kooprecht

van Rome. Het is waar dat voor deze veel verder gaande

unificatie met 113 artikelen veel werk verzet is; sedert

de eerste conferentie tussen Regeringsvertegenwoordigers

in november 1951 heeft een internationale Commissie

een nieuw ontwerp opgesteld, dat na raadpleging der

Staten aan een tweede Conferentie zal worden voorge-

legd. Doch – afgezien hiervan dat er, naast uniform récht

voor een aantal Staten, altijd behoefte aan conflicten-
regels bestaat – er is geen reden om te wachten tot dat

uniforme recht gereed is. Het Ontwerp van Rome heeft

een beperkte werkingssfeer. Ook raakt het telkens aan

de regels van het oiereenkornsten- en verbintenissen-

recht in het algemeen, dat nationale verschillen zal blijven
opleveren. De voorstanders van een codificatie van inter-

nationaal privaatrecht, zoals die in het Verdrag van Den

Haag, oordelen dat de nationale stelsels van algemeen

burgerlijk recht nog zôzeer van elkander afwijken, dat het

beter is thans nog het interne kooprecht van elk land te

eerbiedigen, en tevreden te zijn met verwijzingsregels,

waarbij elk koopcontract wordt toegewezen aan de wet

van het land, waar het zijn zwaartepunt heeft. Zo doet

het Verdrag voor de internationale koop van
1955,
dat

in zijn overzichtelijkheid en souplesse een rechtvaardige

regeling biedt, waarmede het bedrijfsleven in ruime mate

zijn voordeel kan doen.

Amstelveen.

.

J. OFFERHAUS.’

322

Van de zijde van de Nederlandse industrie is
aan een vaste industriële commissie, bestaande uit
deskundigen op het gebied
van de industriële
eigendomsrechten, verzocht
haar standpunt ken-
baar te maken
omtrent de positie van deze rech-
ten onder het Euromarkt.verdrag. Deze commis-sie, ,,Studiecommissie Industriële Eigendom” ge-
heten, heeft een rapport opgesteld en dit bespro-
ken o.a. met de betrokken
ambtelijke instanties.
De redactie
is met haar van mening, dat het aan-
beveling verdient dat ook alle anderen, die be-
lang stellen in de industriële eigendomsrechten,
kennis kunnen nemen van het onderhavige onder-
werp en van de daaromtrent bestaande opvattin-
gen. In onderstaand artikel geven
schrijvers daar-
toe, namens de ,,Studiecommissie
Industriële
Eigendom”, een uiteenzetting, welke bedoeld is als
een eerste bijdrage over de betreffende materie.
Geconcludeerd wordt, dat het normale gebruik
van de nationale octrooien en merken niet is aan-
getast door de artikelen 85.
en 86 van het Euro-
markt-verdrag.

Ina

1

ustriele

eigendomsrechten

ende

mededingiii gs-

bepalingen uit het

Euromarkt-verdrag

De plaats van de
industriële eigendomsrechten op het terrein
van de mededinging.

Industriële eigendomsrechten – hierna te noemen I.E.

– zijn uitsluitende rechten, die door of krachtens de Wet

worden verleend en aan de rechthebbenden een verbods-

recht geven. Deze kunnen buy, aan derden het gebruik van

een geoctrooieerde uitvinding of van een merk verbieden,

waardoor zij in bepaalde opzichten een beperking van de

vrije mededinging teweegbrengen.

Voor zover wettelijke voorzieningen op het stuk van de

mededmging beogen in het algemeen belang grenzen te

stellen aan de mogelijkheid tot beperking van de vrije mede-

dinging, kan er sprake zijn van een tegenstrijdigheid tussen

de I.E. en het mededingings,recht, die een afbakening van

grenzén nodig maakt.

Tot dusverre is men in de zes Lid-Staten van de E.E.G.

zeer voorzichtig geweest met de toepassing van het recht

op de mededinging ten aanzien van de uitoefening van de

I.E. Dit wekt geen verwondering, want ook de I.E. vormen

een belangrijk rechtsgoed, en de bestaande wettelijke voor-

zieningen op dit gebied zijn reeds een compromis tussen

het algemene en het particuliere belang.

De octrooiwetten, die in de verschillende Lid-Staten be-

staan, beogen door het verlenen van octrooien het doen

van uitvindingen te bevorderen en het geheimhouden

daarvan te voorkomen. Door de bescherming, die de oc-

trooihouder krachtens de octrooiwet geniet, behoeft hij

nl. zijn uitvinding niet langer geheim te houden uit vrees
voor navolging. De publikatie van octrooien is van alge-

meen belang, want hierdoor kunnen anderen op het werk

van de uitvinder voortbouwen. De octrooibescherming

heeft het mogelijk gemaakt enorme bedragen te investeren

om laboratoria op te richten voor het doen van wetenschap-

pelijke en toegepaste research, waarop de snelle industriële

vooruitgang steunt. Deze bescherming maakt het verder

lonend de investeringen te doen, nodig voor de ontwikke-

ling van de uitvindingen en de industriële realisatie daarvan.

Ook het voeren van merken van enige betekenis vergt

investering van grote bedragen, waartoe men niet zou

overgaan, indien men deze uitgaven niet rendabel zou kun-

nen maken door middel van het uitsluitend recht tot ge-

bruik van die merken. Het uitsluitend karakter van dit

recht maakt, dat het merk kan dienen als een middel tot

blijvende individualisering van de waar, zodat het voor het

publiek een kenteken vormt ter onderscheiding van de
waar van de één van die van een ander. Dit heeft weer

ten gevolge, dat het voor de merkenhouder lonend is grote
zorg aan de fabricage en de verkoop van zijn produkten te

besteden. Oneerlijke concurrentie wordt bemoeilijkt en
verwarring bij het publiek voorkomen. De bescherming

van een merk is dus onmisbaar voor de – kostbare –

krachtige ontwikkeling ervan en deze ontwikkeling leidt

tot verhoging van de prestaties van fabrikant resp. hande-

laar en tot een harmonische ohtwikkeling van de markt.

De I.E. hebben dus een goede en eigen rechtsgrond en

nemen daardoor een afzonderlijke plaats in op het terrein

van de mededinging. Het is dan ook wenselijk, dat het

bestaan van de I.E. wordt gehandhaafd en dat een zodanige

uitoefening ervan mogelijk zal zijn, dat er een sterke

stimulans aanwezig blijft deze rechten te verwerven. Dit

kan alleen, indien een normale uitoefening mogelijk is.

Op deze
wijze
zullen de doeleinden van het Euromarkt-

Verdrag (hierna te noemen E.V.) – de harmonische ont-

wikkeling van de economische activiteit binnen de gehele

Gemeenschap, een gestadige en evenwichtige expansie, een

grotere stabiliteit en een toenemende verbetering van de

levensstandaard (zie art. 2 E.V.) – het beste worden be-

vorderd.

In hoeverre hebben de artt. 85 e.v. E.V. invloed op de I.E.?

Allereerst dient onderscheiden te worden tussen de in-

vloed op de verkrijging en verlening van de I.E. enerzijds

en op haar gebruik en handhaving anderzijds.

A.
Verkrj/ging en verlening.

Onder ,,verkrijging en verlening” moet hier worden

begrepen het doen ontstaan van I.E. volgens de in de wet

daartoe aangegeven
wijze.
De tekst van de artt. 36 en 106

323

sub Bijlage III

van het E.V. bevestigt te allen overvloede,

dat men in dit verdrag het bestaan van industriële eigen-

domsrechten heeft aanvaard. In geen van de artikelen van

het verdrag – met name niet in de artt. 85 en 86 – heeft
men bepalingen opgenomen, die betrekking of invloed

hebben op de verkrijging of verlening van deze rechten.

Deze verkrijging of verlening wordt dus door het verdrag

niet aangetast.

B. Gebruik en handhaving van I.E.

Worden nu het gebruik en de handhaving van de I.E.

wèl door de artt. 85 e.v. van het verdrag aangetast? Ook

dat is in het E.V. nergens uitdrukkelijk bepaald. De tekst

van art. 85 is vrijwel geheel overgenomen van art. 65-1

van het E.G.K.S.-verdrag, terwijl art. 86 E.V. op art. 66-7
van het E.G.K.S.-verdrag is geïnspireerd. Dit is geschied,

nadat de Hoge Autoriteit als haar mening had uitgespro-

ken, dat afspraken, welke uitsluitend betekking hebben

op de exploitatie van octrooien, niet als een beperking van

de normale werking van de concurrentie moeten worden

beschouwd (het vierde Algemene Verslag over de Werk-

zaamheden van de Gemeenschap betreffende de peri9de

11 april 1955 —8 april 1956, blz. 173).

Voorts worden de I.E. in de artt. 85 en 86 nièt met nime

genoemd. Had men beoogd door middel van deze artikelen

de mogelijkheden tot uitoefening en gebruik van’ de I.E.

aan te tasten in het belan’g van een Vrije mededinging, ‘dan

had vermelding daarvan niet achterwege kunnen blijven.

Een dergelijke aantasting zou immers in werkelijkheid een –

wezenlijke verkorting van de I.E. zelve betekenen, aange-

zien deessentie der I.E. nu juist is de uitsluiting van Vrije

mededinging op een bepaald gebied.

Verder moet er op worden gewezen, dat het als hoofd-

regel in art. 85 neergelegde verbod, voor zover het con-

tractuele bedingen betreft, uitsluitend geldt voor bedingen,
welke onder andere ,,ertoe strekken of ten gevolge hebben,

dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt

wordt verhinderd, ‘bepçrkt of vervalst”. Hoezeer nu in

licentie-overeenkomsten aan het recht tot gebruik van een

octrooi of merk zekere beperkingen plegen te worden ver-

bonden, zonder de licentie-overeenkomst zou het gebruik
van het octrooi ôf merk volstrekt ongeoorloofd zijn. Der-

halve wordt door de licentie op zichzelf het gebied, waarop

de mededinging mogelijk is, verruimd. Dientengevolge

vallen de bedingen, die de licentiehouder slechts beperkën

ten aanzien van hetgeen hem zonder de licentie in het geheel

niet zou hebben vrij gestaan, in beginsel buiten het door

art. 85 bestreken gebied.

Zou men nu menen, dal de voorbeelden genoemd in

art. 85 enige aanleiding tot twijfel geven, dan vergeet men,

dat deze voorbeelden de bedingen betreffen die de mede-

dinging binnen de gemeenschappelijke markt beperken,

dus in beginsel niet de bedingen omvatten, welke aan

licenties worden verbonden, aangezien die juist – als

bovén betoogd – de mededinging verruimen. –

Dat deze voorbeelden niet als toepasselijk op licentie-
contracten bedoeld kunnen zijn, blijkt overigens ook uit –

de consequenties, die optreden indien zij daarop wel worden

toegepast. Het sterkst spreekt wellicht het in art. 85 sub 1 b)

vermelde voorbeeld betreffende bedingen, bestaande in

,,het beperken of controleren van de productie, de afzet,

de technische ontwikkeling of de investeringen”. Dit zou

bij toepassing op licentiecontracten betekenen’, dat het een

licentiegevér zou zijn verboden zijn toestemming tot ge-

bruik van een octrooi of merk te beperkn tot bijv. een

bepaald produkt of een bepaalde hoeveelheid. Een derge-

lijk verbod zou onredelijk zijn. Heeft men eenmaal het

recht om het gebruik van een octrooi of merk algeheel te

verbIeden of toe te staan, dan spreekt het welhaast vanzelf,

dat men ook partiële en voorwaardelijke toestemming kan

verlenen. De toeiatbaarheid van dergelijke hedingen als

onderdeel van licentiecontracten wordt dan ook in alle

Lid-Staten zonder uitzondering erkend. Ook bljken de

praktijk zijn zij van essentieel belang bij de exploitatie van

I.E. Het schijnt mitsdien uitgesloten – gegeven de omstan-

digheid, dat de I.E. een verworven rechtsgoed vormen, van

grôot belang voorde technische en economische ontwik-
keling in het gehele Europese gebied -, dat ook maar één

der Lid-Staten de bedoeling zou hebben gehad of bereid

zou zijn de toelaatbaarheid van dergelijke bedingen aan te
tastén op een wijze als de toepassing daarop van de in art.

85 vermelde voorbeelden zou medebrengen.

Volledigheidshalve zij voor de vraag, of het gebruik en

de handhaving van de industriële eigendomsrechten door

artt. 85 en 86 worden aangetast, nog gewezen op de artt. 222

en 234 E.V. Het eerste bepaalt, dat de regeling van het

eigendomsrecht onverlet blijft. Het tweede bepaalt, dat de

rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de tractaten,

gesloten tussen één of meer Lid-Staten enerzijds en één

of meer derden anderzijds, door de bepalingen van het

E.V. niet worden aangetast. Dit geldt ook voor de inter-

nationale regeling betreffende de I.E., neergelegd in de

Conyentie van Parijs van 1883, waartoe elk der zes Lid-

Staten en bovendien iiog een dertigtal andere Staten zijn

toegetreden. De regels van de Conventie zijn terug te vinden

in de nationale wetgevingen van de Lid-Staten en gaan uit

van het recht tot normale uitoefening van
I.E.

Op grond van het vorenstaande kan geconcludeerd wor-

den, dat het enerzijds stellig niet de bedoeling is geweest

in te grijpen iii het gebruik en de handhaving van de’I.E.,

doch dat men wellicht zou kunnen menen, dat de tekst

van de artt. 85 en 86 enige ruimte voor twijfel laat.

Voorstel.

Ter voorkoming van rechtsonzekerheid is het dan ook

gewenst, dat elke ruimte voor
twijfel
wordt uitgesloten en

een normale uitoefening van I.E. gewaarborgd is. In artikel

87 E.V. is de mogelijkheid voorzien om nadere verorde-
ningen of richtlijnen vast te stellen, dienstig voor de toe-

passing van de beginselen neergelegd in de artt. 85 en 86.

Voorgesteld wordt om m een krachtens art. 87 vast te stel-

len verordening te bepalen, dat de normale uitoefening

van I.E. door de artt. 85 en 86 onverlet wordt gelaten. Een

dergelijke bepaling zal als volgt kunnen luiden:

,,De artt. 85 en 86 E.V. zijn niet van toepassing op ge-
dragingen, overeenkomsten en besluiten, welke kunnen worden beschouwd als een in handel en nijverheid nor-maal gevolg van de door de nationale wetgevingen ver-
leende rechten van industriële eigendom”.

Deze regel leidt, voor zover kon worden nagegaan, tot

redelijker uitkomsten dan enige andere oplossing. De

juiste betekenis ervan dient, wat licentie-overeenkomsten

betreft, te zijn, dat als ,,normaal gevolg” onder andere elk

beding geldt, dat de licentiehouder slèchts beperkt ten aan-

zien van hetgeen hem zonder de licentie in het geheel niet.

zou hebben vrij gestaan. Vanzelfsprekend zal een dergelijk

beding bovendien niet in strijd mogen zijn met de toe-

passelijke nationale wetten betreffende de I.E. en voorts

naar zijn aard of volgens het handels- of industrieel gebruik

verband moeten houden met de exploit4tie van het be.

324

In
dit artikel worden enkele resultaten
vermeld

van de Algemene Wereldtentoonstelling te Brus-

sel 1958. Allereerst geeft schrijver cijfers over het

totaal aantal bezoeken en over
de belangstelling

voor verschillende paviljoens. Daamaworden ge-

gevens verstrekt over de bijdrage van het buiten-
lands bezoek tot het succes
van de tentoonstelling

en de betekenis geschetst van dit vreemdelingen-

verkeer voor, het Belgisch hotelbedrijf. Vervolgens

gaat schrijver uitvoerig na, welke
invloed de we-

reldtentoonste!ling op het Belgische transportwezen

heeft uitgeoefend. Wat de exploitatie der tentoon.

stelling zèlf betreft – pas over enke’e maanden

zal eén
definitiese balans
kunnen worden .opge-

maakt – deelt schrijver mede, dat de financiering

dezer manifestatie vlot is verlopen. In plaats van

de 450 mln. B.fr., zoals .aanvankeljk ivas ver-

wacht, heeft de tentoonstelling 778 mln. B.fr. aan

inkomsten opgeleverd.

De Algemene Wereldtentoonstelling te russe1 1958 werd

gesloten op zondag 19 oktober 1958. Nog worden gretig

door de pers allerlei nieuwtjes omtrent deze manifestatie

gepubliceerd en specialisten in allerlei vakken informeren

naar de praktische resultaten. Pas over enkele maanden

zal men een definitieve balns kunnen opmaken, doch

nu reeds zijn een aantal cijfers en feitelijke gegevens be-

schikbaar, welke interessante aanduidingen inhouden.

Het totaal aantal bezoeken dat geregistreerd werd aan

de verschillendë toegangspoorten beloopt 41.454.412. Hier-

aan moeten verscheidene honderdduizenden worden toe-

gevoegd, die het Tentoonstellingsterrein betraden via de

Foildoristische Wijk; er geschiedde immers geen telling

aan de poort die vanuit ,,Vrolijk België” .toegang ver-

Enkele

resultaten

• van cle

Tentoonstelling

,te Brussel

schafte tot de eigenlijke Tentoonstelling
1).
Het is duidelijk

dat het hier gaat om
bezoeken
en niet om personen. Dat

heel wat bezoekers talrijke malen naar de Tentoonstelling

zijn gegaan; blijkt uit het feit dat 207.577 abonnementen

1)
Stippen we aan dat de Folkloristische Wijk ,,Vroljk België”
naar schatting ruim
5
mln. bezoeken ontving (ca. 4,5 mln.
individuele tikketten werden afgeleverd çn ca. 15.000 abonne-
menten). Het is echter duidelijk dat talrijke bezoekers die de
avond in ,,Vrolijk België” gingen doorbrengen, waar ëen af-zonderlijk toegangsrecht moest betaald worden, niet telkens daarenboven de Tentoonstelling bezochten. Dit is o.a. ,waar
voor de inwoners van Brussel die tijdens de tentoonstellings-
maanden zich gingen vermaken in ,,Vrolijk België” liever dan
een gewoon bezoek te brengen aan de bioscoop of de schouw-
burg.

(vervolg van blz. 324)

trokkén uitsluitend recht of vari de door dit recht bescherm-

de goederen of diensten.

Voor het overige zal bij de interpretatie van het begrip

,,normaal gevolg” moeten worden gelet op in dergelijk

verband algemeen geldende normen en op de – op het
moment van beoordeling – gevestigde gebruiken. Ten

slotte kan de betekenis van dit begrip eventueel nog nader

worden bepaald door opsomming van een aantal concrete

voorbeelden. Daartoe ontbreekt hier de plaatsruimte.

Aanpassing van de I.E. aan het wezen van de E.E.G.

De huidige I.E. hebben een werking, beperkt tot het

nationale grondgebied van elk der Lid-Staien, zodat de

uitoefening ervan bepaalde belemmeringen in de handel

tussen cle Lid-Statën kan opleveren. Het is vaarschijnljk,

dat verdere uitbreiding van de Europese integratie met

zich zal brengen, dat deze vooralsnog bestaande wettelijke
beperking tot het nationale grondgebied geleidelijk aan zal

worden verzacht en wellicht uiteindelijk geheel zal ver-
dwijnen. Zulks kan echter uiteraard niet worden bereikt

door hantering van de bepalingen van artt. 85 en 86 E.V.

Het behoeft geenszins te verwonderen, dat de huidige

tekst van het E.V. nog niet voorziet in een aanpassing van
de I.E. aan het wezen van de E.E.G. Deze tekst vormt im-

mers pas een eerste stap op de weg naar Europese econo-
mische.integratie. De weg voor verdere aanpassing wordt

intussen wel reeds door het E.V. aangegeven. De artt. 100

en 101 E.V. voorzien namelijk uitdrukkelijk in het tot

stand brengen van noodzakelijke aanpassingen van de

nationale wetten. Mocht inderdaad blijken, dat met be-

trekking tot de uitoefening van deJ.E. de eisen der praktijk

en de gebruiken zich wijzigen naarmate de Euromarkt

wordt verwezenlijkt, dan is de aangewezen manier tot het

treffen van de nodige wettelijke voorzieningen gelegen in

aanpassing van de nationale octrooi- en merkenwetten,

waarvoor de artt. 100 en 101 dan speciale regelingen be-

vatten. Deze manier bevordert tevens de totstandkoming

van een toch in elk geval wenselijke harmonisatie en unifi-
catie van de nationale octrooi- en merkenw&ten. Alleen op
deze wijze kan een doelmatige en evenwichtige ontwikke-

ling van de J.E. in de zes landen worden verwezenlijkt en

het belang der E.E.G. werkelijk worden gediend.

Mr. Ir. G. OUDEMANS.
Mr. CHR. KOOIJ.
Rotterdam.

• Mr. J. WOLTERBEEK.

325

werden uitgereikt, welke geldig waren voor de gehele duur

van de Tentoonstelling; 42.156 speciale kaarten (met 20,

12 of 8 tikketten) werden gevraagd door jeugdorganisaties
en onderwijsinstellingen; 299.300 toegangskaarten werden

afgeleverd aan de deelnemers aan de congressen welke

aanvaard waren door het Commissariaat-Generaal der

Regering (deze kaarten waren telkens geldig voor de duur

van het bijgewoonde congres d.i. 2 â
5
dagen). Aan de

toegangspoorten zelf werden 7.496.961 tikketten verkocht.

Het grootste aantal toegangsbewijzen werd bijgevoig ge-

plaatst door bemiddeling van reisagentschappen, alsmede
van de spoorwegen, buurtspoorwegen en tramways
2).

Buiten het Commissariaat-Generaal der Regering werd

ook door verscheidene afdelingen der Tentoonstelling

overgegaan tot tellingen en steekproeven, die toelaten de
aantrekkingskracht van de respectieve sectoren te meten.

Wij geven hier slechts enkele cijfers: het Duitse paviljoen

verwelkomde ongeveer 7 mln, bezoekers, het Italiaanse

6,5
het Tsjechoslowaakse 6 mln. De Zwitsers schatten het

aantal bezoekers op 4,5 mln., de Turken op
5
mln.; Argen-

tinië bereikte een zelfde aantal, Joegoslavië 3,5 mln. De

afdeling Israël werd door 2.750.000 personen bezocht, de

Noorse afdeling door 2.250.000. Kleinere afdelingen als

die van de Dominikaanse Republiek en de Filippijnen ont-

vingen toch resp. 2 mln, en 1,2 mln, bezoekers. Van een

groot aantal buitenlandse afdelingen, o.a. de Nederlandse,

zijn echter geen gegevens bekend, daar tot geen enkele

telling werd overgegaan. De internationale afdelingen ken-

den een groot succes, dankzij vooral hun goede ligging en

de talrijke congressen die er werden gehouden; aldus

kwamen 6 mln, bezoekers terecht in de afdeling van de

Verenigde Naties en
5,5
in die van de Europese Gemeen-

schap voor Kolen en Staal.

Het spreekt van zelf dat het hier schattingen betreft,

maar deze blijken te berusten op een zeer ernstige basis,

zoals ook door onderlinge vergelijking kan worden uit-

gemaakt. Eén buitenlandse afdeling beschikt over een pre-

cieze aanduiding, ni. de Britse; om dit paviljoen te ver-

laten moesten alle bezoekers door een draaihek, waar hun

aantal precies kon worden genoteerd: 4.683.257. In de

paviljoenen van de Belgische Afdeling was natuurlijk, wegens

de grotere spreiding en specialisatie, de toeloop geringer.

Hier blijken de volgende sectoren het grootste aantal

bezoekers te hebben gelokt: de voedingsnijverheden

(2.610.000), bosbouw, jacht en visvangst (2,5 mln.), de

textielnijverheid (2.460.000), de tabaksnijverheid (2 mln.),

de elektrische energie
(1,5
mln.), het verkeerswezen

(1.466.430) en de chemische nijverheid (1,2 mln.)
3).

Wat is nu het aandeel van de buitenlandse bezoekers in
het succes van de Tentoonstelling? De enige ernstige aan-

duiding waarover men beschikt om het aantal buitenlandse

bezoekers te ramen, wordt ons verschaft door de tellingen

De Brusselse Tramways plaatsten 2.247.535 Expo-tikket-
ten, de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen
ca. 1.320.000, de reisagentschappen en de buurtspoorwegen
6.312.045. Het bedrag van de tikketten, aan de toegangspoorten
van de Tentoonstelling verkocht, bereikt minder dan 200 mln.
B.fr. op een totaal van 520,5 mln.
Ter vervollediging kan nog meegedeeld worden dat het
Internationaal Paleis der Wetenschappen ca. 2 mln, bezoekers
ontving en het Internationaal Paleis der Schone Kunsten 403.190
(in dit laatste paleis moest een toegangsrecht worden betaald).

waartoe het Nationaal Instituut voor de Statistiek is over-

gegaan. Viermaal werd aan de rijksgrenzen, in de loop

van het jaar 1958, het aantal personen afkomstig uit den
vreemde dat het Belgische grondgebied betrad, geboekt,

telkens gedurende een periode van vijf dagen, waarin geen

zondag of feestdag begrepen was (tenzij in de eerste

periode, die buiten de tentoonstellingsmaanden viel). Deze

vier periodes liepen resp. van 29 maart tot 2 april, van 27

tot 31 mei, van 28 juli tot 1 augustus en van 29 september

tot 3 oktober: De enquête strekte er toe tijdens deze perio-
des alle bezoekers die in België aankwamen per vliegtuig,

per boot, per trein of per wagen te tellen.

Men merkt dat de tweede, derde en vierde telling plaats-

vond tijdens de Tentoonstelling; de eerste geschiedde een

drietal weken• véér de opening. Me’t deze eerste telling

die uitwees dat 235.527 vreemdelingen in België waren

aangekomen
tijdens
de betrokken vijf dagen – werd ge-

zocht naar een basis voor vergelijking met de cijfers die

bij de drie vôlgende tellingen zouden worden verkregen.
Het spreekt vanzelf dat deze basis niet de ideale is, maar

het is nu eenmaal de enige die men nog kon leggen op het

ogenblik dat aan dergelijke tellingen werd gedacht en er

is geen andere referentie voorhanden; ze geeft aan de

andere kant toch in zekere mate waardevolle aanduidingen,

alleszins voor een vergelijking met de resultaten van de

tweede telling. Deze gaf een totaal van 308.578 aankomsten.

Tijdens de derde periode werden 473.974 aankomsten van
vreemdelingen genoteerd en tijdens de vierde 262.740.

Hierin vertegenwoordigen de bezoekers uit de overige

Europese landen voor de vier periodes resp. 96,97 pCt.

(228.388 bezoekers), 93,67 pCt. (289.039), 94,41 pCt.

(447.495)
en 93,49 pCt. (245.629); de bezoekers afkomstig

van het Amerikaanse continent resp. 2,37 pCt. (5.594)

5,58 pCt. (17.206), 4,20 pCt. (19.883) en 4,79 pCt. (12.583).

Onder de Europeanen
blijken
de bezoekers uit Nederland

het talrijkst te zijn geweest;
tijdens
de vier hierboven aan-

geduide periodes vertegenwoordigen ze resp. 21,79 pCt.,

29,57 pCt., 32,63 pCt. en 29,81 pCt. van de buitenlandse

bezoekers; de Fransen volgen met resp. 53,13 pCt., 25,63

pCt., 24,32 pCt. en 27,57 pCt; de Duitsers waren eveneens

zeer talrijk (resp. 10,04 pCt., 22,12 pCt., 14,83 pCt. en

20,49 pCt.). De Britten liggen ver onderaan (resp. 4,64 pCt.,

6,49 pCt., 11,99 pCt. en 5,03 pCt.). In de niet-Europese

groep waren de bezoekers uit de Verenigde Staten het

sterkst vertegenwoordigd (resp. 1,35 pCt., 4,63 pCt., 3,06

pCt. en 3,39 pCt.).

Steunend op deze gegevens kan men, bij wijze van ruwe

schatting, het aantal buitenlandse bezoekers der Ten-

toonstelling ramen op ongeveer 13 mln., d.i. gemiddeld

70.000 per dag. Al duiden deze cijfers niet het aantal per-

sonen van vreemde herkomst aan die de Tentoonstelling

bezocht hebben, mag toch worden aangenomen dat het

grootste deel naar België is gekomen met de bedoeling de

Tentoonstelling te bezoeken, en dat velen onder hen dit

zelfs meer dan eens hebben gedaan.

Van de honderdduizenden toeristen die uit het buitenland

naar België gekomen zijn omwille van de Tentoonstelling

te Brussel, heeft een groot aantal ook de ge1egnheid te

baat genomen om nog andere Belgische steden en gewestert

te bezoeken. De globale cijfers over de overnachtingen in
het hele Rijk zijn nog niet bekend. Voor sommige belang-

rijke centra beschikken we echter wel over de gegevens be-
treffende de tentoonstellingsmaanden (april-oktober). Hier-

uit blijkt dat bijna overal ht totaal aantal overnachtingen

in hotels en ,,logementshuizen” (dit zijn inrichtingen welke

326

niet gemachtigd werden de benaming ,,hotel” te dragen)
aanmerkelijk hoger lag dan tijdens de corresponderende

periode in 1957. Te Antwerpen bijv. werden van 1 april

tot 31 oktober 1958, 333.574 overnachtingen geboekt, t.o.v.

300.654 tijdens dezelfde periode in 1957. Voor de jeugd-

herbergen en kampeerterreinen komt men tot 33.911 over-

nachtingen t.o.v. 16.679 in 1957. Voor Brugge-Zeebrugge

luidt het resultaat als volgt: 176.365 overnachtingen in

1958 (hotels, pensions en hemen) t.o.v. 151.187 in 1957.

Te Gent werden 122.274 overnachtingen geboekt (t.o.v.

86.516 het vorige jaar); hierbij werden 7.131 overnach-

tingen geregistreerd bij particulieren en in een tentenmotel.

In de Oostendse hotels werden 476.235 overnachtingen

genoteerd t.o.v.
426.654
in 1957. Te Mechelen kwam men

tot 43.753 overnachtingen in plaats van 25.341 in 1957.

Te Hasselt tot 16.239 t.o.v. 13.202. Te Leuven tot 28.729

in plaats van 8.278 vorig jaar. Luik, waar een groot aantal

congressen werd georganiseerd, kon 88.424 overnachtingen

boeken, t.o.v. 75.109 in 1957; Spa 42.975 t.o.v. 40.989;

Dinant, dat druk bezocht werd door Engelse groepen,

57.563 t.o.v. 48X42. Namen, dat een drukke publiciteit

voerde in het buitenland, presteerde 65.627 overnach-

tingen t.o.v. 59.938 in 1957.
Deze cijfers zijn overtuigend. Zij bevestigen alleszins de

eerste aanduidingen die voortvloeien uit de bovengenoemde

enquêtes van het Nationaal Instituut voor de Statistiek en

tonen aan dat een aanzienlijk aantal buitenlandse toeristen

in 1958 de Belgische grenzen heeft overschreden. Overigens

moeten deze cijfers worden gesteld tegenover de reële

verkeersstromingen. Inderdaad, het accres in het hotel-

bedrijf is uitsluitend te danken aan de vloed van buiten-

landse’ toeristen, die een niet te loochenen achteruitgang

van het nationaal toeristisch verkeer ruim heeft gecom-

penseerd. Het is immers een algemeen verschijnsel dat de

Belgen minder dan tijdens de vorige jaren buitenshuis ge-

logeerd hebben. Dit is waar voor praktisch alle hierboven

geciteerde centra: te Antwerpen is, voor de periode 1 april-

31 oktober, het aantal overnachtingen van Belgen in hotels
en logementshuizen gedaald van 72.317 in 1957 tot
65.851

in 1958, te Gent van 32.174 tot 24.787, te Luik van 33.828

tot 26.439, te Namen van 28.905 tot 22.953 (steeds over

dezelfde periode). Het meest treffend bewijs wordt echter

geleverd door Oostende waar het aantal overnachtingen

van Belgen in hotels gedaald is van 132.599 tot 116.046,

terwijl het aantal overnachtingen in de kuurinrichtingen

(die uitsluitend door Belgen. bezocht worden) daalde van

41.941 tot 37.982 en het aantal overnachtingen van Belgen

in gemeubileerde villa’s en appartementen, van 296.717

tot 240.571.
Wat logies betreft, dient de activiteit van Logexpo, de

dienst .voor logiesbemiddeling die door het Commissariaat-

Generaal der Regering in het leven geroepen werd, ten
minste terloops te worden vermeld. Van 17 april tot 30

september 1958 werd door toedoen van dit bureau voor
logies aan 212.588 personen een onderkomen verschaft

in hotels (446.435 overnachtingen). Gedurende diezelfde

periode ontvingen de motels via Logexpo 334.350 cliënten
(579.729 overnachtingen). Naar de terreinen voor camping
en caravaning werden door Logexpo 133.700 personen ge-

oriënteerd (334.882 overnachtingen). Gezamenlijk werd

dus, gedurende de bovengenoemde periode, aan 680.638

personen logies verschaft door bemiddeling van Logexpo;

dit vertegenwoordigt 1.361.046 overnachtingen.

Het is duidelijk dat heel wat bezoekers, zelfs uit het

buitenland, hun bezoek aan de Tentoonstelling derwijze

gepland hadden dat zij ofwel buiten Brussel de nacht door-
brachten (wat de boven aangegeven cijfers betreffende het
toeristisch verkeer in de Belgische provinciesteden uitlegt)

ofwel nog dezelfde dag de Belgische grenzen weer over-

schreden. Zo is het bekend dat heel wat Duitse toeristen

bij de heen- of terugreis te Keulen logeerden; ook sommige

centra uit het zuidelijk gedeelt6 van Nederland en uit

Noord-Frankrijk blijken hiermee hun voordeel te hebben

gedaan. –

Het bedrag aan deviezen dat in België werd gebracht

door de buitenlandse bezoekers is moeilijk te schatten. Een

belangrijke aanduiding vindt men echter in de omvang van

de bewerkingen der wisselbureaus welke binnen de om-

heining der Tentoonstelling werden ingericht. Van 17 april

tot 30′ september werden door deze diensten bankbiljetten

en checks omgewisseld voor een totaal bedrag van

379.019.000 B.fr. In de maand september, tijdens welke

de Tentoonstelling 6.571.843 bezoekers ontving, werden

voor 69.837.000 B.fr. bankbiljetten omgewisseld; het be-
drag der travellers checks beliep 23.154.000 B.fr. Hierbij

hadden de U.S. dollar en de Franse frank het overwicht

(resp. voor een bedrag van 27.007.000 en 24.424.000 B.fr.).

Verder naar de orde van belangrijkheid, de Duitse Mark

(15.641.000), het pond sterling (12.233.000), dë Neder-

landse gulden (6.239.000), de Zwitserse frank (2.440.000)

enz.

Buiten he.t hotelbedrijf mag bevestigd worden dat de

transportnijverheid het grootste en meest onmiddellijke

voordeel van de Tentoonstelling heeft ‘ondervonden. Aldus

is de invloed van deze manifestatie op de ontwikkeling

van het luchtverkeer zeer groot geweest. Het aantal pas-
sagiers, vervoerd met de Sabena-toestellen, steeg tussen

1 april en 31 oktober van 406.996 in 1957 tot 610.464 in

1958
)
di. een vermeerdering met 50 pCt. (zie tabel 1).
TABEL 1.

Aantal passagiers vervoerd dor de Belgische luchtlijnen

Periode 1 april-31 oktober

1956

1
1957

1
1958

215.251
286.834 448.317
Inter-Europees verkeer
………..
Helikopter-net a)
……………
.
14.461
33.973

1

45.134
Lijn België-Kongo

………….45.976
50.591
55.919
Lijn België

ver.staten
21.374
35.598
61.094

a) Met uitzondering van de vulgarisatievluchten.

Indien hierbij rekening wordt gehouden met de normale

jaarlijkse stijging van het luchtverkeer, dan mag de ver-

meerdering rechtstreeks veroorzaakt door de Tentoon-

stelling geraamd worden op 45.000 passagiers voor het

inter-Europees verkeer, 1.000 passagiers voor de lijn

België-Kongo en 6.000 passagiers voor de lijn België-

Verenigde Staten, in totaal 52.000 passagiers, met uit-

sluiting van de helikopter-vluchten, waarvan het ontstaan

nog te recent is om toe te laten vaste besluiten te trekken

uit hun ontwikkeling tijdens de duur van de, Tentoon-

stelling. Stippen wij echter aan dat de Tentoonstelling
alleszins een enorme propaganda voor deze vorm van

luchttransport heeft mogelijk gemaakt: op de helihaven

der Tentoonstelling werden nl. van 1 april tot 31 oktober

1958,
63.371 zgn. vulgarisatievluchten geboekt.
Gezien in het licht van de algemeen in het werk gestelde

327

pogingen tot rationalisatie van het ‘luchtverkeer, is ook

de aanmerkelijke stijging van de bezettings-coëfficiënt (ge-

middeld aantal passagiers per vliegtuig ingezet in de regel-

matige
lijnen)
van groot belang (zie tabel 2).

TABEL
2.

Gemiddeld aantal passagièrs per dienst (regelmatige lijnen)


56
1

1957
1

1958

28 30
29
.
28 30
36
30
29
34

april

…………………….
m ei

…………………..

32
.

32
38
juni

……………………
juli

……………………
30
32
39
augustus

……………….
33 30
38
september

……………..
oktober

……………….
27 26 34

De Nationale Maatschappij der telgische Spoorwegen
heeft eveneens een stijging van het personenvervoer ge-

kend. De prestaties van de Spoorwegen in verband met de

Tentoonstelling worden geraamd op ongeveer 285 mln.

reizigers-kilometer. Ter gelegenheid van deze manifestatie –
werden door de N.M.B.S., 1.320.000 Expo-tikketten tegen

verminderd tarief verkocht. Een tariefreductie (35 en

50 pCt.) werd toegekend aan de Expo-bezoekers die bereid

waren te. reizen met treinen die lopen tijdens de minder

drukke uren en op bepaalde dagen (dinsdag, donderdag,

zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen). Dit had een –

aanmerkelijke stijging van het personenvervoer per spoor

tot gevolg. Een enquête gevoerd door de diensten van de

N.M.B.S. heeft uitgewezen dat bij de aankomst te Brussel

van de directe en semi-directe treinen tussen 9 en 12 u.,

5.442.555 reizigers werden geteld van 17 april tot 19 oktober

.1958. Tijdens de overeenkomstige periode werden in 1957

slechts 4.186.390 aankomsten geboekt. Dit toont een stijging

met 30 pCt. aan.

Ook het aantal treinen werd verhoogd; voor het binnen-

landse verkeer werden 3.216 treinen toegevoegd aan het

normale aantal (2.009 supplementaire treinen waren bij

voorbaat in de treingids welke van kracht was van 1 juni

tot 27 september 1958, aangekondigd; 1.207 speciale

treinen werden bovendien ingelegd wanneer de behoefte

hieraan zich deed gevoelen). In het internationaleverkeer

‘werden 1.376 supp1ementaire en speciale treinen ingelegd.

In het totaal reden dus op het Belgische net 4.592 treinen

meer dan in een normale zomerperiode. Toch is het duide-
lijk dat de bezettingscoëfflciënt der treinen grotelijks werd

beïnvloed, vooral sinds 17 mei, toen bovengenoemde reduc-

ties op het tarief werden ingevoerd.
De pakketboten Oostende-Dover hebben van hun kant

ervaren dat de Tentoonstelling de jaarlijkse stijging in het
personenvervoer tussen het vasteland en Groot-Brittannië

nog heeft geaccentueerd. Elke maand werd een aanmerke-

lijke verhoging geconstateerd en
in
1958 heeft de maat-

schappij dan ook voor het eérst sinds haar stichting, meer

dan een eeuw geleden, meer dan 1 mln. passagiers ver-

voerd. Het aantal wagens dat door de car-ferries werd ge-

transporteerd is eveneens gestegen (zie tabel 3).

Om. hét beeld van de invloed der Tentoonstelling op de

Belgische transportnijverheid te vervolledigen, willen we
hier nog aan toevoegen dat de Brusselse tramway-maat-

schappij 22.992.000 reizigers ijervoerd heeft naar de Ten-

toonstelling, d.i. een dagelijks gemiddelde van 124.000.

Een speciale buslijn, die door deze maatschappij werd in-

gelegd tussen de drie stations Brussel-Zuid, Centraal en

Noord en één der toegangspoorten tot de Tentoonstelling

(Benelux-Poort), heeft bovendien nog 633.000 reizigers ge-

transporteerd:

TABEL
3.

Prestaties der pakketboten en car-ferries Oostende-Do ver

passagiers

wagens
_
11

1957

1

158

.

– 1957

‘ 1958

april ……………82.844

88.419

2.173

2.921
m ei …………….51.199

83.244

2.647

4.175
juni

……..
. ……

.

..13.464

133.584

4.541

8.101
juli
…………….
208.519

254.374

6.749

10.447
augustus
………….
281.668

354.146

7.871

12.860
september
………..
117.063

168.745

5.398

8.307
oktober
………….
30.868

49.918

2.138

3.580
Totaal

…………

1.132.430

1

31.517

– 50.391

Merkwaardig”is, anderzijds, dat deze cijfers relatief niet

veel hoger liggen dan de, resultaten bereikt in 1935, ter ge-

legenheid van de laatste vooroorlogse Wereldtentoonstel-

ling die te Brussel werd georganiseerd. Toen werden inder-

daad 19.752.000 reizigers door de trarnway vervoerd (ge-
middeld 103.000 per dag). Dit wijst er op dat heel wat be-

zoekers van de Tentoonstelling met eigen middelen naar

het tentoonstellingsterrein getrokken zijn. In dit opzicht

zijn natuurlijk veel minder precieze gegevens beschikbaar.
Vermelden wij echter dat ca. 1,5 mln, wagens, 40.000 cars
en ca. 60.000 motorrijwielen op de officieel ingerichte par-

keerterreinen werd geparkeerd. Een aanduiding vindt men

nog in het feit, dat de uitrusting der taxi-maatschappijen
in de hoofdstad met ca. 20 pCt. . werd uitgebreid tijdens

de duur van de Tentoonstelling.

Wij begrijpen best dat wij hiermede geen balans brengen

van wat de Wereldtentoonstelling voo? de Belgischê eco-

nomie heeft betekend. Wij hebben slechts enkele factoren

belicht die bij het opmaken van de definitieve balans niet

uit ‘het oog zullen mogen worden verloren. Hiertegenover

de balans stellen van de Tentoonstelling zelf, als onder-

neming, heeft eigenlijk veel minder zin. Toch zal het eerder

verwondering baren dat de vooruitzichten welke gemaakt

werden inzake de exploitatie van de Tentoonstelling in

gunstige zin werden overtroffen; in plaats van 450 mln.

B.fr., zoals voorzien, heeft de exploitatie aan de Maat-

schappij der Tentoonstelling 778,3 mln.
B.fr. inkomsten

opgebracht. Dit is hoofdzakelijk te danken aan de ruime
belangstelling van het publiek, vermits de inkomsten uit

de verkoop van toegangstikketten 520.675.000 B.fr. be-

droegen
4).
Ook de financiering van deze manifestatie is

dus vlot verlopen. Dat de balans zeker niet ongunstig is
legt wellicht uit dat verscheiden’e landen reeds nu voet-

stappen aanwenden om, over enkele jaren, de volgende

Algemene Wereldtentoonstelling te organiseren.
Leuven.

FERNAND PlOT.

4)
Voor de handelsconcessies werden 50 mln. B. fr. aan rechten
geind.

M. J. Anema: De praktijk der public relations.
Serie:

Mens en medemens, aspecten der sociale werke-

lijkheid. Uitg. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.

122 blz., f. 3,25.
Public relations is het systeem dat een organisatie in

staat stelt een gunstig klimaat te scheppen voor haar on-

gestoorde ontwikkeling,, aldus definiëert de schrijver.

328

Hieraan voegt hij de volgende precisering toe: public

relations tracht haar doel te bereiken door het ver-

werven en in stand houden van begrip •en waardering

voor en •vertrouwen in het streven van een organisatie

bij alle groeperingen waarmee die organisatie hetzij

direct, hetzij indirect in aanraking komt. Dë middelen

die haar hiertoe ten dienste staan zijns het verstrekken

van oprechte informaties en het vervolmaken van de

politiek dier organisatie. Wij d&nken hier aan de Ame-

rikaanse slagzin: be good and teil it.

Komende tot de praktijk, bepaalt de schrijver zich

stilzwijgend tot de public relations van een onderneming.

Terecht legt hij de nadruk op het verschil met de recla-

me, die verkoop direct wil stimuleren, doch public re-

lations wil een algemeer vertrouwen in de onderneming

wekken bij iedereen, die met haar in relatie staat of zou

kunnen komen. De persoon van de public relations-lei-

der in een onderneming en de aan hem te stellen eisen,

zijn plaats in de Organisatie en zijn medewerkers, vindt
men dan beknopt maar duidelijk beschreven.

Met het voorbeeld van een middelgrote japonnen-

fabriek in het betere genre in een middelgrote stad,

doch geen ,,case-history”, volgt dan een uitvoeriger

behandeling van het werkplan voor public relations:

nagaan welke relaties er binnen en buiten het bedrijf

zijn en hoe en waarmede men deze kan benaderen.

Vooral de interne relaties hebben de aandacht.

Een ajart hoofdstukje bevat adviezen voor de re-

laties met de pers, maar het zwijgt over de relaties met

radio en televisie. Deze zijn toch ook van belang voor

de reportage en dergelijke van werkelijk belangrijke ge-

beurtenissen in een onderneming, al zal dit vooral voor

grote ondernemingen gelden. De gids van het Britse

Institute of Public Relations vestigt nadrukkelijk de

aandacht op de-belangstelling van de B.B.C. voor der-

gelik nieuws, zowel voor de televisie als voor de radio-
uitzendingen naar overzee.

Ook op andere punten zou een korte uitbreiding ge-
wenst zijn; de schrijver noemt bijv. een aantal soorten

mededelingen, welke een onderneming via het loonzakje

aan het personeel kan doen. Hier zou men de ver-

melding wensen van Amerikaanse ervaringen, resulte-

rend in beperking van aantal en soort van dergelijke

mededelingen. Voor de praktijk van public relations is

het boekje in zijn prijzenswaardige handzaamheid naar

omvang en opzet, een goede inleiding, een nuttige hand-

leiding, maar in.zijn op zich zelf verdienstelijke bepdr-

king geen handboek.

Rotterdam.

G. DE BRUYN.

P. G. Bosch, ec. drs.: De organisatiegids;
grondslagen en

techniek van de schriftelijke vastlegging van de orga-

nisatiestructuur. N.

Samsom N.V., Alphen aan den

Rijn, zonder jaartal, 114 blz. –

Dit boekje geeft aanwijzingen voor het vastleggen van

de organisatiestructuur van de onderneming in een zgn.
organisatiegids (organization manual). Na een inleiding

over de betekenis van organisatiestructuren en commissies

in de’ onderneming, volgt een beschrijving van de tien

stappen die moeten leiden tot de invoering van een orga-

nisatiegids, verlucht met een voorbeeld.

De schrijver wijdt vele bladzijden aan administratieve

details, tot en met de meest nuttig geachte lineatuur van

een vragenlijstje. Aan de âridere kant wordt het ontwerpen
van een nieuwe organisatiestructuur (,,stap zes”) afgedaan

in minder dan één bladzijde.
Het nut van een dergelijke behandeling lijkt mij twijfel-.

achtig. Organization manuals zijn erg nuttig in die, meestal

grote, ondernemingen waar reeds een uitgekristalliseerde

organisatiestructuur bestaat.
Zij
zijn daar trouwens meestal

reeds aanwezig, als een vanzelfsprekend bijprodukt van

het voorafgaande struêtureringsproces.

Het vervaardigen echter van een organisâtiegids voor

een onderneming wier structuur niet erg duidelijk is (waar

schijnlijk de overgrote meerderheid der kleine en middel-

grote, en zelfs een deel der grote ondernemingen in Neder

land) is een zinloze, en zelfs gevaarlijke bezigheid. Wanneer

nadere structurering van een onderneming nuttig mocht

blijken te zijn, staat voorop het structureringsproces zelve,

met alle beleidsbeslissingen die daaraan vastzitten, een

proces, dat serieus aangepakt, vaak meerdere jaren duurt.

In de tweede, derde of zoveelste plaats komt dan het vast-
leggen van het met zoveel moeite tot stand gekomene, het

ordelijk op een rij zetten van de genomen beslissingen in
een circulaire of eventueel in een gidsje, een betrekkelijk

triviale bezigheid. –

Het boekje van Drs. Bosch nu wijdt vele bladzijden aan

de trivia, en doet de hoofdzaken af met één bladzijde,

zoiets als de staart die de hond kwispelt.

‘s-Gravenhage.

Dr. D. i-IORRINGA.
Op de geldmarkt is een toestand van stabiliteit inge-

treden. De goud- en deviezenvoorraad in handen van De

Nederlandsche Bank blijft van week tot week vrijwel

gelijk. Zowel de banken als de Schatkist beschikken over

ruim voldoende middelen. Voor de Schatkist maakt dit

feit het houden van inschrijvingen op schatkistpromessen

overbodig, voor de banken vormt dit een prikkel om

langlopend papier bij de Agent af te nemen of voor kort-

lopende beleggingen in het buitenland een uitweg te zoeken.

Op de Amsterdamse beurs is de hauise

doorgegaan,

vnl. onder invloed van Wall Street. De argumenten voor

een voortzetting van de hausse, zowel in de Verenigde

Staten als in ons lafd, zijn dermate sterk, dat het moeilijk

is om anders dan bij vlagen pessimistisch te zijn.

A.K.U. is reeds met de resultatencijfers over het eerste

kwartaal gekomen; de netto-winst was ongeveer even

hoog als een jaar geleden. Deze maatschappij heeft on-

langs de aandacht op zich gevestigd door op de conver-
teerbare obligatielening vervroegd af te lossen. Daar de

beurskoers zich boven de aflossingskoers bevond, zou dit

voor de houders een onvoordelige zaak zijn geweest, ware

het niet dat voor het afgeloste deel van de lening de con-

versiekoers zal worden herzien. Hoe aangenaam dit voor

de houders ook moge zijn, men zou het kunnen betreuren

dat er een kans is gemist om te verduidelijken, dat aan

het aanhouden van converteerbare obligaties ook nadelen

verbonden kunnen zijn.

Een opvallend bericht was dat het Eurofund-in-op-

richting – een Amerikaans beleggingsfonds voor Euro-

pese aandelen – de introductie van de aandelen heeft

gestaakt. Als officieel motief werd hiervoor de politieke

situatie in verband met Berlijn vermeld. – Boze tongen

beweren echter dat men in Europa, waar men (een deel

van) de aandelen zou hebben willen plaatsen, aan dove-

329

1
,

mansdeuren zou hebben geklopt, daat er hier meer belang-

stelling voor de Eurèpese beleggingsfondsen zou bestaan.

Principiële betekenis mag aan dit bericht in dit geval


dan ook niet worden gehecht. Dit blijkt trouwens ook

wel hieruit, dat verschillende niet-gespecialiseerde Ameri-

kaanse beleggingsfondseri steeds meer. belangstelling voor

Europese aandelen aan de -dag gaan leggen.
Zo
blijkt,

het Lazard Fund
25.000
aandelen American Telephone

and Telegraph, de Amerikaanse ,,blue chip”
bij
uitnemend-

heid, te hebben omgeruild in aandelen van een aantal

Duitse, Franse en Nederlandse ondernemingen. –

Op
het gebied van de emissie-aankondigingen
is
het

tamelijk rustig; dit geldt zowel voor de aandelen- als voor

de obligatiesector. Dit
is
anders bij.-bijv. onze oosterburen,

waar de ene internationale instelling na de andere obli-

gatieleningen wenst te plaatsen.
Zo
heeft de Wereidbank

er onlangs
D.M. 200
mln. â 5
pCt. geëmitteerd, en ook

de Raad van Europa en de
E.G.K.S.
hebben van hun

belangstelling doen blijken.

In Engeland daarentegen

werd van een
5
pCt. obligatielening ten laste van Londen

9
5
V2
pCt., slechts
6
pCt. van de
£ 25
mln, geplaatst.

Aand.

indexcijfers

A.N.P.-C.B.S.
2 jan.
10april
17 april
(1953
=
100)
1959 1959 1959

Algemeen

……………………………
255 277 281
Internat.

concerns

…………………
375
404

410
Industrie

……………………………
174
196
200
Scheepvaart

…………………………
151
149 151
Banken

…………………………………
138 164 160
Indon.

aand.

…………………………
103
116 116

Aandelen

Kon.

Petroleum

……………………
f. 183,20 f. 169,— f. 172,60
Unilever

………………………………
452
542’%
552%
Philips

…………………………………
493%
587
587%
A.K.0
.

…………………………………
.

262
309% 311%
Kon.

N.

Hoogovens

………………
341
410
435
Van

Gelder

Zn.

……………………
193.
2211%
.

220
H.A.L.
.

…………………………………
158%
157% 157%
Amsterd.

Bank

………………………
253%
289 282
Ver.

H.V-.A.

Mij-en

………………
131%
138%
137
1
/t

Staatsfondsen

2 jan.

10 april

17 april
Diverse obligaties

1959

1959

1959

3’/2 pCt. Gem. Rotterdam 1937 VI

9O/g

94

931%

3
1
%
pCt.’ Bk.v.Ned.Gem.1954 111111

81

85
3
/4

86
3½ pCt. Nederl. Spoorwegen

89

93

937%

pCt. Philips

1948

………………95

97
1
/
2

97%
3% pCt. Westl.
Hyp.
Bank

831/2

87’/2

87%
6

pCI. Nat.

Woningb.len.

1957

110

111%

111%

New York

Aandelenkoersgemiddelde


Dow Jones Industrials

588

606

.
627

M. P. GANS.

i

:z:
Miii

IIIIiI=î

N
De

Nederlandsche

Handel-Maatschappij

is

bij
N
u
fl

uitstek de bonk voor de im- en exporteur. Met
tal

van eigen vestigingen in het Verre Oosten,
het

Midden-Oosten,

Oost-Afrika

en

Amérika
Pl
kunnen wij uw belangen ter plaatse behartigen

Pl
en
inlichtingen over handelsmogelijkheden uit de

H
Bulletin
eerste

hand

verschaffen.

Ons 14-daags -Bank-
stellen wij de geïnteresseerde fabrikant
H

Pl
of
handelaar gratis ter beschikking.

N
N
ederlandsche

– .
Vaildel-Uftatschappij, N.Y.
M

Hoofdkantoor: Amsterdam, Vijzelstraat 32

160 kantoren in binnen- en buiten!and

,

I=
111111

111111

=

111111

=

111111

ACCOUNTANTSKANTOOR H. J. SPRENKELER
Thorbeckegracht 15 te Z w o 11 e

vraagt wgens uitbreiding een

gevorderde


ASSISTENT-ACCOUNTANT

leeftijd 22-25 jaar; enige jaren ervaring en gedegen
theoretische opleiding vereist. Eigenhandig geschreven
brieven met uitvoerige inlichtingen binnen 1 week aan
bovenstaand adres.

2%

pCt.

N.W.S .

……………………
59% 3%
537%

pCt.

1947

…………………………
90?
9
2
?e
929
3
1
/4

pCt.

1955

1

…………………..
87%
89
7
/8
90%
3

pCt. Grootboek

1946

…………

.
88%
9O/s
90fff
3

pCt.

Dollarlening

………………
90% 93%
941%

de

juiste

– beslissing

De
N.Y.
Vereenigd Bezit van 189′ trekt

in sterke mate de aandacht van beleggers

en door voortdurende vraag vindt grote

uitbreiding plaats.
Ook
voor
U
bieden

haar aandelen een
Soede
belegging. –

Vraagt
inlkhtingen bij
Uw
bankier
of
Uw
tommissionoir in effecten of bij de

t.1

WestersineI 84 – Rotterdam

330-

CENTRALE DER NEDERLANDSE

COOP
VERBRUIKSCOOPERATIES

vraagt voor
haar Produktiebedrijven
te ‘Utrecht:

ADJUNCT-DIRECTEUR

D produktie van deze bedrijven, waar ca. 500 personen werkzaam
zijn, omvat een zeer gevarieerd programma op het gebied van levens-

middelen en wasmiddelen en dient voor de voorziening van de ruim
1000 levensmiddelenwinkels van de aangesloten plaatselijke

Verbruikscoöperaties.

De te benoemen functionaris zal deelnemen aan de algehele leiding
van de bedrijven en in de toekomst de huidige bedrjfsdirecteur

moeten kunnen opvolgen.

Hij zal in de eerste jaren iii het bijzonder worden belast met de
coördinatie van produktie en verkoop.

De belangrijkste vereisten zijn:
* Een academische of daarmee te vergelijken vorming.
* Ervaring in een leidinggevende functie.
* Goed organisatievermogen, commercieel inzicht en kennis van

de beleidsproblemen in een
bedrijf
van dergelijke omvang.
* Leeftijd ca. 35-40 jaar.
Belangstellenden worden verzocht met verstrekking van zo volledig
mogelijke informatie, welke strikt vertrouwelijk zal worden behan-
deld, onder no. 133 schriftelijk contact op te nemen met de afde-
ling Algemene Personeelszaken, Postbus 6008 te Rotterdam.

ONDERNEMINGEN,

die het beste leidende

personeel zoeken,
speciaal met economische

scholing, roepen sollicitanten

op door middel van een

annonce in de rubriek

,,VACATURES”

Het aantal reacties, dat

deze annonces tot gevolg

hebben, is doorgaans

uitermate bevredigend;
begrijpelijk, omdat er bijna

geen grote instelling is,

die dit blad niet regel-

matig ontvangt en

waar het niet circuleert.

AMSTERDAMSCHE

DROOGDOK-MAATSCHAPPIJ N.V.

gevestigd te Amsterdam.

UITGIFTE van

nominaal f 2.904.000,-

5 pCt. preferente in gewone aandelen convrteerbare aandelen,

in stukken groot nominaal f1000,- aan toonder
(desgewenst op naam of in onderaandelen, elk groot nominaal t 100,. aan toonder),

gerechtigd tot het dividend over het boekjaar 1959
en volgende boekjaren.
Ondergetekende bericht, dat zij de inschrijving op bovengenoemde aandelen, uitsluitend voor de houders van gewone aandelen, open-.

stelt op
VRIJDAG 1 MEI 1959

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur,

bij haar kantoren te Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Gravenhage,
TOT DE KOERS VAN 100 pCt.,

op de voorwaarden van het prospectus d.d. 21 april 1959.
Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn verkrijgbaar bij de kantoren
van inschrijving.

fl

NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ, N.V.

Amsterd;m, 21 april 1959.

Abonneert U op

DE ECONOMUST

Maandblad onder redactie

van:

Prof. P. Hennipman,

A. M. de Jong,

Prof. P. B. Kreukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart,

Prof. J. Zijlstra,

Prof. F. J. de Jong.

Abonnementsprijs
1
22.50;

fr. p. post
f
23.60; voor stu-

denten’
f
19.—; fr. per post

f
20.10.

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel

en door Uitgevers

DE ERVEN F. BOHN

TE HAARLEM

N
.
k
TR



.r
.irU’
•-

U_____

!1. 1:

II


II

T


hi

B
~
L
o
m
u
,
EH
i
.


‘u•i

–!V
iu


I
ii

E-

lui

ïi

luL
4uII

ii!

NUE
VERZLKERINiI

T BEDRIJFSLEVEN

D
MÖLFSTISIC

II
k
1 1

sisi:

Auteur