Ga direct naar de content

Jrg. 43, editie 2131

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 7 1958

~

,

I.


.I

Economisch -Statis tische
Bert
*
ch

te

n

Meningen over het beroép

van verkoper

*

Drs J.
C.
Brezet

De Overheid, de Bank en de

conjunctuur

*

Drs. J. A. Kuperus

De landbouw onder het garantiebeleid

*

Dr. W. K. H. Feuilletau de Bruyn

Energievoorziening in dè Sowjet-Unie

*

G. C. A: Mulder, B.Sc., Ps.D.

Surinaamse kanttekeningen

/

I’*

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

43e JAARGANG

No. 2131

WOENSDAG 7 MEI 1958

1


Pensioenregetingen


Risico-herverzekering

van pensioenfondsen


EIRSTE HIBEILANDSCHE

HOOFDKANTOOR:

JOHAN DE WITTLAAN 50. – ‘S-GRAVEN HAGE

TEL 01700-51.43.51

POSTADRES: POSTBUS 5

R. Mees&Zoonen
Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam

‘s-Gravenhage
Delft

Schiedam- Vlaardingen

Albiasserdam

verlenen gaarne hun

goede diensten, o. m.

bij het

kiezen van beleggingen

sluiten van auto-, w.a.,

fraude. en berovings.

verzekeringen

H.BRONSJr

MAKELAAR IN ASSTJRAN11ËN

TELEFOON 1119 80*

MAURITSWEG 23

ROTFERDAM –

t
362

HOOGOVENS

IJ M U 1 DE N

De Koninklijke Nederlandsche Hoogovens

en Staalfabrieke’n N.V. te Ijmuiden

vraagt voor haar Juridische Afdeling

een jurist

met enkele jaren praktijkervaring.

Leeftijd tot 35 jaar.

Voorkeur genieten zij die kennis en ervaring

bezitten met betrekking tot octrooi-aangelegen-

heden, licentie-overeenkomsten e.d.

Eigenhandig geschreven sollicitaties met beschrijving van opleiding
en levensloop worden, vergezeld van een recente pasfoto en onder
vermelding van ons nummer E.-S.B. 932, ingewacht bij de

Sociale Afdeling Beambten.

E C 0 N 0 MIS C H-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam- W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban que de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, posi cheque-rekening
260.34.

Redactie-adres voor België: Dr. J. Geluck. Zwijnaardse Steen-
weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam- W.

Abonnementsprijs:
franco per post, yoor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen

f.
31,— per jaar. (België en Luxemburg B. fr. 400).
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Losse nummers 75 ct.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedjjk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de N. V. Koninklijke Nederl. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelanis, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300. toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f.
0,60 per mm (dubbeie kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

1

t

Meningen over het beroep van verkoper

,,With virtually no ceiling on the ability of U.S. in-

dustry to produce, it begins to look as though a major

bottleneck in the way of our expanding economy is the

increasingly acute shortage of sales manpower”. Deze
zin troffen wij aan in een artikel in ,,The Management

Review” van maart jI., waarin tevens wordt medegedeeld,

dat het Amerikaanse bedrijfsleven naar schatting nog

ongeveer één miljoen verkopers nodig heeft. Hoewel een

toenemende belangstelling voor opleidingen voor ver-

koopfuncties valt waar te nemen, is het toch zo, dat vele

jongelieden winig vo6r het beroep van vërkoper voelen.

In genoemd artikel wordt gesteld dat deze houding ver-

band houdt met het feit, dat vele ouders en opvoeders

dit beroep met enig wantrouwen bezien. De titel van het

‘artikel is dan ook veelzeggend: ,,I didn’t raise my boy
to be a salesman!”.

Teneinde te weten te komen, hoe over het beroep van

verkoper wordt gedacht, is onder studenten een enquête

gehouden. Uit de antwoorden op de gestelde vragen bleek,

dat er kan worden gesproken van een tekortschieten in

kennis omtrent de werkzaamheden van en een gebrek

aan vertrouwen in de verkoper: Eén der vragen was, vijf
associaties met het woord ,,verkoper” op te geven. Blij-

kens het , groot aantal malen, dat het woord ,,reizen”

werd genoemd, zien velen de verkoper als een rusteloze

jakkeraar langs ‘s Heren wegen. Dit is, aldus genoemd

blad, een misvatting, want in werkelijkheidreist de meer-
derheid der verkopers niet zo veel. Dezelfde vraag, voor-

gelegd âan mannen uit de praktijk, aan verkopers dus,

leverde – en dit ligt om meer dan één reden voor de hand

– geheel andere associaties op. De woorden ,,kennis”,

,,hard werken” en ,,integriteit”, die op de associatielijst

der studenten onderaan stonden of in het geheel niet

werden genoemd, behaalden bij de mannen uit de praktijk

hoge scores.

De zekerheid, die het beroep van verkoper biedt, wordt

door de studenten – wier opvattingen, meent genoemd

blad, die van ,,het publiek” wel zullen reflecteren –

minder hoog aangeslagen dan die van een aantal andere

beroepen. Verkopen werd ni. eerst genoemd na techniche,

financiële en administratieve beroepen. Voor een deel

is deze rangorde volgens ,,The Management Review”

toe te schrijven aan de publiciteit, die alom in de Ver-

enigde Staten is gegeven aan het tekort aan ingenieurs

e.d.; zij kan echter ook dateren uit de tijd, dat verkoop-

hulp werd beschouwd als een ,,rather impermanent part

of business organizations”. Gevraagd naar de produkten;
die de geënquêteerden het liefts zouden verkopen, gaf 28

pCt. te kennen industriële produkten, zoals zware ma-

chines e.d., te prefereren. Hierin uit zich volgens genoemd

blad een streven naar zekerheid en prestige. Ook aan het

feit, dat 39 pCt. het liefst voor een grote en slechts 13 pCt.

voor een kleine onderneming zou willen werken, ligt het

streven naar zekerheid mede ten grondslag.
Eén der belangrijkste uitkomsten der enquête is, dat de

meeste ondervraagden een verkoopfunctie beschouwen

als springplank naar een beter geacht beroep: slechts 2

pCt. zag het verkopen als zijn uiteindelijke bestemming

in het werkzaam leven. Klaarblijkelijk realiseerden de

ondervraagden zich niet, dat sommige verkopers meer

verdienen dan vele topfunctionarissen. Gennemd blad

acht het overigens verheugend, dat slechts 1 pCt. de voor-

heen wijdverbreide opvatting, dat verkoper een beroep

is, waarop men desnoods kan terugvallen, indien een

meer gewenst baantje niet binnen het bereik blijkt te

liggen, verkondigde.

Uit de enquête, waarvan wij slechts een enkel resultaat

vermeidden, valt volgens .The Management Review”

op te maken, dat hët traditionele portret van de verkoper
als een onverantwoordelijk standwerker, langzamèrhand

plaatsmaakt voor dat van een goed opgeleide kracht. Niet-

temin is wel gebleken, dat slechts weinig ondervraagden

een juist begrip hebben van de aard van het verkopers-

beroep. Er bestaat dan ook behoefte aan een betere samen-

werking tussen het bedrijfsleven en de’ onderwijsinstel-

lingen, die de toekomstige verkopers afleveren. In ruimer

verband is het noodzakelijk sommige stereotiepe opvat-

tingen, die het publiek een zekere vooringenomenheid

jegens de verkoper bezorgen, uit de weg te ruimen. Som

mige uit de enquête naar voren getreden opvattingen
berusten op bestaande situaties. Voor zover deze het

prestige van de verkopers aantasten én het aantrekken

van jonge krachten belemmeren dient het bedrijfsleven

daartegen maatregelen te nemen. Een belangrijke stap acht

het blad het aanvaarden en stringent toepassen van een

code voor verkoopethiek, opdat het publiek worde door-

drongen van het feit, dat verkopers als groep eerbare lieden

zijn en geen ,,fast-talking, catch-as-catch-can operators”.

Blz.

Meningen over het beroep van verkoper ……… .163

De Overheid, de Bank en de conjunctuur,
door

Drs. J. C. Brezet ……………………….
364

De landbouw onder het garantiebeleid,
door Drs.

J. A. Kuperus ………………………….
367

Energievoorziening in del Sowjet-Unie,
door Dr.

W. K. H. Feuilletau de Bruyn …………….
371

Blz.

Surinaamse kanttekeningen, door G. C. A. Muldcr,

B.Sc., Ps’ D………………………….
374

Aantekening:

Mexico, petroleumland,
door F. S. Noord/zoff …
376

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. M. P. Gans ….
379

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries;
J. R. Zuidema. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. ColIin; J. E. Mertens de’ Wilmars;
J. yan Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSRECHT VOOREEHOUDEN

363

‘t

‘t
1

Schrijver
bespreekt de vraag – ‘naar aanleiding van desbetreffende beschouwingen in het jongste

jaarverslag van De Nederlandsche Bank – of de
overheidsinvesteringen, de particuliere
investerin-
gen dan wel beide verantwoordelijk moeten wor-

den gesteld voor de overinvestering in 1957. Be-

toogd wordt, dat hier, naast het conjuncturele,
ook een structureel probleem aan de orde is en wel
een probleem dat in verband met het compromis-

karakter der Nederlandse economische politiek,
die zorgvuldig tussen de Scylla van het
kapitalisme –
en de Charybdis van
het
socialisme stuurt, niet
een-

voudig zal zijn op te lossen. Naar schrijvers me-
ning moet de door de gemeenten gevoerde finan-
ciële va
banque-politiek wat milder worden beoor-

deeld dan in het jaarverslag 1957 door de
Neder-

landsche Bank wordt gedaan en had de Banklei-
ding in dit verslag de
gemeenten wel
met een
wat
minder forse, het Rijk daarentegen met een wat
minder fluwelen hand
mogen aanpakken.

De Overheid,

de Bank

en de conjunctuur

Het is uit met de hoogonjunctuur in ons land en de

Overheid is de voornaamste schuldige daarvan. Aldus

– ongeveer – maar dan in h’ofser termen – De Neder-

landsche Bank in haar jaarverslag 1957.

Voor degenen, die tot dusverre in de veronderstelling’

leefden dat het conjunctuurverschijnsel in 1940 met het

• oude ,,kapitalisme” ten onder was gegaan, zal deze vast

stelling ongetwijfeld een onaangename verrassing, zo

niet een koud stortbad vormen. Te kouder zal dit bad’

zijn nu ineen land als het onze, dat zich onder de Westerse

landen door een sterke maté van geleide economie ken-
merkt, het juist de overheid, dus de leidster zelve, is die

hier als schuldige wordt gebrandmerkt. /

Een recessie is veelal te beschouwen als een reactie

een voorafgaande conjuncturele overspamiing. Het

einde dat aan deze overspanning in 1957 kwam, ,,was niet

– het gevolg van een ver vooruitziende anti-cyclische over-

heidspolitiek, ,die ‘door tijdige contractie der overheids-

bestedingen de gevolgen van de expansie der private

bestedingen opving. In tegendeel heeft de overheid zelf

tot de overexpansie bijgedragen”, aldus het verslag.

Veeleer was dit einde het gevolg van ,,het uitgeput raken
van de mogelijkheden tot financiering ener verdere over-

besteding”.

fey

Hoe komt het dat de overheid zich heeft begeven

op het pad van ,,de zonde van het onvoorzichtige

beleid”? Waarom beging zij ,,de klassieke beleidsfout,

die de conjunctuuroverspanning pleegt te kenmerken,

die der overinvestering”?

‘Geschiedt bovengenoemd brandmerken overigens niet

ten onrechte? Worden hier de overhèid wellicht geer
euvele daden aangewreven, die ten rechte op anderer

rekening hadden moeten worden gedebiteerd? Ziehier

enige vragen die bij menig lezer van de somwijlen Vrij

scherpe passages van het Bankverslag 1957 zullen rijzen.

Het is in dit verband prettig, dat er in dit verslag aller-

hande instructieve cijfers zijn opgenomen, die ook een

buitenstaander de mogelijkheid bieden een indruk te

verkrijgen van wât er nu eigenlijk bij wiè schortte.

364

Bij de beantwoording van deze vragen is het uitgangs-

punt, dat bovengenoemd pad der zonde hier te lande in –

1957 bestond uit ,,het investeren boven de grens der be-

schikbare besparingen”. Tabel 1 geeft aan, hoe het hier-

mede de laatste jaren gesteld was.

TABEL 1.

Oorzaken van de vercinderinç’en in de binneqiandse

liquiditeiteninassa

(x f. 1 mln.)

955

1956

1957

Liquiditeitscreatie ten behoeve van het Rijk

—52

—257

273
Liquiditeitscreatie ten behoeve van de lagere

overheid
……………………………
222

380

451
Geldschepping ten behoeve van de private sector

423

395

191
Diverse oorzaken van getdschepping

72 ’35

10
Totaal
………………………………
r

553

925

De cnclusie uit deze cijfers lijkt zonneklaar. in ver-

gelijking niet de liquiditeitscrearie ten behoeve van hogere

en lagere overheid (tezamen f. 273 + f. 451 = f. 724 mlii.)

verzonk in 1957 de rest in het niet. Vervolgens moet
hierbij nog worden bedacht, dat, naar het jaarverslag

onthult, het Rijk, dat in 1957 zelve een liquiditeitsover-

schot had, per saldo voor niet minder dan f. 530 mln.

krediet gaf aan de Bank voor Nederlandsche Gemeenten.

Deze laatste instelling gebruikte deze middelen op haar

beurt om de financierungstekorten van de lagere overheid

te dekken. Aldus geredeneerd valt bij de overheid het Rijk

als infiatoire boosdoener weg en resteert als zodanig

alleen nog ‘de lagere overheid.

Zo worden de fihippica’s begrijpelijk, die in het Bank-
verslag tegen de gemeenten worden gericht. ,,Het waren

vooral de gemeenten, die ich aan deze fout” (i.c. inves-

tering boven de grens der beschikbare besparingen) ,,schul-

dig maakten”. ,,De disposities van de lagere overheid

(gaveh) in het verslagjaar een uit monetair oogpunt zeer

ongunstig beeld te zien”. ,,Wanneer men in aanmerking
neemt hoezeer de lagere overheidsorganen telkens weer

geneigd blijken het belang van de uitvoering van beoogde

investeringen te doen prevaleren boven het belang ener

verantwoorde wijze van financiering……

t’
.

‘S
.

De vraag rijst, of dit alles de onontkoombare
conse-

quenties zijn van bovenstaande cijfers. In principe moet

deze vraag ontkennend worden beantwoord. Het feit,

dat de overheid in 1957 infiatoir financierde zou bijv.

het gevolg.kinnen zijn van grotere investeringen in het

bedrijfsleven, gefinancierd niet besparingen, die door- de

bedrijven
a.h.w.
voor de neus van de lagere overheid

zouden kunnen zijn weggekaapt. Deze laatste zou dan,

ook bij gelijkblijvende investeringen, automatisch op

infiatoire financiering zijn aangewezen.

Op deze kwestie kan wellicht tabel 2 enig licht werpen.

TABEL 2.

.

Bruto-investeringen in woningbouw, vaste bedrijft-

activa en voorraden

(x
f.
1
mln.)

1955
1
1956
1
1957

ROTTERDAMSCHE BANKII

S

FINANCIERING VAN

IMPORT- EN EXPORT

TRANSACTIES.

Bruto-investeringen in woningbouw
in opdracht van de lagere overheid

470

630

920
in opdracht van particulieren

540

740

760

Bruto-investeringen in vaste bedrijfsactiva
gefinancierd uit vermogensoverdrachten

en kredieten van de overheid
……….
1.440

1.490

1.520
overige
………………………….
3.245

3.860

4.230

Voorraadvorming
………………………
785

1.100

1.030

Totaal
………………………………
6.480

7.820

8.460

Uit bovenstaande cijfers volgt, dat qua absolute be-

dragen de ,,overige” bruto-investeringeh in vaste bedrijfs-

activa in 1957 nog iets meer toenamen dan de overheids-
investeringen in de woningbouw. Relatief was de stijging

echter verreweg het grootst bij laatstgenoemde categorie

(+ 46 pCt. t.o.v. 1956). De tctale investeringen in hedrijfs-

activa namen naar waarde ongeveer evenredig toe met

het brutô-nationaal inkomen, nl. 7,5 pCt. t.o.v.
1956,

terwijl de particuliere woningbouw zelfs met minder dan
dit percentage steeg (nI. met 3 pCt.).

Het is moeilijk hieruit één als een paal boven water

staande conclusie te trekken. Absoluut beschouwd waren

zowel de overheids- als de particuliere, relatief beschouwd

overwegend de overheidsinvesteringen, voor de over-

investering verantwoordelijk te stellen. Dat in het Bank-

verslag zonder aarzeling de laatste weg wordt gevolgd

hangt echter
it
het geheel niet met dergelijke cijfer-

interpretaties, doch met een belangrijke principiële rede-

nering van gans ander karakter samenDe volgende passages

uit dit verslag kunnen van deze redenering een indruk geven:

,,In een volkshuishouding met een economische stru-

tuur als die van ons land, dat wil zeggen met overwegend

ondernemingsgewijze produktie en met vrijheid van in-

komensbesteding binnen de door de belastingheffing

aan die vrijheid gestelde grenzen, heeft niet slechts de

produktie van verbruiksgoederen zich
,
bij voortduring

aan te passen aan de optredende veranderingen in de

vraag, maar dienen ook de investeringen – op straffe

van het ontstaan van infiationaire hausses of deflatoire
recessies – zich in het algemeen te voegen naar de om-

vang der uit Vrije keuze tot stand komende besparingen”.
,,Indien in tijden van gunstige conjunctuur het bedrijfs-
leven tot uitbreiding der investeringen geneigd is en dien-

tengevolge niet alleen in ruimere mate zelifinanciering

toepast, maar ook een sterker5beroep doet op de ter ka-

pitaalmarkt aangeboden besparingen, dient de – overheid

– in het belang van een zo evenwichtig mogelijke econo-

mische ontwikkeling – haar aanspraken te matigen en

haar investeringen te beperken. Indien daarentegen bij

een ongunstige conjuncturele ontwikkeling het bedrijfs-

285
VESTIGINGEN IN NEDERLAND

De vraag doet zich echter voor, of bij dit alles slechts

de conjunctuur en de conjunctuurpolïtiek in het geding

zijn. Het komt ons voor, dat hierbij op de achtergrond

eigenlijk nog een geheel andere kwestie aan de orde is,
die verder in het Bankverslag niet wordt behandeld, nl.

een zeker dualisnie in de structuur van de Nederlandse
,
geleide economie.
1.

De investeringen in het produktie-apparaat geschieden

grotendeels dobr het particuliere initiatief. Die in

de
woningbouw, evenzeer enorm van omvang, geschieden

echter grotendeels op overheidsinstigatie.

– Deze twee-deling nu heeft in bepaalde opzichten onge-

lukkige gevolgen. Zouden alle investeringen in particu-

liere hand zijn, dan zou via het prjsmechanisme daarin

stellig – evenals vroeger – een rangorde tot stand komen,
waarbij de minder lonende zouden afvallen. De woning-

bouw zou daarbij ongetwijfeld een zeer hoge prioriteit

1)
Zie ,,E.-S.B.” van 19 oktober 1955.

365

(Advertentie)

leven zijn investeringen vermindert en dientengevolge

ook geringere aanspraken op kapitaalmarktriiddelen

doet gelden, is voor de overheid het ogenblik gekomen

haar investeringen uit te breiden en haar beroep op de

kapitaalmarkt te vergroten. Voldoet de overheid niet.. –

aan deze normeh, doch tracht zij in tijden van gunstige
conjunctuur haar aanspraken op de kapitaalmarkt zelfs
te vergroten, dan kan dat slechts leiden tot een scherpe

verhoging van de rentestand; tracht zij erger nog

1

haar investeringen door te drijven zonder verhoogd be-
roep op de kapitaalmarkt dan zal dit slechts kunnen ge-

schieden door gebruik te maken van infiatoire financie-

ringsmiddelen, met als gevolg overspanning van de con-

junctiiur, betalingsbalanstekorten en verzwakking van

de munt”. – –

Bij deze niets aan duidelijkheid te wensen overlatende

beschouwingen van de Centrale Bank zal bij menig lezer

– –
ongetwijfeld de titel van een ,,E.-S.B.”-artikel van Prof.

Witteveen: ,,Cyclus der averechtse conjunctuurpolitiek”
1)

in herinnering komen.

krijgen, a1s ten minste niet verhinderd zou worden, dat

de huren tot een economisch verantwoord niveau stijgen.

Op zgn. Sociale gronden is dit laatste in ons land wèl

verhinderd, waardoor de particuliere investeringen in de

woningbouw achter aan de ranglijst kwamen te staan en

dus bijv. relatief achterbleven bij de investeringen ten

behoeve van verschillende het leven veraangenamende

duurzame consumptiegoederen. Het gevolg hiervan was,

dat de overheid een groot deel der woningbouwinves-

tering op zich heeft genomen.
Zou de overheid alle investeringen in de maatschappij

hebben verzorgd, dan had ook zij op enigerlei wijze priori-

teiten kunnen bepalen. Een dergelijke volledig soca1is-

tische regeling heeft men echter in ons land niet toegepast.


De overheid heeft dientengevolge niet de’ macht in het

totale
nationale investeringsprogramma te bepalen welke

investeringen geen en welke wèl doorgang mogen vinden.

De bovengenoemde normen van de Centrale Bank nu

betekenen in dit verband niets meer of minder dan dat de

woningbouw volledig ondergeschikt zou moeten worden

gemaakt aan een door de overheid tc voeren anti-cyclische

conjunctuurpolitiek. In beginsel zou daarbij de woning-

bouw in een haussetijd een lagere prioriteit hebben dan

zelfs de onbelangrijkste investeringen in het bedrijfs-

leven.

Financieel-economisch is er tegen dit betoog weinig

in te brengen. Wij vrezen, echter, dat op sociale en psycho-.

logische – om nog maar te
zwijgen
van politieke –

gronden deze gedachte weinig adhesie zal vinden en dat

in de toekomst een infiatoire financiering telkens om de

hoek zal blijven kijken. Tenzij uiteraard het huurprobleem

op een geheel andere wijze zou worden aangepakt, zodat

de woningbouw wederom goeddeels een particuliere aan-

gelegenhid zou worden, iets wat blijkbaar ook door

de Centrale Bank niet waarschijnlijk wordt geacht.

• In wat

deftiger termen menen wij het bovenstaande

aldus te kunnen samenvatten, dat er naast het conjunc-.

turele, ook een structureel probleem aan de orde is en wel’

een probleem dat. i.v.m. het compromis-karakter der

Nederlandse economische politiek, diè zorgvuldig tussen

de Scylla van het kapitalisnie en de Charybdis van het

socialisme stuurt, niet eenvoudig zal zijn op te lossen.

,(

In het liçht van bovenstaande gedachtengang verbleekt

de schuldvraag, Rijk of gemeenten, enigermate; Nu in

het Bapkverslag dienaangaande zo’n geprononceerd

standpunt wordt ingenomen, lijkt het ons dienstig hier-

oNer ten slotte toch enkele opmerkingen te maken.

De Nederlandse geleide economie is uiteraard een door

de Regering, dus centraal, geleide economie. Dit geldt

ook voor de gemeentefinanciën. De financiële autonomie
dergemeenten moge interessante stof voor de leerboekjes

vornien en een dankbaar onderwerp voor sommige poli-

tieke stokpaardberjders, realiteit is zij stellig niet en kân

zij bij het huidige economische bestel ook niet zijn zodra

het gaat om investeringen van zodanige importantie, dat
zij uit nationaal oogpunt meetellen.

De gehele situatie bij de woningbouw vormt van deze

centrale leiding één groot voorbeeld.

Het Rijk wentelde, toen dat in zijn kraam te pas kwam,

de enorme financieringslast van de woningbouw af op de

gemeenten. . –

Het Rijk stelde voor 1957 een omvangrijk woningbouw-

programma vast.

Het Rijk maakte een verantwoorde gemeentelijke finan-

ciering van dit programma onmogelijk door stijf en strak

vast te houden aan het rentegamma, toen dit onreëel

was geworden.

Het Rijk ten slotte liet in 1957 door het loslaten van de

maximumrente voor kasgeldleningen slechts deze ene

financieringsmogelijkheid voor de gemeenten open. Dit

vormde voor hen als het ware een invite om tot infiatoire

financiering via de geldmarkt over te gaan.

Dit alles wil inmiddels geenszins zeggen, dat er op de

gemeentelijke financieringspolitiek. niets zou zijn aan te

merken. Integendeel.

Dat er ‘door de gemeenten kapitaalsinvesteringen met
een vastleggingstermijn van 50 tot 100 jaar werden, ge-

financierd met kredieten die van de zijde der geldgevers

soms met 24 uur konden worden opgezegd, was uit finan-

cieel oogpunt bar. In wezen vormde deze financierings-

politiek een grove speculatie op hulp van het Rijk en/of

De Nederlandsche Bank voor het geval het met deze

financiering mis, mocht lopen, hetgeen te voorzien was.

Eigenlijk is de term speculatie hiervoor nog te zwak en

zou, gezien de dwangpositie, waarin Rijk en Centrale

Bank aldus werden gebracht, nog wel een sterkere uit-

drukking hier op haar plaats zijn.
In feite heeft dan ook slechts, naar in het Bankverslag

wordt medegedeeld, dergelijke hulp omstreeks het midden

van het jaar de gemeenten weten te behoeden voor een

financiële debâcle, voor staking van hun bètalingen.

Het is uiteraard mogelijk een dergelijke va banque-

politiek – die inderdaad in dit geval heeft geleid tot gaan

naar de bank, zelfs naar twee banken, ni. de Bank vodr

Nederlandsche Gemeenten en, mede via deze, raar De

Nederlandsche Bank – in schrille kleuren af te schilderen.
Toch is het anderzijds psychologisch niet zo verbazing-

wekkend, dat de gemeentebesturen, die van dag tot dag

worden geconfronteerd met in kelders hokkende en op

zolders bivakkerende woningzoekenden, en die voor hun

financiering voor één gat – i.c. in het rijks-rentegamma –

gevangen zaten, deze infiatoire financieringswijze met

beide handen aangrepen.

Zelfs zou men van een soort wonder hebben kunnen

spreken indien zij anders gehandeld hadden. Hierbij

bedenke men, dat de gemeenten – ook weer door de

politiek der hogere overheid – sinds jaar en dag gewend

zijn om voor hun financiering op Vadertje Staat terug

te vallen.

Wellicht droeg öok het feit, dat de meeste Nederlandse

gemeentebesturen zijn samengesteld uit dezelfde politieke

partijen als de Regering, bij tot een zeker gevoel, dat de

gemeenten in geval van nood toch niet door de politieke

vrienden in Den Haag in de steek zouden worden gelaten.

Wie

met ons – niet gelooft in wonderen (althans

niet op het onderhavige terrein) zal op grond van al deze

overwegingen geneigd zijn, de gemeentelijke financiële

va banque-poIitiek wat milder te beoordelen dan in het

jaarverslag 1957 door De Nederlandsche Bank wordt

gedaan en van mening zijn, dat de Bankleiding in dit

verslag de gemeenten wel met een wat minder forse, het

Rijk daarentegen met een wat minder fluwelen hand had

mogen aanpakken.

Rotterdam.

J. C. BREZET.

366

•1

Op de basis
van een zojuist verschenen publi-
katie van het
Landbouw-Economisch
Instituut
wordt in dit artikel een beeld gegeven van de ont-wikkeling der financiële resultaten van de
Neder-
landse
landbouwbedrijven.
Uit de vermelde gege-
vens komt
duidelijk
het
belang naar
voren
van
de garantietoeslagen, die ingevolge
het landbouw-
beleid door de Regering worden betaald, voor een
sluitende exploitatie
van de verschillende typen
landbouwbedrijven. De
cijfers laten een
groot on-
gunstig verschil in netto-overschot zien tussen de
jaren 1948/49 t/m 1953/54 en.de
drie daarop vol-
gende jaren. In
de gehele periode deed zich en
kostenstijging voor, die zich ook in 1956/57 heeft
voortgezet. De ontwikkeling van de opbrengsten
per ha sedert 1948/49 geeft weliswaar een stij-
ging aan, doch deze is geringer geweest dan de
stijging der kosten. Behalve een beschouwing over
de resultaten
per ha cultuurgrond bevat het ar-
tikel een
vergelijking
van het arbeidsinkomen van
de boer per jaar met de jaarkosten van een land-
arbeider.

De landbouw

onder het

garantiebeleid

De financiële resultaten van de Nederlandse landbouw-

bedrijven ontwikkelen zich reeds enkele jaren in on-

gunstige richting. In ,,Economisch-Statistische Berichtei”

is van verschillende zijden aandacht gevraagd voor de

hiermede verband houdende problematiek. Ook de Rege-

ring is in het laatste jaar enkele malen in nota’s aan de

leden van de Eerste en Tweede Kamer ingegaan op de

moeilijkheden waarvoor het landbouwprijsbeleid zich in

toenemende mate gesteld ziet. In dit verband zijn met

name belangrijk:

de regeringsnota van 15 februari 1957 inzake beper-

king van de bestedingen. In deze nota wor,dt aangegeven

dat in verband met herzieningen van enkele uitgangspun-

ten van de kostprijsberekeningen en door
stijging
van de

kostprijs van landbouwprodukten aanzienlijke bedragen

nodig
zijn,
die deels ten laste van het Landbouw-Egalisatie

Fonds, deels rechtstreeks ten laste van de consument

zouden moeten komen;

de nota van de Minister van Landbouw, Visserij en

Voedselvoorziening van 3 maart ii. betrefFende het melk-

en zuivelbeleid voor het. melkprïjsjaar 1957/’58. Hierin

worden o.a. de voor dat melkprijsjaar geldende garantie-

prijs en de beperking der garantie tot een bepaalde hoeveel-

heid melk aangekondigd.

Gegevens omtrent de financiële uitkomten vân land-

bouwbedrijven werden in ,,E.-S.B.” reeds enkele malen

opgenomen, laatstelijk over de jaren 1948/’49 tot en met

1955/’56
1).
Dezer dagen is een nieuwe publikatie van het

Landbouw-Economisch Instituut verschenen, waarin de

resultaten van land bouwbedrij ven in 1956/’57 worden

vermeld
2).
Een samenvatting van de in deze publikatie

voorkomende cijfers wordt in het onderstaande gegeven.
Vooraf zij opgemerkt, dat de cijfers betrekking hebben

op ruim 1.300 bedrijven, over het gehele land verspreid,

waarvan door het Landbouw-Economisch Instituut een

Prof. Dr. J. Horring: ,,De landbouw in mineur”
in ,,E.-S.B.” van 2 mei 1956, no. 2028. en ,,De resultaten-
rekening van de landbouw” in ,,E.-S.B.” van 19 december
1956,
no. 2061.
Bedrijfseconomische Mededelingen no. 25: ,,Statistisch
overzicht 1956/1
957
van de uitkomsten van landbouwbedrijven”.

boekhouding wordt bijgehouden. Deze bedrijven zijn in

hoofdzaak dezelfde als in de kostprijsberekeningen van het

L.E
.
I. worden betrokken. Het betreft dus bedrijven,

waarvoor geëist worden: gemiddelde produktie-omstandig-

heden, een voor het gebied normale bedrijfsvoering en

vakkundige bedrijfsleiding. De cijfers voor 1956/’57 zijn

berekend uit de gemiddelden van 50 groepen van 15-40

bedrijven, nl. 12 groepen akkerbouwbedrijven, 22 groepen

weidebedrijven en 16 groepen gemengde bedrijven op

zandgrond.

Ter toelichting diene verder, dat onder de kosten mede

zijn opgenomen de pacht (of pachtwaarde) van grond en

gebouwen, de rente van het andere bedrijfskapitaal en het

(op basis van de C.A.O.-lonen voSr landarbeiders) be-

rekende loon voor de handenarbeid van boer en gezins-

leden. Een vergoeding voor bedrijfsleiding is echter niet

in de kosten begrepen.

De opbrengsten omvatten thans ook de garantie-

toeslagen op melk, granen en aardappelen, die in vorige

publikaties buiten beschouwing zijn gebleven. Deze toe-

slagen hadden in vorige jaren nl. een beperkte omvang,

doch-zijn in het laatste boekjaar van
Xeel
groter betekenis

geweest. De in maart 1958 uitbetaalde garantietoeslag

voor de in het ,,melkprijsjaar” november 1956 tot en met

oktober 1957 afgeleverde melk is, voor zover zij op het

boekjaar mei 1956 tot en met april 1957 betrekking had,

in de opbrengsten van dat boekjaar begrepen. Verder zijn

de opbrengsten van door coöperatieve strokartonfabrieken

verwerkt stro gewaardeerd tegen de vrije marktprijzen,

hoewel een deel van de bedrijven in Groningen op het als

lid-aandeelhouder geleverde stro in sommige jaren aan-

zienlijk hogere prijzen heeft verkregen.

De resultaten per bedrijfstypc.

Tabel 1 geeft een indruk van het verloop van de financiële

uitkomsten van de verschillende bedrijfstypen, waarin de

Nederlandse landbouw kân worden ingedeeld. Deze indruk

kan uiteraard niet anders dan globaal zijn: verschillen in

ontwikkeling der resultaten tussen de afzonderlijke groepen

bedrijven, zoals de in noot
2)
genoemde publikatie die

367

Uit tabel 1 blijkt een daling van het indexcijfer van het

netto-overschot op de akkerbouwbedrjven met 15 punten,

stijging op de weidebedrijven met 2 punten en een daling

met 4 punten op de gemengde bedrijven.

Deze wijziging in netto-overschot kan op basis van een

globale berekening verder worden gespecificeerd, waar

door het belang van de verschillende factoren is na te

gaan. Tabel 2 geeft deze specificatie.

TABEL 2.

Specificatie van de wijzigingen in netto-overschot

– 19561’57 t.o.v. 19551’56

1 Akkerbouw-

Weide-

Gemengde
Omschrijving

bedrijven

bedrijven

bedrijven

Gunstige factoren:
Hoger opbrengst rundve&

+
3,7
+
4,0
Hoger opbrengst garantietoe.
slagen

………………..
+
0,7
+
5,1
+
4,0
Hoger opbrengst varkens

….

+
2,4
+
4.1

Ongunstige factoren:
Lager opbrengst akkerbouwge-
wassen

……………….
Lager opbrengst pluimvee
-11,8




4,4

1,4
Hoger arbeidskosten

1,5

..


3,8

4,6
Stijging andere kostenfactoren

2,6

4,9

6,0
Stijging/daling netto-overschot
—15,2
+
2,5

.

4,3

De ontwikkeling van de bedrijfsresultaten voor elk van
de 3 bedrjfstypen is ten slotte nog grafisch voorgesteld in

figuur 1. Hierin is opgenomen de verhouding tussen kosten

en opbrengsten (de opbrengsten per f 100,— kosten)..

In de figuur is verder door arcering aangegeven welk deel

van de opbrengsten is gevormd door de garantietoeslagen.

Het belang van deze overheidsuitkeringen voor de bedrijfs-

resultaten komt in de figuur duidelijk naar voren.
Weliswaar

betekenen deze toeslagen slechts enkele procenten van de

totale opbrengsten, doch in verhouding tot de geringe marge

tussen de kosten en de opbrengsten zijn ze van doorslaggeven-

de betekenis geweest.

geeft, komen hierin niet tot hun recht. Nog minder de

verschillen in resultaten tussen de afzonderlijke bedrijven.
De tendenties, die in de tabel naar voren komen, doen zich

echter in meerdere of mindere mate in alle groepen bedrijven

voor. De ontwikkeling van kosten en opbrengsten per ha

wordt door de tabel dan ook voldoende duidelijk weer-

gegeven. In de tabel is het gemiddelde indexcijfer voor de

opbrengsten per ha over de jaren i951/’52 t/m
1955/’56
op

100 gesteld. Ook de kosten per ha en het netto-overschot

per ha zijn op deze basis berekend teneinde het verband

•’

tussen deze drie kengetallen weer te geven. Het netto-

overschot is het verschil tussen opbrengsten en kosten en

omvat dus ook een -eventuele vergoeding voor bedrijfs-

leiding. Deze is immers, zoals gezegd, niet in de kosten

begrepen.

/

Voor de
gemengde bedrijven
zijn eveneens de garantie-

toeslagen belangrijk geweest voor de bedrjfsuitkomsten.

Zonder deze toeslagen zou slechts 1 van de 16 groepen

bedrijven een positief netto-overschot hebben bereikt.

Met inbegrip van de garantietoeslagen konden de bedrijven

in Noord-Brabant en de bedrijven groter dan 15 ha in de

Friese Woudeh gemiddeld tot een positief netto-overschot

komen. In de overige groepen waren de kosten hoger dan

de opbrengsten. Deze ongunstige resultaten van de ge-

mengde bedrijven zijn zowel door een
stijging
van de

kosten als door een daling van de opbrengsten van akker-

bouwgewassen 6n van pluimvee veroorzaakt. Hogere
opbrengsten van rundvee en varkens konden deze on-

gunstige factoren niet volledig compenseren.

TABEL 1.

Indexcjjfers van de
bedrjjfsresultaten
per
bedrjjfstype

Omschrijving
1948/49
1949/50
1950/51
1951/52
1952/53
1953/54
1954155
1955156
1956157

t. Akkerbouwbedrijven:
opbrengsten

per ha
…………..
71
88
88
105 103
93 100
10!
90
57
61
65
71
75
.

79
84 86
90
netto-overschot per ha
14

..

27
23 34
28
14
16 15
0
kosten per isa

………………

2. Weidebedrijven:
72 82
84
93
99
100 102
108 119
54
64
75
80
85
86
103
101
110
netto-overschot per ha
18 18
9
13
14
14

1
7
9

opbrengsten per isa

…………..
kosten per ha

………………

3. Gemengde bedrijven op zand:

56 69

77
89
96
98
104 112
119
opbrengsten per ha

…………..
kosten per ha

………………
52
62
74
83
91
94
108
110
121
netto.overschot per ha
4
7
3

.
6
5
4

4
2

2

Uit de cijfers blijkt duidelijk een groot ongunstig ver-

schil in netto-overschot tussen de jaren 1948/’49 t/m

1953/’54 en de drie daarop volgende jaren. In de gehele

periode deed zich een lostenstijgïng voor, die zich ook in

1956/’57
heeft voortgezet. De ontwikkeling van de op-

brengsten per ha sedert 1948/’49 geeft weliswaar een stijging

aan, doch deze is geringer geweest dan de stijging van

– de kosten.

Op de
akkerbouwbedrjjven
zijn het laatste jaar de op-

brengsten gemiddeld gelijk geweest aan de kosten. In een

deel van deze groepen, met name de Veenkoloniale groepen,

de Noordhollandse bedrijven buitn de Wieringermeer en

de groepen in westelijk Noord-Brabant waren belangrijke

tek6rten. In de andere groepen werd ook in
1956/’57
nog

een positief netto-overschot-verkregen. Het hoogste lag

dit in de Zeeuwse groepen. De achteruitgang in resultaten

– ten opzichte van het voorgaande jaar is in hoofdzaak

gelegen in de lagere opbrengsten van akkerbouwgewassen.

Vrijwel alle belangrijke gewassen hadden in
1956/’57 een

lager geoogste hoeveelheid per ha. Bovendien waren de

prijzen van granen, consumptie-aardappelen en karwij-

zaad aanmerkelijk lager dan het voorgaande jaar.

‘Het enige bedrijfstype waar het netto-oveischot dit jaar

nog is gestegen zijn de
weidebedrj/ven.
Deze resultatenver-

betering is echter voor een belangrijk deel een gevolg van
de hoge -garantietoeslagen, die over de winterperiode van

• . dit jaar zijn uitgekeerd. Zonder deze toeslagen zouden in

verschillende groepen de kosten de opbrengsten hebben

overtroffen. Deze garantietoeslagen zijn in 1956/’57 nog

wel lager geweest in de kleigebieden in Friesland ‘en

Noord-Holland dan in de andere gebieden. Ondanks de

lagere garantietoeslagen werd in de kleigebieden gemiddeld

. een hoger netto-overschot bereikt dan mde andere groepen

bedrijven. In de gebieden in het westen van het land heeft

ook de varkenshouderij een belangrijke ‘bijdrage tot de

betere resultaten geleverd.

368

1.1

FLI

….
.2.1

..

Akkerbouwbedrijven

.
Weidebedrijven
Gemengde bedrijven

van

de

land-
arbeider:

C.A.

0.-lonen

plus
140
sociale

lasten
,

vermenigvul-
130
digd met aan-‘

tal werkuren.


120
b.

het netto
T
over

.

schot van het.

bedrijf.

110
Naasthetarbeids-

‘-
inkomen is ook de

100
rente

van

zijn

in

het bedrijf geïnves-

teerdevermogen,die
90
onder de kosten is

opgenomen,

inko-

(40 –

130
120

110
100

90
Figuur 1

Opbrengsten per 1. 100.- kosten (In gids.)

al§ de kosten –

4819 49/0 50/1 51/2 5213 53/4 54/5 55/6
5617
4819 49/0 50/1 51/2 52/3 53/4 54/5 55/6

Het arbeidsinkomen van de boer.

Voor de beoordeling van de bedrijfsuitkomten is het

goed niet alleen naar de cijfers per ha cultuurgrond te

zien, doch o9k het arbeidsinkomen van de boer in de be-

schouwing te betrekken. Wij willen dit doen door ver-
gelijking van het arbeidsinkomen van de boer per jaar

met de kosten per jaar van een landarbeider.
Deze vergelijking van het arbeidsinkomen van de boer,

niet de jaarkosten van een landarbeider houdt uiteraard

geen uitspraak in over de gewenste verhouding tussen beide.

Wel ligt het voor de hated te stellen, dat het arbeidsinkomen

van de in het bedrijf meewerkende boer (gesteld al dat zijn
handenarbeid juist is gewaardeerd door daarvoor de kosten

van de landarbeider te nemen) boven de beloning van zijn

handenarbeid tenminste ‘een voldoende vergdeding be-

hoort te bevatten voor zijn bed rij fsleiders-werkzaamheden

en voor het dragen van de ondernemersrisico’s. Indien aan

deze voorwaarde blijvend niet wordt voldaan, is moeilijk

te zeggen, dat het doel van het landbouwbeleid, t.w. een

redelijk inkomen voor de werkers in het sociaal en eco-

nomisch verantwoorde bedrijf, is bereikt.

Voor de kosten per jaar van een landarbeider is uit-

gegaan van het normale aantal uren vermenigvuldigd met

het loon per uur volgens de C.A.0., vermeerderd met de

verschuldigde sociale lasten.

Het arbeidsinkomen per jaar van de boer bestaat uit:

a. de in de kosten begrepen beloning voor handen-

arbeid. Deze beloning is op dezelfde wijze berekend

r’

t

usd1
v(.io[

ue 00cr.

5647 4819 49/05011 51/2 52/353/4 541555/6 56/7

Deze rente is dus

niet in hetarbeids-

inkomen begrepen.

Het arbeidsinkomen van de boer kan in een jaar hoger

zijn dan de jaarkosten van de arbeider, doordat het bedrijf .

-een netto-overschot heeft opgeleverd of doordat de bod

meer uren per jaar heeft geverkt (handenarbeid). dan de

,normale abeidstijd van de arbeider. Evenzo kan het lager.

zijn dan de jaarkosten van de arbeider, indien de boer
minder uren handenarbeid verricht dan voor een laid-

‘arbeider normaal is en voorts wannee’r het bedrijf verlies
(heeft geleden. De hoeveelheid handenarbeid van de boer

hangt nauw samen met de bedrijfsgrootte: op de kleine

«bedijven werkt de ‘bôer evenveel als een landarbeider

“(ca. 3.000 uur), op de grote akkerbouwbedrijven echter

niet meer dan 1.0004.500 uur per jaar. Naarmate het

bedrijf groter is, is voorts de betekenis van het netto

overschot per ha voor het inkomen van de boer belang- –

iijker.

De aldus berekende inkomens zijn weergeven in figuur

2. Het gearceerde deel vari de figuur geeft de garantie-

toeslagen aan. In verband niet aanzienlijke verschillen’in

bedrjfsgrootte en in, de werktijd (handenarbeid) van de
boer zijn daarbij de groepen akkerbouwbedrijven op de

Groninger kier en in het Z.W.-kleigebied gescheiden ge- .

houden van de Veenkoloniale groepen. .

De opbouw van het arbeidsinkomen van de boer, zoals

dat in figuur 2 in totaal is vergeleken met het jaarinkomen


van de landarbeider, was in
1955/’56
en 1956/’57 globaal

als volgt:

TABEL 3

Specificatie arbei/sinkomen Ln gids.

Jaarkosteri lanciarbeider

Loon en sociale lasten boer
Netto-overschot cxci. garantietoeslagen
Garantietoeslagen

………………………..

Arbeidsinkomen boer

Uit de figuur en deze cijférs blijkt o.a. het volgende:

1. De lonen van de landarbeiders zijn in de waargenomen

periode regelmatig gestegen.

Kleigebieden

Veenkoloniën
(ca. 40 ha)

(ca. 20 ha)

1955/56
1

1956/57

1955/56
1

1956157

3.600

3.900

3.500

3.800

2200

. 2.500

3.800

4.300
13.000

1.900

2.900

.1.
2.700
100

200

400

1.700 15.300

4.600

7.100

3.300

r

. ..

. –

Weidebedrijvers
Gemengde bedrijven
(ca. 18 ha)
(ca.

10
ha)

1955/56

1
1956/57 1955/56

1
1956/57

4.600
5.000
4.500
4.900

5.100 6.000
4.300
5.100
1.000
900
200
.1.

1.600
300 1.900 600
1.100
4.600
7.200

8.800
5.100

2. Het arbeidsinkomen van de boer is in deze periode

vrijwel gelijk gelleven op weide- en gemengde bedrijven,
doch op de akkerbouwbedrjven teruggelopen.

369

/

•1
3. De garantietoeslagen vormden in 1956/’57 Seen aan-

zienlijk deel van het .arbejdsinkomen van de boer.

De klei-akkerbouwbedrijven, waar de boer in het

algemeen niet meer dan 1.500 uur per jaar handenarbeid

verricht, hebben tot en met
1955/’56
steeds het hoogste

arbeidsinkomen voor deboer opgeleverd. Dit zijn in het
algemeen grotere bedrijven dan de drie andere bedrijfs-

typen (gem. ca
. 40 ha).

De Veenkoloniale akkerbouwbedrijven (gem. ca
.

20 ha), waar de boer het’gehele jaar volledig meewerkt in

het bedrijf, leverden een aanzienlijk geringer arbeids-
inkomen voor de boer op. Het laatste jaar bestond het

arbeidsinkomen van de boer op deze bedrijven voor onge-

veer de helft uit de garantietoeslagen en was dit des-

ondanks nog lager dan de jaarkosten van een landarbeider.

Ook op de weidebedrijven waren de garantietoeslagen

een belangrijk onderdeel van het arbeidsinkomen van de

boer. De arbeidstijd van de boer in het bedrijf is op dit

bedrijfstype in
1956/’57
gemiddeld 20 pCt. hoger geweest

dan die van de landarbeider, zodat ook het hiervoor in-

gecalculeerde loon evenredig hoger ligt.

De stijging van het voor de boer ingecalculeerde loon
op de gemengde bedrijven sedert 1948/’49 is vrj’vel geheel

gecompenseerd door de daling van het netto-overschot in

deze periode. Het arbeidsinkomen is daardoor ongeveer

op hetzelfde niveau gebleven ondanks de garantietoeslagen

in de laatste jaren. Het was in 1956/’57 lager dan de jaar-

kosten van de landarbeider, hoewel de boer gemiddeld

langer werkte dan de landarbeider.

Ter beoordeling van de gegeven cijfers zij verder op-

gemerkt; dat de Regering in de genoemde ,,Nota inzake
beperking van de bestedingen” mededeelt, dt zij voor de
prijsvaststelling van oogst 1957 uitgaat van de volgende

bedragen voor de beloning (= arbeidsinkomen) van de

boer: gemengd bedrijf 10 ha f. 6.400, weidebedrijf 18 ha

f. 7.200 en akkerbouwbedrijf 50 ha f. 8.200. Deze bedragen

hebben dus in hoofdzaak betrekking op het boekjaar

1957/’58, waarvan nog geen cijfers beschikbaar zijn. De

garantieregelingen laten uitdrukkelijk het oogstrisico voor

rekening van de boer. Het jaar 1 956/’57 had voor de akker-

bouw zeer ongunstige weersomstandigheden, evenals het

jaar
1954/’55
voor de weidebedrijven. Hiermede dient men

dus bij de beoordeling van het arbeidsinkomen van de

boer rekening te houden.

Samenvatting.

Op basis van zojuist verschénen L.E.I.-cijfers is in het

bovenstaande een beeld gegeven van het verloop der

bedrijfsuitkomsten van de landbouw. De cijfers zijn daar-

toe sterk gecomprimeerd in enkele tabellen en grafieken

opgenomen, waarbij de garantietoeslagen, die ingevolge.

het landbouwbeleid door de Regering worden betaald,

afzonderlijk zijn vermeld. Het belang van deze toeslagen
voor een sluitende exploitatie van de verschillende typen

landbouwbedrijven in de laatste jaren komt in de gegevens

duidelijk n&ar voren. De verschillen die tussen de gebieden

bestaan kunnen bij een dergelijke benaderingswijze uiter-
aard niet tot hun recht komen. Nog minder is dit’het geval

met de verschillen in resultaten tussen afzonderlijke be-

drijven. De cijfers zijn echter voldoende nauwkeurig om

de ongunstige ontwikkeling der laatste jaren te demon-

streren.
‘s-Gravenbage.

J. A. KUPERIJS, ec. drs.

Figuur 2

Arbeidsiokomen van de boer (in duizenden gids.)

.!.

L7

LF
J

_i_.i.,_i_.•_•

Akkerbouw
Akkerbotiw
Kleigebioden Veenkulonien
Wedebedrilven Gemengde bedrijven

48/9
49/05011 51/2 52/35314 541555/6 5617 48/640/0 50115112
52/35314 54/55516
56/7 48/949/0 50/1 51/2
52/353/4
54/555/6 56/7 48/94910 50/1 51/2 52/3 53/4 54/55516 56/7

Areidsiomen van de boer

: Garâotietoeslagen

harkosten landarbeider

/

25
24
23
22

21

20

19
18

17

16

15

14

13

12

II

10

9

8
7
.

5.

4.

3.

2

0

24
23
22

2l

20

.19

8
17

16

IS

14

3
12

II

0

9

•8

7
6

.4

3
2
0

Schrijver geeft in dit artilel een beschouwiiig

over de volgende Russische energie-bronnen: steen-

kolen, elektriciteit, petroleum en atoomenergie.
Steenkolen: de voornaamste kolenbekkens passe-

ren de revue. Ondanks het openen van een groot

aantal nieuwe kolenmijnen ziet het er naar uit
dat het streefgetal van 593 mln, ton kolen in 1960

niet zal worden gèhaald. Stilgestaan wordt bij de
exploitatiewijze der kolenlagen, o.a. bij het ver-

gassen van ondergrondse lagen.
Elektriciteit: het

elektriciteitsverbruik voor 1960 wordt geraamd op

320 rnrd. kWh. Aandacht wordt
geschonken aan
de onlangs gereed gekomen en de te bouwen hydro-elektrische centrales. Petroleum:
de olieproduktie

voor 1960 wordt geschat op 135
mln, ton. De

produktie van aardgas wordt uitgebreid evenals

het aardgaspijpleidingnet. Atoomenergie: voor die

gebieden die arm zijn aan kolen, olie en water-

kracht wordt
de atoomenergie van groot belang

geacht. Gewezen wordt op de vorderingen van de

Sowjet-Unie op het gebied der kernreactoren.
Energievoorziening.

mde

Sowj et-Unie

Steenkolen.

De voornaamste kolenbekkens in de Sowjet-Unie zijn

die van Moskou, het Don-bekken, dat van de Petchora,

de Dnjer en het Karaganda- en Koetznetsk-bekken in

midden-Siberië. Voorts zijn van betekenis het midden-

Wolga-mijngebied van Donbarov bij Orenburg, het Kisel-

mijngebied van de midden-Oeral en de kolenmijnen van

Poltawa.

Tot voor korte tijd was het Koetznetsk-bekken, waarvan

dè kolenreserves die van alle andere mijngebieden in

Europees Rusland overtreffen, het grootste kolenveld der

Sowjet-Unie. Maar de kort geleden ontdekte kblen-

bekkens van Yakoetië, waar men in 1955 ongeveer 50

nieuwe kolenvelden gevonden heeft en waarvan de dag-

zomen der kolenlagen honderden kilometers lang zijn,

zullen vermoedelijk de belangrijkste van de Sowjet-Unie

worden.

De Lena-velden en de kolenvelden van de Toengoeska

zijn nog niet voldoende geëxploreerd doch schijnen ook

zeer belangrijk te zijn. Veel van deze in de laatste jaren

ontdekte kolenvelden bevatten kolen, die goede hoog-

ovencokes opleveren. Voorts worden belangrijke bruin-

koolmijnen aangetroffen op de rechteroevervari de Dnjepr

in de Oekraïne, in het Moskou-bekken naast steenkolen,

waarvan de kwaliteit echter te ensen over laat, aan de

Moermansk-kust en bij Borovitchi dat 200 km ten zuiden

van het Ladoga-meer is gelegen.

In Aziatisch Rusland zijn voorts de volgende kolenvelden

reeds geruime tijd in exploitatie: het kolenbekken van
Jrkoetsk, dat van Choelym bij Krasnoiarsk, dat van de

Jenissei, de mijnen bij Wiadiwostok en die van Boersia,

360 1cm ten westen van Chabarovsk, de mijnen van Choeral

in Tadjikstan en de kolenmijnen van Kirghizistan. En ten

slotte worden in de Kaukasus de mijnen van Tkiviboeli en

Tkivarcheli geëxploiteerd.

Ondanks het openen van een groot aantal nieuwe

kolenmijnen ziet het er naar uit dat het streefgetal van

593 mln. ton kolen inhet produktiejaar 1960 niet zal
worden gehaald. Om dit streefgetal te bereiken is de

kolenmijnbouw de laatste jaren sterk gemechaniseerd.

In het afgelopen jaar heeft men ongeveer 100 nieuwe

machines beproefd bij het winnen van steen1oo1 en een

gedeelte daarvan is definitief in gebruik genomen. Ook het

graven van de
mijnschachten
en van de galenijen wordt

zoveel mogelijk gemechaniseerd: Er zijn in 1957 enkele

tientallen nieuwe mijnen bij gekomen, die alle van de

meest moderne outillage zijn voorzien.

Het exploiteren van kolenlagen door de steenkolen met

een waterkanon los te spuiten, komt bij dagbouwexploitatie

veelvuldig voor. Niet altijd leent de structuur van de

kolen zich echter tot deze exploitatievorm. Het komt ook

wel voor dat deze winningsmethode wordt toegepast in

ondergroiidse mijnen, waarbij het met water vermengde

kolengruis en slik door sterke pompen omhoog wordt

geperst. Hoe het ook zij, de winningsmethoden der nieuwere

mijnen en hun outillage doen niet onder voor die van het

Westen en aangezien de vakvereniging van iedere mijn

mede verantwoordelijk is voor de veiligheid en het welzijn

van de
mijnwerkers,
laten deze in de nieuwere mijnèh

meestal weinig te wensen over.

In het lopende, gewijzigde vijfjarenplan zullen 400

nieuwe, modern geutilleerde mijnen in exloitatie komen.

De dagbouwexploitatie, die op grote schaal wordt togepast

in Siberië, de Oeral en de Oekraïne, drukt de winningskosten

van de kolen dermate, dat deze 1/3 â 1/4 bedragen van die

van de ondergronds gewonnen kolen. Bij die dagbouw-

exploitatie wordt steeds meer gebruik gemaakt van grote

grjpers, die voortdurend in afmeting toenemen. De ,,Oeral

Fabriek voor Zware Machines” is thans bezig met het

construeren van grijpers met een inhoud van 25 m
3
. Bij de

buw van de hydro-elektrische centrales wordt reeds veel-
vuldig gebruik gemaakt van grijpers van 10 m
3
inhoud.

Het vergassen van ondergrondse kolenlagen bevindt

zich nog altijd in het stadium van proefnemingen. Zo ligt

bijv. in het kolenveld van Novobasovsky een proef bedrijf

vanwaar het gewonnen gas na zuivering wordt gelevèrd

aan de fabrieken van Toela.
Bijprodukten
vah dit bedrijf

zijn zwavel, hyposulfiet en andere chemische produkten.

Intensief researchwerk is aan de gang teneinde te proberen

om met behulp yan deze gassen ammoniak en synthetische

benzine te maken. In het vergassingsstation van onder-
grondse kolenlagen van Shatskaja wordt het gas echter

371

gebruikt voor het aandrijven van gasturbines en het op-

wekken van elektrische stroom. Plannen bestaan om bij

Moskou een grote elektrische centrale van dit type te
bouwen, wanneer met de kleinere stations voldoende,

ervaring is opgedaan. De in aanbouw
zijnde
rotors van de

gasturbines, bestemd voor de toekomstige centrale van

Moskou, hebben een diameter van 11
t
12 meter.

Elektriciteit.

,,Communisme is de macht van de Sowjets plus de elek-

trificatie van het gehele land”. Met die woorden gaf Lenin

de stoot aan de grootse elektrificatieplannen der Sowjt-

Unié. Van. 2 mrd. kWh in 1913 steeg het stroomverbruik

+ tt 48,3 mrd. kWh in 1940, tot 91,2 mrd. kWh in 1950 en

het zal in 1960 opgelopen zijn tot 320 mrd. kWh. Daar-

tegenover heeft het elektriciteitsverbruik in de Verenigde

Staten in
1956
ongeveer 623 mrd. kWh bedragen. In de

Sowjet-Unie wordt ongeveer 80 pCt. van de stroom ver-

bruikt door de industie.

De snelle toename van het stroomverbruik in de laatste

jaren is vooral mogelijk geworden door het in gebruik

nemen van nieuwe, zeer grote hydro-elektrische centrales,

zoals die van Kuybishev van 2,1 mh

i. kW, terwijl alle

Wolga-centrales tezamen thans een capaciteit hebben van

12 mln. kW. Ook op de zuidgrens van Centraal-Azië zijn

tal van hydro-elektrische centrales gebouwd, die stroom

leveren aan nieuwe industrieën, terwijl de stuwrneren

-, gewoonlijk worden gebruikt voor irrigatiedoeleinden.

Talrijke centrales zijn in aanbouw in Siberië, waarvan

die van Irkoetsk en Bratsk de grootste zijn. Zij liggen aan

de Angara, de afwatering van het Baikal-meer. De Angara

• is een snelstromende rivier, die zo’n groot verval heeft, dat

zij zelfs niet bevriesfbij temperaturen van —40 tot —50
°
C.

De bouw van de Irkoetsk-stuwdam had dan ook heel

wat Voeten in de aarde. Hoewel hij voor een groot deel

is opgebouwd uit opgesloten klei tussen stalen platen moest

er toch heel veel beton worden gestort, wat bij die lage

• temperaturen een probleem was. Men heeft toen de plaats

waar het beton gestort moest worden omgeven met houten

verwarmi ngsgebouwen.

De eerste turbines van Irkoetsk draaien reeds en als de

. centrale geheel gereed zal zijn, zal zij een vermogen hebben

van 660.000 kW, zodat zij dus jaarlijks ongeveer
4,5
mrd.

kWh aan stroom zal kunnen leveren. Dat is dus ongeveer

60 pCt. van het totale vermogen van de thermische en

keinenergiecentrales, die Nederland in
1975
zal bezitten

als het kernenergieplan van Minister Zijlstra verwezenlijkt

zou worden.

De nieuwe centrale zal an grote betekenis zijn voor de

industrialisatie van het gebied rondom Irkoetsk en zal

de stroom leveren voor de bouw van de gigantische stuw-

dam van de Bratsk-centrale, die in aanbouw is bij Padoen,

700 km van het Baikal-meer. Deze centrale zal in staat

zijn om per jaar 26 mrd. kWh te levefen, dat is bijna

6+ maal zoveel als de centrale van Irkoetsk en 21 maal
• • zoveel als de centrale van Kuybishev, thans nog de grootste

van de wereld.
In de meeste gevallen zijn de hydro-elektrische centrales

in de Sowjet:Unie gebouwd aan rivieren met een betrekke-

lijk klein verval, zoals de Wolga, de Volkhov, de Svir, de

Neva, de Dnjepr enz. Leningrad, ‘Moskou, de Zuid-

Oekraïne, Oostelijk Kaukasië, Magnetigorsk, Taschkent-
Ferghana en Irkoetsk zijn de grootste stroomverbruikers.

In het zesde vijfjarenplan zullen de verschillende hoog-
spanningsnetten van de Sowjet-Unie aan elkander worden

372

S
-.

gekoppeld. Normaal is in deze hoogspanningsnetten de

spanning vân de wisseistroom 400.000 volt. Voor de zeer

grote afstanden wordt thans geëxperimenteerd met span-

ningen van 7 â 800.000 volt. Met het oog op het gevaar

van het breken van de hoogspanningskabel als gevolg van

sneeuwval, vorst en harde winden, treft men op bepaalde

trajecten een dubbele hoogspanningsleiding aan, zoals bijv.

tussen Kuybishev en Moskou.

Petroleum.

Vroeger was Bakoe het voornaamste centrum van de

olieproduktie der Sowjet-Unie. Thans is de olieproduktie

van Bakoe en Adzerbeizjan van de eerste plaats verdrongen

door de in exploitatie genomen olievelden in Tartarje en

Bashkirië, tussen de Wolga en de Oeral. Hier werd in 1932

voor het eerst olie aangeboord in het dorpje Ischimbajevo

in Bashkirië. Thans is het dorpje uitgegroeid tot een olie-

stad, die met een nieuwe spoorweg met de rest van het

Russische spoorwegnet is verbonden.

De Tartaarse republiek is voor een groot deel gelegen

in het stroomgebied van de Wolga en haar grote zij-

rivieren: de Kama, Belaja en Wjatka. Behalve olie is in

dit gebied ook veel steenkool aangetroffen. De grote

elektrische centrale van Nizjni-Kamskaja, aan de Kama-

rivier gelegen, levert de stroom aan de zware en de che-

mische industrie, die hier snel tot ontwikkeling zijn ge-

komen en aan de olievelden. Op het ogenblik is het

Romashkin olieveld een van de grootste in de wereld.

Het produceerde in 1956 evenveel olie als alle olievelden

van Bakoe bij elkander.

Door de intensieve olie-exploratie zijn de vastgestelde

oliereserves van de Sowjet-Unie in de laatste vier jaren

verviervoudigd. In de laatste vijf jaren heeft men 265

nieuwe olieleverende bronnen aangeboord.

De boortorens van de midden-Wolga beginnen thans

ook te
l
verrijzen
bij Stalingrad, Kuybishev, Sizran en Kazan.

Ook in het stroomgebied van de Emba-rivier (Zuid Oeral),

aan de Oostkust van de Kaspische Zee en in het zuidelijk
deel van Centraal-Azie bij Ferghana en bij Kokand, heeft
men olie gevonden. Voorts in Oost-Azië aan de Golf vaw

Kbrotki, 300 km ten noorden van Petropavlosk in

Kamschatka, in Noord-Siberië aan de beneden Lena, de

beneden-Jenissei en de beneden-Ob, in de Krim bij Kertsch,

in de Oekraine bij Poltawa en Rommy enz.
In 1957 heeft de olieproduktie in de Sowjet-Unie onge-

veer 100 mln, ton bedragen. Men verwacht, dat deze in

1960 tot 135 mln, ton zal zijn gestegen. De olie van Tartarje

en Bashkirië wordt naar Oefa, een oliedistributiestation in

de Oeral, Kuybishev en Saratov gepompt met behulp van

pijpleidingen. Ook wordt ruwe olie van Oefa naar Omsk

vervoerd door een Pijpleiding, die meer dan 800 km lang

is. In Omsk is namelijk een grote raffinaderij opgericht,

die -haar produkten verder met behulp van pijpleidingen

via Novosibirsk naar Tomsk en door een pijpleiding naar

Pavlodar dïstribueert. Deze pijpleidingen maken het ver-

voer van olie per trein langs de Transsib overbodig en

leveren een besparing aan transportkosten op van ongeVeer

75 pCt. Pijpleidingen voor het vervoer van olie zijn in –

aanbouw tussen Kuybishev en Briansk, tussen Tartarije
via Gorki naar Riazan, van Riazan naar Moskou en van

Gorki naar Yarislov. ‘

Aan de winning van aardgas hecht de Russische Regering

eveneens grote waarde. In de eerste plaats behoeft gas
niet uit de diepte opgepompt te worden naar de opper-

vlakte van de aarde. Berekend naar de calorische waarde

«

.

:

•’

<

.,

.-

..

&

S

kosten 1.000 calorieën, bij verbranding van gas verkregen,

30 h 40 pCt. minder dan bij gebruik van olie als brandstof

en 85 â 87 pCt. minder dan bij gebruik van ondergronds

gewonnen steenkool. Weldra zal het aantal steden dat van

aardgas wordt voorzien zijn gestegen tot 130, terwijl tal

van fabrieken deze brandstof in hun bedrijf gebruiken.
De langste aardgasleiding in de Sowjet-Unie is die van

Stavropol, aan de noordvoet van de Kaukasus gelegen,

naar Moskou. Deze leiding zal een zijlijn naar Zhdandv

en Rostov krijgen. Voorts is er een aardgasleiding in aan-

bouw van Ljov via Minsk naar Riga en van Minsk naar

Leningrad. De Siberische aardgasleiding, die bij Tuimaza

in het Wolga-.bekken begint en over Oefa naar Irkoetsk

loopt, is 4.100 km lang en heeft een doorsnede van 70 cm.

In 1955 heeft de gasproduktie 10.355 mln. m
3
bedragen.

In 1960 zal de produktie tot ongeveer 40 mrd. m
3
zijn ge-

stegen, terwijl men de beschikking zal hebben over ongeveer

9.000 kmgasleiding.

Atoomenérgie.

Ondanks de grote rijkdom aan kolen en olie en het

grote waterkrachtpotentieel, bestaan in de Sowjet-Unie

gebieden, die arm aan krachtbronnen zijn. De leiders van

de Sowjet-Unie voorzien in die gebieden in de behoefte

aan energie door het bouwen van kernreactoren.

Zij bouwen daartoe twee typen van kernreactoren. Het

ene type werkt met natuur-uranium en grafiet als moderator,

zoals de meeste Engelse en Franse reactoren. Beide landen

hebben namelijk geen separatiefabrieken van zulk een

grote capaciteit voor de vervaardiging van verrijkt ura-

nium, dat zij behalve in de behoeften van de oorlogs-

industrie ook kunnen voorzien in die van de reactor-

industrie.

Hèt andert type is een ,,pressurised water reactor”,

die mèt verrijkt uranium als brandstof en water als modera-

tor werkt. Dit water wordt ook gebruikt als warmte-

overbrenger; het bereikt in de reactor een temperatuur

van 525
°
F. en wordt dan naar de warmtewisselaars ge-

pompt. Door de verkregen stoom worden zes turbo-

generators aangedreven, elk met een capaciteit van 70.000

kW, zodat de gehele reactorinstallatie een elektrisch ver-

mogen heeft van 420.000 kW. Deze reactor zal in 1960 in
gebruik worden genomen.

Wanneer men bedenkt dat de Amerikâanse ,,pressurised

water reactor” van Shippingport een elektrisch vermogen

heeft van 60.000 kW dan heeft de Russische reactor, dus

een elektrisch vermogen dat zeven maal zo groot is. De

grootste twee Britse reactoren, namelijk die van Bradwell

en Berkeley (Glouster) zullen elk een elektrisch vermogen

hebben van 200.000 kW, bijna de helft van de Russische

reactor. Alle Nederlandse reactoren tezafhen, die volgens

liet plan van de Nota betreffende de ontwikkeling van de

kernenergie in Nederland in 1975 gereed zullen zijn, hebben

een elektrisch vermogen van 450.000 kW. De Sowjet-Unie

is het Westen dus in de reactorbouw nogal ver vooruit.

Het andere type reactor, waarvan het door de Sowjet-

Unie in Genève ten toon gestelde exemplaar het proto-

type schijnt te zijn, zal op verschillende plaatsen, die niet

• nader worden aangeduid, worden gebouwd. Het elektrisch

• vermogen van de nieuwe reactor van dit type zal echter

belangrijk groter zijn dan dat van de in Genève gedemon- –

streerde reactor, die slechts een elektrisch vermogen had

van 5.000 kW.

Op grond van het bovenstaande kan men de, conclusie

trekken, dat de capaciteit van de zeer dure en eiorme

hoeveelheden stroom verslindende separatiefabrieken in

de Sowjet-Unie, waarin het splijtbaar uranium uit het

natuururanium dooi middel van de diffusiemethode wordt

gewonnen, groot is. Zo groot, dat de Russen na het ver-
vaardigen van atoombommen nog voldoende’ splijtbaar,

uranium over hebben als grondstof voor hun reactor-

centrales. Er is dan ook geen enkele reden om aan te

nemen, dat de Russen niet even ruim voorzien zouden

• zijn van atoom- en waterstofbommen als het Westen.

Voorts is er geen reden om aan te nemen, dat de Russen

op het gebied van het bouwen van een waterstofreactor

bij Amerika en Engeland ver ten achter zouden zijn.

• Blijkens de rede, die de Russische hoogleraar 1. V

Kurchatov in 1956 in Harwell voor de Britse atoom-

geleerden heeft gehouden
l), lijken de Russen op dit gebied

• bepaald niet achterlijk. Evenmin is er reden om aan te’

nemen dat de Russen ten achter zijn op het gebied van de
voortstuwingsreactors. Dit blijkt uit het feit dat in decen-

ber 1957 de ijsbreker ,,Lenin” te water werd gelaten, het

eerste boven-water-schip in de wereld dat door atoom-

kracht wordt voortgestuwd.

.De ,,Lenin” is het vlaggeschip van de Russische koop-

vaardijvloot op de handelsroute door de Poolzee, van

Archangel naar het Verre Oosten. De kolen van Nova

Zembla en Vorkoeta (deze laatste kolen worden afgescheept

te Obdoerski, dat gelegen is aan de zeeboezem die gevormd

wordt door de mond van de Ob) worden als bunkerkolen

«voor deze Noordelijke zeeweg gebruikt. Obdoerski ligt

echter 400 A 500 mijlen van die route af en de zware ijs-
brekers die hier in juli de geul in het pakijs moeten open-

breken, een wërk dat weken in beslag neemt, hebben op de

route weinig gelegenheid tot bunkeren. Dat is de reden

waarom men overgegaan is tot de bouw van een atoom-

ijsbreker, die ongeveer een jaar kan blijven varen, zonder’

nieuwe atoombrandstof in te nemen. De ,,Lenin” heeft

een maximumsnelheid van 18 mijl, meet 16.000 ton en

heeft een machinevermogen van 44.000 pk.

Over de bouw van Russische atoomonderzeeërs is niets
bekend gemaakt. Men kan veilig aannemen dat zo zij nog

niet in dienst zijn, zij dan stellig op stapel staan en geschikt
zijn voor het lanceren van de T 2, de ,,Komet”, een middel-

bare afstand geleid projectiel met atoom- of, waterstof-

bomkop, en een draagwijdte van ongeveer 1.300 km. De

,,Komet” is dus de tegenhanger van de Amerikaanse

Polaris. En ten slotte melden de Amerikanen, dat een

proto-type van een Russisch atoomvliegtuig in aanbouw is.
‘s-Gravenhage.

Dr. W. K. H. FEUILLETAU DE BRUYN.

1)
Deze rede werd gepubliceerd onder de titel: ,,On the
possibility of producing thermonuclear reactors in, a gas
discharge”.

Blijf bij — Lees ,,E.-S.B.”!

f373

If

Surinaamse kanttekeningen

(Eerste kwartaal 1958)

Ook in Suriname beginnen verschijnselen van de econo-
misché recessie merkbaar te worden. Alleen is de moderne

nomenclatuur er nog geen gemeengoed en spreekt men

eenvoudig van de naderende crisis. /

Bauxiet.

De vele berichten van overzee over produktiebeperkingen

en sluiting van fabrieken in de aluminiumbranche hadden

het publiek reeds voorbereid op een te verwachten achter-

uitgang van de vraag naar dit voor Suriname zo belang-

rijke. erts. De Surinaamse Bauxiet Maatschappij, thans

Suralco, Inc. genaamd, moest tot beperking van haar

produktie overgaan en een deel van haar personeel in de

mijnvelden te Moengo 6ntslaan. Door de aanvang der

werkzaamheden aan de Oost-Westverbinding in de omge-

ving van Moengo, kon een aanmerkelijk deel van de

betrokkenen overgeheveld worden, waardoor voorlopig

de werkgelegenheid op vrijwel het bestaande peil gehand-

haafd bleef.

Het is momenteel nog een vaag, of de huidige over-

produktie van bauxiet een gevolg is van de algemene

recessie of van de snelle. produktiestijging gedurende de
laatste jaren, waarbij zelfs Suriname van de eerste plaats

als leverancier na lange jaren werd verdrongen. De vodr-

naamste leveranciers liggen nog altijd in West-Indië:

1952
1

1955
1

1956

(in 1.000
metr.
tonnen)
.
2.570 a)
3.603 a)
Suriname

………………..
3.146 a) 3.060 b)
3.485 b)
Jamaica

…………………420a)

2.421 a).
2.474 a) 2.521 a)
Brits

Guyana

………………
Totaâl

………………..
5.987
8.104
9.609

Bron:
Macmillan Information Almanac, New York, resp. 1955 en 1958.
Bron:
Algemeen Bureau voor de Statistiek, Paramaribo.

Ook in aangrenzende gebieden als Frans Guyana,

Venezuela en Haïti zijn prospecties en proefexploitaties in

vergevorderde staat, zodat in de naaste toekomst een

verdere uitbreiding van de West-Indische produktie ver

wacht kan worden, mits de vraag van de wereldmarkt niet

afneemt. De toestand is momenteel zo, dat bij de overscheep-

haven van Guyanees bauxiet op Trinidad grote hoeveel-

heden op afnemers liggen te wachten en dientengevolge

de betrokken mijnbouwmaatschappijen hun produktie

voorlopig beperken.
Ook bij de nieuwe prospectors valt een zekere ,,soft-

pedaling” waar te nemen. In. Frans Guyana werd het

onderzoek naar de
mogelijkheden
van een aluminafabriek

met hydro-elektrisch bedrijf afgesloten en naar het heet,

is men daarvan definitief afgestapt. Het erts van de pros-

pectiegebieden bij Kourou en Kaw zal te zijner tijd waar-

schijnlijk direct of via een verlaadhaven op de Iles’ du

Salut worden verscheept
1).

Het Brokopondoplan, in zijn nieuwe vorm
2),
werd door

de Staten van Surinamë met een kleine meerderheid aange-

nomen. De oppositiepartijen hadden deels om binnenlands

politieke redenen ernstige bezwaren tegen de huidige

Zie hiervoor o.a.: ,,The Carribean”, Vol. 10, Trinidad.
Zie ,,Surinaamse kanttekeningen” (vierde kwartaal 1957)
in ,,E.-S.B.” van
5
februari
1958,
blz. 116.

overeenkomst, ten gevolge van welke de Suralco h.i. een

te grote vrijheid van handelen krijgt. Tijdens de behandeling

door de Staten deelde de Suralco nog mede, dat zij de,

niet in de overeenkomst opgenomen, verplichting op zich

nam, in ieder geval een alumina-fabriek verbonden met het

hydro-elektrisch bedrijf zal opzetten.

Statistisch overzicht.

Het Algemeen Bureau voor de Statistiek publiceerde in

dit kwartaal gegevens op verschillend gebied:

Bevolking.

Het geboorte-overschot is nog steeds
stijgende.
In de

periode
1951-1955
was dit 3,3 pCt. per jaar en het A.B.S.
verwacht, dat dit tot 3,4 â.4 pCt. in de periode 1966-1970
zal stijgen. Het immigratie-overschot bedroeg in de afge-
lopen periode 0,2 pCt. Opvallend is, dat de emigratie van

Surinamers naar Nederland van
1946-1951
daalde en daarna

met
.
t
sprongen steeg.

De totale bevolking steeg van 109.000 in 1921 tot 228.000

in 1956, de in stamverband levenden (ca. 21.000) niet

medegerekend. Het aandeel van de creoolse groep (black-

colored) daalde van 50 pCt. tot 41 pCt:

Voor 1970 raamt het A.B.S. de bevolking op 364.000 â

390.000,’ met een hoger percentage Aziaten dan thans

(55 pCt.).

Indexcijfers prjjzen van levensonderhoud.

Op basis 100 voor het derde kwartaal
1953
steeg de

totaalindex vierde kwartaal 1957 tot 122 tegen 109 in die
periode in
1956.
Deze stijging kwam vrijwel geheel voor

rekening van goederen en diensten van Surinaamse oor-

sprong (van 113 tot 138), in het
bijzonder
groenten, fruit,

vis en houtskool. Dit kan gedeeltelijk worden toegeschre-

ven aan de ernstige droogte in 1957, gedeeltelijk aan het

stijgende loonpeil.

Scheepvaart.

Het totaal der binnengekomen schepen voor 1957 was

1.327 met 3.411.000 b.r.t.,waarvan 97 pCt. voor de haven

van Paramaribo. De volgorde der belangrijkste vlaggen

bleef: Panama, Liberia, Nederland.

In voer.

Deze nam wederom toe, in vergelijking tot 1956 vrijwel

uitsluitend voor investeringsgoederen. Verheugend kan het

genoemd worden, dat sedert dè oorlog voor het eerst weer

Nederland als gtootste leverancier geboekt staat. Bij verge-

lijking met Nederlandse exportcijfrs dient er aan te worden

gedacht, dat in Suriname wordt geboekt de c.i.f.-waarde

van de uit bepaalde landen geleverde goederen, dus inclu-

sief doorvoer. Hier volgt een overzicht:

Jaar
Totaal
waarvan
en

(in S!. mlii.)
1950

……………….. . ….
39,3
11,1
16,4
45,8
13,0
17,4
1952

……………………
56,5
13,2
28,2
1953

……………………
54,3 14,6
23,9

1951

…………………….

1954

……………………
52,0

..

15,0
20.0
1955

……………………
51,0

.. ..

16,6
17,2
62,6

..
..
18,1
22,6
1956

……………………..
1957

…………………….
73,0
24,3
24,2

374

.’,

Uitvoer.

Ook deze steeg t.o.v. 1956
èfi
wel van
si:
5.7,9 mln tot

Sf.
63,8 mln. De totale export van agrarische produkten

daalde evenwel van
Sf.
6,1 mln, tot
Sf.
5,3 mln. Hoewel

de droogte hierin een grote rol heeft gespeeld, toont dit

opnieuw aan, hoe afhankelijk de Surinaamse export, en
dus de welvaart is van de bauxiet. Hoewel de produktie

daarvan ongeveer gelijk bleef, steeg de waatde van de

export van
Sf.
45,5 mln, tot
Sf.
52,0 mln.

Produktie.

Een stijgende lijn viel waar te nemen voor suiker, vee-

voeder, vismeel, bier en triplex. Een daling voor goud,

rum, rookartikelen en schoeisel. De verwerking van palm-

pitten werd gestaakt.

Inkomens van natuurlijke personen.

Deze bedroegen in 1954 van alle belastingplichtige

personen in
Sf.
1.000:

Opbrengst van arbeid, overheidsdienst
……………………..
13.319
Opbrengst van arbeid, anders dan Overheid
………………..
20.789
winst uit bedrijf of beroep
…………………………….
9.618
Opbrengst van vermogen
………………………………..
1.808
Inkomsten uit periodieke uitkeringen
……………………..
1.552

Totaal onzuiver inkomen
…………………………….
47.086

Het A.B.S. publiceerde in een brochure: ,,De inkomens-

verdeling in 1950″ voor de eerste maal gegevens over het

inkomen. In die publikatié moest nog ,veel met geschatte
gegevens worden gewerkt, bij gebrek aan goede primaire

cijfers. Het destijds opgenomen Totaal Onzuiver Inkomen

â
Sf.
48 mln, zou betekenen, dat gezien ook de bevolkings-

toename, het inkomen per hoofd van de bevolking achter-

uit zou zijn gegaan. Dit komt niet waarschijnlijk voor,

waarom het beter is, een volgnde, op vaststaande gegevens

berustende, publikatie af te wachten voor een nadere

beschouwing.

Industriële bedrijvigheid.

Bruynzeel
breidt haar complex uit met een spaanplaten-

fabriek, die in het tweede kwartaal gereed zal komen. Voor

de triplexfabriek wordt meer en meer baboenhouf betrok-

ken uit de beide andere Guyana’s. Voor de aanvoer van dit

hout werd een kustvaartuig aangeschaft. Een tegenslag was

de belangrijke tariefsverhoging in Cuba, een der voornaam-

ste afnemers van triplex.

De
Waterleiding
van Paramaribo, die reeds een onder-

capaciteit had, kon tijdens de ernstige droogte slechts op een

deel van haar capaciteit afleveren, zodat gedurende enkele

maanden de stad voor een groot deel van de dag wâs ver-

stoken van leidingwater. ‘Thans zijn nieuwe bronnen nabij

Zorg-en-Hoop aangeboord en wordt de druk-installatie

uitgebreid zodat binnenkort de waterschaarste tot het

verleden zal behoren.

Op
radiogebied
wordt binnenkort een uitbreiding ver-

wacht. Naast de omroepzender van de AVROS is thans

ruim een jaar een commerciële zender in de lucht. Voor deze

maatschappij en een nieuwe vennootschap worden thans

twee Franse Philips-zenders gebouwd, ieder van 1 KW.

Deze zullen in het grootste deel van Suriname te beluisteren

zijn. In het kader van het geofysisch’jaar bouwde de

L.T.T. met medewerking van de Nederlandse P.T.T. en

Wosuna een radiopeilstation. Gezien de waardevolle

resultaten wordt overwôgen, dit station permanent in

gebruik te houden. De reeds geruime tijd in gebruik zijnde
relay-zender van de L.T.T. voldoet uitstekend. Wanneer in

het Noord-Atlantische gebied storingen optreden blijkt de

radioverbinding Europa—Verenigde Staten met succes

via Paramaribo te kunnen worden geleid. Van deze ver-

binding wordt een veelvuldig gebruik gemaakt.

De
olieprospecties
in het district Nickerie werden hervat.

Ook in het aangrenzende gebied
var.
Brits Guyana wordt
geprospecteerd. Vermoedelijk zullen de werkzaamheden

worden uitgestrekt tot het ondiepe deel van de Atlantische

Oceaan vôér de kust.

Dë Centrale Bank’ van Suriname
bestond op 1 april één

jaar. Bezien wij de, verkorte, balans (in
Sf.
1.000):

1
2 april 1 april
1957 i 1958

Debet:
Goud, deviezenrekeningen

…………….
31.604

28.899

Rekeningcourant saldi
………………..
143

31

Effecten en hypotheken ……………….77

40

.,
Gebouwen

………………………..93

267
Sluitrekeningen

……………………

.

..37

58

32.054

29.295
Credit:

Bankbiljetten in omloop
………………
11.472

. 16.237
Rekeningcourant saldi
………………

10.830

3.096
Deviezenrekeningen

………………….
3.187

2.481
Kapitaal

…………………………..
3.000

3.000
Reserves

………………………….3.000

3.050
Sluitrekeningen

…………………….565

1.431
.

32.054

29.295

dan kunnen wij constateren,’ dat het deviezenbézit met

Sf.
2 mln. is afgenomen. Aan de andere kant is de binnen-

landse circûlatie moeilijk vergelijkbaar, daar op 2 april 1957

nog een groot bedrag aan bankbiljetten van De Surinaam-

sche Bank in omloop was. Vergelijken wij echter de huidige

bankbiljettencirculatie met die van de laatste dag van De

Surinaamsche Bank
(Sf.
14,463 mln), welke stand ongeveer

overeenkomt met het gemiddelde van het eerste kwartaal

van 1957, dan zien wij een stijging van bijna
Sf.
2 mln.

Bij gebrek aan gepubliceerde cijfers ‘der banken is het

moeilijk na te gaan, hoe groot de girale circulatie is, doch

aangenomen kan worden, dat deze thans groter is dan

Sf. 131 mln., het per 30 maart 1957 opgegeven bedrag van

De Surinaamsche Bank.

Gezien de stijging van het indexcijfer van de prijzen van
levensonderhoud en de opwaartse loondruk kan gevoeglijk

worden aangenomen, dat Suriname gedurende 1957 ten

minste zijn deel heeft gehad van de mondiale inilatoire

bewegingen. Van het goud- en deviezenbezit bestaat slechts

Sf.
0,3 mln, uit niet in goud converteerbare deviezen, dus

1 pCt.

Sociale sector.

Sedert midden maart woedt een stakiiig bij Billiton.

De inzet is loonsverhoging, nadat inzake enkele sociale

voorzieningen overeenstemming was bereikt tussen de

directie en de bonden. Het moment van deze staking is wel

bijzonder ongelukkig gekozen, want:

is er een aanbodsoverschot op de bauxietmarkt,

zodat de N.V. eventueel gema.klcelijk op de wereldmarkt

kan aankopen om aan haar leveringsverplichtingen te

voldoen;

zijn de stakingskassen niet overmatig sterk. Eén der
bonden zocht financiële hulp in het buitenland, doch ont-

ving slechts een klein bedrag;

‘zijn de stakers niet eensgezind. Er bestaan twee scherp

concurrerende arbeidersbonden, die aanvankelijk de

staking lieten leiden door een fusiebestuur. Deze fusie viel

uiteen en thans is de controvere tussen beide bonden

heviger dan tussen één van hen en de directie.

375

/

Algemeen wordt verwacht,, dat de staking binnenenkeie

weken ten einde zal zijn.

Euromarkt.

Binnenkort zal door een Surinaamse delegatie in Neder-

,6

land worden besproken, in hoeverre het wenselijk is, dat

Surinam6 geheel of ten dele in de Euromarkt zou worden

opgenomen.

Paramaribo, april 1958.

G. C. A. MULDER, B.Sc., Pa.D.

der staatsoliemaatschappij Pemex in de jaren 1950-1958

en in de periode daaraan voorafgaande, dan moeten wij
beginnen met eraan te herinneren, dat de betalingen der

schadeloosstellingstermijnen een zeer zware
handicap
voor

haar hebben betekend. Dit klemt te meer als wij bedenken

dat zij niet alleen te maken had met Amerikaanse credi-

teuren, doch ook met Brits-Nederlandse. Wij hebben over

de Brits-Amerikaanse aanspraken in het jaarverslag over

1947 van de Koninklijke kunnen lezen, dat in dat jaar
overeenstemming” werd bereikt met de Amerikaanse,

Regering over het bedrag van de schadeloosstelling voor

onteigende eigendommen, zijnde niet minder dan 81.250.000

dollars, vermeerderd met een samengestelde rente van

3 pCt. per jaar, over de periode van 18 maart 1938 tot

18 september 1948. Men mag deze omstandigheden zeer

zeker niet uit het oog verliezen bij de beoordeling van de’

resultaten. van de werkzaamheden der Pemex. Ook in

andere opzichten is het haar waarlijk niet gemakkelijk

gemaakt, flink van wal te steken. Was Mexico er niet dan

in de uiterste nood toe overgegaan, handelsbetrekkingen

met twee fascistische landen te gaan aanknopen? ‘

Produktiecijfers.

Laten wij nu eerst enkele cijfers mogen geven welke,

wat de jaren 1911 t/m 1936 betreft, zijn ontleend aan het

boekje ,,Oil in Mexico” (1938) van John Serocold, en

wat de jaren 1937 t/m 1956 aangaat, aan de jaarverslagen
van de Koninklijke, die met de publikatie van produktie’-

cijfers uit de verschillende produktielanden in haar ver-

slag over 1937 een aanvang heeft gemaakt
1).

Van 1911 t/m 1918 liep de produktie onder onder-

breking omhoog van 1,876 mlii. ton tot 9,518 mln, ton.

Dan volgen acht topjaren: –

(in duizenden tonnen) a)
1919

12.985

1922

27.301

1925

17.042

1920 : 23.297

1923 : 22.068

1926 : 12.696
1921

28.686

1924 : 20.606

a) 1 ton is 1.000 kg

Daarna zet een geleidelijke daling in vân 8,975 mln.

ton over 1927 tot 4,912 mln, ton over 1932, gevolgd

door een geleidelijke stijging van 4,996 mln, ton over

1933 tot 6,644 mln, ton over 1937.

Men zal moeten toegeven dat een vergelijking van de

huidige produktie met die van de acht topjaren alleen niet

billijk is te noemen en dit te minder omdat de produktie

in de’ periode 1937 t/ni 1956 gunstige uitkomsten te zien
1

heeft gegeven. Men oordele: in het jaar 1937 – het jaar

dus vôér de nationalisatie – beliep de produktie, volgens

gegevens van de Koninklijke, 6,835 mln. ton. De op-

brengst daalde over 1938 aanzienlijk, t.w. tot 5,523 mln.

ton. De Joor de Verenigde Staten in 1941 toegezegde
1)
In het boek ,,The Mexican Petroleum Industry” van J.
Richard Poweli
(1956) is op blz. 208 een overzicht over de jaren
1901
t/m
1950
afgedrukt.

1

N.R.Ct., 26 november 1956.

Zware financiële lasten.

/

In ,,E.-S.B.” van 29 januari 1942 en van 7 juni 1950
zijn van onze hand twee artikelen opgenomen over de

. Mexicaanse petroleumexploitatie, t.w. ,,Een internationaal
petroleumconflict ten dele opgelost” en ,,De Mexicaanse

petroleumindustrie in staatsbezit overgegaan”. In het

tweede artikel hebben wij eraan kunnen herinneren dat de

Mexicaanse president Avalo . Camacho in 1941 heeft
weten te bewerkstelligen – er was daarover toen reeds
drie jaren aaneen onderhandeld -, dat de Amerikaanse

Regering liet onteigeningsbesluit erkende, waarop het feit

dat Mexico ertoe was overgegaan,

petroleum aan Duits-

land en Italië te gaan leveren,
ongetwijfeld
van invloed is

geweest. Als tegenprestatie nam Mexico op zich een

schadeloosstelling, groot 23.995.991 dollars, te betalen

aan de Amerikaanse petroleummaatschappijen, die tot

-het jaar van de onteigening (1938) in Mexico hadden

gewerkt. In de loop van het jaar 1947 was het laatste deel

van dit geweldige bedrag b
e
t
aa
ld.:

Wij zijn thans weer acht jaar verder en het kan dus wel

enige zin hebben om na te gaan, hoe de Mexicaanse

petroleumindustrie in deze tijd gevaren is. Er zijn verder

uitspraken van Dr. Woytinski, een geleerde van inter-

nationale bekendheid, in wiens
1
voornemen het ligt een

boek te schrijven over de economische ontwikkeling van

Latijns-Amerika, dat Mexico een gezonde economie op-
bouwt, waarbij de industriële ontwikkeling gestimuleerd

wordt door ontplooiing van de agrarische mogelijkheden,

welke de volle aandacht der Mexicaanse Regering heeft,

Dit oordeel stemt overeen niet dat van een medewerker

van het Algemeen Handelsblad (19 april
1958)
over de in

dit jaar te houden presidentsverkiezingen, in wiens be-

schouwingen er o.a. op wordt gewezen dat de binnenlandse

rust en politieke gelijkmatigheid, die reeds 20 jaar in

Mexico heersen, éxtra aandacht verdienen. Ten slotte
menen wij dat ook de Mexicaanse petrole
9
mproduktie

zelve ten volle waard is, ze wat nader te beschouwen,

waarbij zal blijken dat de schrijver in de N.R.Ct. van

26november
1956
geen volledige objectiviteit heeft betracht.6

Als wij dan nu iets gaan zeggen over het doen en laten

376

Mexico, petroleumland

,,Mexico, eens nunvner twee op de

wereldljst van olieproducerende landen,

heeft zoals men weet in 1938 de olie-

industrie genationaliseerd en een petroleum-

wet aangenomen, welke de actititeiten van

buitenlanders uitsluit. Thans bedraagt de

produktie echter nog niet de
helft
van die

in de jaren omstreeks 1920 c.v. Ten koste

van vele dollars moeten felfs nog hoog-

waardige petroleumprodukten worden

ingevoerd”.

/

1
1

steun werd slechts zeer schoorvoetend verleend enzo valt

het geenszins te verwonderen dat ‘pas over 1946 de produk-

tie (met 6,94 mlii. ton) uitkwain boven die van 1937.

Sindsdien is ze evenwel geleidelijk ‘blijven stijgen:
1950:

10,49; 1955: 12,86 en 1956: 13,23 mln, ton. In
1956

werd derhalve meer geproduceerd dan over 1919 en 1926,

al konden de prestaties over de andere topjaren nog niet

worden bereikt.

Maar wat de invoer van geraffineerde olieprodukten

aangaat (zie het overgenomen stukje uit de N.R.Ct.), kon

in de ,,Christian Science Monitor” van 8 oktober
1955

worden medegedeeld, dat de invoer daarvan, welke niet

minder dan $ 60 mln, per jaar kostte, zou kunnen worden

verminderd, terwijl men hoopte, dat men in
1956
zelfs

geheel van alle invoer van zodanige produkten zou kunnen

afzien. Nog een ander cijfer verdient in dit verband onze

aandacht en wel dat van de consumptie van petroleum-

produkten in het eigen land. Deze steeg van.ca
. 24 mln.

vaten tot 71 mln, in 1954 (7 vaten zijn gelijk aan 1 ton van

1000 kg).
Ontwrichting der verhoudingen.

De vraag mag gesteld worden waaraan het is toe te

schrijven, dat de petroleumproduktie na de 8 topjaren in

zulk een sterke mate is teruggelopen. Het antwoord op deze

vraag moet o.i. luiden dat de petroleummaatschappijen

die in Mexico opereerden, al te lang erbarmelijke arbeids-

voorwaarden in stand hebben gehouden. Daardoor werden

de verhoudingen ontwricht. Toch heeft het tot 17 mei

1937 moeten duren, voordat, er een fel loonconflict uit-

brak, waarbij ni4t minder dan 17.000 arbeiders betrokken’

waren. De aanleiding ertoe was het feit dat de kosten van

levensonderhoud in de periode tussen 1934 en 1937 met.

88,96 pCt. waren gestegen, terwijl de lonen slechts met

30 pCt.varen verhoogd. Een Mexicaanse petroleum-

arbeider verdiende gemiddeld 4,86 peso’s per dag, nauwe- –

lijks een kwart van hetgeen in Amerika een werkman bij.

dezelfde maatschappij in handen kreeg. De door de arbei-

ders gestelde eisen werden door de werkgevers afgewezen.
Het personeel ging in staking. De maatschappijen wendden

zich hierop tot het nationale hof van arbitrage dat, hoewel

niet alle door de arbeiders gestelde eisen werden ingewilligd,

toch een verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor-

schreef, die jaarlijks 26 mln, peso’s zou moeten kosten.

.De maatschappijen kwamen tegen deze beslissing in

verzet, doch hun beroep op het opperste gerechtshof werd

door dit college afgewezen. Toen de petroleumniaat-

schappijen weigerden met deze uitspraak genoegen te

nemen, ging de Regering tot onteigening van het bezit der

maatschappijen over. Dat was op 18 maart 1938. Aan deze
regeringsdaad zal de naam van president Lâzaro Cardenas

voor altijd verbonden blijven. Hij was het ook die in een

radiorede de beschuldiging uitte dat de petroleun-

maatschappijen miljarden winsten hadden behaald en

slechts een klein gedeelte ervan in hun bedrijven hadden
gestoken. Over de arbeidsverhoudingen liet de president

zich op zeer felle wijze uit:

,,De bronnen die Mexico toebehoren, zijn voor Mexico
bronnen van ellende geworden. Slechts in zeer weinig plaatsen in het petroleumgebied bestaat een hospitaal, goed drinkwater,
een school, een ‘cultuurcentrum of een sportterrein. Er bestaat
zelfs geen gasfabriek, want de maatschappijen staan niet toe, dat van’ de’ miljoenen kubieke meters nutteloos ontsnappend
gas gebruik wordt gemaakt. En wie zou niet de scherpe scheiding
opvallen, die in de petroleumgebieden heerst? Comfort voor het
buitenlandse personeel – kommer en ellende en met de eisen

/

der hygiëne spottende huisvesting i6or het Mexicaanse.Koel-
installaties en bescherming tegen de verwekkers van tropische
ziekten voor eerstgenoemden – onv&schilligheid en meestal
slechts met tegenzin verstrekte doktershulp voor de anderen.
Hongerlonen en fnuikende arbeidsvoorwaarden voor ons vo V.

Wij hebben deze bijzonderheden ontleend aan het boekje

,,Ontdekkingen in Mexico” (1948) van Egon E. Kisch,

die ook aandacht heeft geschonken aan de wel zeer “grote
moeilijkheden die aan de Pemex in de weg werden gelegd

door de buitenlandse maatschappijen, die erop vertrouw-

den dat hun macht zou blijken sterker te zijn dan de

waardigheid en de onafhankelijkheid van Mexico, dat

loyaal en royaal zijn natuurlijke rijkdommen eens aan hen

had toevertrouwd (blz. 273). Bij het vertrek uit Mexico

zetten de maatschappijen door dat de bedrijven in een toe-

stand werden gebracht, waardoor het onmogelijk zou

blijken deze te exploiteren, ,,opdat Mexico gedwongen

zou worden om de terugkeer van de oude bezitters te

smeken en zich op genade en ongenade aan hen te onder-

werpen”. Reeds tijdens het, conflict hadden de petroleum-

maatschappijen hun. goudreserves uit de Mexicaanse

banken teruggetrokken en na de nationalisatie dr bedrijven

wist de internationale valutamarkt de peso tot op’45 pCt.

van zijn waarde te drukken. Ook de Amerikaanse Regering
trad zeer kras tegen de Regering in Mexico op. De Engelse

Regering bleef in deze niet achter. Aan dat alles kwam
evenwel een einde, ton midden in de onderhandelingen

over het bedrag der schadeloosstelling in 1939 de oorlog

tussen Duitsland en Engeland en in 1941 die tegen de

Verenigde Staten losbarstte. Men had nu de g’eboycotte

Mexicaanse petroleum nodig en ook het bondgenootschap

van Mexico. Op deze wijze werd het conflict uit de weg

geruimd, terwijl Mexico nog met het weer in bedrijf

brengen van de petroleuminrichtingen bezig was” (blz.
278). Mag men dit alles uit het oog verliezen bij de be-

oordeling van de door de Pemex in de periode 1938-1958

bereikte resultaten?

Een baken der hoop.

,,Mexico, Beacon of Hope”, is de titel van het 30e

hoofdstuk uit het boek van Harvey O’Connor, ,,The

Empire of 011″
(1955)
dat wij uitvoerig hebben besproken

in ,,De Economist” van maart 1956. O’Connor schetst

in zijn. boek uitvoerig de voorgeschiedenis der nationali-

satie en laat duidelijk uitkomen hoe weinig verwachting

men buiten, Mexico en ook wel in het land zelf had van de

explöitatie door Mexico van de genationaliseerde petro-

leumbronnen. Algemeen verwachtte men dat uiterlijk

binnen een jaar de verdwaasde natie op haar knieën zou

komen kruipen, om de maatschappijen te smeken toch, te

,willen terugkeren. Schrijnend zijn de bijzondëiheden die

hij geeft omtrent de middelen die zijn toegepast om de

mislukking een feit te doen worden. Dat de zaak niet op

een fiasco is uitgelopen dankt Mexico aan de werkers in de

petroleumbedrijven: ,,drïllers and stillmen became super-

intendents and moved into front positions in Pemex”

(blz. 315). Amerika toont weinig belangstelling voor

‘hetgeen Pemex tot stand weet te brengen, maar oliemensen

uit Texas en Oklahoma die zo nu en dan eens gaan kijken

in de bedrijven aan de andere zijde van de Rio Grande,

moeten met spijt betuigen dat Pemex ,,is doing a job”.

Op gezag van de directeur van de Pemex, de heer

Antonio J. Bermudez, publiceert 0′,Connor de navolgende

cijfers: ‘

377

aar
Produktie
Reserves
Bronnen
Inkomsten
Belastingen (vaten)
(vaten)
aangeboord (Pesos) (Pesos)

1939

..
42 mln.
835 mln.
32
243,6
mln.’ 66,4 mln.
1947

..
56

,,
1.058
64
759

,,
~
1.838
253,0
1951

..
78

,,
1.424

,,
268
473,0

1
Lonen en
Sociale
voorzienin-
Lonen en

Jaar
Arbeiders
1
salarissen
I

gen
gratificaties
(pesos) (pesos)
(pesos)
1
2
1 + 2

1939 …………….17.600

80.682.000

17.066.000

97.748.000
1947 ……………28.822

206.469.000

43.190.000 249.659.000

1951 ……………31.911

273.660.000 147.811.000 1421.471.000

Pemex

zo lezen wij in ,,Review of the Economic

Situation of Mexico” van oktober 1955 (maandbericht

van de Banco Nacional de Mexico, S.A.)

is een zeer

voorname bron voor regeringsfondsen ter uitvoering van

openbare werken. Van 1912 tot 1937, d.i dus in de periode

der particuliere exploitatie, verschafte de industrie in

totaal een bedrag van 777,1 mln. pësos aan belastingen,
d.i. een gemiddelde per jaar van 29,9 mln. Van 1938 tot

1954 bracht Pemex aan belastingen op de geweldige som

van 4.391,1 mln. pesos of gemiddeld per jaar 424,2 mln.

Het aantal boringen steeg in de periode 1938 t/rn 1947

in feite niet boven 50 per jaar. Over 1948, 1949 en 1950

waren deze aantallen resp. 80, 158 en 217 .waarvan meer

dan de helft olie opleverde. (Poweli, blz. 209). Over 1956

steeg het aantal zelfs tot 402 (,,World Petroleum” van

december 1957).

Heeft Mexico de boot gemist?

In zijn artikel in de N.R.Ct. van 26 novemler, dat tot

titel had: ,,De Mexicaanse olie-industrie heeft de boot

gemist’.’, zegt de schrijver o.a. dat de financiële positie

van de Pemex een wel bewaard geheim is. Een balans is
nog ncoit overgelegd. Dat werd ook naar voren gebracht

in het artikel ,,Mexican Oil Policy Criticized” in ,,The

Christian Science Monitor” van 1 december 1956 (geïnspi-

reerde artikelen? F.S.N.). Het blijken losse beweringen

te zijn geweest, want in de belangrijke
q
studie van J. Richard

Powell, ,,The Me,tican Petroleum Industry” (1956),

publikatie van het ,,Bureau of Business and Economic

Research” yan de Universiteit van Californië, zijn de

balansen van de Pemex per 31 december 1945, 31 augustus

1946 en 31 december 1947 afgedrukt. Verder zijn de door

Harvey O’Connor (zie boven) overgenomen cijfers af-

komstig van de directeur van de Pemex, die door hem in

een radiorede en voor de televisie wereldkundig waren

gemaakt.
En waarin bestaat nu het falen van de Pemex? Wel

hierin dat zij haar uitbreidingsplannen niet heeft weten

te verwezenlijken en met een veel bescheidener opzet ge-
noegen heeft moeten nemen. Kapitaalgebrek was hiervan

de oorzaak en zij zal, gezien de ervaringen der laatste

jaren, zich zeer moeilijk het zo dringend nodige nieuwe

kapitaal kunnen verschaffen. Men vertelde daarmede geen

nieuws. In Amerika bestaat nog altijd weinig geneigdheid
om een staatsoliebedrijf aan de nodige middelen voor een
verdere uitbreiding te helpen. Maar men sluit er zijn ogen

zeker niet voor het feit dat Mexico nu-reeds 20 jaren

achtereen orde op zaken heeft weten te stellen in verrassende

tegenstelling met alle andere Latijns-Amerikaanse” landen,
dat het er verder meer en meer in slaagt een stabiele eco-

nomie op te bouwen en dat tenslotte de Pemex steeds

betere resultaten weet te bceken.

Aan de schrijvers in de N.R.Ct. en de ,,Christian

Science Monitor” had het bekend moeten
.
zijn dat de

Pemex contracten heeft aangegaan met de Texas Eastern

Transmission Corporation voor de tijd. van 20 jaren tot

levering van aardgas, ingaande begin januari 1957, ter

waarde van 65 mln, pesos per jaar (zie maandbericht van

de Banco Nacional de Mexico, S.A., oktober
1955),
ook

vdrmeld in ,,World Petroleum Report” van 15 januari 1957.

Meer objéctiviteit dan deze schrijvers hebben betracht

toonde de heer Art. Geiger in een zeer belangwekkende

beschouwing in ,,World Petroleum” van december 1957,

getiteld: ,,Dollars for Mexico’s oil?”. Hij spaart daarin

Mexico niet noch de Pemex. Mexico.verwijt hij de gestreng-

heid van zijn wetten, waardoor de toevoer van kapitaal

wordt bemoeilijkten de Pemex legt hij een te gulle

loon- en idem sociale politiek ten laste. Maar hij verzuimt
niet van de zeer goede prestaties van de Pemex over 1956

te gewagen en haar gunstige vooruitzichten duidelijk in

het licht te stellen. De waardering voor Mexico

zo ver-

klaart’ hij met enige nadruk

begint in de Verenigde

Staten toe te nemen. Hij haalt daarbij een woord aan van

Dr. Milton Eisenhower (broér van de President) van de

Johns Hopkins University: ,,The progress (of Mexico)

has been phenomenal and 1 want to know how it has

been accomplished”.

Hij bracht op verzoek van de President een bezoek aan

Mexico en had bij die gelegenheid o.a. een bespreking

met de directeur van de Pemex, dit alles met de bedoeling

zijn broer ,,as accurately as 1 can” in te lichten. Leest

men het artikel van de heer Geiger rustig door, dan kan

men zich niet aan de indruk onttrekken, dat eerlang de
banden tussen de Verenigde Staten en Mexico nauwer

zullen worden aangehaald. De economische penetratie

van de Sowjet-Unie in verchilende Latijns-Amerikaanse

Staten legt hierbij ook gewicht in de schaal.

Haarlem.

F. S. NOORDI{OFF.

Naschrift.

Na het gereedkomen van het hierboven afgedrukte

artikel kregen wij ,,Petroleum Press Service” van mei

1958 onder ogen met de daarin opgenomen bijdrage

,,Handicap Race in Mexico”. De schrj”er herinnert er

aan dat op 18 maart 1958 (precies 20 jaar na het besluit

tot nationalisatie) de directeur van de Pemex, Senor

Antonio J. Bermudez, een optimistisch overzicht heeft

kunhen geven van de ontwikkeling en de vorderingen vân

het door hem geleide bedrijf. Maar hij kon niet weg-

redeneren, dat hij zeer zwaar gehandicapt wordt door de

omstandigheid, dat de Regering het recht aan zich heeft

getrokken, om de prijzenvan de voornaamste petroleum-

produkten vast te stellen en dat doet op een peil waardoor

vorming van kapitaal voor’ hoog nodige uitbreidingen

van het bedrijf praktisch onmogelijk wordt.

Een verder gevolg van deze methode is dat kostbare

petroleumprodukten moeten wordén ingeyoerd, om op

de binnenlandse markt beneden kostprijs te worden ver-

kocht. In de laatste 10 jaar moest de Pemex onder deze’

zeer ongunstige voorwaarden bijdragen tot een bedrag

van Pesos 2.080 mln. (alleen in 1957 Pesos 590 mln.)

afstaan ten behoeve van openbare werken, andere indus-

trieën ‘en van de verbruikers in het algemeen. Daar komt
nog bij dat jaarlijks
$
8,7 mln, moet worden betaald aan

de vroegere eigenaren der petroleumbronnen. Het jaar

1957 was dan ook een minder goed jaar dan 1956.

Wel mag als een zekerheid worden aangenomen dat de

378

‘1

1″


1

importen van petroleumprodukten spoedig geheel kunnen

ophouden, zo dit al niet is geschied, terwijl een verdere

gunstige omstandigheid de afsluiting is van een contract

met de Texas Eastern Transmission Commission voor de

levering van aardgas. Uitvoering van de bepaling van dit

contract zal echter veel geld vereisen. Kan de Pemex dit

bijeen brengen? Mexico kent lage prijzen voor petroleum-

produkten ten einde spoorwegen en busdiensten in staat

te stellen lage tarieven te handhaven en de bevolking aan

goedkoop verlichtingsmateriaal te helpen. Daarin ver-

andering te brengen zal zeer grote
moeilijkheden
met zich

brengen. Zo draait Mexico in een vicieuze cirkel rond.

Men wil nu een beroep doen op de vaderlandsliefde der

Mexicanen om te bereiken dat er obligaties worden ge-

kocht, welker opbrengst alleen en• uitsluitend zal dienen
vobr investeringsdoeleinden ten behoeve van de Pemex.

Wij achten dit een gelukkige gedachte! F. S. N.

De geidmarkt.

De verruiming van de geidmarkt, waarvan de oorzaken

in het vorige overzicht, reeds ter sprake kwamen, vond

haar weerspiegeling in de weekstaat van De Nederlandsche

Bank per 28 april ji. Voornamelijk ten gevolge van de

kwartaalsuitkering door de Staat aan de lagere overheid

vertoonde het saldo van de Schatkist een daling met

f.
295
mln. Deze ontwikkeling heeft slechts zeer ten delé

tot een hoger tegoed van de handelsbanken geleid, want

deze moesteri o.a. een bankbiljettenaanwas van f. 182 –

mln, financieren,, terwijl bovendien voorschotten, door de

Bank verleend, werden afgelost.
Ook in de verslagweek is de geldmarkt ruim gebleven,

zoals blijkt uit het feit dat de callgeldrente op 31mei met –
1/4
pCt. werd verlaagd (tot 24 pCt.). Ook bestond belang-

stelling voor het opnemen ,,over-de-toonbank” van 3-

maandspromessen op basis van 3 pCt. disconto, die sedert

29 april weer door De Nederlandsche Bank worden afge-

geven. Deze heeft dus met de Agent van het Ministerie

van Financiën ‘stuivertje gewisseld.

De ‘belangstelling voor het 3-maandspapier «lijst er

wel op dat de banken bij de tender die 28 april plaats heeft

gevonden op voorzichtige wijze hebben ingeschreven en

dat zij niet al hun kruit hebben willen verschieten. Aan

6-, 9- en 12-maandspromessen werd in totaal voor f. 210,4

mln.. toegewezen (w.v. f. 127 mln. aan jaarspapier), tegen

t.o.v. de vorige tender (9 april) onveranderde tarieven

van resp. 33/
s,
35/s en
/8
pCt. Het toegewezen bedrag

is
vrijwel
gelijk aan de op 1 mei door het Rijk verrichte
betalingen uit hoofde van vervallen schatkistpapier be-

nevens rente en aflossing op gevestigde schuld.

Het bedrag (f. 144 mln.) dat de banken op 28 april

boven het verplichte saldo bij De Nederlandsche Bank

aanhielden hebbèn zij dus niet voor de tender gebezigd,

hetgeen voor de ruimte op de geidmarkt 6en factor van

betekenis moet zijn geweest. Voor de Schatkist heeft de

tender nauwelijks zoden aan de dijk gezet. Wel is waar

vervalt er in de maand mei geen schatkistpapier, maar

aangekondigd is dat dezer dagen aan de boeren f. 50

mln. geblokkeerde mélkgelden zullen worden uitgekeerd,

een jaar eerder dan was toegezegd. Deze vervroegde uit-

kering kost de Schatkist ca. f. 2 mln, aan rente. Hier-

tegenover staat dat, blijkens het overzicht van de opbrengst

van”s Rijks middelen over maart
1958,
in deze maand

grote bedragen aan aanslagen werden opgelegd, die vanaf
:mei de Schatkist zulleS gaan spekken.

De kapitaalmarkt.

Wall Street heeft wederom blijk gegeven voorlopig

genoeg te hebben van koersdalingen. President Eisen-

howers volhardende afwijzing van een belastingverlaging,

het feit dat de werkloosheidscijfers – mits voor seizoens-

invloeden gecorrigeerd – nog steeds een stijging vertonen,

de in de meeste gevallen zeer ongunstige winstcij,fers over

het eerste kwartaal 1958, niets vermocht de Dow Jones

gemiddelden . te verhinderen een nieuw hoogtepunt voor

het lopende jaar te bereiken.
In ons land, waar President Holtrop in zijn jaarverslag

aan een gave gulden, en Minister Vondeling in een 1 mei-

vergadering aan volledige werkgelegenheid prioriteit

toekende, was de stemming ter beurze eveneens vast.

De koersstijgïng gold vooral de aandelen Koninklijke.

De stimulans ging hier, zoals steeds de laatste jaren, uit.

van Amerika, in welk land zich na de emissie 30 pCt.
van het aandelenkapitaal bevindt tegen 33 pCt. in ons

land. Onmiddellijke aanleiding was de overeenkomst die

op het, punt staat bereikt te worden inzake de schadeloos-

steffing van de Suezkanaa1aandeelhouders. In beurs-

kringen kon men terecht de stemming voor de aandelen
Koninklijke, waarvan de koers donderdag met f. 10 per

aandeel van f. 20 steeg, met de fraaie term ,,brandwillig”

bestempelen. –

Blijkens het jaarverslag van De Nederlandsche Bank

heeft zich in 1957 een achteruigang voorgedaan in de

betekenis van de onderhandse en hypothecaire leningen.

Het bedrag hiervan is met f. 500 mln, gedaald tot f. 1.360

mln. Dit is 1,6 maal zo veel’ als de bruto-opbrengst van

geëmitteerde aandelen en obligaties. In 1956 was, met de

plaatsing van onderhandse en hypothecaire leningen

nog het dubbele van de emissie-opbrengst gemoeid.

Aand.

Indexctjfers

A.N.P.-C.B.S.
18 april
25 april
2 mei
(1953
=
100)
1958
1958
1958

Algemeen

………………………………
185 189 192
internat.

concerns

………………… 265
272
279
industrie

……………………………… 137

.
135 136
Scheepvaart

…………………………
122 124
123
Banken

…………………………………
112
115 115
lfldOfl.

aand
………… ……………….
71
,
72 71

Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
f.
157,60

f.
165,— f.
173,40
Unilever

………………………………
335 331
3
/,’
330%
Philips

…………………………………
265%’
275
277%
A.K.(J.

…………………………………
170½
174/,
174%
Kon.

N.

Hoogovens

………………
276 290 290
van

Gelder Zn.

………………………
173½
175
1
/
‘170
H.A.L.

…………………………………
130½
135%
134’/2
Amsterd.

Bank

………………………
205½
208
207/
4

H.V.A

…………………………………
92%
94
92½

Staatsfondsen
2
1
Y
2

pCt.

N.W.S

……………………
59% 59%
60½

pCL

1947

…………………………
91fa
91%
92fr

pCt.

1955

1

………………………
87%
88
89½
3 pCt.

Grootboek 1946

……………
87% 87%
88
3

pCt.

Dollarlening

……………… 93
93%
94
7
/
&

Diverse obligaties
3½ pCi. Gem. R’dain 1937 VI
91
1
/
91
91
3½ pCt. Bk.v.Ned.Gem.195411/III
85
85
85%
3% pCt. Nederl. Spoorwegen
90%
90%
92

pCi.

Philips 1948

………………
93%
94
94
3
2
A pCt. Westl. Hyp. Bank
85½
85%
‘85%
6

pCt. Nat. Woningb.len. 1957
108
108
108
1
/1

New
Yrk
Aandelenkoersgemiddeldo
Dow Jonès Industrials
…………
441
445
460
‘)exd.
M. P.
GANS

37

.Iacaturc

Bij de gemeente DEVENTER wordt gevraagd een

doctorandus of doctoranda

mde

sociale aardrijkskunde of in de economische of
sociale wetenschappen

voor het doen van economische en sociologische onderzoe-
kingen.
Enige ervaring in deze werkzaamheden is gewenst.
Plaatsing geschiedt in één der’ rangen hoofdcommies le
klas of referendaris.
Maandwedde hoofdcommies le klas
f
715,37 –
f
824,02 (5
éénj. per. verh.).
Maandwedde referendaris
f
773,67 –
f
882,32 (5 éénj. per.
verh.).
In genoemde wedden
zijn
begrepen de 6% salarisverho-
ging en de gedeeltelijke compensatie voor de premie
AOW.
Boven deze wedden wordt genoten 4% vakantieuitkering,
looncompensatie in verband met huurverhoging en even-
tueel kindertoelage en tijdelijke kindertoeslag. In de gemeente Deventer bestaat een verplaatsingskosten-
verordening.
Sollicitaties met vermelding van volledige gegevens over
opleiding, vroegere en huidige werkzaamheden en met
opgave van referentie-adressen binnen 10 dagen na ver-
schijning van dit blad te richten aan de Burgemeester van
Deventer.
Geen persoonlijk bezoek dan na oproeping.

‘S

Het
E.T. 1. L.
vraagt een

DOCUMENTALIST

Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen (o.a. voor-

opleiding, eventuele praktijk en aard van verricht

werk) kunnen gericht worden aan de directeur van

het E.T.I.L., St. Servaasklooster 39, Maastricht.
Bij het
Proefstation voor de Akker- en Weidebouw te
Wageningen
kan geplaatst worden een

DRS. IN DE ECONOMIE

(max. rang Wetenschappelijk Hoofdambtenaar)

Bekendheid met Iandbouwvraagstukken vereist.

Sollicitaties te richten aan de Directeur, Postbus 33,
Wageningen.

370

ION

Theodorus NiemeijerN.V.

tabak-koffie-thee

Cronin gen

zoekt een

MARKTANALIST

Voor deze functie komen in aarmierking alleen zij die

• het kandidaatsexamen Economie hebben verkregen of
een gelijkwaardige opleiding hebben genoten

• praktische ervaring bezitten in het analiseren van interne
en externe marktgegevens

• in staat zijn de Verkoopleiding op grond van deze
analyses adviezen te geven

• niet ouder dan 30 jaar zijn.

Sollicitaties met opgave van opleiding, huidige en vorige
werkkring, leeftijd en burgerlijke staat, te zenden aan
Theodorus Niemeijer N.V., Personeelsafdeling, Postbus 41,
Groningen.

Sollicitaties zullen strikt vertrouwelijk behandeld worden.

Efficiency

bes poed igt

Uw contacten

met gegadigden

*

Indien

Uw telefoonnummer

in Uw annonce

moet worden

opgenomen,

vermeld dan
tevens het

KEN GETAL

t

Auteur