Ga direct naar de content

Jrg. 42, editie 2101

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 2 1957

Eco nom is ch – Sta t is t is
che

Ber

ic
‘hten
l

Psychologie van het verkeer

Dr. J. Wemeisfelder

Nederlands positie in en groeiende

wereldeconomie

(1)

Drs. M. C. Verburg

Het Deltaplan –

een kwestie van prioriteiten

Drs. D. Brüll

Verlanglijst voor een nieuw Wet

Inkomstenbelasting

(II)

*

J. B. Booij

Levensverzekering

in het eerste halfjaar 1957

j

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

42e JAARGANG

No. 2101

WOENSDAG 2 OKTOBER.1957

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam

‘Gravenhage

Delft

Schiedam

Vlaardingen

Albiasserdam

Verzorging van

en adviezen inzake

l
eve
T
nsverze
k
er
i
ngen

en pensioencontracten

HOLLANDSCHE SOCIETEIT

VAN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.

Anderhalve Eeuw

Levensverzekering

HOOFDKANTOOR

Hee’rengracht
475,
Te1 49100

AMSTERDAM-C.

HEAD OFFICE FOR CANADA
£


330 Bay Street

TORONTO 1

É
CON OM! S C H-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandach Economisch Instituut

Adres voor Nederlid: Pieter de Hooc/i weg 118, Rotterdam. W.’
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque ‘de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brüssel, postcheque-rekening
260.34.
Redactie-adres voor België:
Dr. J.
Geluck, Zwijnaardse Steen-
weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hooc/iweg 118, Rotterdam-W.

Aboonementsprijs:
franco per post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
f.
29,—,
overige landen

f.
31,— per jaar. (België en Luxemburg B. fr. 400).
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
•,’ i. worden, beëindigd, per ultimo van ‘het kalenderjaar.
Losse nummers 75 ct.

Aangetekende
stukken
in Nederland aan het
Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de N. V. Koninklijke Nederi. Boekdrukkerj H.A.M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag.Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf
van
redenen te weigeren.

BENDIEN’S

CONFECTIEFABRIEKEN N.V.

ALMELO – EMMEN – NIJMEGEN

zoekt ter assistentie van de Directie een

economisch geschoolde

TOP-FUNCTIONARIS

met commerciële belangstelling, wiens taak

in hoofdzaak zal liggen op de gebieden van

in- en verkoop, de coördinatie hiervan,

marktanalyse en planning op lange termijn.

In dit vooraanstaande kledingbedrijf met

ca. 2000 werknemers wordt aan een eco-

noom met brede commerciële blik” een ‘

levenspositie met overeenkomstige salari-

ering geboden;

Gegadigden die op volstrekte discretie kunnen

rekenen, worden uitgenodigd hun sollicitatiebrief

in handschrift met gedetailleerde beschrijving van

levensloop en ervaring en voorzien van recente

foto in te zenden onder de aanduiding ,,persoon-

lijk” aan de Directie van Bendien’s Confectie-

fabrieken JV. V., Holtjesstraat 16, Almelo.

-‘

‘-

-••”’

Psychologie van het verkeer

Het aantal mensen, dat in ons land jaarlijks ten gevolge

van verkeersongevallen om het leven komt, bedraagt

rond 1.500. Dit is slechts enkele honderden minder dan

het aantal slachtoffers van de Nationale Ramp van

1 februari 1953. Nochtans kennen wij in ons land geen,

met het Nationale Rampenfonds overeenkomend, Ver-

keersrampenfonds, geen nationale rouwdag en geen

commissie die, naar analogie van de Deltacommissie,

op korte termijn voorstellen moet doen om herhaling van

het gebeuren te voorkomen. Dit alles zou vermoedelijk

wèl het geval zijn, indien de verkeersongevallen in plaats

van over het gehele jaar verspreid, alle öp één dag zouden

plaatsvinden. Verkeersongevallen zijn, psychologisch ge-

zien, ten opzichte van natuurrampen in het nadeel, omdat

zij het plotselinge en massale van deze laatste missen,

want niets werkt blijkbaar zo afstompend bij de bestrijding

van ongevallen als de bijkans dagelijkse, ja met recht

dodelijke, regelmaat waarin zij voorkomen.

Aldus, zij het uitvoeriger, Drs. Ir. H. J. Kolkman in

zijn dissertatie ,,Psychologische achtergronden van de

verkeersveiligheid”
1),
waarin wordt nagegaan, welke de

oorzaken zijn van de grote onveiligheid van het moderne

verkeer en wat ter bestrijding van deze onveiligheid kan

worden gedaan. Hoewel dit ‘boek zich beweegt op een

terrein, liggend buiten het kader van dit blad, en het oor-

deel over zijn wetenschappelijke merites aan psychologen

moet worden voorbehouden, menen wij er niettemin goed

aan te doen er de aandacht op te vestigen, omdat het zich

bezig houdt met een vraagstuk, dat, gezien de hoge on-

gevallencijfers, aller aandacht behoort te hebben. Een

aangename bijkomstigheid is, dat het boek – en dit kan

zeker niet van alle dissertaties worden gezegd – zodanig

is geschreven, dat het door ontwikkelde leken goed kan

worden gelezen.

Eén der euvelen, waaraan het moderne verkeer lijdt;Js

het gebrek aan traditie. Het lijkt wel, alsof het buiten het

geheel van normen, rechten en plichten is gebleven, dat

zich in onze samenleving in de loop der eeuwen heeft

ontwikkeld. Deze indruk wekt bijv. de uitlating van de

automobilist, die, gevraagd naar hetgeen hij zou moeten
doén indien hij, rijdend op een hoofdweg, plotseling een

van rechts komende fietser voor zijn auto zou krijgen,

verklaarde deze desnoods zonder bezwaar dood te zullen

rijden, omdat hij ,,recht (heeft) op’het leven van die vent”.

In het snelverkeer maken de normen van de samenleving
1)
Uitg. Mij. ,,De Standaard”, 138 blz., f. 7,50.

plaats voor een ,,zorg, dat je geen schuld hebt”, hetgeen,

zegt Kolkman, dank
zij
de lacunes in de rechtspraak,

maar al te vaak gelukt. Het is v66r alles nodig te bereiken,
dat het wegverkeer wordt gezien en beleefd als een onder-

deel van, wordt ingebed in het maatschappelijk verkeer.

Hiervoor is o.a. inzicht vereist in de psychologie van het

verkeer en het ongeval. In een boeiend hoofdstuk analy-

seert Kolkman de psychologie van de diverse categorieën

verkeersdeelnemers: de chauffeur; de fietser; de motor-

en de scooterberijder; de bromfietser en de voetganger.

Hij wijst er bijv. op, dat met name de auto en de motor

gelegenheid bieden aan primitieve neigingen, zoals agressie

– hoevelen rijden niet gaarne met open knalpot? – en

vlucht, uiting te geven. Opmerkelijk is, dat de fietser zich,

blijkens zijn gedrag in het verkeer, kennelijk zeer stabiel

gevoelt en meer op
zijn
stabiliteit vertrouwt dan de voet-

ganger, die toch met beide benen op de grond staat. Dit

laatste is overigens meer letterlijk dan figuurlijk het geval:

de eigenschap, die de voetganger nI. het meest van alle

andere verkeersdeelnemers onderscheidt, is het gepre-
occupeerd zijn. Pierre Curie moet hiervan een treffend

voorbeeld zijn geweest; blijkens de voorin het boek in

extenso opgenomen beschrijving van het ongeval, dat

hem het leven kostte, moet zijn vader toen hij de droeve

tijding vernam uitgeroepen hebben: ,,Waar liep hij nu

weer over te dromen?”

Het psychologische beeld, dat de auteur van de ver-

schillende verkeersdeelnemers optrekt, kan, dunkt ons,

veel bijdragen tot meer begrip voor en meer bedacht zijn

op de gedragingen van de verkeersdeelnemers onderling.

Op dit psychologisch beeld, aangevuld met de persoonlijke

– zoals bijv. opmerkzaamheid, sexe, eniotionaliteit,

alcoholverbruik etc. – en onpersoonlijke factoren, die

bij een ongeval een rol kunnen spelen, zijn de door Kolk-
man voorgestelde maatregelen om het verkeer veiliger te

maken, geënt. Zijn voorstellen, die wij in deze beperkte

ruimte niet kunnen weergeven, zijn neergelegd in beschou-

wngen over het voertuig en de weg, over opleiding en

propaganda en over wet, wetshandhaving en rechtspraak

in verband met de veiligheid. Wellicht zullen niet alle door

schrijver genoemde maatregelen in de praktijk ten volle

toepasbaar blijken te zijn. Het is echter in ieder geval

zinvol hen op hun merites te onderzoeken; een ieder, die

zich een voorstelling tracht te maken van het leed, dat

verkeersongevallen teweeg brengen, zal moeten beamen,

dat de prijs voor veiligheid zelden te hoog is.

Blz.

Blz.
Psychologie van het verkeer ………………
787
B o e k b e s p r e k i n g
Nederlands

positie

in

een

groeiende

wereld-
J. Walter Thompson Company: The Western
economie (T),
door Dr. J.

Wenielsfelder …..
788
European

Markets,

bespr.

door Prof

Dr.
Het Deltaplan

een

kwestie

van

prioriteiten,
J.

B.

D.

Derksen

…………………..
801
door Drs.

M.

C.

Verburg

………………
792
Geld- en kapitaalmarkt, door Drs. J. C. Brezet
801
Verlanglijst voor een nieuwe Wet Inkomsten-

belasting (II),
door Drs. D. Brüll …………
795
N o t
i
t
i
e s

Levensverzekering

in

het

eerste

halfjaar

1957,
Wonén in West-Duitsland

………………
791

door

J.

B.

Booij

………………………
798
Recente

publikaties

……………………..
802

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries;
J. R. Zuidema. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Colim; J. E. Mertens de Wilmars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

787

Wanneer de economische groei inderdaad de

alpha en de omega van onze nationale Jeconomie
vormt en zal vormen

en veel wijst• hierop
-,

kan dit fenomeen als allesbeheersend voor de ko-
mende decennia worden gezien. De economische

groei in ons land en daarbuiten zal onze economi-

sche telaties met de buitenwereld geheel bepalen

en daarmede de bijdrage van deze relaties aan

onze nationale welvaart. Deze gedachte wordt

door schrijver als uitgangspunt gekozen. Vervol-

gens wordt voor enkele landen nagegaan, in wel-

ke mate deze zelfstandig de welvaart zouden kun-

nen verhogen indien in het buitenland de econo-

mische expansie zou stagneren. Schrijver consta-

teert dat, gegeven de structuur van onze econo-

mie, voortdurend het gevaar dreigt, dat bij gelijke

economische krachtsinspanningen in
1
Nederland

en in het buitenland, relatief een groter deel van

de Nederlandse ,,effort” aan het buitenland ten

goede komt dan omgekeerd.

Nederlands positie

in een

groeiende

wereldeconomie

(1) *

Inleiding.

Nederlands positie in de wereldeconomie —- een onaan-

zienlijke ster tussen duizenden andere – kan niet worden

bepaald zonder het gehele sterrenbeeld der wereld-

economie, al is het maar met de primitieve sextant der

menselijke réde, te peilen.
Er is wat ons nationaal economisch wel en wee betreft

een gecompliceerde wisselwerking tussen wat er econo-

misch binnen onze grenzen en wat er daarbuiten gebeurt.

Daarbij, moet dan nog weer een duidelijk onderscheid

worden gemaakt tussen structurele en conjuncturele
veranderingen. De structurele veranderingen zijn de

veranderingen, die zich iii de goéderensfeer voltrekken;

de conjuncturele veranderingen voltrekken zich in de

geldsfeér. Beide aspecten worden bij voortduring ver-

ward. Zo heeft een politiek’ van al of niet lage lonen

(goedkoopte- of duurte-eiland) in feite hiets, maar dan

ook niets met onze werkelijke concurrentiepositie op de
wereldmarkt te maken, zolang over een langere periode

gezien de betalingsbalans in evenwicht wordt gehouden.

Een dergelijke politiek is dan ook slechts een instrument

bij de betalingsbalanspolitiek of zo men wil de conjunc-

tuurpolitiek. Onze werkelijke concurrentiepositie daar

entegen wordt bepaald door de ontwikkeling van de

comparatieve kosten zoals deze hieronder nader zullen

worden geanalyseerd.

In een tweede fase kan dan ook aandacht aan de con-

uncturele aspecten van onze internationaal-economische

relaties wordén besteed.
Teneinde ons economisch ,,welzijn” beter te verstaan,

is het nuttig de algemene economische ontwikkeling van

ons land in historisch perspectief te plaatsen.

De nukken der onvolmaakte statistieken maken het

daarbij slechts mogelijk onze economische jaartelling te

beginnen aan het eind van de 17de eeuw – een periode

waarin ons land nog leefde in de glorie van de 0.1. Com-

pagnie, de bloei van talloze trafiekbedrijven, de groei

van de grote visserij en niet te vèrgeten een liberale

economische politiek met name op internationaal jebied.

Per hoofd der bevolking was in 1688 het inkomen in de

drie belangrijkste Europese landen aanzienlijk lager dan

thans, ioals uit onderstaand staatje blijkt:

TABEL t.
Inkomen per hoofd in 1688

(in guldens van 1950) a)

1
Holland
I
Engeland
1
Frankrijk

Inkomen per hoofd (in guldens van
1950)

……………………
394

320

274
Hiervan belasting in pCt

25

12

II
Hiervan gespaard in p(

12

10 ,

5

a) De cijfers zijn berekend op basis van de gegevens, die King indertijd in
1700 heeft verzameld (opgenomen in Phyllis Deane: ,,The implication of early
national income estimates for the measurement of long-term economic growth
in the United Kingdom”, University of Cambridge, 1956). Zij werden via de
ontwikkeling van de prijzen van consumptiegoederen in Engeland tot 1950
omgezet in Engelse ponden van 1950. Tussen pond en gulden werd voor 1950
pariteit aangenomen, zodat langs deze weg omrekening in guldens mogelijk
was. Uiteraard gaat het hier, gegeven de aard der berekeningen en cijfers,
slechts om grove indicaties. –

Het ink’omen lag weliswaar boven het inkomen per

hoofd van de meeste van de tegenwoordige onderontwik-

kelde gebieden, doch men kan nauwelijks een glimlach

onderdrukken, wanneer men in de leerboeken de termen
,,economische bloei”, ,,grote rijkdom” of frequenter nog

,,gouden eeuw” tegenkomt. –

Volgens de U.N.O:-classificatie zou de Republiek der

Verenigde Nederlanden in de zgn. Gouden Eeuw tot de

laag-ontwikkelde gebieten worden gerekend. Men proeft

hier iets van de relativiteit der begrippen verband houden-
de met economische bloei en economische ondergang.

Het valt – over relativiteit gesproken – op, dat het

inkomen per hoofd in Holland hoger was dan in Engeland

en dit laatste weer h9ger dan in Frankrijk. Zouden de

liberale economische politiek van de Republiek, de

mercantilistische inslag in Engeland-en het zware protec-

tionisme van Frankrijk ‘(de 20ste eeuw brengt in dit op-

zichts niets nieuws onder de zon!) hier iets mee te maken

hebben? De vraag stellen is haar in dit geval niet beant-

woorden. (Zelfs op belastinggebied is er niets nieuws

onder de zon. Wanneer de cijfers juist zijn, zou Holland

24 eeuw geleden een belastingdruk hebben gekend, waar

voor de moderne welvaartsstaat zich niet zou schamen).

*).D
e
hier geëntameerde serie van vijf artikelen is geïnspireerd
op een door de Hollandsche Sociëteit van Levensverzekeringen
N.V. bekroond antwoord op een door deze maatschappij ter
gelegenheid van haar 150-jarig bestaan uitgeschreven prijsvraag –
over een analoog onderwerp.

788

S

Ruim een eeuw later, in 1798, is het inkomen per hoofd

in Engeland (in guldens van 1950) ongeveer 500 gulden,
ofwel ten opzichte, van 1688 een toeneming met 50 pCt.

Dit komt neer op een toeneming van gemiddeld
4-
pCt.

per jaar. Aangenomen mag worden, dat het reëel inkomen

in de Republiek, die een dramatische periode door-

maakte, eerder lager dan hoger was. Doch ook vôôr de

Franse tijd zal, gezien het verval van de stapelmarkt en

de relatieve achteruitgang van Hollands economische

positie, in dit deel van Europa de toeneming van het

inkomen per jaar beneden
4-
pCt. per jaar hebben gelegen.

De economische ontwikkeling had dus veeleer het tempo

van de trekschuit dan van, de diligence. Het expansieritme

was nauwelijks waarneembaar.
Dan komt omstreeks de eeuwwending het wonderlijke

– en honderden handboeken over economische groei

ten spijt – onverklaarbare keerpunt in de geschiedenis.

Hargreaves, Watt en Caçtwright’vormen de epigonen

van een geheel nieuwe ontwikkeling. Zij zijn de grond-

vesters van een geheel nieuwe tijd. Het tempo van de

trekschuit werd vervangen door het tempo van de ijzeren

spoorweg. Dit verschil in ritme blijkt wel uit onderstaande

gegevens. Het expansietempo (d;w.z. het gemiddelde
accres) van het inkomen per hoofd verdubbelde na de

Franse revolutie; na de uitwerking van de eerste fase van

de industriële revolutie verdriedubbelde het ritme zelfs,

‘zoals ook uit onderstaand schematisch overzichtje blijkt:

TABEL 2.

Ontwikkeling reëel inkomen per hoofd

(1900 =100) a)

zngeland
Holland
(later
Nederland)

Indexcijfer
Gemiddelde
Indexcijfer
Gemiddelde
(1900
=
100)
groei per jaar
(1900
=
100)
groei per jaar

1688
1798
22?
353
+
0,5 pCt.
<+ 0,5 pCt.
1800
1850
35?
553
+
11 pCt.
1900
100
ij

+
1,
,
6pCt.
+
I,5pCt.
+
1

pCI.’
1950
1 75
150

a) Berekend met behulp van de volgende gegevens: de cijfers van King (zie noot bij de vorige tabel), aangevuld met onderzoek-
reekaen, gepubliceerd inPhelps Brown: ,,Accumulation in the British economy”,
in het Economic Journal, 1953; Phelps Brown: ,,Economic growth and the
price leveP, in het Economic Journal, 1955; Statistische en Econometrische
Onderzoekingen, 2e kwartaal 1956.

Wanneer voor alle jaren gegevens beschikbaar zouden

zijn over de economische ontwikkeling en deze in grafiek

zouden worden gebracht, zou de gevonden grafische lijn

eeuwenlang langs de X-as kruiperi met hoogstens een flau-

we neiging om in een slakkengang omhoog te kruipen.

Na 1800 schiet zij echter snel naar’ boven. Deze snelle

stijging loopt – onderbroken door twee wereldoorlogen
door, zij het dat zij gepaard gaat’met heftige ensoms
tamelijk lang durende schokken. Na de tweede wereld-

oorlog ziet men, dat de schokken op de plaatsen waar

men hen zou verwachten, uitblijven. Er zijn wat kleine

zwakke
afwijkingen,
zodat de lijn – althans vergeleken

met de periode v66r de tweede wereldoorlog – bijna

vloeiend wordt, zonder de traditionele breuken, kloven

en diepe afgronden.
Nevenstaand grafiekje vergelijkt de ontwikkeling van
de industriële produktie in West-Europa na de eerste en

na de tweede wereldoorlog
1).

1)
Opgesteld aan de hand van gegevens, gepubliceerd in
,'[ndustrial production
1900-1955″,
publicatie van de O.E.E.C.,
1956.

Men ziet hieruit hoe het ontwikkelingsproces na de

tweede wereldoorlog (althans tot nu toe) duidelijke ver-_

schillen vertoont met het ontwikkelingsproces na de

eerste wereldoorlog. De ontwikkelingslijn, vroeger hor-

tend en stotend, is nu veel meer vloeiend geworden.

Ontwikkeling industriële produktiè in West-Europa

10 jaar na de eerste en 10 jaar na de tweede wereldorlog
200

140
100

80

1920-*

-*1930
1948=, 100

1946 -*

-*1956

De ontwikkeling van de economische theorie, die, om

in haar eigen taal te spreken, nogal eens een ,,lag” ver-

toont tegenover de ontwikkeling van de economische

realiteit, heeft aan dit na-oorlogse verschijnsel de na’m

gegeven van ,,evenwichtige economische groei”. Zij (de
theorie) schijnt dan ook met Keynes’ receptenboek voor

de bestrijding van recessies in de hand, optimistischer dan

ooit tevoren. De crisisleer geurt naar kamfer.

Wanneer de economische groei inderdaad de alpha en

omega van onze volkshuishouding vormt en zal vormen

– en veel wijst.hierop -, kan dit fenomeen als allesbe-

heersend voor de komende decennia worden gezien. De

economische groei in ons land en daarbuiten zal onze

economische relaties met de buitenwereld geheel bepalen.

en daarmede de bijdrage van deze, relaties aan onze

nationale welvaart. Hij zal dan ook als uitangspunt voor

deze bijdrage worden aangenomen. Het is historisch een

uniek fenomeen, zo uniek zelfs dat het in deze. vorm

nimmer in de geschiedenis der mensheid voorkwam.

‘Economische groei en nationaal welzijn: Nederland bij-

zondere positie.

Na het voorafgaande kunnen wij het gezichtsveld wat

verder vernauen. Het gaat er thans om de plaats van

Nederland in het internationaal-economisch bestel af te

tasten.

Nu wordt onze positie in de baaierd der wereldecono-

mie nogal eens vaak gemeten aan de grote betekenis, die

de internationale handel voor het nationaal inkomen

heeft. Het cijfer van 40
t
50 voor het percentage dat de

import van het nationaal inkomen vormt is dan ook geen

bagatel. Dit
cijfer
mag enerzijds weliswaar indrukwekkend

Zijn, anderzijds vormt het als het ware een moment-

opname. Het is een foto en geen film. Het geeft niet aan,

t
.

f789

hoe onze èconomie samenhangt met de expandeende

economie buiten onze grenzen.

Hoe de film op te nemen, die ons een beeld kan geven

an het proces dat Nederlands plaats in een groeiende

wereldeconomie bpaalt?

Enig idee van onze afhankèlijkheid van het buitenland

kunnen wij verkrijgen, indien wij trachten op te sporen

of en in welke mate wij zelfstandig onze welvaart zouden

kunnen verhogen, indien wij geen steun hadden van de
economische ontwikkeling buiten onze grenzen, d.w.z.

indien in het buitenland de economische expansie zou

stagneren, zodat het nationaal inkomen daar op een

stabiel niveau gehandhâafd zou blijven. Een simpele

ilekenkundige exercitie kan ons hierover nader informeren.

Wanneer het national inkomen in Nederland met

x pCt. zou toenémen bij een
gelijkblijvend
prijsniveau en

dus eenniet veranderende ruilvoet en wij even eenvoudig-

heidshalve aannemen, dat wij voor onze import geheel

op het buitenland zijn aangewezen (wat in ieder geval

voor 60 pCt. van onze import opgaat), dan wordt het

toegenômen inkomen gedeeltelijk aan importgoederen en

gedeeltelijk aan goederen uit onze exportsectoren besteed.

De mate van invoertoeneming hangt daarbij geheel af

van de intensiteit van de behoeften. Hoe intensiever de

behoeften hoe groter de toeneming van de import. Zonder

de berekeningen van het Centraal Planbureau over deze

verbanden als het begin en eind van alle wijshid te zien,

lijkt het wel aannemelijk, dat deze inkomenselasticiteit in

een land, dat zozeer van het buitenland afhankelijk is,

hoog moet zijn. Dit is een cruciaal punt in onze economische

relaties met het buitenland.

De totale toeneming van de import wordt dan bepaald

door de verandering van het nationaal inkomen (in pro-

cënten) vermenigvuldigd met de inkomenselasticiteit van

de vraag naar importgoederen. Wanneer het C.P.B. dan
ôok voor de inkomenselasticiteit een cijfer van 1,6 pCt.

opgeeft, zouden wij dit niet als een duimstokmaat willen
hanteren, maar uitsluitend ter bepaling van de gedachten
willen gebruiken als een nogal hoge waarde.

Bij een toeneming van het nationaal inkomen met

1 rpCt. neemt dus de import met 1,6 pCt. toe. Wanneer

hetnationaal inkomen dus in een tempo zou toenemen

gelijk aaü dat van de voorafgaande na-oorlogse jaren

(ca 4 pCt. per jaar), zou de importvergroting 4 x 1,6 =

6,4 pCt. bedragen. In letters uitgedrukt G(groeitempo) x

E(inkomenselasticiteit) = importtoeneming.

Wanneer wij ôp dit voorbeeld voortborduren (dus

aannemen, – dat de economieën in het buitenland niet

zouden groeien, maar stagneren), dan zou dit betekenen

dat, om een toenemende import te financieren, vergroting

van de uitvoer nodig is. Vergroting van de uitvoer komt

ehter niet als manna’ voor niets uit de hemel. Zij kan in

ons gestileerde voorbeeld alleen worden bereikt door een

prijsdaling (in ecnomisch jargon vertaald: door een

;ruilvoetverslechtering’ ‘)

Hoe groot zal deze ruilvoetverslechtering moeten zijn

om te zorgen, dat de toegenomen invoer en de door de ruil-

voetverslechtering toenemende uitvoer weer met elkaar in

evenwicht zijn? Dit hangt natuurlijkhelemaal af van de

vraag in welke mate de uitvoer gestimuleerd wordt door de

rui1voetverslechteriig. In hoeverre zal een prijsdaling van de

uitvoerprodukten de buitenlandse kopers tot grotere aan-

kopen van boter, kaas, eieren, elektrische scheerapparaten,

kunstzijde en wat dies meer zij verlokken? Dit hangt af var

de prjselasticiteit van de buitenlandse vraag ijaar het Neder-

landse exportpakket, d.w.z. de proentuele toeneming

vân het exportvolume bij een prijsdaling, van 1 pCt. De

toeneming van de uitvoer, in volume gemeten, wordt dan

gelijk aan de prjsverandering (p) x de exportelasticiteit

(7r
e
). Bovendien hangt de invloed van de ruilvoetverslech-

tering op de betalingsbalans ook af van de reactie van de

invoer op een prijsverandering. In dit geval dus van de

invoerelasticiteit (de procentuele vermindering van het

invoervolume bij êen pr’ijsverandeing van 1 pCt). Het

invoervolume en ook de invoerwaarde verandert dan in

een om’.âng gelijk aan de rjsverandering (p) x de invoer-

elasticiteit (

r).

De verandering in de betalingsbalans ten gevolge van een

ruilvoetverslechtening is dus gelijk aan de omvang van de

ruilvoétverandering (R) x de som van in- en uitvoerelasticitei-

ten. Aangezien wij deze invloed in geldeenheden uitdrukken

en dus ookde verandering in de prijs (en niet alleen de

verndering in gexpdrteerde en geïmporteerde hoeveel-

heden) willen uitdrukken, wordt uiteindelijk (dus m geld-

eenheden uitgedrukt) de verandering in de betalingsbalans

bijeen ruilvoetverandering R gelijk aan: R (r
e
+ 7r
– 1)
2).

Wanneer de omvang van het betalingsbalanssaldo be-

kend is (in ons geval gelijk aan inkomensgroei x inko-

menselasticiteit van de import, ofwel GE), kan dus nu ook

het spel omgekeerd worden gespeeld. Het gaat er immers

om na te gaan, welke ruilvoetverandering nodig is om de

betalingsbalans in evenwicht te brengen.

Wanneer R de verandering in de ruilvoet indiceert (of
zo men wil de verandering in de waarde van de valuta),

moet deze’ ruilvoetverandering gelijk zijn aan:

R
GE

– r
e
4_
7C
1
— 1

In letteraanduidingen staat thans wat men ook omsiachtig

in woorden kan zeggen, namelijk dat een bepaalde ver-

andering in de prijsverhouding tussen Nederlandse en

buitenlandse produkten nodig zou zijn, indien in een

groeiende Nederlandse economie de import zou toenemen,

terwijl in het buitenland geen groeikrachten aanwezig

zouden zijn, zodat de export niet op ,,natuurlijke wijze”

zou kunnen toenemen, doch slechts door het tot stand

brengen van een verandering in de prjsverhouding tussen
Nederlandse en buitenlandse produkten.

Deze ruilvoetverslechtering heeft natuurlijk een ongun
stige invloed op het nationaal inkomen, en dus op de”wel-

vaart in het Nederlandse gebied. Met andere woorden:

enerzijds neemt de welvaart ten gevolge van de economische

expansie wel toe; anderzijds gaan er negatieve invloeden

op de welvaart uit van de ruilvoetverslechtering. Het is als

een olietank, die bijgevuld wordt, terwijl tijdens het bij-

vullen een deel van de olie weglekt. Hoe meer er weglekt,

hoe ongunstiger de situatie natuurlijk is vor de eigenaar

van de tank.

Deze negatieve invloed op de welvaart kan natuurlijk

eveneens berekend worden. Wanneer wij de omvang van

de ruilvoetverslechtering A R kennen en het aandeel van
de import in het nationaal inkomen weten (1), dan neemt

het nationaal inkomen door de ruilvoetverandering af

met A RJ.

In algemene termen kan men dan stellen, dat de invloed

2)
Immers, in buitenlandse valuta uitgedrukt neemt de waarde
van het saldo (in procenten) af met de procentuele omvang van
de ruïlvoetverslechtermg, zodat men van de som van de procen-
tuele verandering in uitvoer-, en invoervolume de omvang van.
de ruilvoetverslechtering (in pCt.) moet aftrekken.

790

van een bepaald groeipercentage G (aannemende dat in

het buitenland geen economische groei zou bestaan) op de
welvaart (lees op het nationaal inkomen) in ons voorbeeld

gelijk gesteld kan worden aan:

AY

GE

XI’

‘e
-1-
7t
1
‘ – 1

Hierin stelt
A
Y dus de omv’ang van dé welvaartsver-

mindering ten gevolge van de economische expansie voor.

Nu het dieplood is geconstrueerd, kan het uitgewôrpen

worden om de economische positie yan Nederland in dit

opzicht wat nader te peilen.
Het is nu immers maar een kwestie van cijfers invullen

geworden. Deze cijfers mogen ook hier natuurlijk niet al

te strikt worden geïnterpreteerd. Het ‘gaat hier niet om

precisieberekeningen, die met enige decinalen nauwkeurig

kunnen worden opgesteld, maar om tendenties en indica-

ties. Voor dit doel zijn de gebruikte gegevens voldoende

representatief.

Wij vinden dan de volgende gegevens:

Gxl,61,60

0,8

8

_____ = 1,1

Met andere woorden: bij een groeitempo in Nederland

van bijv. G pCt. per jaar moet met een welvaartsverlies

van 8/11 0 pCt. gerekend worden, zodat slechts 3/11 als

-.’

Wonen in West-Duitsland

In ,,Wirtschaft und Statistik” van juli 1957

zijn de eerste resultaten opgenomen van de

Duitse woningtelling, gehouden in september

van het vorige jaar. Uit de gepubliceerde cij-

fers kan worden afgeleid, welke invloed de

grote bedrijvigheid in de woningbouw na 1950

heeft gehad op de woningvoorziening. In

onderstaande tabel zijn de beschikbare wo-

ningen, onderverdeeld naar het aantal vertiek-

ken, weergegeven tegenover de’ aantallen’ wo-

ninggebruikers verdeeld naar gezinsgrootte.

Woningen en woninggebruikers

in West-Duitsland

.

Vertrekken’a) per woning c.q.
personen b) per gezin

‘ Totaal
1
1
2

3

4 5en6 7en
meer
Sept.’1950:

(in mln.)


woningen

0,1

1,2

2,6

2,5

2,2

0,8

9,4
gezinnen

1,4

3,8

3,6

2,6

2,0

0,6

14,0
verschil

-1,3 -2,6 -1,0 -0,1 +0
1
2 +0,2 –4,6′
1950-1956:
netto-toe-

S


voeging aan
de woning-
voorraad

0,10,7

1,4

0,9

0,3 -0,1 , 3,3

Sept. 1956:
woningen

0,2

1,9

4,0

3,4

2,5

0,7 ‘ 12,7
gezinnen

1,4

4,3

3,8

2,8 , 2,1

0,6

15,0
verschil

-1,2 -2,4 +0,2 +0.6 +0,4 +0,1 -2,3

Met ten minste een oppervlakte van 6 m’, keukens in-
begrepen.
Wasrond.r alleenstaanden voor de helft begrepen.

Uit de cijfers blijkt, dat het tekort voor het

grootste deel bestaat uit kleine woningen. Hier-
bij dient evenwel rekening te worden gehouden

met het feit, dat vele kleine’ gezinnen een

grotere woning zullen wensen, dan hun• in

bovenstaande opstelling is toegedacht. ,

uiteindelijke welvaartswinst overblijft, d.w.z. als reële toe-

neming van het nationaal produkt.

In grote lijnen komt het erop neer, dat wanneer Neder-

land geheel alleen op eigen benen zou moeten staan en dus

geheel zelfstandig zou expanderèn, van elke 10 pCt. ex-

pansie die in het produktie-apparaat in een bepaalde perio-

de plaats zou vinden, slechts 3/11 deel of 27 pCt. aan de

welvaart van het eigen land ten goede komt. De resterendé

73 pCt. zou ten voordele van het buitenland komen.

Deze cijfers indiceren wel, welke formidabele kraèhts-
inspanning nodig zou zijn, indien wij onder de geschétste

omstandigheden onze economie uitsluitend op eigen kracht

op de been zouden moeten houden. Onze economie is als

een slechte geleidingsdraad, waarin een behoorlijke portie

energie verloren gaat. Wanneer
wij
het hier, gevonden cijfer

vergelijken met analoge gegevens, die wij voor andere

landen, bij aanneming van dezelfde omstandigheden, be-

rekenden, valt onze speciale positie onmiddellijk op. In

vergelijking tot andere landen vinden wij namelijk
,
de v,6l-

gende cijfers:

Hypothetisch berekende expansieverliezers aan het buitenland a)
bij eenzijdige economische groei in het desbetreffende land (en
dus stagnering van deeconomische ontwikkeling van de wereld) in:
Nederland
…………………………………
73 pCt.
Noorwegen
………………………………
70 pCt
verenigd Koninkrijk

……………………….
30 pCI.
Frankrijk

…………………………………
l4pCt.
Italië

……………………………………
1,6 pCt.
Verenigde Staten
……………………………
1 ‘PCI.

a) Berekend op grond van gegevens gepubliceerd in 1. J. Polak ,,An in-
ternational economie system 1954″, Allen & Unwin, 1954; Chan’g: ,,Inter

national comparison of demsnd forimports” in Economie Journal, 1946,
blz. 188. –

Naarmate onze expansieverliezen aan het buitenland die

van het buitenland aan ons overtreffen, zal ons welvaarts-

verlies groter zijn. Nu zal de Nederlandse coëfficiënt wel-
iswaar lager uitvallen, indien wij rekening houden met het

feit dat een deel van de import (ca. 40 pCt.) door binnen-

landse produktie kan worden vervangen
3),
doch in het

buitenland is dit in veel sterkere mate mogelijk, zodat dit

aspect het beeld slechts ongunstiger maakt.

Aan het slot van het verhaal komt dan ook de moraal.

Deze komt hierop neer, dat, gegeven de structuur van onze

economie, voortdurend het gevaar dreigt dat bij gelijke

economische krachtsinspanningen int Nederland en het

buitenland, relatief een groter deel van de Nederlandse

,,effort” aan het buitenland ten goede komt dan omgekeerd,

zodat ons land slechts bij een relatief grotere krachtsin-

spanning met zijn- partners ,,geljk op” zal. kun’nen doen.

Wij zijn onder deze omstandigheden als de atleet, die van

nature een slechtere constitutie heeft meegekregen en daar-

om relatief meer dan zijn atletische collega’s (of zo men wil

concurrenten) voor de hordenloop moet trainen en vol-

harden, teneinde de relatief grotere krachtsinspanning te

kunnen opbrengen. Op zichzelf een niet benijdenswaardige

positie.

De vraag is nu in hoeverre bovenstaand beeld zich in het

verleden heeft voorgedaan respectieveljk in ‘hoeverre het

int een al of niet nabije toekomst kan opdoemen. Met andere

woorden: welke zijn de wegen en middelen,. waardoor

Nedérland de omstandigheden, waaronder het in de race

om de exportmarktenï moet meedoen, kan verbeteren

respectievelijk heeft verbeterd?

Deze vraag zal in een volgende bijdrage onder ogen

worden gezien. , –
‘s-Gravenhage.

Dr. J. WEMELSFELDER.

3).
Men zou deze tendenties. in eén gecompliceerde formule
kunnen onderbrengen, hetgeen hier gegeven de beperkte opzet
van, deze analyse verder achterwege is gebleven.

791

De schrijver behandelt de zojuist door het Pro-

vinciaal Bestuur van Zeeland bekend gemaakte

visie op het Deltaplan. Zij wordt geplaatst tegen

de achtergr4nd van de rentabiliteit van de ver-

schillende bestemmingen, die mogelijk zijn. Aldus

wordt een inzicht gegeven in het prioriteiten-

schema, dat dient te worden samengesteld. Aan

een dergelijk schema in het nationale vlak is men

nog niet toegekomen. Gegeven de hoge rangorde

van het Deltaplan in de schaal van nationale be-

hoeften, ontstaat binnen dit waterstaatswerk een

strijd tussen de belangen van de visserij, het zoete

water, de landaanwinning en de recreatie. De be-
tekenis’ van betere verkeersverbindingen en van

de industrialisatie daarentegen treedt buiten het

kader van het Deltaplan in het strijdperk tegen

soortgelijke investeringen elders in den lande.

Het is genoegzaam bekend, dat de afsluiting der zeegaten

de fysisçh-geografische gesteldheid van het zuidwestelijk

deltagebied en daardoor zijn economische structuur grondig

‘zal wijzigen. Betere aansluiting aan het nationale net van

landwegen, tot ondergang bedreigde visserijcultures, zoet

water voor de gehele Nederlandse landbouw en landaan-

winning, ‘uitgestrekte recreatiegebieden, verzorgende be-
drijven, die in verschillende plaatsen hun afzet verliezen, –

beperking van het aantal landbouwhavens en industriali-

satiemogelijkheden – ziedaar de schaal van structuurwijzi-
gingen, die zich zullen voordoen.

Welbeschouwd ziet de econoom in deze dingen zijn kern-

probleem van prioriteiten aan de orde gesteld. In de onein-

dige serie behoeften heeft het Deltaplan een zeer hoge rang-

orde gekregen; de beperkte middelen, die in vele richtingen
kunnen worden aangewend, zullen dus voor een deel op dit

werk worden afgestemd. Deze aanwending der produktie-

middelen ontleent haar belangrijkheid aan de veiligheid en
het hoge economische nut van het zoete water. De toèlich-

ting op de Rijksbegroting voor 1958 onderstreept dit:

met geen woord wordt gesproken over beperking van de

,,delta-bestedingen”; met veel woorden daarentegen wordt

gewezen’ op het belang van het bevorderen ener gezonde

economische structuur van de landbouw – daartoe behoort

-zeker ook de produktie-omstandigheid zoet water – als

het beste middel voor het handhaven van een zelfstandige

boerenstand in Nederland.

‘In globale cijfers uitgedrukt komt deze prioriteit neer op

-het volgende. Op de totale balans voor.het Deltaplan van
rond f. 2,7 mrd. verdient ons land gemiddeld f.
2,45
mrd.

terug; het nadelig saldo is dus f. 250 mln. Het alternatieve
plan tot versterking van de bestaande dijken levert op een

totaal van f. 1,7 mrd. een tekort op vanruim f. 1,4 mrd.

Gegeven de keuze van de uitvoering van het Deltaplan mag

men de zuiver waterstaatkundige posten van het anders

noodzakelijke alternatief, zijnde ruim f. 1,6 mrd., in minde-

ring brengen – ook zonder ,,bijverdiensten” zou men de

veiligheid moeten verhogen -, zodat er onder zuiver eco-

nomische gezichtshoek gezien een overschot is van f.
1,35

mrd. Eenzelfde rederering zou kunnen worden opgezet
voôr het plan tot dijkversterking, waarbij het overschot

slechts f. 350 mln, zou zijn.

Gegeven thans de uitvoering van het Deltaplan ontstaat

792

Het Deltaplan
een kwestie

van

prioriteiten

een nieuw probleem van prioriteit.

Ook dit is kwantitatief

te benaderen, omdat het is terug te brengen tot een vraag-

stuk van kosten en opbrengsten. Ove’reenkomstig onze hui-

dige noties omtrent de menselijke betrekkingen berekenen

wij deze obrengsten niet meer louter economisch. M.a.w.:

als de kosten de baten overtreffen, dan stellen wij tegenover

de economische marge de immateriële goederen, die ons

deel worden om ten slotte in de uitgaven al dan niet toe te

stemmen.

Visserij.

Laten wij dit laatste aantonen aan de hand van de visserij-

cultures. Hun ondergang is niet alleen een kwestie van cal-
culeren; daarover bestaat geen onenigheid. Deze komt pas,

als wij in concreto moeten beslissen of overplaatsing van de

Oosterschelde naar de Grevelingen verantwoord is. In

Zeeland zal men eerder over de nadelige marge heenstappen

dan in Rotterdam, waar men ter plaatse een onmisbaar

recreatiegebied wil scheppen.

Het is thans zover, dat de Zeeuwse wens in vervulling

gaat. Achter de dam, die over vier jaar ten noorden van

Veere zal liggen, zal een proefbassin worden aangelegd,

waarin onderzocht zal worden ondér welke omstandigheden

de oestercultuur en de mosselverwatering kunnen worden

overgeplaatst. De ouderwetse economische formule MV =

PT is hier toepasselijk, waarin M figureert als de hoeveel-

heid water, V als de stroomsnelheid en PT als de omvang

van de bevel. Dit laatste presenteert zich als een geldbedrag,

dat gesteld kan worden tegenover de opbrengsten aan oesters

en mosselen ad f. 14 mln, per jaar. Ten slotte zijn er op het

Grevelingen-bekken nog claims ten behoeve van de recreatie

en het zoete water. Uit deze driehoeksverhouding zal de

Regering een keuze moeten doen. Ten slotte zal het Parle-
ment namens het Nederlandse volk moeten beslissen of de

geestelijke waarden, die de visserij vertegenwoordigt, op-

gewassen zijn tegen een eventueel nadelig écart.

Een andere visserjzaak schijnt verloren te zijn. De gar-

nalenvisserij, uitgeoefend vanuit Veere op de Oosterschelde-

monding, zal door de dam in het Veerse Gat worden ge-

coupeerd. De door Zeeland bepleite sluis in deze dam zal te

grote financiële offers vergen, nl. rond f. 6 mln. Hiertegen-

over staat een netto-provenu van de garnalenvangst over

de jaren 1952 tot en met 1956 van f. 300.000. Bovendien

vreest men verzandingen. Wij moeten derhalve aannemen,

dat het door Zeeland naar voren gebrachte alternatief van

de overplaatsing van de 28 schepen tellende vloot van Veere

naar de te vergroten haven van Colijnsplaat op Noord-

Beveland zal worden vèrwerkelijkt. Weliswaar wordt deze

over ruim 20 jaar met de Oosterschelde afgesloten, maar het

is dan toch de vraag, of de garnalenstand zich zal hand-

haven.

Wij zien dus, dat de Zeeuwse prioriteit laag genoteerd

staat, omdat zij in wezen een kwestie betreft van lokale eco-

nomie: voor het land als geheel doet het er niet toe waar de

vis wordt aangevoerd. Een redenering, waarbij 1

jet accent

•in Zeeland toch iets anders is gelegd, omdat de garnalen-

visserij vanuit Veere ongetwijfeld langer zou kunnen worden

uitgeoefend (terwijl de sluiswerken in 40 jaar kunnen wor-

den afgeschreven); omdat ook zeejachten van deze sluis

gebruik kunnen maken (en verder tussen Vlissingen en het

Haringvliet in de dammen geen zeesluizen worden aan-

gelegd); omdat deze sluis voor de kustvaart via de Zand-
kreektoegang blijft geven tot de Oosterschelde, trouwens
ook tot het Kanaal door Walcheren; en omdat uit toeris-

tisch oogpunt het binnenvaren van de vissêrsvloot in Veere
1
een onvervangbaar schouwspel biedt.

In de verre t6ekomst staat Zeeland du voor de noodzaak

•van overschakeling. Ook niet het oog op de grote immateri-

cle betekenisvan de visserij heeft het Rijk dan ook nu reeds

toestemming verleend tot het oprichten van een Zeeuwse

visserijschool in Vlissingen, waarde geestelijke en technische

omschakeling op lange termijn kan worden voorbereid.
1

Landbouw.

Ëen tweede complex van prioriteiten ligt in de landbouw-

sector. De economische waarde van 1 ha water in de zoete

bassins wordt gelijk geseld aan die van 1 ha land, omdat

men er 20 pCt. oogstdepressie oj
5
ha bestaand land (ten

gevolge van de verzilting en de verdroging) mee kan ophef

fen. Nu is de sociaal-economische waarde van 1 ha land

geniakkelijk vast te stellen. Het equivalent aan zoet wate

daarentegen heeft een eenvoudig te berekenen bruto-waar-

de, maar over de kosten van verplaatsing naar hoger gele-

gen gronden is weinig bekend. Ergens ligt hier een kritische

grens, die tevens aangeeft, hoe groot het zoetwaterbekken
0

‘moet zijn om nog te renderen.


RorrEPoAM,Q
Werkgroep Oeltazaken

Zeeland

.-
0
000rdingon

•P-,°’
Breiie

_SCHEMÂ STUÛIEOBJECTEN_

bebouwde
kommen
\.

.
k$iht(idihb bebouwde kommen

tU1

ot,iuildommen mei kunSfworken 1mei of zonder hoofdwegen)
hoofdwegen
(P

Okdd.ø
-eyeno,,a

4

iehendom
:;,:
.

nndoouwgrunoen

–.
—-
rehrooiie000ieo
0
-r o
,

/
S mml
sk
no
o
bonn

8111811

bod IN g
no
o
©

ors
w
crw>

V
.

Tong.

k
druro
Oakgens plaag
IER/XZEE
– –

MIDDELBURO
/

/
OOES
__J(1OOSENOAAL

_Zoindiond?Zf.

go/ding.
J

ERGEN
OP ZOOM

IJIh

ns0009e
.

Sludieobjeclen

(ktlo55/dfre

______________

TERNEUZEN-
.-•—

dinauntne-en
ha,,okekk,n
0
Oe
1

nl/men
,
en
boos
ln,geo50i0C10
.
005 TOuRS
Weroiel
•.-

oeng.nVn.s,,.

ou1l,nt0,00

os

.
.•

7 bekken snor oeslerckilkkr ad,!

.

0
af/dwong oostelijk bekken ¶an

Aard,nb

J
j
0/miss

Vndro
••
t
en
Sonde

Vhe
000
Veer.

Q
,
0
1
10
km

12/den
-au
Oruffsb.enaolnhnflng

50

OnO
..

.ijinOoldeh005005efl,nbe
anne.
0e
0
IINTWERPE

j

5erb,bbeVre

793

/ s

‘.-:
.

In verschil1ende publikaties
1)
zijn de elementen van een

,,multiple purpose”-balans van zoet water aan de orde

gesteld. Ir. Hendrikx stelde de agrarische bruto-opbrengst

van een Zeeuws meer, waarin 15.000 ha minder of meer

land (i.c. meer of minder zoet water) wordt gewonnen als

indifferent. De kosten om West-Brabant te bevloeien acht

hij echter waarschijnlijk hoger dan die van landwinst (wat a

fortiori geldt bij bevloeiïng van de zandgronden in Oost-

Brabant). Vandaar dat zijn voorkeur voorlopig uitgaat naar

de genoemde landwinst, Jr. Herweijer en Ir. Van Rossum

hebben de netto-winst per ha door bevloeiïng van droogte-

gevoelige gronden bij intensivering van het bedrijf voor-

lopig op f. 100 per jaar gesteld, wat in dezelfde richting

wijst. Op proefobjecten zal dit nader moeten worden be-

studeerd. Aan de kostenzijde moet’en de uitgaven van de

aanleg van waterlopen, stuwen en pompen worden begroot.

Op de gedifferentieerde economische waterbalans zullen

ook alternatieven tot uitdrukking moeten komen, zoals de

aanleg van wateropslagplaatsen op de Utrechtse heuvelrug

en de Veluwe, en in delen van Oost-Brabant en Noord-

Limburg of de Gelderse Achterhoek en Twente, het terug-

dringen van de verzilting bij Rotterdam vanuit het Ijssel-

ineer of de aanleg van een watersuppietiekanaal uit de Rijn

bij Neuss-Düsseldorf naar de Maas bij Venlo. Een derge-

lijke analyse zal aantonen of de Zeeuwse wens naar zoveel

mogelijk landaanwinning economisch verantwoord is,

met andere woorden waar de prioriteit 1it.

Het prioriteitenschema met betrekking tot het herstel en

de vernieuwing van de landbouwhavens is reeds vastgesteld.

Concentratie van deze vaak kleine havens is mogelijk nu

de paarden- door de niotorische tractie is vervangen, en

grotere afstanden kunnen worden afgelegd. Zij is ook nodig,

met het oog op de concurrentie tegen het vervoer over land,

die alleen door grotere binnenschepen kan worden aange-

bonden en met het oog op dè veiligheidseisen. De praktijk

in de Noordoostpolder heeft uitgewezén, dat met een gering

vervoer te water kan worden volstaan, mits behoorlijke

landbouwwegen worden aangelegd, zodat in oostelijk

Flevoland slechts 16 pCt: van de kavels op bevaarbaar

water wordt aangesloten.De berekening voorZeeland zocht

het midden tussen de huidige situatie – hoge investeringen,

maar lage vervoerskosten – en de uitrusting van elk eiland

met één haven, wat weinig investeringen, maar hoge ver-
voerskosten met zich zou brengen. Door het Economisch

Technologisch Instituut voor Zeeland werd een zo exact

mogelijke berekening gemaakt van de kadelengte en gesteld,

d1it allebelangrjke havens toegankelijk moeten zijn voor

kempenaars, eisen waaraan de Rijkswaterstaat in het Drie-
eilandengebied vollédig tegemoetkoint.

Recreatie.

Op het gebied van de recreatie wordt in ditzelfde gebied,

dat in 1961 tot stand zal zijn gekomen, een watersportge-

bied aangelegd; dat later via de overige meren aansluiting

geeft tot aan Delfzijl toe. Reeds nu heeft de Royal Yacht

Club de Belgique, die
350
boten omvat, besloten haar

zetel naar Kortgene te verplaatsen: De Provinciale Piano-

1)
H. J. A. Hendrikx: ,,Het Deltaplan en de Iandaanwirining’
in het jaarverslag over
1956
van de Nederlandse Vereniging voor
Landaanwinning,
blz. 46-59; J.
van Veen en F. P. Mesu: ,,Water-
huishouding in Nederland” in de berichten van de Nederlandse
Vereniging voor Landaanwinning,
1957,
no.
6; S.
Herweijer en
H. van Rossum: ,,De waterhuishouding voor de landbouw in
Nederland” in het tijdschrift ,,Water”,
23
augustus
1956,
blz.
217-227; J. van Veen: ,,De Nederlandse waterhuishouding” in ,E:-S.B.” van 10
juli 1957,
blz.
547-549.

logische Dienst werkt aan een bestemmingsplan, waarin de

belangen van de landbouw, de visserjcultures en de recre-

atie harmonisch zullen worden verenigd. Meer dan 1.000

ha water zal goed bereikbaar zijn; er komen jachthavens

en aanlegpiaatsen, centra voor zomerhuizen, kampeer-

terreinen en grote bospartijen. Voor zover er hier sprake is

van prioriteiten, liggen deze in feite fysisch-geografisch bij

voorbaat gefixeerd. Pas later bij de uitvoering van het eigen-

lijke Deltaplan zal van recreatiezijde worden aangedrongen

op een zo laag mogelijk zomerpeil in het Zeeuwse meer,

teneinde de vele zandplaten te benutten. Deze pleitbezor-
gers vinden in het prioriteitengevecht de landwinners aan

hun zijde, de zoetwatervoorstanders aan de andere kant

van de streep.

Industrialisatie.

Het vraagstuk van de industrialisatie is er één van

prioriteiten in het nationale vlak. Aan de Sloehaven ten

oosten van Vlissingen en langs het te verbreden kanaal van

Terneuzen naar Gent liggen voor ons land nieuwe mogelijk-

heden. Deze werken staan op het punt te wdrden uitgevoerd;

wat de Sloehaven betreft, moet met het oog op de veiligheid

in ieder geval toch de kust worden recht getrokken. De

Koninklijke Maatschappij ,,De Schelde” heeft hier gröot-
scheepse plannen, die op den duur f. 100 mln, kunnen be-
lopen, aangekondigd. Het ziet er naar uit, dat de Zeeuwse

desiderata worden ingewilligd, nu de Rijksbegroting in

haar toelichting stelt, dat de ontwikkeling aan diep vaar-

water ,,elders in Nederland” in het kader van’ de ruimtelij-

ke decentralisatie tot stand dient te komen
2).

Verkeer.

Het verkeersvraagstuk zal, althans voor Zeeland, pas op

lange termijn worden opgelost. De verbinding tussen Zie-

rikzee via de dam in de Grevelingen en de brug over het

Haringvliet zal ruim binnen 10 jaar tot stand zijn gebracht.

De overbrugging van de Oosterschelde
3)
van Zierikzee,

naar Noord-Beveland zal echter eerst aan de orde komen,

wanneer deze riviermond is afgedamd, tenzij een oplossing

kan worden gevonden als in het Haringvliet wordt toege-

past. Ware dit technisch mogelijk – zonderschade toe te

brengen aan de oester- en mosselcultuur – dan zou hier-

voor het teged
5
pCt. gekapitaliseerde minimum-rendement,

zijnde f.
45
mln., kunnen worden uitgetrokken. Evenals

Goeree-Overflakkee zou Zeeland dan bereid moeten zijn de

rentekosten, voortspru itend uit vervroegde aanleg, door

tolheffing te delgen, zulks weer in het licht van de prioriteit

van vaste verbindingen met een meer nationaal karakter,

waaryan er nog vele op uitvoering wachten.

De vaste verbinding over de Westerschelde geeft op zich-

zelf nog geen rendabele exploitatie te zien. Wanneer deze

over de Oosterschelde voorlopig geen vaste doorverbinding

naar Rotterdam krijgt, kan worden gesteld, dat over 10 jar

de kosten van een brug over de Westerschelde de f.
300
mln.

niet te boven mogen gaan, wil er van een nationaal-econo-

misch rendement sprake zijn
4).
Zou de verbinding over de

Voor een eerste benadering van het zeer ingewikkelde
prioriteitencomplex van de ,,ruimtelijke economie” in ons land,
zie L. H. Klaassen, ,,De economische problematiek van de
ruimtelijke ordening” in maandschrift Economie, april
1957,
blz.
301-314.
Zie M. C. Verburg: ,,Verkeersanalyse van het Deltaplan”
in ,,E.-S.B.” van
27
oktober
1956.
M. C. Verburg: ,,Zeeuwsch-Vlaanderen en de decentrali-
satiepolitiek, een vaste oeververbinding noodzakelijk” in Zeeuws
Tijdschrift no.
3
en
4, 1956.

794

In vervolg op
het eerste
artikel over dit onder-
werp brengt schrijver nog enkele wenselijkheden
met
betrékking tot de nieuwe Wet Inkomstenbe-
lasting naar voren. Schrijver betoogt o.a. dat het
uitdrukkelijk toestaan
van ,,reserves” in art. 10
1. B. overbodig is, daar de vorming ervan reeds

berust op goed koopmansgebruik. Zulks geldt z.i.

ook voor de rampenreserve van art. 11 I.B. Schrij-

ver acht
het wenselijk dat
de wetgever zich omtrent
de aan de boekhouding te stellen eisen opnieuw
gaat beraden. Hij
ziet
voorts gaarne dat winst, be-
haald met of bij het overdragen of liquideren van
een bedrijf, of een gedeelte ervan, dan wel ten
gevolge van gewijzigde rechtsopvattingen, op daar-

toe gedaan verzoek, belast ‘wordt op de voet van art. 48, met dien verstande dat het proportionele

tarief van dit artikel gebaseerd wordt op het ge-
middelde percentage over de laatste drie jaren
geheven van de
laatste 600 gulden van het volgens
de tabel belaste gedeelte van het zuiver inkomen.

De vervroegde
afschrijving (art. $ lid 3).

Deze per 1 januari 1958 aflopende faciliteit staat geheel

buiten goed koopmansgebruik, zij het dat hierdoor be-

paalde gebreken in de fiscale jaarwinstberekening, die een

gevolg zijn van het terzijde stellen van goed koopmans-

gebruik, gemitigeerd worden. Hieruit volgt, dat vanuit

het oogpunt van rechtvaardige lastenverdeling voor deze

faciliteit geen plaats meer is indien’ en voor zover de

waardering van bedrjfsmiddelen uitsluitend door goed
koopmansgebruilc wordt beheerst. Als men afziet van

haar, nivellerend effect op de inkomenstoppen, welk veel-

zijdig vraagstuk hier niet besproken wordt, zal het’in het

laatstbedoelde geval uitsluitend van ‘le conjuncturele en

structurele situatie kunnen afhangeii, of, en zo ja, welke

investeringen de wetgever in het belang der nationale

welvaart voor vervroegde afschrijving in aanmerking

doet komen.

Verlanglijst

voor een

nieuwe Wet

Inkomstenbelasting

(II’)
1)

Afschrjving vanaf de bestelling (art.
8 lid
2).

Deze mogelijkheid lijkt mij in strijd met goed koopmans-

gebruik en ‘met het systeem der wet.

Art. 8 lid 1 spreekt van de afschri,jvingen, die aan een
bepaald jaar kunnen worden toegerekend, d.w.z. betrek-

king hebben op bijdragen van het produktiemiddel tot

de jaarproduktie. Hiernaast kennen wij ,,waardecorrec-

ties”, die nodig worden indien door bijzondere omstandig-

heden de bedrijfswaarde van een produktierniddel beneden

de fiscale boekwaarde daalt. De ondernemer zal de eco-

nomische levensduur van een bedrjfsmiddel bepalen op

het aantal jaren, dat het tot de produktie bijdraagt, dat is

exclusief de tijd, die het in bestelling is. V66r de ingebruik-

stelling loopt hij weliswaar het prijsrisico, maar dit is

1)
Het eerste deel van dit artikel is gepubliceerd in ,,E.-S.B.”
van 25 september 1957.

(vervolg van blz. 794)

Oosterschelde vervroegd tot stand worden gebracht, dan
zou daarmede echter tussen de Belgische Vlaanderen en

Rotterdam een nieuwe vervoerspotentie worden gecreëerd,

die dit bedrag aanmerkelijk zou verhogen. Een èventuele

lage positie in het landelijke prioriteitenschema zou dan

eyenzeer door een tolheffing kunnen worden omhoogge-

bracht. In verband met de ontwikkelingsplan nen rond Vlis-

singen en Terneuzen lijkt deze’edachte de moeite van het

overwegen waard. –

Een laatste punt in de verkeerssector vormt dein aanbôuw

zijnde sluis in de Zandkreek, benoorden Goes. Deze is ont

worpen op een omvang van 142 x 18 meter met een drem-

peldiepte van
5
meter – N.A.P. Wil er geen sprake zijn van

een capaciteitsvermindering ten opzichte van de sluis bij

Veere, in het Kanaal door Walcheren – wat o.a. voor de

Kon, Mij. ,,De Schelde” van belang is -, dan zouden de

afmetingen moeten zijn 142 x 20 meter bij een drempel-

diepte van 6,40 meter – N.A.P.

Het Provinciaal Bestuur van Zeeland heeft deze eis ge-

steld, wat ook van belang kan zijn voor de ontwikkeling

van de nieuwe haven van Bergen op Zoom.

Verzorgende bedrijven.

Tot slot de verzorgende bedrijven in de plaatsen, die een
terugsiag in hun positie kunnen verwachten: lerseke, Brui-
nisse en Veere. Er is hier geen sprake van prioriteiten, om-

dat deze bedrijven zgn. agglomératievolgend zijn. Het is

derhalve zaak voor verloren gaande welvaartsbronnen met
overheidssteun nieuwe primaire bestaansbronnen te schep-

pen. Voor die individuele gevallen, waarin zulks ontoerei-

kend is – bijv. voor middenstanders op hoge leeftijd, ver-

voersbedrijven, parlevinkers -, zouden binnen – en met

behulp van speciale fondsen – buiten de bestaande midden-

standswetgeving faciliteiten moeten worden geschapen.

Uit het vorenstaande blijkt, dat de economische lay-out

van zuidwest-Nederland zich geheel zal wijzigen. In welke
vorm en tijdsorde
hangt af van de uit te voeren waterstaats-
werken, waarvan de invloeden zoveel mogelijk gekwantifi-

ceerd dienen te worden.

Middelburg.

Drs. M. C.
VERBURG.

795

,niet, of, hoogstens secundair, van invloed op de eco-

nomische levensduur – en dus op de afschrijving. Prijs-

wijzigingen in de bestelperiode kunnen dan ook uitsluitend

tot ,,waardecorrecties” aanleiding geven.

De ,,reserves” van art. 10 I.B.

Het verhaal begint eentonig te worden: het expliciet

‘toestaan dezer ,,reserves” komt mij overbodig voor,

omdat de vorming, reeds op goed koopmansgebruik

berust
2)•’
Met betrekking tot de reserve tot gelijkmatige

verdeling van kosten en lasten is dit reeds gebleken uit

B’55/132, waarbij de H.R. een afschrijvingssysteem in

overeenstemming met goed koopmansgebruik achtte,

waarin uitgestelde onderhoudskosten verdisconteerd waren.

T.a.v. de reserve assurantie eigen risico ligt het probleem

iets moeilijker; indien men zich op het liquidatiestandpunt
stelt, kan tegenover deze reserve geen enkele toekomstige

bestemming of verplichting worden gesteld. Men zgt

daarom wel, dat zij in juridische zin eigen vermogen is.

In economische zin echter moet zij als een bestemmings-

reserve gezien worden – vergelijkbaar met de. manco-

reserve in het ijzeren-voorraad-systeem -, waarvan de

dotatie jaarwinstbepalend is
3).
Zowel in de Leidraad

als in de jurisprudentie, die de zeer ”age bewoordingen

der wet eerst inhoud gaven, is deze reserve dan ook steeds

behandeld, alsof zij volgens goed koopmansgebruik moet

worden opgebouwd, iets dat t.a.v. een
echte
reserve op

zijn minst twijfelachtig is. Zo zou men, om slechts één
voorbeëld te noemen, een echte reserve in verliesjaren

zeker niet doteren.

De betekenis van de wettelijke regeling der reserves is

dan ook niet vanuitbreidende, maar van beperkende aard,

hetgeen mij overigens in strijd met de bedoeling van de

wetgever voorkomt. Wat in het lijzonder de assurantie-

reserve betreft: zij is beperkt tot risico’s die plegen te

worden verzekerd. Goed koopmansgebruik leidt evenwel

tot het zelfde resultaat, omdat slechts de premies voor

risico’s, die in een bepaalde bedrijfstak plegen te worden

verzekerd, een bestanddeel van de kostprijs vormen en

hiermede tot reservering aanleiding kunnen geven. De

verdere beperkingen liggen besloten in art. 9 I.B.: ener-

zijds slechts reservering bij regelmatig boekhouden (waar-

over meer onder de paragraaf ,,Regelmatig boekhouden”),

anderzijds een limitatieve opsomming van de fiscaal toe-

laatbare reserves (H.R. in B’55/82). Ook deze laatste

• beperking komt
mij
onwenselijk voor. Echte reserves

immers doteert men
na
berekening van de jaarwinst,

zodat zij hierop geen invloed kunnen hebben. Waar de

wetgever desondanks dergelijke doteringen in mindering


van de jaarwinst wilde brengen – zoals van de koers-

verschillenreserve bij beleggingsmaatschappijen, van de

egalisatiereserve bij verzekeringmaatschappijen of vroeger

van de N.O.R. – heeft hij dit, terecht, uitdrukkelijk in

de wet vastgelegd. Waar echter goed koopmansgebruik

• de vorming van ,,reserves”
ter
berekening van de jaar-

winst voorschrijft, lijkt het mij onjuist om bij voorbaat

een fiscaal veto uit te spreken. Beter dan van reserves

zou men hier dan ook van voorzieningen kunnen spreken,

term door de H.R. voor de mancorekening gebruikt.

Cf. H. J. Hofstra, t.a.p., blz.
56/57.
Het niet, verzekerende bedrijf zal de bespaarde premie als
kostprijsbepalende factor beschouwen en met dit bedrag het
transactieresultaat drukken.

796

De rampenreserve (art. 11 I.B.).

Deze – voorziening, die bij de bestaande waarderings-

voorschriften voor bedrijfsmiddelen welhaast onmisbaar

is, zou m.i. onder uitsluitend gezag van goed koopmns-
gebruik geheel gemist kuimen worden. Het zou immers

een slechte ondernemer zijn, dié bij rampen ,,gereali-

seerde” reserves, die straks ter vervanging van het teloor

gegane moeten dienen, als verteerbaar inkomen zou be-

schouwen. Goed koopmansgebruik houdt er ook mee

rekening, dat de termijn, die verloopt tussen afstand

resp. verloren gaan van een actief en de vervanging, bij

rampen e.d. langer zal zijn dan bij
vrijwillige
vevreemding.

Overigens vertoont de regeling ook in haar huidige

vorm reeds gebreken. Zo komt mij de beperking tot

lichameij/ke
bedrijfsmiddelen onjuist voor. Ik kan geen

redelijk motief bedenkën, waarom gerealiseerde stille

reserves in rechten van reservering moeten worden uit-

gesloten. De beperking tot bedrijfsmiddelen kont mij bij

de thans mogelijké stelsels van voorraadwaardering eerder

zinloos dan onjuist voor, omdat goed koopmansgebruik,

ook in de gevallen waarin het waarderingssysteem niet

in de vorming van een manco-reserve voorziet, mede-

brengt, dat tegenover bij rampen e.d. gerealiseerde stille

reserves in voorraden voorzieningen worden – getroffen.

Toch lijkt mij de kans niet denkbeeldig, dat uit de bewoor

dingen van art 11 een argument a contrario wordt geput.

Regelmatig boekhouden (artt. 8a,lid
1, 9 en 16, lid 1. le I.B.).

Regelmatig boekhouden met geregelde jaarlijkse af-
sluitingen wordt geëist van die belastingplichtigen, die

investeringsaftrek claimen, de reserves van de artt. 10 en 11

willen opvoeren, hun winst per gebroken boekjaar willen

bèrekenen of verliezen willen compenseren. Deze eis is
vanuit het oogpunt van controle zeer
begrijpelijk.
Zowel

de investeringsaftrek als de dotaties aan genoemde reserves

zijn van bedrijfsdaden afhankelijk, waarvan op ofidubbel-

zinnige wijze uit de boekhouding behoort te blijken, ter-

wijl bij een gebroken boekjaar zonder regelmatig boek-

houden zeer grote winstverschuivingen mogelijk zouden

zijn. Voor zover mij bekend is, heeft bedoeld voorschrift

lange tijd bevredigend gewerkt, omdat aan de boekhouding

geen hogere.eisen werden gesteld, dan voor het controle-

doel, waarvoor de bepaling in het leven werd geroepen,

nodig waren (zie buy. de door mij zeer gelukkig geachte

formulering van de R.v.B. Rotterdam T, B’53/114), De

H.R. heeft echter gemeend uit de wetshistorie te moeten

afleiden, dat de eis der artt. 8a en 9 veder gaat dan ten

behoeve van de controle op de investeringsaftrek nodig is.

Met nme achtte hij een aparte bedrjfskas vereist
(B’57/

135), hoewel door de inspecteur het standpunt van de

belastingplichtige, dat i.c. controle door de fiscus volledig

gewaarborgd was, niet werd bestreden.

Het komt mij voor, dat hiernede het doel dezerwettelijke

bepaling wordt voorbijgestreefd. Hoezeer verantwoording

van privé-disposities op allerlei punten ook van invloed

kan ‘zijn op de controle van de jaarwinst, zo lang de boek-

houding de gegevens verschaft voor de bepaling van de

betrekkelijke fiscale faciliteiten kan een verdergaande eis

slechts discriminerend werken t.a.v. tal van kleine belasting-

plichtigen. In feite wordt in deze gevallen een fiscaleanctie

ingestéld op het niet-hebben van -een zgn. regelmatige

boekhouding, waarvan het belang in het buiten-fiscale

vlak ligt, en ik betwijfel ten zeerste. of de ‘wetgever een

dergelijke sanctie bepaaldelijk heeft gewild.

Het is daarom wenselijk, dat de wetgever zich ook

omtrent de aan de boekhouding te stellen eisen opnieuw

gaat beraden. Waar een behoorlijke bedrijfsadministratie

niet slechts voor de controle van de in de artt. 8a, 9 en 16

bedoelde faciliteiten van belang is, maar o.a. ook bij het

toezicht op de moderne waarderingsmethoden, gaan mijn
gedachten in de eerste plaats uit naar een voor het gehele

winstbegrip geldend soepel voorschrift, dat aan de rechter

voldoende vrijheid laat om de individuele en fëitelijke

omstandigheden in aanmerking te nemen.

Artikel 20 I.B.

De ontwikkeling van het winstbegrip na 1950 brengt

met zich, dat de redactie vanart. 20 lid 1 niet meer aan

de bedoeling van het voorschrift beantwoordt. Bij de

moderne waarderingssystemen kunnen bij beëindiging

van het bedrijf grote stillè reserves ook in voorraden ge-

realiseerd worden, een geval dat zich onder art. 10 (oud

I.B.) slechts bij uitzondering kon voordoen. De ratio van

de uitzondering voor voorraden was, dat, waar deze

doorgaans elk jaar worden omgezet, het tijdstip moeilijk

te bepalen is, waarop normale verkoop in liquidatie over-

gaat. Dit bezwaar kan deels worden weggenomen door een

algemene regel inzake de boekhouding als bedoeld in de

‘orige paragraaf, terwijl anderzijds een wijziging van

art. 48 (zie hieronder) de kans op een relatief te geringe

belasting zou verkleinen. In beginsel echter komen ook

liquidatiewinsten op voorraden, welke thans in vele jaren

kunnen ontstaan en (meestal) ten gevolge van het stijgend

prijspeil, voor een proportioneel tarief in aanmerking.

Verder lijkt mij een bescheiden uitbreiding van art. 20

tot andere winstbestanddelen wenselijk. Ik heb hierbij

speciaal het oog op winsten, die – al of niet i.v.m. vroeger
gemaakte fouten – tot uitdrukking komen n.a.v. gewijzig-

de rechtsopvattingen. Door de H.R. zijn deze in een spre-

kend geval
(B’55/158)
onder art. 7 lid 2 gebracht, waarvan

de tekst zich, anders dan die van art. 20, hiertegen niet

verzet. Dergelijke gevallen komen meer Yoor, veelvuldiger

naarmate de jaarwinst sterker door het uit zijn aard

dynamische goede koopmansgebruik wordt bepaald.

Het is mij bekend, dat de arresten van de H.R. inzake

kasstelsel en waardering van onderhanden werken voor de

fiscus aanleiding waren om verandering van vroeger stil-

zwijgend aanvaarde stelsels te eisen. Hierbij werden op
meerdere jaren betrekking hebbende winstbestanddelen

in één jaar progressief belast, terwijl het Departement op

verzoeken om toepassing van art. 48 afwijzend heeft

beschikt. Waar dus de hardheidsclausule onbevredigend

blijkt te werken, lijkt mij wetswijziging wçnselijk
4).

Tevens kan hiermee bereikt worden, dat bedoelde voor-

delen niet meer onder art. 7 lid 2 gebracht kunnen worden,

welk artikel voor deze gevallen een te groot voordeel

inhoudt.

Artikel 48 I.B.

De alleszins gerechtvaardigde wens naar belasting-

besparing heeft bij de belastingplichtigen tot de meest

vreemdsoortige manipulaties geleid, die ten doel hadden

het zgn. normale inkomen beneden de grens te brengen,

waarbij over de laatste f. 600 20 pCt. belasting wordt

geheven. Een onuitputteljke en onverkwikkelijke bron

4)
Waar gedragswijzen ten gevolge van wetsveranderingen
gewijzigd moeten worden, kunnen hierbij optredende nadelen
door overgangsbeschikkingen worden opgevangen. Waar veel-
vuldige wijzigingen op grond van de jurisprudentie verwacht
mogen worden, komt een in de wet zelf ingebouwde soepele
overgangsregeling juist voor.

van wrijvingen met de fiscus is hiermede gegeven, hetgeen

op zichzelf al schadelijk is voor de fiscale moraal. Minstens

even bedenkelijk is echter uit het oogpunt van een recht-

vaardige lastenverdeling, dat belastingplichtigen, welker

inkomen -aan de top normaliter met 60-724 pCt. wordt

belast, door een overigens geheel legaal gebruik van de

wettelijke
mogelijkheden
erin slagen, enorme winsten met

een aderlating van 20 pCt. binnen te halen. Deze onge-

wenste toestand is te verhelpen door art. 48 in dier voege

te wijzigen, dat het proportionele tarief bepaald wordt

uit het gemiddelde marginale heffingspercentage van de

laatste
drie
jaren
5).

Varia.

Telkens weer komt men in de praktijk gevallen tegen,

waarbij men het betreurt dat een wettelijke regeling

ontbreekt, zodat ook een na rijp beraad genomen besluit

of gegeven advies nog geenszins zekerheid biedt. Zo is

bijv. alles wat zièh rondom firma’s afspeelt (toe- en uit-

treden van firmanten, winstverdeling, kapitaalverhouding,

verbiïjvings- en overnamebedingen) een telkens terug-

kerende, vrijwel onoplosbare puzale. Indien men echter

bedenkt, hoe veelvuldig hier de maatschappelijke schakerin-

gen en de op grond van commerciële en familieverhoudin-

gen onmisbare variaties zijn, dan komt het mij voor, dat

een toch altijd generaliserend werkende wettelijke regeling

van twee kwaden het ergste zou zijn. Wellicht kunnen wij

ook hier het beste vertrouwen in een redelijke uitwerking

der materie door de H.R., die helaas slechts zelden gelegen-

heid krijgt om zich over deze onderwerpen uit te spreken.’

Hetzelfde geldt voor de befaamde stamrecht-kwestie.

Met zijn arrest van 10 april 1957, no. 13104, heeft de H.R.

de weg gewezen, waarlangs enerzijds dubbele belasting-

heffing kan worden vermeden- en anderzijds rechten op

blijvende periodieke uitkeringen niet voor onbepaalde

tijd buiten de heffing blijven, doch hierin uiterlijk bij dë

eindafrekening worden betrokken.

Indien inderdaad een wijziging van art. 48 in de toe-

komst het op kunstmatige wijze bereiken van het 20 pCt.-

tarief zal verijdelen, dan zullen ongetwijfeld de verzoeken

om zgn. geruisloze inbreng in een n.v. toenemen. Voor

zover mij bekend, is in het verleden van de resolutie

B. 8462 een bevredigend gebruik gemaakt. Mocht men

echter van mening zijn, dat afhankelijkheid van een

departementale gunst in deze minder ‘gewenst is, dan- zou

een regéling als in art. 18 lid 2 Vpb. in de I.B. kunnen

worden opgenomen.

Op de wenselijkheid van de investeringsaftrek, een

uitsluitend op het welvaartsbeginsel gebaseerde objectieve

vrijstelling, zal in deze beschouwing over de technische

merites van ons winstbegrip niet nader worden ingegaan.

Ondanks de ingewikkelde wettelijke regeling is bij de

uitvoering bij mijn weten niet van onaanvaardbare inter-

pretaties gebleken. Persoonlijk ben ik van mening, dat

het in overeenstemming met de bedoeling van deze facii-

teit zou zijn, als de bijtelling t.a.v. een verkocht bedrijfs-

middel nooit het bedrag van de hiervoor verkregen aftrek

zou mogen overschrijden.

Hoewel bijzonder gebrekkig geredigeerd, heeft art. 7

lid 2, voornamelijk dank zij de interpretatie door de H.R.,

in de praktijk goed voldaan. Waar dit artikel bedoelt een

afsluiting van ons winstbegrip te zijn en het totale winst-

5)
De vraag, of het maximum van 40 pCt. wel in o’ereen-
stemming is met de tariefopbouw der I.B., blijft hier, evenals in
het algemeen de hoogte der tarieven, buiten beschouwing. –

797

Aan de hand van de per kwartaal gepubliceerde

cijferoverzichteii over de gang van zaken bij d
gezamenlijke Ievensverzekeringbedrijven geeft
schrijver eeiï beeld van de ontwikkeling in deze

bedrijfstak gedurende het eerste halfjaar van 1957.

Het premie-inkomen is t.o.v. het vorige jaar niet
in die mate gestegen als in voorgaande jaren het

geval was. In deze periode kwam voor bijna

f. 100 mln. meer aan nieuwe verzekeringen tot

stand als in dezelfde periode van het vorige jaar.
In relatieve zin tekent zich intussen toch een ver-

traging af van het tempo, waarmede de produktie

de laatste jaren toeneemt. Ten slotte bespreekt

schrijver de gepubliceerde cijfers met betrekking

tot de uitkeringen aan polishouders en de stand
van de beleggingen; deze zijn in dit halfjaar bo-

ven de grens van f. 6 mrd. uitgekomen.

In tegenstelling tot vroeger jaren is het tegenwoordig

usance, dat aan het einde van de tweede maand, volgend

op een verstreken kalender-kwartaal, van de zijde van

het levensverzekeringbedrijf door tussenkomst van zijn

voorlichtingscommissie een cijferoverzicht wordt gepubli-

ceerd over de gang van zakenbij de gezamenlijke levens-

verzekeringmaatschappijen gedurende de afgelopen kwar-

Levensverzekering

in het

eerste halfjaar 1957

taalperiode. Bedoelde cijfers hebben betrekking op vier

rubrieken, te weten:

1.
de ontvangen premiën en koopsommen,
aangeVende

de omvang van de spaargelden, die langs de weg van het

zgn. contractueel of gebonden sparen – zulks ter onder-

scheiding van het spontaan of vrijwillig sparen bij spaar-
banken – bij het levensverzekeringbedrijf terecht komen;

(vervolg van blz. 797)

begrip moet realiseren, kan het slechts verblijden, dat het

ook als zodanig door de H.R. gehanteerd werd.

– Samenvatting.

De naar voren gebrachte wenselijkheden zijn voor het

merendeel een pleidooi voor ruim(er) baan voor goed

koopmansgebruik. Aan de argumenten zou ik nu nog

één willen toevoegen, dat van geheel andere aard is.

In zijn meer geciteerde rede verzuchtte Hofstra
3),

dat de ,,commerciële praktijk in vele ondernemingen.

herhaaldelijk verder van gezonde bedrijfseconomische

opvattingen omtrent het winstbegrip verwijderd blijft dan

het fiscale winstbegrip”. Nochtans komt men, vooral

buiten de vakliteratuur, steeds weer de, soms niet geheel

van demagogie vrije stelling tegen, dat de fiscale winst-

berekening onvoldoende rekening houdt •met moderne

bedrijfseconomische opvattingen en hierdoor belemmerend

werkt op de ondernemersactiviteit. Deze zienswijze komt

mij in haar algemeenheid ongegrond voor en de in het

voorgaande voorgestâne wetswijzigingen betreffen dan

ook praktisch alleen detailpunten, die – zeker in het

licht van ons totale winstbegrip – van slechts relatief

belang zijn. Juist daarom
kan
de wetgever echter over,

op zich zelf begrijpelijke, bezwaren. tegen een ruimer

winstbegrip heenstappen. Dit zou ten bate komen aan eèn

niet te onderschatten goed in onze maatschappij: de

fiscale moraal. Kritiek, die dn nog zou
overblijven,
zou

zich niet meer kunnen richten tegen Regering en Volks-

vertegenwoordiging, maar zou geargumenteerd onder-

worpen kunnen worden aan het oordeel van de onafhan-

kelijke rechter.

6)
T.a.p., blz. 67.

Bij bovenstaande uiteenzettingen heb ik mij beperkt

tot een in het licht van de omvangrijke jurisprudentie en

literatuur wel zeer schematische beschouwing. Verwijzingen

naar andere opvattingen, die een dieper ingaan op allerlei

argumenien vereist zouden hebben, bleven zo veel mogelijk

achterwege.

Samenvattend kan mijn verlanglijst thans nog artikels-
gewijs worden weergegeven; hiermee wordt niet beoogd

een sluitende wettekst te geven, doch slechts een over-

zicht, dat bij de gedachtebepaling van dienst kan zijn:

art. 6
ongewijzigd (met voorbehoud t.a.v. lid 2);

art. 7
lid 1:
de jaarlijkse winst wordt bepaald volgens

goed koopmansgebruik;

lid 2:
ongewijzigd;

lid
3
voor zover de ter berekening van de jaarwinst

vereiste gegevens niet op duidelijke
wijze
uit de boek-

houding van de belastingplichtige blijken, rust op

hem de volledige bewijslast;

artt. 8 t/m 11:
vervallen (met voorbehoud t.a.v. ver-

vroegde afschrijving en investeringsaftrek);

art.
20 lid 1:
winst, behaald met of bij het overdragen of

liquideren van een bedrijf, of een gedeelte ervan, dan

wel ten gevolge van gewijzigde rechtsopvattingen,

wordt, op daartoe gedaan verzoek, belast op de voet

van art. 48;

lid 2
en,3:
ongewijzigd;

art. 48,
tweede zin: de belastingvoet voor deze inkomsten

is alsdan het gemiddelde percentage, dat geheven

wordt van de laatste 600 gulden van het volgens de
tabel belaste gedeelte van het zuiver inkomen in de

laatste drie jaren.

Amsterdam.

D. BRÛLL.

798

(ALvertentte)

2.
de produktie aan nieuwe verzekeringen,
vormende een

afspiegeling van de mate, waarin het Nederlandse volk

uitsluitend
hier te lande
afgesloten verzekeringen zijn in

de produktietelling opgenomen – aan de toekomst-

verzorging via de levensverzekering deelneemt;

3.
de uitkeringen,
waarmede de betekenis van de levens-

verzekering uit een oogpunt van bezitsvorming en risico-

dekking tot uiting wordt gebracht. De uitkeringen zijn als

volgt onderverdeeld:

kapitaaluitkeringen wegens overlijden van de ver

zekerden;

kapitaaluitkeringen op grond van het bereiken van de

expiratiedaia van de polissen;

C.
rente- en pensioenuitkeringen.

Hieraan is een vergelijking toegevoegd van de som der

betaalde premiën op verzekermgscontracten, waarvan

wegens overlijden van de verzekerden binnen twee jaar

na het tot stand komen van de polissen de verzekerde

bedragen reeds opeisbaar werden, met de waarde van de

op die polissen te verrichten uitkeringen;

4.
de stand der beleggingen,
welke een indruk verschaft

van de wijze, waarop de ontvangen gelden zijn belegd en

de onderlinge verhouding van de verschillende beleggings-

soorten aangeeft.

De grote verdienste van de geregelde verschijning van

deze kwartaalberichten is, dat daardoor de mogelijkheid

is geopend, de ontwikkeling van het levensverzekering-

bedrijf op de voet te volgen en een actueel beeld te krijgen

van de tendenties, die zich tegen de achtergrond van de

sociaaleconomische verhoudingen van ons land, bij deze

voor onze volkshuishouding belangrijke bedrijfstak voor-

doen. Het spreekt vanzelf, dat men aan de cijfers slechts

een voorlopig karakter kan toekennen. Voor definitieve

gegevens is het jaarverslag van de Verzekeringskamer de

aangewezen bron van informatie.

Dit verzamelverslag van de Verzekeringskamer vormt

steeds een belangwekkend document. Daarin wordt op

grond van de door elk der maatschappijen afzonderlijk

uitgebrachte verslagen, welke krachtens wettelijk voor-

schrift véör 1juli bij de Kamer ingeleverd moeten worden,

een volledige analyse van het gezamenlijke bedrijf ge-

geven. In verband met de aan de samenstelling verbonden

werkzaamheden, die in hoofdzaak eerst nâ de indienings-

datum van 1 juli afgerond kunnen worden, kan het ver-

slag echter niet eerder dan ver in de tweede helft van het
jaar,
volgend
op het jaar, waarop het rapport betrekking.

heeft, het licht zien. Het bezwaar, dat de daarin opgenomen

cijfers niet ,,up to date” (kunnen) zijn, is sedert de ver-

schijning van de driemaandelijkse dverzichten, luisterende

naar de naam ,,De Telstrook” – op Amerikaans voor-

beeld, waar een soortgelijke publikatie ,,The Tally” door

het ,,Institute of Life Insurance” te New York wordt

uitgegeven – ten aanzien van enkele essentiële punten

in de ontwikkelingsgang der levensverzekering, zij het

semi-officieel, opgeheven. Daarnaast bieden de overzichten

het grote voordeel dat nu, wat vroeger als een gemis werd
gevoeld, op basis van de kwartaalgegevens, vergeljkingen

met overeenkomstige perioden uit vorige jaren gemaakt

kunnen worden.

Uit onze, in ,,E.-S.B.” van 19 september
1956
opge-

‘nomen, beschouwing over de ontwikkeling van het levens-

verzekeringbedrijf is bekend, dat door een van jaar tot

jaar
stijgende
toevoer van nieuwe verzekeringen de levens-

verzekering in de na-oorlogse tijd een opmerkelijk grote

vlucht heeft genomen. Dit groeiproces voltrok zich onder

opgaande conjuncturele omstandigheden. Nu als gevolg

van een naar verhouding te sterk toegenomen bestedings-

peil de economische positie van ons land sedert de tweede

helft van 1956 een grondige verandering heeft ondergaan

en de situatie met name in het eerste halfjaar 1957 aanzien-

lijk minder gunstige aspecten vertoont dan in de overeen-

komstige periode van 1956, is het interessant na te gaan,

in hoeverre zulks zijn weerslag. heeft gevonden in de door

het levensverzekeringbedrjf behaalde resultaten.

Premie-ontvangsten.

In de eerste zes maanden van 1956 ontvingen de ge-

zamenlijke maatschappijen van haar verzekerden aan

premiën en koopsommen in totaal f. 364,2 mln., in het-

zelfde tijdvak van 1957 echter f. 372,9 mln., derhalve f. 8,7

mln. meer. Op zichzelf genomen is het een verheugend

symptoom, dat juist in een tijd, waarin tot herstel van het

verbroken evenwicht op het grote belang van het sparen

meer dan ooit het accent dient te worden gelegd, de be-

sparingen via premiestortingen op levensverzekering-

polissen een opwaartse richting vertonen.

Niettemin moet worden geconstateerd, dat het premie-
inkomen in de eerste helft van 1957 ten opzichte van het
vorige jaar niet in die mate is gestegen als in voorgaande

jaren in de eerste zes maanden het geval is geweest, zoals

onderstaande tabel, welke op de laatste vijf jaren betrek-

king heeft, laat zien.

Premie-ontvangsten

Premie-ontvangst
Toeneming t.o.v. het
Jaar
eerste halfjaar
voorgaande jaar
(in mln, guldens)
..

(in mln, guldens)

1953
266,5
.

25,5
1954
294,8 28,3
1955
320,7
25,9
1956
364,2
43,5
1957
372,9
8,7

Ter oriëntering en ten bewijze dat de levensverzekering

als spaarmethode op steeds ruimer schaal toepassing is

gaan vinden, diene, dat het premie-inkomen in het eerste

halfjaar 1957 op hetzelfde niveau ligt als dat in 1948 over

een geheel
jaar, toen blijkens het verslag van de Verzeke-

ringskamer voor een totaal van f. 374 mln, aan premiën

werd ontvangen.

Produktie.

De door het Centraal Bureau voor de Statistiek over de

eerste helft van 1957 verzamelde gegevens betreffende de

799

binnenlandse produktie van nieuwe verzekeringen bij de
Nederlandse en buitenlandse maatschappijen tonen aan,

dat in de eerste zes maanden van dit jaar voor bijna f. 100

mln: meér aan nieuwe verzekeringen is tot stand gekomen

dan in dezelfde periode van het vorige jaar. Dit resultaat

wérd bereikt onder van het eerste halfjaar 1956 sterk

afwijkende verhoudingen. In de eerste plaats was er in

het begin van 1956 nog geen spoor te bekennen van de
op handen zijnde omslag in de financieel-economische

situatie van ons land, terwijl voorts de Algemene Ouder

domswet, welke met ingang van 1 januari 1957.voor de

niet-bejaarden het perspectief heeft geopend op een

bescheiden basisinkomen bij het bereiken van de 65e

verjaardag, toen nog niet bestond.

Dat ondanks de sedert vorig jaar gestegen kosten van
levensonderhoud, de verschillende prijsverhogingen als

uitvloeisel van de reeds ingevoerde bestedingsbeperkende

maatregelen en het niet volledig compenseren van de
premieheffing voor de Algemene Ouderdomswet een

produktiesurplus van rond f. 100 mln, is genoteerd, wijst

er op, dat de materiële zorg voor de toekomst ons volk

nog steeds ter harte gaat. In dit verband mag worden aan-

genomen, dat de Algemene Ouderdomswet, waarvan de

te zijner tijd te verwachten uitkeringen slechts in de aller

noodzakelijkste levensbehoeften voorzien, voor velen een

aansporing is geweest – en nog is – om dooi middel van

âanvullende verzekeringen een volledige oudedagsverzor-
ging op te bouwen.

Opmerkelijk is dat,
terwijl
de produktie in de eerste

drie maanden van 1957 bij die in dezelfde periode van

1956 met f.’ 30 mln. ten achter bleef, deze inzinking in het
tweede kwartaal volledig werd overwonnen. Zelfs trad een

zodanig herstel in, dat uiteindelijk de resultaten van het

vorige jaar door die van dit jaar ruimschoots werden

overtroffen. Zulks neemt intussen niet weg, dat zich in

relatieve zin toch een vertraging in het tempo, waarmede

• de produktie de laatste jaren toeneemt, aftekent. Op basis

van de C.B.S.-gegevens bedroeg de produktiestijging in

1956
ten opzichte van 1955 12 pCt., de procentuele toe-
neming’in de eerste helft van 1957 in vergelijking tot de

eerste zesmaandelijkse periode van 1956 ‘bedraagt echter

slechts
5,6.
Wel dient bij de beoordeling van dit verschijn-

sel in aanmerking te worden genomen, dat de produktie

aan het begin van
1956,
welke onder invloed stond v’an

de in het najaar 1955 tot stand gekomen verruiming van

de aftrekbare grens van lijfrentepremiën tot f. 3.600 per

kalenderjaar, een bijzonder hoog peil bereikte. Een – derge-

lijke produktie-stimulerende factor ontbrak dit jaar.

In de drie branches kapitaal-, rente- en volksverzekering

tezamen werd in het eerste halfjaar van 1957 voor een

totaalbedrag van f. 1.870,5 mln. (v.j. f. 1.771,2 mln.)
aan nieuwe posten ingeschreven, in welk bedrag ook

de
collectieve
verzekeringen, omvattende door het bedrijfs-
leven getroffen en bij de levensverzekeringmaatschappijen

ondergebrachte pensioenvoorzieningen ten behoeve van
personeelsleden en hun gezinnen, zijn begrepen. Van de

onderverdeling geeft onderstaand overzicht een beeld.

Verzekeringsproduktie


1956
1

1957
branche,
ln,
in m

‘1
in pCt.
in mln.

in pCt.
guldens
guldens

kapitaalverzekering

(individu-
eel en collectief tezamen)
819,5 46,3
823,1
44,0
renteverzekering

(individueel
en collectief)

………….
835,1
1
47
,
1

923,1
49,4
volksverzekering
…………
116,6
..
6,6
124,3
6,6
totaal

…………..
1.771,2
..
100,0
1.870,5
100,0

In vergelijking tct het vorige jâar is de produktie van

kapitaalverzekeringen in absolute zin praktisch gelijk

gebleven. Relatief ging zij achteruit: De renteverzekeringen

daarentegen vertonen zowel absoluut als verhoudings-

gewijs een belangrijke vooruitgang, welke voor een voor-

naam g’deelte op rekening van de collectieve personeels-
verzekering kan worden gesteld.

Uitkeringen.

Het ttaal der in de eerste helft van 1957 door het ge-

zamenlijke bedrijf gedane uitkeringen aan polishouders
resp. begunstigden omvatte een bedrag van bijna f. 108

mln., overeenkomende met een gemiddelde van f. 18 mln.,

dat maandelijks vanuit de kassen der levensverzekering-

maatschappijen tot versterking van de materiële positie

van individu en gezin in onze nationale samenleving

is teruggevloeid.

Met de uitkeringen na overlijden was een iets lager

bedrag dan in 1956 gemoeid nl. f. 17,8 mln, tegen f. 19,1

mln. verleden jaar. De uitkeringen op de expiratiedata
van polissen alsmede de rente-uitkeringen, waaronder

behalve de klassieke lijfrenten en oudedagspensioenen

ook ‘de zgn. risicorenten (weduwen-, wezen-, ideaal- en

opvoedingsrenten e.d.) vallen, zijn toegenomen, zoals uit

de navolgende tabel blijkt.

Uitkeringen aan polishouders en begunstigden

1956

1

1957
uitkering

in pCt.

in pCt.

wegens overlijden
………..
..19,1

18,9

17,8

16,5

op de afloopdata
………..
..39,2

38,6

41,5

38,5
aan diverse soorten rente . . .

43,1

42,5

48,4

45,0

totaal
…………..
101,4

100,0

107,7

100,0

Alvorens tot acceptatie van verzekeringen, welke een

risico-element bevatten, over te gaan, zal de levensverzeke-

ringmaatschappij er zich eerst van overtuigen, dat ergeen

medische
l
bezwaren zijn. Dat een gunstige beoordeling

van de levenskansen nog geenszins een waarborg is voor

een lange levensduur blijkt uit het feit, dat in de eerste

zes maanden van 1957 van 2:131 polissen de uitkeringen

opeisbaar vrerden op een ogenblik, dat de betrokken

verzekerden reeds binnen twee jaar nadat zij de verzekerin-

gen afsloten, kwamen te overlijden. De in die twee jaar

bij de maatschappijen gestorte premiën bedroegen rond

f. 215.000 waartegenover in ttaal een uitkering van bijna

f. 2,2 mln. zal moèten worden verricht, d.wz. tien maal

zoveel als ontvangen is. Deze verhoudingscijfers accen-

tueren wel heel duidelijk de belangrijkheid van de risico-

dragende functie, welke het levensverzekeringbedrijf in

onze samenleving vervult.

Beleggingen.

Het totaal der beleggingen is in de periode van 31

december 1956 tot en met 30 juni 1957 met f. 304,1 mln.

toegenomen en door een stijging van f. 5.811,2 mln, tot

f. 6.115,3 mln, tot boven de grers van f. 6 miljard uit-

gekomen, met welk indrukwekkend bedrag het levens-

verzekeringbedrijf in de rij der institutionele beleggers een

vooraanstaande plaats inneemt. Leningen op schuld-

bekentenis maken met 50,5 pCt. iets meer dan de helft

van het belegde vermogen uit. De tweede plaats wordt
ingenomen door de post ,,Hypotheken” (19,1 pCt.). De

,,Inschrjvingen in het Grootboek en Schuidregister”

bezetten de derde plaats (1 l pCt.). De vierde beleggings-

post wordt met 9,2 pCt. van het totaal door de effecten

800

(obligaties en aandelen) gevormd. Het bezit aan vaste

eigendommen bedraagt 7,1 pCt.

De verdeling van het belegde kapitaal naar de aard der

beleggingen alsmede de mutaties, die zich in het afgelopen

halfjaar hebben voorgedaan, zijn in onderstaand overzicht

aangegeven.

Belegd kapitaal

Soort belegging

Balanswaarde
Stijging of daling
(in mln.
per 31 dec.
1
per 30 juni
1956

1

1957
guldens)

(in mln, guldens)

..
432,0
+
23.8
rr
hypotheke

………………..
1.100,8
1167,3
+
66,5
579,9
560,6
-.-
19,3
leningen op schuldbekentenis
2.872,0
3.090,0
+
218,0

vaste eigendommen ……………408,2

schatkistbiljetten en promessen
. . .
0,3
1,3
+
1,0

effecten

………………………

inschrijvingen Grootboek en Schuld-

..

690,7 675,7
-.
15
1
0
register

………………….
..
polisbeleningen
………………
.73,9
75,9
,
+
2,0
overige beleggingen
…………….
85,4
112,5
+
27,1
totaal
……………..
.5.811,2

1

6.115,3

1

+ 304,1

Hoe onder de huidige omstandigheden de situatie zich

in de naaste toekomst bij het levensverzekeringbedrijf ver-

der zal ontwikkelen dient te worden afgewacht. De in het

eerste halfjaar van 1957 bereikte resultaten rechtvaardigen

intussen de verwachting, dat die van
1956
zullen wordeii

overtroffen.

Rotterdam.

J. B. BOOIJ.

J.
Walter Thompson Conipany: The Western European

Markets. Mc. Graw-Hili Book Company, Inc., New

• York 1957, XI + 287 blz.,’ $ 18.-. –

Dit derde deel in de serie handboeken over wereld-

markten, uitgegeven door ‘de bekende Amerikaanse reclame-

maatschappij, bevat gegevens voor 20 Europese landen over

bevolking, produktie, nationaal inkomen en kapitaal-

vorming, consumptie, landbouw, in- en uitvoer, radio en

televisie, telefoons, automobielen, enz. De gegevens zijii

daarbij voornamelijk ontleend aan de statistische publika-

ties van de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisa-

ties en de Organisatie voor Europese Eonomische Samen-

werking, terwijl voorts ook vele nationale bronnen en

particuliere’handboeken zijn geraadpleegd. De waarde van

dit derde deel ligt o.i. vooral hierin, dat nu voor de eerste

maal getracht is een prettig leesbaar alomvattend statistisch

beeld te geven van geheel West-; Noord-West-, Zuid- en

Zuid-Oost-Europa (gemakshalve West-Europa genoemd).

Het feit, dat enkele belangrijke gegevens zoals bijv. over de

woningbouw en de b’uwbedrijvigheid ontbreken, 6mdat

deze nog niet voor alle 20 landen beschikbaar zijn, is
daarom misschien niet zo ernstig als dit op het eerste

gezicht zou lijken.

De inleidende hoofdstukken geven een ,,bird’s-eye

view” van geheel West-Europa. De totale bevolking is
thans 335 mln., d.i. 12,4 pCt. van de wereidbevolking.

De bevolkingsgroei is betrekkelijk gering: 0,84 pCt. per

jaar. Het totale bruto-nationale produkt bedroeg $ 231 mrd.

(in
1955),
de totale kapitaalvorming $ 39,5 mrd. De totale

invoer van alle 20 landen tezamen bedroeg, eveneens in

1955, $
40,5
mrd., tegenover een totale uitvoer van $ 34,8

mrd. In het algemeen waren te weinig gegevens over het

distributie-apparaat en het reclamebedrijf beschikbaar om

ook hiervoor samenvattende cijfers te kunnen geven.

• .

.’

. .

.

.

.

..

.

,, ,.

.•

.••
.

De industriële produktie blijkt sneller te stijgen dan de

produktie van priinaiie energie. In 1955 bedroeg de energie-

produktie 612 mln, ton steenkolen-equivalent, en de totale
energieconsumptie 764 mln, ton. Het verschil tussen beide

totalen neemt nog Steeds toe. De produktie van ruwe

petroleum is tussen 1948 en 1955 gestegen van 2,15 mln.
ton tôt 9,12 mln, ton. Tochdekte zij in het laatstgeno’mde

jaar nog slechts 10,5 pCt. van de consumptie van petroleum-

produkten.

Een vergelijking van de cijfers voor Nederland met die

van alle 20 landen leidt tot enkele belangwekkçnde con-

clusies. De bevolkingsdichtheid
(859
per vierkante mijl) is

verreweg de hoogste van geheel Europa. De bruto-kapitaal-

vorming, uitgedrukt als percentage van het bruto-nationaal

produkt, ligt voor Nederland (met 23 pCt.) belangrijk boven

het Westeuropese gemiddelde (16 pCt.). Het aandeel van

Nederland in de totale invoer van de 20 landen bedraagt
7,9 pCt.; voor de uitvoer was dit percentage 7,7 pCt. (in

1955).
Wat de buitenlandse handel per hoofd der bevolking

betreft, wrden de cijfers voor Nederland alleen iets over

troffen door die voor België-Luxemburg, IJsland en Zwits’er-

1and Het aantal automobielen per 100 inwoners ligt voor
,

Nederland belangrijk beneden het gemiddelde voor, geheel

West-Europa. Het aantal telefoons per 100 inwoners
,

blijkt in de Scandinavische landen ‘hoger te zijn dan hier
te lande (Denemarken 20,1, Noorwegen 17,2 en Zweden

30,4, tegenover Nederland 10,3 telefoons per 100 inwoners).

Het grootste deel van het handboek wordt gevormd

door 20 landen-hoofdstukken, plus korte hoofdstukken

voor het. Saarland en West-Berlijn. Een slothoofdstuk’

bevat inlichtingen over interregionale groeperingen, zoals

de Benelux; vergelijkende cijfers over de kosten van het
levensonderhoud (Washington D.C. = 100); schattingen

over uitgaven voor reclame, jaarbeurzen, enz.

Voor een eerste’ oriëntering van geheel West-Europa

volgens vergelijkbare indelingen der gegevens is dit hand-

boek ongetwijfeld zeer nuttig.
‘s.Gravenhage.

Dr. J. B. D. DERKSEN.

De geldmarkt.’

De geidmarkt onderging gedurende de verslagweek

weinig verandering. In verband met het begin van de

nieuwe september/oktober kasreserve-periode, waarvoor

het minimum-kaspercentage door de Centrale Bank
op
6 pCt. werd gehandhaafd, waren de banken er op uit,

hun tegoeden bij deze instelling te versterken. Dit bracht

mede, dat er nogal wat cailgeld werd opgezegd; de cali-

rente werd daarom verhoogd van
3+
tot 33 en vervolgens

tot’4 pCt.De nood der gemeentefinanciën heeft ook de

‘callmarkt niet onberoerd gelaten. De ‘Bank voor Neder-
landsche Gemeenten treedt nl. de laatste maanden, naar

men iii geldmarktkringen meent zelfs op vrij grote schaal,

op als kredietneemster in deze markt, waarbij zij bereid

is een flinke rente te betalen. Wellicht houdt hiermede

verband het geluidloos en vrij roemloos vrscheiden

tijdens de afgelopen zomer van de officiële callgeldrente

van 1f pCt., die zolang als een (overigens nominale)

herinnering aan weleer was gehandhaafd.

Nadat de Schatkist, zij het niet zonder internationale

stunts, vier weken lang op een positief tegoed bij De

Nederlandsche Bank had kunnen bogen, stond zij op de

1.

801

-.
t.

weekstaat van 23 september weer in de rode cijfers. In

het spel van elkaar toeschuiven van liquiditeitstekorten

tussen bankwezen en Staat, trok thans latstgenoemde

weer eens aan het kortste eind. Door schade en schande
de laatste jaren wijs geworden, laten de bankèn zich nI.

monenteel niet zo gemakkelijk meer verleiden om zich

te over-eten aan nieuw schatkistpapier, hoe aanlokkelijk

de daarmede te maken rente ook is. Zo leverde de vorige

inschrijving op nieuwe promessen bij de Agent slechts

f. 38 mln. op, terwijl er omstreeks de stortingsdagen ca.

f.
140 mln, papier afliep. Bij de jongste
inschrijving,
op

27 september (storting 1 oktober), waarbij driemaands

schatkistpromessen tegen ëen disconto van 4 7/8 pCt.

werden aangeboden, meldden zich kopers voor f. 57 mln.

aan; begin oktober loopt echter ca. f. 150 mln, oud

papier af.

De kapitaalmarkt.

Op de internationale aandelenmarkten Nias het. de

afgelopen week weer niets gedaan. Wallstreet kwam per

saldo weer lager en bleef nog maar iets boven het in het

begin van het jaar geregistreerde laagtepunt voor 1957.

Het ten tonele voeren van koopjesjagers en dekkings-

aankopen van baissiers ter verklaring van een zich tijdelijk

manifesterend koersherstel sprak boekdelen over de

b’eurssternming. Twijfel, of President Eisenhower’s in-

flatiebestrjdiiigsgeit de conjunctuurkool niet zal verslin-

den, althans lelijk toetakelen, vormt stellig een belangrijke

factor bij de huidige mineur-stemming. Het nieuwste

symptoom hiervan was het uitspreken van vrees vod

lagere bedrijfswinsten in het vierde, nog aan te vangen

kwartaal van 1957; met name is men beducht voor de

oliewinsten.

Ook op de Nederlandse aandelenmarkt tierde het

pessimisme welig, terwijl vermoedelijk baisse-transacties

van de beroepshandel nog wat extra olie op dit vuur

wierpen.
D.
groeiende opinie, dat er althans voorlopig

niets.van devaluaties zal komen – het £ blijft ht £, aldus

de veelszins opmerkelijke uitspraak van de Britse Minister

Thorneycroft in de I.M.F.-vergadering – droeg uiteraard

niet bij tot een herleving van het infiatiesentiment. Zoals

gebruikelijk, was procentueel de daling bij de internationale

fondsen het sterkste. Ook bij de binnenlandse aandelen

waren echter koersverliezen te constateren over een breed

front, variërend vaii de zware industrie, als hoogovens

en werven, tot het lichtere genre, als bijv. Kemo’s Corset-

fabriek.

De obligatiemarkt was eveneens flauw gestemd. De

grote 33- pCt. staatslening 1947, ,vdorheen staffellening

genaamd, ‘die anders in verband met de dagelijkse inkoop

door het Ministerie een rots in de branding vormt, was

aan sterke verkoopdruk onderhevig. Slechts met kunst

en vliegwerk kon het saldo koersverlies dezer. obligaties
tijdens de verslagweek tot 2 punten beperkt
blijven.
Wat

de vooruitzichten op iets langer termijn betreft, hangt de

noodzaak tot het aangaan van grote leningen ten behoeve
van de gemeenten bij voortduring als een dreigende wolk

boven de obligatiemarkt De afgelopen week vormde het

gissen naar de rentevoet van de komende volkslening van

de Bank voor Nederlandsche Gemeenten een druk be-

oefende bezigheid. Er op wijzend, dat 5 pCt. pandbrieven

â 98 worden geëmitteerd, dat een 53- pCt. obligatie-uitgifte

der Hollandsche Disôonteeringsmaatschappij van 1939

niet werd voltekend en dat de Nederlandsche Spoorwegen

bereid zijn 6 pCt. elektriciteitsbedrijven zelfs 63- pCt. te

betalen voor onderhandse leningen, gaf men dit nieuwe
project onder de huidige omstandigheden weinig’ kans,

indien de rente beneden 6 pCt. zou worden gesteld.

De situatie der gemeentefinanciën, die door de Ver-

eniging van Nederlandse Gemeenten in een brief aan de

Regering onhoudbaar wordt genoemd, blijkt deze over-
,heidsorganeri in de praktijk tot een gans ongewone vin-

dingrijkheïd te prikkelen. Zo meldt De Telegraaf, dat een

middelgrote ge’meente in het midden des lands waar een

nijvere burger een prijs van f. 250.000 met. een zeeppoeder-

puzzle won, deze heeft verzocht bij hem een kasgeldlening

te mogen sluiten. Een ander voorbeeld vormt een bericht

in dit blad volgens hetwelk het gemeentebestuur van,
Bloemendaal de’ instelling van een kattenbelasting in

studie heeft genon1n.

Aand. indexcijfers A:N.P.-C.B.S.

13 sept. 20 sept. 27 sept
(1953
=
100)
1957 1957

1957

Algemeen

………………………………
211,8 206,3
199,6
Internat.

concerns

………………..
311,0 302,0
290,3
Industrie

………………………………
141,2 138,7
135,6
Scheepvaart

…………………………
197,6
133,2
132,8
Banken

………………………………
109,6
109,2
108,0
Indon.
.
aand

…………………………
91,7
89,7
87,4

Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
Unilever


……….. ……………………
f. 209,50
t. 199,20 t. 193,40 ‘382’,4
379
360%
Philips

…………………………………
266
264
252
A.K.0.

…………………………………
169½
164
153½
Kon.

N.

Hoogovens

………………
288
285
270
Van

Gelder

Zn.

………………………
182½
179½
179
H.A.L.

…………………………………
154½
153 151
Amsterd.

Bank

………………………
.
196 198
196%
H.V.A.
,

…………………………………
116
111
1
/1
107½

Staatsfondsen


pCt.

N.W.S .

……………………
57%
571% 573/4
3
1
/2

pCt.

1947

…………………………
83
1
,4
82%
80
1
P
(T
.
3’%

pCt.

1955

1

………………………
80% 79%
79%
3

pCt.

Grootboek 1946

……………
81%
81
1
/
4

81%
3 pCt.

Dollarlening

…………………
89
1
/
2

89 87
3
/4

Diverse obligaties
3½ pCt. Gem. R’dam 1937 VI
83
1
/2
83½
85
3% pCt. Bk.v.Ned.Gem.1954 11/111
77
3
/1
75
76
3% pCt. Nederl. Spoorwegen
83
.84
1
/2
85
3%\pCt.

Philips

1948

……………
88
1
%
88
87%
31%
pCt. Westl. Hyp. Bank
82
1
%
76
75

New
York
Aandelenkoersgemiddelde
Dow Jones Industrials
481,0 468,4
456,9

J. C.
BREZET.

RECENTE PUBLIKATIES’

Mr. A. Seret: Uw bedrijf in de ogen van een ander; iets

over public relations voor middelgrote en kleinere be-

drijven.
Publikatie no. 9 van de serie ,,In de roos”,

Uitg. van het Nederlands Instituut voor Efficiency,

‘s-Gravenhage 1957, 23 blz., f. 1,50.

Deze brochure bevat een studie met betrekking tot de

in- en externe contacten van een fictief bedrijf met ruim

100 personeelsleden. De problemen welke bestaan met

betrekking tot het stelselmatig kweken en onderhouden

van goede relaties met de maatschappelijke groeperingen,

waarmede het bedrijf voortdurend in aanraking komt,

worden behandeld. De publikatie eindigt met een tiental

toegelichte adviezen.

Vereniging voor Belastingwetenschap: Stenografisch
verslag

van het debat over het rapport van de commissie tot

bestudering van de juridische en economische aspecten

van de voorrechten van de fiscus, gehouden in de

vergadering van 26 januari 1957. N. Sariisom N.V.,
Alphen aan den Rijn 1957, 25 blz.

802

1
uL1
.
,
U
j.

*

00oS
,j

Nsysrt
oo
E
M

BULL NEDERLAND

ADMINISTRATIE. EN STATISTIEKH (liNE MIJ. N.V.

VL%EG1UIGSTRÂAT 26

M4STERDAM WEST

– –

TELEFOON 80303

a

1


34

001
00 go

Ooo”
3? •3
I3

111
00
0000
V3
33

00
0000

00rJD0
‘c
1 33

1
33 3

333

33
H

4,,
1
2
221

I
69

S

5555

444»444/43n3
333
33
333
3
1
444′

,.

7;?

0777
7
,

»
5
55555555555

.4

7′


4
4:

t

777
7

999g
9
.
9

Praktijkdiploma Belastingrecht
Examen onder Rijkstoezicht
inlichtingen schrift/mond. cursus:
Kraaienlaan 13,
‘S
Gravenhage Tel. 339460
H. BRONS
Jr

MAKELAAR IN ASSURANTIËN

TELEFOON 1119 80*

MAURITSWEG 23

ROTFERDAM

De ECONOMISCIf-TECIjNISCIJE AFDELING der
NJJVJtRJ{EIDSORGANISATIE T.N.O.
vraagt

EEN JONG AMBITIEUS MEDEWERKER,
(ca. 25
jaar) met middelbare opleiding en
verdere ervaring op economisch gebied (cc. bacc.
ec.cand. of M.O. Economie). Bereid zich in te
werken voor de verrichting van techn. ec
. studies,
kostprijkc
alcujatjes etc.
Technische feeling noodzakelijk, enige ervaring
gewenst.
Schriftelijke sollicitaties
te
richten aan het secretariaat
van bovengenoemde afdeling, Julianalaan 134 te Delft.

ANR~

HET BUREAU VOOR GROEPSVERZEKERIN.G

vande

.

,

.• –
– .


NATIONALE LEVENS/ERZEKERING-BANK


-en

DE NEDERLANDEN VAN 1845

vraagt voor de organisatie en acquisitie-op
Jit
terrein van collectieve

pensioenverzekeringen een

ervaren organisator
die na een periode van opleiding en na gebleken geschikt-
heid in aanmerking zal komen
voo
eën zelfstandige. functie
in een belangrijk ressort.

Academische opleiding en

kennis van het levensverzeke-
ringsbedrijf strekken tot, aanbeveling, doch worden niet
vereist.

– .

Leeftijd niet ‘boven
45
jaar.
Honorering en pensioenregeling -overeenkomstig het gewicht
van de
functie.

Sollicitaties met uitvoerige beschrijving van levensloop
en
recente pas-
foto onder letters B.V.G. te richten aan
de
Directie van
de
‘N.V. Levens-
vèrzekering Maatschappij van de Nederlanden van
1845,
Groenhoven-
straat 2, ‘s-Gravenhage.

1

Abonneert U op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie
van:

Prof. P. Hennipman,

A. M. de Jong,

Prof. P. B Kreukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart,

Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
f
22.50;

fr. p. post
f
23.60; voor stu-

denten
f
19.—; fr. per Post

f
20.10.

Abonnementen wordeü aân-

genomen door de boekhandel

en door uitgevers

DE ERVEN F. BOHN

TE HAARLEM

atUw

/f

reisbureau

/

hetU

voorrekenen

liege

n
is

g
oedkoP

da U denkt

!

/

erb

De-‘”74l

lI
g
s
tec
KLM

KON NKLIJKE LUC
AR

/

MAATSCHAPPIJ
T
/J
/

bedrijisvioeren

De Meteoor heeft een nieuw bedrijisvioer programrna

STELCON platen en tegels worden thans gemaakt in drie kwaliteiten:

fl0.

1

1
– deklaag van staalbeton

Heavy-Duty

fl0.
2


zeer harde minerale deklaag

fl0..
3


basaitdeldaag

II

drie kwalitei*en – drie prijzen

Jd
‘t de juiste vloer op de juiste plaats

N.V. Betonfabriek de Meteoor De Steeg •
Tel: 08302-3344

Bouwcentrum

Rotterdam

Auteur