Ga direct naar de content

Jrg. 41, editie 2016

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 8 1956

0

/
Econom isch
m
Statistis’ che’.

B e r
i eh’
t e’n,

Afbetaling in Amerika

*

Drs. J. Bosch

Automatisering

*

Mr. Ph. .C. M. van’ Campei

De landbouw en de algemene

welvaartsontwikkeling

*

F. J. G. Schrijver.

Karteli’egelingen inzake het op termijn-

betaling aanbieden van merkartikelen ‘
/

‘Prof.’ Dr. A. Kraai

Economische kroniek van Indonesië

*

G.
C.
A. Mulder B.Sc., Ps.D.

– Surinaamse kanttekeningen

UiTGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INST.ITUUT-‘

41e JAARGANG

‘ No.2016

WOENSDAG 8 FEBRUARI 1956

1′

H. BRONS Jr

MAKELAAR IN ASSURANTÏËN

R. Mees & Zoonen
Bankiers en
Assurantie-makelaars.

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenhage

Delft – Schiedam

Vlaardingen

Albiasserdam

verlenen gaarne hun

goede diensten, o. m.

hij het

kiezen van beleggingen

sluiten van auto-, w.a.-,

fraude- en berovings-

verzekeringen.

EIRSTE NEDIRIANDSCHE

VERZEKERING MIJ OP HET LËVEN EN TEGEN

INVALIDITEIT N.V.

GEVESTIGD TE ‘S-GRAVENHAGE

S

TELEFOON 1119 80

EENDRACHTSWEG
11

(3 LIJNEN)

ROUERDAM

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

– Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.

/
Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban que de Corn-
merce, 6, Place Royale, Brussel,postcheque-rekening 260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwijnaardse Steen-weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Abonnementsprjs:
franco per post, voor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen
f.
31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk
nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het
kalenderjaar.

Losse nummers
75
ct.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- JV.

Adverténties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerj H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).
Advertentie-tarief
f.
0,30 pr mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

26 februari t/m

1956

WHIGER MESSE

TECHNISCHE MESSE EN BEURS VOOR

VERBRUIKSGOEDEREN

Gratis visum. Alle inlichtingen worden verstrekt door:

Nederlandse Kamer van Koophandel voor Duitsland,

Jan van Nassaustraat 3, ‘s-Gravenhage. TeL 777872

UITSTAANDE BEDRAGEN
(in miljoenen dollars)

uit,
1940
uit,
1945
uit,

I

1950
uit,
1954
okt,
1954
I

okt.
1955

Totaal, waarvan voor
5.514
2.462
14.490
22.467 21.952
26.963
2.07i
455
_6.342
10.396 10.340 14.095
andere duurzame ver-
bruiksgoederen
1.8.7
816
4.337
5.668 5.324
5.917

auto’s

………….

reparatie en moderne-
sering
371
182
1.006 1.616
1.637 1.627
persoonlijkedoeicinden
1.245
1.009
2.805 4,787
4,651
5.324

van het totaal)

100,0

100,0

18,5

43,8

33,1

29,9

7,4

6,9

41,0

19,4

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

103

Afbetaling in Amerika

Gunstige financiële omstandigheden van de Ameri-

kaanse consument; een omvangrijke produktie van allerlei

duurzame verbruiksgoederen; door krachtige verkoop-

campagnes gestuwde omzetten en de aanwezigheid van

middelen die de mogelijkheid boden op afbetaling., te

verkopen; hebben bijgedragen tot een sterke uitbreiding

van het afbetalingskrediet in de Verenigde Staten ge-

durende het afgelopen jaar. Doordat de verleende kre-
dieten de eerste tien maanden van dat jaar $ 7 mrd. en

de aflossingen $ 2 mrd. hoger waren dan in de vergelijk-

bare periode van 1954, nam het uitstaande bedrag toe met

$ 5 mrd. en bereikte een hoogte van ca. $27 mrd.
1).

Meer dan
50
pCt._ van laatstgenoemd bedrag en

75
pCt van de toeneming

ten opzichte van 1954 komt

voor rekening van op af–

betaling verkochte auto’s.

De totale daartoe verleen-

de kredieten beliepen in

de betreffende periode $ 15

mrd. of .45 pCt. meer dan

in de eerste tien maanden

van 1954. Merkwaardig is,

dat het aandeel der op af-

betaling verkochte auto’s

in de totale auto-omzetten

de laatste jaren groter

wordt naarmae hetjaarvor-

dert. Zo beliep dit aandeel

in het eerste kwartaal
1955

57 pCt. en in het derde kwartaal niet minder dan 72 pCt.

Bovendien waren deze aandelen het afgelopen jaar

over het algemeen hoger dan in voorgaande jaren.

Laatstgenoemd verschijnsel is o.a. toe te schrijven

aan het feit, datde producenten, daartoe aangezet door

de strijd om het marktaandeel, er toe zijn overgegaan

de afbetalingsvoorwaarden te verlichten. Was bijv. in

1954 een 24-maands-contract het meest voorkomende,

medio 1955 was dit het 30-maands-contract, terwijl

36-maands-contracten reeds aardig gemeengoed be-

gonnen te worden en zelfs melding werd gemaakt van

contracten van 42 maanden. Hoewel de meeste verkopers

‘) Alle hier vermelde gegevens zijn ontleend aan het .,Federal Reserve Bul-
letin” van december 1955.

nog steeds ,,aanbetalingen” van 25 â 33 pCt. van de prijs

eisten, werd dit percentage door het toepassen van allerlei

praktijken in feite soms aanzienlijk verlaagd.

Zoals nevenstaand staatje doet zien, neemt het aandeel

der overige duurzame verbruiksgoederen in het uitstaande

krediet de laatste jaren geleidelijk af, hoewel het absolute

bedrag nog steeds een stijging vertoont. Van deze goede-

rencategorieën werd in het derde kwartaal 1955 rond

45 pCt. op afbetaling gekocht, tegen 40 pCt. het jaar

tevoren; het percentage voor meubelen en andere huis-

houdelijke artikelen beloopt de laalste jaren meer dan

50.
De kredieten voor persoonlijke doeleinden die dienen

voor de financiering van tal van objecten, variërend van

mt’diçchr hiiln trt nnn-

hdatie van schulden, als-

mede die verband houdend

met reparatie en moderni-

sering van woningen, ver-

tonen een vrij constant

beloop.

Is uit het voorgaande

reeds duidelijk, dat het af-

betalingssysteem in de Ver-

enigde Staten een rol van

betekenis vervult, deze be-
tekenis wordt nög eens on-

derstreept door de weten-

schap, dat de verleende af-

betalingskredieten en de

aflossingen in het derde

kwartaal van 1955 een peil bereikten, dat over

eenkwam met resp. ruim 14 en bijna 12 pCt.

van het beschikbaar persoonlijk inkomen. Het

is duidelijk, dat de pogingen van producenten en

handelaren om hun produktie en verkopen op peil

te houden de tendentie in zich houden tot een voort-

gaande uitbreiding van het afbetalingskrediet. Hier staat

echter tegenover, dat de middelen om dit soort verkopen

te financieren krapper zijn geworden en dat de aan vet-

kopers berekende rente is verhoogd. Een groot aantal

kredietverschaffers heeft dan ook stappen ondernomen

tot verzwaring der kredietvoorwaarden, en de ontwikke-
ling in de richting van lagere ,,aanbetalingen” en langere

looptijden blijkt haar tempo te hebben verlaagd.

INHOUD

Blz.

Blz.

Afbetaling in Amerika ……………………

Automatisering,
door Drs. J. Bosch …………

De landbouw en de algemene welvaartsontwikke-

ling mede in het licht van de spaarbeweging in

1955, door Mr. Ph. C. .M. van Campen …….
109

Kartelregelingen inzake het op termijnbetaling

aanbieden van merkartikelen,
door F. J. G.

Schrijver

…………………………..
113

Economische kroniek van Indonesië,
door Prof

Dr. A. Kraai ………………………..
114

Boekbespreking:

Dr. J. A. Geertman en A. H. Geertman: ,,Eco- ,

nomisch-technische verschijnselen II”,
bespr.

door Drs. A. G. ter Hennepe …………..
120

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs. J. C. Brezet …
121

Statistieken:

Bankstaten ………………………….122

103 Surinaamse kanttekeningen,
door G. C. A. Mulder

105

B.Sc.,Ps.D. …………………………
118

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;

J.
van
Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSRBCHT VOORBEHOUDEN

104

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari
1956

DE ARTIKELEN VAN. DEZE WEEK

Drs. J. BOSCH, Automatisering.

Automatisering betekent automatische handeling, het

waarnemen van verchil1ende variabelen, het vergelijken

met een bepaalde werkinstructie, gevolgd door een be-

slissing en automatische aanpassing, teneinde aan de

werkinstructie te voldoen. Continue produktieprocessen

vormen het oudste en meest verspreide toepassingsgebied.

Voorts wordt automatisering toegepast bij massa-

produktie, seriefabricage, stukwekproduktie en in de

administratieve sector. Schr. gaat na in hoeverre de werk-

gelegenheid door automatisering wordt bedreigd. Hij

c6hcludeert dat, hoewel voornamelijk de industrie invloed

zal ondervinden, niet mag worden vergeten, dat ook

andere takken van bedrijvigheid aan automatisering

zullen worden onderworpen. Behalve de direkte arbeiders
zullen ook de administratieve sectoren worden beïnvloed.

Het is volgens schr. echter onwaarschijnlijk, dat door

toepassing der automatisering werkloosheid zal ont-

staan; bij bepaalde desiderata t.a.v. levensstandaard en

Vrije tijd zal eerder een tekort aan arbeiders optreden.

Het grootste probleem, dat automatisering met zich zal

brengen is het omscholingsproces. De uitval bij de

produktie zal door automatisecing minder worden, de

kwaliteit zal verbeteren en de veiligheid voor de arbeider

worden vergroot. Voorts zijn diverse kostenbesparingen

mogelijk.

Mr. Ph. C. M. VAN CAMPEN, De landbouw en de

algemene welvaartsontwikkeling mede in het licht

van dé spaarbeweging in 1955.

Het wellicht meest gelukkige verschijnsel in de econo-

mische ontwikkeling van ons land gedurende 1955 is, dat

Nederland inflatie bespaard is gebleven. Hiertoe hebben

het waakzame oog van de Regering die niet schroomde

zo nodig in te grijpen, de prijsontwikkeling van een aantal

landbouwprodukten en de spaarzaamheid van de Neder-

landse bevolking bijgedragen. Door de aanzienlijke daling

der prijzen voor afgeleverde landbouwprodukten en een

stijging der kosten zijn de gezinsinkomsten per ha cultuur-

grond voor het merendeel der landbouwbedrijven ge-

daald. Hetzelfde geldt voor het proceptueel aandeel van

de landbouw in het nationaal inkomen. Uit gegevens

omtrent de spaarcijfers van boerenleenbanken blijkt, dat

de procentuele stijging van het spaarderstegoed bij deze

banken in 1955 beneden het stijgingspercentage bij de

andere spaarinstéllingen lag en dat het aandeel der

boerenleenbanken in het tbtale spaarderstegoed terug-

loopt. Een analyse van de spaarcijfers toont o.a. aan,

dat er een verschuiving heeft plaats gevonden wat be-

treft het aandeel der diverse bevolkingsgroepen in de

door boerenleenbanken uitgegeven spaarboekjes en in de

spaarsal4i. Deze verschuivingen voltrokken zich ten

gunste van arbeiders en middenstanders en ten nadele

van de landbouw.

F. J. G. SCHRIJVER, Kartelregelingen inzake het up

temj/nbetaling aanbieden van merkartikelen.
De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrjfsorganisatie

heeft de Commissie Bedrijfsregelingen verzocht advies
uit te brengen omtrent de vraag of er aanleiding bestaat

op te treden tegen bepaalde kartelregeingen die be-

‘ trekking hebben op het tegen termijnbetaling aanbieden

van een aantal duurzame verbruiksgoederen. Bedoelde

kartelregelingen zijn getroffen door of onder pressie van

detaillisten die menen, dat het aanbieden van krediet-

faciliteiten gelijk kan worden gesteld met het geven van

korting op de prijzen. De auteur betoogt, dat het stelsel

der vastgestelde minimum-verkoopprijzen de concur-

rentie reeds ten dele uitschakelt en dat de weg naar vol-

ledige uitschakeling der concurrentie zou worden ge-

opend indien ook nog de te verlenen service aan banden

zou worden gelegd. Hierdoor zou de produktiviteit van

de handel worden belemmerd. Bovendien beletten

bedoelde kartelregelingen, dat de ondernemer de behoefte

aan afbetalingskrediet op de meest efficiënte wijze kan

bevredigen

Prof Dr. A. KRAAL, Economische kroniek van Indonesië.

In deze kroniek wordt allereerst een overzicht gegeven

van enkele betalingsbalanscijfers van enige Zuid-Oost-

aziatische landen. Uit de gegevens betreffende Indonesië

blijkt, dat de gunstige ontwikkeling der exportopbrengs-

ten werd gecontinueerd. Voorts komt do verruiming

van de invoer duidelijk tot uiting. Men mocht aannemen,

dat
ona
een zekere overgangsperiode importgoederen

zouden kunnen worden verhandeld tegen prijzen, die

niet hoger waren dan de c.i.f.-prjzen, vermeerderd met

de normale marges. Schr. gaat uitvoerig in op aan-

passingsmoeilijkheden die zich in dezen voordoen. Aan

het slot behandelt hij de vooruitzichten van Indonesië

voor 1956, die als hoopvol worden gekarakteriseerd.

– SOMMAIRE –

Dis. J. BOSCH, Automatisation.
Après avoir fourni une analyse de la notion ,,automa-

tisation” et une énumération des terrains d’application,

l’auteur démontre qu’il est peu probable qu’il se produise

du chômage par suite de l’application d’automatisation.

Le plus grand problème que comporte l’automatisation,

est la réëducation professionnelle. L’automatisation

permettra des économies sur diverses sortes de frais.

Mr. Ph. C. M. VAN CAMPEN, L’agriculture et le

développement de Ja prosperité générale, vus égale-

meiit dans le cadre du mouvement del’épargneen 1955.

Par suite de la baisse des prix des produits agricoles

livrés, la part de l’agriculture dans le revenu national a

diminué en pourcentage. Les chiffres de l’épargne chez

les caisses de crédit agricole montrent le même développe-

ment: ii s’est présenté e.a. un glissement quant aux

soldes créditeurs des épargnants chez ces banques, en

faveur des ouvrierset de la classe moyenne et au désavan-

tage de l’agriculture.

F. .1. G. SCHRIJVER, Réglernentations de cartel concer-

nant l’offre d’articles de marque déposée contre

payement â terme.

Le ystème des prix de vente minimums imposés

élimine déjâ partiellement la concurrence. L’auteur

démontre que la réglementation du ,,service” – dans le

cas présent les facilités de payement – ouvrirait la voie

â l’élimination totale de la concurrence.

Prof Dr. A. KRAAL, Chronique économique de l’Indonésie.

L’auteur donne tout d’abord

une comparaison de la

balance des payements de l’Indonésie avec celle de quel-

ques autres pays de l’Asie du sud-est et traite ensuite de

la situation économique en Indonésie.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

105

Automatisering

Het begrip automatisering.

D. S. Harder, vice-president van de Fdrd Motor

Company in de Verenigde Staten, zou het woord ,,auto-

ma(tisa)tion” hebben geschapen, maar het is wellicht

het boek vanJ. Diebold
1)
dat deze titel heeft, dat het

meeste ertoe heeft bijgedragen om het gebruik van dit

woord te verspreiden.

Ofschoon het woord automatisering van recente

datum (1948) is, kunnen wij het oude ideaal van de

automatische fabriek reeds vinden in de continue meel-

fabriek van Evans uit 1784 en in de Jacquard weef-

machine uit 1801. Dit begrip vertoonde echter gedurende

de 19e eeuw een langzame groei. Een belangrijke stap

vooruit was de oprichting van de fabriek van A. 0.

Smith voor de produktie van autochassis in. 1928. Sedert

1940 werd de ontwikkeling versneld onder druk van de
tweede wereldoorlog en in de na-oorlogse periode door
de eisen die de koude oorlog stelde.

Gedurende de tweede wereldoorlog werden elektro-

nische rekenmachines. uit het experimentele stadium
gebracht en gebruikt voor communicatie en het vast-

leggen van informatie. Het werd mogelijk met behulp

van deze elektronische apparatuur de vuurgeleiding

van geschut te controleren, geleide projectielen te fabri-

ceren enz. De technici die deze projectielen hadden

ontworpen begonnen eraan te denken om de principes,

die hier waren toegepast over te brengen op de industrie.

Hierdoor ontstond bij de industrieën, welke deze dode-

lijke wapens vervaârdigden en die zich realiseerden

dat deze oorlogsproduktie .niet oneindig kon voort-

duren, een onderzoek naar de vraag in hoeverre elek-

tronische hulpmiddelen gebruikt konden worden voor

vreedzame aanwendingen. Op deze manier kreeg het

automatiseringsproces grote belangstelling; men rede

neerde in wetenschappelijke kringen dat wanneer een

snel bewegend projectiel bestuurd kon worden, het ook
mogelijk moest zijn produktieprocessen te controleren.

Op deze wijze gaf de ontwikkeling van de industriële

elektronentechniek dus een nieuwe stimulans aan de dis-

cussies over de automatische fabriek. Nu was er een

tweede factor die de hierv66r bedoelde beweging ver-

sterkte, ni. een tendentie naar meer en meer mechani-

satie in de Amerikaanse industrie (mechanisatie zou ik

willen omschrijven als de vervanging van menselijke

handenarbeid door machinale arbeid). De druk van de

oorlogseconomie had ook deze toenemende mechanisatie

sterk gestimuleerd en nieuwe ontwikkelingen vonden

plaats, vooral op het gebied van ,,materials handling”,

zodat meer continue produktieprocessen ontstonden.
De elekttonentechnici concludeerden uit deze laatste

ontwikkeling dat het mogelijk moest zijn een combinatie

te vinden van elektronische apparaten en continue pro-

duktieprocessen met als uiteindelijk resultaat de auto-

matische fabriek.

Deze automatisering heeft ook geleid tot het ontstaan

van een nieuwe wetenschap: de ,,cybernetica”
2).
De

kern van deze cybernetica is de terugkoppeling, d.i.

een kunstmatig gesloten systeem voor functies, waarvoor

bij wisselende omstandigheden toch het vooropgezette

resultaat wordt bereikt. Het zal duidelijk zijn dat op

) John Diebold: Automation; tbe advenf of the automatic factory, 1952.
1)
Prof. Dr. N. Wiener heeft deze naam nieuw leven ingeblazen met zijn boek
,,Human use of human bemgs” (reeds Plato heeft dit woord gebruikt; het is ge-
baseerd op het Griekse woord voor stuurman).

deze Wijze de bruikbaarheid van machines sterk wordt

vergroot. De thermostaat is het schoolvoorbeeld van

een zelfregelend stelsel, dat dus op terugkoppeling

berst. Schematisch voorgesteld ziet dit gesloten systeem

(= closed loop) er als volgt uit:

Invoer

produktie-

Uitgang
handeling
automatische

controle

Terugkoppeling
(= feedback)

Men moet nu een onderscheid maken tussen:

automatische handeling,
waaronder verstaan kan

worden het uitvoeren van een programma; de handeling

en niet het resultaat ligt dus vast. Dit is een voorbeeld

van een open systeem (= open loop);

automatische controle,
waarbij een variabele van
de handeling wordt waargenomen en het proces wordt

veranderd zodat een vooropgezet resultaat wordt be-
reikt. Dit is dus het gesloten systeem of controle met

behulp van terugkoppeling;

automatisering
impliceert een nieuw element, nl.

het in staat zijn tot het nemen van beslissingen. In het

algemeen is dit volgens de huidige stand der techniek

mogelijk met behulp van numerieke rekenmachines, die

naast een of meer geheugens een decisie-element be-

vatten. Vervolgens zijn nodig meetapparaten, die het

proces volgen en de gegevens invoeren in de rekenma-
chines. Ten slotte is een werkinstructie (= programme)

nodig teneinde de gewenste operatie in de machine in

te voeren. 4utomatisering betekent dus automatische

handeling, het waarnemen van verschillende variabelen,

het vergelijken met een bepaalde werkinstructie, gevolgd
door een beslissing en automatische aanpassing teneinde

aan de werkinstructie te voldoen.
Een gedeelte van de

menselijke denkarbeid wordt dus vervangen, maar deze

,,denkmachines” zijn loco-levend, ze helpen bij het
denken, maar zijn net zo min in staat tot denken als

een radio kan spreken.

Toepassingsgebieden van automatisering.

De volgende toepassingsgebieden van automatisering

kunnen worden genoemd:

a. Continue produktieprocessen.
De Amerikanen noe-

men dit ,,process production”. Dit is de oudste en meest

verspreide toepassingssector. Typische voorbeelden vor-

men raffinaderijen, chemische industrieën, sectoren

der voedingsmiddelenindustrie, cementindustrie, suiker-

en textielindustrie enz., koftom die industrietakken die

zich bezig houden met de voortbrenging van homogene

grondstoffen,
zoals gassen, vloeistoffen en granen. Zoals

Drucker
3)
deze industrie typeert komen produkt en

produktie met elkaar overeen, de focus staat a.h.w.

op de voortbrenging. Het is zeer wel mogelijk dat de

toekomst een grotere toepassing van de ,,process pro-

duction” te zien zal geven in de industrie. Buitendien

‘) Peter F. Drucker: The Practice of Management (1955), noemt als voorbeeld
de ontwikkelingsmogelijkheid in de staalindustrie van ,,batch production”, tot
,,process production”.

106

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari 1956

kan men deze wij ze van produceren aantreffen in o’enbare

nutsbedrijven.

Massaproduktie.
Het gaat hier om massaproduktie,

,,new style”, zoals Drucker haar betitelt. De nadruk’

ligt bij deze wijze van produceren op uniförme onder-

delen; bij de assembiering kunnen dan produkten in

grote variëteit worden opgebouwd. De bezwaren van

een grote diversiteit worden dus verschoven van de

produktie naar de assemblage. De beste voorbeelden

worden gevonden in de auto-industrie (waarom men

in de Amerikaanse literatuur soms spreekt van ,,Detroit

automation”). Verder kan men een groeiende toepassing

verwachten in
aar4ewerk-
en glasindustrie, lederindustrie

en schoenfabrieken, papierindustrie enz. Ook hier zal

het weer aankomen op het reorganiseren van bestaande

produktiemethoden tot het nieuwe type massafabricage,

een proces wat jaren in beslag zal nemen. Zowel dit

laatste type als continue produktieprocessen zijn rijp

voor automatisering
4).

Seriefabricage en stukwerkproduktie.
De Ameri-

kanen spreken hier vaak van ,,numerical-control”
5).

Deze is niet gebonden aan grote bedrijven, omdat de

flexibiliteit hier meer op de voorgrond staat dan de massa.

De machine wordt verbonden ‘met een elektronische

rekenmachine; aan de rekenmachine worden, bijv. door

middel van ponskaarten
;
instructies toegevoerd.

De hieraan ten grondslag liggende idee vertoont veel

analogie met de Jacquard-machine. Het is mogelijk

dat in de toekomst kleinere bedrijven hun werkinstructie

en computer kunnen huren van grotere bedrijven of van

firma’s die zich specialiseren in het verhuren van zulke

volledige• werkinstructies. Voorbeelden zijn de vlieg-

tuigindustrie, de machinebouw en de scheepsl3ouw.

Administratieve sector.
Voorbeelden hiervan vindt

men bij verzekeringmaatschappijen, banken en de

administratieve afdelingen van verschillende onder-

’emingen.

De invloed op de werkgelegenheid.

Wanneer men nagaat hoeveel werknemers in totaal

werkgelegenheid vinden in takken van bedrijvigheid die

wëllicht de invloed van automatisering zullen ondergaan,
dan komt men, voor de Verenigde Staten, tot de volgende

ruwe raming: –

manufacturmg
………………………..
16,3 mln.
transportation and public utilities
……….
4,3
finance, insurance and redl estate
………..
2,1
government
………………………….
6,8
service and miscellaneous a)
…………….
0,5

11

totaal 30 mln.
a) Alleen ,,laundries and dyeing plant”.

indien men de ,,total civilian eniployment” stelt op

ca. 62 m,ln., dan geven de sectoren, die mogelijkerwijze

de invloed van automatisering kunnen ondergaan,

werkgelegenheid aan 48 pCt. van dit aantal
6).

Het zal duidelijk zijn dat deze ca. 30 mln, werknemers

slechts voor een bepaald gedeelte de conçurrentie van

automatisering zullen ondervinden. Dit zijn bij de directe

arbeiders voornamelijk de ongeschoolde en geoefende

arbeiders
7).
Deze groepen omvatten in de lovenbedoelde

30 mln. werknemers ongeveer 7 mln. arbeiders, t.w.
41
/2

Zie ook: ,,SaturdayReview”, 2.2 januari 1955.
Zie ook: ;,American Machinist”, 8 november 1954.
‘) R. L. Meier: ,,Automatism in the American Society”, komt tot een ietwat
lagere schatting: ,,about 44 pCt. of the labor-force will feel only a minor impact”.
Meier neemt behalve bovengenoemde bedrijfstakken nog aan ,,limited price
retailing and sorne miscellaneous”.
7)
Dr. A. M. Kuylaers S.J.: ,,Werk en leven van de industriële loonarbeider als
object van een sociale ondernemingspolitiek”. In dze dissertatie stelt Kuylaers
dat de bovenbedoelde twee groepen van directe arbeiders een zeer groot percentage
van routinewerk verrichten, waarbij dus in beginsel de
menselijke
intelligentie niet
nodig is.

mln. mannelijke en ca. 2
1
/
2
mln. vrouwelijke werknemers.

De administratieve groep – die vooral zit in banken,

verzekeringmaatschappijen en overheidsinstellingen,

maar ook voor ca.
1/3
in de industrie – maakt een totaal

uit van ca. 7 mln. wèrknemers. Hiervan verrichten er

ongeveer
4+
mln. routine-arbeid, waarbij ca. 2,1 min.

riiannen en 2,4 mln. vrouwen zijn te onderscheiden.

Op deze wijze komen wij dus op een totaal van 11
+

mln, werknemers bestaande’ uit ca. 60 pCt. mannen

en 40 pCt. vrouwen – die de concurrentie van auto-

matisering kunnen ondervinden. Dit aantal komt dus

ongeveer overeen met
1/5
van het totaal aantal tewerk-

(11
gestelden in de civiele sectoren

5 mln.
x
100 pCt. = –
62 mln.

18,5 pCt.).

/

Nu zal het duidelijk zijn, dat het bovenstaande niet
impliceert, dat een werkloosheid dreigt; daartoe is in

de bovenstaande ruwe en statische momentopname

geenszins aanleiding te vinden.

Het is uiteraard niet mogelijk in het kort bestek van

een artikel uitvoerig in te gaan op de factoren die mede

bepalend zijn voor de vraag, of er aanleiding is, over een
technologische werkloosheid te spreken. Enkele factoren

zullen zeer in, het kort worden aangestipt.

a. De werkneers’ in de Verenigde Staten maken

momenteel ca. 41 pCt. van de totale bevolking uit
8).

In 1975 zal de totale bevolking van de Verenigde Staten

ca. 220 mln. bedragen. De werknemers zouden in 1975
dus, een totaal vertegenwoordigen van 0,41 x
220 =

90 mln. Men mag aannemen, dat het aantal
werknemers

van 65 jaar en ouder relatief zal afnemen, ofschoon het

aantal personen in deze categorie door de
verouderde

bevolking zal toenemen met ca. 8 mln. Dit is de reden

waarom geen toename in deze groep is voorzien. De

groep van 20-65 jaar bestaat momenteel uit 92 mln.

personen en zal in 1975 gestegen zijn tot 107 mln. In

deze stijging van 15 mln. participeren de vrouwen met
ongeveer 8 mln. Aangezien• de, vrouwelijke personen

echter slechts voor 25 pCt. in loondienst werkzaam zijn

wordt de totale stijging van het totale aantal werknemers

gereduceerd tot ca. 9 mln. Hierbij zou men dan kunnen,

tellen een additionele toename door immigratie van ca.

3 mln. werknemers en een extra toename van wellicht

2 mln. door verkleining van het aantal dienstplichtigen.
Op deze wijze zou het tôtaal komen liggen op 62 + 9 +

3 + 2 = 76 mln. werknemers. –

b. Men mag verwachten, dat automatisering er

mede toe zal bijdragen dat de
schoolplichtige leeftijd

wordt verhoogd,
omdat sprake zal zijn van een grotere

behoefte aan geschoolde werknemers (zie volgende

paragraaf). Eeh verhoging van de leerplicht tot 18 jaar

zou betekenen, dat aan het bovengenoemde aitntal ,van

76 mln. alleen nog toegevoegd zou moeten worden de

stijging van het aantal werknemers van 18 en 19 jaar.

Een netto toename van 2 mln. is wellicht aan de ruime

kant geschat. Op deze wijze zouden wij echter een stijging

krijgen vanca. 16 mln. werknemers.

c. De verkorting van de werktijden
-is een proces, –

dat reeds zeer lang bezig isich te voltrekken. Van

1909-1953 vond een verkorting plaats van een 51-urige

erkweek tot een 40-urige. Betaalde vakanties zullen

waarschijnlijk langer worden
9).
Het streven naar een

‘)
Dit
cijfer
is gebaseerd op de laatste 30-40 jaren. Zie ook het artikel ,,What
automation means to America” in ,,Factory management and maintenance”,
september 1955.
‘) In de Scandinavische landen nu reeds 18 dagen; zie ,,Moathly Labor Review”,
januari 1955.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

107

5-daagse werkweek en in de Verenigde Staten naar een

4-daagse is gesignaleerd, evenals de wens om een werk-

week van 30 uren in te voeren
10).

Hier moet een opmerking worden geplaatst. Terwijl

in het begin van deze eeuw een werktijdverkorting voor

de werkgever vaak rationeel was door een produktivi-

teitsstijging, is het twijfelachtig of deze stijging continu

zal doorgaan. Hiertoe zou men dienen te weten wat de

optimale werktijd is. Prof. Hopkins zegt op blz. 113

van zijn boek
11),
dat de ondervinding leert, dat de opti-

male werkweek in een groot aantal gevallen ligt tussen

37 en 48 uur, ,,although there are undoubtedly excep-

tions”. Dit impliceert:

dat het cômpenserende element van werktijd-

verkorting op de werkgelegenheid groter wordt;

dat het voor de werknemers een kostenverhogende

factor zal gaan vormen, omdat compensatie door stijging

der arbeidsproduktiviteit twijfelachtig wordt.

Een werktijdverkorting met 10 pCt. zal dus leiden
tot éen verhoogde .vraag van 11 pCt. naar arbeiders:

d. De verhoogde ,,overheads” ten gevolge van auto-

matisering, gecombineerd met wktijdverkorting, zullen

een tendentie oproepen naar
meerploegenwerk
12)
Meer-

ploegenwerk biedt zekere voordelen voor de werkge-

legenheid, zoals:

ondernemers zijn bereid sneller tot vervanging

van machines over te gaa.n, omdat het verschil tussen

economische en technische levensduur door het groter
aantal gebruiksuren kleiner wordt;

besparing op ,,capital per unit of output” heeft

een gunstige invloed op de kostprijs van het eindpro-

dukt;

meerploegenwerk vraagt meer toezichthoudend

personeel;

het betekent kortere werktijden met min of meer

dezelfde weeklonen ofwel dezelfde werktijden met hogere

weeklonen (i.v.m. de toeslagen voor overwerk)
12).

e. Het vervangen van arbeiders door automaten

brengt uiteraard een zekere compensatie met zich, in

zoverre als bij de produktie van deze automaten
additio-

nele werkgelegenheid wordt geschapen. Hoewel deze

compensatie niet kan worden ontkend, wordt dezerzijds

hidraan slechts een ondergeschikte betekenis toegekend.

Het Amerikaanse ,,Bureau of Labor Statistics”
13)
heeft
vastgesteld, dat de werkgelegenheid in de voor de auto-

matisering zo belangrijke produktie van elektronische

apparatuur van 1947 tot 1952 met slechts 40 pCt. steeg,

terwijl de voortbrenging in deze bedrijfstak met
275
pCt.

toenam. Uit een Amerikaanse studie
14)
blijkt, dat men

de volgende stijging heeft geconstateerd, resp, verwacht

in de produktie van

Data processing
Industriële
Totaal in

in min.$
apparatuur in
mln.
$
mln.$

1940

……………
…..-
65
90
1953

………………..25
1960

………………..
500
150
650

Hieruit zou volgen (indien de bovenbedoelde factoren

van 40 pCt. resp. 275 pCt. aangenomen worden voor

In ,,America’s Needs and Resources” wordt geschat, dat het aantal uren per
jaarzal liggen op 1.851 in 1960, d.w.z. 9 pCt. lager dan in 1950 (voor niet-agrarische
arbeiders).
,,Labor in the American economy”, le cd.
“) Zie ,,Industrial Engineering”,
Anglo-Anserican Council on Productivity.
15)
Zie ook ,,Neue Zürcher Zeitung”: Die Automation und ihre Probleme,
6 december
1955.
14)
Stanford Research Institute, Stanford.

de stijging van werkgelegenheid resp. voortbrenging)

dat de werkgelegenheid zou toenemen met

650-90
x
40 pCt. = 1 pCt.
275

f. Teneinde de vraag naar arbeiders te bepalen zal

worden uitgegaan van een stijging’vall de
levensstandaard

met 2,65 pCt. per jaar (sedert 1940 is dit percentage be-

haald) en van een stijging der arbeidsproduktiviteit

met 2,45 pCt. per jaar
15).
Op basis van deze gegevens

komt 4e schrijver van het hiervoor genoemde artikel

,,What automation means to America” tot de conclusie,

dat zonder automatisering ca. 84 mln. arbeiders nodig

zijn. Dit aantal is echter gebaseerd op een werkweek

van 40 uur. Indien dit aantal uren met 10 pCt. zou ver-

minderen, zouden er 1,11
x
84 mln. of 93 mln, werk-

nemers nodig zijn. Zoals onder punt b genoemd is, zou-

den wij kunnen rekenen op een aantal van 62 + 16 =

78 mln. arbeiders. Een volledig doorgevoerde automati-

sering zou een aantal van ongeveer 144 mln. werknemers

overbodig maken en dus de consequentie zijn van het

realiseren van de volgende doeleinden:

een stijgende levensstandaard met ca. 75 pCt. in

20 jaar tijds;

een werktijdverkorting van 10 pCt. in een periode

van 20 jaren;

een groter aantal personen dan momenteel het

geval is gaat op 65-jarige leeftijd met pensioen.

g. Het is nu zeer de vraag, of automatisering deze

taak zal kunnen realiseren. Het aantal
remmende factoren

is nI. zeer groot. Volstaan zal worden met enkele ervan

te noemen:

conservatisme’ bij de ondernemers;

tekort aan geschoolde technici;

technische moeilijkheden op het gebied der ,,auto-

maten”;

de noodzaak om produktieprocessen geschikt

te maken voor automatisering;

de benodigde initiale investeringen kunnen in

sommige gevallen hoog zijn;

de politiek der vakvereniging en

het omscholen van de arbeiders (zie volgende

paragraaf).

h. AutomatiseNing zal de levensstandaard zeer waar-

schijnlijk vergroten en meer
vrije tijdsbesteding
mee-

brengen. Als gevolg hiervan zullen er tevens industrieën

ontstaan om te voorzien in de middelen voor deze vrije

tijdsbesteding en een aanzienlijk aantal werkers kan

hier werkgelegenheid in vinden. Geschat wordt dat in

de Verenigde Staten ca. 15 pCt. van de uitgaven der

consumenten besteed wordt aan vrije tijdsbesteding en

hier ligt dus een terrein dat de moeite waard is om er

alle aandacht aan te schenken.

In het meermalen genoemde’ artikel ,,What automa-

tion means to America” wordt geschat dat men in
1975:

3 mln. meer mensen nodig zal hebben in de detail-

handel;

0,75 mln. meer mensen nodig zal hebben in de wo-

ningbouw;

0,50 mln. voor Wegenbouw enz.,

0,60 mln. voor meer en beter onderwijs.

Verder zijn meer werkkrachten nodig in ,,personal

services”, turisme, T.V. programma’s, en ,,network

operation’ enz.

01)
De oorlogsproduktie in de periode van 1940.1955 maakt de stijging van de
levensstandaard met 2,65 pCt. wel aanvéchtbaar.

108

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari
1956

Uit de in het voorgaande gemaakte opmerkingen

zou ik de volgende conclusies willen trekken:

hoewel het met betrekking tot de directe arbeiders

voornamelijk de industrie zal zijn die de invloed van

automatisering zal ondervinden, mag niet vergeten

worden dat ook andere takken van bedrijvigheid, zoals

transport, krachtbedrjven, wasserijen en ververjen,

deze invloèd zullen ondergaan;

naast de invloed, welke de directe arbeidrs zullen

ondergaan moet niet vergeten worden dat de admini-

stratieve sectoren in sterke mate onderhevig ziillen zijn

aan automatisering;

het is onwaarschijnlijk dat werkloosheid zal op-

treden door toepassing van automatisering. Bij bepaalde
desiderata t.a. v. levensstandaard en Vrije tijd zal eerder

een tekort aan arbeiders optreden.

Het aanpassingsproces van de menselijke arbeid.

Tijdens de ,,Industriële Revolutié” werd de mens

verlost van de zware lichamelijke arbeid en verminderde

zijn geschiktheid als energiebron tot praktisch een on-

betekenende rol. Er voor in de plaats kwam de vaak

monotone routine-arbeid. Automatisering zal waar-

schijnlijk deze routine-arbeid vervangen en hogere eisen

stellen aan de menselijke intelligentie. Het wordt dan

ook sterk in twijfel getrokken of de remedie van taak-

verruiming door Dr. Kuylaers in zijn dissertatie aan-

bevolen nu nog voor ruime toepassing mogelijkheden

biedt. (Ik betwijfel of de routine-arbeider in het algemeen

zich zelf wel zo sterk geestelijk gedraineerd voelt als

Kuylaers het doet voorkomen; in de praktijk hebben

deze mensen meer ,,plezier in hun werk” dan Kuylaers

meent te moeten aannemen).

Dit omscholingsproces is naar mijn mening het grote

probleem dat automatisering met zich zal brengen.
Hoe-

wel het
y
an tijdelijke aard zal zijn, moeten de sociale

gevolgen ervan niet worden onderschat. De individuele

arbeider zal het bitter weinig interesseren, wanneer

hij bij het overbodig worden van zijn beroep te horen

krijgt, dat de arbeid van de mens in totaal gezien op

een hoger plan komt te staan.

Walter Reuther, de president van het ,,Congress of

Industrial Organizations” (C.I.O.), wenst dat men de

opleiding van de arbeiders verbetert; dat men de arbei-

ders een gegarandeerd jaarloon toekent (in zijn onder-

handelingen met de grote automobielconcerns is dit
reedsgerealiseerd); dat men de plicht van de onder-

nemer om de arbeider om te scholen, die bedreigd wordt

door de automatisering, wettelijk dient te regelen en

dat de uitvoering hiervan moçt worden opgedragen

aan een paritair samengestelde commissie van vertegen-

woordigers van werkgevers en werknemers.

De vraag rijst, welke positie de administratieve routine-

werker zal innemen t.a.v. dit aanpassingsproces. De

liefde voor het witte boord, de sterkere jndividualis-

tische inslag van deze werker, de zwakkere positie van

zijn vakvereniging, zijn afkeer van stakingen als dreige-

ment bij onderhandelingen, maken het aannemelijk

dat hier de grootste moeilijkheden dreigen. Het is moge-

lijk dat ook hier nood leert organiseren, waarschijnlijk

echter eerst als er reeds ,,slachtoffers” zijn gevallen.

Economische facetten van automatisering.

Ook op deze economische facetten kan slechts ter-

ioops worden ingegaan.

1. De nauwkeurigheid, de snelheid en contantheid
der produktie zullen door automatisering aanzienlijk

kujinen verbeteren. Hierdoor zal de
uitval bij de pro-

duktie verminderen, de kwaliteit verbeteren en de veilig-

heid voor de arbeider verhoogd worden.

Besparingen op manko sten
zijn mogelijk bij de

produktie. Ford had bijv. een afdeling waarin 29 ma-

chines nodig waren en 39 man. Ford heeft thans voor

dezelfde produktie 3 automaten en 9 man
16).

Besparing op huisvestingskosten.
Dr. L. T. Rader,
general manager van de G.E.C. specially control de-

partment, voorspelt een verandering in de verhouding

,,plant equipment to land and buildings” van 2 : 1 naar

4 : 1, in de komende 10 jaar voornamelijk als gevolg

van toenemende automatisering.

Besparing op administratieve kosten.
A. E. Davis

zegt in een artikel
17),
dat besparingen van niet minder

dan 80 pCt. in personeelsbezetting en 50 â 60 pCt. in

huisvesting mogelijk zijn door automatisering.

De snelheid van berichtgeving
kan aanzienlijk

verbeteren. De Monsanto Chemical Corp. zou haar

,,cost reports” klaar hebben op de 3e of 4e dag van de

maand en de financiële overzichten op de 2e dag, omdat

door automatisering de benodigde tijd verminderde

van 200 marï-uren tot enkele uren. Deze snellere infor-

matje maakt sneller rageren van de bedrijfsleiding mo-

gelijk en dus ook de snellere eliminatie van verspillingen.

Besparingen op ,,capital costs per unit of output”

zijn mogelijk. In vele gevallen zullen, zoals reeds ver

meld, de initiale investeringen belangrijke bedragen

vergen, voornamelijk door de vereiste aanpassing van

het produktie-apparaat. Automatisering zal het ver-

schil tussen de economische levensduur en de technische

levensduur van
conventionele
apparatuur ongetwijfeld

vergroten, omdat deze nieuwe techniek bij zâl dragen

tot een sterk verouderende tendentie van het niet auto-

matische machinepark. Dit alles leidt er toe dat de kost-

prijzen zullen dalen. Waarschijnlijk zal dit tot gevolg

hebben dat deze grotere efficiency haar uitdrukking

zal vinden in ên
hogere lonen
(het verschil in beloning

tussen geschoolde en ongeschoolde arbeid zal zeker

groter worden) èn lagere marktprjzen.

De invloed der automatisering op de conjunctuur

moet hier ônbesproken blijven. De stijging der vaste

ko3ten kan wellicht een tendentie tot verscherping geven.

In hoeverre internationale samenwerking geboden is

blijft hier een open vraag.

De tendentie dat de kleinere bedrijven terrein

zullen verliezen
aan grotere ondernemingen kan niet

worden ontkend voor die bedrijfstakken
waarin auto-

matisering toepassing vindt,
al is het van de andere kant

waar dat de .kleinbedrijven automatische apparatuur

in sommige gevallen kunnen huren. Er zullen echter

op andere terreinen altijd nog genoeg ontplooiings-

mogelijkheden overblijven voor de kleine onderneming.

Ik moge dit artikel besluiten met een citaat van Peter

F. Drucker uit zijn boek ,,The practice of management”

(blz. 18): ,,There can be little doubt that the industrial

country that first understands Automation and first

applies it systemtically will lead in productivity and

wealth during the second half of the twentieth century,

just as the United States, through understanding and

applying mass production, came to lead the world

during the first half of this century. And there is even

less doubt that this leadership position will fail to the

country whose managers understand and practice mana-

gement in its fullest sènse.”
Eindhoven.

.

J. BOSCH, ec. drs.

1)
Zie hQ artikel: ,,Push— Button Plant: It’s here”, U.S. News and World
Report, 4 december 1953.
“) ,,Banking Eletronics” in ,,Journal of the Institute of Bankers”, oktober 1952.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

109

De landbouw en de algçmene welvaartsontwikkeling

mede in het licht van de spaarbeweging in
1955

Inleiding.

In de beschouwingen, die men kan lezen in dagbladen

en periodieken in verband met de jaarwisseling, werd

algemeen van tevredenheid getuigd over de welvaarts-

ontwikkeling in ons land gedurende
1955.
En inderdaad,

er was ook reden tot tevredenheid. Het jaar
1955
was

men ingegaan met dé wens, dat men al tevreden zou zijn,

indien de uitkomsten ervan niet zouden onderdoen voor

die van 1954. Het resultaat was echter, dat op vele punten

de welvaartsrecords van
1954
werden doorbroken.

Terecht konden de krachtige produktiestijging, de hand-

having van de zeer hoge werkgelegenheid, de hoge uitvoer

en het stabiele prijspeil de meest kenmerkende econo-

mische wapenfeiten van het jaar
1955
worden genoemd.

Het indexcijfer voor de industriële produktie, op 100

gesteld voor 1949, steeg tot 131 voor het jaar 1953, tot

140 voor 1954 en tot 148 voor het jaar 1955, voor zover

de cijfers thans reeds bekend zijn. Het hoogste aantal

werkzoekenden lag in 1954 op 144.000, het laagste op

52.000; voor 1955 waren de overeenkomstige cijfers,

voor zover thans bekend, 110.000 en 42.000. In dezelfde

maand, waarin dit laagste aantal van 42.000 werk-

zoekenden geregistreerd werd, beliep het aantal gevraagde

werknemers meer dan 103.000. Het zijn. niet alleen deze

cijfers, die duiden op een ruime werkgelegenheid; boven-

dien moet nog rekening worden gehouden met de be-

volkingsaanwas. In de jaren, waarin diegenen, dié toen

geboren werden, zich nu komen aanmelden in het

arbeidsproces, beliep. het geboorte-overschot telkens

rond 50.000. Ook deze 50.000 zijn aan de slag gegaan en

bovendien is liet aantal werkzoekenden gemiddeld met

ruim 20.000 gedaald.

Deze inschakeling in het arbeidsproces heeft kunnen

.plaatsvinden zonder dat het loon- en salarisniveau werd

gedrukt. Het tegendeel was het geval; immers, de werk-
nemers hebben per man in
1955
reëel meer verdiend dan

in 1954 het geval was. Het jaar 1955 heeft zich wel niet

door algemene loonronden gekenmerkt, maar in de eerste

plaats heeft in 1955 doorgewerkt de loonronde van

oktober 1954, groot 6 pCt., waarvan de strekking was

het werknemersaandeel in het nationale inkomen te ver-

groten. Dat dit gerealiseerd is, kan hieruit blijken, dat

het prijspeil in
1955
nagenoeg stabiel is gebleven. Het
prjsindexcijfer voor het levensonderhoud van gezinnen

van hand- en hoofdarbeiders, dat voor 1951 op 100 is

gesteld, beliep in 1954 105 en kan voor 1955 bij benadering

op 106,3 worden gesteld; een stijging derhalve met ruim

1 punt. Daarbij behoeft niet te worden aangenomen,

dat het bij de loonstijging van oktober 1954 is gebleven.
Talrijke loonregelingen en collectieve arbeidscontracten

zijn op basis ian de bestaande richtlijnen herzien, ook wat

betreft de loon- en salarisbedragen, de zgn. primaire

arbeidsvoorwaarden. Het indexcijfer voor het verbruik

van de Nederlandse bevolking steeg in 1955 dan ook met

ruim 4 punten.

Wij gaan nu andere belangrijke economische wapen-

feiten van het jaar
1955
zoals de toeneming van üit- en

invoer, het evenwicht van de betalingsbalanspositie met

het buitenland en tal van andére de welvaartsontwikkeling

begeleidende verschijnselen, voorbij, doch blijven nog

even stilstaan bij het merkwaardige feit, dat, terwijl meer

mensen meer verdienden en derhalve meer geld of koop-

kracht ter .beschikking kwam, de prijzen toch niet zijn

gestegen. Het is een bekend en uit economisch oogpunt

onder bepaalde omstandigheden ook bedenkelijk ver-
schijnsel, dat stijgende lonen stijgende prijzen ten ge-

volge kunnen hebben en in een voortdurende wissel-

werking de waarde of koopkracht van de munteenheid

zouden kunnen ondermijnen. Al naar gelang de prijzen

stijgen, wordt de gulden minder waard. Een dergelijke

ontwikkeling, veelal aangeduid als inflatie, is Nederland

in 1955 bespaard gebleven. Dit is wellicht het meest

gelukkige verschijnsel, waarover we ons mogen verheugen,

want juist de handhaving van de innerlijke waarde van de

munteenheid is de belangrijkste voorwaarde voor een

eerlijke spreiding van de welvaart èn voorkomt, dat,

terwijl bepaalde bevolkingsgroepen, wier inkomens ge-
makkelijk aan een waardedaling van de koopkracht van

de munteenheid worden aangepast, of die daarvoor

compensatie vinden in een in guldensaarde stijgend

vermogen, andere bevolkingsgroepen, tegenwoordig dik-

wijls de vergeten groepen genaamd, wier toekomstig

inkomen, bijv. krachtens pensioen of verzekering, in

guldens is vastgelegd, hun aandeel in de nationale wel-

vaartskoek verminderd zien.

Is de handhaving van de geldswaarde alleen uit recht-

vaardigheidsoogpunt al belangrijk, niet minder is dit

het geval ter waarborging van de stabiliteit in het bedrijfs-

leven, waaraan het vertrouwen kan worden ontleend

voor het ontplooien van nieuwe activiteiten en onder-

nemingen.

Welnu, als de handhaving van de geldswaarde of m.a.w.

het voorkomen van inflatie zo belangrijk is en als het

waar is, dat de dreiging ener infiatoire beweging in 1955

zo groot ‘was als uit het voorafgaande bleek, dan is het

de moeite waard om na te gaan, welke factoren tot deze

voor de welvaartsspreiding zo belangrijke ontwikkeling,
te weten de breideling van de infiatiedreiging, het meest

hebben bijgedragen. Wij zouden drie dergelijke factoren

met name willen noemen en twee daarvan nader willen

belichten:

Het waakzame oog van de Regering, die niet ge-
schroomd heeft op te treden zowel met de Prijzen- en

Hamsterwet als met het Kartelbesluit. Door toepassing

van eerstgenoemde wet konden rechtstreeks prijsverlagin-

gen worden uitgelokt en naar het oordeel der Regering

te hoge marges in verschillende handelsgeledingen worden

teruggebracht. Door toepassing van het Kartelbesluit

werd de vrije concurrentie opengehouden en voorkomen,

dat door ondernemersafspraken over prijzen e.d., moge-

lijkheden tot prijsverlaging niet zouden worden gereali-

seerd. Over dit onderwerp zou nog heel veel te zeggen zijn;

wij moeten evenwel daaraan voorbijgaan, om ons in het

bijzonder bezig te houden met andere factoren, die de

stabiliteit van het prijsniveau bevorderd hebben, te weten:

De prjsontwikkling, zowel nationaal als inter-

nationaal, van een aantal landbouwprodukten.

De spaarzaamheid van de Nederlandse bevolking,

waarin alle tot nu toe bekende records verbeterd zijn.

Met deze beide punten te noemen zijn wij nog meer in

het bijzonder gekomen tot het eigenlijke onderwerp,

waaraan wij een beschouwing zouden willen wijden.

De prijsontwikkeling voor produkten van de landbouw.

Wij spraken reeds over de geringe stijging van het

110

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari 1956

prijsindexcijfer voor levensonderhoud in 1955. Ook zeiden

wij, dat men anders had kunnen verwachten op grond
van de nominale loonstijging gepaard gaande met een

uitbreiding van de werkgelegenheid. Daarbij hadden wij

ook nog kunnen verïnelden de stijging van de huisvestings-

kosten in verband met de tot stand gekomen huurver

hogingen. Het prijsindexcijfer voor huisvesting is ni.

gestegen, indien daarvoor het jaar 1951 op 100 wordt

gesteld, van 102 tot 111 in
1954,
terwijl, bij benadering

bepaald, dit voor 1955 kan worden gesteld op 113.

Ondanks loonstijging en ondanks huurstijging hebben

wij derhalve een stabiel prijsniveau kunnen behouden.

Hoe kan dit worden verklaard? Goeddeels is dat te dan-

kn aan de stabiliteit van de prijzen der voedingsmiddelen

en die kan op haar beurt weer worden verklaard, ondanks

de prijsstijging voor bepaalde, artikelen, door de daling
van de prijzen voor afgeleverde produkten van de land-

bouw. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kent af-
zonderlijk een prjsindexcijfer voor afgeleverde akker-

bouwprodukten en voor afgeleverde veehouderijproduk-

ten. Op basis 100 voor de gemiddelde prjsindex voor de

jaren 1949/1950-1952/1953 beliep het prjsindexcijfer

voor de afgeleverde landbouwprodukten 113 in 1953,

103 in 1954 en, wederom bij benadering vastgesteld, 98

voor
1955.
Het prjsindexcijfer voor afgeleverde vee-

houderjprodukten vertoont een meer stabiel verloop.

Het beliep 103 voor 1953, eveneens 103 voor 1954 en

zal voor 1955 iets beneden 103 uitkomen.

Hiermede komen we aan de keerzijde van de medaille

van het stabiele prijsverloop. Het is verkregen o.a. dank

zij de minder gunstige uitkomsten in de landbouw.

Verschillende sectoren in de landbouw hebben met lagere

prijzen genoegen moeten nemen en de gevolgen daarvan

voor de rentabiliteit van het landbouwbedrijf zijn niet

uitgebleven. Geen wonder, dat velen in de Tweede Kamer

zich bevreesd toonden over deze ontwikkeling en daarvan

bij de behandeling van de begroting van het Ministerie

van Landbouw deden blijken. Zij vroegen de Minister

om nadere cijfers en gegevens en deze moest erkennen, dat,

terwijl enerzijds het prjsindexcijfer voor de de landbouw

beïnvloedende kostenfactoren voor het oogstjaar 1954/55

op basis 1949/50 = 100 was gestegen tot 133, op

dezelfde basis genomen het prjsindexcijfer voor het totaal

der landbouwprodukten voor het oogstjaar
1954/55

niet hoger uitkwam dan 117. M.a.w. de prijzen blijven ver

achter bij de kostenstijging en de nadelige invloed daar-

van wordt in genen dele door verhoogde afzet goed-
gemaakt. Het behoeft dan ook geen verwondering te

wekken, dat voor een aantal landbouwbedrjven het ge-

zinsinkomen in guldens per ha cultuurgrond is gedaald
1)

en dat dienovereenkomstig het aandeel van de land-

bouw in het nationale inkomen, dat in 1952 nog 14 pCt.
van het totaal beliep, in de jaren 1953 en .1954 is terug-

gelopen tot 12 pCt., waarbij in aanmerking moet worden

genomen, dat in Nederland 19 pCt. van de bevolking in

de landbouw werkzaam is. Daartegenover ziet men voor

de genoemde jaren 1953/1954 een stijging van het aandeel

van de nijverheid in het nationale inkomen van 42 tot

45 pCt. Hierbij dient te worden aangetekend, dat de

werkgelegenheid, waaronder wordt verstaan de arbeid die

is verricht, in de landbouw gedurende de jaren
195 1/1953

is gedaald van 512.000 tot 505.000 manjaren, terwijl aldus

uitgedrukt de werkgelegenheid in de nijverheid is ge-

stegen van 1.602.000 tot 1.613.000 manjaren.

‘) De Minister heeft daarover een gedetailleerd overzicht voor de verschillende
bedrijfstypen aan dc Kamer overgelegd.

De spaarzaamheid van de Nedei’landse bevolking.

Wij menen hiermede voldoende te hebben aangetoond,

dat de stabiliteit van het prijsniveau mede verkregen is

loor het achterblijven van de prijzen der landbouw-

produkten. Op een andere belangrijke factor voor de

handhaving van de stabiliteit van het prijsniveau hebben

we nog gewezen, nl. de spaarzaamheid van de Neder-

landse bevolking. Van de beschikbaar gekomen grotere

koopkracht, die ontstond doordat meer mensen in het

arbeidsproces waren ingeschakeld, die tegelijkertijd per

hoofd meer verdienden dan een jaar tevoren, had een

prjsstijgende werking kunnen uitgaan. Dat deze is achter-

wege gebleven, is ook daaraan te danken, dat eén deel

van de verdiende inkomens niet is uitgegeven maar is

bespaard. De cijfers wijzen uit dat er flink is gespaard

in
1955;
ook wat dat betreft zijn records gebroken.

Beliep in 1954 het spaarsaldo, d.i. het overschot van

inlagen en terugbetalingen, bij de Bondsspaarbanken

een bedrag van f. 194 mln., op grond van tot nu toe be-

kende cijfers kan het spaarsaldo bij de Bondsspaarbanken

worden gesteld op f. 214 mln. Voor de Rijkspostspaar-

bank belopen de ov.ereenkomstige cijfers f. 68 mln. voor

1954 en f. 157 mln. voor
1955.
Voor de Boerenleenbanken

aangesloten bij de Centrale Raiffeisen-Bank, Utrecht

resp. f. 83 mln. voor 1954 en f. 107 mln. voor
1955.
Voor

de Boerenleenbanken aangesloten bij de Centrale Boeren-

leenbank, Eindhoven resp. f. 47 mln. en f. 85 mln. Het

totaal spaarsaldo bij de genoemde spaarinstellingen kan

derhalve voor
1955
worden gesteld op f. 563 mln, tegen-

over f. 392 mln. voor 1954, dat is f. 171 mln. meer.

Voor ons onderzoek is het belangrijk na te gaan de

relatieve betekenis van de genoemde cijfers voor de

spaarvorming bij de verschillende spaarinstellingen.

Wij zijn tot het navolgende resultaat gekomen:

1954
1955
in 1954 relatieve
spaar-
spaar-
1

inleggers
toeneming
saldo
saldo
tegoed 31/12
in pCt.

Rijkspostspaarbank
68
157
1.503
10,4
Bondsspaarbanken
194
214
1.595
13,4
Borenleenbanken Utrecht
83
107
1.369
7,8
Boerenleenbanken

Eind-
47
85
677
12,6
hoven

…………….
Totaal

……………..
392
563

Voorop gaan de Bondsspaarbanken met een relatieve

toeneming in 1955 van het spaartegoed per ultimo 1954

van 13,4 pCt.; dan volgende Boerenleenbanken, aangeslo-

ten bij de Centrale Bank van Eindhoven, met een relatieve

toeneming van 12,6 pCt.; vervolgens komt de Rijkspost-

spaarbank met een relatieve toeneming van het spaarders-

tegoed in
1955
met 10,4 pCt. en de boerenleenbanken,

aangesloten bij de Centrale Raiffeisen-Bank van Utrecht
sluiten de rij met een relatieve toêneming van het spaar-

derstegoed met 7,8 pCt. Dit geldt ook, indien wij alle

boerenleenbanken samen nemen; men komt dan uit

op 9,4 pCt.

Interessanter nog wordt het beeld, indien wij de

gevonden procentuele toeneming van het spaarders tegoed

voor de verschillende spaarinstellingen naast elkaar

stellen voor de jaren
1953,
1954 en
1955.
Wij krijgen

dan het navolgende beeld:

Procentuele toeneming van het spaarderstegoed

R.P.S.
Utrecht
Eindhoven
Bosdapaar-1

2.5
12,2

7.6

5,2
1953

………………..
4,9

14,2
6,6
7,6
1954

………………..
1955

……………….

10,4 13,4
7,8
12,6

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

111

Zo gezien blijven de boerenleenbanken bij de andere

spaarinstellingen achter. Frappant is de aanmerkelijke

toeneming bij de Rijkspostspaarbank. De verklaring

daarvoor zal gedeeltelijk hierin moeten worden gezocht,

dat reeds in
1955
de Rijkspostspaarbank in feite het rente-

dragend tegoed heeft verhoogd van f. 2.500 tot f. 6.000,

zoals in de loop van
1955
bij de wet werd geregeld.

Overigens kan ook worden opgemerkt, dat het over

wegend werknemers zijn, die bij de Rijkspostspaarbank

sparen en die derhalve het meest tot de stijging van het

spaartegoed bij de Rijkspostspaarbank zullen hebben

bijgedragen.

Een ander opmerkelijk verschil is, dat de spaarvorming
bij de boerenleenbanken van de groep Utrecht achterblijft

bij die van de groep Eindhoven. Hiervoor kunnen ver-

schillende verklaringen worden gegeven. Zo is de be-

tekenis van de tuindersstreken voor de boerenleenbank-

Organisatie van Eindhoven relatief groter dan voor de

boerenleçnbankorganisatie van Utrecht. Voor deze laat-

ste zullen de resultaten van de akkerbouw het zwaarst

wegen. Uit de vooraf medegedeelde cijfers blijkt, dat

juist deze achterblijven, terwijl de resultaten van de

groenten- en fruitbedrjven in 1955 beter zullen zijn dan

in 1954, zoals kan worden afgeleid uit d7e hogere veiling-

omzetten.

Voor de spaarvorming bij de boerenleenbanken van

de groep Eindhoven zijn ook van belang geweest de

uitkeringen van de Rijksdienst voor Landbouwherstel

in de vorm van aanvullende rijksbijdragen in de oorlogs-

schade aan bedrjfsuitrusting. Hiermede is tot nu toe

een bedrag gemoeid geweest van ca. f. 34 mln., die in

(Ingezonden mededeling)

Knellende belastingen

zijn zeer ‘onaangenaam, maar knellende schoenen niet

mÏnder. Dit laatste
is
echter gemakkelijk te voorkomen.

Met BATA’s keurcollectie DIPLOMAT-schoenen ver-

mijdt U dat risico – die voelt U beslist niet in het

dragen!

hoofdzaak in de provincie Noord-Brabant, Gelderland
en Limburg tot uitkering zijn gekomen. Van ongeveer

26.000 verzoeken om een zodanige aanvullende bijdrage

waren ruim 20.000 verzoeken van deze provincies af-

komstig, die overwegend het werkgebied vormen van de

boerenleenbankorganisatie van Eindhoven. Hieruit blijkt,

dat vooral de boerenleenbanken van de groep Eindhoven

van deze uitkeringen de gunstige invloed hebben onder-

vonden.

Indien mennu voorts zou willen vergelijken de spaar-

vorming in de stad en ten plattelande zou men naast

elkaar kunnen stellen de ontwikkeling van de spaar-

tegoeden bij de Rijkspostspaarbank en de Bondsspaar-

banken enerzijds en bij de boerenleenbanken aan de

andere kant. Daarbij zal men er evenwel rekening mede

moeten houden, dat het platteland zeer zeker ook bij de

Rijkspostspaarbank spaart en dat omgekeerd de spaar-

vorming bij de boerenleenbanken lang niet uitsluitend

van agrarische herkomst is.

Inleggerstegoed (x f. 1 mln.)
In pCt

van het totaal

Jaar
Algemene
F

Rijkspostspaar-
Boerenleen-
Totaal
Algemene
Rijkapoat-
Boerenleen-
apaarbanken
1

banken banken
spaarbanken
spaarbank
banken

1950 1.117 1.365
1.574
4.056
27,5
33,7 38,8
1951
1.105 1.298
1.582
3.984 27,7
32,6
39,7
1952
1.190
1.338
1.717
4.244
28
31,5
40,5
1953
1.364 1.402 1.874
4.639 29,4


30,2
40,4
1954 1.595 1.503
2.047
5.145
31,1
29,3
396
1955
1.848 1.698
2.295
5.841
31,6
29,1 39,3

We constateren derhalve sedert 1952 een overigens

geringe daling van het procentuele aandeel van de boeren-

leenbanken in het spaarderstegoed.
1
1
Deze verliezen

terrein aan de Bondsspaarbanken en de Rijkspost-

spaarbank samen, waaruit een aanwijzing zou kunnen

worden geconcludeerd, dat de mogelijkheden om te sparen

in de stad en in het bijzonder bij de werknemers (let op de

groei der spaarmiddelen bij de Rij kspostspaarbank)

groter zijn dan in de agrarische sector, die overwegend

bij de boerenleenbanken spaart. Nu behoeft een achter-

blijven van de mogelijkheden in de agiarische sector om

geld naar de boerenleenbank te brengen nog niet per se

te duiden op een geringer aandeel in de welvaarts-

ontwikkeling. Men zal immers in de agrarische sector

rekening moeten houden met investeringen, die in de

bedrijven hebben plaats gevonden. Volgens mededelingen

van de Minister van Landbouw in de Memorie van

Antwoord bij de Begroting van zijn Ministerie waren de

investeringen in vaste activa in de landbouw en Visserij

in 1955 niet onbeduidend hoger dan in 1954, nl. f. 150

mln. tegenover f. 290 mln. Ook de cijfers betreffende de

voorschotverlening bij de boerenleenbanken wijzen

daarop. Bij de boerenleenbanken van de groep Eindhoven

alleen kunnen de in 1955 nieuw verleende voorschotten

worden gesteld op een bedrag van f. 70 mln., te vergelijken

met een bedrag van f. 50 mln, voor 1954. Hierbij kan

worden aangetekend, dat van het totaal der bij de boeren-

leenbanken van de groep Eindhoven uitstaande voor-

schotten ruim .72,5 pCt. betrekking heeft op uitleningen

in de land- en tuinbouwsector. Voor de groep Utrecht

belopen de overeenkomstige cijfers f. 100 mln. voor

1954 en ongeveer f. 138 mln. voor 1955. Uit de mede-

gedeelde cijfers kan worden afgeleid, dat ongetwijfeld de

investeringen in de landbouw in het bijzonder om te

komen tot een verdere modernisering van, de bedrijven

de geldoverschotten in de agrarische sector ongunstig

hebben beïnvloed.

Een belangrijk punt is tot nu toe nog niet in de be-

schouwingen betrokken, alhoewel het even werd aan-

geduid, nI. in hoeverre de besparingen bij de boeren-

leenbanken geacht kunnen worden van land- en tuinbouw

afkomstig te zijn. Hiernaar is in de loop van 1955, op

basis van de cijfers
1954,
in de boerenleenbankorganisatie

van Eindhoven een onderzoek ingesteld. De navolgende
resultaten kwamen daarbij aan het licht.

Voor Noord-Brabant bleek, dat de spaarsaldi voor

74 pCt. toebehoorden aan landbouwers en rustend land-

bouwers, voor 9,1 pCt. aan arbeiders en voor
8,5
pCt.

aan middenstanders. Voor Limburg waren de overeen-

komstige percentages 62,8 voor landbouwers en rustend

landbouwers, voor de arbeiders 13,6 en voor de midden-

standers 11,9.

112

,.
ECONOMISCH-STATISTISCHE

BERICHTEN

8 februari
1956

Deze percentages zijn vastgesteld naar de toestand op

een bepaald tijdstip. Interessant is om te trachten tot

een aanduiding te komen van de ontwikkelingstendentie.

Wel nu, ook daarvoor kunnen enige cijfers worden ge-

geven, en wel als resultaat van een enquête, die voor dit

doel door het Bijkantoor van de Centrale Boerenleenbank
te Arnhem werd georganiseerd met behulp van een aantal

kassiers in Gelderland en Overijssel. Door de resultaten

van deze enquête kwam duidelijk vast te staan, dat het

aandeel van de landbouwers in de spaarsaldi bij de

boerenleenbanken afneemt en dat van de arbeiders-

bevolking toeneemt.

Voor Gélderland werd wat betreft de spaarsaldi

geconstateerd. een terugloop van 1 januari-tot 30 novem-

ber 1955 van het aandeel van’de landbouwers en rustend

landbouwers in de spaarsaldi van 62,5 tot
60,5
pCt.

Daartegenover een stijging van het aandeel van de

arbeiders van 11,8 tot 13,4 pCt. en van dé middenstanders

van 14,6 tot 14,8 pCt.

Voor Overijssel zijn de overeenkomstige percentages

alsvolgt:

Vergelijking van de ontwikkeling der spaargelden

1 januari
1955

30 november
1955

Landbouwers en rustend landbouwers
66,2
59,3
15,9
20
7,8 8,6
Voor Salland alleen:

Arbeiders

………………………….
Middenstanders

…………………….

Lândbouwers en rustend landbouwera
75,8
73,7
9,8
10
1
4
Arbeiders

…………………………
Middenstajiders

…………………..
7
7,7

t

Deze verschuivingen in het aandeel van de verschillende

bevolkingigroepen in de spaarsaldi bij de boerenleen-

banken zullen ten nauwste samenhangen met de versnelde

opneming door de industrie van jonge boerenzoons, die

voorheen in de landbouw medewerkten zonder (laarin
uitzicht te hebben op een eigen zelfstandig bestaan. In

het agrarisch welvaartsplan voor de provincie Noord-

Brabant, dat onlangs door het Provinciaal Bestuur van

dat Gewest werd uitgegeven, werd becijferd, dat voor die

provincie alleen het aantal van dergelijke boerenzoons

in de jaren
1953/54
op 10.000 kon worden gesteld. Aldaar

is de aangeduide ontwikkeling van opzuiging van in de
landbouw overtollige arbeidskrachten door de industrie

zo snel gegaan, dat, naar insiders hebben te kennen

gegeven, veilig mag worden aangenomen, dat praktisch,

althans voor het ogenblik, het toekomstprobleern voor

.deze agrarische jongeren niet meer bestaat. Zij zouden

in de loop Nan het jaar
1955
de stap naar de industrie

of naar de bouwvakken hebben gezet. En ongetwijfeld

moger we het effect daarvan op de spaarvorming bij de

boerenleenbanken niet onderschatten. Stellen wij ons

voor, dat in Noord-Brabant 10.000 jonge mensen op

de dorpën, zoals daar geleefd wordt, f. 50 of meer per

week mee naar huis brengen, dan mogen we veilig aan-

nemen, dat deze inkomsten de gezinspot hebben ver-

sterkt, zonder dat daartegenover voorshands – met volle

nadruk op ,,voorshands” – extra behoeften of uitgaven

hebben gestaan. Dat een goed deel van de aldus binnen-

gekomen gelden zijn weg naar de boerenleenbank heeft

gevonden mag geredelijk worden aangenomen, evenals

dat zich in Gelderland . en. Overijssel overeenkomstige

verschijnselen hebben voorgedaan. Dit wordt door de

cijfers omtrent de gesignaleerde verschuivingen bevestigd

en wel te sterker, indien in aanmerking wordt genomen,

dat deze verschuivingen niet alleen gelden voor het aan-

deej van de verschillende bevolkingsgroepen in de
spaar,

saldi, maar ook voor de aantallen uitgegeven spaar-

boekjes
2
).

Uit de ingestelde enquête is immers gebleken, dat wat

de arbeiders betreft de procentuele stijging van hun aan-

deel in de spaaractiviteit bij de boerenleenbanken zich

niet beperkt tot d spaarinlagen maar ook betrekking

heeft op het procentuele aandeel in de aantallen uit-

gegeven boekjes. Voor de arbeidersgroep is deze stijging

parallel voor het procentueel aandeel in de spaarboekjes

en in de spaarsaldi. Anders ligt dit voor de middenstan-

ders: de procentuele stijging in de spaaractiviteit bij de
boerenleenbanken heeft voor deze groep alleen betrek-

king op de spaarsaldi en niet op het aantal spaarboekjes.

M.a.w. meer arbeiders hebben gezamenlijk meer bij de
boerenleenbanken gespaard; het gemiddeld bedrag per

spaarboekje is gelijk gebleven. Wat de middenstands-

groep betreft, is het aantal spaarboekjes nagenoeg gelijk

gebleven, zodat bij stijging van het procentueel aandeel

in de spaarsaldi het gemiddeld op de spaarboekjes der

middenstanders ingelegd bedrag hoger is komen te liggen.

Deze verschuivingen in het patroon van de spaarders

bij de boerenleenbanken duiden in het algemeen op een

structurele wijziging van de bevolkingssamenstelling op

het platteland, een probleem dat voor de landbouw en

de landbouwinstellingen hoogst interessant is, maar

waarop thans niet kan worden ingegaan.

Conclusies.

Uit het voorafgaande betoog zouden de navolgende

conclusies kunnen worden afgeleid:

De prjsindexcijfers voor afgeleverde landbouw-

produkten zijn niet onaanzienlijk gedaald; daar-

– tegenover zijn de kostenindexcijfers gestegen.

Dienovereenkomstig zijn de gezinsinkomsten in

geld per ha. cultuurgrond voor het merendeel der

bedrijven gedaald.

Hetzelfde geldt voor het procentueel aandeel van de

landbouw in het nationaal inkomen.

Ook de spaarcijfers bij de boerenleenbanken duiden’

op een overeenkomstige ontwikkeling, waarbij even-

wel dient te worden opgemerkt, dat deze met grote

omzichtigheid dienen te worden gehanteerd.

Uit de medegedeelde cijfers is gebleken, dat:

bij het totaalvan de boerenleenbanken de procen-

tuele stijging van het spaarderstegoed in
1955
ligt

– beneden het stijgingspercentage van de andere spaar-

instellingen;

ft

het-aandeel van de boerenleenbanken in het totale

spaarderstegoed hij alle spaarinstellingen terugloopt;

uitkeringen in de vorm van aanvullende rijks-

bijdragen in de oorlogsschade aan bedrijfsuitrusting

de spaarinlagen gunstig hebben beïnvloed; de toe-

neming van de investeringen in de landbouw een

tegengestelde invloed hebben uitgeoefend;

een verschuiving .heeft plaats gevonden wat betreft

het aandeel van de verschillende bevolkingsgroepen

in de door de boerenleenbanken uitgegeven spaar-

boekjes en in de spaarsaldi. Deze verschuivingen bij

de boerenleenbanken zijn gekomen ten gunste van

dè arbeiders en middenstanders en ten nadele vari

de landbouw.

Eindhoven.

Mr. Ph. C. M. VAN CAMPEN.

‘) Ook had nog kunnen wordn gewezen op het verschijnsel, dat eigesaren
van kleine
bedrijfjes
hun gronden verkopen en eveneens nasr de industrie
overgaan.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

113

Kartelregelingen inzake het op termijnbètaling aanbieden

van merkartikelen

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorgani-
satie heeft bekend gemaakt dat hij de Commissie Be-

drjfsregelingen verzocht heeft advies uit te brengen om-

trent de vraag of er aanleiding bestaat, op te treden

tegen bepaalde kartelregelingen inzake het op termijn-

betaling aanbieden van merkartikelen. Met name is

advies gevraagd omtrent de opslagen die ten minste

boven de door de leveranciers vastgestelde bruto ver-

koopprijzen â contant, in rekening moeten worden ge-

bracht. Hét betreft hier kartebeglingen t.a.v. het op

termijnbetaling aanbieden van rijwielen, haarden, stof-

zuigers, wasmachines, radio- en T.V.-toestellen, piano’s,

orgels, karpetten en matrassen.

Bedoelde kartelregelingen zijn getroffen door of onder’

pressie van detaiffisten die meneh dat het aanbieden van

kredietfaciliteiten gelijk gesteld kan worden met het

aanbieden van een korting op de prijzen en daarom bij

aarbieding van merkartikelen op termijnbetaling een

opslag bedongen moet worden boven de voor die artikelen

vastgestelde prijzen. Andere detaillisten menen echter

dat zij het recht hebben om hun klanten krediet aan te

bieden als service, omdat in de detailhandel nu eenmaal

alle diensten als service aangeboden plegen te worden.

Er zijn detaillisten die als service aanbieden: grote voor-

raden, uitgebreide asortimenten,

kapitale winkelpa-

leizen, pakkende etalages, kostbare advertenties, bedie-

ning door veel en vakkundige verkopers, advies, demon-

straties, thuisbezorging en vele andere kQstbare diensten.

Om deze en dergelijke diensten werd nooit een detaillist
gedwongen tot het bedingen van opslagen boven de vast

gestelde prijzen van merkartikelen. Deze detaillisten

vragen zich nu af waarom alleen het aanbieden van
krediet gehandicapt zou mogen worden door er een

opslag voor te moeten bedingen.

Aldus wordt gestreefd naar uitschakeling der concurrentie

Het op termijnbetaling aanbieden van merkartikelen

tegen de algemeen geldende verkoopprijzen kan een zeer

succesvolle distributiemethode zijn, zoals de ervaring

leert. In plaats van eveneens deze succesvolle methode

te gaan toepassen, hebben groepen detaillisten pressie

uitgeoefend op hun organisaties of op hun leveranciers,

teneinde het toepassen van deze methode te doen ver-

bieden, althans te doen handicappen.

Het stelsel der vastgestelde minimum-verkoopprijzen

schakelt’ de concurrentie reeds ten dele uit en wordt

daarom in sommige landen als ontoelaatbaar afgewezen.

Als echter niet alleen de prijzen, maar ook nog de te

verlenen service aan banden gelegd zou mogen worden,

dan opent dit de weg naar de totale uitschakeling der
concurrentie. Tegen het zo hardnekkige streven naar

uitschakeling der concurrentie is reeds vaak en met

klem gewaarschuwd, oa. in het rapport van de Orga-

nisatie voor Europese Economische Samenwerking, ge-

titeld ,,Productivity in the distributive trade in Europe”.

Hierin wordt gezegd op blz. 105:

,,Te vaak reeds hebben handelaren zich tot hun organisaties
gewend of tot de wetgevende macht, om beschermende maatregelen,
als zij zich geplaatst zagen tegenover scherpe concurrentie. Te
vaak reeds hebben zij het publiek en zichzelf misleid met beschul-
digingen over ,,oneerlijke concurrentie” en over ,,prijsbederf”,
in plaats van hun eigen in- en verkoopmethoden te herzien en in

plaats van de hulp van hun organisaties in (e roepen teneinde hen in staat te stellen op efficiëntere wijze te concurreren”.

En de Directeur-Generaal voor Handel en Nijverheid

verklaarde in zijn rede tijdens het ,,Rijwielcongres
1955″:

,,Dit streven (naar uitschakeling der concurrentie) Ieidttot achter-
uitgang en in zijn uiterste consequentie tot ondergang”.

Aldus )vordt dè produktiviteit in de handel beperkt
In dit verband moge volstaan worden met te verwijzen

naar het hierboven reeds geciteerde O.EE.S-rapport,

hetwelk speciaal aan dit onderwerp is gewijd. Als voor

waarde voor een bevredigende produktiviteit in de

handel wordt hier genoemd:

,,Het is noodzakelijk om de toepassing van nieuwe ideeën, nieuwe
technieken en nieuwe methoden in de distributie ongehinderd toe
te laten en te bevorderen”.

En dat het aanbieden van service hier eveneens be-

doeld is moge blijken uit de toelichting die erop volgt:

,,Natuurljk is verlaging van distributiekosten en prijzen niet de
enige doelstelling van pogingen om, de produktiviteit in de handel op te voeren. Het bieden van meer service en van service die beter
past bij de behoeften van de consument kan de doelstelling zijn in
sommige gevallen, terwijl in andere gevallen gestreefd zal worden
naar verlaging der distributiekosten”.

Intussen zullen de handelaren niet bereid zijn de

nieuwe distributiemethoden ongehinderd toe te laten
(om van bevorderen nog maar niet te spreken) als zij

hun denkbeelden ta.v. de concurrentie in het algemeen

niet herzien. Daarom luidt de eindconclusie van dit

rapport:

,,Het is noodzakelijk de handelaren ertoe aan te sporen hin ver-
trouwen te stellen in het overtroeven van elkaars prestaties (,the
belief in doing a job better than the next man”). De handelaren
moeten ertoe aangespoord worden de concurrentie van hun rivalen
te willen weerstaan door grotere inspanning, gericht op toenemende
omzetsnelheid, en toenemende omzetsnelheid te gaan waarderen
als de sleutel tot een welvarend bedrijf, méér dan hun winstmarges, kortingen en omzetbonussen”.

De concurrentie dient dus gezien te worden als een

wedloop en niet als een bokswedstrjd. In een wedloop

heeft het als eerste aankomen slechts waarde als er goede

,,tijden” gemaakt zijn en niet als men ondanks slechte

prestaties als eerste is aangekomen omdat men sterke

rivalen van mededinging heeft kunnen uitsluiten.

Mede met het oog op de conjunctuerele vooruitzichten

zal het nodig zijn om de produktiviteit in de handel

op te voeren opdat die tenminste gelijke tred zal houden

met de produktiviteit in de voortbrenging en ook dar-

.om zullen de bçdoelde kartelregelingen als onaanvaard-

•baar moeten worden afgewezen. Het zal er in de komende

jn waarschijnlijk weer op aan komen of de handelaren

vmr massadistributie kunnen zorgen, waar de fabri-

kanten massaproduktie bereiken.

Een volkomen subjectieve opvatting over de taak van de

ondernemer.

Zij die dergelijke kartelregelingen voorstaan beschou-

wen het blijkbaar als hun taak om winst te maken en

hun bedrijf tot bloei te brengen. Bezien van subjectief

standpunt moge dit streven gezond zijn, maar daarnaast

zal de ondernemer zijn taak ook objectief moeten be-

zien om tot een juist beeld te kunnen komen. Hierop

114

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari 1956

werd ook gewezen door de voorzitter van het Verbond

van Nederlandse Werkgevers, in diens grote rede tijdens

de te Middelburg gehouden jaarvergadering. Sprekend

over de verantwoordelijkheid van de ondernemers bij

het hanteren van hun recht tot kartelvorming, zei de heer

Twijnstra:

,,Het is de taak van de ondernemer de behoeften der gemeenschap
te bevredigen, en wel
op
de meest efficiënte wijze”.

De consument is de enige reden van bestaan voor

welke onderneming dan ook en de ondernemers zijn er

om zijn behoeften te ‘bevredigen. Maar dan heeft de

consumeit het recht om uit te maken waaraan hij be-

hoefte heeft en hoe hij die behoeften bevredigt wenst te

zien. Daarom heeft de consument recht op de vrije con-

currentie van zijn leveranciers en als hij behoefte heeft

aan kredietfaciliteiten als service, dan tast men zijn

recht aan door bepaalde detaillisten te beletten die

faciliteiten als service te bieden.

Bij geen enkele vraag over produktie of distributie

mag hçt standpunt’ van de consument verwaarloosd

worden. Als er dus consumentenkrediet wordt aangebo-

den dan moet dit gedaan worden op voorwaarden die

voor de consument aantrekkelijk kunnen zijn en met

name voor de kredietwaardige consument. Tot nu toe

is dit krediet slechts aangeboden op voorwaarden die

op z’n best aantrekkelijk konden zijn voor consumenten

die niet of nauwelijks kredietwaardig zijn er die er dan

ook het eerst en het meest gebruik van hebben gemaakt.

Tegenwoordig ontvangen vrijwel allen hun inkomen

per maand of per week, terwijl de duurzame gebruiks-

goederen een steeds grotere plaats zijn gaan innemen;

goederen waarvan de consument eerst in de loo.p van
jaren de behoeftenbevrediging kan ontvangen die erin

,,verpakt” zit. Het zou wel zeer onredelijk zijn om te

verwachten dat de consument vandaag zal willen, of

zelfs maar zal kunnen betalen voor wat hij in de komende

jaren aan behoeftenbevrediging uit een duurzaam pro-

dukt zal ontvangei. Zo is er in enkele tientallen jaren

een behoefte ontstaan aan afbetalingskrediet, en het is

de taak van de ondernemer om ook deze behoefte te

bevredigen op de meest efficiënte wijze, z6 dus dat er

van dit krediet gebruik gemaakt zal worden door de

kredietwaatdige consumenten, die in ons land de over-

grote meerderheid vormen. Bedoelde kartelregelingen

beletten dit want de kredietwaardige consument ver-

wacht dit krediet als service aangeboden te krijgen van

zijn winkelier.

Schiedam.

F. J. G. SCHRIJVER.

Economische k-roniek van Indonesië

(4e kwartaal
1955)

Indonesië en Zuid-Oost-Azië.

Juist voor de jaarwisseling ontving uw koniekschrjver

het 7e Bulletin van de Bank, handelende over het 3e

kwartaal
1955.
Opnieuw werd hij getroffen door het feit,

dat de Bank ondanks de overbelasting van haar staf toch

tot zulk een gedegen overzicht van de economische

bewegingen en hun oorzaken kon geraken. Haar inleiding

over de internationale economische ontwikkeling legt

verband tussen het wereldgebeuren en hetgeen zich in

Indonesië afspeelt. In een overzicht van de economische

ontwikkeling in Zuid-Oost-Azië laat de Bank zien hoe

Indonesië zich houdt in vergelijking met zijn buurlanden.

Onderstaand overzicht is een samenvatting en her-

groepering van de cijfers die de Bank periodiek publi-

ceerde, aangevuld met cijfers uit het inmiddels ver-

schenen december-nummer van ,,International Financial

Statistics”, het tijdschrift Waaruit ook de Bank haar

gegevens put
1).
Voorts konden voor Indonesië nog cijfers

over het 4e kwartaal worden opgenomen na omrekening

van
J?e
door de Bank Indonesia en het Centraal Kantoor

voor de Statistiek verstrekte cijfermateriaal.

Telkenmale tracht de Bank de voornaamste oorzaken

aan te geven van de verschillen in beweging, die de –

o’erigens in zo menig opzicht vergelijkbare – landen in

de onderdelen van hun betalingsbalans vertonen. Het

zou te ver voeren zelfs maar een summiere samenvatting
van deze oorzaken te geven. Slechts zij de aandacht erop

gevestigd, dat:

Burma
een vermindering van de deviezenreserves te

zien geeft bij dalende exportopbrengsten en dalende

import;

‘) Japan en Malaya (mci. Singapore) zijn niet in het overzicht opgenomen.
Inverband met de noodzaak tot beperking zijn juist zij er uitgelaten, omdat deze
gebieden in het gegeven verband moeilijker als vergelijkingsmateriaal kunnen
dienen dan d andere buurlanden. Thailand is weggelaten wegens tekort aan cijfer-

de Philippijnen
een vermindering van de deviezen-

reserves vertonen bij stijgende export en sterker

stijgende import;

Pakistan’s
reserves verbeteren bij dalende export maar

sterker dalende import;

India
over de gehele lijn niet meer dan relatief kleine

schommelingen vertoont;

Ceylon’s
exportopbrengsten geleidelijk verbeteren en

meer nog zijn deviezenreserves. Zulks door de

dalende trend in de import;

Indonesië
vrij grote schommelingen laat zien in de

deviezenreserves en de exportopbrengs ten, waarbij

de import met een grote ,,time-lag” schijnt te

volgen.

Overzicht van enkele betalingsbalanscijfers

van enige landen in Zuid-Oost-Azië

(bedragen in mln. U.S. $)

Goud en deviezen- reservés per ultimo
Burma
Ceylon
I

India
1

Ind o-
nesië
Pa-
kislan
Philip-
pij nen

december

1953 211 114
1.765
212
296
240
juni

1954
182
151
1.809
157
299 246
december

1954
124
169
1.782
248
328
207
maart

1955
107 182
1.780
272 326
189
juni

1955
92
188
1.751
257
….327
192
september

1955
86
201
1.758
267

192
december

1955



ca. 303
– –

Exportopbrengst (f.o.b.)

291 315
1.296
987
532
352
238
329
1.116
820 439
392
251
380
1.182
856
359
405

1952

………..

253 448 1.279
802
422
370

1953

………..
1954

………..


350
1.104
835 398
461
ie kw.

1955

………..
2e

kw.

1955

………..

377 1.393
934
382

3e kw.

1955

………..
4e kw.

1955

………..
– – –
(1.037)x)
– –

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

115

Importen (c.i.f.)
Burma
Ceylon
India

192
357
1.672
972
610
477
338 1.197 753
349
479 204
293 1.252
629 324
541

1952

…………

211
299
1.424 528
353
600

1953

………..177
1954

…………

174
309 1.290
551
257
682
Ie

kw.

1955

………..
2e kw.

1955
………..
152x)
292
1.253
619 305

3e

kw.

1955

………..
4e

kw.

1955

………..



716’x)

Saldi handelsbalans

1952
+
99

43
-376
+

15

78


125
61

9

74
+
67
+
90


87
+
36
+
87

70
+
227

+
35

-139

………..+

1
-63
+
149
-145
+274
+
70

-230
1
…………..
2e
k

1955

+
41
-186
+
284
4.
141

-221
3e

kw:

1955

::.::::::
::

+
64

+
136
+
351


4e kw.

1955
– –
+
321 x)

N.B. 1 De met een x) gemerkte getallen zijn gebaseerd op data van 2 maanden.
2 Kwartaalcijfers zijn door vermenigvuldiging met 4 op ,,jaarbasis” gesteld.

Indonesië in het 4e kwartaal.

Export.

Uit de, in het overzicht van Zuid-Oost-Azië op-

genomen, gegevens van Indonesië over het 4e kwartaal

blijkt reeds dat de gunstige ontwikkeling van de export-

opbrengsten gecontinueerd werd. De eerste 6 maanden

van
1954
geven een maandgemiddelde van ca. Rp. 780

mln.; juli t/m oktober een gemiddelde van ca. Rp. 1.120

mln. Wel is te verwachten dat de export in december hier

belangrijk beneden zal blijven.

Deze verbeteringen van de exportopbrengsten zijn in

het laatste kwartaal zowel te danken aan toename in het

exportgewicht als in het oplopen.v’an de prijzen der voor-

naamste exportprodukten.

1953
1954 ___________

1955
le kw.
2e kw.
I

3e kw.
4e kw.
5)
tot. 1955

9,76
2,29
2,38
2,66 2,96
10,30
Exportopbrengsten

(mrd. ‘Ep.)

……………………….
..9,58
Exportvolume

(mln.

tons)

…………….. ……………


.
2,41
12,74
.
2,92
2,95
2,94
3,18
12,-

Exportprijzen
7/153
1/7’53
30/I2’5
7/7’54
12/155
6/455
6/7
5110
2f11
28/12
Rubber

Sing.

f.o,b.

Str.
$ct. p. Ib. RSSI
89,-
64
7
!
3

57’/
72
6
/,
93
3
/
89
1
/
1251
1341/,
1

5’/,
128
3
/
Tin Lnd.
£
It. cash
945
6W/
4

645
759
69
(20/4) 717
730 749
773
830
Thee Colombo ex wareh. CRS/lb high grown

.
2,50
2,08 2,50
2,48 3,50 2,15
2,70
(12/10)3,-
3,25
(7/12)3,85
Palmolie Lnd. c.i.f. B.fr./
1.t.B.

Congo
……….
10.850
9.100
10.550
10.850
11.700 11.300 12.500 11.400
11.400
(7/12) 11.500
Koffie N.Y. loco U.S. $ct/
1h. New St.

£C.

….
52,81

..

(7/7) 59
65,29
89,30 63,24
54,80 50,76
49,75 47,80 47,60
Copra Lnd. c.i.f. Antw
U.S./l.t. Phil. bulk

..


235
192
245
184
205
184
188
185 177
(7/12)

175

a) 1+ x (oktober + november).

De gunstige resultaten van de export in het 2e se-

mester zijn in de eersfe plaats te danken aan rubber.

1953

1954

1955a) le kw. 2e kw. 3e kw. okt/nov

Waarde (mln. Rp.) 3.120

3.032

4.569

916

1.009

1.253

1.010
Gewicht (1.000

tOns)
……..
712

750

697

150

169

187

138

a) 12/11 x (januari t/m november).

Voorts aan tin, waarvan de prijzen onder invloed van

de toegenomen internationale spanningen de laatste
maanden omhoog sprongen. Ook thee is krachtig in

herstel. De dalende tendentie in koffie en copra bleef
gehandhaafd. Hun invloed op het totaal is echter van

ondergeschikte en afnemende betekenis.

Import.

Uit het Zuid-Oost-Azië-overzicht bleek voorts dat de

verruiming van de import, welke reeds in het 3e kwartaal

merkbaar was, in het laatste kwartaal duidelijk tot uiting

kwam. Daarbij dient bovendien in het oog gehouden te
worden, dat de cijfers voor ,,waarde en gewicht” in het

4e kwartaal gebaseerd waren op de gegevens van 2 maan-

den. December zal steffig hoger liggen dan het gemiddelde

van oktober-november. De problemen, die deze plotse-
linge stijging van de import heeft opgeroepen, zullen in

de paragraaf over ,,Oorzaken en gevolgen van aan-

passingsmoeilijkheden” nader worden besproken.

D eviezen.

Eerst zij nog even aandacht geschonken aan de ver-

betering van de betalingsbalans over het 4e kwartaal.

Hiervoor is geen cijfer opgenomen in het ,,Zuid-Oost-

Azië”-overzicht, omdat in de daarin vermelde stand

tevens zijn verwerkt de saldi van andere deviezenbanken

dan de Bank Indonesia. Alleen in de bulletins zegt de

Bank iets over de ,,balances and bills” van de gezamen-
lijke deviezenbanken, zonder te specificeren wat de be-

dragen zijn waarvoor de Bank Indonesia zelf als deviezen-

bank optreedt en voor hoeveel de overige banken mee-

doen. Wel geeft de weekstaat van de Bank Indonesia (afd.

bankzaken) telkens aan ,,vorderingen in vreemd crt.”,

doch met behulp hiervan is alleen een specificatie te

maken voor de gevallen waarin een weekstaat eindigt op

de laatste dag van een kwartaal. Zo kan wat het 4e kwar-

taal betreft alleen worden gezegd, dat in de periode

1 oktober t/m 28 december de zichtbare positie verbeterd

is met Rp. 478 mln. Welke mutaties zich hebben voor-

gedaan in de ,,bills and balances” van de overige deviezen-

banken is niet bekend: Zij waren ultimo september weer

Rp. 656 mln. Dat deze mutaties in de saldi van de overige

banken niet onbelangrijk kunnen zijn moge uit onder-

staand overzicht blijken.

Stand per ultimo
1952
juni
Sept.
mrt.
juni
mrt.
(in m1n. Rp.)
1953 1953
1954
1954 1955

vord. in vr. crt. BI.
674 764
503
506
388
314
id.overigedev.banken
883
612 650 572
620
794
totaal

……………
1.557
1.376
1.153
1.078 1.008 1.108

Mutaties in de periode
1(6 mnd.)(3
mnd.)

‘iV)
mnd.)!(9
(9 mnd.)
B.I
.

……………………..
overige banken

……………..
totaal

…..
.

…………….

..+
90
-271 -261
+
38
+

3

78
-118
+
48

74
+
174
.-161
-223

75

70
+ 1013

Maart
1955
is er nog geen bulletin of jaarverslag ver-

schenen met kwartalen die eindigen op een gelijke datum

als weekstaten. De mutaties sindsdien in de buitenlandse

valuta van particuliere deviezenbanken kunnen dan slechts

benaderd
worden door vergelijking van de mutaties

van alle deviezenbanken
(mcl.
de Bank Indonesia),

zoals de Bank Indonesia ze in haar bulletins vermeldt,

met de mutaties in de weekstaten van de Bank Indonesia

over niet, volkomen samenvallende perioden van 12 of

13 weken.

116

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari .1956

Stand per

t

Mutaties

Bedr. in mln. Rp.
uit.
28/12
le kw.
2e kw. 3e kw.
955
1954
I

1955 1955 1955 1955
(t/m
28112)

goud en dev. B.I.
1.055
953

102



saldo Dev.fonda
—278
+
448

+
324
—147
+
214

+
317

tot. afd. cire.

b.
777
1.401
+
240

147
+
214

+
317
vord. in vr. crt. B.I.
Bank zaken….
383

515
ca.+21
ca.+ 8
ca.-58
ca.+161
id. overige banken
ca. 597


ca.-13
ca.-65
ca.+ 137

980
+

8-57
+79

totaal
1.757

+
248
—204
+
293

Uit dit overzicht blijkt, dat de toename van het devie-

zenbezit in het laatste 3e kwartaal nog groter was dan

uit de weeks laten was af te leiden. Het is nauwelijks aan

te nemen dat zulks ook in het 4e kwartaal het geval zou

zijn. Een zichtbare toename van Rp. 317 + Rp. 161 mln.

is daarvoor te groot. Hoe ondanks deze grote verbetering

van de deviezenpositie de zichtbare geldcirculatie in het

laatste kwartaal mët bijna Rp. 500 mln, kon teruglopen,

.is in de vorige kroniek reeds uiteengezet
2).
Slechts zij in

herinnering gebracht de verzwaring van de vooruit-

betalingsverplichtingen van importeurs, de verhoging

van de tarieven der bijzondere invoerheffingen enz. Dit
als onderdeel van een politiek gericht op het wegnemen

van de opwaartse druk, die het prijsniveau een infiatoire
beweging had gegeven. Correctie vande onderlinge ver-

houdingen tussen de binnenlandse prijzen scheen

ander facet van deze politiek. Herziening van de invo.1-

heffingen enerzijds en van de uitvoerrechten en -premies
anderzijds, waren middelen daartoe.

Overgang en aanpassing.

Door praktisch geen directe beperkingen aan de om-

vang van de import op te leggen, mocht men aannemen,

dat na een zekere overgangsperiode importgoederen in

het binnenland verhandeld zouden worden tegen prijzen

niet hoger dan de c.i.f.-prjzen plus de normale marge

voor importeur, groot- of kleinhandelaar.

Het behoeft geen verbazing te wekken dat dit aan-

passingsproces nog niet achter de rug is. Wel doet het

analyseren van de oorzaken der merkwaardige prijs-

bewegingen in dit kwartaal belangrijke vragen rijzen:

,,Hoe lang zal die overgangsperiode nog duren?”, ,,Wat

zijn de consequenties van het aanpassingsproces?”, Hoe

kunnen de voor het land nadelig geachte gevolgen worden
vermeden of verzacht?”

Overzicht van de mutaties in de

groothandeisprjzen

van enige importgoederen

Artikel
Eenheid
Prijzen

ca. sept.!
thans
okt.
ca.

Plaatijzer.

……………………
1 kg
Rp.

6,—
Rp.

2,75
Betonijzer

……………………

4,50
,,

3,—
Bandijzer

……………………

6,—
2,75
Houtschroeven

………………..

10,—
,,

3,—

..

50 kg

..
..

,,

44,—
,,

26,—
1 kg
,,

14,—
,,

1,75

45,—
,,

15,—
Goeniezakken

………………..
7,75
,,

5,20
per blok
,,

335
,,

170
per blok
480
,,

210

Cement

……………………….
Carbid

………………………..
Schellak

………………………..

per blok

..

,,

450
,,

170

pe
.r stuk

1 kg
490
,,

300

Greyshirting

…………………

1 kg
r60
,,

60

Whiteshirting
…………………..
Hongkongdrill

…………………

1 kg
,,

51
,,

28

Ascorbinezuur

…………………..
Sulfaguanidine

…………………
Acetosal

………………………
Gecondenseerde melk

…………..
,,

260 ,,

190
Meel

………………………..
pe
.r kist


per baat
,,

160
,,

60

‘) Zie ,,E.-S.B.” van 23 november
1955.

Vele der thans geldende groothandelsprjzen liggen

lager dan de ,,landed costs” van de importeur. Naaigaren

bijv., dat normaal ca. 20 pCt. boven de ,,landed costs”

moet opbrengen, noteert thans ca. 10 pCI. daar beneden.

Melk idem enz. Er is en komt binnenkort meel aan in

hoeveelheden die bijna de jaarbehoefte van Indonesië

dekken.

Het feit, dat in dit opzicht geen artikelen voorkomen

die een abnormaal gunstige marge laten zien, wil natuur-

lijk niet zeggen, dat ze er niet zijn. Men kan van de

handeiskantoren die zo vriendelijk waren uw kroniek-

schrijver behulpzaam te zijn, niet verwachten, dat zij

zullen vertellen, op welke artikelen zelfs nu nog een

extraatje te verdienen is.

Oorzaken en gevolgen van aanpassingsmoeilijkheden.

De voornaamste oorzaak van het verschijnsel, dat de

groothandel verkoopt tegen prijzen die zelfs lager liggen

dan de ,,landed costs” voor de importeur, is, dat het de

importeurs op het moment van bestelling ontbrak aan

voldoende inzicht in de te verwachten verhouding tussen

vraag en aanbod van het betrokken goed op de binnen-

landse markt. Een gebrek aan inzicht met betrekking tot:

le. de te verwachten
totale
vraag bij lonende prijs;

2e. hetgeen de concurrenten reeds
hadden
besteld;

3e. het eigen aandeel in de totale afzet;

hetgeen concurrenten
nog zouden
bestellen.

Of de importeur zich in een of in alle vier der factoren

vergist heeft, maakt voor het resultaat voor hem, zijn

concurrenten en het land weinig uit. De liquiditeits-

moeilijkheden waarmede velen te kampen hebben en de

daaruit voortvloeiende noodzaak tot liquidatie van voor-

raden – juist in een periode van geringe kooplust bij

verbruikers – verscherpen het effect op de momentele
prijzen. Nu zijn de particuliere en publieke buffers in

Indonesië sterk genoeg om te voorkomen, dat de klappen

die individuele bedrijven doen vloeren, geen .cumulatieve

gevolgen hebben. Er is dan ook weinig aanleiding te

vrezen, dat de individuele verliezen tot een voor het

algemeen belang schadelijke ontwikkeling zullen uit-

groeien.

Bezwaarlijk voor ‘s lands economie is, dat door de

misschattingen van de handel goederen worden ge-

importeerd in hoeveelheden, die congesties in de havens

veroorzaken; dat deviezen zijn besteed op een eerder tijd-

stip dan voor een regelmatige voorziening nodig is; dat

door de abnormaal lage binnenlandse prijzen van import-

goederen verschillende locale industrieën in grote moei-

ljkheden zijn gekomen en soms zelfs hun produktie

hebben moeten staken.

Ongetwijfeld zijn er onder deze bedrijven, die alleen

maar tot leven konden komen dank zij:

le. de abnormaal grote marge tussen ,,landed costs” en

verbruikrsprjs van importgoederen waarvoor zij

substituten vervaardigden; en/of

2e. het grote verschil in bij de import te betalen rechten

voor eindprodukten en halffabrikaten en grondstoffen.
Dat achteraf gezien de bedrijven, wier positie door ver-

andering in een of beide dezer factoren onhoudbaar

wordt – eventueel ook uit een oogpunt van algemeen

belang -, beter niet hadden kunnen beginnen, verandert

niets aan het feit, dat ze er nu zijn. En het is geenszins

zeker, dat het land er beter aan toe zou zijn, als ze thans

weer verdwenen. Daar staat tegenover, dat andere indus-

trieën bijzonder profiteren van de huidig& lage prijzen;

soms tot een investerings- of produktie-activiteit kunnen

een –
4e.

8 februari
1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

117

komen, waartoe hun krappe liquiditeit anders geen

mogelijkheid gelaten zou hebben.

De grootste kans op schade voor het algemeen belang

door misschattingen bij de iniport ligt waarschijnlijk in

het risico van verminderde bruikbaarheid als gevolg van

langdurige opslag. In dit verband is in het bijzonder te

denken aan meel, cement, gist en dergelijke in de tropen

beperkt houdbare goederen.

Dit opsommen van de schadekansen voor Indonesië

in het algemeen als gevolg van onjuiste schattingen bij

importeurs is op zichzelf geen kritiek op het economisch
beleid. Men zou de eventuele schade kunnen zien als een

van de offers die gebracht moeten worden om tot om-

standigheden te komen, waaronder het economischleven

zich gunstig kan ontwikkelen.

De vraag is, hoe kan de kans op schade beperkt worden,

zowel met betrekking tot de lengte van de ,,riskante

periode” als met betrekking’tot de risico ,,graad”.

Beperking van de ,,riskante periode” betekent eigenlijk

verkorUng van de ,,overgangsfase”. Een uitermate

moeilijk vraagstuk, waarop uw kroniekschrijver hier

wegens de ruimte niet kân ingaan Ven, wegens de op.

korte termijn te verwachten Kabinetswijziging – met

de daaraan verbonden kansen op nieuwe doeleinden van

de economische politiek – niet wil ingaan.

Als middel. tot vermindering van de risico ,,graad”

biedt een snelle voorlichting met betrekking tot de hoe-
veelheden van een bepaalde goederengroep, welke vol-

gens de afgegeven importvergunningen op bepaalde ter

mijnen verwacht mogen worden, wellicht mogelijkheden.

Waarschijnlijk zijn technische moeilijkheden er de oor-
zaak van, dat van overheidswege nog niet voldoende in

deze behoefte wordt voorzien. Maar zouden handelende

en verwerkende importeurs niet in onderlUnge samen-

werking tot iets kunnen komen?

De rijstvoorziening was de laatste maanden het meest

voelbare knelpunt in ‘s lands economie.
Pasarprjzen te Djakarta

R.ijstprijzen in Rp.’s
jan.
1953
1

juli
1

1953
1

jan.
1954
1

juli
1

1954

1

jan.
1

1955

1

juli
1

1955
1

okt.

1
1955

1
nov.

1
1955

13/12
1

1955

1

27/12
1

1955

Middenkwaliteit per liter….
1,875
1,75 1,88
1,65
188
1,88
2,32
2,83 2,83
3,05

Zodra de moeilijkheden met de rijst tot uiting kwamen

is gepoogd door import een ernstige ontwikkeling te

voorkomen. Wat er tot nu toe aangevoerd is heeft wel

geholpén, doch nog niet voldoende. Nieuwe partijen zijn

onderweg en aan verdere verruiming van de import wordt

gewerkt. Of een en ander nog voor het afkomen van de

nieuwe oogst (begin april) tot een belangrijke prijsdaling

zal leiden, is niet zeker. Wel staat vast, dat de sterke

stijging van de prijs van het voornaamste voedingsmiddel..

in brede lagen van de bevolking meer indruk heeft ge-

maakt, dan de prijsdaling op andere gebieden. Of en in

hoeverre de huidige Regering hiervoor verantwoordelijk

kan worden gesteld, is een vraag waarop in de pers

verschijnende antwoorden maar zelden van onbévoor-

oordeelde waarnemers afkomstig kunnen zijn. In elk

geval is de stijging van de-rijstprijs aarleiding geweest
tot een toename van de arbeidsgeschillen in het laatste

kwartaal.

Zo is het jaar niet zonder zorgen geëindigd, doch wel

mag gezegd worden, dat de resultaten in 1955 niet be-

neden de verwachtingen gebleven zijn, .die uw kroniek-,
schrjver bij de aanvang daarvan koesterde. Verwachtin-

gen, die hem aan het einde van het le kwartaal te optimis-

tisch voorkwamen, o.a. i.v.m. de scherpe daling van de

wereldmarktprijzen omstreeks die tijd. Een daling, die

achteraf slechts van zeer kdite duur bleek te zijn. De

krappe gefdpolitiek van de huidige Regering heeft tot

verrassende mutaties geleid, die o.a. tot uiting kwamen.

in: een ongekende vermindering van de voorschotten

van de Regering bij de Bank Indonesia;een vermindering

van de circulerende geldhoeveelheid; en een oplopen van

de deviezenreserves. Wel mbet verwacht worden, dat

hierop binnenkort enige reactie komt. Voor 1956 is een

begrotingstekort geraamd van Rp. 1 mrd. De rijstimporten –

leiden voorlopig tot een oplopen van de geldbehoefte der

Overheid. Het saldo ,,vooruitbetalingen door importeurs”
zal nu waarschijnlijk niet verder oplopen; eerder wat ver-

minderen, zolang de bedragen te storten wegens nieuwe

aanvragen minder zijn dan de te verrekenen bedragen

wegens a’ankomst van de goederen in dezelfde periode.

De invloed van een en ander is waarschijnlijk reeds te

bespeuren in de laatste weekstaten.

14/12’55
11/156
1
mutatie
4 weken

Saldo goud en dev.res.

…………
.
1

1.430
1

1.396
Te dekken geldcirc
……………..
1

9.848
1

10.320
1

– 34
1

+
472
Voorsch. aan de Regering
………..
4.156
4.396
+
240

Er is overigens geen aanleiding om dver deze aller-

jongste ontwikkeling ongerust te worden. Als het zou

gelukken het begrotingstekort tot Rp. 1 mrd. te beperken,

is de voornaamste oorzaak van de infiatoire prijs-

bewegingen in het verleden zodanig in kracht beperkt,

dat, gesteund met buitenlandse kredieten, er stellig kans

is voor het welslagen van een op prjsstabiliteit gericht

beleid. De vooruitzichten met betrekking tot buitenlandse

kredieten zijn bepaald gunstig op het ogenblik. Naast de

doorlopende Nederlandse, Franse en , Duitse krediet-

mogelijkheden, die tot nu toe voor ruim Rp. 500 mln aan

kredietovereënkomsten geleid zouden hebben, zijn bin-

nen afzienbare tijd ook kredietovereenkomsten met

Italië te verwachten. Engeland is eveneens bereid. De

Eximbank zou thans voor particuliere kredietverlening

te vinden zijn.

In dit verbahd moeten ook de onderhandelingen met

(Advertentie)

118

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari 1956

de Verenigde Staten over de levering van Amerikaanse

surplusgoederen nog eens worden genoemd. De pogingen

om de aanvankelijke reductie van het aanvoerprogram-

ma
3)
weer grotendeels ongedaan te maken schijnen met

succes bekroond te zullen worden.

1956.

Ook in ander opzicht zijn de vooruitzichten voor 1956

hoopvol. De Rubber Study Group heeft zich uitgesproken

in voor rubberproducenten geruststellende zin. Het

kleine surplus aan natutrubber, dat naar verwachting

1955 te zien zal geven, zal naar de mening van de R.SG.

geen prjsdrukkende invloed uitoefenen, omdat voor de

jaren
1956
tot 1958 een sterkere toename van het verbruik

dan van de produktie verwacht wordt.

De wereldmarktsituatie voor het tweede exportprodukt

van Indonesië, aardolie, geeft evenmin aanleiding tot

sombere verwachtingen. Ultimo december ji. expireerde

het z.g. ,,let alone agreement” met de B.P.M. Vanaf

1 januari komen nu ook de deviezentransacties van de
B.P.M. ten laste resp. ten gunste van het Indonesische

deviezenbezit en is ook deze maatschappij met haar

transferrechten gekomen binnen de te dezer zake voor

oliemijen geldende bepalingen. De feitelijke verandering,

die dit voor im- en export enz. zou kunnen geven, zal

voorlopig nog niet van groot belang zijn.

Rubber en olie zullen straks tezamen bijna 2/3 van de

totale export van Indonesië opbrengen. Wat de overige

produkten betreft zijn de kansen op ,,wat beter” en ,,wat

slechter” zodanig verdeeld, dat t.a.v. de wereldmarkt-

prijzen geen verandering van het gemiddelde niveau goed

te motiveren is.

De exporthoeveelheden zijn bij gegeven buitenlandse
prijzen zozeer afhankelijk van binnenlandse onistandig-

heden, dat niet één raming van de exportopbrengsten

maar
verschillende
ramingen, gebaseerd op ves schillende

premissen, nodig zouden zijn om het betrekkelijke van de

prognoses voldoende tot uiting te doen komen.

J’er illustratie enkele recente berichten:

1. Een cultuuronderneming op S.O.K. zag, ondanks

‘) Zie ,,E.-5.B.” van 23 november
1955,
laatste alinea.

het uitbreken van een staking in een der afdelingen,

haar produktie met 30 pCt. omhoog gaan, toen de

politie in oktober jl. de opkopers van uit haar

tuinen gestolen latex in de kraag greep. Andere
(ondenemingen hadden soortgelijke ervaringen.

Nu scheelt zulks wel niet de volle 30pCt. in de expprt-

opbrengsten van Indonesië, ‘maar wel gedeeltelijk

omdat:.

de helers niet zulk een kwaliteit rubber plegen
te produceren als de onderneming;
juist deze rubber vaak het land uit gesmokkeld

werd.

De laatste tijd wordt de produktie van onder-

nemingsgewassen op Sumatra ernstig gedrukt door

stakingen.

,,In 1955 is de smokkelarj vanuit N.-Sumatra nog

toegenomen. De smokkel, het meest in rubber en

,,nilam” olie, berokkende de Regering een schade

van miljoenen aan gederfde rechten en deviezen”
4).

Het eerste voorbeeld illustreert welke enorme mogelijk-

heden er in Indonesië nog zijn tot opvoering van de

produktie. Het tweede en derde voorbeeld laat zien hoe-

zeer conffictsituaties en onwettige handelingen afbreuk

kunnen doen aan het realiseren van de potentiële mogelijk-

heden.

Continuïteit in het. regeringsbeleid is welhaast de

belangrijkste voorwaarde die vervuld moet zijn om de

positieve krachten in de maatschappij de kans té geven

terrein te winnen op de negatieve.

Het as. Kabinet mag in zijn ptogramma uitgaan van

een zittingsperiode van vier jaar. Het krijgt daarmede

een kans als geen van zijn voorgangers gehad heeft.
Problemen zijn er nog genoeg en men mag niet ver

wachten, dat de voornaamste hindernissen voor dë

economische ontwikkeling reeds dit jaar
zullen
worden

opgelost.

Daarom mag
1956
voor Indonesië het minste worden

van alle jaren die nog komen; moge het bovendien het

beste worden van alle jaren die geweest zijn. Het kan!

Djakarta, 18 januari 1956.

Prof. Dr. A. KRAAL.

4)
,,Nieuwsgier” van 7 januari 1956.

Surinaamse kanttekeningen

(Vierde kwartaal
1955)

Het heeft Suriname gedurende deze maanden niet aan

overzeese belangstelling ontbroken. Het Koninklijk

bezoek aan de West, de rapportagekwestie bij de Ver-

enigde Naties en de behandeling van het Tienjarenplan
in de Staten Generaal vormden hiertoe voldoende aan-

leiding. Het zou daarom weinig zin hebben op deze

plaats nogmaals daaiop in te gaan. Een directe invloed

op het economisch leven heeft alleen het Koninklijk

bezoek gehad. Aan openbare versieringen en vooral ook

aan particuliere genoegens zijn gedurende dat bezoek

voor Surinaamse begrippen enorme sommen uitgegeven.
Algemeen werd dan ook verwacht, dat de handel hiervan

een gevoelige terugslag zou ondervinden. Dit schijnt

echter nogal te zijn meegevallen. Met de kerst- en nieuw-

jaarsviering kon uw kanttekenaar in iéder geval vast-

stellen dat ongeveer het gehele door het Planbureau

m
berekende jaarlijkse spaarquotu aan vuurwerk de

lucht werd ingeschoten. En dat is nog altijd enkele

Nederlandse guldens per hoofd van de bevolking.

De fweede
Jaarbeurs
werd dit jaar enkele weken later

gehouden dan verleden jaar, teneinde deze te doen samen-

vallen met het Koninklijk bezoek. Achteraf bezien kan

deze beslissing niet zo geslaagd worden genoemd. De
publieke belangstelling was gedurende die tijd tè veel

verdeeld over de diverse feestelijkheden, dan dat er nog

veel voor dë jaarbeurs overbleef. En de buitenlandse

journalisten hebben met eigën ogen de belangrijkste

economische objecten kunnen gadeslaan. Voor een over

koepeling van de diverse objecten ware een persconferentie

van de Kamer van Koophandel zeker voldoende geweest.

Van verschillende zijden werd er met nadruk op ge-

weZen, dat het particuliere initiatief voor de economische

opbouw van Suriname een dringende noodzaak is. Het

Tienjarenplan kan alleen een soort ,,locomotief” zijn,
die het geheel op gang brengt. Dit geldt o.a. ook voor

het stuwdamplan, waarvoor de Overheid tot heden geen

gelden kon aantrekken anders dan tegen belangrijke

particuliere garanties.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

119

De positie van het
Algemeen Bureau voor de Statistiek

was eveneens een onderwerp van discussie. Verscheidene

leden van de volksvertegenwoordiging zouden dit bureau

graag zien overgeheveld van het Departement van

Algemene Zaken naar dat van Economische Zaken.

Tijdens de behandeling van dit onderwerp werden

wederzijds weinig steekhoudende argumenten aangevoerd

en de positie blijft voorshands ongewijzigd. Alleen bleek,

dat de Staten naast de handelsstatistiek gaarne meer

statistieken gepubliceerd zouden zien. –

Evenals in de voorafgaande jaren kwamen eerst in het

laatste kwartaal de bankverslagen over het voorafgaande

jaar los. Voordat daarop wordt ingegaan dient te worden

vermeld, dat de oprichting van een overheidscirculatie-

bank, welke op 1 januari
1956
zou geschieden, niet is,

doorgegaan. Van overheidswege werd medegedeeld, dat

dit om technische redenen op een later tijdstip zal ge-

schieden. Hiervoor zijn echter geen maatregelen getroffen,

zodat nu de juridisch merkwaardige figuur is geschapen,

dat De Surinaamsche Bank in feite nog steeds circulatie-

bank is, terwijl haar octrooi per 31 december 1955 uit-

drukkelijk was opgezegd
1).
Op dit moment is bij de des-

betreffende instanties nog geen zekerheid te krijgen

omtrent de tijdsduur yan deze ongewenste situatie.

De Surinaamsche Bank, N. V.
heeft hierbij het meeste

belang, want een belangrijk gedeelte zal dan van haar

bedrijf worden afgesplitst.

Verkorte balan.per 31 december 1954
(in Sf.)

Munt en munti

sa”eriaa1


8.990.382
Bankbiljetten in omloop

13.552.255
vr. papier; zilverbons……
311.226
Crediteuren

…………..
12.459.743
Kas, kassiers A’dam
19.888
Sur. Deviezenfonds
……..
15.120.558
Effecten
………………
343.693
De Ned. Bank NV.



6.151.314
Sur. Deviezenfonds

…….
9.517.924
Bankiers en corr.

……

9
181.792
De Ned. Bank N.V
……..
1.925.917
Bestemmingsreserves 739.974
Disc, en debiteurers

…….
14.699.727
. Reserve div. voorz.

…….
1.989.886′
Bankiers en corr
………..
16.435.074
Bijzondere reserve
………
116.625
Hypotheken

………….
.12.438
Kapitaal

…………….
1.321.092
Gebouwen
……………
71.369
Reservefonds

…………
177.025
Onverdeeld dividend
119.658

Nog niet opgenomen div.
158.689
Winstsaldo

…………..
239.027

52.327.638
,
52.327.638

Het blijft een ‘merkwaardig feit, dat het geldvolume in

Suriname bij een gelijkblijvend aandeel van’ D.S.B.

(24,3 mln.) steeg van 28,0 tot 28,9 mln. Dit ondanks een

daling van het deviezenbezit met 3 mln. Wanneer wij

daarbij in aanmerking nemen, dat de omloopsnelheid

van het geld ten gevolge van de populariseririg ‘van het

giroverkeer aan een stijgende tendentie onderhevig is
moeten wij ons afvragen, in hoeverre hier van een in-

flatoire druk sprake is. Daar het prijspeil niet opliep
2)

schijnt het vermoeden gewettigd, dat er een ongecontro-

lèerde afvloeiing in de chartale sfeer heëft plaats gevonden,

ogenschijnlijk in de vorm van oppotting.

Het is janmer, dat de girale omzetten niet in de week-

of jaarcijfers tot uiting komen en dat ook verdere exacte

gegevens over de geldcirculati6 niet verkrijgbaar zijn.

Een gedetailleerd onderzoek in dezen zou niet misplaatst

zijn, vooral in verband met het Tienjarenplan. Op dit

.punt is het eveneens van belang te vermelden, dat na het

verslagjaar de Bank ondèr Landsgarantie aan de Stich-

ting Volkshuisvesting een lening van 1,3 mln, verstrekte

‘ten behoeve van de volkswoningbouw. Hoe belangrijk

deze bouw sociaal en politiek ook moge zijn, een zeker

gevaar schuilt hier wel,. daar uiteindelijk een naar ver-

houding vrij groot bedrag aan kort in lang crediet wordt

‘) Voorlopig wordt gebruik gemaakt van een overgaogsclausule in de Verorde’
ning op de circulatiebank. ‘) Zie de Surinaamse kanttekeningen over het derde kwartaal 1955 in ,,E.-S.B.” van 9 november
1955.

omgezet, al is in de overeenkomst een liquiditeitsgarantie

vastgelegd.

De discontoportefeuiile daalde van Sf. 1.051.288 tot

Sf. 808.957, wat een voortgang van de dalende beweging

van de laatste jaren blijkt te zijn. Op de binnenlandse

kredietmarkt maakt. de discontovorm plaats voor de

rekening-courant. Alleen in het geïsoleerde, aan Brits

Guiana grenzende district Nickerie is het discontokrediet

nog van betekenis. Het aantal incassi stijgt regelmatig

en
1
bedroeg in 1954 17701 ten bedrage van Sf. 12.368.046.

De afgewikkelde documentaire kredieten worden in het

verslag niet vermeld, doch aangenomen kan worden,

dat deze in overeenkomstige mate dalen. Dit ligt in de

lijn van de ontwikkeling van de importhandel.

In het algemeen kan gezegd worden, dat buiten de

gevolgen van de verslechtering van de betalingsbalans,

de toestand in het algemeen stationair was. Dit was ook

de winstcapaciteit. Onveranderd werd 12 pCt. uitgekeerd.

Teneinde zo recent mogelijke cijferste kunnen geven

volgt hier een résumé van de laatste weekbalansen van

1953, 1954 en
1955:

26/12/53
31112/54
31112/55
Debet.
(in Sf. 1.000)
Goud, deviezenrekeningen

………………..
20.784 22.164 21.404
Disconto’s

…………………………….
1.065 809 518
Debiteuren

……………………………..
13.975 12.738
11.580
Effecten en hypotheken
…………………..
283
363
367
Gebouwen

……………………………..
86
79 50
Sluitrekeningen

………………………….
912
150
123

37.105

36.303

34.042

Credit.
Circulatie: charlaal

……………………..
12.397 13.212 13.693
giraal

……………………….
13.216 10.442
9.993
Deviezenrekeningen

……………………..
3.916
6.308
4.078
Kapitaal

………………………………
661 1.321
1.321
Reserverekeningen

……………………..
278
294 306
Sluitrekeningen

…………………………
‘ 6.637
4.726
4.651
37.105 36.303
34.042

Behoudens een kleine daling van de girale saldi blijken

de wijzigingen in 1955 niet groot te zijn geweest. Afgezien

van de eerder genoemde lening heeft de Bank dus in het

afgelopen jaar, in afwachting van de afsplitsing van de

circulatiebank, geen zichtbare nieuwe wegen ingeslagen.

De Surinaamse Volkscredietbank
kan op een’jaar van

grote expansie terugzien:

Verkorte balans per 31 deceniber 1954
(in Sf. 1.000)

Vaste activa……………….

43
Eigen vermogen …………..
1.530
Kas

……………………
68
Reserves

………………..
294
Leningen u/g

…………….
7.213
De Sur. Bank N.V…………
469
Ingekochte panden…………
40
Herstelbank

…………….
499
Te onty. interest …………..
65
Gouvernement Suriname ……
1.100. Diversen

………………..
2
Div. deposito’s

…………..
2.964
Nog niet verd. interest ………
550
Diversen

………………..
25

7.431

7.431

Het totaal uitstaande bedrag steeg in,een jaar met

63 pCt., waarbij opvalt, dat van de Sf. 4,4 mln, nieuwe

leningen Sf. 2,9 mln, boven de Sf. 1.000 per lening en

Sf. 1,6 mln. boven de Sf. 3.000 per lening bedroegen.

Deze bedragen liggen
,
objectief beschouwd meer op het

terrein van een andere vorm van kredietverlening dan het

feitelijke volkskrediet, hetgeen ook blijkt uit het feit, dat

in totaal Sf. 1,4 mln. aan grond- en bouwkredieten en

Sf. 1 min.’ aan middenstandskrediet werd verstrekt.

In deze ontwikkeling schuilt een zeker gevaar, daar hier

op andere dan rationeel banktechnische gronden het

kredietvolume te snel kan worden opgevoerd. Mede in

verband met de ongecontroleerde en snelle groei van het

door’de handel verleende afbetalingskrediet kunnen ver-

120

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari
1956

schijnselen optreden, die reeds eerder de kredietmarkt

in Suriname deden vastlopen.

Overigens kan gezegd worden, dat de bank een vol-

doende conservatief beleid voert om eventuele schokken

te kunnen opvangen. Jaarlijks wordt 14 pCt. van de

nieuwe leningen als ,,technische reserve” gereserveerd,

terwijl de gehele winst, dit jaar 15 pCt. van de rente-

opbrengst, als ,,economische reserve” in het bedrijf blijft.

Afgezien van de Landsgarantie ware het misschien uit

liquiditeitsoverwegingen te adviseren; dat een deel van

deze reserves buiten het eigenlijke kredietbedrjf zouden

worden belegd.

Van de
Vervuurts Bank is
nog geen verslag verschenen.

Om deze reden dient thans volstaan te worden met een
opmerking uit het verslag van De Surinaamsche Bank:

,,De gang van zaken bij Vervuurts Bank werd geken-

merkt door verdere geleidelijke verbetering, waaruit

geconcludeerd mag worden, dat deze instelling de in

1952 gerezen moeilijkheden grotendeels te boven is

gekomen”.

Van de
exportprodukten
bleef bauxiet, zoals reeds werd

verwacht, met rond 3 mln, ton ongeveer 10 pCt. onder

het topjaar
1954.
Een verdere teruggang valt momenteel
zeker niet te verwachten, daar het produktie-apparaat op

peil blijft en de vraag naar aluminium stijgende is.

De crisis op de balatamarkt is gelukkig voorbij. Al zijn

de prijzen momenteel nog niet op het oude peil, çen

lonend bedrijf is zeker weer mogelijk. Dit blijkt uit de

produktiecijfers:
195364
ton,
1954
116 ton, 1955(11
mnd.)
178 ton.

De koffie heeft, dank zij de speciale markt voor

Liberia, weinig terugslag ondervonden van de moeilijk-

heden op de wereldmarkt. Evenwel was de uitvoerwaarde

gedurende de eerste tien maanden met Sf.
445.900
toch

twee ton lager dan in
1954.

De textielexport is nog steeds stijgende en bedroeg in

dezelfde periode Sf. 379.800.

De positie van de rijst is er niet beter op geworden.

De opheffing van de prijsstop voor de exportrjst op de

laatste Statenzitting van
1955
moge misschien een er-

kenning zijn van de mislukking van de rjstpolitiek van

de Overheid, maar daarmee zijn de moeilijlCheden nog

niet opgelost. Rijst betekent in Suriname: politiek en

zolang dit zo blijft zulleh de moeilijkheden er ook wel

blijven. De beginfout is geweest, dat bij de eerste over-
heidsmaatregelen is uitgegaan van een willige padiprjs,

en dit bleek niet juist te zijn. Begin 1953 deed de Nicke-

riaanse padi nog gemakkelijk 15 dollarcent, doch op de

laatste inschrijvingen werd de door de Overheid gegaran-

deerde minimum opkoopprjs van 9 dollarcent niet eens

meer gehaald, zodat dit een ifinke verliespost werd.

Het is te hopen, dat bij de stijging van de produktie, ook

de kwaliteit beter wordt. Veel zal hierbij afhangen van de

resultaten van Wageningen en de Prins Bernardpolder.

Behalve selectie spreekt hier ook de bemesting een

woordje mee. Zo wijst Spoon erop, dat in een ander

,,nieuw” rijstgebied, de Camargue in Zuid-Frankrijk,

de gemiddelde opbrengst per ha 40 quintalen (metrisch)

bedraagt tegen in Suriname slechts rond 29
3).
Ten behoeve

van de Stichting Machinale Landbouw hebben de Staten

Generaal een bedrag gevoteerd teneinde de klimato-

logische en technische tegenvallers te overbruggen. Wil

Suriname evenwel een positie op de wereldrijstmarkt

veroveren, dan zal er meer nodig zijn. Het af brokkelende

)
Enkele indrukken van
de rijstcultuur
in de Camargue in ,,Tijdschrift voor
Economische en Sociale Geografie”,. 1955, blz. 46.

prijsniveau en de huidige kwiliteit zijn echter geen goede

stimulansen. –

De immigratiepoging met Indische Nederlanders op

de voormalige plantage Slootwijk is jammerlijk mislukt.

De gemaakte fouten doen sterk denken aan die bij de

boerenimmigratie in 1845. Ook ditmaal is als laatste red-

middel ter hand genomen: overplaatsing der gedupeerden

naar terreinen in de omgeving van Paramaribo. Dit is

allerminst de beddeling geweest en betekent waarschijnlijk

het einde van een zoveelste goedbedoelde doch ondes-

kundig geleide poging.

Thans’ staat Suriname aan het begin van het eerste

uitvoerende jaar van het Tienjarenplan. Dit kân een goede

katalisator zijn, maar dit is alleen niet voldoende voor

een toekomstige welvaart. Het is te hopen, dat de overige

factoren goed benut zullen worden.

Paramaribo, januari 1956.

G. C. A. MULDER.

BOEKBESPREKING

Dr. J. A. Geertman en A. H. Geertman: Economisch-

technische verschijnselen.
Deel II. N.V. Uitgeversmij

Elsevier, Amsterdam
1955,
260 blz., f 14,50.
Betrekkelijk snel na het verschijnen van het eerste deel

van ,,Economisch-technische verschijnselen”
1)
hebben

de gebr. Geertman het tweede deel van dit werk het licht

doen zien. Hierin worden ‘behandeld de ordening van

het economisch leven, monetaire vraagstukken, de inter-

nationale handel en het internationale betalingsverkeer.

Wij menen dat de schrijvers met dit werk een waarde-

volle bijdage hebben geleverd tot de literatuur voor de

administratieve praktijkstudies, vooral wat betreft de

moderne monetaire vraagstukken. De behandelde stof

is hier en daar zwaar, doch de eisen, die thans op de

examens worden gesteld, rechtvaardigen naar onze mening

tot op grote hoogte hetgeen in het boek is opgenomen.

Daarbij hebben de schrijvers wederom de kunst verstaan

met goedgekozen voorbeelden de vraagstukken belangrijk

te vereenvoudigen en daardoor te verheldereh.

Het betoog is strakker dan in het éerste deel, zij het

dan, dat wij liever hadden gezien dat hoofdstuk 1 (Leiding

en Ordening) in het eerste deel was behandeld, tezamen

met de ordening door de ondernemers zelf (kartels e.d.).

Zoals het onderwerp ,,ordening” thans wordt voor-

gedragen zou de student licht de indruk krijgen, dat

ordening slechts van boven af kan plaats hebben. Welis-
waar wordt ook de ordening door de ondernemingen zelf

genoemd (blz. 4), doch de plaatsing daarvan tussen een

paragraaf over de geleide economie en een reeks para-

grafen over de P.B.O. doet het effect hiervan enigszins

verloren gaan. Wij, menen, dat een andere rangschikking

van de stof hier de kwaliteit nog zou hebben verhoogd.

Een kleine (met nadruk op dit laatste woord) tekort-

koming achten wij, dat hier en daar voor feitelijkheden

verwezen wordt naar ,,de bekende standaardwerken

op het gebied van Organisatie en Techniek van de Han-

del”. De ervaring leert, dat’ de student deze verwijzingen
zonder meer naast zich neerlegt. Dit kan echter door een

goed docent opgevangen worden, door deze feitelijkheden

op de lessen mondeling te verstrekken.

Dat wij voor dit tweede deel grote waardering hebben,

neemt niet weg, dat wij op enkele punten even moeite

hebben gehad met het betoog. Als voorbeeld diene

‘) Dit werk is besproken in ,,E.-S.B.” van 15 juni 1955.

8 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

121

tabel 3 van hoofdstuk III op blz. 38, waarmede de schrij-

vers een indruk willen geven van de fluétuaties in het

nationale inkomen. Kolom (1) wordt omschreven als

,,In vorige periode verdiend inkomen = beschikbaar

inkomen van deze periode” en kolom (5) als ,,verdiend

inkomen van deze periode”. De argeloze lezer veronder-
stelt.een bepaald verband tussen de opvolgende regels in

deze kolommen, doch zoekt dit tevergeeft (kolom 5
periode a: 23, kolom 1 periode b: 23, doch kolom
5

periode b: 21, kolom 1 periode c: 209). De schrijvers

merken in een noot op dit cijfervoorbeeld te hebben ont-

lèend aan Paul A. Samuelson: ,,Economics”. Bij naslag

in dit werk blijkt, dat men de hoofden in de kolommen wel

wat erg Vrij heeft vertaald.

Het noemen van de exportbonus-dollar als verkapte

exportsubsidie (blz. 159) achten wij voorts minder ge-

slaagd. Dit standpunt is in de discussies weliswaar soms

ingenomen, doch ook bestreden
2).
Naar ons gevoelen

zijn sterkere voorbeelden van indirecte uitvoersubsidies

te noemen.

De behandeling van de E.B.U. (blz. 207) is, om deze

opmerkingèn te besluiten, o.i. niet geheel duidelijk.

• De tekst geeft de regeling tot 30 juni 1954 en in een noot

wordt opgemerkt dat voor overschotten en ‘tekorten,

na deze datum ontstaan, een andere regeling geldt, voor

verschillen na 1 augustus 1955 ontstaan, weer een andere.

Waarom dit niet systematisch in het betoog opgenomen?

Wellicht was het zetwerk reeds gereed, toen deze ver-

anderingen werden afgekondigd; in dat geval zij onze

opmerking een aanbeveling voor een eventuele tweede

druk. Wij misten voorts de consolidatie-overeenkomsten
voor permanent geworden E.B.U.-kredieten.

Dit alles zijn slechts enkele, naar onze mening weinig

belangrijke,punten van kritiek. Wij hebben voor dit tweede

deel alle waardering; – het is aanzien1ijk sterker van

betoog en veel helderder dan het eerste. Op een dergelijk

werk werd gewacht.

‘s-Gravenhage.

Drs. A. G. TER }{ENNEPE.

– ‘) Bijvoorbeeld in het verslag over het eerste boekjaar van de N.V. Export
Financiering Mij, dat uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen valutaire maatrege-
len, die in
feite
een verkapte subsidie zijn en de exportbonus. De directie van de
E.F.M. verklaart de hogere koersen” van de exportbonusvaluta uit een kunst-
matig hoge, partile koopkrachtpariteit, ni. alleen bij transacties voor die goederen,
die in het importland kunstmatig schaars zijn.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

Ten gevolge van de overmaking op 25 januari van de

kwartaalsbetaling van het Rijk aan de gemeenten ad ca.

f. 240 mln, vloeide er een aanmerkelijk bedrag aan

liquide’ middelen naar de banken. Deze hadden hiervoor

verschillende nuttige bestemmingen, nl. financiering van

de ultimo-behoefte aan bankbiljetten, aflossing van het

laatste restje bij de Centrale Bank opgenomen rekening-
courantkrediet, versterking van hun renteloos tegoed bij
deze instelling tôt iets boven het verplichte minimum en

– last but not least – aankoop van vijfjarig schatkist-

papier.

Van 20januari ji. (toen De Nederlandsche Bank laatst-

genoemd papier tegen 2 pCt. disconto per jaar uit haar

portefeuille begon te verkopen) t/m 30 januari werd hier-

van voor bijkans f. 70 mln. afgenomen. In geldmarkt-

kringen menen sommigen, dat deze aankopen door de

banken niet in hoofdzaak voor hun eigen portefeuille

geschiedden, maar meer ten behoeve vân cliënten, die

uit rentabiliteitsoverwegingen banktegoeden, die
zij


voorlopig toch niet nodig hebben, in deze thans beter

renderende vijfjarige biljetten zouden omzetten.

Een bevestiging dezer opinie kan wellicht worden ge-

zien in de verhoging, die de afgelopen week door een

aantal banken werd aangebracht in hun rentetarieven

voor termijn-deposito’s; dit zal de depositovlucht nl.

enigszins tegengaan.

Een andere aanwijzing in deze richting vormde het ge-

brek aan kooplust voor de verschillende termijnen schat-
kistpapier op de open geldmarkt, waar vooral in de korte
en middelterniijnen het aanbod overwoog. Ook de hand-

having van de callgeldnotering op het voor normaletijden

geldende maximum ‘an 1 pCt. vormde een symptoom

van de bij voortduring krappe geldmarktpositie.

De kapitaalmarkt.

Op de Nederlandse aandelenmarkt heerste de laatste

weken – naar zowel uit de hieronder vermelde aandelen-

indexcijfers als uit de individuele koersen blijkt – een

opmerkelijke stabiliteit. New York was de .afgelopen

week wat vaster, maar dit mocht in Amsterdam niet yeel

baten. Slechts het feit, dat de Standard Oil of New Jersey

in 1955 een 22 pCt. hogere winst dan in 1954 behaalde

trok nogal aandacht en leidde bij analogie tot een koers-
avans voor Koninklijke Olie. De apathie die hier hoogtij

viert bleek echter uit het feit, dat de markt praktisch

niet werd meegètrokken door de stijging van het hoofd-

fonds.

Naarmate meer jaarverslagen over 1955 worden ge-

publiceerd, blijkt dat in een relatief groot aantal gevallen

een bescheiden dividendverhoging (bijv. van 1 pCt.)

plaatsvond. Ter beurze werden dergelijke verhogingen
met tevredenheid, doch zonder enthousiasme geaccep-

teerd; noemenswaardige koersstijgingen resulteerden er in

elk geval voor de betrokken fondsen niet uit.

Dat de ware animo voor aandelen nog steéds niet is
terpggekeerd wordt ook gedemonstreerd door de lage

omzetten in deze sector. Gedurende de verslagweek be-

droeg deze slechts f.
14
â f. 2 mln. per dag; in de gehele

maand januari1956 bedroeg de aandelenomzet f. 48 mln.
nominaal, di. weliswaar iets meer dan in december
1955,

toen zij f. 40 mln. bedroeg, doch zeer aanzienlijk minder

dan tijdens de eerste 9 maanden van het vorig jaar met –

een gemiddelde maandomzet van f. 78 mln. nominaal.

De hieronder opgenomen obligatiekoersen geven aan,

dat er in de lange rentestand hier te lande de laatste

weken eveneens weinig wijziging -kwam. De ‘Bank voo.

Nederlandsche Gemeenten kondigde de uitgifte aan van

f. 30 mln. 34 pCt. obligaties met een gemiddlde looptijd

van ca. 25 jaar. De eerste tien jaar is geen vervroegde af-

lossing toegestaan, zodat de beleggers in dit geval niet

geheel eenzijdig nadeel ondervinden van toekomstige

stijging, maar geen ‘oordel van daling van de rentestand.

De emissiekoers bedraagt 100 pCt., d.i.
4
pCt. hoger dan

voir een soortgelijke lening dezer onderneming enige

maanden geleden; hierin komt dus eerder een lichte

daling van de rentestand tot uiting.

Aand.

indexcijfers

N.F.-C.B.S.
20 jan.
27 jan.
3 febr.
(1953
= 100)
1966 1956 1956

Algemeen

……………………………
210,6 211,5 212,0
Internat.

concerns

…………………
266.7 268,4
269,9
Industrie

………………………………
163,8
163,5 162,4
Scheepvaart

……………………
166,2
168,4
166,7
Banken

………………………………
166,1 163,6
164,4
Indon.

aand.

…………………………
148,9 150,1
151,3

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 februari 1956

20 jan. 27 Jan. 3 febr.

STATISTIEKEN
1956

1956

1956
Aandelen
BANK INDONESIA
Kon. Petroleum
…………………….
119.4

628
1
.

642

(Voornaamste posten in duizenden rupiab’s)

122

Unilever

………………………………
346½
339
1
/2
336
1
h
Philips

…………………………………
328 331
330
A.K.0 .

…………………………………
310

.
317
1
/2
317
Kon.

N.

Hoogovens

………………
2904
292%
293
Van

Gelder

Zn
…..
………………..
277% 274%
271%
H.A.L
…………………………………..
215’/
215
1
/2
216%
Ainsterd.

Rubber

……. . ………….
125%
129
1
/2
128
H.V.A .

…………………………………
137%
140
139

Staatsfondsen

2
1
h

pCt.

N.W.S.

……………………
78½
781
1
,
783k
3-3%

pCt.

1947

……………………
99%
99%
99
3 pCt.

Grootboek 1946
97
1
/4 97
96
7
/fi
3

pCt

Dollarlening

………………
96½
96%
95½

Diverse
obligaties

3% pCt. Gem. R’dam 1937 VI
100
7
A
101
100%
3% pCt. Bk. v. Ned. Gem. 1954 11/111
96
7
/s
97 97
3½ pCt. Nederl. Spoorwegen
102
102
101

pCt.

Philips

1948

……………
l00k
100%
100%
3% pCt. Westi. Hyp. Bank
96% 96%
97
3, C.
BREZET.

P00
cd
$v9 0
5ou
a
2a

a
2

.0

Data
.
$8
L’°R
0
c
$’
.-
.32
e2
’00
.8
e0

ba
21 dec.

1955
953.389
442.229

‘2.055.708
955.311
4.169.169
28 dec.

1955
953.393 515.784

1
2.031.162
956.413
1.061.769 4
jan.

1956
953.393 525.048

1
2.021.341
1.046.032
4.278.470
11jan.

1956
953.393
492.736

1
2.004.078 1.047.464
4.396.030
18
jan.

1956
953.393
479.710

11.919.695
937.671
4.378.080
25
jan.

1956
953.393 570.020

11.899.007 663.824
4.443.502

8
Rekening courant
saldi
0
S
e
0 .5
v/d Reg. v/d Rep. Indon.

Data
Bijzondere
rekening

1
inzake de
.
E.C.A. hulp

21 dec.

1955
8.165.354
1.555.329
494.868
1.528.782
28 dec.

1955
8.150.952
1.583.420
494.868

1.876.991
4
jan.

1956
8.298.957
1.562.684
494.868
1.954.393
11jan.

1956
8.411.965
1.561.171
494.868
1.907.701
18
jan.

1956
.

8.334.877
1.479.784
494.868
1.831.907
25
jan.

196
8.232.182
1.544.482
494.868
1.708.531

NV. BANK VOOR NEDERLANDSCHE GEMEENTEN

gevestigd te ‘s-Gravenhage

UITGIFTE VAN

f
30.000.006.— 3
1
1
2
pCt. 40-jarige Obligaties 1956

Grootte der stukken: nominaal [1000.— en [500.—.

Ondergetekende bericht, dat de inschrijving op bovengenoemde

uitgifte zal zijn opengesteld op

VRIJDAG 10 FEBRUARI 1956
,

J

van des voormiddags 9 tot des namiddags 4 uur

TOT DE KOERS VAN 100 pCt.

bij de kantoren te Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Gravenhage,

voorzover in genoemde plaatsen gevestigd, van:

Rotterdamsche Bank N.V.

De Twentsche Bank N.V.

Amsterdamsche Bank N.V.

$

Heldring & Pierson

Incasso-Bank N.V.

Uppmann, Rosenthal & Co.

R. Mees & Zoonen

.

Nationale Handelsbank N.V.

Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.

H. Oyens & Zonen N.V.

Pierson & Co.

$

Hope&Co.

alsmede
ten kantore der Vennootschap

op de voorwaarden van het prospectus d.d. 3 Februari 1956.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, alsmede, in beperkte mate, destati.ten en

het laatste jaarverslag, zijn bij bovenstaande inschrjvingskantoren verkrijgbaar.

‘s-Gravenhage, 3 Februari 1956.

N.V. Bank voor Nederlandsche Gemeenten.

– = – = – =

=

– =

=
1 I =
1 I =
1 I =
I 41 =
• I_ = • I_ =
• I_ =
Ik 1 = I 41 =
1 I =
Ik 1 =
Ik 1 =
• I_ =
• I_ =
Ir =
• l_ =
• lI_ =

J. W. BRÔUWEKS.
PLEIN 15
AMSTERDAM-Z.
TEL. 719444

56, ROTrERDAM
Itj… j3UO.

8 februari 156

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

123

DE NEDERLANDSCHE BANK
(Voornaamste posten in duizenden guldens)

0
00
0
.E

u
0
ar

Data
O
0 0
0

u
00

o
0
n
2
-”
0
0 0
>

27 dec.

1955
3.318.305
1.381.508
163
214.995
51.029
2 jan.

1956
3.318.727
1.360.738
167
225.073
263.046
9 jan.

1956
3.319.413
1.426.371
138
217.897
307.237
16
jan.

1956
3.319.495
1.432.167
119
19072
204.623
23jan.

1956
3.317.853
1.444.830
132
205.382 58.586
30 Jan.

1956
3.315.781 1.492.673 215
187.999
32.159
6 febr.

1956
3.314.182
1.510.186 210
167.738
81.175

0

1
Saldi in rekening courant

1
0
.H
Data
0

1
0
:2…

1 1
1

1
1-‘


•.’u
.0

iN.sIo
o

1!!
1

27 dec.

1955
3.954.844
1.472.262!
325.5461
490.412
1115.138
18.369
2 jan.

1956
1

3.958.386
1.585.0471
11.893.985 456.7231
490.412
1108.819
18.171
9 jan.

1956
1

3.850.922
570.7841
490.412
1111.743
18.233
16 jan.

1956
1

3.794.267
11.821.336
1
508.1701
490.412
1

80.597
16.041
23jan.

1956
1

3.760.266
1:723.803i
551.1211
490.412
1

90.259
30.095
30 jan.

1956
1

3.876.607
11554.5191
333.7831
490.412
1107.161
19.889
6 febr.

1956
3.837.963 15726.658
1
421.083j 490.412
1112.641
19.805

VACATURES (zie ook pag. 124)

Ervaren jurist

zag zich gaarne geplaatst bij een

accountantsfirma,

bank,

industriële- of

handel sondernem ing

Goede kennis van de moderne talen (Spaans, Frans,

Engels, Duits) en van boekhouden. Prima relaties in

binnen- en buitenland. Financieel deskundige, ervaren

onderhandelaar.

Brieven van grotere of middelgrote ondernemingen

worden gaarne ingewacht onder no. E.-S.B. 6-3.

zoekt

Financieel-economische research kracht

liefst academicus en in ieder geval met enige jaren

ervaring in een overeenkomstige werkkring

Uitsluitend schriftelijke sollicitaties aan het

Secretariaat, Keizersgracht 706 te Amsterdam

*

De

Leeft met Uw

N.V. Hol!andsche

tijd mee

Belegging en
Beheer

Leest de E.-S.B.

Maatschappij

*

ONKOSTEN IN .1′ 1000,00

be
U-1 1

Y1 ‘

brengt iets nieuws.

KOLOM- DIAGRAMMEN

en WERKPLANNEN

thans op een schrijfmachine te

vervaardigen.

HET IS EEN KWESTIE VAN MINUTEN

Om mev de SIEMAG schrijfmachine, Model ,,Statistiek” dit
kolommendagram of werkplan te vervaardigen. Bij dit bijzondere
Siemag model stellen 29 grafische tekens U in staat ontelbare variaties
te verkrijgen bij het maken van staafdiagrammen enz. Tekst en cijfers
schrijft U in keurig lilliput.schrifc met dezelfde machine.
Even gemakkelijk als met een normale schrijfmachine maakt U met dit
model Uw stencils en offsetbladen. Statistische gegevens, welke vaak
met veel moeite en kosten zijn verzameld, komen eerst dan tot hun recht wanneer zij in een grafiek of diagram worden verwerkt. Daar
het tekenen hiervan een tijdrovend werk is, welk werk niet iedereen
ligt, blijft dit kostbare materiaal maar al te vaak ongebruikt liggen.
Wanneer mogen wij U deze unieke machine vrijblijvend demonstreren?

MAAÎIDAG

11

DINSDAG

WOENSDAG

]

PERSONEEL

c’

c’.s
“1V
UN L( U

EEN STAAR TKNIPPER?

De bekende chirurg, jager
en philoloog Dr . G. J.
Hermans geeft in zijn unie-
ke verzameling jacht- en
jagerstermen en citaten,
getiteld jacht en Taal”
de ware betekenis. Dit
fraaie boekwerk is een
kostelijk bezit’ voor elke
jager.

Prijs f 27,tio

Vraagt Uw
boekhandelaar

Uitgave van de KON. lIED. BOEKORUKKERIJ

H. A. M. ROELANÏS te SCHIEOAM

S
)

vacatures

DOCUMENTALIST

Een belangrijk bureau op het gebied van interna-
tionaal marktonderzoek vraagt een

ervaren documenfalist

Het bezit van een grote internationale bronnen-
kennis is een voorwaarde om voor de functie in
aanmerking te komen.

Leeftijd: liefst niet ouder dan 35 laar’.

Brieven met volledige gegevens, met -name
over gespecia.iseerde ervaring te richten tot
het bureau van dit b:ad onder nr.
E.S.B.-6-1

vraagt voor
,
haar afdeling
kwaliteitscontrole
een

MIDDELBAAR TECHNISCHE

KRACHT

(liefst diploma m.t.s. werktuigbouw of chemie).

Naast diepgaandé belangstelling wordt bereidheid

om zich in deze materie verder te bekwamen als

eis gèsteld. Ervaring in een soortgelijke functie

opgedaan strekt tot aanbeveling.

Eigenhandig gechreven brieven, met vèrmelding

van leeftijd, opleiding en ervaring, vergezeld van

recente pasfoto worden gaarne ingewacht bij de

afd. Personeel van de

N.V. VER: NED. RUBBERFABRIEKEN

HEVEADORP (Gb.) –

UNILEVERN.V.

ZOEKT

een Doctorandus in de Econârnie

OF

Meester in de Rechten met

economische belangstelling

– TER OPLEIDING TOT

wetenschappelijk medewerker

BIJ HAAR AFDELING

MARKTONDERZOEK

*

LEEFTIJD TOT 35 JAR

Schriftelijke
sollicitaties te
richten aan Directie
Personeelszaken,rAfdeling
Selectie,
Museum park 1,
Rotterdam,
onder nummer 705.

S

S,

Auteur