Ga direct naar de content

Jrg. 41, editie 2015

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 1 1956

Economisch – Statis,tisëhe

Berichten

7

Dollars uit toerisme

Drs. P. H. M. Crerners

Europese atoomproblematiek /

Drs. 4. A. van Ameringen .

Karte1po1itie,fiscale politiek en coöperatie

.

•.

• P. J. S. Serrarens

Vragefi over automatisering

L

Drs. J. F. H. Wijsen

Verticale prijsbincling in het buitenland •

.

S

.

S-,

S

S
.
.,UITGAVE- -VAN HET NEDERLANDS:CH ECONOMISCH INSTITUUT

41e JAARÔANG

-S

.

No.2015

.-

•.

WOENSDAG 1FE
t
BRUARr 1956

-• .

Spuistraat

0
Amsterdam

KAS-ASSOCIATIE N.V,

Voorschotten’ op effecten en

schatkistpapier

Adverteer in dit

Mwr

R. Mees & Zoonen

Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenbage

_____

Delft – Schiedam – Vlaardingen

Albiasserdam

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

OZA LID
Het is ondoenlijk om in één enkele

advertentie een overzicht te geven
It
van de vele nièuwe mogelijkheden,

die zijn voortgekomen uit het

OZALID lichtdrukprocédé. Het is

thans mogeijk om voor de speciale

reproductie-probleme.n van elk

bedrijf een uitstekende en econo-

misch verantwoorde oplossing te

vinden.

Welke oplossing voor Uw onder-‘

neming in aanmerking komt zullen

wij U op Uw verzoek gaarne laten

zie,n. Onze deskundige medewerrs

zullen U vrijblijvend van advies

dienen, als U contact opneemt met’

DE ATLAS
D *E

9

TILEÇOON 25377

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque de Com
merce, 6, Place Royale
»
Brussel, postcheque-rekening 260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwijnaardse Steen-weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Abonnementspriîs:
franco
per Post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen
f.
31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk
nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het
kalenderjaar.
Losse nummers 75 ct.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerj
H. .A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon 69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per min. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

1 februari
1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

83

Dollars uit toerisme’

De uitgaven van inwoners der Verenigde Staten voor

reizen in het buitenland bewegen zich in stijgende lijn:

in 1953 en
1954
beliepen zij resp. $1.277 en $1.358 mln.

Voor 1955 worden zij op grond der voorlopige cijfers

over het eerste halfjaar geraamd op rond $ 1.500 mln.,
hetgeen 50 pCt. meer is dan in 1950 en ruim tweemaal

zoveel als in 1929, het vooroorlogse recordjaar. Ge-

durende de jaren na de oorlog zijn Amerika’s uitgaven

uit hoofde van toerisme aanzienlijk sneller gestegen

dan de totale consumptieve uitgaven; hun aandeel

daarin is echter nog steeds kleiner dan in 1937 en 1929

het geval was. Van het totale

bedrag ad $ 1.358 mln.

ontving het buitenlând, na
aftrek dus van het aandeel

der Amerikaanse vervoers-

ondernemingen in de reizi-

gersontvangsten, $ 1.144

mln., een bedrag, dat vol-

gens de ,,Survey of Current

Business” overeenkomt met

7 pCt. der gezamenlijke dol-

larinkomsten uit export

naar en dienstverlening aan

de Verenigde Staten.

De ontvangsten van Eu-

ropa en het Middellandse

Zeegebied stegen, naar uit

nevenstaand staatje blijkt,

van $ 306 mln. in 1953 tot

$
352 mln, het jaar daarop,

en liet aantal toeristen in

dit gebied nam toe met rond 12 pCt. De dalende trend,

die het Amerikaanse bezoek aan Europa v66r de oor-
log vertoonde en die verband hield met het afnemend

aandeel der in Europa geborenen in de Amerikaanse be-

volking, is dus, althans de laatste jaren, doorbroken.

De factoren die hiertoe hebben bijgedragen zijn de

ontwikkeling van hèt luchtverkeer, die de mogelijkheid

tot kortstondige bezoeken verruimde; het bezoek van

familieleden aan in Europa gelegerde militairen en de
toepassing, voor het eerst in
1954,
van ,,reizen op af-
betaling.”

Van het totale in Europa gespendeerde bedrag, ad

$352 mln. ontving Frankrijk
$
72 mln., het Verenigd

Koninkrijk en Italië toucheerden beide
$
64 mln.,

West-Duitsland en Zwitserland resp. $34 en
$
29 mln.
en de Beneluxlanden gezamenlijk niet meer dan $16 mln.

Het geringe aandeel der laatstgenoèmde landen is niet

alleen een gevolg van een kleiner Amerikaans bezoek,

maar vooral van een lager gespendeerd bedrag per

toerist – nl.
$152,
tegen resp.
$
358,
$
348, $ 297 en

$
220 in Scandinavië, Italie, Frankrijk en Duitsland.

Het lage gemiddelde bedrag per toerist in de Benelux-

landen zal in hoofdzaak wel
voortvloeien uit het feit, dat

de Amerikanen in de gele-

genheid zijn deze landen in

slechts weinig dagen te

,,doen”.

Het gemiddeld per toerist

in Europa uitgegeven be-

drag is van $11,24 per dag

in 1950 gestegen tot $14,98

in 1954, of met ruim 13pCt.

Deze stijging is ,niet ten

volle tot uiting gekomen in

een toeneming van het totaal

der in Europa per toerist

gespendeerde bedragen, die

sedert 1950 10 pCt. be-

droeg; zij werd nl. voor een

deel gecompenseerd door

een verkorting van het ge-

middelde verblijf van 66

tot 56 dagen. Het grotere aantal reizen van korte

duur is vermoedelijk ook de oorzaak van het feit, dat

het gemiddeld uitgegeven bedrag sedert 1929 minder is

gestegen dan de consumentenprijzen in de Verenigde

Staten. De invloed van dit kortere verblijf wordt echter

ten dele teniet gedaan doordat het aandeel der in Amerika

geboreiven in het toerisme naar Europa is gestegen van

32 pCt. in 1929 tot 60 pCt. in 1954: deze categorie die

niet in de gelegenheid is haar bivak bij familieleden op

te slaan, geeft ni. gemiddeld meer uit dan de toerist

van Europese origine.

UITGAVEN
VOOR REIZEN NAAR EN
IN
HET BUITENLAND
(in mln, dollars)

le
Ie
1954

in
1929
1937
1953
1954
halfj.
halfj.
pCt. van
1954
1955
1953 11929

Totale uitgaven a)
. . .
693
473
1.277
1.358
611
705
106 196
210
125
382
400 204
237
105
190
Ontvangen door Ame-
rikaanse mijen
42
28
201
214
103
129
106
510
Ontvangen door bui-
tenlandse mijen
168
97
181
186
101
108 103
111
Uitgaven in het buitenland
483
348
895
9S
407
468
107
198
Canada

………..178
156
282 284
84 89
101
160
44
192 190
96
III
99
528

vei’oerskosten’

…….

Overzeese landen, waarvan
269
148
421
484
227 268
115
180
Europa en Middell.

Mexico

………..36

Zeegebied
213
97
306
352
156 182
115
165
West-Indië en Cen-
traal Amerika
.
37 35
76
87
48
59
114
235
Zuid-Amerika
5
4
20
22
11
12
110
440
Overige landen
14 12
19
23
12
15
121
164

a) Excl. uitgaven van in het buitenland werkende Amerikanen, reizend overheids-
personeel en in het buitenland gelegerde militairen; mcl. uitgaven aan de wal van
deelnemers aan ,,cruises”.

INHOUD

Blz.

Blz.

Dollars uit toerisme …………………….83

Europese atoomproblematiek, door Drs. P. H. M.

Cremers

……………………………
85

Kartelpolitiek, fiscale politiek en co6peraties,
door

Drs. A. A. van Ameringen ………………
89

Vragen over automatisering,
door P. J. S.

Serrarens …………………………..
91

Verticale prjsbinding in het buitenjand,
door –

Drs. J. F. H. Wijsen ………………….
92

Ingezonden stuk:

Het vraagstuk van het ,,in de pas lopen” der.

betalingsbalansen, door Dr. M. W. Holtrop,

met naschr(ft van Dr J. Wemelsfelder …..
96

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs. J. C. Brezet
97

De Belgische geld- en kapitaalmarkt in december

1955, door Dr. L. pelmotte ……………..
98

Statistieken:

Interim-indexcijfers van groothandelsprijzen in

Nederland ………………………..99

In- en uilvoer van Nederland …………99

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Menens de Wilmars;

J.
van
Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

VOORBEHOUDEN

84

ECÖNOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 februari 1956

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Drs. P. H. M. CREMERS, Europese atoomproblematiek.

Door het Euratom-plan en het O.E.E.C.-atoomproject

zijn zowel het streven naar een juist gefundeerde Europese

integratie als de noodzaak van Europese coördinatie

der activiteiten op het gebied der atoomenergie weer in

het middelpunt der belangstelling komen te staan. Schr.

behandelt o.a. de eerste coördinatiepogingen in dezen;

het voorspel. tot de verschillende plannen en de plannen

zelve. Het O.E.E.C.-project ziet meer de materiële nood-

zaak voor gezamenlijke actie, het Euratom-plan heeft

meer de politieke noodzaak tot achtergrond. De ver-

schillen tussen de plannen zijn: 1. het O.E.E.C.-project

omvat 17 landen, het Euratom-plan alleen de E.K.S.G.-

landen; 2. het O.E.E.C.-project betekent een lossere en

meer soepele vorm van samenwerking dan het Euratom-‘

plan; 3. in tegenstelling tot het O.E.E.C.-project dringt

het Euratom-plan zich in de nationale plannen; 4. het

O.E.E.C.-project laat zeer veel ruimte voor particulier

initiatief, dat bij het Euratom-plan praktisch is uitge-

sloten;
5.
de financiële verplichtingen blijven bij het

O.E.E.C.-project beperkt tot die onderdelen, waarin

de leden-landen interesse hebben, volgens het Euratom-

plan voteert ieder land een totaalbedrag waarmede de

centrale plannen worden gefinancierd; 6. het O.E.E.C.-

project legt sterk de nadruk op de veiligheidscontrole,

terwijl het Euratom-plan deze hoofdzakelijk opneemt in

haar leverings- en uitdeingsmonopolie; 7. de O.E.E.C.
wordt, in tegenstelling tot het Euratom-plan, in het al-
gemeen weinig op haar, taak inzake atoomenergie be-

rekend geacht. Tot slot gaat schr. in op de mogelijke

feacties op deze initiatieven in de diverse landen.

Drs. A. A. VAN AMERINGEN, Karlelpolitiek, fiscale

politiek en coöperaties.

De verhouding tussen het coöperatiewezen en de rest

van het Nederlandse bedrijfsleven, het zgn. ,,speculatieve”

bedrijfsleven, wordt mede bepaid door allerlei vormen

van overheidspolitiek. In de t.a.v. kartels genomen be-

slissingen, kpmt regelmatig het gezichtspunt naar voren,

dat uitsluiten, boycotten of achteruitzetten van coöpe-

raties ed. niet door de beugel kan. Op de overheid rust

de verplichting erop toe te zien, dat de strijdende partijen

uit het coöperatieve en het ,,speculatieve” kamp zonder

enige voorkeur door haar worden behandeld. Met dit

evenredigheidsbeginsel is de fiscale bevoorrechting, die

coöperaties onder vigueur van het Besluit op de Vennoot-
schapsbelasting genieten, echter moeilijk in overeenstem-

ming te brengen. Is het op zichzelf reeds’ bedenkelijk,

dat de wetgever er zich van bewust is geweest een fiscaal

voordeel te hebben geschapen ten behoeve van één

bepaalde categorie van contribuabelen, nog erger wordt

de zaak indien de regeling zo kan worden toegepast dat

de coöperaties beperkingen op belastingvrijstelling ge-

makkelijk kunnen omzeilen. In de tegenwoordige fiscale

situatie wordt de coöperatie een dergelijk grote voorsprong

verleend, dat er van gelijke startkansen voor de betref-

fende bedrijfsvormen geen sprake kan zijn. Het is niet

anders dan begrijpelijk, dat het instinct tot zelf behoud

een aantal reacties heeft opgeroepen, zoals de exclu-

sieve verkeersregeling in het kader van verticale kartel-

contracten.

F. J. S. SERRARENS, Vragen over automatisering.

In dit artikel verstrekt schr. enkele gegevens over auto-

matisering. De vraag of deze laatste een nieuwe industriële

revolitie is, blijft theoretisch. Automatisering vergt

enorme kapitalen en een snelle automatisering zou in

menig land afstuiten of geremd worden door de kapitaal-

behoeften. Merkwaardig is, dat de arbeid, die het meest

voor automatisering in aanmerking komt, de hoofd-

arbeid is. Schr. geeft hiervan enkele vorbee1den. Voorts

gaat schr. in op de gevolgen van automatisering op de

samenleving. De Amerikaanse vakbeweging ziet het

grote gevaar, dat doorwerking der automatisering massa-

werkloosheid met zich zou brengen en ook de Europese

vakbeweging ziet zich voor dit probleem gesteld. Een

structuurwerkloosheid op grote schaal moet voorkomen

kunnen worden.

Drs. J. F. H. WIJSEN, Verticale prjsbinding in het buiten-

land.

In een vorig artikel is een algemene beschrijving ge-

geven van het probleem der verticale prjsbinding. De

meningen omtrent verticale prjsbinding zijn in ons land

zeer verdeeld en v66r- en tegenstanders staan zeer fel

tegenover elkaar. In dit artikel wordt weergegeven tot

welke resultaten het debat in andere landen heeft geleid.

Achtereenvolgens worden de volgende landen besproken:
West-Duitsland, Italië, ‘Oostenrijk, Zweden, Denemarken,

Noorwegen, Finland, Ierland en Canada, terwijl uitvoerig

wordt ingegaan op het standpunt ten aanzien van verticale

prjsbinding in de Verenigde Staten en Engeland.

– SOMMAIRE –

Drs. P. H. M. CREMERS, L’énergie nucléaire et ses

problémes europèens.

Par suite du projet Euratom et du projet O.E.E.C.

portant sur l’énergie nucléaire la tendance vers une

‘intégration économique bien fondée et la nécessité de

coordination européenne des activités dans le domaine de

l’énergie nucléaire ont été amenées au premier plan.

L’auteur expose e.a. la proposition portant sur les

différents projets ainsi que les projets proprement dits.

Ii indique les différences entre les projets.

Drs. A. A. VAN AMERINGEN, Politique des cartels,

politique fiscale et les coopératives.

Au gouvernement incombe l’obligation de veiller h ce

que des parties adverses, dans le cas présent les coopé-
ratives et le restant du secteur industriel, soient traitées

sans préférence. Avec cela le passe-droit fiscal dont

jouissent les coopératives par la Décision portant sur les

impôts des sociétés est difficile â faire concorder.

P. J. S. SERRARENS, Des questions concernant l’auto-

matisation.

Dans eet article l’auteur fournit quelques données sur

l’utomatisation. Ii pose la question si l’automatisation

constitue une troisième révolution industrielle. Puis il

insiste e.a. sur le besoin de capitaux que comporte cette

automatisation et sur les répercussions de l’automatisation

sur la vie sociale.

Drs. J. F. H. WIJSEN, Imposition verticale de prix â

l’étranger.

Après avoir fourni dans une édition précédente une

description générale du problème de l’imposition verticale

de prix, l’auteur expose quelle est dans d’autres pays

l’attitude adoptée vis-â-vis de l’imposition verticale de prix.

1 februari
1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

85

Europese atoomproblematiek

Inleiding

Zowel het streven naar een juist gefundeerde Europese

integratie als de noodzaak van en wens tot Europese

coördinatie van de activiteiten op het gebied van de

atoomenergie zijn weer in het m.iddelpunt der belangstel-

ling komen te staan door het op het eind van 1955 ken-

baar gemaakte Euratom-plan en een korte tijd daarna

door de bekendmaking van het O.E.E.C.-atoomproject.

Sinds de activiteiten op het gebied van de atoomenergie

door het• initiatief van President Eisenhower meer ge-

bracht zijn in het vlak van de vreedzame toepassing, kwam

een geweldig toekomstaspect open te liggen dat op di(

moment nog in geen enkel opzicht is te overzien.

Het probleem der energievoorziening, dat. in Europa

de grootste waakzaamheid eist (en dat in de ontwikkeling

van de atoomenergie zijn oplossing kan vinden), vraagt

direct om een gezamenlijke aanpak. De investeringen,

nodig voor het realiseren van die oplossing, zijn van een

dergelijke omvang dat men waarschijnlijk in Europa’

(niet uitzondering van Engeland) niet snel tot een gunstig

effect kan geraken wanneer ieder, land volkomen op

zich zelf blijft aangewezen.

Naast deze materiële noodzaak staat het politieke

aspect. Moet, zo vraagt men zich af, Europa bij de ont-

wikkeling van de nieuwe energiebron steeds aan .de lei-‘

band van de Verenigde Staten en/of Rusland lopen of

moet een verdeld Europa met al zijn vernuft en mogelijk-

heden alleen blijven staan en de kans lopen op een ge-
geven dag te ontdekken dat de reeds bestaande achter-

stand nog vergroot is? Wil Europa enigermate in dit

opzicht onafhankelijk zijn dan heeft het als geheel nodig:

spljtbaar materiaal, een voldoende aantal research-

reactoren en een goede opleidingsmogelijkheid om het
grote aantal deskundigen te vormen dat nodig is op dit

nog braak liggend terrein.

De eerste coördinatiepogingen.

Nu maken het Euratom-plan en het.O.E.E.C.-atoom-

project wel de indruk iets geheel nieuws te brengen maar•

dit is slechts gedeeltelijk waar. In een rapport getiteld:

,,De verhouding tussen kolen en olie op de Westeuropese

brandstoffenmarkt”
1)
komt de Secretaris van de E.C.E.

(Geneve) o.a. tot de conclusie dat in de komende tien jaar

de energiebehoefte van Eüropa gestadig zal toenemen en
dat het derhalve noodzakelijk is dat Europa zijn energie-

bronnen op een rationele wijze gebruikt. Dit rapport

beoogt te zeggen dat het energieprobleem in Europa en

dus zijn oplossingsmogelijkheden – waarbij de ato6m-

energie een steeds groter wordende rol zal gaan spelen –

gemeenschappelijk aangepakt moet worden.

Een meer .concreet feit doet zich in .diezelfde maand
oktober 1954 voor als de commissie voor politieke aan-

gelegenheden van de Ëuropese Gemeenschap voor Kolen

en Staal bekend maakt dat zij uit politieke overwegingen

een uitbreiding van de bevoegdheden van de Gemeenschap

voor wenselijk houdt en haar voorzitter opdraagt de

commissie voor de gemeenschappelijke markt een studie

te vragen over de mogelijkheid van uitbrçiding van de

gemeenschappelijke markt tot andere sectoren, bijv. tot

andere energiebronnen dan kolen. Zoals op de daarop-

volgende (op2 december 1954 gehouden) buitengewone

zitting van de Assemblée van de E.K.S.G. – bij welke

‘) oktober 1954.

glegenheid het plan aangenomen werd tot uitwerking

van een procedure om te komen tot uitbreiding van de

gemeenschappelijke markt en van de bevoegdheden van
de Gemeenschap – bleek, was Teitgen, oud vice-premier

van Frankrijk, van de politieke commissie de voortrek-

ker van het plan om de bevoegdheid van de E.K.S.G.

te doen uitbreiden. Volgens zijn mening vormde de

integratie van kolen en staal slechts een begin en stond

of viel de E.K.S.G. met het feit, of de integratiepogingen
.

(o.a. met de atoomenergie) doorgezet konden worden.

Onze Nederlandse afgevaardigde Mej. Dr. Marga Klompé

speelde bij het debat over dit onderwerp een grote rol:

zij schaarde zich, zij het niet geheel, achter het standpunt

van-Teitgen. –

Met deze twee voorbeelden menen wij te kunnen vol-

staan en keren thans weer tot ons begonnen betoog terug.

Het voorspel van het O.E.E.C.-atoomproject en het

Euratom-plan.

Uit de twe in de inLeiding gegeven gedachten, nl. een

materiële en een politieke, is, afgezien van de reeds ver

melde activiteit van de E.K.S.G. als zodanig, een tweetal

initiatieven geboren.

Op ht eind van 1954 verzocht de Organisatie voor

Europese Economische Samenwerking (O.E.E.C.) aan

Louis Armand, president van de Franse spoorwegen,

een memorandum samen te stellen ,,Over de Europese

Economische Samenwerking op het gebied der energie”.

Dit verzoek had tot resultaat een memorandum dat

klaarblijkelijk van zodanige aard was dat de. Raad van
Ministers van de O.E.E.C. in juni 1955 het besluit nam

om een triumviraat te benoemen dat een rapport op

grond van in genoemd memorandum gegeven aan-

bevelingen moest samenstellen, waaruit duidelijk de

mogelijkheden voor Europa tot uiting zouden komen op

het gebied van de atoomenergie. Het triumviraat bestond

uit L. Nikolaides (Griekenland), R. Ockrent (België) en

W. Harpham (Engeland). Tot zover het ontstaan van het
etiste initiatief.

Niet lang na dit besluit van de Ministerraad van de

O.E.E.C. had in Messina de bekende conferentie plaats

van de zes Ministers van .Klein Europa of E.K.S.G.-

landen (België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland

en West-Duitsland), die

eigenlijk ten doel had de Europese

integratiegedachte nieuw leven in te blazen (Minister
Beyen was hier de grote promotor). Het resultaat was

o.a. dat een intergouvernementele commissie werd in-

gesteld die vanuit Brussel, onder leiding van Minister

Spaak, de Europese integratie actief zou aanpakken en

opnieuw aan de draai zou brengen. Wanneer men nu

een dergelijke opdracht krijgt en men wil op vrij korte

termijn met een resultaat naar voren komen, Wat zal men

dan waarschijnlijk doen? Beginnen met dat vraagstuk

dat op dit moment actuëel is en waarin duidelijk de

afhankelijkheid der verschillende landen naar voren

treedt. De Brusselse commissie zag een opgelegd pandoer

in het Europese atobmprobleem en stelde daarom

prompt een subcommissie in die zich uitsluitend met dit

probleem zou bezig houden.

Uit het werk van deze subcommissie kwam het voor-

stel van een Europese Atoomgemeenschap, die men
Euratom doopte. Het pijnlijke van dit Euratom-plan

was dat het eerder op de markt kwam dan, het vobrste]

86

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 februari 1956

of project van het triumvifaat van de O.E.E.C. en dat

bovendien de leiding van deze subcommissie in handen

was van Louis Armand die het memorandum voor de

O.E.E.C. had samengesteld.

Een maand later dan het Euratom-plan (wij zullen

nog aangeven waarom het zo laat verscheen) zag het

OE:E.C.-aoomproject het licht.

Het belang dat met de inhoud van het plan en project

gemoeid is, vereist een nadere uiteenzetting.

Het O.E.E.C.-atoomproject.

Dit project, dat in het rapport: ,,De mogelijkheden

van actie op het gebied der atoomenergie” is neergelegd,
bevat vele punten die vermeldenswaard zijn.

Voorop wordt gesteld dat de atoomenergie in niet te

ver verwijderde toekomst in vele landen van Europa

onmisbaar zal zijn en dat de landen die nog over on-

gebruikte mogelijkheden beschikken ten aanzien van de

opwekking van elektriciteit uit waterkracht niet lang

meer – althans niet meer op economisch verantwoorde

wijze – van de hieruit resulterende krachtinstallaties

gebruik kunnen maken. Dit laatste geldt voor Frankrijk,

Italië, Zwitserland en Portugal reeds over tien jaar, voor

Zweden over twintig jaar en voor Noorwegen en Oosten-

rijk nog iets later.

Nog urgenter wordt de toestand wat betreft de energie-

winning, gezien ten aanzien van de landen die voor hun

elektriciteitsopwekking hoofdzakelijk op kolen zijn aan-

gewezen. Genoemd worden de landen België, Frankrijk

en Groot-Brittannië en zelfs West-Duitsland (dat toch

een traditionele kolenexporteur is).

Volgens het rapport zal ook het toenemend verbruik

van vloeibare brandstoffen geen merkbare invloed hebben

op de vooruitzichten voor de toepassing van atoom-

energie.

Deze toepassingsmogelijkheden worden voor elk land

van de O.E.E.C. niet even groot of urgent geacht. Er zijn

vele factoren waar deze mogelijkheden van afhankelijk

zijn: de kosten voor een bepaalde hoeveelheid stroom die

door de conventionele brandstoffen wordt opgewekt,

de kwantiteit en kwaliteit der beschikbare arbeids-

krachten, het vereiste kapitaal ‘en de vereiste uitrusting,

verschillende factoren van locale aard etc.

In het genoemde punt – kosten voor een bepaalde

hoeveelheid stroom die door conventionele brandstoffen

wordt opgewekt – laat het rapport zich nog weinig

positief uit met betrekking tot de produktiekosten van

atoomenergie. Een exacte berekening wordt nog te prema-

tuur geacht. Wel wordt gezegd dat de kosten van atoom-

energie na verloop van tijd gelijk zullen zijn aan die van

de door conventionele brandstoffen geproduceerde

energie.

Nadat gesteld is, hetgeen wij in dit artikel al eerder

naar voren brachten, dat de ontwikkeling van een

Europese atoomindustrie grote inspanning eist ten aan-
zien van uitrusting, techniek en bestedingen, wordt een

vergelijking getrokken tussen de activiteit van -de Ver-

enigde Staten en Europa. Bij deze vergelijking, die wij

hieronder in het kort samenvatten, blijkt Europa (met

Engeland en Frankrijk als gunstige uitzonderingen) een

pover figuur te slaan.

Is deze getekende situatie hopeloos? Geenszins, als

Europa maar de juiste methode vindt om zijn achterstand

in te halen. Volgens het O.EE.C-rapport is de enige

kans van slagen in dit opzicht gelegen in een snel, rationeel

en doelbewust handelen. Voot de O.E.E.C. is een belang-

rijke taak weggelegd bij het effectueren van een nauwe

vergelijkingspunt Verenigde Staten
west-Europa

Proto-typen van reac-
Vermoedelijk worden
toren voor elektrici-
er 5 of 6 gebouwd, nI.
teitsproduktie:

in 3 of 4 in Engeland en
aanbouw of in wer-
.
2

in

Frankrijk.
king.


Ca. 20

Aantal research-reac-
Int0tal

9deSt
toren

in

gebruik.
30
enigde

Staten

ge-
bouwd 8 stuks (Enge-
land 4,
Frankrijk
2,
Noorwegen en zwe-
den elk 1) en in Euro-
pa gebouwd 1, nI. in
Zwitserland.

Reactoren voor mate-
riaalbeproeving.
2
Geen
Kernmotoren voor aan-
drjving van schepen.
2
Geen
Capaciteit voor urani-
Voor

het

ogenblik
Het ‘/,, deel van de
niurnverrijking

door
voldoendt
de Verenigde Staten
isotopensplijting
(in

Engeland)

Produktie van zwaar
Aanzienlijk
Het
11,,
deel van de
water.
Verenigde Staten (in
Noorwegen.

Aantal

beschikbare
7.800,

waarvan

in
technici.
15.000
Engeland

5.000,
Frankrijk 1.800 en in
de

rest

van

West-
Europa

1.000.

Bestedingen
In

1954

(mcl.

voor
In

1955

cs.

300
(absoluut

genomen)
militaire

doeleinden,
mln.
maar niet de beste-
dingen van particuliere
bedrijven)
$
2 mrd.

Bestedingen (in pCt.
In Engeland meer dan
van het nationale in-
4
pCt.
4
pCt., in Frankrijk
inkomen)
(allgen

voor

vreed-
zame

doeleinden)

4
pCt. in de rest van
West-Europa

veel
minder dan
4
pCt.

samenwerking tussen de verschillende Europese landen

op het gebied vande atoomenergie: bij dezë taak heeft

zij echter rekening te houden met de eigen-geaardheid

van elk O.E.E.C.-lid en moet zij de nodige souplesse in

acht nemen. Zij voorziet in het leggen van groepscontacten

tussen de leden-staten en zij baseert haar werkzaamheid

dan ook op diverse organen die uiteindelijk de samen-

werking, op het gebied van de atoomenergie mede moeten

helpen tot stand brengen.

Het O.E.E.C.-atoomproject geeft aan dat de atoom-

belangen van de Europese landen nationaal en gemeen-

schappelijk het beste gediend zijn met het volgende:

I. Instelling van een directorium dat leiding geeft op het gebied
van de atoomenergie. Dit directorium voor atoomenergie –
dat zich o.a. bezig houdt met het uitbalanceren van de finan-
ciële en economische belangen der verschillende landen –
is concreet o.a. het volgende toebedacht:
zorg dragen dat doublures voorkomen worden en dat de eigen initiatieven der verschillende landen niet verloren
gaan; –

de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen
stimuleren, o.a. door de voorstudie van deze ter hand te nemen. Aan de daadwerkelijke oprichting van deze ge-meenschappelijke onderimingeh zullen alleen de daarin – geïnteresseerde Janden deelnemen c.q. de door hen ge-
machtigde officiële of semi-officiële organen of particuliere
maatschappijen;

de oprichting speciaal van een bedrijf dat door isotopen-splitsing verrijkt uranium produceert. (Tot nu toe bezit in West-Europa alleen Engeland zo’n bedrijf: men stelt zich
de vraag, of Engeland dus ten aanzien van dit punt zal
meedoen). De bouwkosten van genoemd bedrijf zullen
ca. $ 250 â 310 mln, bedragen;

het tot stand brengen van:
een of meer bedrijven voor de chemische behandeling
van gebruikte (radio-actieve) atoombrandstoffen;
fabrieken voor de winning van zwaar water;

/

1.februari 1956

ECONO.MISCH-STATISTISCHË BERICHTEN

87

•fabrieken voor de produktie van ,,brandstofelementen”;
fabrieken voor omzetting van uraniurhertsen in metaal;
half-industriële research-labortoria voor metallur-
gische vraagstukken, voor materiaalbeproeving en
reactor-opleiding.

Instelling van een controlebureau dat verantwoordelijk is voor
het veiligheidstoezicht-op de grondstoffen voor de atoom-
splitsing.

Regeling van de wetgeving op het gebied van de atoomenergie
en wel speciaal ten aanzien van de volgende punten:
gezondheidsbescherming; regeling van de verwijdering van radioactieve afvalproduk-
ten;
verzekering van transporten;
regeling van patentvraagstukken;
verlening van licenties;
studenten- en professorenuitwisseling;
het toekennen van stipendia;
de oprichting van een Europees onderrichtscentrum enz.

Iv. Het nastreven van een regèlingyan de handel in al de produkten
die met a(oomenergie samenhangen. Deze regeling moet dan
echter niet inhouden dat de vrijheid aan banden wordt ge-
legd. De volgende aanbevelingen worden gegeven:
de splïjtbare stoffen moeten in handen blijven van de
overheid van de verschillende landen;
de handel in speciale uitrustingen, hulpstoffen en isotopen
moet volledig vrij zijn;
ook de handel van andere produkten voor de atoomindus-trie moet volledig vrij zijn;
de handel in produkten, die niet alleen in de atoomin-
dustrië maar ook in andere branches in gebruik zijn, moet
door onderlinge overeenkomsten worden geregeld.

Volgens de samensteÏlers van het rapport moet dit het

uitgangspunt worden van

multilaterale onderhandelingen

in O.E.E.C.-verband en als het noodzakelijke inter-

mediair wordt’ daartoe het hierboven vermelde – direc-

torium voor atpomenergie genoemd. –

Het Eura tom-plan.

De voorbescholiwing van het Euratom-plan komt hier
op neer dat de Europese landen door, een hechte en juist
opgezette samenwerking de mogelijkheid zullen hebben

om hun achterstand ten aanzien van de Verenigde Staten

en Rusland in te halen en dat een van de noodzakelijke

premissen is daX West-Europa, evenals de Verenigde

Staten en Rusland, over ,,verrijkt uranium” beschikt.

De opzet van dit plan is, dat voorlopig alleen de

E.K:S.G.-landen (met mogelijke medewerking van Enge-

land) deelgenoot zullen zijn van dit orgaan en dat meerdere

participanten eerst dan aangezocht zullen worden wan-

neer dit atoomorgaan vast op zijn benen staat.
De-inhoud van het plan is ongeveer als volgt:

1. De leiding zal in handen liggen van een raad van commissaris-
sen met vergaande bevoegdheden. Een’ punt van discussie
is nog, of deze commissarissen ‘als vertégenwoordigers van
hun regeringen zullen optréden of dat
zij
met supranationale
bevoegdheden zullën worden uitgerust. De dagelijkse en
directe leiding van het atoomorgaan delegeert deze raad aan
een directeur-generaal, die-door een technische en weten-
.schappelijke raad wordt bijgestaan.

H. De taak en de hulpmiddelen van dit atoomorgaan zijn de
volgende:
1. fungeren als monopolistische inkoper van de zes deel-
nemende landen van splijtbare stoffen en hun derivatën
en als centrale verzorgingsinstantie;
2. zorg dragen voor coördinatie van de research- en de
industriële toepassingsprogramma’s;
3. hët vormen van vaklieden waar een grote behoefte aan
bestaat;
4. het beheren van de voor dit atoömorgaan gemeenschap-
pelijke installaties. Van deze moeten de volgende worden
genoemd; –
het research- en meetcèntrum;
het te bouwen bdrjf voor het produceren van uranium-
isotopen;’ –

ROTTERDAMSCHE BANK

FINANCIERING VAN

IMPORT- EN EXPORT-

T R A N S A C T I E S

260 VESTIGINGEN IN NEDERLAND

(Advertentie)

het bedrijf voor de chemische behandeling van ver-
bruikte’ atoombrandstoffen;


het bouwen van prototypen van reactoren;
de op te richten internationale mijnmaatschappijen
tot bevordering van de uraniumexploratie en -exploi-
tatie.
5.
het vormen van een gemeenschappelijke markt voor alles
wat met de atoomindustrie en de daarbij benodigde uit-
rusting samenhangt. Daartoe zullen moeten worden af-
geschaft:
de in– en uitvoerreéhten;
de kwantitatieve beperkingen;
c de discriminerende praktijken;
d. de staatssubsidies.

III. Het atoomorgaan zal over financiële middelen moeten be
schikken om zijn taken ten uitvoer te kunnen brengen of-
schoon geen exacte bedragen genoemd kunnen worden, is men van mening dat voor de eerste vijf jaren op een totale
uitgave van de zes landen gerekend moet worden van ca.
$ 1,5 mrd. Van dit bedrag zou 15-20 pCt. aan het atoomor-
gaan moeten toekomen, d.i. dus $ 250 â 300 mln. in vijf jaar, of $ 50 â 60 mln, per jaar (voor de éerste jaren zou $ 20 â 30
mln, voldoende zijn). De verdeling van dit bedrag over de
verschillende deelnemers zou gebaseerd kunnen worden op
het volksinkomen of op het energieverbruik.

Wij hebben nu beide atoomplannen voor ons liggen en

zullen thans overgaan tot een algemene beoordeling.

Beoordeling van het O.E.E. C.-project en het Euratom-plan.

Het gemeenschappelijke in beide initiatieven is dat zij
op het oog hebben een gezamenlijke, actie op het gebied

van de atoomenergie waarbij,’ naar ons gevoelen, het

O.E.E.C.-project meer de
materiële
noodzaak ziet en

het Euratom-plari meer de politieke noodzaak tot achter-‘

grond heeft. Het onderscheidende komt o.a. in de’

volgende punten tot uiting.

1. Het O.E.E.C.-project omvat 17 landen (al de

O.E.E.C.-landen dus), terwijl het Euratom-plan alleen
de E.K.S.G.-landen of klein-Europa (althans in eerste

aanleg) bij zijn actiewi1 betrekken.

II. De wegén ‘dië tot het gemeenschappelijke doel

leiden, zijn bij beide geheel verschillend. Het O.E.E.C.-

project betekent een lossere en meer soepele vorm van

samenwerking (de besprekingen van de O.E.E.C. met

de verschillende landen namen dan ook veel tijd in beslag

en dit werd o.a. de reden waarom ,het project later ver-

scheen dan het Euratom-plan). Het laat meer mogelijk.

88

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTËN

1 februari
1956

heid en vrijheid aan de afzonderlijke landen, die nl. aan
bepaalde voorstellen al of niet kunnen meewerken. Het

Euratom-plan berust op een straffe samenwerking met

vele verplichtingen en uit deze straffe opzet zou een supra-

nationale autoriteit kunnen groeien.

Het O.E.E.C.-project raakt praktisch niet de atoom-

plannen der verschile.ide landen. Het Euratom-plan

dringt zich noodzakelijk in de nationale plannen door het

opzetten en uitvoeren van een gemeenschappelijk plan.

Het O.E.E.C.-project laat zeer veel ruimte voor

het particulier initiatief, terwijl dit bij het Euratom-plan

praktisch uitgesloten is (denk in dit verband aan de strijd

particulier-overheid in de Verenigde Staten).

De financiele verplichtingen blijven bij het O.E.E.C.-

project beperkt tot die onderdelen waarin de bejaaalde

leden-staten interesse hebben. De opzet van het Euratom-

plan is dat ieder land (zij het op een bepaalde basis) een

totaaliedrag voteert waarmede de centra1 plannen

worden gefinancierd.

Het O.E.E.C.-project legt een sterke nadruk op de

veiligheidscontrole. Het Euratom-plan neemt deze veilig-

heidscontrole hoofdzakelijk op in haar leverings- en

uitdelingsmonopolie.

De O.E.E.C. wordt in het algemeen weinig op

haar taak inzake atoomenergie berekend geacht, terwijl
het Euratom-plan meer de potentie in zich houdt om de

noodzakelijke leiding op zich te nemen.

De lnogel(jke reacties op de initiatieven.

Engeland.

Dit land, dat de andere Westeuropese landen ver vooruit

is in de ontwikkeling van atoomenergie, zou in principe

het meest voor het O.E.B.C.-project moeten voelen. Van

de andere kant zal dit land zich niet uitdrukkelijk tegen

het Euratom-plan verklaren omdat het in de straffe en

meer centrale leiding hiervan meer en snellere mogelijk-

heden zal zien tot het doen van leveranties op atoom-

gebied. Ook zou het contract met België inzake grondstof-

leverantie gewicht in de schaal kunnen leggen om nog

geen openlijke uitspraak te doen. Engeland zou het spel

weer zo kunnen spelen zoals het dit gedaan heeft ten

aanzien van de E.K.S.G.

West-Duitsland.

West-Duitsland heeft duidelijk laten merken – o.a.

bij monde van Menne – hoe het over de straf opgezette

plannen van Brussel denkt. De tot nu toe afwijzende

houding is niet moeilijk te verklaren. Eerst wil dit land

zijn achterstand op atoomgebied ingelopen hebben om

daarna als voldoende zware partner mee te spreken.

België.

De keuze van dit land zal ongetwijfeld op het Euratom-

plan vallen. In de eerste plaats zal dit land door zijn grond-

stofvoorraad in de Congo een sterke positie in deze

samenwerkingsvorm ten deel vallen en vervolgens zou

het voor dit land een goede zet zijn, wanneer het zijn

uraniumertsen niet meer overwegend aan de Verenigde

Staten en Engeland behoeft te verkopen (met alle gevol-

gen van dien), m.a.w. het zou het concurrentie-element
op de uraniummarkt meer kunnen laten werken. Op het

moment is er nog geen sprake van dat België veel uranium

aan Europa zou kunnen afstaan: het heeft sinds juni

1955 een contract met de Verenigde Staten lopen, waarin

bepaald is dat het zelf slechts de beschikking zal hebben
over 10 pCt. van zijn uraniumproduktie in de jaren 1956

en 1957 en over
25
pCt. in
1958
t/m 1960. Bovendien

heeft België ook nog een leverantiecontract lopen met

Engeland.

Nederland.

Wij hebben op het gebied van de atoomenergie alvast
eerst te denken aan onze samenwerkirg met Noorwegen

(dat geen lid is van de E.K.S.G.). Daarnaast echter is

België een van onze Benelux-partners, hetgeen toch nog

altijd van belang is. Een duidelijk uitgesproken oordeel

van ons land is, zover wij weten, nog niet bekend. In dit

verband kan wel meegedeeld worden welke wensen Mej.

Dr. Marga Klompé op het eind van 1955 geuit heeft ten

opzichte van het Euratom-plan:

de research moet niet supranationaal zijn want er.

moet voldoende vertrouwen zijn in onze wetenschaps-

mensen;

er mag geen discriminatie zijn tussen de landen;

doublures van Europese organen moeten zoveel

mogelijk vermeden worden;

er moet aandacht geschonken worden aan de gemeen-

schappelijke markt.

Andere Europese landen.

De landen, die geen lid zijn van de E.K.S.G., zullen

denkelijk niet erg enthousiast zijn over het stringente

Euratom-plan zoals het er op dit ogenblik uitziet.

Ve r e n i’g d e S t a t e n.

Minister Dulles verklaarde eind
1955
dat de Verenigde

Staten hun materiaal en vakkennis liever ter beschikking

stellen aan een supranationaal Europees orgaan voor

atoomenergie dan aan de verschillende landen afzonder

lijk. Van president Eisenhower halen wi hier letterlijk

een persbericht aan naar aanleiding van diens nieuwjaars-

rede: ,,Verwijzend naar de werkzaamheden in Europa
op het gebied van atoomenergie beloofde de president

de nodige Amerikaanse hulp aan het zgn. Euratom-plan,

de jongste poging om op dit deelgebied in Europa de

integratie te bevorderen”.

Conclusie.

In ieder geval draait een samenwerking in Europa groten-

deels om het feit of er voldoende spljtbare stof aanwezig

is. Dit nu is de eerste jaren (althans t/m 1960: zie hier-

boven) bijna onmogelijk. Daarom beveelt het O.E.E.C.-

project ook direct samenwerking met de Verenigde

Staten en Canada aan, terwijl o.i. het Euratorn-plan het

doèt uitkomen alsof men wel uit deze impasse zal

raken. Ofschoon wij de merites (als men dit woord hier

reeds mag gebruiken) van het Euratom-plan geenszins

onderschatten doet het o.i. een weinig eigenzinnig aan.

Dat de niet-E.K.S.G.-landen vooral deze eigenzinnigheid

niet direct zullen nemen lijkt ons niet zo moeilijk te ver-

onderstellen. De vele onderlinge contacten en contracten

die in Europa reeds bestaan (Nederland-Noorwegen,

Engeland-België, België-Zwitserland, Engeland-Scandi-

navië enz.) kunnen goed ingepast worden in het O.E.E.C.-

project.

Waarschijnlijk zal men, als men niet een van de initia-

tieven geheel wil laten vervallen, een synthese tussen beide

moeten trachten te vinden. Men zou hiervoor vele

mogelijkheden kunnen uitdenken. Euratom zou bijv.

het uitvoerend atoomorgaan van de O.E.E.. kunnen

worden.

Laat ons hopen dat bij de aanstaande belangrijke be-

slissingen op het gebied van de atoomenergie het belang

van West-Europa als geheel gezien wordt en niet het

gedachte voordeel van een of enkeleianden. –

Zwolle.

DRS. P. H. M. CREMERS.

1 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

89

Kartelpolitiek, fiscale politiek en coöperaties

De verhouding tussen het coöperatiewezen en de rest

van het Nederlandse bedrijfsleven, dat men wel eens als
,,speculatief” pleegt aan te duiden, hangt niet alleen van
de eigen kracht en levensvatbaarheid van de betreffende

bedrijfsvorm af, maar wordt mede bepaald door allerlei

vormen van overheidspolitiek. Dit kan ook niet anders

in een tijdvak, waarin de overheidsbemoeiingen van

directe en indirecte aard zozeer het economisch handelen

beïnvloeden. Indien de Overheid op al de terreinen, waar

zij optreedt, een doelbewuste en goed gecoördineerde

politiek zou voeren teneinde hetevenwicht tussen beide

bedrijfsvormen te handhaven en elk van hen de mogelijk-

heid te geven zich in vrije concurrentiestrijd te ontwikke-

len, zou men daarmede vrede kunnen hebben. Helaas

zijn echter in dit opzicht zulke duidelijke anomalieën te

constateren, dat men zich moet afvragen of de ene

overheidshand wel weet wat de andere doet en men weinig

optimistisch kan zijn over de uiteindelijke uitwerking

van onderling tegenstrjdige maatregelen.

Het is bekend, dat de Regering op het gebied vân het

kartelwezen zich op een zuiver casuïstische politiek ba-

seert, die de vraag van een eventuele botsing tussen

algemeen belang en kartelpolitiek steeds weer incidenteel

in het licht van een concrete constellatie beoordeelt.

Hierop zijn slechts enkele uitzonderingen en een daarvan

heeft juist betrekking op de positie van het coöperatie-

wezen. In de diverse beslissingen, die in de loop van de

laatste jaren zijn genomen ten aanzien van kartels, komt

regelmatig het gezichtspunt naar voren dat het uitsluiten,

boycotten of achteruitzetten van bepaalde bedrijfs-

vormen, zoals coöperaties, inkoopcombinaties en

warenhuizen, bij Regering niet door de beugel kan.

In dit opzicht kent zij geen enkel compromis. Dr. C. H.

Schouten, secretaris van de Commissie Bedrjfsregelingen,

welke commissie zoals bekend de Regering van advies

dient bij het toepassen van het kartelbesluit, heeft dit

standpunt eens als volgt geformuleerd:

,,Wanneer de Overheid er toe overging de discriminatie ten aan-
zien van een bepaald bedrjfstype op te heffen, deed zij niet meer
dan voor die bepaalde bedrijfsvorm de. weg vrij te maken voor
deelneming aan de mededinging binnen de grenzen, die daarvoor
door de overige kartelbepalingen – voor zover niet uit andere
hoofde strijdig met het algemeen belang – ook aan alle andere
branchegenoten waren gesteld; zij ging dus niet verder dan de ge-
boycotte bedrijfsvorm in de gelegenheid te stellen het normale spel
mee te spelen. Daarbij werd dan inzonderheid waar het de coöpe-
ratie betrof nog overwogen, dat het niet aanging de coöperatie de
weg te versperren ook op die grond, dat de jaarlijkse uitkering
van het zgn. dividend als een prjskorting moest worden gezien.
Naar buiten treden – zo zal men de uitspraak mogen lezen – de
coöperaties immers op als alle andere handelszaken en wordt met
name tegen de gangbare prijzen verkocht. Het verschil is alleen,
dat de coöperatie ten aanzien van de verdeling van de winst, welke
laatste mede door aankopen van niet-leden wordt gevormd, een
andere maatstaf dan de niet-coöperatieve ondernemingen hanteert”
1
).

Zeer scherp vindt men deze• gedachtengang ook

geformuleerd in de ministeriële beslissing ten aanzien

van het Centraal Bureau voor de Rijwielhandel
2).

Onverbindend wordt hierin verklaard de’ uit de betref-

fende kartelregeling voortvloeiende verplichting om niet

te leveren aan coöperaties, omdat ,,het in strijd met het

algemeen belang is dat niet-coöperatieve ondernemingen

door middel van bepalingen als hierboven ômschreven,

coöperatieve ondernemingen in zeer belangrijke mate de

‘) Industrie, december 1953, blz. 10 v.v.
‘) Nederlandse Stcrt. 1950, no. 60.

mogelijkheid onthouden het op normale wijze uitoefenen

van de handel in goederen behorende tot de rijwiel-

branche”.

Op het eerste gezicht moet men dit ministeriële stand-

punt een zeer grote mate van redelijkheid toekennen.
De Overheid heeft nu eenmaal in onze huidige maat-

schappij de taak toe te zien op het gebruik van machts-

middelen, waarover verschillende groeperingen kunnen

beschikken. Indien deze middelen op een dergelijke wijze

worden aangewend dat bepaalde bedrijfsvormen, zoals

de coöperatie of het warenhuis van het economische ver-

keer dreigen te worden uitgesloten, is het de taak van

de Overheid hier op zodanige wijze in te grijpen dat het

evenwicht enigszins wordt hersteld, hetgeen zonder meer

in overeenstemming is te achten met het algemeen

belang.

Op de Overheid rust dan wèl de verplichting haar spel

zo zuiver en consequent mogelijk te spelen en er inderdaad

op toe te zien dat de met elkaar strijdende partijen uit

het coöperatieve en zgn. speculatieve kamp zonder enige

voorkeur door haar worden behandeld. Terecht spreekt

Mr. Verloren Van Themaat, Directeur van Ordenings-

vraagstukken van het Ministerie van Economische Zaken,

in dit verband van het evenredigheidsbeginel, waardoor

de Overheid zich zou moeten laten leiden bij het stelling-

nemen in de onderhavige strijd
3).

Met het evenredigheidsbeginsel is echter moeilijk de
fiscale bevoorrechting in overeenstemming te brengen,

die de coöperaties onder vigueur van het Besluit op de

Vennootschapsbelasting genieten. De Grondwet schrijft

dan wel voor dat er geen privileges mogen bestaan op

het stuk der belastingen, doch de fiscale wetgever heeft

het met deze norm bij de regeling van de vennootschaps-

belasting niet al te nauw genomen. Tot verontschuldiging

moet hierbij vastgesteld worden dat deze in dit opzicht

in het spoor van de winstbelasting van 1940 wandelt.

Volgens art. 13 lid 4 van het Besluit Vennootschaps-

belasting worden de prijs- of loonbijslagen aan de leden

toegekend naar de maatstaf van de door hen in een

boekjaar verrichte leveringen van goederen of andere
prestaties, respectievelijk de afnemersdividenden toe-
gekend naar de maatstaf van hun aandeel in de omzet

der vereniging, tot de bedrijfskosten gerekend. Voor

vrijstelling van vennootschapsbelasting komt echter niet

dat gedeelte van de bij slagen of dividenden in aan-

merking dat als winst te beschouwen is behaald in het

verkeer met niet-leden, terwijl de betreffende faciliteit

evenmin geldt voor zover op de inleggelden minder dan
een redelijke interest op het zuiver vermogen wordt uit-

gekeerd. In de Leidraad op de Vennootschapsbelasting

vindt men hierop de volgende toelichting: ,,Moet de regel:

,,omzetdividend behoort tot de bedrijfskosten” gezien
worden in het licht van de. wens een ongezonde prijs-

politiek (die omzetdividenden voorkomt) niet in de hand

te werken, de beide uitzonderingsbepalingen beogen er

voor te waken, dat de fiscale positie der coöperaties niet

al te gunstig wordt in verhouding tot die van de eigen-

lijke ondernemingen”.

Typerend is, dat deze formulering er reeds van uitgaat

dat de coöperaties volgens de hierboven geciteerde rege-

ling relatief gunstig worden behandeld, zij het dan ook

$) Sociaal-Economische Wetgeving 1952, no. 5, blz. 149.

90

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1
februari 1956

dat men door enkele uitzonderingen op de algemene rege-

ling van vrijstelling van omzetdividenden heeft willen

voorkomen dat de priviligiëring van coöperaties de spui-
gaten uitloopt Op zichzelf is het reeds bedenkelijk, dat de

wetgever zich er van bewust is geweest een fiscaal vdordeel

te hebben geschapen ten behoeve van één bepaalde

categorie van contribuabelen. Nog erger wordt de zaak

indien de regeling zo kan worden toegepast dat de

beperkingen op de vrijstelling gemakkelijk kunnen worden

omzeild. Dan zal men in de terminologie van de Leidraad
moeten spreken van een ,,al te gunstige” behandeling van
de coöperaties, m.a.w. van een duidelijk voortrekken van

deze groep ten koste van zijn concurrenten. –

Hoe is• namelijk de praktijk? Vele en misschien zelfs

zeer vele coöperaties vermijden de vorm van omzet-

dividenden, welke hen bloot zouden stellen aan een be-

lasting van winsten op het verkeer met niet-leden of aan

een belasting van de interest op .de verplichte stortingen.

Waar vele coöperaties een belangrijke omzet hebbéh
met niet-leden is het in elk geval de moeite waard de

vennootschapsbelasting op de in dat verkeer behaalde

-winst te besparen. Dit kan men nu gemakkelijk bereiken

door de verrekening van de transacties met leden in de

vorm van voorschotbetalingen te doen plaatsvinden,

waarna aan het eind van, het boekjaar, wanneer de

exploitatierekening bekend is, een slo tafrekening plaats-
vindt. Aldus word t een iookgordijn neergelaten, hetwelk

het praktisch onmogelijk maakt een winstelement qit

de in het verkeer met de leden behaalde prijzen te isoleren,

welk winstelement immers causaal veroorzaakt moet zijn

ddor het verkeer met niet-leden.. Zo slagen talrijke

coöperaties er in elk jaar belastingvrije winst uit te keren,

tegen de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever in,

die de coöperaties wel enig maar-geen excessief fiscaal

voordeel gunde.

Men kan nu wel opmerken, dat dit verschil in wezên

terug te voeren, valt tot het verschil in karakter tussen de

coöperaties en de ,,eigenlijke ondernemingen”, welke

laatste een winstdoel hebben, terwijl. de coöperaties

krachtens hun structuur niet gericht zijn op het behalen

van winsten, maar bp het dienen van de belangen hunner

leden. Men moet zich dan echter ook realiseren dat de

niet-coöperatieve ondernemingen, willen zij zich op de

lange duur in de concurrentiestrijd met de coöperaties

staande houden, in staat moeten zijn reserves te vormen

ttit hun winsten, terwijl de coöperaties naar verhouding

met een veel geringere reservevorming kunnen volstaan

omdat zij over een extra stootkussen beschikken, hetzij

in de vorm van de aansprakelijkheid van de leden, hetzij

althans door middel van de langdurige binding van het

lidmaatschap, die vele coöperaties eigenis.

Op deze wijze verliest de fis’caliteit haar neutrale functie,

zij wordt a.h.w. een zelfstandige factor, die mee gaat

spelen in de krachtproef waaraan coöperatieve en niet-

coöperatieve ondernemingen in hun onderlinge concur-

rentiestrijd zijn onderworpen. Een zelfstandige factor,

die eenzijdig ten gunste van de coöperaties werkt. Over

de betekenis daarvan bij de tegenwoordige hoogte van

de vennootschapsbelasting behoeven wij geen twijfel te

koesteren. Men zou het ook zo kunnen formuleren dat
de Overheid haar ‘legitieme portie in de winst van een

coöperatief bedrijf afstaat aan de leden van de coöperatie

die deze winst ontvangen, hetzij in de vorm van een prijs-

verlaging voor gekochte, hetzij in de vorm van een prijs-

verhoging voor verkochte artikelen.. Als Dr. Schouten

dan ook stelt dat de geboycotte bedrijfsvorm de gelegen-

heid moet hebben het normale spel mee te-spelen, moet

men zich realiseren dat dit spel niet zuiver wordt gespeeld.

In de tegenwoordige fiscale situatie wordt de coöperatie
op deze wijze een dergelijke grote voorsprong verleend,
dat er geen sprake meer kan zijn van gelijke startkansen

voor de betreffende bedrjfsvormen. Ondernemingen, die

41 – 43 pet. vennootschapsbelasting moeten betalen,

worden in deze wedloop wel zeer zwaar gehandicapt.

Het is niet anders dan begrijpelijk dat het instinct tot

zelf behoud een aantal reacties heeft opgéFoepen, waarvan

de exclusieve verkeersregeling in het kader van verticale

kartelcontracten voorbeelden zijn. Men mag de wijze

waarop de coöperaties de deur wordt gewezen weinig

fraai vinden, doch men kan het de bedrijven, die daartoe

de kans hebben, nauwelijks kwalijk nemen dat zij hun

bestaansrecht op deze wijze proberen te verdedigen tegen

een bedrjfsvorm, die in strijd met de Grondwet zozeer

door de fiscale Overheid wordt voorgetrokken.

Het stemt tot verheugenis dat enkele ledén van de

Tweede Kamer aanleiding gevonden hebben in het Voor-
lopig Verslag over het hoofdstuk Financiën van de Rijks-

begroting 1956 de Regering te attenderen op de fiscale

onrechtvaardigheid die hier bestaat. .Wij citeren de
vol-

gende passage uit dit verslag:

,,Het was h.i. moeilijk te begrijpen, waarom winsten, diein de
vorm van prijsreductie, resp. prijsopslag uitgekeerd worden aan de
eigenaren van een onderneming, anders moeten worden getroffen naar gelang de eigenaren aandeelhouders zijn in een
N.V.
dan wel
in een coöperatie. Omdat in de regel de kapitaaikracht van een
N.V.
op
het eigen vermogen gebaseerd
is
tegenover die van een coOperatie
wa.
op
de aansprakelijkheid van de leden, worden de onbillijke
verschillen, die hier ontstaan, nog verder geaccentueerd door het
feit, dat een primaire rente op het gestorte kapitaal bij. de
N.V.’s
niet als aftrekpost bij de winstbepaling in aanmerking genomen
kan worden,zoals dit wel geschiedt ten opzichte van de opgenomen
gelden, waarmede coöperaties
in
het algemeen op ruime schaal
plegen te werken. De hier aan het woord zijnde leden informeerden
met belangstelling naar eventueel beschikbare gegevens, waaruit
men kan afleiden, welke omvang de fiscale begunstiging van de
coöperaties heeft aangenomen”. –

Minister Van der Kieft bleek niet in staat deze be-

waren zonder meer te weerleggen. Ofschoon hij zich

nog niet tot een duidelijke uitspraak heeft laten bewegen,

heeft hij toch in zijn Memorie van Antwoord te kennen

gegeven ,,dat een nadere bezinning op het thans vigerende

stelsel met betrekking tot de coöperaties gerechtvaardigd
is”. Ook een Minister moet men het recht toekennen zich

te bezinnen alvorens te beginnen. Men mag echter de

wens uitspreken dat deze bezinning binnen niet te lange

tijd in concrete voorstellen zal resulteen, welke een eind

maken aan de feitelijke subsidiëring van het coöperatieve

bedrijfsleven. Als zodanig mag men ni. deze met dë

elementaire principes van onze belastingwetgeving strjdige

toepassing wel beschouwen
4
). –

Tegelijkertijd zou men wensen dat de Minister van

Economische Zaken bij het hanteren van het evenredig-
heidsbeginsel ten aanzien van kartelregelingen zich niet

alleen rekenschap geeft van 1etgeen zich afspeelt op het
terrein van de-economische mededinging, maar ook oog

heeft voor de gevolgen van de fiscale bevoorrechting van

het coöp&ratiewezen in het kader van de concurrentie-
strijd. Zulks geldt teméer waar het de bedoeling van de

Regering schijnt te zijn om, zodra de wet op de eco-

nomische mededinging in werking is getreden, het systeem

van de generieke onverbindendverklaring töe .te passen,
waardoor bepaalde kartelpraktij ken onder een algemene

4)
In het Voorlopig Verslag van de Eerate Kamer over
dezelfde
begroting
treft
men een uitvoerige gedachtenwisseling tussen een aantal leden aan inzake de
fiscale behandeling van coöperaties.

1 februari
1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

91

verbodsbepaling zouden worden gebracht. De Sociaal-

Economische Raad heeft in zijn advies over het voor-

ontwerp van de wet economische mededinging hierbij

speciaal gedacht aan ,,afspraken om ondernemingen

geheel van het economisch verkeer binnen een bepaalde

bedrijfstak uit te sluiten, alleen omdat hij ‘onder een be-

paalde vorm bijv. die van een coöperatie, wordt uit-

geoefend”. Waar de fiscale wetgeving en de economische

politiek geen gesloten compartimenten zijn, die lucht-

– dicht van elkaar zijn afgesnoerd, zou de Minister van

Economische Zaken wellicht bij de bezinning van zijn

ambtgenoot van Financiën kunnen aansluiten. Uit een

goed gecoördineerde onderlinge bezinning kunnen rege-

lingen op economisch en fiscaal gebied voortvloeien, die

(Jenfrum
voor

ALMELO

IndustrIevetiging In Twente

Tel. 05490-5

(Advertentie)

werkelijk consequent het evenredigheidsbeginsel door

voeren bij de overheidsinterventie op het gebied van de

concurrentiestrijd tussen de bedrijfsvormen. Gelijke

monniken, gelijke kappen, maar dan zowel op de Kneuter-

dijk als op het Bezuidenhout.
‘s-Gravenhage.

A. A. VAN AMERINOEN.

Vragen over automatisering

Is automatisering een derde ‘industriële revolutie?

Als we met Ir. F. G. Willemse automatisering omschrij-

ven als ,,het vervangen van menselijk handelen en denken

door apparaten en machines”
1),
dan springt het verschil

met vorige fases van Organisatie der produktie niet sterk

in het oog, tenzij men een streep zet onder:
denken.

Want ook de industriële revolutie van de 18de eeuw was

een vervanging van menselijk
handelen
door apparaten

en machines. Taussig schreef in 1922: When the steady
repetition of the same movement becomes an important

part of an industrial art, it is possible to apply other

force than that of a man’s muscles. No machine, even in

the highly elaborated forms of modern times, can rival

in dexterity and flexibility the human hand. But whenever

the same thing is to be done over and over, the blind

forces of nature, working thru a machine, can do it

as well as ay human hand, and indeed better than most
human hands”
2)

De natuurkrachten werden in de 18de eeuw inge-

schakeld in het produktieproces. Spinmachines en weef-

stoelen, eerst geholpen door waterkracht, opereren

spoedig met de kracht van 9toommachines, door drijf-

riemen overgebracht. Na de voorhoede in de textiel-

industrie volgen draaibanken en – andere apparaten,

toegepast in verschillende bedrijven. Een vergaande

arbeidsverdeling maakt het mogelijk een groot deel der

bewerkingen te doen uitvoeren met behulp van machines

,,to put x H.P. at the elbow” van de arbeider. Heeft de

,,scientific management”, de rationalisering hierin wezen-

lijke verandering gebracht? De organisatie van de produk-

tie is meer doordacht, nutteloos intern transporwordt

uitgeschakeld, de gang van het produkt van de binnen-

komende grondstof tot het de fabriekspoort verlatende

eindprodukt gaat over de lopende band. De produktie is

d66rgerekend, maar het is nog de arbeider, die pro-

çluceert, al is het arbeidsritme door anderen vastgesteld.

Ten gevolge van hoge investeringen is massaproduktie

mogelijk gemaakt, zijn de produktiekosten omlaag-

gebracht. Of en in hoeverre de verkoopprijs daardoor

beïnvloed wordt, is een heel andere kwestie, die o.a.

afhangt van het aantal gelijke of verwante produkten,

dat de stand van de markt bepaalt.

Maar nu komt de automatisering. Het zijn niet meer

of niet meer in de eerste plaats de
arbeiders,
die aan de
conveyor produceren, maar de
machines
zelf, die weer
door machines gecontroleerd worden. Ford, die niet to

de achteraankomende industriëlen behoort, produceert

in Çleveland (Ohio) 6-cilinder-motorblokken, door een

samenstel van 42 machines, die
532
bewerkingen uit-

voeren. De ,,Neue Zürcher Zeitung”
3)
spreekt van

100 motorblokken per uur en voegt erbij, dat voor de

bediening van deze produktiegang vroeger 117 arbeiders

nodig waren en nu 41. ,,La Nef”
4),
dat voor dit veelvuldig

besproken geval een veel lagere produktie opgeeft, ver-

meldt daarnaast o.a. het geval van een staatsmunitie-

bedrijf in Rochford (Illinois), waar in 76 deelbewerkingen

een blok metaal van 300 kg wordt omgezet in projectielen,

geïnspecteerd, geverifieerd en klaar voor het gebruik.

Een of twee mensen surveilleren het geheel. De robots

van de ,,International Business Machine Corporation”

staan telefonisch met elkaar in verbinding, wisselen hun

inlichtingen uit in cijfertaal, duizend letters per minuut

en handelen overeenkomstig de inlichtingen van hun

collega robot.
Er zijn heel wat voorbeelden in de literatuur te vinden.

Men ziet het spook van robotfabrieken van de ,,automatic

factory”, die produceert zoals men van de atoomoorlog
gedacht heeft: een druk op de knop doet het hele werk.

Er is een ,,maar”. Ik ontieen nog eens aan ,,La Nef”.

Luchtafweergeschut kan de nadering van een vliegtuig

ontdekken en automatisch berekenen wanneer het schot

gelost moet worden, maar het kan niet beoordelen of het

vliegtiifg tot de eigen of tot de vijandelijke strijdkrachten

behoort. Men kan een automatische locomotief bouwen,

die zelfstandig reageert op lichtsjgnalen en onberispelijk

stopt aan ieder station, maar zij weet niet, wat ze moet

doen, als er een varkn op de rails loopt. Ir. Willemse

vermeldt in zijn geciteerd artikel – een schatting voor

Amerika – ,,dat de eerstkomende 20 jaar hoogstens 8 %

van de werkgelegenheid voor een belangrijke auto-

matisering in aanmerking komt”. Terecht constateert

hij ook, ,,dat het automatiseren een proces is, dat reeds

lang aan de gang is en dat geleidelijk voortschrjdt”.

Het spreekt vanzelf, dat niet alle produktie zich voor

automatisering leent. Het zou interessant zijn, na te gaan

waar zij in Nederland reeds wordt toegepast. In de

chemische industrie zal men dan wel wat vinden.

Is dit een nieuwe industriële revolutie? Is ze, zoals

Prof. Michael Fogarty in een discussie-brochure over

,,Automation” stelt, een
derde
industriële revolutie?

) zie: ,,Tijdschrift voor Efficintie en Documentatie’ van januari 1956, blz. 16.

‘) In de editie van 6 december 1955.
) Principles of Eçonomics 1, blz. 34.

‘) Cahier no. ii, decembre 1955, blz. 34.

92

ECONØMISCH-TATISTISCHE BERICHTEN

1 februari 1956

De vraag schijnt mij interessant, maar zij blijft een

theoretische. Er rijzen echter ook andere vragen. Auto-

matisering vraagt enorme kapitalen. John Diebold, die

redacteur is van het tijdschrift ,,Automatic Control”,

schat de waarde van de automatische controle-apparaten,

die door 750 ondernemingen in de Verenigde Staten

worden toegepast, op $ 3 mrd. Dat is een hoge schatting,

die niet voldoende basis schijnt te hebben. Het Stanford

Research Institute komt tot bes:heidener cijfers. ,,De

produktiewaarde van industriHe controle-apparaten

wordt voor 1940 op $ 3 mln. geschat, voor
1953
op

$ 65 mln. en voor 1960 op $150 mln.
5).
Een snelle auto-

matisering zou in menig land afstuiten op of geremd

worden door de enorme kapitaalbehoefte. Men kan zich

echter niet van het vraagstuk afmaken met het spreek-
woord: ,,de wal keert het schip”. Want het gaat er niet

om, een besluit te nemen tot algemene doorvoering van

automatisering. Het gaat er niet om, of wij in ons land

wel aan automatisering zullen gaan doen. Het gaat –

erom, nieuwe ontwikkelingen te volgen en na te gaan

vat de consequenties ervan zullen zijn.

Het merkwaardige is dat de arbeid, die het meest in

aanmerking komt voor automatiseren, de ,,hoofdarbeid”

is
6)
.
De machine ,,denkt’, wat haar ,,vôôrgedacht” is.

Zij doet wat haar voorgeschreven wordt. Deze machines

kunnen echter veel routinewerk verrichten, zij •sorteren

zelfs, in een huwelijksbureau, de paren die bij elkaar

,,horen”! De Universiteit van Manchester heeft een

,,vertaalniachine” gemaakt. Over de resultaten van de

raatste is men nog niet enthousiast, over de eerste kent

men nog geen resultaten…. Wat kunnen de gevolgen

van automatisering zijn voor de samenleving? John

Diebold vindt de automatisering ,,voor ons individueel

leven en voor de toekomst van het geheel belangrijker

dan de dubbele paddestoel van de eerste atoomontplof-

fingen”. Het is te hopen, dat automatisering geen atoom-

bom blijkt.

Dat een grootindustrieel zich laat verleiden om te

schrijven, dat ,,het grote voordeel in de verhoudingen

tot de arbeidersklasse is, dat de machines (en ik zie daarin

een van de zegeningen van onze democratische samen-

leving) gemakkelijker te controleren zijn dan mensen”
7),

is lichtelijk naïef. De Amerikaanse vakbeweging zal niet

slapen, want zij ziet het grote gevaar, dat doorwerking

van automatisering massawerkloosheid zou meebrengen.

Ook de Europese vakbeweging ziet zich voor dit probleem

gesteld. Het zijn de ingenieurs, die de machines moeten

ontwerpen. Het zijn de ingenieurs en niet de dokters, die

de ziekten aan de machines moeten genezen. Norbert

Wiener heeft over de psycho-pathologie van de reken-

machines gesproken. Het schijnt, dat sommige machines

‘) Zie: ,,Neue Zürcher Zeitung” van 6 december 1955.
‘) In het reeds geciteerde ,,Tijdschrift voor Efflciëntie en Documentat e” be-
spreekt de heer S. Swaab in een overzicht van een Amerikaans congres van ,,niachine
accountants” elektronische kantoormachines.
‘) ,,Saturday Review”, januari 1955, geciteerd in ,,La Nef”, blz.
35.

morgenziek zijn, anderen raken overwerkt; zelfs is de

ziekte van Parkinson (paralysis agitans) geconstateerd.

Denk eens aan, wat zo’n ziekte van een machine kost.

Ir. Willemse stelt: ,,Voor de arbeiders werkzaam bij

dergelijke geautomatiseerde processen, zal het werk veel

meer passief dan actief zijn, vergelijkbaar met het werk

in electrische centrales”.

Maar welke eisen zullen straks aan die arbeiders ge-

steld worden? Moet men overal ingenieurs neerzetten of

zal een MTS-opleiding, zal het ,,vakonderwijs” zich hierop

moeten instellen? Men zal bij deze automatisering geen

elektriciens nodig hebben, die niet meer kunnen doen

dan een stopcontact inzetten of een zekering controleren,

maar men zal behoefte hebben aan mensen, die wat van

elektriciteit afweten en opgeleid zijn om elektronische

problemen op te lossen en te helpen oplossen. Moet het

Bedrijfschap voor Bakkerjprodukten een automatisering

in de bakkerij leiden, waarbij de grote fabrieken, die de

autömatische installaties kunnen bekostigen, niet de

kleintjes aan de wand drukken, en worden de bakkers-

knechts elektriciens met witte jassen?

Er zullen oplossingen gezocht moeten worden voor de

werkloosheid, die bijna onafwendbaar lijkt. Voorkomen

moet worden een structuurwerkloosheid op grote schaal.
Maar het probleem mag niet, zoals dat van rationalisatie,

halt houden aan de fabriekspoort. Als de radiotoestellen

van de U.S. Navy, die $
31,50
kosten, straks voor twee

dollar op de markt komen
8)
dan heeft die produktie

alleen zin, als ze geabsorbeerd kan worden. Dit schept

,,automatisch” marktproblemen, die echter niet auto-

matisch opgelost worden. Toen Engeland de industriële

revolutie beleefde, was Engeland het eerste industriële

land en stond heel de wereld open voor zijn produkten.

Tegenwoordig staan de landen
niet
open, zij kunnen zeker

niet een ongehoord grote produktievermeerdering van

andere landen absorberen.

Automatisering stelt problemen. Problemen van

kapitalen, van grondstoffen, van afzetgebieden.-Problemen

van nieuwe vakkennis. Problemen van sociale verhoudin-

gen. Economische problemen. Ik heb er maar enkele

genoemd. En ik heb nog terzijde gelaten het grote vraag-

tuk dat tegelijk met de automatisering opduikt: het

vraagstuk van de atoomenergie. Er zijn dorpen geweest,

die het gas hebben overgeslagen en van de petroleumlamp

op elektriciteit zijn overgegaan. Onderontwikkelde ge-

bieden -kunnen in enkele tientallen jaren een zeer snelle

ontwikkeling doormaken, zeker als hun élite zich van

de nieuwe mogelijkheden meester maakt. Ik heb enkele

gegevens over automatisering vermeld. Ik heb ze niet

gecontroleerd. Mijn enige bedoeling was, het vraagstuk

te signaleren om anderen tot nadere bestudering te

brengen.

Luxemburg.

P. J. S. SERRARENS.

$) Zie ,,La Nef”, blz. 43.

Verticale prijsbinding in het buitenland

In het vorige nummer
1)
is ten alge’rnene een beschrijving

gegeven van het probleem der verticale prjsbinding.

Hieruit bleek dat de meningen wel zeer verdeeld zijn en

dat vôér- en tegenstanders zeer fel tegenover elkaar staan.

Tot welke resultaten het debat in de verschillende landen

heeft geleid, moge in het navolgende worden weergegeven.

‘) ,,Verticale prijsbinding ” in ,,E.-5.B.” van 25 januari 1956,

West-Duitsland.

Volgens een beslissing van het Landesgericht Berlin
van 6 juni
1953
is individuele verticale prjsbinding niet

in strijd met de Duitse dekartelleringsvoorschriften.

Overeenkomstig het recente wetsontwerp inzake de con-

currentiebeperking is in’dividuele, zowel als collectieve

verticale prijsbinding toegestaan en als zodanig uit de

1 februari,1956

ECONOMISCH-STAT:

/
voorgestelde verbodswetgeving uitgezonderd. Slechts in

bijzondere gevallen zal het mogelijk zijn op grond van

bedoeld wetsontwerp hiertegen op te treden, ni. als de

vastgestelde prijs onbilljk hoo&is.

Italië.

De wet verbiedt verticale prjsbin,çling niet. Individuele

verticale prjsbinding komt veel voor, doch de detaillisten

houden zich zeldén aan de door de leveranciers vast-

gestelde prijzen. In mei
‘1955
zijn acties ondernomen van
de zijde van de fabrikanten van merkartikelen om collec-
tief de verbruikersprjzen vast te stellen met economische

dwangmaatregelen als sanctie.

Oostenrijk.

Verticale prjsbindingove’reenkomsten vallen onder het

begrip kartel, zoals dit omschreven is in de kartelwet-

geving. De Kartelcommissie telt alle’en dan een onder-

zoek naar de prijzen van merkartikelen in, wanneer er ëen

vemoeden is, dat deze prijzen eenzijdig zijn opgelegd.

Zweden.

Het systeem van verticale prijsbinding is in dit land

vérboden. Dit systeem van prijsvaststelling zou op het

gebied van de kleinhandel de concurrentie schaden. Het

vaststellen van zgn. richtprjzen, ,waaraan de afnemer niet

is gebonden, is wel toegestaan. In de praktijk komt het

vaak voor, dat de kleinhandel zich»vrjwillig aan deze

richtprjzen houdt, zodat het resultaat hetzelfde is.

Uitzondering op deze verbodsbepaling is mogelijk. In

ongeveer 10 gevallen zijn uitzonderingen verleend, al-

gemene zowel als specifieke, bijv. een algemene dispensatie

voor boeken en muziekinstrumenten en specifieke uit-

zonderingen voor een aantal radiofabrikanten.

Denemarken.

Een Monopoliecommissie kwam in 1949 tot de con-

clusie, dat verticale prjsbinding de mededinging in de

kleinhandel beperkt, veroorzaakt dat de sèrviceverlening

wordt overdreven en dât ze de minst efficiënte onderne-

ming in het leven hôudt. Zgn. richtprjzen of adviesprij-

zen, door de leveranciers aangekondigd, werden door

deze commissie niet veröordeeld.

In het wetsontwerp van een nieuwe kartelwet, dat in
1954 aan het Parlement is voorgelegd, wordt overeen-

komstig de conclusie van bovengenoemdè commissie

verticale prijsbinding verboden.

Noorwegen.

Op grond van de karteiwetgeving in dat land hebben

de autoriteiten versôhillende malen het standpunt in-

genomen, dat verticale prijsbinding voôr de kleinhartdel

niet bindend is en boycotacties ter ondersteuning daarvan

niet toelaatbaar zijn.

Finland.

– Dit land heeft geen kartelwet. Een wetsontwerp is in

de maak, dat in tegenstelling tot de Zweedse wet geen

verbod van verticale prjsbinding inhoudt.

Ierland.

De Restrictive Trade Practices Act van 1953 kent geen

verbod van verticale prijsbirïding. Dit systeem van prijs-

bepaling kan echter wel onderwerp zijn van een kartel-

onderzoek. Ten’ aanzien van een onderzoek in de radio-

STISCHE.BERICHTEN

93

branche heeft de Fair Trade Commission aanbevolen de

verticale prijsbinding te verbieden. Een advies- of aan-

bevelingsprijs zou echter toegestaan moeten zijn.

Canada

In 1949 yerd een commissie in het leven geroepen met

het doel een onderzoek in te stellen naar de prijsvorming.

In 1951 -gif zij een interim rapport uit, waarin elke vorm

van verticale prjsbinding werd veroordeeld, omdat dit

systeëm prjsverhogend zou werken. Eind 1951 werd naar

aanleiding van dit rapport de verticale pijsbinding

wettelijk verboden voor alle goederen. Advies- of maxi-.

mumprjzen mogen echter wel door leveranciers worden

vastgesteld.

Verenigde Staten.

Verticalejirjsbinding is in de Verenigde Staten ge-

oorloofd. Wel blijft-‘ingevolge de Sherman Act verbodeh

,,horizontal price ‘fixing by those in competition with

each other at the same functional level”. Derhalve mogen

noch fabrikanten, noch handelaren onderling (horizon-
taal) op dit stuk van zaken afspraken maken.

Begonnen in Californië in 1933 en uitgroeiend tot 45

van de 48 staten, waren wetten tot stand gekomen, de

zgn. Fair Trade Acts, die voor het grootste deel niet alleen

de individuele verticale prjsbinding regelden, maar nog

verder! gingen door te bepalen dat, indien een fabrikant

met één handelaar een prjscontract voor wederverkoop’

gesloten had, elke handelaar in de staat gehouden was

deze prijs als minimumprjs aan te houden.
Deze vergaande regelingen kwamen voornamelijk tot

stand op aandringen van de, in de dertiger jaren, in

moeilijkheden geraakte zelfstandige kleinhandelaren,

welke het uitermate zwaar hadden in hun, strijd met het

gr,00twinkelbedrjf.

Deze wetten in de afzonderlijke staten hadden uiteraard

een beperkt bereik. Öp aandringen van dezelfde groep
kwam echter; “als amendement op de Sherman Act, in

1937 de Miller Tydings Act tot stand, welke de Fair

Trade Laws sanctioneerde en, een federale wet zijnde, dus

ook bepaalde (althans dat dacht men), dat ook in het

verkeer tussen de afzonderlijke staten deFair Trade

.Acts golden, d.w.z. dat ook als een fabrikant een contract

met één handelaar in éen andere staat sloot, alle hande-

laren in die andere staat daaraan gebonden waren,

vooropgesteld dat daar een Fair Ttade Act bestond

(met uitzondering van 3.was dat dus overal het geval).

Lange tijd ondervonden de Fair Trade ‘Acts weinig of

geen weerstand. In de jaren van oorlogsvoorbereiding,

in de oorlogsjaren zelf en nog lange tijd daarna, in de

perioden dus die gekenmerkt worden door inflatie,’

speelden prjsconcurrentie en daarmede minimumprijzen

geen enkele rol. Naarmate de normale toestand, echter

terugkeerde, kwamen deze wetten Weer meer in de

blangste1ling.’

In mei 1951 kwam als ëen volkomen verrassing de

uitspraak van het Supreme Court (in de zaak Schweg-

mann Bros vs. Calvert Distellers Corp. en Seagram

Distellers Corp.), dat de hierboven bedoelde binding

van derden in het verkeer tussen ‘de afzonderljke’staten

niet in de Miller Tydings Act behandeld werd, dat iets

dergelijks ook niet in de geest van die wet lag, noch dat

in de geschiedenis van . de totstandkoming hiervoor

enige aanleiding was te vinden en dat derhalve uit dien

hoofde van enige uitzondering op de Sherman Act geen

sprake is. De conclusie lag hiermede voor de hand:

strijd met de anti-trustwetgeving.

94 ‘

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 februari
1956

Deze beslissing kwam, zoals hierboven al gezegd, op

een kritiek ogenblik. De ontnuchtering was gekomen na

de infiatieroes, de handel was zwaar ,,overstocked”,

de omzetten liepen terug, de prijsindexcijfers voor prijs-

gevoelige grondstoffen daalden Dit alles deed de grote

warenhuizen (die overwegend geen prijscontracten voor

wederverkoop sluiten) de nieuwe kans met beide handen

grijpen. Onder leiding van New-York’s grootste maga-

zijnen Macy en Gimbel ontbrandde een prijsoorlog;

de prijzen van duizenden artikelen schoten omlaag.

Typerend hierbij is de houding der fabrikanten.

Sommige stopten onmiddellijk hun leveringen aan de

prijsverlagers, maar verreweg de meesten namen een

afwachtende houding aan en bleven verder leveren.

De reactie op de uitspraak van het Supreme Court

liet niet lang op zich wachten. De middenstand kwam in

het geweer, daarbij gesteund door een deel van de merk-

artikelenfabrikanten.

De vrijheid als gevolg van genoemde uitspraak heeft
14 maanden geduurd. In juli
1952
kwam de Mc Guire-

Keogh Fair Trade Enabling Act tot stand, die de volle

kracht van de Fair Tra1e Laws in hun toepassing in het

verkeer tussen de afzonderlijke staten volkomen herstelde.

Deze wet is door de beide huizen van het Amerikaanse

Congres met grote meerderheid van stemmen aangenomen,

doch heeft niettemin stormachtige debatten veroorzaakt.

De voorstanders wezen erop, dat de wet de kleine on-

afhankelijke handelaars zal beschermen tegen moordende

concurrentie, de tegenstanders noemden de wet echter

een slag voor de anti-trustwetgeving en zij voorspelden

dat de maatregel de verbruikers jaarlijks $ 2 mrd. zou

kosten.

De wet tekenende, verzocht President Truman het

Congres deze materie alsnog diepgaand te onderzöeken,

alsmede aanverwante problemen van prjsdiscriminatie

en anti-trustpolitiek.

Ondanks deze overwinning voor de verticale prijs-

binding op het legale front, bleek de praktijk van onder-

bieding op de vastgestelde publieksprijzen zich steeds

meer uit te breiden en nam zij allengs zeer grote afmetin-

gen aan. Duidelijk wordt dit gedemonstreerd door de
enorme ontwikkeling an de ,,discount-houses”, die in

de grote steden, bijv. in de sector van de huishoudelijke

goederen, in zeer korte tijd ca.
85
pCt. van de totale omzet

naar zich toe trokken. Deze ,,discount:houses” zijn ge-

baseerd op het systeem van een minimum aan service en

zo laag mogelijke, prijzen. Dit lijkt niet goed mogelijk

zonder de medewerkihg van de merkartikelenfabrikanten,

hetzij openlijk; hetzij bedekt.

Hoewel pogingen daartoe gedaan zijn, heeft het

Supreme Court geweigerd de vraag, in beschouwing te

nemen of de federale Mc Guire ict strijdig was met de

Grondwet.

Een van de fabrikanten, die zich het felst verzet heeft

tegen de prjsonderbieding, was General Electric Com-

pany. Deze heeft verschillende processen gevoerd. Het

resultaat daarvan, was verrassend. In zes staten verklaarde

de rechter de Fair Trade Law, ieder voor hun eigen

territoir, ongrondwettig.’ General Electric gaf daarop

de strijd op en beëindigde verticale prjsbinding voor een
aanmerkelijk deel van haar produkten.

In het recent verschenen senaatsrapport Barnes-

Oppenheim inzake het onderzoek naar de anti-trust-

wetten wordt aanbevolen de Miller Tydings Act en de

Mc Guire 4ct in te trekken, omdat de verticale prijs-

binding als schadelijk voor de concurrentie wordt

beschouwd.

Engeland.

Oorspronkelijk was, naar Engels gewoonterecht, verti-

cale prjsbinding, niet individueel maar in combinatie

uitgevoerd, onwettig, zijde een vorm van ,,restraint of

trade”. Allengs is dit eenvoudige standpunt door allerlei

oorzaken min of meer verwaterd en de opinie ten aanzien

van verticale prijsbinding werd meer en meer favorabel.

Dit is ook terug te vinden in het rapport van een com-

missie, die voor het eerst aan dit vraagstuk een onderzoek

wijdde, welk rapport in 1920
gepubijceerd
werd. De com-

missie meende, dat ,,fixed resale prices” wel goed zullen

zijn, want ze moeten enerzijds de ‘handel een redelijke

marge geven, en kunnen anderzijds niet te hoög zijn,

omdat dan de vraag afneemt of ophoudt: Uitgaande dan

van de veronderstelling, dat deze prijzen ,,fair” en

,,reasonable” zijn, meent de commissie, dat ze eerder in
het belang van de consument zijn dan het tegendeel.

De tweede commissie, die zich met dit vraagstuk bezig

hield en in 1931 rapporteerde, kwam vrijwel met dezelfde

overwegingen tot dezelfde conclusie. Ook zij adviseerde

de Overheid van dit terrein af te blijven.

Sindsdien heeft de publieke mening zich wel sterk

gewijzigd. Vooral in kringen van de Liberal Party, zowel

als van de Labour Party groeide het verzet tegen deze

vorm van prjspolitiek.

De omslag bleek nar buiten door het rapport van de

derde commissie, het bekende Lloyd Jacob Committee,

ingesteld in 1947 en rapporterend in 1949.

Deze commissie heeft zich op zeer uitgebreide schaal

doen voorlichten door middel van hearings en door middel

van geschreven getuigenis. De argumenten pro en contra

zijn verwerkt in de hiervoorgaande algemene be-

schouwing.

De Commissie concludeert:

dat er twee tegengestelde doeleinden bestaan, enerzijds

de noodzakelijkheid tot ontwikkeling van meer eco-

nomische distributiemethoden en verlaging van

publieksprijzen, anderzijds de handhaving van kwali-

teit, bestendigheid van produktie en gerede voor-

ziening van het publiek met merkartikelen;

dat de eliminatie van prjsconcurrentie in het grootste

deel vn de distributieve be1rjfstakken (trades)

onverenigbaar is met de noodzaak’ tot maximale

efficiëncy in produktie en handel, waarom zij tracht

een oplossing te vinden, die de kwalijke effecten van

verticale prjsbinding, zoals die nu wordt toegepast,

matigt en een aanmerkelijke mate van flexibiliteit in
de distributie waarborgt;

dat zij te dien einde onderscheid maakt tussen in-

dividuele verticale prjsbinding en collectieve verticale

prjsbinding, omdat het effect voor het algemeen be-

lang van deze twee methoden en hun invloed op de

economie verschillend is;

dat zij overweegt, dat de fabrikant van merkartikelen

verantwoørdeljk blijft voor de kwaliteit van, zijn

artikelen en dat hij daardoor niet onverschillig kan

staan ten opzichte van de voorwaarden waaronder

deze aan het publiek worden verkocht; dat bekende

merkartikelen bijzonder geschikt zijn om gebruikt

te worden als loss-leader en dat dit noch de fabrikant,

noch de handel, noch het kopend publiek enig blijvend

voordeel brengt;

dat verticale prjsbinding een geschikt middel vormt

om merkartikelen te beschermen tegen misbruik

door de handel;

en beveelt daarom aan

1 februari 1956

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

95

A. dat niets ondernomen worde, dat een individueel

fâbrikant berooft van het recht ,,resale prices”

voor te schrijven en af’te dwingen voor zijn merk-

artikelen.

De Commissie concludeert verder:

2. dat fabrikanten niet het recht hebben verticale rj-

binding te gebruiken om bijzondere handeismethoden

tegen te werken, de distributie van concurrerende

goederen van andere fabrikanten te belemmerén of het

publiek te beroven van de voordelen van de ont-

wikkeling in de handel. Het algemeen belang eist, dat

in de handel voorzieningen worden getroffen voor

zodanige prijsverlaging als gerechtvaardigd wordtdoor

goedkope distributie of dooreen politiek van hçt door-

geven van ,,surplus profit” aan de koper.

Zij bevelt daarom aan
B. dat de Overheid contact zoekt met het bedrijfs-

leven om te overleggen welke de meest geëigende

middelen zijn om deze politiek tot haar recht te

laten komen.
Voorts concludeert de commissie:

3. dat het niet te rechtvaardigen is, dt een fabrikant

zich bemoeit met wat de handel doet met de goederen

van een andere fabrikant, noch dat hij zijn belangen

in de verticale prijsbinding van zijn eigen merk-

artikelen voor dit doel overdraagt. Collectieve verti-

cale prijsbinding heeft geleid tot uitgebreide regulering

van de concurrentie in de handel, tot belemmering

van de ontwikkeling van economische handels-

methoden en tot verhindering van verlaging van

kdsten en prijzen. Kartels, die hun collectieve macht

inzetten ter handhaving van de prijzen van hun 1eder,

zijn onwenselijk.

De commissie adviseert daarom

C. dat stappen worden ondernomen om de toe-

passing van sancties, die uitgaan boven de midde-

len waarover een individuele fabrikant beschikt

bij inbreuk op zijn verticale prjsbindingscondities,

onwéttig te verklaren.

Eén van de zeven leden an de commissie. gaat nog

verder en verklaart in een minderheidsnota ook tegen

individuele verticale prjsbinding te zijn.

Twee jaar later verklaart de Regering in een White

Paper, dat haar overleg met het bedrijfsleven is mislukt

en stelt het Parlement voor bij wet te regelen:

dat onwettig verklaard worden collectieve maat-

regelen, die erop gericht zijn te bewerkstelligen, dat

goederen worden verkocht tegen (of boven) vast-

gestelde publieksprijzen;

dat fabrikanten uitsluitend
maximumprjzén
voor de

wederverkoop van hun goederen mogen aanwijzen,

aanbevelen of voorschrijven en dat het ontwettig zal
zijn enige aanwijzing omtrent de wederverkoopprijs,

te geven, tenzij uitdrukkelijk wordt aangegeven, dat

de aangewezen prijs een maximum is.

Dit laatste voorstel gâat dus verder dan de aan-

bevelingen van het Lloyd Jacob Committee. De Regering

redeneerde: de economische bezwaren tegen verticale

prjsbinding zijn niet minder groot bij individuele verti-

cale prjsbinding (zolang het effectief is) dan bij collectieve

verticale prjsbinding: Daarom is het voortbestaan van

individuele verticale prjsbinding slechts aanvaardbaar als

de betrokken fabrikanten in staat en bereid zijn de ver-

eiste flexibiliteit in toepassing te brengen. Deze t,oestand

is echter allen te bereiken via wettelijke regeling’

Deze voorstellen hebben niet tot een wet geleid. De

Labourregering, die de voorstellen deed, verdweefl korte

tijd nadien en lange tijd werd niets meer gehoord over

regeringsplannen.

Medio
1955
heeft zich echter een nieuwe ontwikkeling

voorgedaan.

De Monopolies Commission heeft een aantal kartel-

onderzoekingen
in
verschillende bedrijfstakken verricht
en, overeeiikomstig haar taak, de Regering geadviseerd,

waarbij zij steeds afwijzend bleek te staan tegenover

collèctieve verticale prjsbinding. Bij deze onderzoekingen

stootte de commissie steeds weer op overal dezelfde

praktijken van collectieve discriminatie, als exclusief-

verkeersregelingen, collectieve boycot e.d. en vaak be-

oogden deze disériminerende regelingen verticale prijs-

binding kracht bij te zetten en te effectueren.
Dit heeft ertoe geleid, dat in december 1952 de Board

of Trade de commissie verzocht haar inzichten ten aanzien

van praktijken van collectieve ‘discriminatie, getoetst

aan het algemeen belang, neer te leggen in een algemeen

rapport. Deze mogelijkheid van algemene adviesaanvrage
is nadrukkelijk in de Engelse wet vastgelegd (Monopolies

and Restrictive Practices (Inquiry and Control) AcV1 948,

Section 15). Het algemeen rapport is in juni 1955 ver-
schenen. Voor zover voor dit onderwerp diensti, bevat

het het volgende.

Na een uiteenzetting -Mn wat verticale prjsbinding

eigenlijk is en éen ,schildering van de pro’s en contra’s;

waarbij geen nieuwe argumenten naar voren worden
gebracht onderscheidt de commissie ,,agreeménts on

policy” en ,,agreements on enforcement”.

Ten aanzien van de eerste groep, die men zou kunnen

omschrijven als overeenkomsten ‘tussen fabrikanten

onderling,eventueel in samenspel met de handel, ten einde
prijzen voor de wederverkoop vast te stellen, zegt de corn
;

missie:

Individuele verticale prjsbinding – door fabrikanten,

die onafhankelijk van elkander opereren, belemmert

de onderlinge prijsconcurrentie van de handelaren.

Zodoende belemmert het tevens de consument -in zijn

keuzevrjheid ten aanzien van de verschillende distributie-

methoden. Deze beide restricties worden geïntensiveerd

door afspraken tttssen fâbrikanten om wederverkoop-

prijzen voor hun goederen vast te stellen. Bovendien zal

dit gewoonlijk het verdergaand restrictieve effect hebben,

dat fabrikanten, die anders niet tot verticale prijsbinciing

zouden overgaan, gebracht worden dit wel te’ doen.

Derhalve maken deze afspraken het moeilijker, zowel
voor fabrikanten als handelaren, afwijkende manieren

van verkoop te proberen, en voor de consumenten om in

vrijheid daaruit te kiezen. De commissie ziet. zwaar-

wegende ndelen in deze toegevoegde belemmering van

keuzevrjheid en is niet van mening, dat de bescherming

op deze wijze aan de handel gegeven, in het algemeen

de efficiency in dè handel stimuleert of dat deze toe-

gevoegde belemmering gerechtvaardigd kan worden als

een middel om de service te garanderen. In het algemeen

– is dan de conclusie – zijn bedoelde afspraken strijdig

met het algemeenbelang. In een enkel geval zou mogelijk

de uitzondering de regel’ kunnen bevestigen.

De tweede groef zijn de overeenkomsten om verticale

prijsbinding af te dwingçn en dus te effectueren, bijv.

door middel van ‘stoplijsten. Onwilligenw’orden op zo’n

lijst gezet enkrijgen door geen van dejabrikanten ge

leverd of slechts tegen discriminatieve kortingen. Een

r-

96

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 februari 1956

ander middel is het exclusief-verkeer, tot welker toelating

de eis gesteld wordt van handhaving van de ,,esale

prices”. Bij overtreding daarvan kan uitsluiting, dus

boycot, volgen. Bij dit alles is van uitermate groot belang

de wijze van opsporing (provocatie) en van beoordeling

en berechting.

De commissie heeft ernstige bezwaren tegen collectieve

actie, zuiver als methode om naleving van contract-

voorwaarden af te dwingen. Zulke afspraken plaatsen

in de handen van kartels een macht over individuele

handelaren, die de commissie excessief en gevaarlijk acht.

Nooit kan de procesgang in deze kartels gaan volgens

de onpartijdige regels van de gewone rechtsprocedure.

Welke voorzorgsmaatregelen een kartel neemt, nooit zal

zij vertrouwen kunnen wekken, dat de rechtsbedeling

strikt eerlijk is.

Het gaat er bovendien — zegt de commissie – niet altijd

om, de nakoming van contractvoorwaarden te effec-

tueren. Vaak worden de maatregelen toegepast op out-

siders, op hen, die helemaal niet door contract gebonden
zijn. Collectieve afdwinging van verticale prjsbinding is

oorzaak van een rigoureuzer en meer verspreid systeem
van verticale prjsbinding, dan zou bestaan als de indivi-

duele fabrikanten ieder voor zich voor de naleving zouden

moeten zorgdragen, zelfs als dat gemakkefijker was

middels gewone rechterlijke procedure dan het thans is.

Dit alles gaat verder dan gerechtvaardigd kan worden

door te wijzen op de noodzaak tot handhaving van een

redelijk stabiele markt voor merkartikelen of tot be-

scherming van de kleinhandelaar. Een zo rigoureuze

prjshandhaving schakelt prijsconcurrentie tussen klein-

handelaren geheel uit en leidt waarschijnlijk tot verspil-

ling van economische krachten.

Ook deze ,,agreements on enforcement” zijn in het al-

gemeen strijdig met het algemeèn belang.

Samengevat: hoewel de commissie de concurrentie-

beperkende en keuzevrjheidbeperkende effecten van

individuele verticale prjsbinding met zoveel woorden

noemt, oordeelt zij niet over deze individuele verticale

prjshandhaving. Zij acht dit buiten de adviesaanvrage

liggend. Wel oordeelt zij over en veroordeelt zij de over-

eenkomsten, waardoor fabrikanten zich verplichten

wederverkoopprjzen vast te stellen en de overeenkomsten
om collectief de naleving af te dwingen.

Een minderheid van 4 leden (van de tien) is het met deze

conclusie niet eens. Zij meent, dat als individuele verticale

prjsbinding geoorloofd is, collectieve handhaving even-

eens geoorloofd moet zijn.

Nog een stap verder is de Monopolies Commission

gegaan in haar laatste uitgebrachte rapport (deZember

1955) ten aanzien van haar onderzoek in de banden-

industrie en -handel. De collectieve verticale prijsbinding

werd hier, op de bekende algemene overwegingen, ver-
worpen. De commissie realiseerde zich echter, dat door
de bijzondere structuur van de bandenindustrie (slechts

enkele machtige bedrijven met een grote mate van

uniformiteit in kosten) een normale concurrentie ook dan
nog niet verwacht mocht worden. De enige mogelijkheid

om althans in de handelsschakels concurrentie te doen

plaatsvinden zag zij in een maatregel-om de gebonden-
heid van de handel aan de prijzen, door fabrikanten ge-
steld, los te maken. Zij adviseert daarom voor de eerste

maal (en uiteraard alleen op deze bedrijfstak betrekking
hebbend) tot verbod ook van individuele verticale prijs-

binding. Een minderheid in de commissie vindt deze

aanbeveling echter te ver gaan.

Het standpunt van de Engelse Regering in deze
is
nog
niet bekend.

Wassenaar.

DRS.
J. F.
H. wIJSEN.

INGEZONDEN STUK

Het vraagstuk van het ,,in de pas lopen”

der betalin gsbalansen

Dr. M. W. Holtrop te Amsterdam schrijft ons:

In zijn artikel in ,,E.-S. B.” van 11 januari 1956, nr.

2012, over ,,Het vraagstuk van het ,,in de pas lopen”
der betalingsbalansen” wordt door Dr. Wemelsfelder

in
de paragraaf over de vraagstelling, sub c, een inter-

pretatie gegeven van enkele opmerkingen, door mij ge-

maakt in de jaarvergadering van de Vereniging voor

Staathuishoudkunde van
25
november
1955,
die ik niet
kan onderschrijven. –

Mijn betoog in die vergadering was slechts gericht
tegen de stelling van prae-adviseur Blom, dat landen

met betalingsbalansoverschotten de monetaire door-

werking daarvan steeds zouden moeten aanvaarden en

nimmer zouden moeten trachten deze te compenseren

door anticycische maatregelen.

Het nog te publiceren verslag van de vergadering

vermeldt, dat ik daarover het volgende heb gezegd:

,,Met de stelling, dat in een internationaal betalingsstelsel
met vaste wisselkoersen de monetaire doorwerking van een
betalingsbalansoverschot moet worden aanvaard, kan spreker zich verenigen, voorzover het betalingsbalanstekort dat daar-tegenover in andere landen optreedt
is
ontstaan uit te recht-
vaardigen oorzaken, bijv. structurele oorzaken of niet-vermijd-
bare infiatoire ontwikkelingen van conjuncturele aard (active-
ring van eigen liquiditeiten, voor een klein deel
ook
expansie
van bankkrediet, die in elke hoogconjunctuur zal optreden
doch waartegen men dan ook met de juiste monetaire maat-
regelen dient te reageren). Niet te rechtvaardigen zijn echter
volgens spreker die betalingsbalanstekorten die ontstaan door een vermijdbare inflatoire ontwikkeling (inflatoire overheids-
financiering, inflatoire financiering van tal van primair ge-
achte behoeften uit geldcreatie, etc.).
Het
is
niet logisch in het betoog van de heer Blom al deze
gevallen over een kam te scheren. En het is niet logisch om
aan een land dat door een vermijdbare inflatie een betalings-
balanstekort heeft, de eis te stellen van een compenserende
anticyclische monetaire politiek, maar een dergelijke anticycli-
sche politiek niet toe te laten in het surplusland”.

Hieni; moge blijken dat de interpretatie, die Dr. We-

melsfelder aan mijn woorden heeft gegeven, mijn be-

doelingen niet geheel juist weergeeft.

Naschrft.

Het spijt mij dat mijn exegese van enkele door Dr.

Holtrop mondeling ontwikkelde ideeën niet geheel juist

is geweest. Desondanks komt het mij voor dat, ook nu

zijn analyse exacter is vastgelegd, de impliciet door hem

gegeven monetair-eonomische norm moeilijk hanteer-

baar en arbitrair is. De weergave mag niet geheel juist

zijn geweest, de beoordeling blijft naar mijn gevoel

dezelfde.

Een land mag zich in de gedachtengang van Dr. Holtrop

verzetten tegen infiatoire doorwerking van het betalings-

balansdeficit van andere landen, indien het deficit in deze

landen veroorzaakt wordt door ,,vermijdbare” infiatoire

ontwikkelingen, zoals infiatoire overheidsfinanciering e.d.

De vraag blijft echter, wat ,,vermijdbare” infiatoire

ontwikkelingen zijn.

1 februari
1956

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

97

Uit een scala van mogelijkheden moge slechts één

willekeurig voorbeeld worden gekozen’Is er sprake van

vermijdbare of onvermijdbare inflatie indien een land bij

een extreem hoog groeitempo een politiek van prijs-

stabilisatie nastreeft en daardoor via de passief wördende
betalingsbaians van dit land een infiatoire druk op andere

landen meC een laag groeitempo uitoefent? Het begrip

,,vermijdbare” inflatie blijkt vrij subjectief geladen te zijn

wanneer men hiermede op bovenstaande vraag een

antwoord zoekt.

De hierboven als voorbeeld gegeven inflatie zoü men

onvermijdbaar kunnen noemen indien het betrokken land

starre prijzen heeft, die niet of nauwelijks vérlaagd kun-

nen worden, terwijl het bovendien volledige werkgelegen-

heid primair zou achten. Indien men daarentegen vol-

ledige werkgelegenheid niet primair zou achten, zou. zij

vermijdbaar zijn. Indien men ten slotte volledige werk-

gelegenheid primair zou achten en toch een flexibel

prijssysteem zou hebben, zou deze inflatie weer vermijd-

baar zijn.

Korton, ook deze beoordelingsnorm is naar het ons

voorkomt, evenals verschillende andere in mijn bijdrage

besproken normen, vrij arbitrair

en verre van ideaal.

De moeilijkheid is waarschijnlijk dat het begrip ,,simul-

taan handhaven van het mönetair evenwicht” zich voor

een dynamische economie moeilijk verbaal in enkele

eenvoudig beschreven richtlijnen laat vangen, waardoor

het vraagstuk van de praktisch hanteerbare algemene

norm zo niet onoplosbaar dan toch stellig uitermate

moeilijk oplosbaar wordt.

‘s-Graenhage.

Dr.
3,
WEMELSFELDER.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.’

Dat de rentevoeten, die op de NedeTrlandse open geld-

markt voor de verschillende termijnen schatkistpapier

gelden, nog steeds voor ca. 99 pCt. worden bepaald door

,wat de monetaire autoriteiten doen (en laten) werd de

afgelopen week weer eens duidelijk geïllustreerd. Nauwe-

lijks had De Nederlandsche Bank een aantal (tussen

16 en 23 jnuari voor f. 15 mln.) 5-jarige schatkist-

biljetten afgegeven tegen een dis9ontotarief van 2 pCt.
per jaar, ‘of de open-markttarieven pasten zich bij deze

verhoging aan. Zij vertonen nu een staffeling, oplopend

van 1 1/8 pCt. p.j. voor in februari
1957
tot 2′ pCt.p.j.
voor in januari 1961 vervallend papier. De afwijking

hiervan met het afgiftedisconto ad 1 pCt. der Centrale

Bank voor jaarspromessen resp. mei de eerder genoemde
2 pCt. is derhalve gering. Groter is het verschil tussen het

huidige, officiële afgiftedisconto vooi driemaands-

promessen ad
A
pCt. p.j. en het open-marktdisconto

voor deze en nabijgelegen termijnen ad 1 5/16 pCt. p.j.

Een dergelij ke relatief belangrijke afwijking voor het korte

papier vormt het gebruikelijke sympt
,
00m van een krappe

geldmarkt. Wanneer er banken zijn, die papier willen

verkopen, moeten zij om het kwijt te raken, dit tegen een

lagere prijs, dus tegen een hoger disconto, aânbieden

dan waartegen een ieder en iegeljk het bij de grote

officiële verkoper (sinds 19 december 1955 De Nederland-

sche Bank) kan verkrijgen. Om de omvang van het ver-

lies te beperken, zullen de verkopers daarbij uiteraard zo
kort mogelijk papier van de hand doen.

Dat de markt inderdaad nog steeds krap is, bljkt’eok

uit de callrente, die de gehele week ôp 1 pCt. gehand-
haafd bleef. Anderzijds wees het feit, dat men zich de

weelde van aankoop van nieuw papier kon veroorloven,

er op dat althans sommigen wat ruimer in hun liquide

jassen waren komen te zitten. De verruiming kwam voorts

tot uiting in de aflossing van het grootste deel der bij de

Cen’frale Bank opgenomen voorschotten, in
,
rekening-

courant. Zij hing vnl. samen met het feit, dat op 21

januari een maandelijkse periode eindigde, waarover de

banken gemiddeld 10 pCt. kasreserve noeten aanhouden.
Aan het geforceerd accumuleren van kas (in de vorm van

tegoed bij De Nederlandsche Bank) om het tekort daar-

aan tijdens het begin van dit tijdvak in te halen, kwam

hierdoor een einde.

De kapitaalmarkt.

Wat de aandelenmarkt betrof, werd er gedurende de

verslagweek te Amsterdam weer danig op’ het New

Xorkse kompas gevaren. Per saldo vertconde Wallstreet,

waar vnl. slechts stock-splits en geruchten daaromtrent

in staat waren de moed erin te houden, deze week een

minuscuul herstel, daarin door Amsterdam gevolgd.

De ware kooplust ontbreekt op de Nederlandse

aandelenmarkt nog steeds. Een groot deel vân het be-

leggend publiek ziet in gedachten nog immer ,,l929″ in

vlammende letters voor zich, tervijl ook – de meeste

adviseurs in hun hart weinig of geen fidutie hebben in

de koersontwikkeling te New York gedurende de naaste

toekomst. De beroepshandel is naar het schijnt groten-

deels â la baisse georiënteerd. Het buitenland koopt soms

nog wel eens wat, maar verschijnt ‘de laatste tijd ook af

en toe op de markt als verkoopster van Nederlandse

internationale fondseii.

Op de aandelenmarkt heerst hierdoor een uiterst

voorzichtige stemming. Ongunstige berichten, vaak zelfs

dividendhandhaving, leiden al spoedig tot koersdaling

van de betreffende fondsen. Voor een koersstijging daaren-

tegen is extra gunstig nieuws nodig. Gedurende de verslag-

week deed dit laatste zich bijv. voor bij de K.N.S.M., die

een dividendverhoging en een agiobonus aankondigde,

hetgeen een verdere koersstimulans voor de gehele

scheepvaartmarkt vormde.

Dat inmiddels thans in het geheel geen sprake is van

een werkelijk gebrek -aan risicodragend kapitaal, bleek

wel uit de vaste houding der claims Hotgovens, tijdens

de – thans geëindigde – periode van claimhandel.

Ondanks de ifinke omvang dezer emissie is eigenlijk geen

enkel ogènblik een koersdruk bij dit fonds .te constateren

geweest.

Een kapitaalsvorm die min of meer past bij de huidige

stemming in beleggerskringen, de converteerbare ob]igatie,

vond de afgelopen week toepassing bij de uitgifte van

f. 2,2 mln,, dezer stukken doorHè’ybroek-Zé1ander; ook
in 1954 gingen tal van ondernemingen tot een dergelijke

emissie over. Terwijl grote ‘groepen beleggers op de aan-

delenmarkt een daling *ezen i.v.m. de houding van

New York, heerst op de obligatiemarkt eenzelfde vrees

i.v.rn. een mog’elijke stijging van de rentestand hier

te lande. Converteerbare obligaties bieden enige kans

één dezer kwaden te ontlopen voor het geval, dat zij zich

niet beide voordoen.

Aand. indexci,jfers A.N.P.-C.B.S.
13 jan.

20 jan,

27 jan.
(1953

100)

1956

1956

1956
– Algemeen

……………………………
219,2

210,6

211,5

Internat, concerns
…………………
280,6

266,7

268,4

– Industrie
………………………………
167,2

163,8

163,5

98

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 februari
1956

Scheepvaart

…………………………
170,3 166,2 168,4
Het voor december opgegeven cijfer is zoals gebruiIe-
Banken

………………………………
Indon.

aand.

……………. . …………..
170,2 153,4
166,1 148,9 163,6 150,1
lijk dat van de laatste donderdag van de maand, hetzij

van de 29e december. De volle incidentie van dejaareinde
Aandelen
v
ervaldag zal slechts blijken uit het herdiscontocijfer

Kon.

Petroleum
…………………….
Unilever
642
367½ 619½
346½
6281%
op 31 december zelf, welk gegeven pas in het jaarverslag
………………………………
Philips

…………………………………
345%
328
331
van de Nationale Bânk wordt bekendgemaakt. Noemens-
A.K.0 .

…………………………………
335
310 a)
317½
waardige wijzigingen in de officiële kredietpolitiek vielen
Kon.

N.

Hoogovens

………………
362
290% b)
292%
tijdens de verslagperiode niet te noteren.
Van

Gelder

Zn .

……………………
.
H.A.L
.

…………………………………
280%
277½
2741/2
Van enig belang was wellicht de verhoging met
I
pCt.
Amsterd.

Rubber

…………………
222½
134%
215
1
/2
125%
215½ 129½
van de herdiscontovoet voor aannemerspromessen bij
H.V.A.

…………………………………
.143%
137%
140
een der voornaamste parastatale financiële instellingen.

Zoals bekend worden in België de bouwwerken voor de
Staatsfondsen
Overheid vooral gefinancierd met promessen uitgeschre-

3-3

pCt.

N.W.S
…………………….
%

1947
pCt.

……………………
78
78½
78
ven door de aannemers. Deze promessen moeten evenwel

3 pCt.

Grootboek 1946
99 97
99%
97
1
/4
99%
97
vergezeld zijn van de goedgekeurde vorderingsstaten,
3

pCt

Dollarlening

………………
97?e
96
1
/2
96%
om aldus de financiering parallel te doen verlopen met

Diverse obligaties
de uitvoering van de werken.

3½ pCt. Gem. R’dam 1937 VI
100
&
100
7
/8
101
De toestand van de banken.
3’% pCt. Bk. v. Ned. Gem. 1954 11/111
96% 96%
97
3
1
/2 pCt. Nederl. Spoowegen
102
102 102
Enkele cijfers uit de globale bankstaten
3%

pCt.

Philips

1948

………… …
100%
100
100%
3½ pCt. Westl. Hyp. Bank
95%
96
1
/4
96%
J. C. BREZET.
31 dec.
1954
1

30 juni
1955
31

okt.
1955
30 nov.
1955
Ex dividend.
Ex claim.
(in mln. fr
.)

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in december
1955

De algemene toestand van de geldmarkt.
De geldmarkt bleef ruim tot omstreeks midden decem-

ber. De laatste twee weken voor het jaareinde brengen

doorgaans een inkrimping van de liquiditeit op de markt,

in hoofdzaak wegens de maatregelen getroffen door die

banken, die hun boekjaar op 31 december sluiten. De

laatste dagen van het jaar is er dan ook gewoonlijk slechts

zeer weinig cail op de markt, zodat het Herdiscontering-

en Waarborginstituut op grote schaal moet herdisconteren
bij de Nationale Bank.

Einde
1955
was het daggeld bijzonder schaars, blijk-

baar niet alleen ingevolge de houding van de banken,

doch ook de parastatalen gaven slechts weinig cail.

Wellicht hebben zij een inspanning moeten leveren om de

Schatkist de scherpe klip van de 31e december te helpen

omzeilen. –

De jaareinde ervaldag werd door de Belgische banken

daarentegen met een verbazingwekkende faculteit af-

gewerkt. Niet alleen werd die vervaldag over meerdere

dagen gesplitst (de industrie werkte doorgaans niet op

maandag 2 januari), doch daarenboven vergemakkelijkte

de stijgende lijn der deposito’s vele dingen. Het her-

disconto bleef dan ook matig.

Met het nieuwe jaar herwon de geldmarkt spoedig

terug een grotere ruimte, en steeg het caligeld door de

banken verleend op zijn gewoon peil.

Verloop van de kredietverlening

1

Portefeuille

I

Herdisconto

Krediet verleend
handelspapier

door de private

I

aan de economie

1
Nationale Bank

banken

door de private
banken

(in mln. fr
.)

dec.1954
9.512
9.126
39.210
juni

1955
8.286
7.329 42.553
Sept.

1955
6.672
6.591
42.184
okt.

1955
6.474 a)
6.593
42.239
nov.

1955
4.716 a)
5.707
43.860
dec.

1955.
6.762
– –

a) Cijfer begin volgende maand; meer karakteristiek voor de vervaldag

Actief:
Krediet aan de private
economie
39.210
42.553
42.239 43.860
handelswiasels
11.742
13.095
13.135 14.635
prolongatie en voor

1.447
1.466
1.400
1.239
C.
Kaskredietcn
17.108
18.932 18.816 18.854
d. accepten
8.913
9.060
8.888
9.132

schotten

…………

Krediet aan de Over-
46.488
50.611
51.178
51.544
heid

……………
Passief:
Bankiera
6.728
7.637 7.552
7.769
Deposito’a totaal
72.339 75.585
75.903 77.493
Deposito’s op zicht
61.870
64.541
65.004
66.088
Deposito’s op termijn
10.469
11.044
10.899 11.405
Kasbona
2.894
3.357
3.607
3.712
Totaal vreemde werk-
81.961
86.579 87.062
88.974
middelen

………..
Totaal eigen middelen
6.705
6.954
6.998
7.004

De stijging der deposito’s die einde november jI. goed

tot uiting kwam, is blijkbaar nog verder doorgelopen.

Typisch voor de verruiming van de algemene toestand

der banken is de stijging van de eigen wisselportefeuille,
terwijl het herdisconto terugliep.

De obligatiemarkt.

De koersen bleven doorgaans vast, en hier
,
en daar viel

zelfs een lichte ‘hausse te noteren.

Bij het jaareinde verflauwde de ondertoon van de markt

evenwel, vooral ingevolge de mededeling van de modali-

teiten van de nieuwe staatslening. Deze is van het 4 pCt.

type, op 15-jaar, met facultatieve terugbetaling na 10 jaar,
uitgegeven â
97+
pCt. Terugbetaling door inkoop op de

beurs beneden pan, en door uitloting indien de koersen

boven pari zouden stijgen. De terugbetalingspnijs bij
uitloting beloopt voor de eerste 10 jaren 100 pCt. het

-11e en 12e jaar 101 pCt., het 13e en 14e jaar 102 pCt. en

het laatste jaar 103 pCt. Het gemiddeld rendement voor

de doorsneelooptijd van 11+ jaar bedraagt
4,65
pCt.

Op de emissiemarkt werd de 41 pCt. Koloniale Schuld

1955/67
op
5
december 1955 ter openbare inschrijving
aangeboden en zeer vlot geplaatst.

De aandelenmarkt.

Over geheel de maand béschouwd bleef het algemeen

koerspeil onveranderd. Deze stabilisatie overbrugt even-

wel een baisse tijdens de eerste drie weken, gecompenseerd

door een hausse tussen kerstdag en nieuwjaar.

In feite bleef de markt zenuwachtig. Daarbij werd het

1 febivar 1956

ECONOMISCH-STATISTISCIfE BERICHTEN

99

Rentestand op de lobfigatiemarkt a)

Gemiddelde aug.

junijuni

Sept.

nov.

dec.
looptijd

1948

1950

1951

1955

1955

1955

(in pCt. per einde maand)

Staatsrenten
langlopende
4,77
.
4,38 4,68 4,15 4,15
4,16
Staats

.
.
fondsen
7 â 8 jaar
483
4,63
5,24
4,50
4,54
4,50
Kasbons
steden
5 â 6 jaar
5,07 4,49
5,37
4,92

4,98 4,89
Kasbons pa-
,
rastatate
instellin-
gen
ca. -9 jaâr


5,41
4,61
4,56 4,56
Private

in-
stellingen
10 â 12 jaar
6,06
5,43
6,08
4,74 4,84 4,90

,nrtrm.nten

rekenin2
,ehouden
met aaio
en ilisaeio
teeenover
terug-
betalingsprjs.

krediet voor de prolongatie van termijnposities schaarser,.
zodat van professionele zijde effecten moesten losgelaten

worden. Het pb1iek evenwel blijft blijkbaar de aan-

gekochte waarden in pôrteféuille houden.

De herneming van einde december was voor een goed

deel een effect van professionele verrichtingen, mogelijk

geworden na de sanering van de posities.

Over geheel het jaar gezien vertoonde het algemeen

indexcijfer van de beurs van Brussel een hausse van

13 pCt., gespreid over alle rubrieken, behalve de textiel-
nijverheid, die met 16 pCt. is gedaald, en de scheikunde-

rubriek die het jaar
1955
op vrijwel het niveau van einde

1954
(+
0,4 pCt.) afsloot. De sterkste stijging komt voor

bij de rubriek der bouwnijverheid
(+ 26 pCt.) en de

portefeuillemaatschappijen
(+
22 pCt.); de spiegelglas-

aandelen bleven verder van de belangsteffing genieten en

boekten een gemiddelde koerswinst van 20 pCt. Over

geheel het jaar bleef de tendentie overheersend gunstig

gericht, tot in het laatste kwartaal de aarzeling intrad.

De beurs van Brussel die sinds Korea blijkbaar terug de
conjunctuur in haar grote étapes is gaan volgen, wijst er

met haar aarzeling van de laatste maanden op, dat het

niet uitgesloten is, dat haar timing terug met een voor

sprong op het algemeen conjunctuurverloop zou in-

gesteld worden.

30/121
30/1
1/

30/12/

Verschil in pCI.

1954
1955 1955
jaar

1955
dece9ii5ber

Banken
266,2 304,4
312,8
+
17,5
+
2,8
Portefeuille
254,9
303,4
310,8
+21,9
+
2,4
Trusts

……..
180,5
212,7
209,9
+16,3

1,3
Gas- en elektrici-
telt

……..
263,3
314,6
308,8
+17,3

1,9
Metaalnijverheid
248,5
257,2 256,6
+
3,3

0,2
Scheik. prod.
196,3
200,7
.

197,1
+ 0,4

1,8
Steenkolenmijnen
215,9
247,9 252,5
+17,0
+
1,9
Spiegeiglas
121,2
145,8 145,7
+20,2

0,1
Glasblazerijen
164,6
177,4
172,6
+
4,9
-2,7
Bouwnijverheid
247,5

318,1
311,2
+25.7

2,2
Textiel ……..
166,5

133,9
140,1

1
5,9

4,6
Koloniale
616,0
694,5
696,5
+
13,1
+
0,3
Brouwerijen
69,0 74,2
79,9
+15,8
+
7,7
Voeding
129,0
-146,7
144,9
+12,3


1,2
Papiernijverheid

….

481,6
557,1
558,5
+16,0
+ 0,3
Warenhuizen
455,2 471,7
.
478,9
.+
5,2
+ 1,5
Verscheidene
279,1
331,5
,
329,5
+18,1

0,6
Algemeen
270,4
304,7
305,1
+
12,8.
+
0,1

Bron:
Kredietban,r.

Uitsluitend onder invloed van de koersdaling vertoont

het gernddelde rendement op de selectie van
75
represen-

tatieve waarden van de beurs van Brussel een stijging

met.0,05pCt. tot 3,27 pCt.

Kortenberg.

Dr. L.
DELMOTTE.

Abonneert
II
op

STATISTIEKEN

INTERIM-1i’.lDEXCIJFERS VAN GROOTHANDELSPEIJZEN
“IN
NEDERLAND
1) )

1948
=
100
1954
juli
1955
aug.
1955
Sept.
195

5
okt.
1955
nov.
1955

Voedingsmiddelen:
136 128 117
119
118 117
113
106
112
121
124
123
124 116
114 120
121
120

plantaardige

………

Grondstoffen voor:
dierlijke

………….

houtwaren
150
163
164
162
161
159
chem. produkten
119
121
121
120
121
121
textielwaren
143 135
132 128 128
128
leer en leerwaren ….
122
111
111 111
113
1-16
140
157
159
160 162
162
papier

…………..115
120 .
121
121
121
120
hulpstoffen
179
186
187
190
190
191

totaal

……………

155

161
161
162
162
163
Afgewerkte produkten:

glaa, aardewerk enz
155
158
158
159
159
.

159
106 116 116 116
116 116

totaal

……………

chem. produkten
122 124 124 124 125
125

metaalwaren

………

135
141
140
131 131
131

houtwaren

…………

textielwaren

……..
leer- enrubberwaren
133
136 136 137
137
.137
papierwaren

……..140
150 150 150
150 150
metaaîwaren

………138
147 149
150

150
151
gefabriceerde voedings-
en genotmiddelen
134 132
132


131
131
131
overige produkten
148 155
153 149
148
147

1
totaal

…………..134
137
137
135
135
135
Algemeen indexcijfer
136
136
1

136 136
137
137

‘) Ontleend aan het Statistisch Bulletin van het Centraal Bureau voor dc
Statistiek.
‘) De wegingscoëfficiënten zijn vastgesteld overeenkomatig de verhoudingen
in 1948.

IN- EN UITVOER VAN NEDERLAND
1)
(waarde in millioenen guldens)

1
1
Invoer
1

Uitvoer
Dekkingspercentage
Jaar
december
.
jan.-

december
1
1jan.-
1
december
t

jan.-
dec.53
1
dec. a)
dec. a)
____________
1938

….
122
122
85

1
90
70
74
1952

….
685
704
605 668
88
95
1953


849
1

752
694

1
682
81
91
1954

..,.
1.124
t

905
812
764
72
84
1955

….
1.048
1.016.
850

j
847
81 83

‘) Bron C.B.S.
) Mandgemiddetden.

– .

Dekking van

pensioenverplichtingen

De keuze tussen

Eigen Beheer
en
Herverzekering

is
afhankelijk van velerlei factren.

Een objectieve beoordeling van dit vraagstuk
geeft ons gespecialiseerd –

BUREAU VOOR PENSIOENFONDSEN ,

De deskundige advièzen van dit Bureau zijn
afgestemd
op
een
zo
groot mogelijk profijt
van de gestorte premies met inachtneming
van de vereiste zekerheid voor de deelnemers.

DE TWENTSCHE BANK

Uw financièle raadsman

11/

EEN MIDDELSTE GEITJE?

Wat met zo’n geitje wordt be-
doeld, laat zich moeilijker raden
dan de illustratie zo simpel wèer-
geeft. In het boekwérk ,,Jacht en
Taal” door Dr. A.G.J. Hermans
vindt U nog veel en yeel meer
jogerstaal waarvan U bij lezing
menig uur zult genieten. –

Prijs(2O

Vraagt Uw boehha
t
ndelaar

Uitgave van de

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ

H. A. M. ROELANTS, SCHIEDAM

HEYBROEK-ZÉLANDER N.V.”

gevestigd te Amsterdam.

LijTGWTE van

nominaal f 2200.000.-

4% 20-jarige in aandelén converteerbare obligaties taan

toonder, elk groot f1000.- nominaal, waarvan 1 34.000.-

obligaties ondershands â pari zijn geplaatst. –

De ondergetekenden berichten, dat zij de inschrijving op de resterende
nominaal 1 2.166.000.- obligaties, uitsluitend voor houders van claims, open-
stellen bij hun kantoren te Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Gravenhage op

MAANDAG, 6 FEBRUARI 1956

van des voornliddags 9 uur tot des namiddags 4 uur

TOT DE KOERS -VAN 100 pCt.,

op de voorwaarden van het prospectus d.d. 27 januari 1956. –

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, alsmede afdrukken van de trustakte-
zijn bij de kantoren van inschrijving
verkrijgbaar.

– DE TWENTSCHE BANK N.V.

ROTTERDAMSCHE BANK N.V.


.

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.
Amsterdam, 2′? januari 1956.


IlacaVures

Bij het Bureau

Organisatie en .-Efficiercy van

het ministerie

van Binnenlandse Zalen,
is

plaats voor een

ORGANISATI E-MEDE WERKER

Deze functionaris wordt belast met structuur-, formatie-, werkmethoden- en andere efficiency-onderzoekingen bij,
in hoofdzaak beleids- en administratieve onderdelen. Be-
zoldiging voorlopig in de rang van hoofdcommies
(f 554,—
tot 1 689,— p. m.). Standplaats Den Haag.

‘Vereist tenminste middelbare opleiding; academische
vorming en/of organisatorische ervaring strekken tot
aanbeveling. Soll. onder motto vO/111/602 (in linker-bovenhoek env. en brief) aan de Centrale Personeels-
•dienst, Bezuidenhoutseweg
15,
Den Haag.

N.V. VERENIODE 000ISE MEIKBEDRIJVEN

GEVESTIGD
TE
HILVERSUM

Bij de N.V. Vërenide Gooise Melkbedrijven V.G.M,),

Oude Amersfoortseweg 90-92 te – Hilversum, kan voor
,

de bedrijfsoganisatie en efficiency- en voor onderzoe-

kingen yarl edrijfsproblemen.in
een zelfstandige functie

worden aangesteld een • –

DÉSK

UNDIGE –

Gezocht wordt bij voorkeur een ervaren kracht met

be-

kendheid in de Zuivelindustrie. Zij, die qua opleiding en

ervaring menen geschikt te zijn voor deze functie, wor-‘

den verôcht hun schriftelijke soUicitatis, met bijvoe-‘

ging van een pasfoto,te richten aan

e Directie van de

N.V. Verenigde Gooise Melkbedrijven (V.G.M.), Oude

Ai

nersfoortseweg 90-92 te Hilversum.
..
.–


3 Dimensies?
(3

Eist van Caxbonpapier 2 dixnensies

Carbopla.n

krult niet, ¶

vlekt niet en geeft
vele,
gave,
duidelijke copieën in één keer

Gevraagd door een internationale firma, werkzaam op –

het terrein van marktanalyse een

statisticus

voor een verantwoordelijke positie, welke veel in-

zicht en een helder oordeel vereist. De voorkeur

zal worden gegeven aan iemand, die reeds een

uitgebreide ervaring heeft in analyseren en waar-

deren van

statistische gegevens. Reflectanten, welke

gebrek aan ervaring hebben doch een gedegen

opleiding als statisticus bezitten, komen eveneens

in aanmerking. Het, betreft een belangrijke positie –

met uitstekende vooruitzichten, het salarisniveau

zal overeenkomstig zijn. –

Sollicitati&s met volledige gegevens onder no. E.-S.B.
5-1,

Bureau van dit blad, Postbus 42, Schiedam.

Auteur