Ga direct naar de content

Jrg. 40, editie 2004

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 9 1955

Econom

ischm

St
*
atistische

11

B
r

Witte borden in Amerika

*

Drs -F.L.G.Slooff

Devoorgestelde wijzigingen
in de Beleggingswet

*

Drs J. Willems

Het Europese houtbedrijf

*

Dr A. Michielsen
Het Belgische diamantbedrijf

UITGAVE VANHET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

/

40e JAARGANG

No 2004
WOENSDAG 9 NOVEMBER 1955

t

-,

Spuistraat

Amsterdam

KAS-ASSOCIATIE N.V.

Giro’s naar alle banken en

giro-instellingen

fl

HONDENPRAIAT

Ook de hond ko
spr

mt ter
ake in Dr A. G. J.

Hermans’ boeiende boek
Jacht en Taal”. Welke
jager zal niet menig uur

zoek brengen met deze
unieke verzameling jacht-

enjagersermen en citaten,
Niet minder dan 22 blz.
worden gewijd aan de

hond 1 P,ijjs II,
27.50

Vraagt Uwboekhandelaar

uitgave van de KON. NEDERL, BOEKDR. H. A. M. ROELANTS te SCHIEDAM

IIOILAMSCIIE SOCIETE1T

VAN LEVEI%JSVERZEIjERII%JGEN N.V.

87

LIJTFRENTEN

DIRECTIEPENSIOENTEN

COMPAGNONSVERZEKE1UGEN

COLLECTIEVE. PERSOXEELVERZEKERINGEN

II

A
1807

Âmsterdam-C., Herengracht 475, Telefoon 49100

Toronto 1, 330 Bay Street

Kantoren door geheel JWede,’land en Castada

AMW

R. Mees & Zoonen

Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenbage
Delft – Scbied4m – Vlaardingen

Financiering van

In- en Uitvoer

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut
Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-38040. Giro 8408.

11

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban que de Corn-
merce, 6, Place Royale, Brussel, postcheck-rekening 260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Abonnementsprijs:
franco
per post, voor Nederland en de
Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f 29,—, overige landen
f 31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk
nummer en slechts worden beëindigd per ultirno van het
kalenderjaar.
Losse nummers
75
cts.
No,1977
en no
2000: f2,—.
Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedjik, Rotterdam- W.

*
Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukker(/
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon 69300, toestel 1
of
3).
Advertentie-tarief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

Abonneert
II
op E-.S.B.

S

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Gla.sz; L. M. Koyck,
H. W. Lambers; .1. Tinbergen; F. dt Vries. Redacleur-Secrenjrjs; A. de Wit;
Adjuizct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIg: F. Collin:
J. E. Menens de Wilmars; J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlenlck.

9November 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

995

Witte boorden in Amerika

De categorie beroepsbeoefenaren, die In haar levens-

onderhoud voorziet door uitoefening van die activiteiten,

welke met de verzamelnaam ,,white collar jobs” worden

aangeduid, heeft zich in de loop der jaren van een be-

trekkelijk kleine tot een qua aantal en functies belang-

rijke groep in de Amerikaanse economie ontwikkeld.

Volgens gegevens uit ,,The Journal of Business” is het

aantal ,,witte boorden”-dragers toegenomen van 0,74

mln in 1870 tot ruim 16 mln in
1950,
d.w.z. van nog geen

6 pCt tot meer dan 27 pCt der totale beroepsbevolking.

Nevenstaande tabel doet zien, dat de absoluut en relatief

grootste stijging zich heeft voorgedaan in de groep kan-

toorpersoneel, die thans ruim 40 pCt der ,,witte boorden”-

dragers omvat, tegen ongeveer 13 pCt in 1870. Voorts

komt de belangrijke plaats,

die de vrouw zich in het ar-

beidsproces – met name

in de administratieve sec-

tor – heeft weten te ver-

werven, duidelijk naar

voren.

Een tweetal, nauw met

elkaar verbonden, ver-

schijnselen heeft tot de toe-

neming der ,,white collar

jobs” bijgedragen. In de

eerste plaats heeft zich

een verschuiving in de eco-

nomische activiteit voor

gedaan ten gunste van die

sectoren, welke van nature

een naar
verhrnidints
tsrnnt

aantal ,,witte boord”-dragers werkgelegenheid bieden,

zoals handel, financie- en verzekeringswezen en de

Overheid. Voorts heeft de groei der ondernemingen

en de toenemende ingewikkeldheid der economische

betrekkingen er toe geleid, dat in vrijwel alle bedrijfstak-
ken het aantal beoefenaren van ,,white collar jobs” zowel
absoluut als relatief steeg. De groei dr individuele onder-

neming had tot gevolg, dat de ondernemer een groot

deel der voorheen door hem zelf verrichte werkzaam-

hedeii aan een staf van kantoorpersoneel moest overdra-

gen; de toepassing van nieuwe technieken en research,

nieuwe communicatiemjddelen e.d. deden bovendien het

aantal activiteiten, waarvoor ,,witte boorden’ ‘-dragers

vereist waren, toenemen. Hetzelfde kan worden gezegd

van de ontwikkeling der warenhuizen en het creëren

van een eigen verkoopapparaat door grote industriële

ondernemingen.

De snelle groei der ,,white collar”-categorie in het

verleden doet de vraag rijzen, of haar aandeel in de

beroepsbevolking al dan niet een verdere stijging te zien
zal geven. Iet antwoord op deze vraag is o.a. afhankelijk

van het feit, of zich in de toekomst een verdere verschui-

ving in de economische activiteit zal voltrekken. Ge-

noemd blad is van mening dat deze verschuiving in

aanzienlijk mindere mate dan voorheen zal plaatsvinden.

Een verschuiving van de landbouw naar andere sectoren

isnl., aangezien de eerste nog maar 12 pCt der beroeps-

bevolking omvat, aan grenzen gebonden en de sectoren,

die een relatief groot aantal ,,witte boorden”-dragers

tellen, hebben, naar het zich laat aanzien, hun optimale

positie in de economie als geheel bereikt.

Blijft de vraag, of het aandeel der ,,white collar jobs”

in de afzonderlijke bedrijfstakken verder zal stijgen, In

de typische ,,white collar”-bedrijven is de kans op interne

viuuiviu, estisgcieu nul.

aantal handarbeiders daar

reeds gering is, klein. In

die bedrijven, waar auto-

matisering van het produc-

tieproces zal worden toe-

gepast, zijn de vooruitzich-

ten voor ,,witte boorden”-

dragers gunstiger: hand-

arbeiders zullen vermoede-

lijk ten dele door inge-

nieurs, en andere technici

worden vervangen. Het is

moeilijk te beoordelen of

een eventuele groei der on-

dernemingen evenals vroe-

ger een uitbreiding van het

— kantoorpersoneel tot ge-

volg zal hebben, aangezien de toepassing van elec-

tronische en kantoormachines de vraag naar dit per-

soneel ongunstig zal kunnen beïnvloeden. In de

sector van de detailhandel ten slotte zal, naar genoemd

blad meent, het toepassen van het zelfbedieningsstelsel

een daling der werkgelegenheid voor winkelpersoneel

ten gevolge hebben.

Al met al is er reden te veronderstellen, dat de ,,white
collar”-sectr in Amerika een hoge mate van verzadiging

heeft bereikt. Het feit, dat de mogelijkheid meer onder-

wijs te genieten is foegenomen en waarschijnlijk in de

toekomst nog groter zal worden, zal vermoedelijk het

aantal gegadigden voor ,,white collar jobs” sterker doen
stijgen dan de vraag. Voor zover de door genoemd blad
aangegeven tendenties zich zullen doen gelden – m.a.w.

indien de ontwikkeling van voorheen inderdaad tot een

eind is gekomen – moet worden aangenomen, dat de

vraag-aanbodverhoudingen druk zullen uitoefenen op

de inkomsten, die in een groot aantal witte boorden-

beroepen worden genoten.

,,Witte boorden”-dragers

Jaar
Beroe
ps-

Totaal
personeel

e.
.
digers e.d.
zend pers. e.d.

(aantallen in duizenden)
1870
12.925
740

98

302
341
1910
36.720
5.515

2.016

1.800
1.698 1950
58.999
16.102
a)

7.070

4.044
4.988
(in pCt van de beroepsbevolking)
1870
100
5,7

0,8,

2,3
2,6
1910
100
15,0

5,5

4,9
1
4,6
1950
100
27,3

12,0

6,9
8,5
(waarvan vrouwen in pCt der betreffende aantallen)
1870
14,8
14,8

2,0

3,7
27,6
1910
19,9 19,9

34,3

21,4
1

1

42,6
1

1950
27,9 27,9

62,1

34,1
39,4

a) Wenst men toezichthoudbnd personeel in fabrieken eveneens als ,,witte boor-
den”-personeel te beschouwen, dan dient het aantal te worden verhoogd
met ca 1 mln. In het totaal zijn begrepen ruim
1,25
mln beoefenaren van vrije beroepen.

INHOUD

Blz
Blz.

995
Surinaamse kanttekeningen,
door G. C. A. Mulder,
B.Sc.,Ps.D ………………………..
1005

997
Aantekening

1000
Het onderzoek naar de besparingen in de Ver-

enigde Staten,
door Dr J. P. Snoep ……
1007

1002
Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet
1009

Witte boorden in Amerika ………………

De voorgestelde wijzigingen in de Beleggingswet,

door Drs F. L. G. Slooff ……………….

Het Europese houtbedrjf,
door Drs J. Willems

Het Belgische diamantbedrijf,
door Dr A. Mi-

chielsen ……………………………

AU 1UZ 1t4..,t11 VUUKISt51UUJ)N

996

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9November 1955

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Drs F. L. G. SLO 0FF, De voorgestelde wijzigingen in de

Beleggingswet.

In Augustus ji. is bij de Tweede Kamer een ontwerp

ingediend tot wijziging van de Beleggingswet. Deze wet
bepaalt in welke objecten het Algemeen Burgerlijk Pen-

sioenfonds, de Ongevallen-, Invaliditeits- en Ouderdoms-

fondse; de Rijkspostspaarbank en de Postcheque- en

Girodienst mogen beleggen. Daaruaast geldt zij als richt-

snoer voor de beleggingspolitiek van vele andere sociale

fondsen en is zij van belang bij vermogensbeheer t.b.v.

minderjarigen en onder curatele gestelden. Volgens de
vigerende wet mogen de onder de wet vallende institu-
tionele beleggers uitsluitend in geldwaarden beleggen.
Worden de aanhangig gemaakte wijzigingen aanvaard,

dan zullen voorts zijn toegestaan: op de Amsterdamse
beurs genoteerde, in Nederlandse guldens luidende le-

ningen van vreemde mogendheden of lichamen, waarin

de Nederlandse Staat, tezamen met andere staten deel-
neemt; op de Amsterdamse beurs genoteerde aandelen

en certificaten van aandelen van Nederlandse maatschap-

pijen, en in Nederland gelegen onroerend goed. De uit-

breiding der beleggingsmogelijkheden, waardoor het

beginsel wordt losgelaten, dat institutionele beleggers,

welke de verplichting op zich hebben genomen, in guldens

uitgedrukt, vaste uitkeringen te doen, ook slechts mogen

beleggen in in guldens luidende geldswaarden, is van niet

te onderschatten principiële betekenis. Schr. onderwerpt
de betekenis der beleggingsuitbreiding aan een beschou-
wing. Met name gaat hij na, of het loslaten van het equi-
valentieprincipe te rechtvaardigen is, in deze zin, dat het
de belangen der door de wet beschermden niet in gevaar

brengt. Hij bèsluit zijn opmerkingen met te onderstrepen,

dat de uitbreiding der door de Beleggingswet toegestane

beleggingen tot goederenwaarden van harte dient te

worden toegejuicht. Alvorens de wet echter, bezien uit

het standpunt van de belangen der door haar beschermden,

het praedicaat meesterstuk waardig is, zal de wetgever

haar nog grondig moeten bijschaven.

Drs J. WILLEMS, Het Europese houtbedrijf.

Aan de hand van enkele onlangs gepubliceerde studies

worden in dit artikel enige algemene lijnen van het

Europese houtbedrjf geschetst. Het verbruik van hout,

dat wordt verbrand, daalde van 50 pCt van de totale

kap in 1913 tot ca 35 pCt thans. Bij het verwerkte hout

namen de traditionele verwerkingsvormen, gezaagd hout

en mijnstutten, relatief in betekenis af ten opzichte van

de nieuwere houtproducten in de mechanische – fineer,

triplex – en chemische – papier, cellulose – sfeer.

Uit gegevens betreffende de eigenlijke consumptiebe-

stemming blijkt, dat de bouwsector van overwegend be-

lang blijft voor het houtbedrjf, maar dat de pulpsector

steeds meer in betekenis toeneemt. De aankap in de

O.E.E.C.-landen bedroeg in 1953 150 mln m
3
, waarvan

84 pCt zacht hout. Met deze aankap werd globaal 81

pCt van het totale verbruik in deze landen gedekt, tegen
65 pCt v66r de oorlog. Wat de handel betreft blijven de

O.E.E.C.-landen als geheel afhankelijk van import. Be-

halve de handel met niet-O.E.E.C.-landen is er een zeer

belangrijke onderlinge handel. De prijs van hout is

ten opzichte van de prijs der meeste andere grondstoffen

buitengewoon sterk gestegen. De lioutaanvoer uit tro-

pische gej,ieden heeft nog met vele problemen te kampen.

Het zal zowel in het belang van de overzeese landen als

de Europese houtgebruikers zijn hi& samen naar een

redelijke oplossing en verantwoorde ontwikkeling te zoe-

ken. Wat de ontwikkeling van het Europese houtbedrijf

in
1955
betreft, wordt over het algemeen het handhaven

van de vaste markt van
1954
geconstateerd. De meest
opvallende verandering op de houtmarkt is het weer in

groter mate op de markt verschijnen van Rusland tils

leverancier.

Dr A. MICHIELSEN, liet Belgische diamantbedrijf.

De Belgische diamantnijverheid heroverde na de oorlog

spoedig haar plaats: de meeste tijdens de oorlog ge-

vormde centra van bewerking waren niet tegen de con-

currentie bestand, terwijl Duitsland de eerste jaren na

de oorlog nog niet opnieuw diamant produceerde. Thans

echter heeft Duitsland ca 5.000 diamantbewerkers aan

het werk en in Israël wordt hetzelfde aantal benaderd.

België is blijkbaar in de verdediging gedrongen en in

vakkringen wordt gevreesd, dat de Belgische diamant-

nijverheid hetzelfde lot zal ondergaan als de Nederlandse

na de eerste wereldoorlog. Het aantrekken van nieuwe

arbeidskrachten stuit op moeilijkheden: kennelijk heeft de

diamantnijverheid haar aantrekkingskracht op de jeug4

verloren. Tot een systematische verdedigingsactie is het

in België nog niet gekomen. Schrijver behandelt een

aantal mogelijkheden en plannen, die ter verdediging

naar voren zijn gebracht, zoals eventuele verlenging van

de arbeidsduur; de door de Algemene Diamantbewerkers-

bond gewenste ruimere bevoorrading met ruwe diamant;

het initiatief tot het geven van vakonderricht en het plan
tot vorming van een sociaal fonds.. Tot slot gaat schrij-

ver in op de huidige conjuncturele toestand van het

diamantbedrijf, die niet ongunstig is, al profiteert het

bedrijf niet in dezelfde mate van de hoogconjunctuur als

andere bedrijfstakken.

– SOMMAIRE –

Drs F. L. G. SLO 0FF, Les mod?fications proposées â

être apportées â la bi portant sur les Placements.

Selon les dispositions du projet déposé au mois d’août

â la Chambre et tendant â une modification de la bi

portant sur les Placements, les possibilités de Placement

d’institutions publiques tombant sous cette bi se trou-

veront élargies. L’auteur commente cette extension, dont

selon lui, il convient de se féliciter de tout coeur.

Drs J. WILLEMS, L’industrie européernie du bois.

A l’aide de quelques études publiées récemment sont

exposées dans le présent article quelques grandes lignes

de l’industrië du bois dans les pays de la O.E.C.E. Sont

traités successivement la consommation européenne de

bois et ses composantes, la production, le commerce et

le prix. Finalement l’auteur donne une idée du récent

développement dans l’industrie européenne du bois.

Dr A. MICHIELSEN, L’industrie diamantaire en Belgique.

A la suite de concurrence étrangère l’industrie dia-

mantaire en Belgique a été poussée dans une position

de défense et dans les milieux professionnels on exprime

la crainte qu’elle ne subisse le même sort que celle de la

Hollande laprès la première guerre mondiale. On n’est pas

encore arrivé en Belgique â une action systénlatique de

défense. L’auteur passe en revue un certain nombre de

possibilités et de projets mis en avant â titre de défense,
tels qu’une prolongation éventuelle de la journée de tra-

vail, l’approvisionnement plus large en diamant brut,

préconisé par le Algemene Diamantbewerkersbond (As-

sociation générale des Ouvriers Diamantajres); les projets

tendant â donner de l’enseignement professionnel et

â la constitution d’un fonds social. Ensuite est traitée

la conjoncture actuelle dans l’expboitation diamantaire.

9 November
1955
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

997

De voorgestelde
wijzigingen
in fle Beleggingswet

In Augustus ji. is bij de Tweede Kamer een ontwerp
ingediend tot wijziging van de Beleggingswet. In deze

Wet is bepaald, in welke objecten het Algemeen Burgerlijk

Pensioenfonds, de Ongevallen-, Invaliditeits- en Ouder-
domsfondsen, de Rijk.postspaarbank en de Postcheque-

en Girodienst mogen beleggen. Daarnaast geldt zij als

richtsnoer voor de beleggingspolitiek van vele andere

sociale fondsen; in een aantal gevallen is dat zelfs statutair

voorgeschreven. Ten slotte is de inhoud van de Beleg-

gingswet nog van grote betekenis voor» minderjarigen

en onder curatele gestelden, aangezien volgens art.

438 B.W. de voogden en volgens art.
507
B.W. ‘de cura-

toren in het door hen voor de minderjarigen resp. de

onder curatele gestelden beheerde vermogen wijzigingen

mogen aanbrengen, zonder dat de kantonrechter hier-

over zijn veto kan uitspreken, mits zij zich houden aan de

door de Beleggingswet in art.
5
toegestane en aan nog

enige andere (o.a. spaarbankrekeningen en onroerend

goed) in de betreffende wetten genoemde beleggingen.

Volgens de vigerende Beleggingswet dienen de beleg-

gingen zich praktisch te beperken tot:

liquiditeiten, zoals bijv. kas en kassiers, binnen- en

buitenlandse wissels, belening op fondsen en kasgeld-

leningen;

schuldbrieven ten laste van Nederlandse debiteuren;

eerste hypotheken op in Nederlan,d gelegen onroerend

goed;

34
pCt preferente aandelen van de Maatschappij tot

Financiering van het Nationaal Herstel
1).

De onder de Beleggingswet vallende institutionele

beleggers mogen tot dusver derhalve uitsluitend in geld-

waarden beleggen. De
34
pCt preferente aandelen van de
Herstelbank vormen eigenlijk geen uitzondering. Zij zijn

– door de dividendgarantie van de’Nederlandse Staat –

in feite vrijwel gelijk te stellen met een
34
pCt perpetuele

lening.

Worden de bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte

wijzigingen in de Beleggingswet aanvaard dan zullen de

volgende beleggingen eveneens toegestaan zijn:

op de Amsterdamse beurs genoteerae, in Nederlandse

guldens lui’dende leningen van vreemde mogendheden

of van lichamen, waarin de Nederlandse Staat, te-

zamen met andere,staten, deelneemt;

op de Amsterdamse beurs genoteerde aandelèn en cer-

tificaten van aandelen van Nederlandse maatschap-

pijen (echter voor niet meer dan
5
pCt van het ge-

plaatste kapitaal van de betreffende vennootschap);

in Nederland gelegen onroerend goed.
Op grond van de voorgestelde wetswijzigingen zal de

belegging in goederenwaarden (aandelen en onroerend

goed) aan geen enkele beperking onderworpen zijn dan

de onder b) genoemde. In de Memorie van Toelichting

geeft de Minister echter te kennen, dat hij – na overleg

met de Centrale Beleggingsraad (die door de Beleggings-

wet is belast met het toezicht over de’beleggingen van de

Rijksfondsen en -instellingen), nog nadere uitvoerings-

voorschriften zal uitvaardigen. De opvattingen van de

Beleggingsraad zijn in de Memorie van Toelichting weer

gegeven. De Raad denkt voorlopig uitsluitend aan

quantitatieve en niet aan qualitatieve begrenzingen. Haar

gedachten gaan uit naar de volgende voorschriften:

‘)
Zie voor de volledige tekst Staatsblad 1939, no 400.

Tegenover het eigen vermogen – de vrije reserves –

van alle Rijksfondsen en -instellingen mogen in onbe-

perkte mate aandelèn en onroerend goed worden ge-

kocht.

Tegenover het (op korte termijn opvraagbare!) obligo

van de Rij kspostspaarbank en de Postcheque- en

Girodienst mogen geen goeder,enwaarden komen te
staan.

De tegenover de verplichtingen van de overige fondsen

en instellingen staande activa mogen voor ten hoogste

5 pCt uit goederenwaarden bestaan.

Het belang bij één enkel aandeel zal niet meer mogen

uitmaken dan 10 pCt van het voor ,,risicodragende

belegging” in aanmerking komend bedrag.

Van één enkel aandeel zal, gerekend naar de nominale

waarde, niet meer mogen worden genomen dan
5
pCt van het geplaatste kapitaal (dit is dus de enige beper-

king, die in het wetsontwerp is opgenomen).

De uitbreiding van de beleggingsmogelijkheden, welke

het ontwerp beoogt is – ook al zullen er waarschijnlijk

vrij stringente quantitatieve uitvoeringsvoorschriften ko-

men – van niet te onderschatten
principiële
betekenis.

Hierdoor wordt immers het beginsel losgelaten, dat

institutionele beleggers, welke de verplichting op zich

hebben genomen, in guldens uitgedrukt, vaste uitkeringen

te doen, ook slechts in in guldens luidende geldwaarden

mogen beleggen. Tot dusver kon voor de Rijksfondsen
en -instellingen het evenwicht tussen activa en passiva

alleen worden verstoord vanuit valutair oogpunt, daar

de belegging in in vreemde valuta luidende schuldbrieven
van
Nederlandse
debiteuren op grond van de vigerende

Beleggingswet niet is uitgesloten.

Is nu het verder loslaten van het equivalentieprincipe

tussen beleggingen en verplichtingen door ook belegging
in goederonwaarden met hun in geld fluctuerende hoofd-

sommen toe te staan, te rechtvaardigen? Dat zal slechts

zijn, indien dat de belangen van de door de Wet bescher,

den niet in gevaar brengt.

Voor de Postcheque- en Girodienst en voor de Rijks-
postspaarbank – die in feite als een spaarinstelling voor

korte termij n7 dient te worden beschouwd – lijkt in geen

geval een reden aanwezig om tegenover de op korte ter-

mijn opvorderbare verplichtingen andere dan in
guldens

luidende geldwaarden te stellen. Op deze instellingen

rust geen enkele morele plicht om te trachten de koop-

kracht van de tegoeden van rekeninghouders te bescher-

men, daar de rekeninghouders hun middelen op korte

termijn kunnen terugtrekken om deze, indien zij dat

gewenst, achten, zelf in goederenwaarden te beleggen.

Het is dan ook juist gezien, dat de Beleggingsraad tegen-

over de verplichtingen van deze instellingen geen goe-

derenwaarden wil stellen.

Voor de Rij ksfondsen eii particuliere pensioenfondsen,
die als gedwongen-spaarinstellingen op lange termijn be-
schouwd mogen worden, ligt de situatie enigszins anders.

Daar de verplichtingen van deze institutionele beleggers

eveneens in guldens luiden, dienen de hiertegenover

staande beleggingen – wil men niet speculeren –
in

princlpe
eveneens uit in guldens luidende geldwaarden

te bestaan, maar, hier kunnen zich zeer gegronde motie-

ven voordoen om een ruimer standpunt in te nemen. Zo

lijkt het in elk geval te billijken, dat men in een periode

van verregaande inflatie door belegging in goederen-

waarden tracht – alhoewel daartoe geen juridische ver-

998

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHtEN
9November
1955

plichting bestaat – de koopkracht van pensioenen- en

invaliditeitsuitkeringen enigszins op peil te houden. Door

de op stapel staande, op het omsiagstelsel berustende al-
gemene ouderdomsvoorziening, waarvan de uitkeringen

op basis van een loonindex zullen fluctueren, is de nood-

zaak hiertoe wel verminderd, maar zeker niet weggenomen;

vooral niet, wanneer men rekening houdt met de grove

onrechtvaardigheden, welke zich speciaal voor de loon-

arbeiders in ruimste zin zullen kunnen voordoen, wanneer

art. 60 van het ontwerp Algemene Ouderdomsverzekering,

volgens hetwelk verworven pensioenrechten zonder

schadevergoeding zullen kunnen worden onteigend, ge-
handhaafd blijft
2).

Tegenover het eigen vermogen acht de Beleggingsraad

de aankoop van goederenwaarden terecht verdedigbaar.

Hierdoor kunnen de verplichtingen immers niet in ge-

vaar worden gebracht, terwijl stijgende administratie-

en beheerkosten zodoende enigermate zijn op te vangen.

Al is derhalve de uitbreiding van de beleggingsmoge-

lijkheden tot goederenwaarden zeer zeker aanvaardbaar,

dan wil dat nog niet zeggen, dat het thans het juiste

moment is om daartoe ove,r te gaan. De meeste aandelen-

markten – ook de Amsterdamse – hebben, vergeleken

met enige jaren geleden, een opvallende koersstijging

achter de rug. Ondanks de met de ,,zwarte Maandag”

van 26 Septemberji. ingezette reactie beweegt het algemene

koersgemiddelde voor Nederlandse aandelen zich toch
nog op een niveau, dat ruim twee maal zo hoog ligt als

het gemiddelde voor
1953.
Het rendement op’verschei-

dene eerste klasse bel.eggingsaandelen ligt nog lager dan

dat op overheidsobligaties, zodat uit dien hoofde .- te

meer daar de netto winsten door de toenemende kosten

in het algemeen geen of niet meer een zo steil opgaande

tendentie te zien geven als de afgelopen jaren – voor
vele aandelen in de nabije toekomst een koersdaling

meer gerechtvaardigd lijkt dan een koersstijging. Eén

en ander neemt niet weg, dat het mij verstandig voorkomt

thans reeds de gelegenheid voor belegging in goederen-

waarden open te stellen. Belegging in goed gekozen on-

roerend goed kan trouwens met het oog op de komende

huurverhogingen nog wel behoorlijke perspectieven

bieden. In tijden van depressie zal het om politieke re-

denen veel moeilijker zijn de beoogde wetswijziging door

te voeren, al is dat nu juist de meest geschikte periode

om in de dan gewoonlijk in overdreven mate gedepreci-

eerde goederenwaarden te beleggen.

Keren wij terug tot de Memorie van Toelichting dan

ontkomen wij niet aan de indruk, dat bij de opneming

van goederenwaarden onder de toegestane beleggingen
meer is gelet op de behoeften van het bedrijfsleven dan

op degenen, voor wie de Beleggingswet indertijd is tot

stand gebracht. Er wordt immers met geen woord gerept

over de voordelen, die de uitkering kan opleveren voor

de onder de Wet vallende beleggers: de bescherming van

hun koopkracht.

De Minister betoogt, dat het vraagstuk van de voor-

ziening in de behoefte aan risicodragend kapitaal de

wenselijkheid heeft doen gevoelen de belegging in aan-

delen mogelijk te maken. Hij is; van mening, dat onder

de huidige omstandigheden, inhoudende een concentratie

der nationale besparingen bij de institutionele beleggers,
de uitsluiting van de mogelijkheid van belegging in aan-

• delen door de Beleggingswet principieel niet in overeen-

‘) Zie het artikel van Mr J. L. Wansink in het Nederlands Juristenblad van 15
October ii., over het Wetsontwerp Algemene Ouderdonisverzekering en ,,Evolutie
van de oudedagsverzorging” van schrijver dezes in eei van de volgende num-
mers van de verzekeringsbode.

stemming is met de eisen van een zo juist mogelijke finan-

ciering van het Nederlandse bedrijfsleven.

Momenteel mag hier te lande evenwel toch niet meer

worden gesproken van schaarste aan risicodragend kapi-

taal. De stijging van de beurskoersen gedurende de

laatste jaren demonstreert duidelijk het tegendeel. Dit

neemt niet weg, dat op langere termijn gezien ook vanuit

nationaal-economisch standpunt de opneming van aan-

delen in het ontwerp zeer goed verdedigbaar is. Niet

alleen kan de belangstelling voor aandelen – men denke

slechts aan de jongste scherpe reactie ter beurze – snel
verkeren, maar indien men verder in de toekomst ziet,
zou – de voortdurend breder wordende stroom van in-

stitutionele besparingen in aanmerking nemend – wel

eens het moment kunnen aanbreken, waarop de vraag
naar vaste rentedragende waarden in geen verhouding

meer zal staan tot het normale aanbod. Men mag immers

aannemen, dat de afnemende tendentie in het verloop

van de overheidsschuld voorlopig zal aanhouden, terwijl

de eerstvolgende tijd jaarlijks
meer dan één milliard

belegging zoekende liquide middelen van de institutionele

beleggers naar de kapitaalmarkt zullen toevloeien. Dat

zou enerzijds een zo zware druk op het rentepeil tot ge-

volg kunnen hebben, dat dit beneden het niveau daalt

van de rekenrente, waarmede de verplichtingen van pen-

sioen- en andere sociale fondsen zijn berekend; anderzijds

zou door een te lage rente voor schulden een zodanig

scheef trekken van de kapitalisaties van vele maatschap-

pijen in de hand kunnen worden gewerkt, dat aan le-
ningen in verregaande mate de gevaren zouden gaan

kleven, die aan risicodragend.beleggingen inhaerent zijn,

zonder dat de eerstgenoemde in gunstiger tijden mede

profiteren van de voorspoed van het bedrijfsleven.

In het licht van dit aan ‘onze nationaal-economische

horizon dreigende gevaar is de thans beoogde uitbreiding
van beleggingsmogelijkheden evenwel niet meer dan één

druppel op een gloeiende plaat. Uitgaande van de in het
vooruitzicht gestëlde uitvoeringsvoorschriften zal waar-

schijnlijk slechts éénmaal één half milliard gulden voor

belegging in goederenwaarden in plaats van in geldwaar-

den beschikbaar kunnen komen, terwijl daar jaarlijks

ten hoogste enige tientallen millioenen guldens zullen

bijkomen. Dit zal nauwelijks van merkbare invloed kun-

nen zijn op de markten voor vaste inkomsten afwerpende

beleggingen. Met het oog op de in guldens luidende ver

plichtingen van de institutionele beleggers zal van een

in betekenis zijnde mate verder gaande verruiming van

de beleggingsmogelijkheden in goederenwaarden echter

moeilijk verdedigbaar zijn.

De enige afdoende oplossing om
blijvend
een behoorlijk

evenwicht te handhaven, zowel tussen de vraag naar en

het aanbod van de verschillende soorten beleggingen,

als tussen de verplichtingen en de daar tegenover staande

activa van pensioenfondsen e.d. zal op den duur slechts

te bereiken zijn door aan nieuwe deelnemers rechten toe

te kennen, welke in koopkracht luiden in plaats van in

geld
3).
Het is nu eenmaal onmogelijk te grote, in geld

uitgedrukte vaste vorderingen te laten honoreren uit

een aan fluctuaties onderhevig zijnd (nationaal) vermo-

gen. Na wijziging van het karakter van de verplichtingen

zal het pas geoorloofd zijn op grotere schaal in goederen-
waarden te beleggen. Een meer gedetailleerde uitwerking

van de aanbevolen oplossing zou te ver voeren buiten het

kader van de thans aan de orde zijnde problemen; ik

‘) Het zou dan uiteraard tevens wenselijk zijn de mogelijkheid open te stellen,
dat ook de ,,otide” deelnemers in koopkracht uitgedrukte pensioenrechten kunnen
krijgen.

9November 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

999

moge hiervoor verwijzen naar de artikelen, die hierom-

trent enige jaren geleden in ,,E.-S.B.” zijn verschenen
4).

Dat bij het samenstellen van het ontwerp hoofdzakelijk

is gedacht aan de kapitaalbehoeften van het Nederlandse

bedrijfsleven komt mede tot uitdrukking in de uitspraak

van de Minister, dat de gelden van de Rij ksfondsen en
-instellingen in de eerste plaats moeten dienen voor de

financiering van investeringen in
Nederlaid.
Ik kan mij

echter goed voorstellen, dat onder bepaalde omstandig-

heden beleggingen in andere landen de voorkeur ver-

dieneif. Onlogisch doet het, vanuit het standpunt van de

beleggers gezien, ook aan, dat wel buitenlandse, doch niet

Nederlandse
obligaties in vreemde valuta verboden zijn.

Vindt men belegging in vreemde valuta ongeschikt dan

geldt dat evengoed als de debiteur de Nederlandse natio-

naliteit heeft. Vindt men buitenlandse debiteuren te ge-

vaarlijk dan moeten
alle
buitenlandse beleggingen –

ook die in guldens – gemeden worden.

Wij vragen ons vdorts af of de beperkingen, dat niet

meer dan 10 pCt van het voor risico dragende activa in

aanmerking komend bedrag in één maatschappij mag

worden belegd of dat van één maatschappij niet meer dan

5
pCt van het geplaatste kapitaal mag worden verworven,

ten behoeve van de beleggers zijn opgenonen. Op het

eerste gezicht lijken deze voorschriften gegrond, daar zij

de risicospreiding bevorderen. Het beginsel van risico-

selectie
verdient evenwel voorrang boven risicospreiding.

Belegging in aandelen vereist een studiedienst, die in

staat is een grondig onderzoek in te stellen naar de mé-

rites van de verschillende belèggingsobjecten. Zij zal

zich een zo goed mogelijk gefundeerd oordeel moeten kun-

nen vormen omtrent het toekomstige algemene conjunc-

tuurverloop (waarbij ook de politiek een niet te verwaar-

lozen rol kan spelen), de ontwikkeling van de verschil-

lende bedrijfstakken en de perspectieven van de afzon-

derlijke ondernemingen, terwijl zij daarnaast nog over

voldoende psychologisch inzicht moet beschikken om zo

exact mogelijk te kunnen voorzien hoe het publiek zal

reageren op het aanwezige en het te verwachten feiten-

materiaal. Hiervoor is uiteraard een uitgelezen – en kost-

bare! – staf van deskundigen nodig.

Wil men ook in onroerend goed beleggen dan zijn

daarnaast bouwkundigen en een vij groot administra-

tief- en beheerapparaat nodig. Coöperaties voor beleg-
gingen in onroerend goed zouden wel uitkomst kunnen

brengen, maar het is de vraag of het ontwerp hiervoor

voldoende speelruimte biedt.
De moeilijkheid om zelf een keuze te moeten doen uit

de bedrijfstakken en ondernemingen kan men ontlopen

door aandelen te kopen van beleggingmaatschappijen.

Conjunctuurschommelingen daarentegen zijn op deze
wijze niet in voldoende mate op te vangen, aangezien

beleggingmaatschappijen om fiscale redenen (voor de

inkomsten uit geldwaarden moeten zij, in tegenstelling

tot voor de door hen getoucheerde dividenden, normale
vennootschapsbelasting betalen) obligaties mijden. Wil

men evenwel zoveel mogelijk voordeel trekken uit het

voerèn van een dynamische beleggingspolitiek dan be-
hoort men niet alleen, naar gelang de coiijunctuurfase,

in minder of meer conjunctuurgevoelige aandelen te be-

leggen, maar dan moet men de verhouding tussen de

geld- en de goederenwaarden op grond van de toekomst-

verwachtingen laten fluctueren. Bij een dergelijk beléid

dient men natuurlijk tijdens een depressie gewone aan-

4)
Zie o.a. van Prof. Mr J. G. Koopmans ,,Een verstopte bron van risicodragend
kapitaal” in ,,E.-S.B.” van 22 November 1950 en ,,Levensverzekering bij verander-
lijke koopkracht van de geldeenheid” in ,,E.-S.B.” van 20 Juni 1951 alsmede van
Dr L. J. Smid. ,,Levensverzekering in ,,Units” “in ,,E.-S.B.” van 28 Februari 1951.

ROTTERDAHSCHE BANK

DOCUMENTAIRE

ACCREDITI EVEN

INCASSERINGEN

OP BINNEN- EN

BUITENLAND

260 VESTIGINGEN IN NEDERLAND

(Advêrtentic)

delen te kopen om deze zo dicht mogelijk bij de top van
een hausse weer af te stoten. Dit zal tevens ten voordele

van de nationale economie een matigende invloed kunnen

hebben op de neiging tot extreme over- en onderwaar-

deringen ter beurze. In de Verenigde Staten van Amerika,

waar op veel grotere schaal door institutionele beleggers

in aandelen wordt belegd, is een dergelijke tendentie

reeds merkbaar. In de afgelopen zomer, toen de speculan-

ten nog op hun wildst ageerden, waren daar te lande vele

institutionele beleggers het percentage geldwaarden al

aan het opvoeren.Ziet men op tegen de kosten, die uiter

aard gepaard gaan met het voeren van een goed gefun-

deerde dynamische beleggingspolitiek, dan kunnen be-

leggings-,,coöperaties”, zoals de beleggingsdepôts met

vrij beheer, waarvan op de Amsterdamse beurs partici-

patiebewijzen zijn genoteerd, uitkomst brengen. Deze

beleggingsdepôts kunnen immers, daar zij niet onder de

Wet op de Vennootschapsbelasting vallen, zonder dat dit

nadelige fiscale consequenties heeft,
tijdig overschakelen

van aandelen op obligaties.
Door de verruiming van de beleggingsmogelijkheden,

welke in het ontwerp zijn opgesomd, zal voortaan echter

in nagenoeg alle officieel genoteerde Nederlandse, in

guldens luidende fondsen belegd mogen worden, behalve

in… depôtfractiebèwijzen en participatiebewijzen
5).

Vanwaar deze discriminatie? Zijn bedoelde beleggings-

waarden zonder meer onder tafel gevallen? Of zijn zij

met opzet uit het ontwerp gelaten, omdat het Neder-

landse bedrijfsleven hierdoor niet rechtstreeks – maar

dan toch wêl indirect – aan middelen wordt geholpen?

Of is de reden geweest, dat door participatiebewijzen mede

is belegd in de geweerde buitenlandse waarden? Maar dan

heeft men door deze uitsluiting toch het doel gemist,

aangezien vreemde beleggingen indirect evengoed te

verwerven zijn via zgn. internationale aandelen, zoals

Koninklijke Nederlandsche Petroleum of Philips’ Gloei-

lampenfabrieken, via cultuuraandelen, via aandelen van

in het buitenland werkende handelmaatschappijen of

hypotheekbanken (de obligaties van deze instellingen

mogen
nIet
worden gekocht; vide art.
5
lid g van de Be-

‘) Zie voor een uitvoeriger bespreking van deze beteggingsvormei
Drs
J. C.
Brezet ,,Verschuivingen bij de Nederlandse investment-trusts”, ,,E.-S.B.” van 27
April 1955.

1000

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
9 Ncvember 1955

leggingswet) en via
aandelen
van beleggingmaatschappij-

en. Overigens mogen de beleggingsnormen, waaraan

de algemene
spaarbanken van 30 October jl. af
moeten

voldoen, wèl zo worden opgevat, dat aankoop van offi-

cieel te Amsterdam genoteerde depôtfractiebewijzen en

participatiebewijzen is toegestaan, terwijl bij deze spaar-

instellingen op korte
termijn, tegenover de vrije reserves,

ook in
vreemde
valuta luidende beleggingen van
buiten-landse
debiteuren mogen voorkomen
6).

Voor kleinere sociale fondsen, die zich – veelal statu-

tair voorgeschreven – naar de Beleggingswet richten,

doch die onmogelijk een staf van deskundigen kunnen

aanstellen en voor welke zelfs de bijstand van een be-

leggingsadviseur te duur zal zijn, is deelneming in parti-

cipatiebewijzen met vrij. beheer veelal de enige verant-

woorde uitweg om ook in aandelen te beleggen.

)
Zie
voor een uitvoeriger bespreking van de
beleggingen van de algemene
apaarbanken De beleggingen van de spaarbanken en haar, waardering’ van
schrijver dezea in Bank- en Effectenbedrijf van October ii.
In geen geval mag het zover komen – hetgeen op grond

van de voorgestelde wijzigingen in d& Beleggingswet inder-

daad dreigt verwezenlijkt te worden – dat voogden en

curatoren voor het door hen beheerde vermogen van minder-

jarigen respectievelijk ‘van onder curatele gestelden de

meest speculatie ve aandelen zullen kunnen gaan kopen,

•zonder dat de kantonrechter preventief kan ingrpen, maar

niet voor deze groep van beschermden bij uitstek geschikte

beleggingswaarden, zoals depôtfractiebewijzen en partici-
patiebe wijzen. –

Wij willen onze beschouwing niet besluiten zonder te

onderstrepen, dat de uitbreiding van de door de Beleg-
gingswet toegestane beleggingen tot goederenwaarden

van harte dient te worden toegejuicht. Alvorens de Wet,

bezien uit het oogpunt van de belangen van de door haar
beschermden,
het praedicaat meesterstuk waardig is,

zal de Wetgever haar echter nog grondig moeten bijscha-

ven.
Amsterdam.
Drs F. L.
G. SLOOFF.

Het Europese houtbedrjf

Hout behoort ongetwijfeld tot de oudste grondstoffen,

welke door de mens worden gebruikt. Dat dit gebruik
nog lang geen verleden tijd is, bewijst wel het feit dat

kort na de oorlog een door de F.A.O. gesteunde publicatie

verscheen onder de titel ,,The coming age of wood”.

Meer in de practijk moeten wij ons slechts de moeilijk-

heden van de na-oorlogse houtschaarste herinneren om

van de betekenis van deze grondstof ook thans overtuigd

te zijn. Ook internationaal heeft men er de laatste jaren

ruimschoots aandacht aan geschonken: U.N.O. (E.C.E.),

F.A.O., O.E.E.C. hielden zich in Timber Committees en

studies met dit product (voortbrenging, handel, verbruik,

prijzen) bezig. Dat hierbij nog wel eens dubbel of ,,con-

currerend” werk werd verricht, is een euvel dat bij meer

internationale activiteiten valt te constateren.

Voor ons liggen thans twee studies van de O.E.E.C.

onder bovenstaande titel (The timber industry in Europe).

De basisstudie verscheen eind vorig jaar als eerste van een

serie ,,Trends in economic sectors”. De tweede geeft als

aanvulling ,,Trends on the timber market in 1954 nd

prospects for
1955″
en verscheen in de loop van Juli ji.

Het basiswerkje (82 blz. tekst en een 12-tal samen-

vattende tabellen) doet een prjzenswaardige poging om

de structuur van de Europese houtmarkt te schetsen.

Men zou het haast een moedige poging noemén, als men

bedenkt, dat ongeveer anderhalf jaar daarvoor de groté

F.A.O./E.C.E.-houtstudie
j
,European timber trends and

prospects” verscheen, welke 7 â 8 maal zoveel tekst

bevat plus bijna 70 grote statistische tabellen. Het is dan

ook beslist een omissie, dat in de O.E.E.C.-brochure –

die in sterke mate een voor1ihtend karakter draagt –

niet direct op deze grote basisstudie wordt gewezen.

Immers, één klein voetnootje: ,,See F.A.O.-studies on the

various uses of timber” laat de fantasie wel erg veel

,speelruimte. Daarbij komt dat ongetwijfeld een groot deel

van de statistische gegevens in de O.E.E.C.-studie aan de

in dit opzicht baanbrekende publicaties van de F.A.O./-

E.C.E. moeten zijn ontleend.

Voorts zal nen bij lezing opmerken, dat de
O.E.E.C.-

studie zich vul, tot de landen van de Organisatie beperkt,

hetgeen juist voor hout aan het Europese beeld wel enigs-

zins afbreuk doet. Een verwijzing naar de ruimere F.A.O./-

E.C.E.-studie zou hier voor de belangstellende lezer

zeker haar nut hebben gehad. Maar afgezien van deze

publicatiefout biedt de O.E.E.C.-brochure bij de schaarste

aan algemene literatuur over de houteconomie enorm

veel wetenswaardigs.

In het onderstaande halen wij uit de eerste uitgave

enkele markante structuurbeelden naar voren om daarna
dit overzicht met een korte schets inzake de recente ont-

wikkeling naar. aanleiding van de brochure 1955 te

besluiten.

Structuur van de (West-)Europese houtmarkt.

Hoofdstuk 1 geeft de structurele elementen en begint bij het
verbruik.
Hout wordt verbrand of verwerkt. Het

eerste nam sterk in betekenis af, nI. van 50 pCt van de

totale kap in 1913 tot ongeveer 35 1iCt thans. Maar ook

bij het verwerkte hout traden verschuivingen op. Men

heeft hier gezaagd hout, fineer, triple7x en zgn. industrieel

hout (mijnstutten, papierhout, verdere celiulose en andere

chemische verwerking). De traditionele verwerkings-

vormen: gezaagd hout (voor de bouwerij, verpakking,
dwarsliggers) en mijnstutten namen hier relatief in be-

tekenis af ten opzichte van de nieuwere houtproducten in

de mechanische (fineer, triplex) en chemische (papier,

cellulose) sfeer. Het reeds genoemde boek ,,The coming

age of wood” slaat dan ook zeer bijzonder op het laatste.

Alleen voor pulphout ligt het verbruik thans boven het

vooroorlogse peil. In de belangrijkste houtsector: ge-

zaagd naaldhout, lag het verbruik van de O.E.E.C.-

landen bijv. in 1953 22 pCt onder dat in de periode

1935/38. Het is bekend dat zacht hout (naaidhout)

veruit het belangrijkste is: in 1953 gebruikten de O.E.E.C.-

landen 93 mln m
3
(r= rondhoutequivalent) naaldhout

tegenover 13 mln m
3
r hard hout (loofhout). Naar hout-

categorie waren 62 pCt zaag- en fineerstammen, 9 pCt

mijnstutten, 26 pCt pulphout en 3 pCt ander industrieel

hout.

Over de eigenlijke consumptiebestemming geeft de

O.E.E.C.-brochure geen cijfers. Ter illustratie geven wij

daarom onderstaande tabel, afgeleid uit gegevens van

de grote F.A.O./E.C.E.-studie.

9November 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

IDIl

Ho ut verbruik in Europa in 1950

(in pCI van totaal)
woningbouw

…………………………
124
andere

bouw

a)

……………………..
84
bouwreparatie

…………………………
5
totale

bouw

………………………….
26
agrarisch

verbruik

……………………
144
mijnstutten

…………………………..
94
overig mijnhout

104
dwarsliggers

…………………………
34
ovrrig transport en communicatie
…………
35

7
meubelen en houtverwerkende industrie

….

13
verpakkingshout
……………………….
84
verpakkingscartors en -papier
…………….
7
154
papier
………………………………
9
kunstvezel en andere pulpproducten
……….
4
a) Exclusief agrarische constructies.

De bouwerij (inclusief agrarisch vrbruik) is dus met

totaal ‘ongeveer 41 pCt nog primair. Daarna komt de

pulp- en papiersector met ongeveer 20 pCt, vervolgens de

houtverwerkende industrie met ongeveer 13 pCt, de

beide technische sectoren: mijnen met 10 â 11 pCt en

verkeer met 7 pCt, en verpakkingshout met 84 pCt. Een

raming voor het verbruik in 1960 in de F.A.O.-publicatie

komt (onder bepaalde voorwaarden, die hier onbesproken

blijven) tot de volgende percentages: bouwerj 38 (-3),

pulp- en papiersector 26 (+ 6), houtverwerkende industrie,

transport en houtverpakking 25 (-3), mijnbouw 10 it 11

(onv.). De bouwsector blijft dus wel van overwegend be-

lang voor het houtbedrijf, doch de puipsector neemt

steeds verder in betekenis toe.

De na-oorlogse houtschaarste smet zeer sterke prijs-

stijging heeft in het algemeen een beperking van het ver-

bruik door veranderde techniek en overgang op sub-

stitutieproducten in de hand gewerkt. Sommige van deze

beperkingen zullen met een ruimere marktvoorziening

weer verdwijnen, andere, technische verbeteringen, doen

meer blijvend hun invloed gelden.

De
productie
in de O.E.E.C.-landen loopt zeer uiteen.

Men heeft de exportlanden, zoals Zweden, Oostenrijk,

Noorwegen en Portugal. Vervolgens landen met een be-

langrijke eigen houtkap, doch nog vrij ruime invoer-

behoeften, zoals Frankrijk, Duitsland en Zwitserland.

Ten slotte de vrijwel geheel van invoer afhankelijke ge-
bieden: Engeland, Nederland en IJslaiid, en in iets min-

dere mate Denemarken, Italië, Griekenland en België!

Luxemburg.

De productie is in het totaal vrij stabiel – gezien het

streven om de houtkap zoveel mogelijk aan het bosbouw-

technisch maximum (jaarlijkse gröei etc.) aan te passen.

-In 1953 bedroeg de houtkap in de O.E.E.C.-landen 150

mln m
3
,
waarvan 84 pCt zacht hout. Met deze aankap

werd globaal 81 pCt van het totale verbruik in de

O.E.E.C.-landen gedekt. V66r de oorlog kwam het zelf-

voorzieningspercentage op slechts 65. Gezien deze struc-

turele schaarste schenkt men thans in alle landen grote

aandacht aan de wetenschappelijke bosbouw en hout-

exploitatie.

Wat de
handel
betreft blijven de O.E.E.C.-landen als

geheel afhankelijk van in1port, al is deze. afhankelijk-

heid – min of meer noodgedwongen – ten opzichte

van de véôroorlogse situatie verminderd. Globaal kun-

nen de volgende importpercentages 1953 en v66r de

oorlog ten opzichte van het totale verbruik worden

1953

vôôr de oorlog

acht hout
………………………..
17

34
waarvan

gezaagd hout
…………………….
.
22

30

mijnhout
………………………..
14

.

47

pulphout
………………………..
7

17
15
hard hout
…………………………

29

(Advertentie)

Het leidende en in het buitenland meest gelezen Duitse
dag- en handelsblad is de

‘ranIurfcrJ1omcinc

Z1ITUNC FUR DEUTSCHIANO

De abonnementsprijs per kwartaal bedraagt f 21.-en een weekend-abonnement kost per halfjaar f 15.-

Voor proefntirnmers en bestellingen:

Van Ditmar, Postbus 262, Rotterdam

Dit betreft dus de handel met niet-O.E.E.C.-landen.

Daarnaast is er een zeer belangrijke onderlinge handel.

Men zie de verhoudingen voor de belangrijkste hout-

categorie: gezaagd naaldhout
(1953):
inter-O.E.E.C.-
handel ca74 mln m
3
s (s = zaaghout equivalent), import uit

Finland en Oost-Europa ca
5
mln m
3
s, import van het

westelijk half rond ca 14 mln m
3
s. De grote verandering

na de oorlog was hier de vern1inderde import uit Oost-

Europa. Tegenover de
5
mln m
3
s thans stonden in

1935/38 gemiddeld 12 mln m
3
s per jaar. Wij zullen het

voor de handel bij deze summiere gegevens laten.

In het hoofdstuk over
prijzen
wordt er terecht op ge-
wezen, dat hout een grondstof is waarvan de prijs naar

verhouding tot de meeste andere grondstoffen buiten-

gewoon sterk is gestegen. (De vraag kan worden gesteld,

of dit niet een noodzakelijke’ correctie is van een relatief

te laag prijspeil in de jaren véôr de oorlog). Dit is op het
verbruik niet zonder invloed geweest en heeft met name

de substitutieproducten in sommige gevallen een grote

kans gegeYen.

Een buitengewoon vruchtbare uiteenzetting geeft

appendix 3 van deze uitgave over de ontwikkeling van de

tropische bosbouw. Bij de handel is er in deze studié reeds

op gewezen, dat de houtschaarste o.a. heeft geleid tot

intensievere exploratie van de mogelijkheden van hout-

aanvoer uit tropische gebieden. Het betreft hier vnl.

loofhout. Hier liggen zowel bij productie (kosten, trans-

port, stabiliteit) als consumptie (marktstructuur en ver

bruiksgewoonten) vele problerien. Het zal zowel in het

belang van de overzeese landen als de Europese hout-

gebruikers zijn om hier samen naar een redelijke op-

lossing en verantwoorde ontwikkeling te zoeken. O.a.

kan men hierbij denken aan de plaatselijke industriële

verwerking van het hout in de tropische gebieden. Het is

zeker dat hier nog grote reserves zijn die bij de technische

ontwikkeling van de houtverwerking (chemie) van be-

slissende betekenis zouden kunnen zijn. (In Australië

heeft men de practische verwerking van hard hout tot

pulp reeds verwezenlilkt).

Ten slotte vermelden wij uit deze brochure nog de

hoofdstukken over technische ontwikkeling en inter

nationalé samenwerking op dit gebied.

De recente ontivikkeling.

De recente ontwikkeling wordt behandeld in de tweede,

onlangs verschenen, brochure. Het eerste deel over de

gang van zakën in 1954 laten wij grotendeels buiten bé-

schouwing. In hët algemeen was de markt in 1954 veel

l,evendiger dan in 1953, vooral in de pulphoutsector,

waar productie en consumptie t.o.v. 1953 met resp. 30 pCt
en 20 pCt toenamen. Prijs- en vrachtstij gingen deden zich

op de markt gevoelen.

1002

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9November 1955

Het tweede deel behandelt de vooruitzichten in

Men constateert over het algemeen het handl

van de
vaste
markt van
1954.
D.w.z. vrij goede vraag

naar gezaagd hout, dwarsliggers en mijnstutten en een

bijzondere activiteit in de puiphoutsector.

De meest opvallende verandering op de houtmarkt is

echter het weer in groter mate op de markt verschijnen

van Rusland als leverancier. Reeds in 1954 was er een

vergroot aanbod uit dat land en voor
1955
is dit nog

toegenomen. De O.E.E.C.-studie merkt hier op dat Rus.

sisch hout thans beschikbaar is tegen c.i.f-pfijzen die

concurrerend zijn ten opzichte van vergelijkbare kwali-

teiten Zweeds en Fins gezaagd hout. Uit een Scandi-

navische. bron
1)
vernemen wij hierover nog het volgende:

de verkopen van de U.S,S.R. op de Westeuropese markten

stegen van 125.000 standaards in
1952
tot 230.000

standaards in 1953 en 280.000 standaards in 1954; men

verwacht dat deze 350.000 standaards in
1955
zullen

halen. Vergeleken met 950.000 standaards voor Zweden

en 750.000 voor Finland is dit nog wel bescheiden maar

het mist zijn invloed toch niet op de markt. Vooral het

exportpotentieel van Rusland is belangrijk. In 1954 lag

de houtproductie van de U.S.S.R. naar raming 80 pCt

boven het vooroorlogs peil, terwijl de export daar thans

maar 24_pCt van uitmaakt tegen ongeveer 20 pCt voor

‘)
Norges Handels og Sjøfartstidende.

De binnenlandse consumptie in de U.S.S.R. is

sterk toegenomen, maar het moet toch niet on-

mogelijk worden geacht dat Rusland de export voorrang

boven het binnenlands verbruik zou geven. Het behoeft

geen betoog dat een dergelijke ontwikkeling het aspect

van de Europese houtmarkt sterk zou kunnen veranderen.

Wat hard hout betreft wordt een stijgende aanvoer uit

tropische landen, waar het houtbedrjf zich snel ont-

wikkelt, verwacht. Op de pulphoutmarkt blijft zeer grote

vraag bestaan, doch men probeert de prijzen zo stabiel

mogelijk te houden.
Wij schetsten in het bovenstaande slechts enkele zeer

algemene lijnen van het Europese houtbedrijf, zoals deze

grotendeels uit de O.E.E.C.-studies naar voren komen.

Het spreekt haast vanzelf, dat bij een zo gevarieerd artikel

als hout de situatie op bepaalde deelmarkten Vrij sterk

van het algemene beeld kan afwijken. En zelfs het al-

gemene beeld kan zich vrij plotselng wijzigen. De pro-

ductie is een vrij stabiele factor en hier treden slechts
zeer geleidelijkaan wijzigingen op: eeuwig zingen de

bossen! Het verbruik is uiterst conjunctuurgevoelig

(bouwerj) en ook technisch kunnen hier grote veranderin-

gen optreden. Maar het meest wisselvallig kunnen han-

del en prijzen zich ontwikkelen, vooral ook in Europa

met zijn gevarieerde marktstructuur.

Rotterdam.

J. WILLEMS.

l955.»l939.

raven ook

Het Belgische diamantbedrijf

Betekenis van het bedrif.

De betekenis van de diamantnijverheid voor de Bel-

gische economie kan men o.a. bepalen in verbanl met

het arbeidspotentieel en de uitvoer. Het aantal diamant-

bewerkers bedraagt ongeveer 12.000 tegenover een totale

loontrekkende bevolking van 1.862.000. Dit is dus be-

trekkelijk weinig; er zijn verschillende fabrieken die

meer volk aan het werk stellen dan• de gehele diamant-

nijverheid in het Antwerpse. Zelfs in de Kempen, waar

verder het diamantbedrijf geconcentreerd is – andere

centra zijn van gering belang -, heeft dit bedrijf geen

overheersende positie, al heeft het toch meer betekenis

voor het welvaren van deze streek dan in de Antwerpse

agglomeratie.

De uitvoer van geslepen diamant bedroeg in 1954

bijv. 666.000 caraat voor een waarde van ca fr. 3,22 mrd,

waarbij natuurlijk de niet aangegeven uitvoer, die zeker

het vermelden waard is, zou moeten worden gevoegd.

Daartegenover beliep de totale uitvoer uit België in

1954 ongeveer fr. 115 mrd.

De grondtof wordt ingevoerd en grotendeels in

Engelse ponden betaald; de uitvoer wordt voor veel meer

dan de helft in dollars betaald. Het deviezenoverschot

is groter dan uit de officiële statistieken blijkt, wegens

de ,,zwarte” uitvoer. In perioden dat de koers van het

pond p de vrije markt laag is, wordt relatief veel ruw

diamant binnengesmokkeld; in perioden dat de dollar-

koers hoog ligt op de vrije markt t.o.v. de frank wordt

geslepen diamant vaak buitengebracht zonder aangifte.

De zichten van ruw diamant bij het Syndicaat te Londen

moeten natuurlijk steeds officieel betaald worden.

In 1951-1952 was er zelfs officieel een deficit (meer in-

voer dan uitvoer) op de post diamant in de Belgische

handelsbalans. Sedertdien bestaat een wettelijke verplich-

ting elke transactie van niet-gezette diamant, ook in

het binnenland, aan te geven bij een contrôle-organisme,

met daaraan gepaard de verplichte periodische stock-

aangifte, zoals zulks tijdens de bezetting opgelegd werd

en na de bevrijding, omgevormd, nog was blijven bestaan.

Op dit ogeqblik heeft deze reglementering geen zin

meer vanuit het oogpunt der deviezenpositie; zij wordt

hoofdzakelijk gehandhaafd om zoveel mogelijk ruw

diamant in het binnenland te behouden om er bewerkt

te worden.

Structurele problemen.

Deze laatste bemerking wijst er op, dat de Belgische

diamantnijverheid structurele moeilijkheden doormaakt.

Zij duidt immers aan, dat zij meer ruw diamant zou

kunnen bewerken met het voorhanden arbeidspotentieel,

doch dat andere centra er een hogere prijs voor kurnen

bieden.

Na de jongste wereldoorlog heroverde de Belgische

diamantnijverheid spoedig haar plaats, mede dank zij

de -zeer interessante prijzen, waartegen het Londens

Syndicaat ruw diamant ter beschikking stelde. De meeste
tijdens de oorlog gëvormde centra van diamantbewerking

bleken niet bestand tegen deze concurrentie, terwijl
Duitsland de eerste jaren nog niet opnieuw diamant

fabriceerde. Langzaam maar zeker breidde echter Pales-

tina (thans Israël) zijn diamantnijverheid uit; de bedoe-

ling was dit land de plaats van Duitsland te doen inne-

men, en dit laatste dus te beletten zijn diamantindustrie.

her op te richten.
Op het huidige ogenblik stellen we echter vast, dat

Duitsland opnieuw bij de 5.000 diamantbewerkers aan

het werk heeft en dat in Israël hetzelfde cijfer benaderd

wordt. Het is duidelijk, dat België van deze toestand de

nadelige gevolgen moest dragen, zodat het aantal dia-

mantbewerkers er terugliep van meer dan 25.000 v66r

9November
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1003

de oorlog tot bij benadering 15.000 thans (medeierken-

de bazen inbegrepen), waarvan regelmatig enkele dui-

zenden werkloos. Te vermelden is verder, dat in de Ver-

enigde Staten thans ook meer geslepen wordt dan vôôr

de oorlog, o.a. een deel kleiner goed en grove stenen van

mindere qualiteit. –

Naar schatting doet het -arbeidspotentieel zich als

volgt voor:

Belgi8

……………..
15.000
Israël
………………
4.500
Duitsland
……………
5.000
Nederland
…………..
1.300
Frankrijk
…………..
500
Overige
……………..
3.500

In totaal betekent zulks een vermindering van ongeveer

5.000 man tegenover de vooroorlogse tijd, een vermin-

dering die moeilijk te verklaren is door een verlaging

van het verbruik, doch veeleer terug te voeren is op een

verhoogde productiviteit van de arbeiders.

België is blijkbaar in de verdediging verdrongen en vak-

middens opperen de vrees, dat de diamantnijverheid hier

hetzelfde lot zal besch6ren krijgen als in Nederland na de

eerste wereldoorlog.

België’s aandeel in de invoer van geslepen diamant
in
de Verenigde Staten is sterk teruggelopen
1).
Volgende

tabel toont zulks duidelijk aan:

(Advertentie)

Con
frum
voor

Tel. 05490.5]
ALM
E
LO

IndustrievetIglng In Twente

lonen krijgt? In elk geval is het een teken van verzwakking,

dat de

nijverheid zich niet kan aanpassen aan deze hou-

ding van de jeugd.

Verdediging: arbeidsduur.

Men tracht zich te verdedigen, zo goed men kan, doch

tot een systematische actie kwam men nog niet. De Ne-

derlandse Regering heeft de diamantnijverheid trachten
te helpen door het opleggen van een verlengde arbeids-
duur (van
40
tot
42,5
uur). De Belgische patroons oor-
deelden deze verlenging onvoldoende om eenzelfde eis

te stellen, daar zulks sociale onrust zou verwekt hebben.

Doch het is duidelijk, dat men ook hier tot maatregelen

zou overgaan, moest in Nederland de werkweek bijv.

tot
45
uur verl&ngd worden.

Ruwprobleem.

Vooral de Algemene Diamantbewerkersbond (A.D.B.,

van socialistische strekking) legt de nadruk op het ruw-

Invoer van geslepen diamant in de Verenigde Staten,
1935

1

1938
1

1945

1

1949

1

1952

1954

in
in
in
in
in
in
in
in
in
in in
in
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCt
1.000
pCL
1.000
pCt
1.000
pCt
ct
dollar ct
dollar
cc
dollar
ct dollar ct
dollar
ct
dollar

Totaal
331

100

15.530

100

331

100
17.017

100
363
100
64.019
100
335 100
41.428
100
438
100
52.672
100
595
100
62.758,
100
België..
..

œ

70

11.033

71

278

84
13.870

81
91
25
14.460
22
159
47
19.582
47
187
42
22.956
43
34
56
34.940
55
Nederland
94

28

4.320

27

50

15
2.902

17
2,6
0,71
521
0.8
25
7
3.202.
7
34
7,7
4.237
8
26
4,4
12.9731
4,7
Z.-Afrika
0,156

0,4

12

0,07

0,591

0,17
66

0,38 46
12
10.721
16
40
12
8.405 20 54
12
10.735
20
46
7,7
1
8.057
12,8
106
92
17.685
21
70 20
5.402
13
128
29
10.017
19
137
23
:11.620
18,5
Duitsland
.
Israël
………………………….
enkele caraat

enkele
caraat


4
1
284
.0,6
18
4
1.364 2

De scherpe concurrentie en een teveel aan diamant-

bewerkers (over de wereld genomen) heeft natuurlijk een

drukking op de lonen doen ontstaan, die voor gevolg

had, dat in het diamantbedrjf de lonen op een niveau

gedaald zijn, zo laag als nooit tevoren, tenzij misschien

in enkele jaren van crisis
2).
Zulks heeft vanzelfsprekend

ernstiger gevolgen in een land met hoge levensstandaard
en harde munt.

De aanwerving van nieuwe krachten is er door in

gevaar gebracht. De gemiddelde leeftijd der diamant-

bewerkers ligt momenteel in België abnormaal hoog.

In Groot-Antwerpen waren in
1953 48,9
pCt
55
jaar of

ouder, en
23
pCt 60 jaar of ouder. Slechts
19,1
pCt was

jonger dan
40
jaar en
4,4
pCt minder dan
25
jaar. In de

Kempen is de toestand niet zo catastrofaal, doch ook

daar voelt men een tekort aan jonge krachten.

Deze nijverheid heeft blijkbaar haar aantrekkings-

kracht op de jeugd verloren. Zulks is niet alleen op de

lage lonen terug te voeren, vermits het tekort aan jonge
elementen zich vooral in het Antwerpse doet gevoelen,

waar o.a. bij de grofslijpers nog niet te onderschatten

lonen verdiend worden. Zou hier het feit geen rol spelen,

dat de moderne jeugd liever beroepen kiest, waar zij

zonder leertijd onmiddellijk geld kan verdienen, daar

waar in een bedrijf, dat een hoge vaardigheid van de

arbeiders verlangt, het een hele tijd duurt eer men goede

‘) Zie ons memorandum: ,,De sanering van het diamantbedrijf”, langs het
Vlaams Economisch Verbond aan de Belgische Regering gericht in Juli 1954.
‘) Zie ons werk: ,,De diamanteconomie. waarde, Prijs en Conjunctuur”. Uitg.
C.B.D., Brialmontlei 30, Antwerpen 1955. Vooral blz. 51 en 94, met een tabel
van loonavergelijking.

probleem tot redding van de Belgische diarnntnijver-

heid. Men vraagt van de Londense centrale verkoopor-

ganisatie een ruimere bevoorrading in ruw en vooral van

beteré en meer geschikte qualiteiten ruw, die tevens meer-

rechtstreeks aan fabrikanten dienden geleverd te worden,

waarbij de zichten of dozen beter aangepast aan de be-

hoeften van elk personeel zouden moeten zijn. Vooral

dit jaar werden ernstige pogingen in die zin aangewend
langs de Belgische Regering, daar de contracten tussen

de Diamond Corporation en de Congolese diamant-

maatschappijen voor vijf jaar mdesten hernieuwd wor-

den, en deze contracten moeten door de Minister van

Koloniën goedgekeurd worden. Men meent recht te

hebben op een gunstiger behandeling wegens de domi-

nerende positie van Belgisch Congo als producent van

ruwe diamant, zij het dan ook grotendeels van mindere

qualiteit.

Verder voert men aan, dat de Zuidafrikaanse diamant-

fabrikanten zich aan ruw kunnen bevoorraden, alvorens

de goederen met een uitvoerrecht belast zijn, terwijl

Anierika een invoerrecht op geslepen heft van 10 pCt
en niets op ruw, waardoor deze beide centra zeker 10

pCt v66r liggen bij de aankoop van ruw. En inderdaad,

de Belgische fabrikant kan de mooie grove goederen

niet kopen te Londen wegens de hoge prijs, terwijl op

onze eigen markt de Amerikaanse fabrikant hogere prij-

zen komt bieden dan de Belgische betalen kan. Ook Israël

zou hier dozen diamant opkopen tegen prijzen, die voor

een Belgisch fabrikant niet winstgevend zijn.

De A.D.B. was zelfs zo ver gegaan te verlangen, dat

1004

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTE:N
– 9November 1955

de Congolese diamant eerst te Antwerpen zou gesorteerd

worden, waarbij alle slijpbaar goed direct zou verkocht

worden op de eigen markt. De Regering heeft dit plan
niet wensen te steunen. Zij heeft echter Londen er om

verzocht de sedert lang bestaande prioriteit van aankoop
van de zgn. ‘Antwerpse qualiteit door Belgische kopers,

aan te vullen door, de exclusiviteit. Londen schijnt o’ok

dit niet te hebben willen toegeven. Alleen zal Antverpen

de volgende jaren enkele millioenen .ponden meer aan

ruw aangeboden krijgen, terwijl het aantal direct be-

voorrade fabrikanten met een tiental zal verhoc.gd worden.

Door de tdegezegde driemaandelijkse bijeenkomsten

van het Nationaal Coördinatiecomité der Belgische dia-

mantnijverheid met de vertegenwoordigers van het. Syn-

dicaat, hoopt men met nuttig gevolg regelmatig op zekere

tekortkomingen in de bevoorrading te kunnen wijzen.

Langs de ruwbevoorrading krijgt de diamantnijverheid

hier dus geen belangrijke steun, al kan Londen toch een

poging doen door de prijzen van de- zgn. Antwerpse

qualiteit iets gunstiger te bepalen dan sedert hét einde

van de Korea-boom het geval was.

Vakonderricht.

Door een betere Organisatie van het vakonderricht
kan men,00k.tegen de stroom op roeien. Het wordtin

sommige kringen betreurd, dat de Overheid geen steun

verleende aan het initiatief over twee jaar genomen door

de Christelijke Diamantbewerkerscentrale, en waarbij

een vakschool tot stand kwam. Er is sprake van een der-

gelijk initiatief, doch thans langs het Nationaal Paritair

. Comité.

Sociaal Fonds.

-.

Men moet met droefheid vaststellen, dat d internatio-

nale arbeiderssolidariteit, eens zo hoog in aanzien in de

diamantwereld, zeer verflauwd is, zodat door onderling

overleg geen- geljkschakeling van lonen, arbeidduur,

sociale lasten, regeling der leerlingopleiding en andere

arbeidsvoorwaarden, zoals in vroeger jareîl gebeurde
3),

te verwachten is. ‘In de geïnteresseerdé middens hoopt

men op reerinSssteun om een einde te stellen aan de

daling van het aantal tewerkgestelden en aan de af brok-

keling der lonen, als gevolg van de concurrentie van de

andere centra, die men hier op een of andere wijze be-

voordeligd acht. Aldus kan men wellicht in een positie
komen, waarin die andere centra eerder geneigd zullen

zijn tot gemeenschappelijk overl’eg, dat het enige middel

blijft opdat de diamantnijverheid weer zoals vroeger

een hogere levensstandaard kunne verzekeren aan de ar-

beiders, en dit is nodig in deze zo conjunctuurgivoelige

bedrijfstak.

In die zin wordt een plan in overweging genomen, tot

vorming van een sociaal fonds, waaruit de sociale lasten

geheel of gedeeltelijk aan de patroons zouden terugge-

geven worden.Het fonds zou gespijsd worden-door een

heffing van een zeker invoerrecht op ruw diamant, al-

thans op dat afkomstig van de centrale verkooporgani-

‘) Cf A. Michielsen ,,De syndicale beweging in het diamantbedrijf”,, Uitg.
Ontwikkeling, Antwerpen 1954.

Invoer
Ruw

1

Geslepen

satie. Een uitzonderlijkesteun zou dit pin voor het

bedrijf slechts worden, wanneer de Regering eveneens

een bijdragezou levçren tot het fonds, zoals ook over-

wogen wordt voor enkele afdelingen van de textielnijver-

heid. Er stellen zich hierbij echter heel wat problemen van

internationale handelspolitiek.
Zoals het plan zich thans voordoet, komt het mij voor,

dat het een steun zaPbetekenen voor de fabrikant, die

veel officieel laat werken.en.niet ,,zwart” of door eigen-

werkmakers. Verder zou het de heruitvoer van ruw dia-

inant bemoeilijken, maar misschien ook in zekere mate
de officiële invoer. Men kan een oppositie’vanwege de

importhandel – die zeer invloedrjk is en alle heil van

volledige vrijheid verwacht – voorspellen.

Deze beschouwingen laten wel geen twijfel. bestaan

over onze aanvankelijke bewering, dat de Belgische

diamantnijverheid in de verdediging gedrongen is.

Huidige stand der conjunctuur.

Conjunctureel is de toestand van het diamantbedrijf

niet ongunstig, al profiteert het niet in dezelfde mate van

de hoogconjunctuur als andere bedrijfstakken, in hoofd-

zaak wegens het overschot aan diamantbewerkers in

de wereld en wegens de grote vraag naar industriediamant

(,,stockpiling” door de Amerikaanse Regering), die ‘de

diamantproducenten in een nooit geëvenaarde gunstige

positie plaatst
4).

Na de Korea-boomin 1950-1951, die de ruwprjzën op

de vrije mrkt scherp de hoogte deed ingaan, verhoogde

het Syndicaat zijn prijzen met een zekere vertraging,

doch het ging daarmede voort, nadat de ,,boom” ten

einde was, en zelfs omgeslagen was tot een recessie, die

duurde van 1951 tot 1954, zonder .00it ernstige vormen

aan te nemen.

Men vindt hieronder de prijzen van geslepen diamant

van uitgezochte allereerste qualiteit te Antwerpen (uit-

gedrukt in ponden van véôr de devaluatie): –

Jan-Febr.
1951
Sept.
1951
Juni
1954
Jan.
1955

100 per ct
8/8

………

55
50
36
36
50 per ct 8/8
50
45
36
36
20-30 per ct
50
50
36
39
42 36
38
10 per ct ……………45
.
82
82
88
2 greins …………….87
4 greins
……………
.60
160
140
153

De lic’hte verbetering der prijzen hield aan in
1955.

Het aantal diamantbe.verkers aan de arbeid (op het

einde van elk trimester) evolueerde als volgt:

Jaar
le trim.
2e trim.
3e trim.
4e trim.

11.915
11.462
11.062 10.138
9.613
8.000
8.798
9.315
1952

………………

9.821
9.195
‘9.749
9.421
1953

…………..
.
1954

………………
9.129
8.777 9.373
9.674

.De jongste cijfers zijn ons niet bekend, doch ze zullen

wel lichtjes hoger liggen.

Onderaan de bladzijde volgen de Belgische in- en uit-

voercijfers van ruw en geslepen diamant:

4)
Voof een volledig conjunctuuronderzoek van het diamantbedrijf verwijzen
wij naar ons pas verschenen boek over ,,Waarde, Prijs en Conjunctuur”, waar ook
‘dc statistische reeksen grafisch voorgesteld werden,

Uitvoer
Ruw

Geslepen

Jaar
in ct

1
m £
(van fr. 140)
iiict
in £
(van fr. 140)
1

in ct
in
£
(van fr. 140)
1

in
Ct
1

in £

1

(van fr. 140)

1951

…………..
1

2.726.284

25.481.543
1

26.460
1

1.297.387
13.652
1

252.979
1

519.362
1

20.078.415
1952

…………..
1

2.409.386
1

19.303.690
10.476
523.697
1

9.108
217.772
1

459.856
1

17.771.903
1953

…………..
1

2.268.559
1

18.241.270
23.449
1

993.219
36.095
1

901.644
1

540.691
1

19.584.539
1954

…………..
1

2.561.012
1

.
18.855.447
1

62.854
3.060.476
1

81.039
1

2.893.560
666.106
t

22.898.664
1955

…………..
1

2.006.896
1

12.549.428
1

41.332
1

2.008.893
1

59.125
1

2.134.272
1

388.363
1

13.317.128

9 November
1955

.E.COMOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

We onderlijnen enerzijds de merkelijke toename van

de invoer van geslepen, wat wijst op de aanhoudende
aantrekkingskracht van Antwerpen als markt van ge-

slepen diamant, en anderzijds op de gestegen ruwuitvoer,

al heeft Antwerpen op verre na niet meer de betekenis

als markt voor ruwe en industriediamant als vôér de

oorlog. In bovenvermelde statistieken zijn de cijfers

van in- en uitvoer van boart, industriediamant en aan.
,

verwante artikelen niet mede opgenomen. Bij de inter-

pretatie van deze cijfers moet mefi er rekening mede

houden, dat de ,,zwarte” uitvoer naar Amerika vermin-

derd is, wegens de daling van de dollarkoers op de vrije

markt t.o.v. de frank, en het verscherpte toezicht, wat

dus gedeeltelijk de toename van de officiële uitvoer van
geslepen verklaart. De toegenomen invoer van geslepen

laat zich ook in het uitvoercijfer voelen, evenals in de

statistiek van de invoer van geslepen in de Verenigde

Staten. De verhoging van België’s aandeel in de invoer

van geslepen in de Verenigde Staten is dus in zekere mate

fictief.

Invoer in de Verenigde Staten van geslepen diamant

Jaar
Totaal
België
Israël
Nederland
1

Zuid-Afrika

in ct
in
$
.

in ct
1

in
$
in ct
m
$
in ct
in
$
in ct
in
$

1952

438.546
51.671.643
186.669
22.956.292
128.198
10.016.596
33.626
4.237.216
54.011
10.737.727
1953

.
444.247
50.549.942
177.503
21.093.290
122.218
10.276.874
,

29.365
3.491.370
46.441
8.455.833
1954…
594.772
62.758.349 333.996 34.940.435
137.073
11.620.417
25.866 2.973.356
46.347 8.057.384
1955

339.367
35.000.377
199.938
20.918.484
79.809
6.817.127 9.979

1.159.810
19.279
3.638.446
(lesem.)

t

De daling van de gemiddelde prijs jer caraat is, liet

vermelden waard. Zij ka o.i. niet conjunctureel verklaard

worden; eerder door een verschuiving van de vraag naar

mindere qualiteiten. In zekere mate wijstdit veschijnsel,

niettemin op een hoogconjunctuur van het volume in

tegenstelling tot de prijzen. .
Hove.

A. MICHIELSEN.

Surinaamse kanttekeningen

(Derde kwartaal
1955)

..

De berichten in Nederland over een crisis in Suriname

hebben hier en daar alarmerender geklonken dan de

feiten zijn. In dit gebied met nauwelijks 200.000 inwoners

kunnen betrekkelijk kleine storingen vaak een abnormaal

heftig aanzien krijgen. Daarom z.tillen de Kanttekeningen

ditmaal in het bijzonder op de consumptieve sector

ingaan.

De Regeringsverklaring en de daarop volgende radio-

redes van de onderscheiden Ministers bevetigden het

feit, dat de financiële positie van den Lande niet rooskleu-

rig is en dat het onmogelijk blijkt, uit de lopende midde-

len het Surinaamse aandeel in het Tienjarenplan te finan-

cieren. Reeds werd aangekondigd, dat de middelen ver-
hoogd dienen te worden en als eerste maatregel werden

de luchtposttarieven met 33 tot 50 pCt opgevoerd.

Uit de handelsbalans over het eerste halfjaar blijkt,

dat de bijzonder gunstige cijfers van 1954 inderdaad niet

bestendigd werden, en dat in- en uitvoer op het peil van

1953
terugvielen, een verschijnsel, dat absoluut geen ver-

ontrusting baart, temeer daar de mijnbouwmaatschap-

pijen voor.de
eerste jaren een continue afzet verwachten.

Invoer

Uitvoer
Eerste halfjaar

(in

mln S!)

1953

……………………………
………
27,3

22,7
1954

……………………………………
26,2

27,8
1955

…………………………………..

..26,2

22,2

Op de lange duur is het verschijnsel, dat het invoeraan-

deel van productiemiddelen daalt, evenwel minder gun-

stig. Wanneer niet naast het Tienjarenplan meer produc-
tieve ontsluitingen worden geëntameerd, zoals het Plan-

Wageningen en het Brokopondo-plan, zal de economische

basis van Suriname labiel en gevaarlijk blijven. Het onaf-

hankelijke dagblad ,,Suriname” uitte in dezen een scherpe

kritiek op het regeringsbeleid en acht zelfs het Tienjaren-

plan waardeloos wanneer niet eerst aan een verbreding
van de productieve basis wordt gedacht.

Sedert enkele maanden heerst onder de academisch

gevormde ambtenaren nogal beroering. De onzekerheid

van hun rechtspositie leidde in de medische sector reeds
tot processen van ambtenaren tegen de Overheid en ont-

slagçn. In de economische sector is het evenwel rustig

sedert in het midden van dit jaar de laatste academisch

gevormde èc
onomisten bij het Departement van Econo-

mische Zaken en het Planbureau hun ontslag namen en
naar Nederlad vertrokken. Thans is de Overheiddoende

overzee nieuwe krachten aan te trekken.

Een belangrijk object vbor ‘de toekomst kan zijn de

met de N.V. Van Gelder Zonen, gesloten overeenkomst
inzake de opzet van een naaldhoutaanplant. Het natuur-
lijke Surinaamse bos kent geen gesloten percelen, waar

door exploitatie onevenredig duur is. Mocht men er dus

in’ slagen op savannegronden gesloten naaidbossen te
kweken, dan zal dat Suriname’s deviezenpositie zeker

ten goede komen.

In het saldo van het Deviezenfonds (Sf 16,2 mln) en

de circulatie van De Surinaamsche Bank
(Sf
.
22,5 mln)

kwamen weinig veranderingen voor, hetgeen mede wijst
op een tamelijk stabiele monetaire situatie.

De consumptieve uitgaven in Suriname.

Hoewel van officiële zijde reeds geruime tijd gegevens

worden verzameld over de kosten van levensonderhoud

in Suriname werden ondanks herhaalde verzoeken tot

op .heden geen resultaten hiervan gepubliceerd
1).
Zeer

onverwacht komt dan ook het regeringsprogramma van

de nieuwe Regering met de constatering van een dusdanige

stijging in deze kosten gedurende de laatste jaren, dat

het noodzakelijk is maatregelen te nemen om te kunnen

1)
Uitgezonderd enkele grafieken op de Suriname-tentoonstelling in 1953, welker
gegevens in grote lijnen overeenkwamen met
I).

1006

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
9 November 1955

komen tot verlaging van de eerste kosten van levensonder

houd. Deze mededeling is volkomen strijdig met door

schrjver gemaakte berekeningen en noopt daarom tot

een nadere beschouwing
2).

Bronnen hiervoor zijn de zeer verbeterde uitgaven der

in- en uitvoerstatistieken over 1953 en
1954
en de uit-

gaven vn de Stichting Planbureau Suriname, voorname-

lijk ,,De grondslagen van een Tienjarenplan voor

Suriname” (1952) en ,,Tienjarenplan voor Suriname”

(October 1954). In laatstgenoemde uitgave vinden wij

voor 1950 een bedrag van Sf73.300.000 voor consumptie

particulieren, waarnaast een handeiswinst op ingevoerde

consumptiegoederen van
Sf
8.500.000 bij de samenstel-

ling van de netto productiewaarde. Dit Jaatste zou onge-

veer 23 pCt betekenen van de werkelijke invoer in dat

jaar plus invoerrechten
(Sf
29,8 mln +
Sf
6,2 mln),
welk percentage vermoedelijk aanmerkelijk lager is dan

de werkelijkheid, en op zichzelf reeds om een verdere

bestudering vraagt.

eerste kosten Yan levensonderhoud werd in

dat jaar per sociale eenheid van 3 personen
Sf
75,51

per maand uitgegeven, dus
Sf
918,12 per jaar, zijnde

voor 200.000 inwoners totaal
Sf
61.208.000. In dat jaar

zou dus voor duurzame consumptie-artikelen, luxe, en

recreatie een bedrag van
Sf
12.092.000 beschikbaar zijn

geweest. Ongetwijfeld behoort hiertoe ook de traditionele

eigen woningbouw, welke weinig soliede houten woningen

doet verrijzen, die met duurzame consumptie-artikelen

en niet met kapitaalgoederen zijn gelijk te stellen.

hierbij de drie vooknaamste artikeigroepen behandelen,

waarbij 1949 (totaal ‘invoer
Sf
27,2 mln consumptie-

goederen) als basis dient.

G e n o tm i d d e 1 e n.

In het algemeen zijn de detailprjzen weinig verander&

zodat wij het best de ingevoerde kwantiteiten in 1949

en 1954 kunnen vergelijken, met een totalisering van de

detailprijs. Aangezien de binnenlandse productie van

cigaretten en alcoholvrije dranken relatief belangrijk is,
worden de totalen hiervan apart’opgenomen.

Duurzame consumptiegoederen.

Deze groep is te gevarieerd om een andere dan geld-

eenheid aan te houden. Enkele van de meest gepronon-

ceerde ,,luxe” artikelen zullen wij over 1949 en 1954
totaliseren om zowel het absoluut uitgegeven bedrag

als de stijgende tendentie aan te tonen. Hierbij worden

de posten personenauto’s en rijwielen voor 50 pCt ‘opge-

nomen, een redelijke benadering van de splitsing in

productief ‘vervoer en luxe. De totale invoerbedragen

dienen te worden vermeerderd met de gemiddeldé invoer

rechten etc. (23 pCt) en een geschatté handeismarge,
voor deze artikelgroep zeker hoger dan 35 pCt, doch

voor een conservatieve berekening niet hoger te nemen:

(Zie de tabel onderaan de blz.).

Luxe kleding.

/

Daar er een sterke neiging tot overdadigheid in kleding

te constateren valt, is ook de textielsector onder de loupe

genomen. In’ 1954 is de invoer van geconfectionneerde

Artikel Detailprijs
Invoer 1949
Detailprijs
Invoer 1954
Detailprijs

Sf
1,20 p. 1.
963.000
1.
Sf1.155.600
2.525.000
1.
Sf
3.030.000
Gedistilleerd
5f
6,- p.’l.
111.000
1.
Sf

666.000
153.000
1.
.
Sf
918.000
5f
2,50 kg
67.000
kg
Sf

167.500
153.000
kg
Sf
382.500′
S!
4,- kg
51.000
kg
S!

204.000
,

63.000
kg
Sf
252.000
Sf
6,-kg
75.000
kg
Sf

450.000
93.000
kg
Sf
558.000.
Biscuit, suiker
Sf
2,- kg
.

70.000
kg
Sf

140.000
.

135.000
kg
Sf
270.000

Bier

……………………..

Suikerwerk
Sf
2,- kg
100.000
kg
Sf

200.000
180.000
kg
Sf
360.000

Cacao

……………………
Chocolade

……………….

Sf
0,65 p. 20
577.900
pk
Sf

375.600
759.800
pk
S!
493.900

Thee’

…………………..

Totaal importgoederen

,
t
Sf 3.358.780
5f
6.264.400
Sigaretten

……………….

Sf 0,20 p. 12
4.000.000
pk
Sf

800.000 5.250.000
pk
Sf
1.050.000
Sigaretten

………………
Sf
1,20 doz. f1.
1.900.000
dz.
Sf2.280.000
2.600.000
dz.
Sf
3.120.000
Limonade

………………
Totaal

……………….

Sf6.438.700
Sf10.434.400

Een stijging van de kosten van levensonderhoud’ van

1950 tot 1954 met 9 pCt zou deze recreatiemarge verkleind

hebben waren ook niet het nationale inkomen (stijgende

bauxietproductie) en de reële lonen in ongeveer dezelfde

mate gestegen. Hoewel hierover nog geen éxacte cijfers

bekend zijn kan worden gecônstateerd, dat deze marge

ongeveer gelijk gebleven is, zeker echter nfet groter ge-

worden.

Gedurende deze jaren is evenwel de .invoer van con-

sumptiegoederen gestegen van
Sf
29,8 mln tot
Sf
38,4

mln en daar bij gebrek ,aan binnenlandse productie

invoer en verbruik elkaar ongeveer dekken, is het van

belang aan ‘de hand van de invoercijfers te onderzoeken

of deze stijging inderdaad betrekking heéft op de eerste
kosten van levensonderhoud, zoals in het regeringspro-

gramma gesteld wordt, of dat het hier een onverantwoor-

de zucht naar luxe betreft. Achtereenvolgens zullen wij

‘) zie ,E.-S.B.”, 1953, blz. 1041 en 1954, blz. 860. De inclexcijfers der consumptie-
ve uitgaven, in de maand Augustus opgenomen, betreffende de eerste kosten van
levensonderhoud zijn:

ArtikeÎgroep
1950
1951
1

1952

1

1953
1

1954
1955

Levensmiddelen
100 106
113
122
121

122
Huur en water
100
,

103 107
113
116 119
100
.

100
101
101
101
101
Licht en kook

………
Kleding en schoeisel

..
100
101
83
74
70
71
Totaal

………….
100 104
105
110
109
111

heren- en dameskleding vrijwel in evenwicht met de uit-

vôer, zodat wij ons hier uitsluitend tot de weefsels zullen

bepalen, medè in verband met het feit, dat vooral bij da-

meskleding de confectie nog vrijwel geen rol speelt.

Uit de tabel op blz 1007 kunnen wij zien, dat de

stijging in import naar gewicht geheel door die van de

post ,,zijde en kunstzijde” wordt veroorzaakt en dat

de prijs per kg dalende is. Ook dit wijst dus op een stijgend

verbruik in de luxe sector.

Invoer 1949

Invoer 1954
Artikel
(in Sf1.000)

Fijn aardewerk
59
81
37
Koelkasten
………………..
173
336
80
-.
85
Muziekinstrumenten

Porselein

…………………..20

(mcl. gramofoons)
42
159

wasmachines ………………..12

112

Motorfietsen

………………..20

189
Speelgoed

…………………
82

m
Diverse kraerijen
651
960
Radio’s

…………………….
94

352 438
Auto’s

50 pCt

……………..
Rijwielen 50pCt

…………
157
338

Totaal
……………………

Sf1.662.000

Sf2.815.000
Rechten 23 pCt

382.260

647.450

Totaal groothandel
………….

2.044.260

3.462.450
Marge 35 pCt

715.491

1.211.858

Totaal detailprijs …………..

Sf2.759.751

Sf4.674.308

9November 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

, 1007

Artikel
1949
1954

1.000kg
Sf1.000
1.000kg
-___________
Sf1.000
Weefsels van wol
13
158
4
38
Idem zijde en kunstzijde
131
791
331
1.546
Idem katoen (zonder ver-
bandgaas)
438
2.075
458
1.902

Totaal

……………..
582
3.024
793
3.486

Voor ons doel is hier van belang de meer ingevoerde

200.009 kg zijde en kunstzijde, waarvoor het publiek

inclusief het maakloon rond’ Sf 2.500.000 neertelt.

Conclusie.

In bovengenoemde cijfers zijn vele artikelen niet ge-

noemd, al is ook daar een stijging te constateren. Ander-

zijds is het bekend, dat de handeisvoorraden zijn gestegen.

Aannemende, dat deze beide krachten elkaar ongeveer

in evenwicht houden, komen wij tot de slotsom, dat in

1954 aan materiële recreatie méér is uitgegeven dan in

1949:

Genotmiddelen ………………..
Sf4 mln
Duurzame gebruiksartikelen
……..
Sf 2 mln
Luxe kleding

………………..
Sf24 mln
Totaal

………………….
Sf84 mln

welke stijging een abnormale druk op de recreatiemare

heeft veroorzaakt. In het bijzonder bij de duurzame

gebruiksartikelen heeft zich een afbetalingscrediet ont-

wikkeld, waarvan de omvang cijfermatig niet is vast te

stellen. Wel is te constateren, dat zich tussen de handels-

bedrijven onderling en tussen handel en publiek een cre-

diet heeft ontwikkeld in een mate, die verre van gezond is.

Werd in 1949 aan materiële recreatie uitgegeven aan

genotmiddelen Sf 6,4 mln en aan duurzame consumptie-

goederen Sf2,8 mln, totaal Sf9,2 mln, in de daaropvol-
gende jaren steeg dit met Sf 1,6 mln per jaar, wat voor

1950
Sf
10,8 mln geeft, ongeveer. overeenkomende met

het daarvoor beschikbare deel ‘van het inkomen (zie

boven). Voor 1954 vinden wij echter een bedrag van Sf

17,6 mln, hetgeen het beschikbare aanmerkelijk te boven

gaat. Wij kunnen dus constateren, dat het crediet con-

sumptief is geweest in dusdanige vorm, dat het reeds is

opgeconsumeerd.

Het feit, dat hieraan tot heden te weinig aandacht werd
besteecL en dat dientengevolge de mogelijkheid groot is,

dat niet de juiste maatregelen zullen worden genomen,

was voor schrijver aanleiding dit probleem op deze onge-

bruikelijke wijze van berekening te benaderen. Vooral

daar in het regeringsprogramma als een der belangrijkste

remedies wordt aanbevolen het stimuleren van een locale

productie van consumptiegoederen, een productie die

ongetwijfeld een hogere kostprijs heeft dan die der import-

goederen. Ook een importbeperking zal hier geen oplos-

sing brengen, vooral niet, daar dit gewoonlijk met een

stijging van de detailprjs samengaat. Eerder waren

stringente credietmaatregelen te overwegen. Voordat

evenwel maatregelen genomen worden dienen êvenwel

de tendenties binnen de Surinaamse consumptiemarkt

nauwkeurig te worden bestudeerd en de resultaten daar-
van voor publicatie te worden vrijgegeven.

Paramaribo, October 1955.

G. C. A. MULDER, S.Sc., Ps.D,

AANTEKENING

Het onderzoek naar de besparingen in de Verenigde Staten
Het onderzoek naar de omvang van de verschillende

soorten van besparingen was tot dusverre nog niet zo

ver voortgeschreden, dat men kon spreken van geheel

bekende en geëxploreerde gebieden van het economisch

onderzoek. Veelal werden besparingen als een sluitpost

behandeld: het verschil tussen beschikbaar inkomen en

consumptie. Zo gezien zijn de besparingen in de-nationale

rekening het verschil tussen nationaal product tegen

marktprijzen en het particuliere verbruik plus de over-

heidsbestedingen, mcl. de uitgaven voor .duurzame objec-

ten anders dan in overheidsbedrijven. Het besparings-

overschot wordt dan in het gangbare gebruik opgevat

als te zijn het verschil tussen de besparingen en de netto-

investeringen in vaste activa met de voorraadsmutaties

en het onderhanden werk.

In ons land is reeds véôr de tweede wereldoorlog door

Tinbergen en Van der Meer een onderzoek ingesteld

naar, het verloop van ht saldo-tegoed der spaarbanken,

welk onderzoek gepubliceerd werd in ,,De Nederlandsche’

Conjunctuur” van November 1938, als een uitbreiding

en voortzetting van de studie over het inlegsaldo der

spaarbanken, in hetzelfde tijdschrift van Februari 1936.
Voorts zijn de verschillende soorten van besparingen in

Nederland statistisch onderzocht, zoals door Wijnmaalen

in Overdrukken van het C.P.B. no 26, bevattende de

perioden 1923-1939 en 1947-1952.
Het onderzoek van Tinbergen en Van der Meer beoogd

na te gaan, welke factoren voornamelijk het verloop van

het saldo-tegoed bepalen, alsmede welke betekenis, voor

zover kwantitatieve bepaling mogelijk is, aan ieder dezer

factoren moet – worden toegekend. De onderzoekers

maakten een deduçtieve en een inductieve analyse van

het sparen. Bij de inductieve analyse maakte men gebruik

van de loonsom als inicomensindex, de kosten van levens-

onderhoud, het particuliere disconto als representatief

voor de geldrente en de mutaties in de goudvoorraad van

de centrale bank als representatief voor de omvang van

de vlucht in resp. uit de gulden. Met behulp van de toen-
maals moderne – correlatierekening, bunch map analysë,

scatter diagrammen en regressielijnen kwam men tot de
opstelling van een regressievergelijking voor het spaar-

volume, tot de spaarquote als ,,propensity to save”,

zijnde de relatie tussen het inkomen en de consumptieve

uitgaven.

Men kwam o.a. tot de conclusie, dat het aangroeien

van het saldo-tegoed der spaarbanken in hoge mate wordt

bepaald door het inkomen der spaarders, door de renfe-

stand op de geidmarkt en door de gevoelens ten aanzien

van de stabiliteit der valuta. Voor de lagere inkomens-

groepen blijkt de spaarquote zich te wijzigen met de

grootte van het inkomen in die zin, dat in slechte tijden

niet alleen minder, maar ook een kleiner deel van het

inkomen, wordt bespaard. Tot zover enkele aandui-

dingen voor het onderzoek naar de besparingen in ons

land.

In de Verenigde Staten zijn sinds het begin der twin-

tiger jaren tientallen niiffioenen dollars uitgegeven voor

het onderzoek naar de functionering van de economie.
Van blang hierbij is de opstelling van de economische

kringloop met kwantitatieve bijdragen van statistiek en

1008

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
9November
1955

econometrie. Ondanks de zeer waardevolle bijdragen

zijn deze analyses echter in het algemeen gebaseerd op
betrekkelijk eenvoudige, globale gegevens, zoals natio-

naal product, prijsniveau, rentevoet, geldhoeveelheid en

loonpeil. Zodoende bestond behoefte aan een kwantita-
tieve, realistische en dynamische analyse der empirische

werkelijkheid door middel van een verdere verfijning

en specificatie van conjunctuurtheorie en kringloopsche-

ma’s. Hieruit ontstond na de tweede oorlog een nieuwe

analyse, die een synthese kan vormen tussen de theorie

zonder feiten en de feiten zonder theorie, de ,,interindus-

try-” of ,,input-output-” methode
1
). Deze methode is ook

van belang voor de practische bedrijfshuishoudkunde,

de marktanalyse en de budgeteringen.

De uitbreiding van het economisch onderzoek in de

Verenigde Staten maakt het mogelijk, dat de tijd nader

komt, waarin het spook van massale werkloosheid en

van catastrofale verliezen niet meer voor arbeiders, on-

dernemers en beleggers zal verschijnen en waarin grote

depressies uit de Amerikaanse economie verbannen zul-

len zijn. Een belangrijke bijdrage tot het qnderzoek is

thans geleverd met betrekking tot de besparingen, de

persoonlijke, de ondernemings- en de regeringsbespa-

ringen gedurende de eerste helft dezer eeuw. Aan dit

onderzoek heeft een grote staf van economen en analysten

onder leiding van R. W. Goldsmith meegewerkt en het

werd financieel mogelijk gemaakt door de institutionele

beleggers. Tot dusver zijn twee delen van tezamen 1.800

bladzijden verschenen
2).
Het eerste deel bévat alleen al

550
tabellen. (Een soortgelijke studie van de investerings-

cyclus in het kader van de conjunctuurcyclus wordt te

zijner tijd gepubliceerd).
De eerste twee verschenen boeken bevatten schattingen

van de verschillende vormen van besparingen door ver-

schillende groepen van spaarders. In een nog te verschij-

nen derde deel zullen volgens ,,The N Y. Times” for-

mules worden opgenomen, met behulp waarvan de toe-

komstige besparingen met wetenschappeljke nauw-

keurigheid op grond van huidige economische data

kunnen worden voorspeld.

Er wordt gebruik gemaakt van een wiskundige formule,

welke uitdrukt, dat de totale persoonlijke besparingen

binnen een bepaalde periode gelijk zijn aan een bepaalde

fractie van het niet-geconsumeerde deel van het inkomen,

het zogenaamde ,,super-numerary income”. De formule

luidt aldus: s = a (y – b), waarin s: de besparingen, a:

de fractie, y: het inkomen en b: het inkomensniveau

waarop de besparingen nihil zijn, dus y – b is het ,,su-

pernumerary income”, dat deel van het inkomen dat meer

is dan dat, wat geheel geconsumeerd wordt en waarbij niet

gespaard wordt.

Uit het onderzoek blijkt, dat voor elke opeenvolgende

periode in de halve eeuw een gelijkblijvend reëel inkomen

gepaard gaat met geringere besparingen, hetgeen bete-

kent, dat de betrekking tussen inkomen, als onafhankelijk

variabele, en besparing, als afhankelijk variabele, in

de loop van de tijd verandert. Dit wordt aangetoond met

een grafiek, waarbij uitgegaan wordt van een gelijkblij-

vend reëel inkomen ter grootte van $
650
per hoofd,

in prijzen van 1929. Zulk een inkomen is ongeveer

gelijk aan een gezinsinkomen van $ 2.300, of aan een

inkomen in tegenwoordige, in koopkracht gedaalde,

dollars van $
3.500,
welk inkomen tegenwoordig twee-
derde van hqt aantal gezinnen maximaal heeft. Het blijkt

dan, dat van dit persoonlijke inkomen na belastingen

) Zie ook ,,Scientific American” van October 1951 en ,,Banque” van priI 1952.
‘) Zie aankondiging in ,,The Economist” van 24 September 1955, blz. 1025: ,,A study of saving in the United States”, met bespreking.

werd bespaard in 1897/1906 $113, in 1907/1916 $109,

in 1919/1929 $
95,
in 1929/1941 $ 64 en in
1946/1952

$ 23.

Uit de gegevens kunnen belangrijke çonclusies wor-

den getrokken:

Teneinde een gelijkblijvende spaarquote te behouden,

zal het reële inkomen elk jaar noodzakelijkerwijze

moeten stijgen. Anders gezegd: een stijging van de

reële consumptie per hoofd is in de loop van de tijd

noodzakelijl geweest, om een gelijkblijvende spaar

quote te handhaven. Deze conclusie is van belang

voor de onderconsumptie- en stagnatietheorieën en

kan tevens de juistheid van Hick’s groeimodel van

de volkshuishouding bewijzen.

Uit het onderzoek blijkt tevens, dat er een zeer op-

vallende verandering in de vorm van de persoonlijke

besparingen heeft plaatsgevonden. Het aandeel van

de contractuele besparingen in het totaal der persoon-

lijke besparingen is gestegen van 7 pCt v66r 1915 tot

15 pCt in de twintiger jaren en tot meer dan 40 pCt

na de tweede oorlog. Dit beperkt de vrijheid van han-

delen voor de spaarder, in het bijzonder indien de in-

komens dalen, doch vormt een belangrijk stabiliserend

element in de volkshuishouding. De gebruikers van

spaargelden en institutionele beleggers kunnen op een

stabiele toestroming der gelden rekenen. Er moeten

zich evenwel beleggingsmogelijkheden voordoen ten-

einde regelmatig emplooi voor de spaargelden te

hebben.

Verdef heeft het onderzoek aan het licht gebracht,

dat er een opvallende verandering in de liquiditeits-

graad der beleggingen van spaargelden heeft plaats-

gevonden. Het aandeel in de liquide vorm, zoals con-

tant geld, deposito’s en staatsschuld, is practisch

gelijk gebleven. Het aandeel in semi-liquide vorm,

onroerend goed, hypotheken, levehsverzekering en

eff6cten van ondernemingen, is gedaald, terwijl het

illiquide deel der spaarvormen, zoals pensioenen, in-
vesteringen in bedrjfsuitrustingen, huishoudelijke ar-

tikelen etc. vooral sinds de dertiger jaren sterk gestegen

is en wel van
1
/
6
tot
1
/
2
. De oorzaak hiervan ligt in

het besteden van besparingen voor’ de aankoop van
auto’s en andere duurzame consumptiegoederen, en

in de pensioenvorming.

Vervolgens worden de spaarvormen onderscheiden

naar de wijze waarop de spaarmiddelen worden aan-

gewend voor de financiering van de economische

vooruitgang. Hier worden onderscheiden:
indirecte besparingen, indien zij via een bank, be-
leggingsmaatschappij of levensverzekeringsmaat-

schappij ter beschikking van de gebruikers van

besparingen komen;

directe besparingen, indien de relatie tussen ge

bruiker en spaarder van directe aard is;

besparingen voor eigen gebruik, indien de spaarder

tevens investeert.

Het onderzoek heeft nu aangetoond, dat het aandeel

van de indirecte besparingen in het totaal sterk ge-

stegen is. Het bedrag is thans
2+-maal
zo groot als

vôôr 1930. De directe besparingen zijn daarentegen

scherp gedaald, vooral sinds de dertiger jaren, terwijl

de besparingen voor eigen gebruik nagenoeg gelijk

zijn gebleven. Deze veranderingen in de verdeling
van de persoonlijke besparingen moeten van groot

belang zijn geweest voor de ontwikkeling -van de kapi-

9 November 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1009′

taalmarkt gedurende’ de 1attste decennia. Zij kunnen
niet voor de verkoop van schatkistpapier heropend.
verklaren, waarom de. ondernemingen meer en meer
Bélegging op de Londense geldmarkt is, gezien de hoogte
tot zeiffinanciering zijn overgegaan of in contact zijn
der daar geldende rentetarieven en de kosten van het
getreden met verzekerings- en beleggingsmaatschap-
dekken van het valutarisico, thans nauwelijks lonend.

pijen, in plaats van hun kapitaalbehoefte te bevredigen
De discontohandelaren zullen, i.v.m. de heersende

n-
door het uitgeven van aandelen en obligaties. De
zekerheid omtrent de verdere ontwikkeling van het géld-‘

gegevens duiden er op, dat dit tot de grootste veran-
markt-renteniveau hier te lande, niet bereid zijn hun met

deringen in de structuur van de economie behoort,
caligeld

gefinancierde

schatkistpapierportefeuilles

be-
waaraan de zware depressie der dertiger jaren nit
langrjk uit te breiden. De opnemingscapaciteit voor cali
vreemd zal zijn.
blijft hierdoor beperkt en de notering muurvast, o

het
5.
Ten slotte wordt nagegaan, of de grote veranderingen minimum van

pCt genageld. De laatste tijd schijnt er
in het deel der persoonlijke besparingen, dat wordt
af en toe wel iets om te gaah in zgn. call-fixe voor een

bestemd voor directe aankoop van aandelen, aanlei- termijn van ca een maand, waarvoor een rentevergoe-

ding hebben gégeven tot het geloof, dat aandelen
ding van
3/4
pCt wordt genoemd.

minder attractief voor de spaarders zijn geworden.

(De moeilijkheid bij ‘dit onderzoek deed zich voor,
1

De kapitaalmarkt.
dat in 1926/1929 zeer veel aandelen werden gekocht).
1
Men vergeleek daartoe het deel der totale persooh-
Op de Amsterdamse aandelenmarkt heerste gedurende

lijke besparingen, dat in aandelen werd’belegd, met
de verslagweek een vriendelijke stemming, tot uiting

het deel, dât in öbligaties en andere. schuidbewijzen
komend in een aanhoudende stijging van het koersniveau

werd belegd. Men kwam tot de gevolgtrekking, dat
over vrijwel de gehele linie. Het vertrouwen, dat de afge-

het in aandelen belegde percentage betrekkelijk stabiel
lopen maanden vooral bij de wankelmoedige ‘broeders

is gebleven, omdat het slechts daalde van 60 in 1922/
lelijk geschokt was

scheen enigermate terug te-keren,

1929 tot
55
.in de na-oorlogse ‘periode.’ indien men hetgeen ‘tot uiting kwam in ‘meer aankoop- en minder

de niet-uitgekeerde winsten van ondernemingen ‘als
verkooporders van deze zijde. Dit ,,herstel op eigen

besparingen van het individu beschouwt, komt men
,kracht” werd nog versterkt, toen in Wallstreet tegen het
tot een ,,eqiiity-saving” van 55 pCt vande totale per
endç van de week hogere koersen uit de bus kwamen,

soonljke besparingen v66r 1915 tot 60,pCt in 1922/1929
vooral onder invloed van de aandelensplitsing 1 op 3

en tot ruim 50 pCt ‘in 1946/1949. Wel voltrokken er
‘bij de Staiidard 011 of New Jdrsey. Aandelen Koninklijke

zich belangrijke vér’anderingen in de besparingen in
Olie, die even,zelfs weer de 65< pari stand bereikten,

de vorm van ,,short-term claims” (geld en depôsito’s)
.
veryulden ten slotte weer hun oude rol als trait d’union

en van ,,long-term claims” (obligaties, hypotheken,
‘en
tussen New York en Amsterdam

als gangmaker bij de

pensioen- en verzekeringsreserves). Terwijl tot 1915
stijging in laatstgenoemd financieel centrum.

beide ongeveer even hoog waren, stegen de vorderingen
De koersdâling op de obliatiemarkt vond gedurende

op lange termijn in de twintiger jaren tot l–maal die
de verslagweek weinig verdere voortgang. Hier en daar

op korte termijn, terwijl na de tweede oorlog deze
‘druppelde de daling nog wat dobr, doch bij andere fond-
tendentie zich in versterkte mate voortzette.
sen was zelfs van een lichte koersstijging sprake. Wel-

Tot slot ‘een paar globale cijfers. In de 1aatse halve
licht zou het koersherstel in ‘deze sector markanter zijn

eeuw steeg het Amerikaanse nationale vermogen met
‘geweest, ware ter beurze niet,het gerucht opgedoken van
rjim
$
800 mrd, waartoe de besparingen ad
$
40 mrd
een a.s.
3+
pCt obligatie-emissie van f 50 mln door De
met
56
pCt bijdroegen. Het verschil zal wel moeten wor-
Nederlandsche Spobrwegen. Dit bericht vormde uiter-

den verklaard uit de stijging van het prijspeil endusuit
aard koren op de molen voor degenen, die menen dat de

de hogere waardering van zekere activa, zoals grond,

3
1
/

pCt obligatie-emissie bij

de jongste staatslening-
geboüwen, etc.
uitgifte voor afzienbare tijd haar weinig roemrijk einde

Amsterdam.

t

Dr J. P. SNOEP..
heeft gevonden.

Voor het achterwege blijven van een scherpe stijging

GELD- EN KAPITAALMARKT
op
korte termijn van de rentestand hier te lande pleiten

verschillende overwegingen. Een van de voornaamste

hiervan is wel, dat het Ministerie van Financiën en De
De geidmarkt.


Nederlandsche Bank, die door hun machtige positie

Voorzichtigheid blijft het parool bij

de geidgevers
op de geld- en kapitaalmarkt in staat zijn om desgewenst

ter geldmarkt.

Hoewel de kwartaalsbetaling van het
met één pennestreek het renteniveau tot het dior. hen

Rijk aan de gemeenten, die ditmaal ca f250 mln beliep, een
gewenste niveau omhoog te brengen, thans kennelijk

aanzienlijk bedrag bij de banken deed binnenvloeien, was
niet berejd zijn daartoe over te gaan. Niet alleen ht

,van een levendige vraag naar schatkistpapier op de markt
voeren van een rentepolitiek in het kader van een !nfla

weinig te bespeuren. De disconto’s bleven dan ook prac-
tiebestrjding, doch zelfs het voeren van een krachtige

tisch ongewijzigd. Kennelijk gaf men er de voorkeur aan,
‘,,anti-infiatiepolitiek überhaupt wordt blijkbaar momen-

de verkregen extra-middelen rustig op rekening bij de
teel door de monetaire autoriteiten hier te lande niet zeer

Centrale Bank te laten staan. Het voordeel hiervan was
urgent’ geacht. De weigering van de Minister van Fi-

ook, dat aldus een hoog kaspercentage der betreffende
nanciën om op korte termijn maatregelen ter vermindering

,banken ontstond, hetgeen te pas kan komen als zij iii het
van de overheidsuitgaven te nemen is in dit opzicht veel-

verdere verloop van de huidige kaspercentage-periode wat
zeggend

minder ruim in hun liquiditeitsjas zouden komen te zitten.
Een ‘andere factor, die een scherpe rentestijging teken-
Overigens zou het niet eenvoudig zijn, om momenteel
gaat, is de houding der institutionele belegg’ers. Hun aan-

voor grote bedragen passende geldmarktbeleggingen te
kopen van fondsen en onderhandse leningen, als een

‘vinden. Handelspapier is en blijft een rara avis

Agent
rendeii’ient van ca
34-pCt
of een weinig hoger kan worden
en Nederlandsche Bank hebben, hun loketten nog steeds
gemaakt, remmen nl een rentestijging al spoedig af.

Kas, Kassiers en Dag-
geldleningen

. .
f,
126.664.497,96
Nederlands
Schatkistpapier .,,
447.900.000,

Ander Overheidspapier,,
60.643.805,16
Wissels

………..
18.624.917,79
Bankiers in Binnen
,
en
Buitenland…..,
50.459.566,58
Effecten, Syndicaten en Waarden

……
50.464.465,98
Prolongatiën en Voor.
schotten tegen Effecten,,
34.676.785,61
Debiteuren

……..,,
348.214.715,37
Deelnemingen
(mci.
Voorschotten). .,,
6.585.263,16
Gebouwen……….
5.000.000,-

f.1.149.234.017,61

Kapitaal.
.

‘. f
49.000.000, –
Reserve
.

. .

. .
,,
20.000.000,

Bouwreserve

……..
1.000.000,-
Deposito’s op Termijn ,,
217.352.537,40
Crediteuren
.

. .

.

. .

.
..
806.567.727,64
Geaccepteerde Wissels

,,
78.538,46
Door Derden
Geaccepteerd

. .
,,
106.543,90
Overlopende

Saldi

en
Andere Rekeningen ,,
55.128.670,21

t. I.14Y.Li4.U11,01

v

A

c

A

T

u.

R

E
S

DE TWENTSCHE. BANK
N.V.

Gecotnbineerde Maandstaat op 31 October
1955

21 Oct. 28 Oct.
4 Nov.
Aand.
indexeijfers
(1953

100)
1955
1955
1955

Algemeen

……………………………
211,4
202,7

.
213,1
Internat.

concerns …………………..
272,2
261,7 273,9
Industrie

………………………………
159,4
151,6
161,0
Scheepvaart

…………………………
155,3
148,8
158,2
Banken

………………………… . ……..
142,6
139,1
146,2
Indon.

aand
.

…………………………
164,6
156,4
164,6

Aandelen

Kon.

Petroleum

……………………
588%
577½
598
Unilever

……………………………
453 443
456
3
/4
Philips

…………………………………
347%
325%
346
A.K.0.

…………………………………
34C½
317 340
3
/4
Kon.

N.

Hoogovens

………………
361
330%
366
Van

Gelder Zn

………………………
308
290
318
H.A.L .

…………………………………
210
202%
215
Amsterd. Rubber ……………………
139½ 130½
141%
H.V.A
.

…………………………………
160
151½
160%

Staatsfondsen
2%

pt
N.W.S
.

………………………
76%
751h
75%
3-3%

pCt

1947

………………………
99%
99%
99%
3
pCt Grootboek
1946

……………
98%
98
97%
3
pCt Dollarlening

…………………
98 96
96½

Diverse
obligaties

3%
pCt
Gem.
R’dam
1937
VI
101
100% 101%
3%
pCt Bkv. Ned. Gem.
1954 11/111
99 97
97
3%

pCt Philips

1948

………………
102%
101
101%
8%
pot Westl. Ryp. Bank ……
97½

J. C. BREZET.

OEL.4

tIIlII

iIIII

OPEN BEWARING

H
Wij belasten ons

met het bewaren
H

en administreren van

Uw effecten-

bezit, in welk geval wij o.a. zorgen

voor het nazien van

uitlotingen

en

het

,verzilveren

van

coupons. en

N
.

dividenden.
N.

H

Nederlandsehe

,
H

HandelMaatschappij, N.V.
M

H
88 kantoren in Nederland
H
111111

1IIIi

liii

1113

Bij het Ministerie van Justitie, afdeling Ge-

vangeniswezen,
wordt ingesteld de functie van

/

HOOFD

I

VAN DE GEVANGENISARBEID

Binnen het algemeen beleid voor het gevangefiiswezen zal deze belast worden met de zelfstandige organisato-
rische, technische, commerciële en administratieve lei-
ding van de gedecentraliseerde bedrijven. Organisatori-
sche en leidinggevende kwaliteiten, tact en enig commer-
cieel inzicht zijn vereist. ‘Academische vorming op be-
drijfsorganisatorisch gebied of Ingenieursopleiding en
gevarieerd bedrijfservaring kunnen tot aanbeveling
strekken. Leeftijd bij voorkeur tussen 35 en r
45
jaar.
Eigenhandig geschreven sollicitaties met uitvoerige in-
lichtingen over opleiding, loopbaan en referenties, aan
de Minister van Justitie, binnen 14 dagen na verschijning
van dit blad, onder motto Z/Gevar 51 (in linkerboven-
hoek env. en brief) aan de Directeur van de Centrale
Personeelsdienst, Bezuidenhoutseweg 15, Den Haag.

THE SUDAN GOVERNMENT

invites applications for three vacancies with the
Department of statistics, viz

2 CENSUS OFFICERS AND
1 STATISTICIAN

to help with the analysis of the census.
Candidates preferably should have a degree in
economics or statistics Experience on demo-
graphic statistics is essential. They must be persons
who will pay meticulous attention to detail. Age
23-40 years.

/
Appointment is offered for two years, terminable
on three months notice on either side.
Salary range EZ 1.146 to 1786 plus cost of
living allowance Free passage and EL 50 outfit
allowance.
Applications in English, giving full particulars regarding
training and experience to be sent before
15
November
to Bureau voor Internationale Technische Hulp,
Alexanderstraat 14, Den Haag.”

Wanneer. U

‘t
Stafpersoneel

zoekt
1

111111
1

1•


S
zult u ongetwijfeld uw op-
i
i roep het liefst plaatsen in

een ‘blad, weiks lezerskring

een zo hoog mogelijk aan-

1 tal serieuze, gegadigden telt.
1

1
Dë lezerskring van ,,Eco-
1
J
nomisch-Statistische Berich-

1
ten” wordt practisch uitslui-
I

1
tend gevormd door leidende
1

I
functionarissen in handel, 1

1
industrie en overheid.

1
De grootte van deze groep

is vrijwel constant. Aange-

i zien de redactie van ,,E.-

S.B.” hierop is ingesteld,

legt zulks uiteraard beper-

: kingen op, aan de oplaag en

1 klus ook.. .. aan het aantal
1

1
reactie op personeelsannon-
1

1
ces in dit blad.
.
1

Indien echter het
gehalte

der sollicitaties door U van

I
doorslaggevende betekenis

wordt gea
ç
ht, adviseren wij

1 U het voorbeeld te volgen
1

van de talrijke vooraan-

staande ondernemingen, die

van het medium ,,E.-S.B.”

gebruik maken voor het op-

1 roepen van sollicitanten voor

léidende . technischeÇ organi-

satorische, administratieve,’

commerciële en sociale

functies.
. 1
Advertentie-afdeling
Postbüs’ 42′.
-‘
Schiedam

L- – – – – ‘ __J

N.V.
NE.DE’RLANDSCHE
SPOORWEGEN

GEVESTIGD TE UTRECHT

*

UITGIFTE VAN F 50.000.000,-

3
1
/
2
pCt. 20-JARIGE OBLIGATIËN

*

Met verwijzing naar het prospectus d.d. heden berichten

ondergetekenden, dat zij,.e inschrijving op’ bovenge-

noemde obligatiën openstellen op

WOENSDAG
16
NOVEMBER
1955,’

van des’ voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur,

te hunnen kantore te

AMSTERDAM, ROTTERDAM, ‘s-GRAVEN HAGE

en UTRECHT, voor zover in genoemde plaatsen

gevestigd, alsmede te UTRECHT ten kantore van

de Heren VLAER & KOL,

TOT DE KOERS VAN 100 pCt.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn bij de kantoren

van inschrijving verkrijgbaar.

*

NEDE

RLANÔSCHE
HANDELI.MAATSCHAPPIJ,

N.V.

HOPE
&
CO.

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.

DE TWENTSCHE BANK N.V.
LIPPMANN, ROSENTHAL
&
CO

/
.

‘1
R.MEES&ZOON’EN

PIERSON
&
CO.

ROTTERDAMSCHE BANK N.V.

AMSTERDAM /ROTTERDAM, 8 NOVEMBER 1955

BUIZEN
1

vervaordigt
.-

UP

—L
BUIZENQ

L.fl
r
i
n’dustridle doelein
y:
en

1OÏ 1

Pen en inkt maken

Uw boekhOuding

ONNODIG. OMSLACHT1G!

1

Neem de nieuwe Burroughs Director en U bezuinigt

onmiddellijk op de kosten van Uw boekhouding.

Bedenk eens… de. aanschaffingsprijs va’n deze veelzijdige

boekhoudmachine is z6 laag, dat U zichzelf eig’enlijk ie kort doet,

Gaarne demonstreren wij

wanneer U hem niet terstond “in dienst” neemt.

U de fraaie, veelzijdige,

Alles gaat
dan
immers veel en veel sneller, accurater en

snelle en geidbesparende

overzichtelijker. De Director is een voorbeeld van volmaakt

Burroughs Director.

précisiewerk en zal U gegarandeerd jaren en jaren trouw ter zijde staan.

_

PRAAT EENS MET DE

BURROUGHS BOEKHOUD-ADVISEUR

Burroughs kan U heIpen met deskundige,

kosteloze adviezen, de juiste rachines voor Uw

administratie, perfecte onderhouds-service.

..

BurrOughs

.

I MEIMMIKIME 0

0 0 wam-W-M-~1
: .

GEBOUW ATLANTA, STADHOUDERSKADE 6, AMSTERDAM-W. TEL. 020.82082

1012

Auteur